de orgelman.

Hotsebotsend met zijn orgel op een kleine hondenkar
liep hij spelend langs de straten met een aap,gekleed als nar.
Voor zijn afgezaagde wijsjes,was men meestal onverschillig,
Maar de mensen gaven hem,een paar centen heel gewillig.
Toen was ik nog maar een kind,maar ik zal het nooit vergeten;
want door 't venster heb ik soms,een kwartje in zijn hoed gesmeten.
Alles is zo lang geleden.Die tijd komt nooit terug.
En ik denk met stille weemoed:"O,wat gaat het leven vlug."











































