PDD-NOS
|
| |
|
Wat is pdd-nos?
| |
PDD-NOS|
| |
|
Wat is pdd-nos?
| |
Ik vermoed dat mijn dochter ADHD heeftIk vermoed dat mijn dochter ADHD heeft
We vermoeden dat mijn dochter (4) een gedragsstoornis heeft. We zijn naar een Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen geweest, maar staan op een wachtlijst van anderhalf jaar. Ik denk zelf aan ADHD of een variant ervan, maar op den duur denk je van alles. Wat zijn haar toekomstperspectieven? Kan ze naar een normale school? Kan ze hogere studies aan?
Niet voor niets spreken we over 'uitdagend gedrag' van kinderen. Uitdagen staat hier niet alleen voor het aandachtszoekende van het kind, maar ook voor de letterlijke uitdaging die het inhoudt voor ouders: het steeds weer op zoek gaan naar het goede in het kind, naar inspiratie om gepast en ongepast gedrag van elkaar te onderscheiden. Heel wat normale kleuters vertonen gedrag dat aan ADHD doet denken, omdat het de leeftijd is waarop zij nog volop leren controle te krijgen over hun gedrag.
6 op 10 Nederlandse ouders zoekt hulp bij opvoeding
Zorgmap voor ouders van kinderen en jongeren met ADHDADHD is een stoornis met veel dimensies die vraagt om een veelzijdige aanpak. Opvoeders, hulpverleners, therapeuten, kind en ouders hebben allemaal iets bij te dragen. Het is belangrijk dat ze dat samen doen, in onderlinge verstandhouding en met begrip. Het zorgboek brengt informatie uit diverse disciplines en invalhoeken samen en is daardoor een kruispunt van gebundelde kennis.
Het boekje bestaat uit 4 delen. Een luik rond diagnostiek, medische zorg, niet-medische zorg en zorg op school. In het boekje staan tips en aandachtspunten bij het installeren en opvolgen van de zorg voor het kind met ADHD. Tegelijk kan het boek gebruikt worden als een persoonlijk dossier én centraal referentiepunt waarin de zorg vanaf diagnose tot de leeftijd van ongeveer 18 jaar kan worden geregistreerd Het is een persoonlijk logboek waarin de vele stappen van het groeiproces vanaf de diagnose tot de volwassenheid van het kind kunnen worden bijgehouden.
Bovendien start centrum ZitStil vanaf januari met een opleiding ‘zorgtrajectbegeleider’ voor professionele diagnostici en hulpverleners. De bedoeling is om in Vlaanderen een netwerk op te bouwen van professionelen, die ouders kort na de diagnose, kunnen verder helpen bij het organiseren van een kwaliteitsvolle hulpverlening. Hierdoor wordt tijd gewonnen én wordt een kwaliteitsgarantie ingebouwd. Via dit traject wordt geen nieuwe hulp geïnstalleerd, wel een persoonlijke wegwijzer aangeboden die snel en flexibel kan inspelen op de meest dringende zorgnoden van ouders.
http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=5877
Info: www.zitstil.be
http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=artperrub&c=205
'Dommerik heeft soms vwo-verstand'door Olger Koopman. vrijdag 07 november 2008 | 05:56
Sociaal onhandig: aangeboren of (niet) geleerdartikel uit Mobiel 6, december 2000/januari 2001
Sociaal onhandig: aangeboren of (niet) geleerd
rubriek: Vreemd gedrag!?
Door: Pim Steerneman, hoofd Centraal Coördinatiepunt Autisme Zuid-Limburg
MENNO IS ACHT. HIJ WIL GRAAG EEN VRIENDJE HEBBEN, MAAR HET LUKT
NIET. OP SCHOOL WORDT HIJ GEPEST. ALS IEMAND IN DE KLAS EEN
GRAPJE MAAKT, BEGRIJPT HIJ NIET WAAROM ER GELACHEN WORDT. HIJ
MAAKT GRAPJES WAAR NIEMAND OM LACHT EN HIJ LACHT OM DINGEN
DIE NIEMAND GRAPPIG VINDT. MENNO ZIT ER STEEDS NAAST. HIJ
BEGRIJPT NIET WAT ER IN ANDEREN OMGAAT EN HOE HIJ MET ANDEREN
MOET OMGAAN.
Problemen in de sociale omgang komen vaak voor bij kinderen. Meestal zijn het verstoringen
die spontaan of met enige hulp verbeteren. Soms zijn het aangeboren
ontwikkelingsstoornissen. We hebben het dan over contactstoornissen. Er is een aantal
stoornissen dat samen het autisme spectrum vormt. De belangrijkste zijn autisme, het
syndroom van Asperger en de aan autisme verwante stoornis PDD NOS. Bij kinderen met een
autistische stoornis verloopt, naast een aantal andere kenmerken, het sociale denken niet
normaal. Maar ook kinderen met hechtingsproblematiek kunnen problemen in sociaal denken
vertonen. De kwaliteit van de opvoedingsrelatie is belangrijk voor de kwaliteit van het sociale
denken.
Autisme spectrum stoornissen
In een recente studie beschrijft Lorna Wing(1) de hoofdkenmerken van autistische stoornissen
als volgt: ernstige tekorten in contact, in communicatie en een beperkte interesse in
activiteiten. Ze beschrijft ook drie vormen van autisten: het teruggetrokken autistische kind,
het passieve kind en het actieve maar vreemde kind.
Het teruggetrokken autistische kind is extreem in zichzelf gekeerd, leeft als het ware in een
schelp. Er is geen sprake van wederkerigheid en de cognitieve mogelijkheden, de intelligentie,
is laag. Passieve autistische kinderen zoeken niet actief contact, maar ondergaan contact wel.
Ook zij hebben een gebrek aan wederkerigheid en zij kampen met duidelijke communicatieve
problemen. De derde groep, actief maar vreemd, heeft de beste cognitieve mogelijkheden, de
hoogste intelligentie van normaal tot soms hoger dan gemiddeld. De autistische kinderen uit
deze groep kunnen heel claimend zijn in aandacht vragen. Ook bij deze groep kinderen
bestaan problemen in de wederkerigheid.
Dé autist bestaat niet, er zijn grote verschillen in problematiek en in intelligentie. Daarnaast
heeft ieder kind een eigen karakter en groeit ieder kind op in een unieke opvoedingssituatie.
Nóg moeilijker om het beeld autisme scherp te herkennen, is dat er vaak sprake is van
meerdere problemen dan alleen autisme, bijvoorbeeld een combinatie met ADHD, met
hyperactiviteit, met concentratiestoornissen.
De aan autisme verwante contactstoornissen is een vage groep stoornissen waarbij de
hoofdkenmerken van autisme wel aanwezig zijn, maar in mindere mate. Deze groep heeft
vaak een redelijke intelligentie, maar in sociaal opzicht valt ze net als het autistische kind
uit. Ze zijn vaak (sociaal) angstig, ze hebben moeite met het onderscheid tussen fantasie en
realiteit, moeite met het begrijpen van humor en ze hebben net als het autistische kind en het
kind met het syndroom van Asperger weinig invoelend vermogen.
Het verschil tussen autisme en het syndroom van Asperger is de aanvang van de stoornis: bij
autisme vóór het derde levensjaar en bij het syndroom van Asperger is dat vaak veel later.
Daarnaast zijn zowel de taal, als de intelligentie bij kinderen met het syndroom van Asperger
goed ontwikkeld, in tegenstelling tot het beeld autisme. Kinderen met het syndroom van
Asperger zijn vaak eenzijdig - zeer intelligent. Maar hun sociale intelligentie is zeer zwak
met alle gevolgen van dien. Ze willen wel contact met anderen, maar het lukt niet. Ze spreken
niet dezelfde taal, ze gedragen zich anders, ze begrijpen andere mensen vaak niet. Meestal
hebben ze een eenzijdige en beperkte belangstellingssfeer en kunnen ze zich niet op
empathische, invoelende wijze, in de ander verplaatsen.
Het sociale denken
Vanaf hun vroegste jeugd vormen mensen zich een idee van wat anderen denken en voelen.
Ze maken zo een 'theorie' over hoe anderen zijn. Om deze theorie te kunnen vormen is het
nodig zich te verplaatsen in een ander. Op grond daarvan ontstaat 'invoelen' en 'aanvoelen' van
wat er in een ander gebeurt. Zo kan men voorspellen wat een ander zal doen of denken en kan
men zijn eigen gedrag daarop afstemmen. Deze theorie over hoe anderen denken en voelen
wordt de Theory-of-mind genoemd, kortweg de TOM (2).
De meeste kinderen kunnen normaliter rond hun derde levensjaar op basis van gedrag van
anderen bepaalde gedachten, gevoelens en bedoelingen van anderen afleiden. Ze geven zo
betekenis aan het gedrag van die ander. Hiermee hebben kinderen met autisme spectrum
stoornissen echter grote moeite. Een voorbeeld: Er staan twee schreeuwende jongens
tegenover elkaar en er omheen staat een groep kinderen die ook schreeuwen. Als ik betekenis
geef aan wat ik zie en me probeer te verplaatsen in de situatie, maar ook in de gedachten,
gevoelens en bedoelingen van deze kinderen zou ik kunnen zeggen dat die twee jongens ruzie
hebben en dat de ene boos en de ander bijvoorbeeld bang is, met daar omheen een groepje
over en weer roepende kinderen. Als ik alleen maar beschrijf wat ik zie, dan zeg ik dat ik twee
jongens tegenover elkaar zie staan schreeuwen, en ik ook nog acht andere kinderen in een
kring er omheen zie staan. In plaats van de ruzie en het kijken te benoemen, zou ik kunnen
melden dat vier kinderen een blauwe broek aan hebben.
Deze laatste beschrijving zou de beschrijving door een autistisch kind kunnen zijn, die geen
betekenis verleent aan wat hij of zij ziet.
De kern van autisme spectrum stoornissen is in feite moeite met de goede betekenis te
verlenen aan sociale situaties. De basis hiervoor is lichamelijk van aard. We weten nog niet
veel over de oorzaken van autisme spectrum stoornissen. Wat we in ieder geval wel weten is
dat het een aangeboren stoornis is, waarschijnlijk met een erfelijke basis, waarbij de hersenen
niet normaal functioneren, onder andere op het gebied van informatieverwerking van sociale
situaties. Het is een prikkelverwerkings stoornis waardoor de kinderen inkomende zintuiglijke
prikkels (zien, horen, voelen) niet goed kunnen verwerken: ze zien anders, horen anders,
voelen anders en dus reageren ze anders, ook in sociaal opzicht.
Sociaal denken en TOM
Een onderdeel van de sociaal-emotionele ontwikkeling is de sociaal-cognitieve ontwikkeling
waarbij het denken over sociale gebeurtenissen centraal staat. Andere begrippen die verband
houden met sociaal-emotionele ontwikkeling zijn empathie, invoelend vermogen, emotionele
intelligentie of sociale intelligentie. De basis van dit alles wordt gevormd door de theorie die
ieder mens maakt over hoe anderen denken en voelen, de Theory-of-mind, de TOM.
De TOM wordt van baby af aan opgebouwd door waarnemen en imitatie (gericht kijken,
luisteren en gericht nadoen), emotieherkenning (bijvoorbeeld: wie is boos, bang, blij,
verdrietig en waarom?) en het 'doen-alsof vermogen (bijvoorbeeld doen alsof je heel erg boos
bent). Kinderen met een autistische stoornis hebben een gebrekkige TOM, hun idee van wat
er in anderen omgaat is erg gebrekkig.
Met behulp van een test, de zgn. TOM-test (2), kan onderzocht worden of de TOM voldoende
is ontwikkeld. Deze test maakt een sterkte-zwakte analyse op het gebied van zich verplaatsen
in een ander. De uitkomst geeft aan waar het kind extra hulp nodig heeft om een goed beeld te
vormen van sociale situaties, en waar het reeds voldoende is ontwikkeld. Vervolgens kan het
kind op grond hiervan worden getraind (3).
Het uitgangspunt van hulp op basis van de TOM is, dat als je sociaal gedrag wilt veranderen,
je eerst sociaal inzicht moet oefenen, stimuleren en ontwikkelen. Als je sociale inzichten
versterkt, zullen sociale vaardigheden daar logisch uit voortvloeien en misschien niet eens
getraind hoeven worden. Het probleem bij kinderen met contactstoornissen zit niet zozeer in
hun sociale vaardigheden alswel in hun gebrek aan sociaal inzicht waardoor ze zich niet
vaardig gedragen.
Uit onderzoek blijkt dat werken aan sociaal inzicht mogelijk is, tot op zekere hoogte ook bij
autisme spectrum stoornissen. Dit laatste is wel afhankelijk van de ernst van de problematiek
en de intelligentie.
Een gebrekkige TOM alleen bij autisme spectrum stoornissen?
Problemen met sociaal inzicht komen niet alleen bij autisme spectrum stoornissen voor. Laten
we met een voorbeeld uit onderzoek(4) duidelijk maken hoe dit wordt onderzocht.
In het onderzoek wordt het kind een smartierol getoond, waarbij de vraag wordt gesteld: 'wat
denk je dat hier in zit?' Kinderen kennen dit snoepgoed en antwoorden zonder uitzondering:
'smarties' of 'snoepjes'. Vervolgens maakt het de rol open en er blijkt een pen in te zitten. Dan
wordt het kind verteld dat er straks een ander kind komt die ook gevraagd wordt wat er in de
gesloten rol zit. Het kind moet dus voorspellen wat het andere kind zal antwoorden. Om dat te
kunnen moet het kind zich in het andere kind verplaatsen. Als het kind rekening houdt met
wat het andere kind daadwerkelijk weet, zal het antwoord luiden: 'smarties'. Het kind
onderkent dan dat de misleide persoon een ander idee heeft van de situatie dan hijzelf en dat
dit leidt tot een andere reactie. Uit het onderzoek blijkt dat veel kinderen met sociaal onhandig
gedrag, maar ook kinderen met sociaal-emotionele problemen, zoals pesten of gepest worden,
moeite hebben met deze gevolgtrekking. Ook kinderen met contact- en
communicatieproblemen die niet binnen het spectrum autisme vallen hebben vaak een
gebrekkige TOM. Een gebrekkige TOM is kenmerkend voor sociaal- emotionele onrijpheid in
het algemeen.
De TOM bij kinderen met hechtingsproblemen
Hechtingsproblemen hebben hun wortels in een onveilige gehechtheidsrelatie met de
opvoeders. Gehechtheid is een duurzame emotionele band tussen kind en verzorger. De
kwaliteit van de hechtingsrelatie is niet voor ieder kind gelijk en is afhankelijk van de
kwaliteit van de interactie opvoeder opvoedeling. De gevolgen van hechtingsproblemen die
we vaak in meerdere of mindere mate zien bij kinderen in pleeggezinnen variëren onder
andere van rusteloosheid, afleidbaarheid, tot prikkelbaar en agressief gedrag, problemen in
relatie met leeftijdgenoten en moeite om nauwe contacten aan te gaan.
Deze kinderen, die vaak in het verleden weinig invoelend op hun behoeften benaderd zijn,
reageren vaak ook weinig invoelend op de behoeften van anderen, met alle sociale problemen
dientengevolge. Door een falende hechting krijgen ze nauwelijks hulp in het goed
ontwikkelen van een correcte TOM. Ze kunnen geen goed beeld vormen van het denken en
voelen van andere mensen. Deze kinderen kunnen baat hebben bij een training die niet zozeer
gericht is op sociale vaardigheden, maar op het sociale denken, op de TOM.
Aan de buitenkant gezien bestaat er overeenkomst tussen het sociale gedrag van kinderen met
hechtingsproblemen en sommige kinderen met autisme spectrum stoornissen. Belangrijkste
verschil is dat kinderen met hechtingsproblemen in principe over een normaal vermogen tot
sociale wederkerigheid en invoelende reactie op anderen beschikken.
Hechting ontwikkelt zich binnen een constante interactie tussen kind en zijn of haar
omgeving. Het denkkader dat het kind opbouwt op basis van hechtingservaring bepaalt
weliswaar in hoge mate het gedrag van het kind, maar wordt ook door de verzorger op een
bepaalde manier geïnterpreteerd. Deze betekenisverlening door de verzorger wordt op zijn
beurt beïnvloed door eerdere ervaringen van de verzorger en op deze wijze is er dus sprake
van een constante interactie tussen de TOM van het kind en de TOM van de opvoeder. Er
wordt steeds aan hechting gebouwd en er wordt steeds aan ieders persoonlijke TOM
gebouwd.
TOM en opvoeders
TOM heeft betrekking op sociaal begrip, sociaal inzicht en sociale gevoeligheid. Kinderen die
over deze vaardigheden beschikken, hebben een kloppend invoelend vermogen. De meeste
volwassenen hebben een goed ontwikkeld invoelend vermogen. Alle volwassenen zijn kind
geweest. Maar hoe goed kunnen volwassenen zich inleven in de gedachten en gevoelens van
een kind? Voor veel volwassenen en dus ook opvoeders is het vaak heel moeilijk zich te
verplaatsen in de belevingswereld van kinderen. Als opvoeders zich verplaatsen in het
perspectief van het kind, voelt het kind zich geaccepteerd. Bij kinderen met
ontwikkelingsstoornissen, evenals bij kinderen met hechtingsproblemen, is het niet altijd
gemakkelijk om invoelend te reageren. Ten eerste moet het gedrag van het kind begrepen
worden. Als je niet weet dat een kind slecht hoort, hou je daar geen rekening mee en dit geldt
ook voor kinderen met autisme spectrum stoornissen en hechtingsproblemen: als je niet weet
dat het kind je niet aanvoelt en begrijpt, kijk je anders naar zijn of haar gedrag. Soms betekent
het dat je het kind gedrag kwalijk neemt waar het niets aan kan doen.
Optimale afstemming tussen kind en opvoeder vindt plaats in een veilig, stimulerend en
accepterend (opvoedings) klimaat. Een belangrijke voorwaarde is dat de opvoeder inzicht
heeft in het eigen handelen, waarbij een goede inschatting gemaakt wordt van de gevoelens
van de ander. Sensitiviteit(gevoeligheid) en responsiviteit(invoelend reageren) als bouwstenen
van een goed ontwikkelde TOM, zijn hierbij sleutelbegrippen.
Onderkennen en vervolgens begrijpen van contact- en communicatieproblemen is belangrijk.
Een goed ontwikkelde TOM is daarbij een instrument voor zowel het kind als de opvoeder om
betekenis te verlenen aan (sociale) gebeurtenissen.
Pim Steerneman
GZ Psycholoog / hoofd Centraal Coördinatiepunt (CCA) Autisme Zuid-Limburg en hoofd afdeling
Jeugdzorg RIAGG OZL.
Literatuur/noten
(1) Wing, L. Leven met uw autistische kind. Een gids voor ouders en begeleiders. Lisse, Swets & Zeitlinger, 2000.
(2) Steerneman, P., C. Meesters, & P. Muris. TOM test. Leuven/Apeldoorn, Garant, 2000.
(3) Steerneman, P. Leren denken over denken en leren begrijpen van emoties. Groepsbehandeling van kinderen. Leuven/ Apeldoorn, Garant,
1997.
(4) Steerneman, P. & P. Muris. Gebrekkig begrip van 'false belief': specifiek voor autisme en aan verwante contactstoornissen? In: Gedrag en
gezondheid, 1997, 25, p. 258 263.
(bron: http://web.archive.org/web/20010421041105/http://www.mobiel-
pleegzorg.nl/archief/2000/mo00616.htm )
This document was created with Win2PDF available at http://www.win2pdf.com.
The unregistered version of Win2PDF is for evaluation or non-commercial use only.
This page will not be added after purchasing Win2PDF.
Vereniging van ouders van normaalbegaafde kinderen

Na de start van het nieuwe schooljaar worden sommige ouders al snel geconfronteerd met leerproblemen van hun nochtans normaalbegaafde kind(eren). Sprankel is een oudervereniging die deze ouders een helpende hand wil reiken en informeren. Meer dan een kwart van de kinderen zou immers na verloop van tijd geconfronteerd worden met
leerproblemen. Dat kan zowel gaan om leesproblemen als taal- en rekenproblemen. Een kennismaking met deze vereniging.
Hoewel ze dus normaalbegaafd zijn krijgen heel wat kinderen in het lager onderwijs te kampen met leermoeilijkheden. Bij sommige kinderen kan dit zich al manifesteren in de kleuterschool, anderen krijgen er pas mee af te rekenen op de middelbare school. Meestal gaat het dus om lees-, taal- en rekenproblemen, vaak in combinatie met gedragsstoornissen. De scholen spelen hier maar al te vaak te weinig op in en er ontstaan problemen op school, met de omgeving en thuis in het gezin. Vaak ligt faalangst aan de basis van de problemen.
De oudervereniging Sprankel wil de ouders en kinderen een helpende hand reiken en informeren bij hun zoektocht naar de juiste hulp. Men kan daarom zowel telefonisch als schriftelijk informatie aanvragen over deze problematiek. De vereniging geeft ook een kwartaalblad en brochures rond de problematiek uit en organiseert voorlichtingsavonden, gespreksavonden,... De vereniging wil daarnaast de belangen behartigen van deze ouders en hun kinderen. Daartoe onderhoudt men contacten met deskundigen en ook met de overheid en wil men wetenschappelijk onderzoek promoten.
In alle Vlaamse provincies zijn er afdelingen met een eigen bestuur en secretariaat, die zelf activiteiten ontplooien. De werking steunt volledig op vrijwilligers. Iedere ouder van een normaalbegaafd kind met leerproblemen kan eenvoudig lid worden. Het gewoon lidgeld bedraagt 16 euro per kalenderjaar, maar men kan ook steunend lid worden voor een bedrag van 30 euro. Alle leden krijgen gratis een abonnement op het kwartaalblad. Wie geen lid wil worden, maar wel dit kwartaalblad wil ontvangen betaalt 14 euro.
Praktische informatie
Nationaal Secretariaat Sprankel
Ullenshofstraat 11 bus 2
2170 Merksem
Tel/Fax: 03/289 78 58 (ma, di en do van 12u tot 16u en woe en vrij van 9u30 tot 12u30)
e-mail: secretariaat@sprankel.be
Website : www.sprankel.be
Paul Willems
Gehechtheid als basis voor goei
De invloed van depressieve moeders met en zonder antisociaal gedrag
Angst bij zwangerschap beïnvloedt hersenen( keer bekeken)
Categorie: Vrouw & Gezondheid
Stress, angst of nervositeit tijdens de zwangerschap kan effect hebben op de ontwikkeling van de hersenen van het kind, ook wanneer het 20 jaar is. Dat blijkt uit onderzoek van de KU Leuven. Volgens de psycholoog Maarten Mennes kunnen deze kinderen mogelijk sneller afgeleid zijn. Of ze kunnen meer moeite hebben met taken waarbij de opdracht niet eenduidig is. Dramatisch noemt hij de situatie zeker niet. 'Maar toch is waakzaamheid geboden, zeker in drukke tijden waarin iedereen hard werkt en ook aanstaande moeders almaar langer werken.'
Meer dan twintig jaar geleden vulden zwangere vrouwen een vragenlijst in over de mate waarin ze zich nerveus, angstig of gestrest voelden. Bea Van den Bergh, psychologe aan de universiteiten van Tilburg en Leuven en verbonden aan de Vlaamse overheid, onderzocht daarna de peuters die uit die zwangerschappen waren geboren en stelde vast dat de kinderen van angstige moeders zelf ook onrustiger waren.
Het effect blijkt zich ook na bijna twee decennia nog voor te doen. Maarten Mennes stelde gisteren aan de KU Leuven zijn doctoraat voor, waarin hij concludeert dat deze kinderen als tieners en adolescenten anders functioneren bij het uitvoeren van bepaalde taken. Met name die taken waarbij ze zelf moeten beslissen welke strategie ze zullen volgen.
Hij testte dat uit in meerdere fasen. Om te beginnen schotelde hij 15-jarigen uit de onderzochte groep een taak voor waarbij de impuls om te handelen in de opdracht zelf vervat zat. Elke keer als de jongeren een vierkantje op een computerscherm zagen, moesten ze op een knop drukken. Verscheen er een cirkel, dan mochten ze niet drukken. De vierkanten waren in de meerderheid, waardoor ze in de verleiding kwamen om altijd te drukken.
'Kinderen uit de hoogangstige groep deden het hier niet beter of slechter dan kinderen van laagangstige moeders', zegt Mennes. Maar taken waarbij de impuls om te handelen vanuit henzelf moest komen, gaven wel verschil. Mennes: 'We gaven ze opdrachten waarbij ze meerdere dingen tegelijk moesten doen: bepaalde voorwerpen zoeken op een groot blad, onderwijl geluidjes tellend. Ze moesten hierbij zelf bepalen hoe ze best te werk gingen. Kinderen van hoogangstige moeders deden dit slechter: ze deden het trager, of maakten meer fouten, of vonden minder voorwerpen.'
In een volgende fase, op de leeftijd van 17, kregen de tieners opdrachten terwijl ze elektroden op hun hoofd geplaatst kregen, die de hersengolven in beeld brachten.
De jonge proefpersonen kregen een gokspel voorgeschoteld waarbij ze hun kansen moesten inschatten en in het geval van twijfel mochten passen. In dit spel moesten de jongeren zelf de beste strategie bepalen. Mennes: 'Waar de meeste mensen en de kinderen van laagangstige moeders passen, omdat ze hun kans laag inschatten, gokken de kinderen van de hoogangstige moeders toch. En omgekeerd: waar de meerderheid gokt, passen zij.'
Betekent dit dat ze het slechter doen? 'Dat is een beetje kort door de bocht, al zou je dat wel kunnen concluderen. Het geeft aan dat ze niet de optimale strategieën gebruiken om tot een beslissing te komen en tot actie over te gaan', zegt Mennes.
'Bovendien waren er bij deze taak ook verschillen in de hersengolven. Maar als we hen de taak met de vierkantjes en de cirkels opnieuw gaven, bleek er geen verschil. Deze fase bevestigde dus dat er wel degelijk een verband is tussen stress tijdens de zwangerschap en het functioneren van de hersenen. En dat we dit kunnen zien bij bepaalde opdrachten, die veronderstellen dat de betrokkene zelf keuzes maakt en strategieën bepaalt. Angst tijdens de zwangerschap heeft blijkbaar een specifieke invloed gehad op de ontwikkeling van de hersenen die zich onder meer laat zien bij het uitvoeren van bepaalde denkverrichtingen.'
Dat effect werd nog eens bevestigd in een derde fase, bij de jongeren die intussen 20 waren geworden. Mennes maakte hersenscans, die de specifieke hersenactiviteit in bepaalde zones in beeld brengt. 'We hadden verwacht om bij bepaalde complexere taken verschillen te zien in één specifieke zone, maar dat was niet het geval. Het gaat blijkbaar om een netwerk van zones.'
Kan dit ook tot leermoeilijkheden leiden? Mennes: 'Mogelijk wel. Deze kinderen kunnen mogelijk sneller afgeleid zijn. Of ze kunnen meer moeite hebben met taken waarbij de opdracht niet eenduidig is. Het gevolg is echter niet zo dramatisch dat je de kinderen er met het blote oog in een klas op kunt selecteren. Ik zeg wel eens: het is een proces dat voor variatie zorgt onder onze bevolking.'
'Maar toch is waakzaamheid geboden. Zeker in drukke tijden waarin iedereen hard werkt en ook aanstaande moeders almaar langer werken. Want het gaat misschien om minieme schade, maar ze doet zich bij de kinderen op zo'n jonge leeftijd voor dat ze de hele ontwikkeling beïnvloedt, ook op lange termijn. Dat proces is vermoedelijk onherstelbaar. Dus je kunt het maar beter proberen te voorkomen.'
Mennes verdedigde zijn doctoraat in de psychologie gisteren aan de Leuvense universiteit. Van den Bergh zet het onderzoek voort in Tilburg. Onderzoeksteams in Tilburg, Leuven en Londen zullen samen nagaan hoe prenatale stress en genetische kwetsbaarheid leiden tot gedrags- en gezondheidsproblemen later in het leven.
Onderscheid tussen reactieve en proactive aggressie bij kinderenReactieve agressie is een heethoofdige vorm van agressie in reactie op een bedreiging. Proactive agressie is koelbloedig doelgericht gedrag om iets te krijgen of om te domineren. Sommige onderzoekers zijn van mening dat dit onderscheid niet te maken is. Dit omdat beide typen bijna altijd samen voorkomen binnen één kind. Promovenda Hanneke Polman is van mening dat het onderscheid moeilijk te maken is vanwege methodologische problemen.
Indien deze methodologische problemen worden opgelost is het onderscheid helder te maken. Reactieve en proactieve agressie zijn in haar ogen functies van agressief gedrag en dienen ook op deze manier te worden gemeten. Hiertoe heeft zij een nieuwe vragenlijst ontwikkeld waarin naar verschillende vormen en functies van agressie wordt gevraagd. Met deze lijst laat ze zien dat een helder onderscheid tussen reactieve en proactieve agressie mogelijk is. Informatie over de reactieve en proactieve functie van agressief gedrag is zeer belangrijk. Het biedt belangrijke aanknopingspunten voor een effectieve behandeling.
20-06-2008, 10:30 uur , Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht.
Informatie voor ouders en professionele opvoeders
Tornado
Vries, F de
Informatie voor ouders en professionele opvoeders over oorzaken, diagnostiek en behandeling van deze aandachtsstoornis.
Dit 'handboek' ADHD is volgens de auteur (gewezen agent, vader van een kind met ADHD en zelfbenoemde deskundige op het gebied ADHD en PDD-NOS) gericht op professionals en daarnaast met name op ouders van kinderen met ADHD. Hij wil inzicht geven in de oorzaken en gevolgen van het probleem 'aandachtsstoornis' en uitzicht geven op een vermindering van negatieve gevolgen ervan. Naast een vrij gedegen beschrijving van de oorzaken, diagnostiek en behandeling van ADHD heeft dit boek toch ook een aantal merkwaardigheden, bijvoorbeeld: het opmerkelijke aanprijzen van St. Janskruid als probate medicatie; het zich serieus bezighouden met het fenomeen 'nieuwetijdskinderen'; en zijn totaal onbewezen bewering over PDD-NOS niet als reststoornis van autisme, maar als verzamelstoornis van onder meer ADHD, dyslexie, anorexia nervosa en een diversiteit van overige ontwikkelstoornissen. De uitgave zal onder betrokkenen nogal voor- en tegenstand oproepen. Bevat (medische) begrippenlijst en voetnoten met verwijzingen naar literatuur. Kleine druk. De auteur publiceerde eerder 'Storm in je hoofd : handboek PDD-NOS' (2006)*.
Flevodruk ISBN: 9789070886752
Kinderen met dyscalculie
A. Desoete, T. Braams
Gedragstherapie en specifieke cognitieve gedragstherapieGedragstherapie en specifiek cognitieve gedragstherapie, neemt een steeds belangrijkere plaats in binnen de hulpverlening. Er zijn meerdere programma's ontwikkeld voor vooral volwassenen en kinderen. Het toepassen van cognitieve gedragstherapeutische interventies bij adolescenten loopt daar wat bij achter. Deze cursus wil specifiek ingaan op de behandeling van adolescenten (van 12 tot 20 jaar) en/of ouders (ambulant en residentieel), waarbij de nadruk ligt op externaliserende adolescenten. De invalshoek is gebaseerd op RET maar ook interventies vanuit Beck, Kendall en Young zullen worden behandeld.
Wat is accreditatie?
Voor meer informatie>>> http://www.rino.nl/cursussen/536.html


De moeder van Tom kan niet meer voor hem zorgen; daarom gaat hij naar een kindertehuis. Prentenboek met eenvoudige, gekleurde illustraties voor kinderen vanaf ca. 7 jaar en een informatief gedeelte voor de jeugd vanaf ca. 9 jaar.
Mijn kind heeft gedragsproblemen, daardoor gaat het opschool en thuis steeds minder goedgedragsproblemen…
Hoe kan ik mijn kind helpen?
Het zou zo fantastisch zijn als:
Met de BSM therapie kan dat allemaal gebeuren!
Lees verder>>>>Praktijk Pippi http://www.praktijkpippi.nl/index.php?id=190

Tijdens de schoolloopbaan kunnen zich velerlei problemen voordoen. Dit kunnen leerproblemen zijn zoals dyslexie, dyscalculie of de manier van leren is bijvoorbeeld niet effectief. Ook kunen er gedragsproblemen zijn waardoor een leerling niet functioneert. De psychologen en pedagogen van Geldergroep kunnen met behulp van tests en gesprekken achterhalen waar de oorzaak van de problemen ligt en daaraan adviezen koppelen om de problemen aan te pakken.
Hierin zijn de volgende diensten te onderscheiden;
Hechtingsstoornissen informatie voor Leerkrachten
| Hechtingsstoornissen informatie voor Leerkrachten |
Ben van Berkel In zijn werk als behandelingscoördinator bij een jeugdhulpverleningsinstelling heeft Ben van Berkel veel te maken met ouders die opvoedingsproblemen hebben. In de loop der jaren zijn behandelaars steeds meer gaan onderkennen dat veel van die opvoedingsproblemen voortkomen uit een niet - of onvoldoende tot stand gekomen - hechtingsrelatie tussen ouders en kind. Hechtingsproblemen hebben te maken met een breuk in de relatie tussen moeder/ouder(s) en kind, meestal ontstaan in de eerste jaren van het leven. Ben van Berkel geeft in dit uitgebreide artikel achtergrondinformatie over deze stoornis, maar ook tips met betrekking tot contact en leren. De theorie In de gehechtheidstheorie van Bowlby (1988) en Ainsworth (1978) wordt onderscheid gemaakt tussen veilige en onveilige gehechtheid.Veilig gehechte kinderen laten een goede balans zien tussen exploratiegedrag (het onderzoeken van de omgeving of speelgoed) en gehechtheidsgedrag (het naar de ouder toegaan voor troost of hulp). Bij onveilig vermijdend gehechte kinderen is de balans doorgeslagen naar exploratiegedrag: zij zoeken te weinig steun bij de ouders, ook in situaties waarin dat wel zou moeten. Bij onveilig ambivalent gehechte kinderen is de balans juist doorgeslagen naar gehechtheidsgedrag: zij klampen zich vast aan hun ouders en durven (te) weinig te ondernemen. Een veilige gehechtheid in de eerste kinderjaren is belangrijk voor een goede sociaal-emotionele ontwikkeling, ook ná de eerste kinderjaren (Van IJzendoorn 1994). Onderzoek van IJzendoorn c.s. wijst uit dat 25-30% van de Nederlandse kinderen in feite meer of minder onveilig gehecht is. Mijn visie is dan ook dat heel veel gedragsproblemen van kinderen in feite voortkomen uit het feit dat deze kinderen een hechtingsrelatie met hun ouders hebben ontwikkeld die onvoldoende tot niet veilig is (was). In plaats van van het geven van opvoedingsadviezen richten we ons in onze behandeling op het werken aan herstel van de relatie tussen ouders en kind(eren) waardoor, als de relatie weer hersteld is, opvoeden weer vanzelf gaat. Het belang van hechting De "Moedertaal" van de baby begint bij de geboorte. Als het kind huilt dan communiceert het, stelt het een vraag, namelijk "Ben ik belangrijk?" Daar begint het. De meeste baby's vormen een gehechtheidband in eerste instantie met, laten we zeggen, de moederfiguur. Deze band heeft in de eerste plaats de biologische functie om bescherming te bieden tegen de gevaren die het nieuwe leven bedreigen maar ook de emotionele functie om vanuit vertrouwen de wereld te kunnen verkennen. Van de moeder uit is het gedrag complementair aan dat wat de baby vraagt, dus verzorgend en beschermend. De aard van de interactie bepaalt of de gehechtheid het kind geborgenheid geeft. Geborgenheid kan slechts tot ontwikkeling komen als het kind de moederfiguur ervaart als werkelijk beschikbaar. Dat houdt in dat de moeder bereikbaar is en dat zij bereid en in staat is om op een adequate manier op de fundamentele behoeften van het kind in te gaan. De mate van beschikbaarheid van de moeder bepaalt of het kind zichzelf gaat zien als iemand die de moeite waard is of niet. Een veilig gehecht kind heeft geleerd dat die opvoeder te vertrouwen is, dat zij er is als je haar nodig hebt en dat zij je spanningen kan verlichten. Het voornaamste kenmerk van deze opvoeder is haar responsiviteit. Zij reageert snel en adequaat op de signalen die het kind uitzendt. Werkmodel en hechting In het zoeken naar verbanden tussen de problematiek van kinderen en de jeugdervaringen van hun ouders zien we ook het verband tussen de levenservaringen van ouders en de gehechtheidontwikkeling van hun kinderen. De representatie van jeugdervaringen van ouders (dus de manier waarop ze nu nog denken en voelen over die jeugdervaringen) is van invloed op de manier waarop ze hun kinderen benaderen en dus van invloed op de gehechtheid van hun kinderen. Een veilige hechting vormt de basis van een evenwichtige uitgroei naar volwassenheid. Voor een veilige hechting is nodig dat belangrijke hechtingsfiguren (meestal de ouders) gevoelig zijn voor de fundamentele behoeften (geborgenheid, veiligheid) die het kind heeft en de signalen die deze behoeften vertegenwoordigen adequaat weten te beantwoorden. Op deze manier verwerft het kind op zijn beurt, als toekomstige ouder, een referentiekader (WERKMODEL) dat hem of haar in staat stelt een al dan niet veilige hechtingsfiguur te zijn voor zijn of haar kinderen. Uit de anamnestische gegevens van bij ons aangemelde kinderen blijkt dat in de zwangerschap en/of de baby- of peutertijd van het kind heel vaak gebeurtenissen voorkwamen die een responsieve benadering door de ouders bemoeilijkten of belemmerden. Ook kan het zijn dat het hechtingsgedrag van het kind zo onduidelijk is dat ouders hier geen raad mee weten. Bijvoorbeeld, een kind dat veel huilt en, als de ouders hem proberen te troosten, zich overstrekt, lijkt te vragen: "laat me los" terwijl dit allerminst de eigenlijke vraag is. Ook de mate van veilige of onveilige hechting van ouders met hun ouders (de grootouders dus) heeft grote invloed op het WERKMODEL van waaruit ouders een relatie met elkaar en met hun kind aangaan. Immers, een mens leert in principe relaties te leggen op de manier waarop hij als kind geleerd heeft relaties te leggen en te onderhouden. Een chronisch tekort aan responsiviteit mondt uit in een ernstig hechtingsprobleem. In ons behandelingsprogramma wordt gewerkt aan herstel van de hechtingsrelatie als die relatie verstoord is. Daarbij wordt altijd aandacht besteed aan twee wezenlijke, onlosmakelijk aan elkaar verbonden, factoren, namelijk: a. herstel van de lichamelijke en emotionele aansluiting tussen moeder (ouders) en kind, d.m.v. Ouder-kindtherapie. Dit is een vorm van regressieve therapie waarin, om de relatie tussen ouders en kind te herstellen, feitelijk teruggegaan wordt naar de fase van lichamelijke aansluiting. b. beïnvloeding van het werkmodel van de ouders d.m.v. gezinsbehandeling. Hierin komen, voor zover nodig, de volgende onderwerpen aan de orde: - geven van informatie en advies over gehechtheid en de implicaties voor de aanpak van een onveilig kind, - verwerking van "oude pijn" die de ouders als kind hebben opgedaan in hun relatie met hun ouders, - bevorderen van ouderlijke samenwerking/communicatie en - indien mogelijk, herstel van de relatie tussen ouders en grootouders. Naast deze intensieve behandeling van het gezin bieden we meestal ook ondersteuning of coaching aan de leerkracht op school. Immers het problematische gedrag in de thuissituatie komt meestal ook voor op school. I. Hoe manifesteert onveilige gehechtheid zich in een kind? Het kind: * voelt zich van binnen onrustig en onveilig * heeft geen vertrouwen in zichzelf en in de mensen om zich heen * heeft het gevoel nergens bij te horen * heeft het gevoel waardeloos te zijn * heeft gedragspatronen ontwikkeld om zichzelf te handhaven (zie kenmerkend gedrag). * heeft nooit ervaren dat je je naar bepaalde regels kunt gedragen omdat degene die om jou geeft dat fijn vindt. Daardoor heeft het zich waarden en normen niet eigen gemaakt. Daar kun je als leerkracht dus ook niet op terugvallen. Doordat het kind niet of onvoldoende is gehecht is het volgende niet of te weinig ontwikkeld: * een gevoel van waardevol te zijn als mens, * een gevoel van trots zijn op wat je kunt, * een gevoel van vertrouwen in jezelf, in je eigen mogelijkheden, * een gevoel van vertrouwen in de mensen om je heen, dat ze het beste met je voor hebben en om je geven, * patronen van 'normaal' gedrag, bijvoorbeeld hoe je omgaat met je eigen lijf, hoe je omgaat met anderen, hoe je om gaat met je eigen gevoelens van boosheid en angst. Daardoor lijkt ook besef van waarden en normen, van wat goed en niet goed is, te ontbreken. Vaak blijkt dat besef er wel te zijn, maar is het niet geïnternaliseerd en handelt het kind er niet naar. Voor hem is relevant om het hoofd boven water te houden, niet om zich aan regels te houden. Handhavingspatronen Een kind met te weinig gevoel van basisveiligheid of zonder gevoel van basisveiligheid heeft zich gedrag eigen gemaakt om zich te kunnen handhaven met de angst, het wantrouwen en de afweer die in hem zit. Het kind rent bijvoorbeeld weg voor contact om niet nog eens gekwetst te worden. Het kind houdt geen rekening met de leerkracht en andere leerlingen, omdat het zich geen positieve waarden en normen heeft eigen gemaakt. Het kind weet niet hoe het op volwassenen kan vertrouwen en nog minder hoe het vertrouwen in zichzelf, in eigen vaardigheden en capaciteiten kan krijgen. Leerontwikkeling De emotionele spanning die dit alles met zich meebrengt belemmert ook de cognitieve ontwikkeling van het kind. Vaak is het door de spanning ongeconcentreerd, heeft moeite met opletten, moeite met bijvoorbeeld rekenen en andere taken waarbij in een bepaalde volgorde een aantal deeltaken moet worden volbracht. Alle energie wordt 'verbruikt' voor de zelfhandhaving; het kind is bijvoorbeeld steeds alert op wat er om hem heen gebeurt of een kind is steeds bezig zich te bewijzen in de groep door clownesk gedrag. Verschillende gradaties Vaak zie je bij kinderen een combinatie van verschillende type gedragingen (zie 'kenmerkend gedrag') en het gedrag kan voorkomen in verschillende gradaties. Er is sprake van kinderen die niet voldoende gehecht zijn tot kinderen met een ernstig hechtingsprobleem. Met een weloverwogen pedagogische aanpak en veel inzet van de leerkracht kan het kind wellicht voldoende veiligheid geboden worden om op school tot bevredigende sociale contacten en tot leren te komen. Behandeling Behandeling van hechtingsproblematiek moet in het gezin plaatsvinden. Daar moet gewerkt worden aan het herstel van de band tussen ouders en kind. Als de behandeling succesvol is dan zal dat zeker in de klas te merken zijn. Anderzijds zal het bieden van veiligheid en structuur in de klas de behandeling thuis natuurlijk sterk ondersteunen. Voor leerkrachten die te maken krijgen met - meer of minder - onveilig gehechte kinderen op school (en die zal je elk jaar wel tegenkomen) wil ik hier kort een aantal kenmerken en tips geven om ze in de benadering van deze kinderen te ondersteunen. II. Benadering van kinderen die niet veilig gehecht zijn Algemene opmerkingen Als er sprake is van een hechtingsprobleem dan is er bij het kind veel wantrouwen naar volwassenen en er is angst om gekwetst te worden. Het kind schrikt terug voor het praten over gevoelens, voor het maken van contact. Ook kan het zijn dat het gedrag van het kind bij jou negatieve emoties oproept omdat het kind je kwetst of omdat je je, door wat hij zegt of doet, afgewezen voelt. Probeer te voorkomen dat je het gedrag ervaart als tegen jou, als persoon, gericht maar zie het gedrag als voortkomend uit handhavingspatronen. Kenmerkend gedrag Een kind dat onveilig gehecht is en dus een gevoel van basisveiligheid mist: * Vertoont zelfbepalend gedrag * Probeert alles in de gaten te houden * Maakt slecht contact * Doet vaak stoer * Is snel boos en verongelijkt * Vindt aanval de beste verdediging * Kan moeilijk stil zitten, is beweeglijk * Is druk en onrustig * Maakt een gespannen, soms zenuwachtige indruk * Heeft angstige fantasieën * Faalt vaak bij taakjes Achter dit zelfbepalende, stoere gedrag zit een onzeker, angstig en zich onveilig voelend kind, dat met dit gedrag zijn gevoelens probeert te overbluffen. Het rent weg voor contact om niet nog meer gekwetst te worden. Het faalt voortdurend, terwijl het wel zijn best doet om dingen goed te doen. Het weet niet hoe je op volwassenen moet vertrouwen en nog minder hoe je vertrouwen in jezelf moet krijgen. De spanning die dit met zich meebrengt belemmert zijn ontwikkeling. Tips Plaats in de klas Probeer bedreigende situaties te voorkomen of te verminderen, zodat het kind zich beter kan ontspannen en daardoor meer gewenst gedrag kan laten zien. * Houd hem dicht bij je, bijvoorbeeld naast je * Zet hem in de buurt van rustige kinderen * Geef hem een eigen tafel en stoel (bijvoorbeeld met een sticker erop) * Plaats zo mogelijk geen kinderen achter hem (bijvoorbeeld met zijn rug richting muur) Contact Het is heel belangrijk dat het onveilig gehechte kind zich begrepen voelt en dat het ervaart 'gehoord' te worden. Positieve interactie met hem is dan ook essentieel. Schenk hem vertrouwen, opdat hij ook vertrouwen in zichzelf kan krijgen. Wijs het kind niet af als persoon, maar benoem zijn ongewenste gedrag en bied daarvoor een alternatief aan. Bouw een relatie met hem op en versterk die. Geef hem het gevoel: 'jij bent belangrijk voor mij. Ik wil dat het goed gaat met ons en dat jij je prettig voelt in de klas'. Verwoord dit bijvoorbeeld door: * 'Ik wil je helpen, daar ben ik voor' * 'Grote mensen zijn er om kinderen te helpen met grootgroeien, dus roep maar als je me nodig hebt' * 'Je hoeft niet alles te kunnen of alleen te doen' Het is belangrijk om actief naar het kind te luisteren en zijn gevoelens te verwoorden. Als het hoort dat het best bang, boos of verdrietig mag zijn, voelt het zich begrepen en zal de spanning van hem af vallen. * 'Je vindt het moeilijk hè' * 'Je wilt het zo graag goed doen en dan lukt het toch niet, ook niet als je zo je best doet' * 'Je hoeft nog niet alles te kunnen, grote mensen kunnen ook niet alles' Vertel ook de andere kinderen waarom het kind soms moeilijk doet, bijvoorbeeld: 'Hij vindt het erg spannend en wordt daardoor druk en giechelig'. Leren Probeer het leren voor het kind weer leuk te maken door: * Lage eisen te stellen (onder zijn niveau) * Veel complimenten te geven * Waar mogelijk visuele ondersteuning te bieden * Zitten en bewegen af te wisselen (zoals bij heel jonge kleuters) * Bij overgangssituaties te helpen, zodat hij niet overspoeld wordt * Eventueel een beloningsysteem in te voeren (uiteraard met opdrachtjes die haalbaar voor hem zijn) * Extra 'leuke' taakjes te geven (bijvoorbeeld planten water geven e.d.) * Zijn gevoelens te verwoorden * Actief naar hem te luisteren Probeer de dag altijd positief af te sluiten met het kind, zo mogelijk met hem alleen. 'Het ging goed met ons hè. Fijn dat je morgen weer komt'. Het kan nodig zijn hulp te vragen van iemand die jouw aanpak observeert en je zonodig coacht in deze benadering. Schakel daar een VIB-er (video-interactie-begeleider) voor in met ervaring op het gebied van hechting of informeer bij mij over de mogelijkheden! Als we leerkrachten, die te maken hebben met problematische onveilig gehechte kinderen, begeleiden of coachen horen we van hen vaak terug dat deze manier van werken ook voor de andere kinderen goed werkt. Vaak ontstaat er veel meer rust en een beter werkklimaat in de klas en dit is logisch. Immers: een onveilig gehecht kind heeft behoefte aan een klimaat van veiligheid en geborgenheid en hebben niet alle kinderen behoefte aan een dergelijk klimaat? Ben van Berkel Behandelingscoördinator : IAK de Molenhorst te Utrecht (Intensieve Ambulante Kind- en Gezinsbehandeling). Contactpersoon voor: Bebeth, praktijk voor kinderen met gedrags- en/of hechtingsproblemen In dit artikel heb ik, met toestemming van de auteurs, gebruik gemaakt van informatie uit de brochures: Omgaan met kinderen met een hechtingsstoornis van drs. C. Penninga-de Lange, Grote mond - Klein hartje van Betty Smit, Ouder-kindtherapeut. Drs. C. Penninga-de Lange is adviseur van 'De Knoop'. 'De Knoop' is een algemene landelijke vereniging voor ouders/verzorgers en (jong)volwassene met hechtingsstoornissen/Geen-Bodem-Syndroom. Tel.: 0527-614504 / Website: http://www.deknoop.org |
Hoe ga ik om met opvoedproblemen in de klas?|
Hoe ga ik om met opvoedproblemen in de klas? | |
|
Behandeling van hechtingsproblematiek moet in het gezin plaatsvinden. Daar moet gewerkt worden aan het herstel van de band tussen ouders en kind. Als de behandeling succesvol is dan zal dat zeker in de klas te merken zijn. Anderzijds zal het bieden van veiligheid en structuur in de klas de behandeling thuis natuurlijk sterk ondersteunen.
Voor leerkrachten die te maken krijgen met - meer of minder - onveilig gehechte kinderen op school (en die zal je elk jaar wel tegenkomen) wil ik hier kort een aantal kenmerken en tips geven om ze in de benadering van deze kinderen te ondersteunen.
Ook kan het zijn dat het gedrag van het kind bij jou negatieve emoties oproept omdat het kind je kwetst of omdat je je, door wat hij zegt of doet, afgewezen voelt. Probeer te voorkomen dat je het gedrag ervaart als tegen jou, als persoon, gericht maar zie het gedrag als voortkomend uit handhavingpatronen.
Probeer bedreigende situaties te voorkomen of te verminderen, zodat het kind zich beter kan ontspannen en daardoor meer gewenst gedrag kan laten zien. Houd hem dicht bij je, bijvoorbeeld naast je Zet hem in de buurt van rustige kinderen Geef hem een eigen tafel en stoel (bijvoorbeeld met een sticker erop) Plaats zo mogelijk geen kinderen achter hem (bijvoorbeeld met zijn rug richting muur) Contact
Het is heel belangrijk dat het onveilig gehechte kind zich begrepen voelt en dat het ervaart ‘gehoord’ te worden. Positieve interactie met hem is dan ook essentieel. Schenk hem vertrouwen, opdat hij ook vertrouwen in zichzelf kan krijgen. Wijs het kind niet af als persoon, maar benoem zijn ongewenste gedrag en bied daarvoor een alternatief aan. Bouw een relatie met hem op en versterk die. Geef hem het gevoel: ‘jij bent belangrijk voor mij. Ik wil dat het goed gaat met ons en dat jij je prettig voelt in de klas’. Verwoord dit bijvoorbeeld door: ‘Ik wil je helpen, daar ben ik voor’ ‘Grote mensen zijn er om kinderen te helpen met groot groeien, dus roep maar als je me nodig hebt’ ‘Je hoeft niet alles te kunnen of alleen te doen’ Het is belangrijk om actief naar het kind te luisteren en zijn gevoelens te verwoorden. Als het hoort dat het best bang, boos of verdrietig mag zijn, voelt het zich begrepen en zal de spanning van hem af vallen. ‘Je vindt het moeilijk hè’ ‘Je wilt het zo graag goed doen en dan lukt het toch niet, ook niet als je zo je best doet’ ‘Je hoeft nog niet alles te kunnen, grote mensen kunnen ook niet alles’ Vertel ook de andere kinderen waarom het kind soms moeilijk doet, bijvoorbeeld: ‘Hij vindt het erg spannend en wordt daardoor druk en giechelig’.
Leren
Probeer het leren voor het kind weer leuk te maken door: Lage eisen te stellen (onder zijn niveau) Veel complimenten te geven Waar mogelijk visuele ondersteuning te bieden Zitten en bewegen af te wisselen (zoals bij heel jonge kleuters) Bij overgangssituaties te helpen, zodat hij niet overspoeld wordt Eventueel een beloningsysteem in te voeren (uiteraard met opdrachtjes die haalbaar voor hem zijn) Extra ‘leuke’ taakjes te geven (bijvoorbeeld planten water geven e.d.) Zijn gevoelens te verwoorden Actief naar hem te luisteren Probeer de dag altijd positief af te sluiten met het kind, zo mogelijk met hem alleen. ‘Het ging goed met ons hè. Fijn dat je morgen weer komt’. Het kan nodig zijn hulp te vragen van iemand die jouw aanpak observeert en je zonodig coacht in deze benadering. Schakel daar een VIB-er (video-interactie-begeleider) voor in met ervaring op het gebied van hechting of informeer bij mij over de mogelijkheden!
Als we leerkrachten, die te maken hebben met problematische onveilig gehechte kinderen, begeleiden of coachen horen we van hen vaak terug dat deze manier van werken ook voor de andere kinderen goed werkt. Vaak ontstaat er veel meer rust en een beter werkklimaat in de klas en dit is logisch. Immers; een onveilig gehecht kind heeft behoefte aan een klimaat van veiligheid en geborgenheid en hebben niet alle kinderen behoefte aan een dergelijk klimaat? | |
Leer- en Gedragsproblemen veroorzaakt door aangeboren syndromen|
LEER- EN GEDRAGSPROBLEMEN VEROORZAAKT DOOR AANGEBOREN SYNDROMEN |
|
Aardoom, H.A. |
|
Hoogeveen, H. |
|
Jrg. 43 (2004), nr. 6 (juni) |
|
p. 235-242 |