KANKER : Ik worstelde en leerde...

Voilà, \'t verdict is gevallen, ik heb bevestiging : \'t is kanker.Wat nu meiske ? Blijf je nu hier ronddobberen voor anker ?
Of ga je vechten met elke vezel in je aangetaste lijf ?
Huil maar niet, kom, al weet je met je angst geen blijf !
Al mijn moed heb ik koortsachtig bijeengesprokkelt,
Hoever was mijn levenskracht al voor mij afgebrokkeld ?
Hoe is het in godsnaam zover met mij kunnen komen ?
Ja... handelen, nù, k\'kan er blijven over wenen en bomen.
Ik ging voor de spiegel staan : of je \'t nu aan me zag of niet,
Er lag me veel pijn, doorzetting, angstig afwachten in \'t verschiet.
Mijn ogen straalden die weemoedige droefenis die ik diep in mij voelde;
Dat ellendige verdriet, jarenlang, de vernedering die mij doorwoelde.
Ik nam mezelf eens duchtig onderhanden : stop ermee en laat opereren.
Maar dat zwoer ik mezelf plechtig : ik zou niet opgeven en leren.
Zelf zou ik beslissen wat ik wou, ik ging me niet meer laten leven.
Niemand zou zijn fustraties nog op mij straffeloos projecteren.
Schuldgevoelens die op mijn schouders drukten : dat pak ging ik ontleden.
\"Atlas\" die de wereld torste, dàt behoorde wel voorgoed tot \'t verleden.
Ik verplichtte mezelf, met tranen in de ogen, te leren waarderen.
Zelfrespect, mezelf vergiffenis schenken kon me niet meer deren.
Het hielp, ik voelde me langzaamaan beter in mijn eigen vel.
Struikelen hoort erbij, meiske, houd vol, je doet het wel.
Elk deeltje van mijn verleden werd als een film bekeken,
\'t negatieve werd met wat constructief kon zijn vergeleken.
Belangrijk dat ik stilaan, voetje voor voetje, mijn macht terugnam.
Ik voelde me soms zo fier op mezelf dat het me de adem benam.
De medicijnen nam ik in, de rust die ik mezelf moest gunnen
bekwam me goed, ik sliep veel, begon mijn eigen leven te runnen.
Voor beschuldigingen, vernederingen, fustraties van anderen, afgunst,
kweekte ik een olifantenvel aan : ik hanteerde dat op de duur als een kunst.
Alle wrokgevoelens, jaloezie, kwaadsprekerij van anderen liep van me af
als water van een gepolijste plaat, mijn gezondheid ging niet verder bergaf.
Ik pelde al mijn zelfgecreëerde, opgeslagen misnoegen als een ajuin,
pijnlijk dat toegeven. Soms bakte ik het met mezelf wel heel bruin.
In de kern vond ik die tiener die ik eens was : lollig, lachgraag, een wonder.
Nog verder dat kleine zesjarige meiske dat ik eens was : zo pienter en bijzonder.
Nooit had iemand vreemd aan mezelf me zovéél aangedaan dat ikzelf niet deed.
Elke dag van mijn leven, heb ik aan die zelfverloochening, kritiek besteed !
Ongelooflijk, ik wist niet dat ik tot zoiets in staat was, maar \'t bleek van wel.
Maanden en veel nadenken, niet schromen, maar dààr lag \'t kankergezwel !
Ik leerde hardleers dat er een oneindige intelligentie leeft in mij
Het wil niet meer dan mij beschermen, ik kan er altijd onmiddellijk bij.
Het kent de juiste manier om iedere horde te nemen, er bestaat geen hindernis
voor die Kracht in mij, wetende nu dat die \"Bron\" mijn eigenste \"wetende\" ziel is.
1995
Ingrid



















