Naar de inhoud

Vijf eeuwen familie Martens

akke.beakke.be

Archief

2.2 Zoektocht naar stamvaders

2.1 Zoektocht naar stamvaders

Toen Albert Martens in 1969 “Stam Martens, Mededelingsblad van de families Martens en aanverwanten” opstartte, tijdschrift waarmee hij de afstammelingen van de gemeenschappelijke stamvader Petrus-Francies Martens (1810-1900) poogde te bereiken, was zijn opzoekwerk reeds opgeklommen tot Pieter Martens (+1653), oud-grootvader van voormelde Petrus Martens. Vermits de parochiale registers van Bellem slechts vanaf 1616, en deze van Hansbeke slechts vanaf 1624 werden bijgehouden, werd Pieter als het voorlopig eindpunt aangegeven.In zijn zoektocht naar vroegere stamvaders dienden andere bronnen te worden aangesproken, zoals staten van goed, wettelijke passeringen e.a..

In september 1970(Stam Martens, vol. 2, nr 1, pp 4-8) begeleidde hij zijn lezers in zijn speurtocht naar een vroegere stamvader, namelijk Jacques Martens(+ Hansbeke, 1618).

1. 27ste van de Laumaent (27 januari) 1624 trouwt Pieter Martens voor pastoor J. Mares te Bellem met Tanneken (Anna) Steyaert. De trouwakte in het parochiaal register is in het Middelnederlands gesteld en luidt woordelijk: 27 van Lau 1624 trouden bij mij, pasteur, Pieter Martens ende Tanneken Steyaert, present Jan Martens ende Stoffel Martens ende andere. Uit deze zeer korte huwelijksakte blijkt geenszins of Jan en Stoffel broers of ooms waren van Pieter. Wel is het waarschijnlijk dat het twee broers waren.

2. In het archieffonds van de parochie Bellem wordt een rentebrief gevonden, gedateerd 13 februari 1629, gesloten voor de Eersaeme Pieter Van Kerrebrouck, Bailliu, Joos Van Speybroeck, Burchmeestere, Marten Rootsaert ende Joos Dobbelaere, Schepenen van de Heerlijckhede ende Vierschaere van de prochie van Bellem ende Schuervelt waaruit blijkt dat een zekere Baudewijn Denijs en Philippus De Crock, kerckmeestere van Bellem een lening hebben aangegaan van 16 pond grootten bij een zekere Pieter Martens en diensvolgens aan Pieter een rente dienden te betalen van 20 schellingen ’s jaars. Deze Pieter Martens wordt in deze akte vermeld als zoon van Jacques(Jacobus of Jacob). Hiermee is niet bewezen dat het om dezelfde Pieter Martens gaat die in 1624 in Bellem huwde, maar wel staat vast dat de vader van deze “renteheffer” of geldschieter Jacques Martens was.

3. Volgens het parochiaal overlijdensregister van Bellem overleed op 8 juli 1653 een Pieter Martens, zoon van Jacobus en Livina Claeys. In deze akte werd noch de ouderdom noch de eventuele vrouw van Pieter vernoemd, zodat het nog niet met zekerheid was bewezen dat het om dezelfde Pieter, vermeld in één van de vorige akten, ging. Nochtans werd hier opnieuw de naam van Jacobus Martens vernoemd zodat de verwantschap tussen een zoon Pieter en een vader Jacques nogmaals werd onderlijnd.

4. In het archieffonds van Hansbeke bevindt zich een verkoopakte, gepasseerd op 18 maart 1620 voor Lieven Van Kerrebrouck, Bailliu, Joos De Meyere ende Jan Van Hulle, Schepenen van de Heerlijckhede ende Vierschaere van de prochie van Hansbeke waaruit blijkt dat Joos Van Renterghem, fs Lauwerijn en Livina Claeys zijn echtgenote, tevoren weduwe van Jacques Martens, in zijn leven Bailliu van Hansbeke, aan Jan Martens, zoon van de voornoemde Jacques, een partij land van drie honderd roeden grootte gelegen op de wijk Zande verkocht hadden.

Uit de gegevens van deze en vorige akten kunnen reeds belangrijke en vaststaande conclusies worden getrokken:

Jacques Martens, eertijds bailliu van Hansbeke, was gehuwd met Livina Claeys en blijkbaar voor 1620 gestorven aangezien dezelfde Livina Claeys, vermeld als zijn weduwe, voor 18 maart 1620, datum van de laatstgenoemde akte, hertrouwd was met Joos Van Renterghem. Vermelde Jan Martens was de zoon van Jacques en Livina Claeys, terwijl Joos Van Renterghem zijn stiefvader was. Jan kocht dus een partij land aan zijn moeder en zijn stiefvader. De in Bellem op 8 juli 1653 overleden Pieter Martens, zoon van Jacques en Livina Claeys, was dus een broer van de voornoemde Jan Martens. Het stond echter nog niet tenvolle vast dat de vermelde in Bellem gehuwde Pieter Martens de broer was van Jan en eveneens de zoon was van Jacques en Livina Claeys, maar de reeds verzamelde gegevens wijzen toch in die richting (cfr huwelijksakte met getuige Jan Martens).

5. Het bewijs hieromtrent werd uiteindelijk gevonden in de doopakte van Vijntjen (Livina) Martens, oudste dochter en eerste kind van de in Bellem gehuwde Pieter Martens en Tanneken Steyaert, die te Bellem werd geboren op 19 maart 1625. Haar peter was Joos Van Renterghem, en het werd dus meteen duidelijk dat deze de stiefvader was van haar vader Pieter Martens.

Samenvattend: Jacques Martens, gehuwd met Livina Claeys, bailliu van Hansbeke, had een zoon Jan en een zoon Pieter. Deze Pieter huwde te Bellem met Tanneken Steyaert op 27 januari 1624, toen zijn vader reeds overleden was, en stierf te Bellem op 8 juli 1653. Livina Claeys hertrouwde blijkbaar te Hansbeke, voor begin 1620, met Joos Van Renterghem, stiefvader van Jan en Pieter en peter van het eerste kindje van Pieter, namelijk Vijntjen, geboren te Bellem op 19 maart 1625.

Er blijft nog Christoffel Martens, die getuige was bij het huwelijk van Pieter Martens, en waarover nog niets werd achterhaald. In het archieffonds van Hansbeke berust een verkoopakte gepasseerd op 13 november 1630 voor Baudewijn De Meyere, Bailliu, Jan Van Hulle, Burchmeestere, Heindrick De Cuypere, Schepene van de prochie ende heerlijckhede van Hansbeke, waarin wordt vermeld dat Christoffel Martens, zoon van Jacob, aan Jan Rutsaert, zoon van Baudewijn, o.a. een behuysde hofstede gheleghen binnen de prochie van Hansbeke verkoopt. Hieruit blijkt dus dat de hier vernoemde Christoffel Martens nog een derde zoon is van hogervernoemde Jacques Martens. Hij was blijkbaar tweede getuige bij het huwelijk van zijn broer Pieter. De link naar Jan Martens(+ ca 1575) en Stoffel Martens (+ na 1554) kon pas later gelegd worden.
Geschreven door Laurent Martens om 11:35 Reageer op dit bericht

2.3. Hoofdstamlijn XVIe eeuw Stoffel Martens (1494-1554)

2.1 Hoofdstamlijn XVIe eeuw

Stoffel Martens ( ° ca 1494 + na 1554 )

Over de voorvader Stoffel of Christoffel is weinig bekend. Hij werd omstreeks 1494 geboren (dat jaar overleed Hans Memling te Brugge en werd Amerika ontdekt door Christoffel Colombus) en woonde te Lovendegem.

Hij is overleden na 1554. In dat jaar getuigde hij immers nog voor de Raad van Vlaanderen in een rechtsgeding tussen Dieryck Clays, eiser, en Jan Ryckaert, Pieter Snouck en de erven van Matteus Van Deynse, verweerders. Hij verklaarde dat hij omstreeks 1535 aanwezig was in de herberg Het Schild van Bourgondië te Lovendegem, toen Jooris Huevinck en Jossijne Vande Zijpe twee bunders land verkochten aan Jan Kerckaert, zijn zwager(1).

Niets is geweten omtrent de echtgenote van Stoffel en de samenstelling van zijn gezin is evenmin bekend. Was Jan Kerckaert gehuwd met een zus of met een schoonzus van Stoffel? Enkel zoon Jan kon opgevolgd worden.

Ruim 4 eeuwen na het vertrek van deze eerste stamvader uit Lovendegem is in dezelfde gemeente opnieuw een band ontstaan met de stam Martens. Aimé Van Daele(1887-1971) was van 1933 tot 1970 onafgebroken gemeenteraadslid en van 7-6-1945 tot 31-12-1958 burgemeester van Vinderhoute, thans deelgemeente van Lovendegem. Hij was gehuwd met Anna Sierens(°1890), dochter van Emma Martens (1869-1946) en kleindochter van stamvader Petrus-Francies Martens (1810-1900).
Geschreven door Laurent Martens om 11:37 Reageer op dit bericht

2.4. Hoofdstamlijn Jan Martens (+ca 1575)

2.4 Hoofdstamlijn

Jan Martens ( + Merendree ca 1575 ) zv Stoffel

Schepen van de heerlijkheid en vierschaar van Merendree

Van Jan Martens, of ook Jan Martins fs Christoffel zijn geen gegevens nopens geboortedatum en plaats(Lovendegem of Merendree ?) bekend.

Wel is bekend dat hij in zijn eigen hofstede woonde, 300 roeden groot, op de wijk Velde te Merendree. Hij was verder eigenaar van 27 gemeten zaailand, 8 gemeten meers en 2 gemeten bos. Naast deze eigendommen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 17 hectaren, die hijzelf bewerkte of gebruikte, pachtte hij bovendien van Pieter De Meyere een stede met land en meers ter grootte van 1500 roeden(2), van de weduwe van Gillis Van Hulle een partij land van 700 roeden(3), alsook nog vier verschillende partijen land, meers of bos samen 1182 roeden groot, onderscheidelijk toebehorend aan Margriete Meyers, Gheerolf en Vijnken Van Hulle (4). Voor die tijd baatte hij dus een groot landbouwbedrijf uit van circa 22 hectaren, alle gelegen op de wijk Velde(5).

In 1566 maakte hij de beeldenstorm mee, maar blijkbaar bleef hij het Spaanse gezag trouw.

Jan was schepen van de heerlijkheid en vierschaar van Merendree(6) en trad in 1571 en 1573 zelfs op als collecteur van de XXe penningen(5 % op de verkoop van onroerend goed, als Spaanse oorlogsbelasting ingesteld door Alva),samen met Pieter Dobbelaere, meier, en Marten De Clercq, eveneens schepen.

In de bewaard gebleven penningkohieren van Merendree, daterend van 1571 en 1573, werd hij zelf tussen de besitters ende ghebruyckers als één van de zwaar getroffen belastingplichtigen vermeld.

Hij overleed omstreeks 1575 te Merendree(7), dus net voor Alexander Farnese landvoogd werd,en nadat de Hertog van Alva teruggekeerd was naar Spanje. Zijn overlijdensjaar situeert zich met zekerheid tussen 1573, jaar dat hij nog vermeld wordt als collecteur, en 1577 dit is het jaartal van een penningkohier van Merendree waarbij de tauxatie van voornoemde bezittingen op naam van de weduwe Jan Martens werd ingeschreven(8).

In het Registre terrier de Hansbeke, vermoedelijk van 1575, vindt men: Gillis Van Heyste haudt in pachte van Jan Martens (200) roeden lants liggende velt ackere, jaerelickx omme de somme van (vijf schellyngen grooten). Of het hier dezelfde Jan Martens betreft is onzeker, maar vermits zijn zoon Jacob zich enkele jaren later te Hansbeke vestigde, behoort dit tot de mogelijkheden.

Op 9-2-1585 werd in de Staten van Goed van Merendree (9) het volgende genoteerd: Christoffel Martens fs Jans neemt de rent van 20 sch. gr. tsjaers ten zijne laste van de hoirs van wijlent Joos de Meyere over coop van grond… bezet op hofstede te Merendree Velde. Deze Christoffel Martens zou een te Merendree gebleven zoon van Jan kunnen zijn en dus een broer van de Hansbeekse ba ljuw Jacob Martens. Met zijn eerste echtgenote Margriete s Brunen kreeg Christoffel zeker drie kinderen (Christoffel, Beth echtgenote van Pieter Van Steenberghe, en Lievientken) en wellicht nog een oudere zoon Jan, genaamd naar diens grootvader.

Volgens De Potter en Broeckaert was de vierschaar van de heerlijkheid Merendree tijdens de XVIe eeuw samengesteld uit een meier en zeven schepenen, waarvan twee te Hansbeke moesten wonen. Kan hierin een verklaring liggen voor het feit dat Jacob Martens,zoon van Jan en nadien ook zijn kleinzoon Jan, later te Hansbeke het ambt van baljuw bekleedden ?
Geschreven door Laurent Martens om 11:41 Reageer op dit bericht

2.5 Hoofdstamlijn Jacob Martens (1560-1618)

2.5 Hoofdstamlijn

Jacob Martens ( ° Merendree (?) ca 1560 - + Hansbeke 09-1618 ) zv Jan

Baljuw van de prochie en heerlickhede van Hansbeke

Jacob Martens, zoon van Jan en kleinzoon van Stoffel, wordt in de officiële stukken praktisch altijd als Jacques Martens vermeld, en soms wel Jacques of Jacoq Martins. Deze variante schrijfwijze van familienamen is niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat namen meestal voortgaande op de uitspraak werden geschreven en ook wegens het voorkomen van de franse vorm Martin. In een doopakte van één van zijn kleinkinderen wordt hij als Jacoq vermeld. Klaarblijkelijk hield hij het doorgaans bij de roepnaam Jacob, zoals hij ook wel in de wandel en door familie werd aangesproken. Officiële documenten ondertekende hijzelf met Jacob Martens. Ondermeer onder een akte van 31-1-1612(10), waarin hij als Jacques Martins wordt vermeld, komt zijn handtekening Jacob Martens voor, geschreven met een scherpe vederpen in fijne lettertjes met enkele zwierige omhalen, doch duidelijk leesbaar. Dit laat wel vermoeden dat hij gemakkelijk en vlot schreef.

Tijdens de XVIe en de XVIIe eeuw was er binnen de stam Martens blijkbaar een familietraditie voor de voornamen Jan en Jacob. Na Jan, zoon van Stoffel en na Jacob, zoon van Jan tijdens de XVIe eeuw, volgen opnieuw Jan (1590 – 1646) en Jacob (1613 – 1627) beiden zonen van Jacob met Livina Claeys. De laatste Jan heeft met zijn echtgenote Barbara Speeckaert opnieuw een zoon Jacques (1618 – 1678) die uit zijn huwelijk met Joanna Coppens zijn twee oudste zonen opnieuw Joannes of Jan (°1659) en Jacob(°1664) noemde. Pieter Martens (1602 – 1653), tweede zoon van Jacob en Livina en tevens stamvader, kreeg uit zijn huwelijk met Tanneken Steyaert eveneens een zoon Jan(°1644), die dan weer een zoon Joannes Martens(°1671) kreeg uit zijn huwelijk met Adrianneken Spiessens.

De preciese geboortedatum en plaats (Merendree of Hansbeke?) van Jacob zullen niet kunnen achterhaald worden vermits de oudste parochiale registers van Hansbeke slechts dateren van 1624. Toch kunnen enige afleidingen gemaakt worden uit de overlijdensakte van zijn zoon Pieter die op 8-7-1673, in de ouderdom van 70 jaar, overleed te Bellem. Pieter wordt er vernoemd als zoon van Jacobi et Livina Claeys en er zou eveneens uit blijken dat Jacob voor of omstreeks 1583 huwde met Livina of Vijntje Claeys (°ca 1563 + Hansbeke 25-12-1637), dochter van Marten Claeys. Er zijn geen aanduidingen dat Jacob voordien al zou getrouwd geweest zijn. Neemt men aan dat Jacob huwde bij een leeftijd van minstens 25 jaar, dan kan zijn geboortejaar voor of omstreeks 1560 gesitueerd worden, toen Filips II aan de macht was en zeker voor de Beeldenstorm. Zijn vader Jan zou overleden zijn toen Jacob minstens 15 jaar of ouder was.

De laatste decennia van de XVIe eeuw waren voor onze streken zeer rampzalig. Jarenlang sloeg de bevolking op de vlucht ingevolge de oorlogstroebelen en plundertochten. Is Jacob ook op de vlucht geweest? In 1573 werd de kerk te Hansbeke geplunderd. In 1578 had Hansbeke samen met Ursel een eigen Calvinistische predikant.

Het blijft een open vraag waar Jacques Martens, ook na zijn huwelijk met Livina Claeys, zich aanvankelijk vestigde. Hij werd in het ferieboek van Hansbeke, daterend 1589 – 1604, slechts in 1601 voor het eerst vermeld, wanneer hij voor de vierschaar de eed aflegde als schepen van de heerlijkheid. Vermits zijn oudste zoon Jan reeds in 1590 te Hansbeke geboren werd, is het waarschijnlijk dat Jacques en Livina zich daar na hun huwelijk hebben gevestigd.

Philomenakapel te Hansbeke in XXe eeuw

Jacob Martens en Vijntjen Claeys woonden te Hansbeke op het neerhof van het heerlijke kasteel aan de Grote beek langs de strate commende vande Leye naer de kercke. Het betreft het huidig pachtgoed aan de Philomenakapel in de Vaartstraat tegenover de alombekende herberg (thans restaurant) Het oud gemeentehuis, eertijds schepenhuis van de heerlijkheid van Hansbeke. Dit aloude casteelgoet tegenover de taveerne Hove was het foncier van theerschip, ghehauden vande leenhove vande burchgrave(y) van Gendt en omvatte ruim 30 bunder zaailand, meers, bos en water. Jacob Martens en Vijntjen Claeys runden het landbouwbedrijf met een drietal paarden en hielden een uitgebreide veestapel, varkens en een kudde schapen. Ze hadden ook een brouwerij.

In de herberg Hove, gelegen tegenover het middeleeuws kasteel van Hansbeke, vergaderde de schepenbank van de heerlijkheid en het leenhof. Het leenhof (een rechtbank samengesteld uit leenmannen van de heer die één of meerdere lenen bezaten) was bevoegd om recht te spreken in aangelegenheden of betwistingen tussen leenmannen. De herbergnaam Hove verwees ongetwijfeld naar de plaats waar de vazallen, deel uitmakend van het leenhof, zitting hielden.

De kinderen van Jacob worden geboren tijdens de overgangsjaren van de XVIe naar de XVIIe eeuw:

Jan Martens(1590–1646),echtgenoot van Barbara Speeckaert 1594-1636) en van Elisabeth Rijckaert (+1640)

Pieter Martens(1602 – 1653) stamvader, echtgenoot van Anna (Tanneken) Steyaert

(+1640)

Geeraert Martens(1609 – 1678), echtgenoot van Phillipa De Meyere (+1670)

Livina (Vijntje) Martens(°1611), echtgenote van Arendt Van Wassenhove

Jacques Martens(1613 – 1627)

Guilliame Martens (°1614)

Christoffel Martens

Joanna(Janneke) Martens, echtgenote van Marten Rootsaert

(zie vervolg XVIIe eeuw)

In zijn in 2006 gepubliceerde memoires verwijst Wilfried Martens, oud-premier en huidig voorzitter van de Europese Volkspartij, naar zijn oudst bekende stamvader Jacob Martens die van 1602 tot 1618 baljuw was van Hansbeke.
Geschreven door Laurent Martens om 11:44 Reageer op dit bericht

2.6. Lokale tijdgenoten

2.6 Lokale tijdgenoten

In de databank van de stam Martens bevinden zich ook sommige personen uit de XVIe eeuw waarvan de afstammelingen later deel uit maken van de stam Martens. Enkele voorbeelden ter illustratie.

2.6.1. Kwartierstaat van Carel Martens (1766 – 1837)

Uit de in het eerste hoofdstuk als illustratie weergegeven kwartierstaat van Carel Martens (in hoofdstamlijn van Pieter Martens) blijkt dat van zijn 14 (of 16 met dubbeltelling) betovergrootouders er 11 zijn waarvan één of twee generaties vroeger geïdentificeerd zijn, dus waarvan de oud-ouders en eventueel de oud-

grootouders teruggevonden werden. Dit brengt ons meteen bij een aantal voorouders uit de XVIe eeuw die eveneens bijgedragen hebben tot de stam Martens. Van sommigen is bovendien hun geboorte- of overlijdensplaats gekend.

Voorouders van Maria Rosa Sutterman(1771-1850)

Baudewijn Maenhoudt(°1607), burgemeester van de Heerlijkheid Hansbeke en zijn vrouw Livina Van Heyste, voorouders van de echtgenote van Carel Martens, zijn net na het einde van de XVIe eeuw te plaatsen.

Overgrootouders van Judocus Martens (1686 –1725)

De voorouders van Guilliame Martens (°1628), afkomstig uit Lovendegem, Merendree, Hansbeke en Bellem(Pieter, Jacob, Jan en Stoffel) worden verder uitvoeriger besproken. Naast de stamlijn Martens zorgt ook Livina Claeys, de echtgenote van Jacob Martens,voor een dubbele band met streekgenoten uit de XVIe eeuw, namelijk door haar vader Marten en door haar schoonvader Lauwerijn Van Renterghem uit Hansbeke, de vader van haar tweede echtgenoot Joos Van Renterghem.

Pieter Steyaert(Bellem) en Livina De Wispelaere (Bellem) zijn de bij het einde van de XVIe eeuw geboren ouders van Joanna Steyaert, vaderlijke grootmoeder van Judocus.

Joos Maenhout is de vader van Gheeraert Maenhout(Hansbeke) en de moederlijke grootvader van stamvader Judocus Martens.

Joos De Pestele is de vader van Maria De Pestele, een grootmoeder aan moeders zijde van Judocus Martens.

Overgrootouders van Petronilla Lamme (1694–1720)

Gheert Lamme, grootvader van Jan Lamme (+ 1676) en overgrootvader van Petronilla is wellicht pas bij het begin van de XVIIe eeuw geboren. De familienamen Lamme rn Van Vynckt komen reeds voor op een novaalbrief van Hansbeke anno 1597.

Jacob Van Vinckt(Hansbeke), vader van Petrus(°1629), grootvader van Pieternella (° 1662) en overgrootvader van Petronilla Lamme zag wellicht het levenslicht tijdens de laatste jaren van de XVIe eeuw.

Geert De Brabanter(Hansbeke) is als vader van Livina(°1637) een overgrootvader van Petronilla Lamme aan moeders zijde.

Overgrootouders van Olivier De Brauwer (1678–1724)

Joos De Brauwer (Hansbeke), vader van Jan (°1600 Hansbeke)en grootvader van Joos (°1629) groeide op tijdens de XVIe eeuw.

Jan Van Renterghem (Nevele), vader van Lieven (°1601) en grootvader van Judoca (°1639) is een XVIe eeuwse betovergrootvader van Maria Francisca De Brauwer (°1724).

Lieven Loontiens (Nevele), vader van Anna(°1600) en grootvader van Judoca Van Renterghem werd volwassen in de XVIe eeuw.

Overgrootouders van Petronella Bogaert (1701–1760)

Gheert Lamme is tevens grootvader van Anna Lamme (°1659) en overgrootvader aan moeders zijde van Petronella Bogaert.

Met het echtpaar Pieter Bogaert – Van de Kerckhove kunnen de overgrootouders van Maria Francisca De Brauwers eind XVIe of begin XVIIe eeuw gesitueerd worden te Nevele.

Personen in parenteel van Pieter BOGAERT

I.1 M BOGAERT, Pieter Nevele

I.2 V Van de KERCKHOVE, M.

II.1 M BOGAERT, Christoffel 14-02-1655 Nevele 03-01-1721 Hansbeke

II.2 V LAMME, Anna 1659 23-04-1706 Hansbeke

III.2 V BOGAERT, Petronella 08-01-1701 Hansbeke 25-05-1760

III.1 M De BRAUWER, Olivier 04-05-1678 Nevele 23-03-1724 Hansbeke

IV.2 V De BRAUWER, Maria F. 22-04-1724 Hansbeke 19-06-1806 Hansbeke

IV.1 M MARTENS, Joannes 25-03-1719 Hansbeke 23-01-1801 Hansbeke

III.3 M LAMBRECHT, Gillis 1692 11-02-1783 Hansbeke

Bij het einde van de XVIe eeuw waren de roots voor de stam Martens derhalve naast de gemeenten Lovendegem, Merendree en Hansbeke ook nog te vinden in Bellem en Nevele, dus alles binnen een straal van minder dan 10 kilometer rondom Hansbeke.

2.6.2. Andere stamlijnen tot XVIe eeuw

De stamlijn van Jacob werd niet enkel doorgetrokken door zijn zoon Pieter, en verder naar Judocus, maar ook zijn zonen Jan en Geeraart huwden en hadden schoonouders of grootouders van schoonkinderen die teruggaan tot de XVIe eeuw.

Jan Martens (°Hansbeke 1590)

Door zijn huwelijk met Barbelken Speeckaert (°Nevele 1594) legde Jan de binding naar zijn Nevelse schoonouders Jan Speeckaert en Barbara Braus. Na zijn tweede huwelijk met Elisabeth Rijckaert, kreeg hij met Arent Rijckaert een nieuwe schoonvader uit de XVIe eeuw. Zijn dochter Sara(1617-1692) huwt met Joos Sutterman, zoon van de XVIe eeuwse Hansbekenaren Jan Sutterman en Cathelijne Vanderstraten, en legt zo met de families Sutterman en Lamme de basis voor een terugkoppeling naar de stam Martens tijdens de XVIIIe eeuw.

Zijn dochter Suzanne Martens (°Hansbeke 1624) huwde met de herbergier Frans Vande Putte(°Hansbeke 1625). Ook Joos Vande Putte, grootvader van Frans en vader van Gheraart (°Hansbeke 1600), is volledig in de XVIe eeuw opgegroeid. Een andere dochter Francisca (°Hansbeke 1631) huwt met Jacques Braet (°Hansbeke 1628), zoon van Janneken Tuytschaver (wiens Vleeschelicke conversatie in de XVIIe eeuw aan bod komt) en Gherolf Braet (herbergier in wethuis Hove te Hansbeke ), waarvan de ouders Jacques Braet en Adrianneken Van Ackere in de XVIe eeuw leefden.

Geeraart Martens (°Hansbeke 1607)

De uit zijn huwelijk met Philippa De Meyere geboren dochter Clausijntjen laat toe via haar echtgenoot Baudewijn Maenhout op te klimmen tot de XVIe eeuw. Na het overlijden van Clausijntjen Martens, en nauwelijks 4 maand na het overlijden van zijn tweede vrouw Maria De Muynck, trouwde hij op 29-1-1667 te Hansbeke voor de derde keer met Petra Braet, dochter van Gillis Braet en Maria Claeys. Haar grootouders Jan Braet( schipper) en Joanna Vande Walle leefden in de XVIe eeuw.

De familienaam De Meyere (Joos en Pieter), dus mogelijks de vader van Philippa, komt reeds voor in een novaalbrief van Hansbeke anno 1597.

Sara Martens (°Hansbeke 1617)

Sara Martens, dochter van Jan, was tweemaal gehuwd, eerst met Jan Van Vincq die stierf voor 1647, en vervolgens met Joos Sutterman. Haar eerste schoonouders, Jacques Van Vynckt en Mayken Serweytens (+ Hansbeke 31-12-1640) en de grootvader van haar eerste man, Jan Van Vynckt, zijn gekend. Deze laatste werd zeker in de XVIe eeuw geboren. Haar tweede man Joos Sutterman(° Hansbeke 21-9-1596 + Hansbeke 8-12-1680) en zijn ouders Jan Sutterman en Cathelijne Vanderstraten werden eveneens geboren tijdens de XVIe eeuw.
Geschreven door Laurent Martens om 11:46 Reageer op dit bericht

2.7 Bronnen

2.7 Bronnen

De Potter, F. en Broeckaert, J.(1864-1870)

Geschiedenis van de gemeenten van de provincie Oost-Vlaanderen

Eerste reeks, deel III, Hansbeke pp 8-20.


Bollaert, André (1994)

Inwoners uit het Land van Nevele overleden tijdens de Gentse Calvinistische Republiek (1578-1584)

Mensen van Toen, Jg 4, nr 4, pp 103-107.


Martens, Albert (1970)

De Heerlijkheid van Hansbeke

Stam Martens, Mededelingsblad van de families Martens en aanverwanten. Jg 2, nr 1, pp 8 – 10.


Martens, Albert (1970)

’n Nieuwe stamvader van Petrus Francies Martens achterhaald

Stam Martens, Mededelingsblad van de families Martens en aanverwanten. Jg 2, nr 1, pp 4 – 8.


Martens, Albert (1971)

’n Brok geschiedenis van de stam Martens. II Jacob Martens ( ca 1560 – 1618 )

Stam Martens, Mededelingsblad van de families Martens en aanverwanten. Jg 3, nr 1, pp 9 – 14.


Martens, Albert (1986)

Baljuws van de Heerlijkheid van Hansbeke

Het Land van Nevele, Jg 17, nr 1, pp 50 – 59.


Martens, Albert (1986)

Jan Martens (1590–1646), doopsgezinde Baljuw te Hansbeke

Het Land van Nevele, Jg 17, nr 2, pp 117–129.


Martens, Albert (1986)

Jaecques Martens, Bailliu vanden Hove, Heerlichede ende Vierschaere van Hansbeke (1602–1618)

Het Land van Nevele, Jg 17, nr 1, pp 66–75.


Martens, Albert

Pieter Martens (1602–1653), stamvader te Bellem

De Belle , Jg 3 , nr 3 pp 6 – 11


Martens, Albert (1990)

Guilliame Martens (1628–1708), Burgemeester te Bellem

Land van de Woestijne, Jg 13, nr 3-4, pp 9 – 19.


Martens, Albert (1997)

Jan Martens (1656 –1729), Burgemeester te Bellem

Land van de Woestijne, Jg 20, nr 1–2, pp


Martens, Albert (2000)

Mengelingen uit de oude parochieregisters van Hansbeke 1624 – 1796

Hansbeke : een uitgave van oud – Hansbeke.


Martens, Albert (2004)

Mensen van Vlees en Bloed, Hansbeke 1619 – 1791

Hansbeke : een uitgave van oud-Hansbeke.


Neyt, Luc (1980)

Staten van Goed Merendree 1583-1789 deel I

Tielt


Vandeputte, Omer (1983)

Nederlands. Het verhaal van een taal.

Lauwe : Stichting Ons Erfdeel.
Geschreven door Laurent Martens om 11:50 Reageer op dit bericht

2.8 Archieven

2.8 Archieven

(1) Rijksarchief Gent, Raad van Vlaanderen, 3800, enqueste van 05-12-1554

(2) Stadsarchief Gent, reeks 28, Merendree, kohier 1571,folio 7v,1573, f 6v

(3) SAG, reeks 28, Merendree, koh 1571, f 6v, 1573, f 6r

(4) Ibidem, koh 1571, f 7v, 1573, f 6v

(5) Ibidem, koh 1571, f 29v, 1573, f 22r

 (6) Ibidem, koh 1573, folio 28v

(7) Ibidem, koh 1571, 1573 en 1577

 (8) Ibidem, koh 1577, f. 32v

(9) Staten van Goed Merendree, Reg. 65, 1785, f 42v

(10)RAG, fonds Hansbeke, bd. 108
Geschreven door Laurent Martens om 12:30 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK 3. ZEVENTIENDE EEUW

Hoofdstuk 3 Zeventiende eeuw

Hansbeke en Bellem

De XVIIe eeuw wordt de hoofdstamlijn Martens overbrugd door Jacob, gevolgd door Pieter, Guilliame of Willem, Joannes of Jan en Judocus of Joos, vader van Joannes of Jan.

Personen in kwartierstaat van Joannes MARTENS (XVIIe eeuw)

geboorte overlijden

1 M MARTENS, Joannes 25-03-1719 Hansbeke 23-01-1801 Hansbeke

2 M MARTENS, Judocus 09-11-1686 Bellem 25-05-1725 Hansbeke

3 V LAMME, Petronilla 1694 Hansbeke 27-09-1720 Hansbeke

4 M MARTENS, Joannes 03-12-1656 Bellem 18-11-1729 Bellem

5 V MAENHOUT, Joanna 25-11-1657 Hansbeke 17-10-1691 Bellem

6 M LAMME, Jan 31-01-1662 Hansbeke 06-04-1740 Hansbeke

7 V Van VYNCKT, Pieternella 14-02-1662 Hansbeke 01-01-1742 Hansbeke

8 M MARTENS, Guilliame 31-05-1628 Bellem 24-02-1709 Bellem

9 V STEYAERT, Joanna 20-03-1631 Bellem 26-08-1702 Bellem

10 M MAENHOUT, Gheeraert 25-07-1631 Hansbeke

11 V De PESTEL(E), Maria ca 1633 Nevele

12 M LAMME, Jan 15-09-1676 Hansbeke

13 V De MEYERE, Livina 23-01-1679 Hansbeke

14 M Van VINCKT, Petrus 31-08-1629 Hansbeke 22-10-1676 Hansbeke

15 V De BRABANTER, Livina 02-04-1637 Hansbeke 23-01-1676 Hansbeke

16 M MARTENS, Pieter 1602 Hansbeke 07-07-1653 Bellem

17 V STEYAERT, Anna na 1600 Bellem ? 14-10-1665 Bellem

18 M STEYAERT, Pieter

19 V De WISPELAERE, Livina

20 M MAENHOUT, Joos

22 M De PESTELE, Joos

24 M LAMME, Gheert 13-06-1647 Hansbeke

26 M De MEYERE, Joos

28 M Van VINCKT, Jacob

30 M De BRABANTER, Gheert

32 M MARTENS, Jacob omstr 1560 Merendree ged09-1618 Hansbeke

33 V CLAEYS, Livina omstr 1563 25-12-1637 Hansbeke

34 M STEYAERT, Willem Bellem

35 V RIJCKAERT, Livina

64 M MARTENS, Jan circa 1575 Merendree

66 M CLAEYS, Marten

128 M MARTENS, Stoffel circa 1494 na 1554
Geschreven door Laurent Martens om 12:33 Reageer op dit bericht

3.1. Historisch kader

3.1. Historisch kader

3.1.1 Spaans-Habsburgse Nederlanden

De Zuidelijke Nederlanden zijn semi-onafhankelijk onder de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621).Na de dood van aartshertog Albrecht (1621) keren de Zuidelijke Nederlanden terug onder direct Spaans bewind, met Isabella als landvoogdes (1621-1633).

De periode 1648-1718 vormt de overgang naar het Oostenrijks bewind.Leopold Willem, zoon van keizer Ferdinand II, werd landvoogd der Zuidelijke Nederlanden(1647-1656).

De Zuidelijke Nederlanden vormen het voorwerp van een strijd tussen Frankrijk en Spanje. Na verloop van de Twaalfjarige Wapenstilstand herbegon de oorlog tussen Spanje en de Verenigde Provinciën. Met de Vrede van Munster (1648), waarbij Spanje de Republiek van de Verenigde Nederlanden erkent, komt een einde aan deze oorlog.

Van 1648 tot 1713 verwoestten 5 grote oorlogen de Spaans-Habsburgse Nederlanden. Ze worden gevoerd door Lodewijk XIV. In 1654 moest Artois(Atrecht) prijsgegeven worden en de huidige grens tussen België en Frankrijk kwam reeds in 1677 tot stand. Gent werd herhaaldelijk bezet door Franse troepen (vooral 1678). Het laatste kwart van de XVIIe eeuw was rampzalig voor onze gewesten.

In ‘Geschiedenis van de landbouw’ , onder de rubriek “landbouw in oorlogstijd” bespreekt Paul Lindemans de dramatische voedselbevoorradingsproblemen tijdens de jaren 1692 en 1693 uit de Tachtigjarige oorlog. Legers van alle pluimage doorkruisten het land. Al die legers fourageerden ter plaatse, leefden op de kap van de bevolking, liepen het land plat en gingen soms over tot schandalige plunderingen. Tot overmaat van ramp was de oogst van graan in 1692, wegens de weersomstandigheden, buitengewoon slecht. Dorpskronijken uit die jaren spreken van de ellende en hongersnood van die tijd. Graan werd opgeeist of tegen hoge prijzen opgekocht voor de legers. Door een plakkaat van november 1692 van de landvoogd Maximiliaan-Emmanuel werd gepoogd de graansmokkel te beletten. Ook in 1693 mislukte de graanoogst. Aardappelen zouden pas in de 18e eeuw betekenis krijgen voor de voeding.

In 1700 sterft de kinderloze Spaanse koning Karel II en begint de Spaanse Successieoorlog (1701-1714). Lodewijk XIV(1638-1715) eist de Spaanse erfenis op voor zijn kleinzoon Filips van Anjou.

3.1.2 Kunst, kultuur en wetenschap

Pieter Paul Rubens (1577-1640)

Anton Van Dijck (1599-1641)

Joost van den Vondel (1587-1679)

Bredero (1585-1618)

P.C. Hooft (1581-1647)

Rembrandt van Rijn (1606-1669)

Johan Sebastian Bach (1685-1750)

Georg Friedrich Haendel (1685-1759)

Simon Stevin (1548-1620)

Galilei Galileo (1564-1642)

Te Gent werd de huidige kerk van de Sint-Pietersabdij gebouwd(1629-1645) ter vervanging van een romaans gebouw uit de 12de-13de eeuw. Het Klein Begijnhof, gesticht in 1235, kreeg zijn huidig uitzicht in de 17de eeuw en ook heel wat opvallende woningen dateren uit die tijd. De Bijloke(1228) werd uitgebreid met het Abdissenhuis(1613-1616) en het Pand(1628-1662). Het Gentse Gravensteen, waar Jacob Martens in 1612 zitting hield, was reeds in 1180 gebouwd door Filips van de Elzas.

3.1.3 Heerlijkheid Hansbeke

Toen Jacob Martens baljuw was te Hansbeke was de heerlijkheid slechts beperkt ontsloten naar de buitenwereld toe. De graafwerken aan de Brugse vaart, blijkbaar bedoeld als verdedigingslijn, zouden pas in 1621, 3 jaar na het overlijden van Jacob, beeindigd worden. Het dorp lag wel op één van de 4 verbindingswegen die reeds tijdens de Middeleeuwen tussen Gent en Brugge bestonden. De Ouden Brugschen Heirewegh liep door Hansbeke langs de carmenhoekstraete, de reybroeckstraete en de vierweegsche ten zuiden van de parochiekerk.

De veerdienst over de vaart tussen Hansbeke(-Hamme) en Zomergem(-Zogge) werd reeds in 1621 vernoemd.

In het XXste penningkohier van Hansbeke, daterend van 1571, worden drie herbergen vermeld: een herberghe daerment heedt thove, een herberghe daerment heedt te hamme, een herberghe te ame.

De herberg met uithangbord te hove was gelegen tegenover het kasteel en de hoeve van de heerlijkheid, uitgebaat door Jacob Martens. De herberg thove was tevens wethuis van de heerlijkheid, was centraal gelegen en was stellig de belangrijkste herberg van Hansbeke, met een sociale, politieke en economische functie. De twee andere herbergen lagen op de wijk Hamme, waarvan één met uithangbord Mechelen en het andere de swaene.

Omstreeks 1600 is er verder sprake van de herbergen tsaec en het fleytkyn, en wordt er ook verwezen naar een herberg het moriaanshooft. Nadien kwamen herbergen in de buurt van het veer. Een herberg aan de vaart noemde De koning van Spanje, een duidelijke verwijzing naar het Spaans regime van die tijd. Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1700-1713) vormde de Brugse vaart trouwens een verdedigingslinie, tegen de invallen van de Hollanders.

Ten tijde van Jacob Martens, gedurende de godsdiensttroebelen onder Filips II, was er veel onrust in de streek. Verschillende inwoners van Hansbeke kleefden de nieuwe geloofsleer aan en weken tussen 1608 en 1613 uit naar Aardenburg, waar ze lid werden van de Hervormde Kerk( Appeltjes van het Meetjesland, nr 6, pp 5-27, 1954). Blijkbaar bleef Jacob Martens de Rooms-katholieke leer trouw, aangezien hij zijn functie van baljuw bleef vervullen.

Een door Sanderus als pronkstuk omschreven XVIe eeuws slot, in de nabijheid van het wethuis Ten Hove, is tijdens de XVIIIe eeuw in ruine vervallen. Deze ruines werden omstreeks de jaren 1766-1767 verwijderd. In bijlage 3.1 wordt omtrent dit verdwenen kasteel meer informatie gebracht.

Tijdens de laatste fase van de Tachtigjarige Oorlog(1621-1648) tussen Spanje en de Staten van de Verenigde Nederlanden heerste een bestendige onrust. Het Zuid-Meetjesland werd onder de voeten gelopen door eigen en vreemde legers. Het gebied tussen de Brugse Vaart en de Sasse Vaart werd verontrust door voortdurende troepenbewegingen. De Zuid-Meetjeslandse dorpen buiten het Contributieland( op de linkeroever van de Brugse Vaart) die niet op afdoende bescherming van de eigen troepen konden rekenen, werden herhaaldelijk geteisterd door bezettingen en vijandelijke raids van Hollandse en Franse troepen. Alle parochianen waren ingevolge de logementen ende ruine gevlucht, soo vande loreynsche soldaten als franschen vijant. Op 24 september 1645 verscheen ook het Franse leger op de Brugse Vaart. Twee dagen later waren alle schansen en forten van de vaart in zijn macht.

Nadat de vijandige legers begin october waren weggetrokken verleenden de soldaten van de kasselrij van Oostburg hulp aan de bevolking die met het vee huiswaarts keerde. Tijdens de veldtocht hadden de Franse en Hollandse troepen woningen geplunderd en veldvruchten geroofd. Bovendien brak een dodelijke epidemie uit. Te Hansbeke waren de loreynen up de prochie ende daeromtrent ghecommen twelck is gheschiet vande maent juny tot ontrent den xven october 1645.

Te Hansbeke waren de gevolgen van de gebeurtenissen in 1645 merkbaar in het aantal huwelijken, geboorten en overlijdens. Gedurende de periode 1630-1660 bedroeg het aantal huwelijken gemiddeld 10 per jaar, het aantal geboorten 42 per jaar en het aantal overlijdens 22 per jaar. In het jaar 1645 daarentegen werd geen enkel huwelijk gesloten. Het aantal geboorten bleef beperkt tot 27 en er waren 85 sterfgevallen. Ook in 1646 steeg het aantal doden tot 72 en waren er slechts 17 geboorten. Binnen de termijn van 1 juni tot 15 october, toen eigen en vijandelijke troepen te Hansbeke frequenteerden en het merendeel van de inwoners gevlucht waren, werden slechts drie kinderen geboren en stierven 6 personen. In de tweede helft van october (toen de terugkeer van de gevluchte inwoners op gang gekomen was) overleden 14 personen, in november 30, in december 26 en in januari nog 15. Deze explosie van het aantal sterfgevallen, 85 binnen een tijdsspanne van 15 opeenvolgende weken, wijst op een epidemie onder de inwoners.

Bij een naamlijst met 79 overledenen tussen october 1645 en januari 1646 komt ook deze voor van Anna Martens, dochter van Geeraert Martens (1609-1678) en Philippa De Meyere, zus van Clausijntjen Martens(+1660), echtgenote van Baudewijn Maenhoudt(+1695). Haar vader Geeraert( zie verder) was schepen te Hansbeke (1641-1649) tijdens deze moeilijke periode. Hij was een zoon van de toen reeds overleden baljuw Jacob Martens (1560-1618) en broer van de naar Bellem uitgeweken hoofdstamlijnhouder Pieter Martens (1602-1653) en van de Hansbeekse baljuw Jan Martens (1590-1646).

Langs de afstammelingen van Baudewijn Maenhoudt(1607-1668) wordt later opnieuw een binding gelegd met de stam Martens. Hij werd schepen van Hansbeke onmiddellijk na dit rampjaar(1646-1652) en nadien burgemeester(1652-1654).

Personen in parenteel van Baudewijn MAENHOUDT

I.1 M MAENHOUDT, Baudewijn 1607 13-04-1668 Hansbeke

I.2 V Van HEYSTE, Livina

II.1 M MAENHAUT, Abraham 01-04-1633 Hansbeke

II.2 V Van HEYSTE, Joanna 16-11-1634 Hansbeke 1677 Hansbeke

III.2 V MAENHOUDT, Livina 05-12-1658 Hansbeke 26-03-1717 Hansbeke

III.1 M SUTTERMAN, Petrus 24-04-1650 Hansbeke

IV.1 M SUTTERMAN, Petrus 23-05-1687 Hansbeke 15-04-1773 Hansbeke

IV.2 V LAMME, Livina 19-04-1689 Hansbeke 12-06-1719 Hansbeke

II.3 V De GRAEVE, Petronilla

II.4 M MAENHOUDT, Baudewijn

II.5 V MARTENS, Clausijntjen 20-02-1660 Hansbeke

III.3 V MAENHOUDT, Livina 09-02-1660 Hansbeke 16-03-1660 Hansbeke

II.6 V De MUYNCK, Maria 1642 26-09-1666 Hansbeke

II.7 V BRAET, Petra

Ook nadien (1668, 1683 en 1708) hadden de inwoners van Hansbeke zwaar te lijden van de Franse troepen.

3.1.4 Baronye van Bellem ende Schurveldt

Te Bellem lagen naast de dorpsheerlijkheid ook gronden van de heerlijkheid Schuurveldt.Na het overlijden van de laatste heer van Schuurvelde vormde het gebied vanaf het midden van de XVe eeuw één geheel met Bellem. De heer van Bellem was tevens de heer van Schuurvelde en bezat het benoemingsrecht van de baljuw en de schepenen.

In 1577 verkocht Filips II beide heerlijkheden aan Karel Rijm en tot het begin van de XVIIIe eeuw bleef deze familie in het bezit ervan. Sinds 1642 mochten ze zelfs de titel van baron van Bellem voeren.

Tijdens de Tachtigjarige oorlog en bij de Franse invallen werd de streek zwaar getroffen. In 1613-1617, bij het graven van de Brugse vaart, werd het noordelijk deel van de parochie doorsneden. Deze waterweg werd onmiddellijk omgevormd tot een verdedigingslinie tegen de Hollanders. Er kwamen twee forten langs de vaart. De parochie kreeg erg te lijden door een Franse inval in 1668 , met veel woeste gronden tot gevolg. Ook in 1683 was er een grote Franse inval.

Bellem was niet enkel een plaats waar oorlog gevoerd werd, maar soms ook een toevluchtsoord voor oorlogsvluchtelingen. Toen de Franse troepen van maarschalk Villeroy in 1696 hun tenten optrokken in Machelen en Tielt trokken een aantal families op de vlucht. Het noorderlijker gelegen Bellem kwam als tijdelijk toevluchtsoord in aanmerking omdat daar op hetzelfde moment geallieerde legereenheden gestationeerd waren. In de periode van mei tot october 1696 werden te Bellem 13 geboortes en 5 overlijdens geregistreerd van voortvluchtige personen uit naburige dorpen. Maar ook de veilig geachte schuilplaats Bellem kwam niet ongeschonden uit het jaar 1696. De geallieerde troepen op de noordkant van het dorp, waar ook de familie Martens gevestigd was, veroorzaakten daar schade ten belope van 2.779 p 7 sch 7 gr soo ter causen van afcappen van boomen, haudt afsnyden ende bederven van scheuten van haudt, fourageren ende bederven van arte vruchten, verlies vanden meerderen deel vande lente vruchten soo van haver, boucqweyt, eerweten, peerdebonen, wortels, loof, afpastureren van maygeers, clavers ende gersynghe, midtsgaders van branden van haudt byde officieren ligghende inde landtshuysen.

De heerlichede van Bellem ende Schuervelde had ook een enclave in de parochie van Hansbeke. Tijdens de periode 1619-1745 was Hansbeke door twee schepenen vertegenwoordigd in de schepenbank. Wellicht ligt hierin een gedeeltelijke verklaring van de verhuis van de stam Martens van Hansbeke naar Bellem en terug naar Hansbeke, met een rol in de schepenbanken in beide parochies. Bij de inwoners van Hansbeke die zitting hadden in de schepenbank van Bellem en Schuurvelde komen ondermeer de namen voor van Jacques Van Vynckt (mandaat 1626-1632) en Joos Sutterman (mandaten 1643-1655 en 1662-1663). Beiden zijn verwant aan de stam Martens. Jan Van Vincq, zoon van Jacques Van Vynckt was de eerste echtgenoot van Sara Martens, dochter van ex-baljuw Jan Martens en Barbara Speeckaert, en Joos Sutterman was haar tweede echtgenoot na het overlijden van Jan Van Vincq en na het overlijden van de eerste en de tweede vrouw van Joos Sutterman.
Geschreven door Laurent Martens om 12:36 Reageer op dit bericht

3.2. Hoofdstamlijn Jacob Martens (1560-1618) vervolg

3.2 Hoofdstamlijn

Jacob Martens ( ° Merendree (?) ca 1560 - + Hansbeke 09-1618 ) vervolg

“Bailliu vande Hove , Heerlichede ende Vierschaere van Hansbeke “ ( 1602 – 1618 )

In vorig hoofdstuk werd duidelijk dat Jacob, alias Jacques Martens, geboren werd in troebele tijden, net voor de beeldenstorm, en als zoon van Jan die in Merendree als schepen ondermeer de gehate belastingen, ingesteld door Alva, moest innen. Het was de periode dat een deel van de bevolking van de Zuidelijke Nederlanden op de vlucht trok ingevolge oorlogstroebelen en plundertochten.

Toen zijn vader Jan reeds enige tijd overleden was huwde Jacob voor 1590 met Livina Claeys , dochter van Marten. In het ferieboek van Hansbeke, daterend 1589–1604, wordt zijn naam voor het eerst vermeld in 1601, toen hij er de kasteelhoeve van de Heerlijkheid uitbaatte.

3.2.1. Het gezin Jacob Martens – Livina Claeys

Niet enkel de oudste zoon Jan maar ook de andere kinderen, en dus ook de stamvader Pieter , werden geboren te Hansbeke. In bijlage van een artikel in Het Land van Nevele(Jg 17, nr 1, pp 60-75, 1986) geeft Albert Martens een gezinsfiche van Jacob en Livina.

MARTENS JACOB X CLAEYS LIVINA

Fs Jan fs Stoffel ca 1585 fa Marten

° ca 1565

+ Hansbeke ?-09-1618 + Hansbeke 05-12-1637

Kinderen

1. Jan               x                  Speeckaert Barbara

                                             fa Jan en Barbara Braus

°ca 1590                               ° Nevele 16-04-1594

                                              + Hansbeke 03-03-1636

                         x                   Rijckaert Elisabeth

                                              fa Arent

+ Hansbeke 27-09-1646      + Hansbeke 11-10-1640

2. Janneken     x                    Rootsaert Marten

                                                fs. Christoffel

+ Bellem 16-09-1676              + Ursel 1649

3. Saerken         x                     De Vliegher Jan

4. Christoffel     x                    Van Bussche Catharina

                                                   fa. Jooris

                            x                    Van Kerrebrouck Susanne

5. Pieter              x                     Steyaert Tanneken

                                                    fa. Willem en Vijntgen Rijckaert

° Hansbeke ?-09-1602

+ Bellem 07-07-1653                 + Bellem 14-10-1665

6. Gheeraert          x                    De Meyere Philippa

° Hansbeke 15-08-1609

+ Bellem 07-10-1678

7. Livina                 x                   Van Wassenhove Arnold

° Hansbeke 09-1611

8. Jaecques

° Hansbeke 04-03-1613

9. Willem

° Hansbeke ?-03-1614

In de officiële documenten was meestal sprake van Jaecques Martens, soms wel eens van Jacques Martins. Nochtans ondertekende hij de akten steeds met Jacoq Martens. Zijn zwierige handtekening in fijne lettertekens is duidelijk leesbaar(5).

Blijkbaar werd hij in vertrouwelijke omgang als Jacob aangesproken. In de doopakte van zijn kleindochter Jacomijntjen Rootsaert, van wie hij peter was, werd hij eveneens met zijn roepnaam Jacoq vermeld.

1617 den 24 van loumaent is ghedoopt Jacquemijntgen, dochter van Marten Rootsaert ende Janneken Martens, Peter Jacoq Marte , meter Hester Clays(6).

Enkele kleine feiten tonen de baljuw en zijn vrouw Livina in de gewone omgang op het dorp. Jacob stelde zich borg voor Jan Van Vinct toen deze een koe kocht in de venditie ten sterfhuize van Jooris Van Spenvoorde op 24 april 1613. Hij stelde zich eveneens borg voor Pieter Van Pamele op de openbare verkoping bij de weduwe van Gillis Van Kerrebrouck op 20 en 23 november 1614. Op deze verkoping kocht hijzelf drie kopen haver voor een totale som van 3 maal 0.6.0, alsook een spinnewiel en een racke die hij nadien terug aan de weduwe overliet. Zijn vrouw Livina Claeys kocht op 17 april 1614 twee pakken garen en twee kussens in de venditie bij Marten Clays, hauder ten sterfhuize van Cathelijn Verstraten (7): een anderen pack garens op de huysvrauwe Jaecques Martens 0.13.4 … een ander paxken garens bleven op de selve Martens 0.4.4 … twee cussens bleven op huysvrauwe Jaecques Martens 0.8.1).

3.2.2. Baljuw , ontvanger en schatter

Aanstellingen

In de vergadering van de wethouders van Hansbeke, die op 26 september 1601 in het huis van Jochem Van Gavere plaats vond, legde Jacob bij laste ende bevele vande heere de eed af van schepen van de heerlijkheid van Hansbeke, in vervanging van Willem van Kerrebroeck.

Willem van Kerrebroucq gheslaekt, ende Jaques Martens heeft in zijne plaetse bij laste ende bevele vanden heere zijnen eet ghedaen omme schepen te zijne vande heerlichede van Hansbeke(8).

De heerlijkheid van Hansbeke was op het einde van de XVIe eeuw in bezit van Joncheer Fransois van Nieuwenhuus. Hij ondertekende nog op 11 maart 1599 een letterage van remissie aan Tanneken Bollick, weduwe van Robrecht Van Caneghem (9). Volgens De Potter en Broeckaert werd in een procesbundel jan. 1597 – dec. 1599, onder dagtekening van 26-09-1598, joncvrouw Magdalena de Clercq, weduwe van wijlent joncheer Fransois van Nieuwenhuus, in zijnen levene heere van Hansbeke vernoemd. Volgens Sanderus(in Verheerlijkt Vlaandre, deel I, blz. 152) was de heerlijkheid korte tijd nadien door huwelijk overgegaan aan Philip le Quien, heer van Gerneval, bestierder van Gravelinge en baanderheer van Ekelsbeke(nu Esquelbecq nabij Wormhoudt aan de Ijser, Nord). Ekelsbeke werd in 1584 verkocht aan Valentijn de Pardieu(+1595), kapitein in dienst van de Nederlanden en goeverneur van Grevelingen. Bij zijn dood kwam de heerlijkheid naar zijn neef, de Arteziër Filips le Vasseur, heer van Guernonval en van Hansbeke, door zijn huwelijk met Lievina van Nieuwenhuize, vrouwe van Hansbeke. Hij is de bouwheer van het thans nog bestaand kasteel.

Het is zeker dat de nieuwe schepen toen reeds te Hansbeke woonde vermits enkele maanden later, op 23 januari 1602, de dynghedach van de wethouders bij Jacob thuis gehouden werd(10): dynghedach den XXIII januari 1602 ten huyse van Jaques Martens.

Als schepen plaatste hij zijn handtekening onder het proces-verbaal van de wettelijke verkoping op 7-02-1602 van vier koeien van Jan Van Damme(11). Hij was ook aanwezig op de geplande wetvergadering van 8 mei 1602, die echter niet doorging omdat de baljuw niet opdaagde(12): Dynghedach van VIII meye 1602 bij faulte van comparitie vanden bailliu niet ghedynght.

Korte tijd nadien, ongeveer een jaar na zijn intrede in de schepenbank, werd Jaecques Martens tot baljuw van de heerlijkheid van Hansbeke aangesteld als opvolger van Pieter Gaudissaubois(13): Pieter Gaudissaubois, baljuw van Hansbeke, was in 1602 in een proces verwikkeld voor de Raad van Vlaanderen aangaande een inbeslagname van koeien en een onwettige gevangenzetting van Jan Van Damme uit Hansbeke. Immers, op 22 januari 1603 zetelde hij als dusdanig op de dynghedach van de wethouders. Pieter De Zutter vorderde toen van hem een bedrag van 20 schellingen als intrest op een lening.

Pieter De Zutter heesscher contra Jaques Martens bailliu , daer dheesscher es heesschende XX schellingen grooten van gheleende ghelde(14).

Jacob Martens zat blijkbaar in de schulden toen hij zijn mandaat van baljuw opnam.

Tijdens zijn baljuwschap werd Jacob Martens achtereenvolgens omringd door Charles Noose, burgemeester(1609) en Willem Van Kerrebrouck, burgemeester (1614), Pieter De Zuttere, Baudewijn Manoudt, Pieter De Clerck, Laurens Van Renterghem, Jan Van Vinckt, Gillis Van Walle, Adrian Bogaert, Meen Andries, Joos De Meyere, Willem Van Kerrebrouck, Marten Van Eyste, Anthonis Segaert, Gheerof Manoudt, Gheerolf Standaert, Jaecques Van Vinckt, Gherolf Vander Straeten, Gherof De Pau en Jan De Brabantere, schepenen of leenmannen en verder door Jan Van Bussche en J.F. Beghyn, greffiers. De hogervermelde schepen Laurens Van Renterghem is wellicht de vader van Joos, die kort na het overlijden van Jacob zal huwen met zijn weduwe Livina Claeys.

Wettelijke passeringen, akten en rekeningen

Enkele nog bewaard gebleven wettelijke passeringen, akten en rekeningen getuigen van de ambtsperiode van Jaecques Martens. In het Mededelingsblad voor de families Martens en aanverwanten(jg 3, 1971) geeft Albert Martens een opsomming van een aanzienlijk aantal teruggevonden documenten uit deze lange ambtsperiode van Jacob(15)(16)(17). De oudste van deze wettelijke passeringen, verleden voor baljuw en schepenen op 7-12-1606, betrof de verkoop van een partij land door Gherolf Vander Straten fs. Gherolf aan Laurens De Pauw (18).

Bij het verlijden van een akte op 16-11-1612, betreffende een gift onder levenden door Christian Van Renterghem aan zijn schoonzoon Heindrick Wieghman, gehuwd met Willemijntken Van Renterghem, resideerde baljuw Martens ten graven casteele der stede van Ghent(19).

In 1612 resideerde baljuw Jacob Martens in het Gravensteen (foto XXe eeuw)

Ook een drietal liassen aangaande de conditien van openbare vendities , waarop hij recht van criee en klopslag uitoefende, bleven bewaard(20)in het sterfhuis van Jooris Van Spenvoorde (24-04-1613) bij Marten Clays, houder in het sterfhuis van Cathelijn Verstraten (17-04-1614) en ten huize van de weduwe en de kinderen van Gillis Van Kerrebouck fs Lieven(20-11-1614 en 23-11-1614).

De nog bewaard gebleven rekenynghe vanden Aermen van Hansbeke van 1612, voorgelegd door Abraham Maenoudt fs Bauduyn als principael armmeester ende administrateur, ende Gheerolf De Brabanter fs Jan sijn medegheselle werd door Jaecques Martens voor goedkeuring mede ondertekend naast de handtekening van Isaac ab Oudewaetere, pastoor van Hansbeke, evenals de nog voorhanden zijnde armenrekening van 1613 die door vernoemde Gheerolf De Brabanter en Pieter Vander Vinct fs Michiel werden opgemaakt(21).

De data van al de bewaard gebleven documenten tonen aan dat Jaecques Martens het baljuwschap waarnam vanaf zijn aanstelling tot aan zijn dood, ononderbroken van 1602 tot 1618, gedurende een periode van ten volle 16 jaar.

Ontvanger en schatter

Jaecques Martens trad ook op als ontvanger van de heer van Hansbeke (22). In deze akte van 31 januari 1612 wordt Jacob Martens vermeld als Bailliu ende entfangere vande heere van Hansbeke.

Hij trad ook op als schatter ofte prijser(23). In “ Mensen van Vlees en Bloed - Hansbeke 1619 – 1791 “ brengt Albert Martens onderstaand verhaal waarin Jaecques Martens een rol speelt als schatter.

Een onbetaalde overname(1625)

Jonas Van Kerrebrouck pachtte voor een termijn van drie jaren diversche gronden van erfven, toebehorende aan Pieter De Meyere. Na het verstrijken van de pachttermijn in 1614 werd door beëdigde schatters de presie gedaan van vette haut ende graenen op de geabandoneerde partijen land, die door de betrokkenen (pachter en eigenaar) in onderling akkoord aanvaard werd.

Maar begin 1625 was het overeengekomen overnamebedrag nog steeds niet vereffend. Van Kerrebrouck verzocht de schepenbank van Hansbeke de hangende zaak te willen beslechten.

Op 4 januari 1625 ondervroegen Lieven Van Kerrebrouck bailliu, Jan Van Hulle burchmeester en Gherolf Lamme schepen vande heerlickhede ende vierschaer de 60-jarige Arendt Dobbelaere. Hij verklaarde dat hij bij ende present is gheweest alwaer Jaecques Martens ende Baudewijn Maenhoudt in haer lieden leven ghepresen ende ghextimeert hebben seker vette haut ende graenen, staende op diversche partijen van lande die besayt waeren bij Jonas Van Kerrebrouck als afgaende pachter en toebehoorden aan Pieter De Meyere. De schatters hadden de overname ghepresen up twee ponden grooten, hetgeen door de eigenaar ten voorseyden tijde anveerd werd.

Vermoedelijk volstond het getuigenis van Arendt Dobbelaere en gelastten de wethouders van Hansbeke Pieter De Meyere tot het betalen van de overnamesom.

Uit dit verslag blijkt niet enkel dat 7 jaar na zijn overlijden door de schepenbank nog rekening werd gehouden met de schatting van Jaecques zaliger. Verder komt de dubbelzinnigheid tot uiting in de rol van schatter en van baljuw, vermits deze laatste ook de schepenbank moest voorzitten, waarbij geschillen aangaande prijzij moesten beoordeeld worden. Tenslotte is er de vraag of Philippa De Meyere, latere echtgenote van Gheeraert Martens en schoonzoon van Jaecques, niet verwant was met Pieter De Meyere waartegen de klacht gericht was.

3.2.3. Landbouwer en brouwer op het kasteelgoed

Naast zijn ambtsbezigheden als baljuw, ontvanger en schatter baatte Jaecques Martens een belangrijk landbouwbedrijf uit, zoals blijkt uit de staet ende verclaers van goede opgemaakt na zijn overlijden(24).Jacob pachtte het kasteelgoed van de heer van Hansbeke. Dit wordt bevestigd bij het opmaken van een nieuw jaerboek ofte gebruyckboek van Hansbeke. Omstreeks 1640, nadat Livina Claeys, weduwe van Jaecques Martens, overleden was, hadden Gheraert Martens en Arnold Van Wassenhove, zoon en schoonzoon van Jaecques Martens, gezamenlijk het kasteelgoed in pacht(25). De kasteelhoeve was gelegen aan de grote beek tegenover de herberg Hove, en omvatte ruim 30 bunder zaailand, meers, bos en water. Het was trouwens niet ongewoon dat de baljuw het foncier van de heerlijkheid in pacht kreeg.

Het perceel nr I/196, volgens het landboek van 1700, had een oppervlakte van 1050 roeden, inclusief de omwalling en de site van het kasteel, en was volledig omgeven door grachten die gevoed werden door water van de Grote Beek. Het erf bestond uit een woonhuis, een schuur en stallingen( nu Vaartstraat 1). In de ommiddelijke omgeving van het neerhof lagen een 15-tal percelen, nrs I/190 tot I/204, waaronder de casteelmeersch, het careelstick en de meulemeersch. Ze waren omsloten door de noordelijke en de zuidelijke tak van de Grote Beek. Alle percelen maakten deel uit van het zogenaamde kasteelgoed.

Een eerste vermelding van het neerhof vindt men in een denombrement van leen(leenverheffing) van ridder Willem de Waele, heer van Axpoele en Hansbeke, daterend van het begin van de XVIe eeuw: een ostee, groot met synder toebehoren, midgaeders de taverne voor thof, in landt, in meerschen, in bosschen, in waeter, dryendertich bunderen twee hondert roeden oft daerontrent (ca 45 ha).

Het neerhof met bijhorende partijen behoorde door de eeuwen heen toe aan de opeenvolgende heren van Hansbeke, die dit kasteelgoed doorgaans verpachtten aan een of ander wethouder van de heerlijkheid of aan familieleden ervan. Jacob Martens heeft het goed gepacht omstreeks 1585 tot aan zijn dood in 1618. Voor hem was er Willem De Meyere vanaf omstreeks 1575.

Vanaf 1619 werd het goed verpacht aan Joos Van Renterghen, leenman, getrouwd met Livina Claeys, weduwe van baljuw Jacob Martens.

Nadien, vermoedelijk van 1638 tot 1650, werd de hoeve gepacht door Gheeraert Martens, schepen en zoon van Jacob en Livina Claeys, samen met zijn schoonbroer Arendt Van Wassenhove, echtgenoot van Livina Martens.

Na de stam Martens, van 1585 tot 1650, werd het kasteelgoed tussen 1650 en 1729 verpacht aan de familie De Muynck, eerst aan schepen Christoffel De Muynck gehuwd met Joosijne Wimme, en vanaf 1682 aan hun zoon Baudewijn. Baudewijn huwde eerst met Petronilla Sutterman en nadien met Janneken Lambrecht. Na het overlijden van Baudewijn De Muynck op 23 februari 1695 hertrouwde zijn 40-jarige weduwe op 21 mei 1695 met Pieter Vande Veire die pachter bleef tot aan zijn overlijden op 16 februari 1729, ook nadat hij hertrouwd was met Petronilla De Decker. Pieter Vande Veire was trouwens burgemeester in de jaren 1719-1720.

Hoeve XXe eeuw op plaats van kasteelhoeve

Volgens de inventaris in het sterfhuis van baljuw Jaecques Martens, in 1618, bezat hij paarden en veulens, een veestapel bestaande uit koeien en runderen, varkens en een kudde schapen. Hij had ook allerhande landbouwalaam zoals wagens, stortkarren, ploegen eggen en ander paarden- en wagentuig. Op de zolders en in de schuren stond het gedorste graan in zakken.

Benevens het beheer van zijn landbouwbedrijf oefende Jaecques Martens ook het beroep van brouwer uit. Onder de cattheylighe goedynghen in het sterfhuis bevonden zich een brauketele, coelbacken, een cupe, tonnen ende andere toebehoorten(26). Hij leverde bier aan herbergiers en particulieren, zowel aan afgesetenen als aan ingezetenen. In het sterfhuis van Catherine Vander Straten, weduwe van Jan Zutterman, leverde hij een ton dobbel bier, die op de uitvaart door de familieleden werd gedronken (27): betaelt Jaecques Martins, bailliu ende brauwer tot Hansbeke, van een tonne dobbel biers, verorbuert inde vutfaert vande weesen moeders.

Deken Michiel Zachmoorter verweet hem in zijn dekenaal visitatieverslag van 1618 dat hij ’s zondags vaten drank verhandelde, hierdoor de zondagsrust verstoorde en als baljuw het slechte voorbeeld gaf (H. Vervaeke).

Ook na het overlijden van Jacob gaat het brouwen verder. Op 17 maart 1620 liet Livina Claeys, die in 1619 met Joos Van Renterghem, zoon van Laurens, hertrouwd was, beslag leggen op een hutte, meubelen, catheylen, ghestaen ende gheleghen up de heerlickhede van Hansbeke ende heerlickhede van Schurvelt”,eigendom van wijlen Chaerles Weynandt, omme daer anne te verhaelen ende recouvreren de somme van vier ponden grooten over leverynghe van biere ende andersyns.

3.2.4. Grondeigenaar

Jaecques Martens bezat meerdere eigendommen en was een begoed man.

Samen met Willem Van Kerrebrouck en Matthijs Van Daele was hij mede-eigenaar van 800 roeden meers en 400 roeden land , gelegen langs de Veltstrate te Hansbeke. Deze partijen werden verkocht aan Joos Van Scheynghem(28): een behuysde pachtgoed, gheleghen binnen deze prochie van Hansbeke, mette schuere stallen bomen ende cattheylen daer up staende groot in lande ende erfve omtrent sesthien bunders en half, metgaeders acht hondert roeden mersch ende vier hondert roeden landts.

Op 14 october 1609 kocht hij van Gheeraert De Ruuck fs. Jooris het recht ende actie van sekeren bodem van leene bestaande uit een boomgaard en aanpalend land . Deze had het leen tevoren gekocht van Loys Willemot die getrouwd was met de dochter van Joos Danneels. Deze partijen in bogaerde metten lande medegaande een bunder groot lagen te Hansbeke op de westkant en was ligghende metten voorhoofde op sheerenstrate, den heere van Hansbeke ghelandt op de zuutzide, Willem Van Kerrebrouck ghelandt op de westzide , ende Laureins De Paue metten lande hem commende bij coope van Gherolf Van Hulle op de noortzide. De koopsom bedroeg omme de somme van veertich ponden grooten vrij ende zuver ghelt vermeerderd met dertig schellingen grooten voor Mecheline Matthijs fa Cornelis , huisvrouw van de verkoper en met andermaal dertig schellingen voor Neelis De Ruuck, ’s verkopers zoon(29).

Van Tanneken Bollick, weduwe van Robberecht Van Caeneghem, en zijn erfgenamen, kocht hij een behuisde hofstede met een gemet grond gelegen tegenover het kerkhof. Hij verbouwde het woonhuis en de schuur. Mogelijks besteedde hij hiervoor de som van acht ponden grooten die hij leende van de armmeester Pieter Van Vinckt, mits een jaarlijkse intrest van 10 schellingen grooten. Op 1 december 1615 verkocht hij deze hofstede aan zijn oudste zoon Jan voor 91 ponden grooten.

Ten zelven daghe ut supra compareerde in persoone voor Jaecques Van Vinct ende Gherof Vander Straeten, schepen inde prochie van Hansbeke, Jaecques Martens, bailliu der selver prochie, den welcken kende ende verclaerde wel ende deughdelijck vercocht te hebben an Jan Martens, sijnen soene, een behuysde hofstede, bij hem Martens onlancx ghecocht vande vidua ende hoirs Roberrecht Van Caeneghem, ghestaen ende gheleghen jeghens over tkerchof van Hansbeke, ende bij hem nieuwelijck betemmert, also de selve mette wortel ende naghel vast ghestaen ende gheleghen is , mette nieuwe huyse ende scheure, groot in gheheele met een biecken landts daermede gaende een ghemet so daerontrent, desen coop es ghedaen omme ende voor de somme van eenenneghentich ponden grooten, mette godtspennynck, vrij ende suver ghelt ….

(31) den doender deser brijnght hier in ontfanghe thien schellinghen grooten over tcrois ende verloop van acht ponden grooten principaels die vanden Aermen ghelde onder hem heeft up crois den penninck XVIe Jaques Martins bailliu deser prochie, verschenen XXVen january 1613 volghens de obligatie dan of zijnde in daten XXVen january 1612(30).

In de vernoemde staat van goed werd een opsomming gegeven van de patrimoniale eigendommen:

-een partije ghenaempt de taerwemeersch, groot twee gemeten, west de strate …

-een partie meersche ghenaempt den biesdonc, groot seven hondert roeden, west het cruyscalletin

-drije bulcken van lande ghenaempt den breemeersch, groot tsamen acht gemeten, oost het straetkin loopende naar breemeersch gat

-eenen bulck liegghende ande voorgaende partijen, ghenaempt captin oste, groot een half bunder

-een partije landt ghenaempt het cleen captin oste, groot 125 roeden

-een partije cauter landts up melder cautere ghenaempt de taerte, groot seven hondert roeden

-een ander partie landts up denselven cautere, ghenaempt het breemeersch gat , groot 324 roeden

-een partije cauter landts ligghende up meulenackere ghenaempt den crapoen, groot acht hondert roeden

-een partijken cauter landt ligghende up den selven meulenackere, ghenaempt het waterlat, groot 75 roeden

-een partie landts up den selven cautere ghenaempt tsteenstick, groot een ghemet, west licht den meulewech

-een partije up den selven cautere, ghenaempt het cleen steenstick, groot een half gemet

-een partijken up den selven cautere met drij bulxkins, daeran een meersschelkin , tsamen groot twee gemeten en

-een ghemet maymeersch gheleghen inden pouckemeersch, noort de calen.

Deze 19 partijen lagen alle onder de heerlijkheid van Merendree en Vinderhoute. Ze hadden een gezamenlijke oppervlakte van 8 bunder, 1 gemet en 24 roeden, of circa 11 hectaren. Ze waren voor het overlijden van Jaecques Martens toegezegd voor een nieuwe pacht van zes jaren, met ingang van kerstavond 1618(32).

Uit een akte van 1 october 1619 blijkt ook dat Jacob Martens mede-eigenaar was geweest van een behuysde pachtgoed, geleghen binnen dese prochie van Hansbeke, mette schuere stallen boomen ende cattheylen daer up staende groot in lande ende erfve ontrent sesthien bunders en half, metgaeders acht hondert roeden mersc ende vier hondert roeden landts(33).

Op 18 maart 1620 verkocht de weduwe Livina Claeys, intussen hertrouwd met Joos Van Renterghem, een partij land van ongeveer 330 roeden groot, gelegen op de wijk Zande te Hansbeke aan haar zoon Jan Martens voor de som van 22 ponden grooten vlaems. De verkoopakte verwijst naar de nieuwe huwelijksstaat van Livina .

Compareede in propere persoone voor eersame Lieven Van Kerrebrouck, bailliu, Joos De Meyere ende Jan Van Hulle, schepenen vande Heerlickhede ende Vierschaere vande prochie van Hansbeke, naemelick Joos Van Renterghem fs Lauwereyn ende Livina Claeys, syne huysvrauwe, hier te vooren vidua van Jaecques Martens, in synen levens bailliu der voornoemde prochie, de welcke comparanten kenden ende verclaersden, ten presentie vande voogden vande achterghelaeten weesen vanden voornoemden Jaecques Martens, verkocht te hebben ende vercoopen bij desen an Jan Martens, ’s comparanten sone, hier mede comparerende, die van ghelycken kende ghecocht te hebben, een partije van lande, alsoo de selve ghestaen ende gheleghen is inde voorseyde prochie in een jeghenoode, daerment noempt te Zande, groot ongegrepen dry hondert roeden, met de welcke maete hij coopere tevreden is … omme ende voor de somme van twee en twintich ponden grooten vlaems …(34).

3.2.5 Nalatenschap en openbare verkoop

Toen Jacob Martens in september 1618 te Hansbeke overleed, was hij baljuw, brouwer en pachter van het kasteelgoed.

Hij liet vijf minderjarige kinderen achter, een dochtertje en vier zoontjes waarvan het jongste amper vier jaar oud was: Pieter, Gheerken, Liefvinken, Jaecques en Willekin. Zijn oudste kinderen waren toen al getrouwd:

- Jan gehuwd met Barbara Speeckaert fa Jan. Hij woonde te Hansbeke tegenover de kerk en bekleedde later ook het baljuwsambt te Hansbeke;

- Janneken, gehuwd met Marten Rootsaert fs Stoffel Zij woonden te Bellem en pachtten later het Drongengoed te Ursel(G. De Smet)

- Saerken, gehuwd met Jan De Vliegher

- Stoffel woonde te Hansbeke in een hofstede op Reybroeck, ten westen van de kerk, aan de beek op de zuidkant van sheerenstraete. Zijn vrouw Cathelijne Vanden Bussche was de dochter van Joorys Vanden Bussche, griffier van de heerlijkheid van Hansbeke.

Weduwe Lievina Claeys

De voogden waren met Lievine Claeys, weduwe en moeder van de wezen, overeen gekomen dat sij haere voornoempde vijf kinderen anghenomen ende beloft heeft te houdene ende te onderhoudene, so wel fray in siecten ende andere inconvenienten zulck als hemlieden God verleenen sal, so van linen wullen hoen caussens ende schoens, redelick ende tamelick naer haerlieden staet, tot dat sij elck bijsondere sullen commen ten huwelick.

De jongens zou zij doen leeren leesen ende schrijven ende de walsche tale en het meisje doen leeren hemden nachtdoucken ende dierghelijcke tsnijden ofte scheppen ende connen nayen.

Zoals zij haere ghehuwde kinderen, dese weesen zusters ende broederen, ghedaen heeft zou ze de weeskinderen bij hun huwelijk cleeden ende ghereeden van wullen, lijnen ende andersijns en promptelijck betaelen elck van haere kinderen de somme van tweendertich ponden vlaems als weespenningen ten sterfhuize.

Teneinde de grote onkosten van het sterfhuis te vereffenen, waren twee partijen landts ende meersch verkocht geworden: de eerste partij, genoemd het wintgat, aan Bauduyn De Meyere voor 55 ponden grooten, en de tweede partij genoemd de staeshaghe, aan Christoffel Martens, oom, voor 22 ponden grootten.

De cattheylighe goedynghen namelijk de paarden met hun veulens, de veestapel, het landbouwersalaam, het brouwersgereedschap en de inboedel werden overgelaten aan de weduwe die het landbouwbedrijf en de brouwerij verder uitbaatte, later samen met Joos Van Renterghem fs Laurens, leenman te Hansbeke, met wie zij hertrouwde.

Enkele maanden na het overlijden van Jacob, in het voorjaar van 1619, hertrouwde zijn weduwe Livina Claeys met Joos Van Renterghem. Reeds op de dynghedach van 16 januari 1619 vroeg de weduwe Livina Claeys als eiseres de rechtspraak van de wethouders van Hansbeke in een niet nader omschreven geschil met Jan Plaetsaert. In een notitie van 6-3-1619, waarbij Livina nog vermeld wordt als de weduwe van Jaecques Martens, wordt de zaak bij faulte van heesch geseponeerd waarbij zij werd verwezen tot de kosten(35). Op 17 maart 1620 liet ze, toen reeds huisvrouw van Joos Van Renterghem, door de wethouders van Hansbeke en Bellem beslag leggen up ende ten laste van alsulcke een hutte, meubelen, catheylen, gestan ende gheleghen upde heerlyckhede van Hansbeke ende heerlyckhede van Schurvelt, eigendom van de intussen overleden Chaerles Weynandt omme daer anne te verhaelen ende recouveren de somme van 4 ponden grooten over leverynghe van biere ende andersyns(36). Op 17-4-1619 wordt Joos Va Renterghem, als haar tweede echtgenoot, te Bellem reeds peter van Joosyne(Judoca) Rootsaert, kind van Livina’s dochter Janneken.

De weduwe Jaecques Martens verkocht op 18 maart 1620 aan haar oudste zoon Jan een partij land van ongeveer 300 roeden groot, gelegen op de wijk Zande te Hansbeke, voor de som van 22 poden groten vlaams.

Compareerde in propere persoone voor eersamen Lieven Van Kerrebrouck, bailliu, Joos De Meyere ende Jan Van Hulle, schepenen van de heerlijckhede ende vierschaere vande prochie van Hansbeke, naemelick Joos Van Renterghem fs Lauwereyn ende Livina Claeys, sijne huysvrauwe, hier te vooren vidua van Jacques Martens, in sijnen levens bailliu der voornoemde prochie, de welcke comparanten kenden ende verclaersden, ter presentie vande voogden vande achterghelaeten weesen vanden voornoemden Jacques Martens, ’s comparanten sone, hier mede comparerende die van ghelycke kende ghecocht te hebben, een partije van lande, alsoo de selve ghestaen ende gheleghen is inde voorseyde prochie in een jeghenoode daerment noempt te Zande, groot onbegrepen dry hondert roeden, met de welcke maete hij coopere tevreden is … omme ende voor de somme van twee en twintch ponden grooten vlaems …(37).

Na het verstrijken op 9 april 1621 van het Twaalfjarig Bestand werd ook Hansbeke zwaar belast door de krijgsverrichtingen tijdens de laatste fase van de 80-jarige oorlog(A. De Vos). Reeds op 25 april 1621 legerde kapitein Del Plancque met een compagnie van 160 soldaten in het dorp gedurende vijf dagen en nachten. Op 28 april moest onderdak worden gegeven aan kapitein Dancre met zijn 200 mannen. Nadien volgden nog meerdere inkwartieringen. Joos Van Renterghem kreeg in de loop van 1621 zijn deel van de overlast. Hij leverde tot onderhoudt vande soldaten inde prochie eerst een tonne bier, twee broden elck van 16 ponden, drij pont botere en vijftich heyeren. Hij onderhield den capeteyn van de spaengaert met noch drij andere. Later fourneerde hij noch een pont en alf botere, vijftich heyeren, diversch houdt omme de wacht te branden en anden capeteyn twee braet viggenen. Hij stalde op zijn hof 14 paarden en andermaal thien perden, die hij van hoy en havere moest voorzien.

Joos Van Renterghem reed met een gespannen wagen naar Bellem en nadien met een waghen met 3 perden tot inde prochie van dronghene ome de spaengaerts wech te voeren. Ook had hij ghereden met sijnen perden ende ghevoert de coetswaghen van monsieur Masteyn en met sijnen waghen ende twee perden de bogaige van monsieur Triest tot twee daghen. Noodgedwongen gaf hij onderdak en de kost aan zeven perderuyters die tsijnen hove met ghewelt in quamen en er de nacht doorbrachten. Bij hun vertrek moest hij 14 ponden ghesoden baeckvleesch meegeven en ze hadden afghedroncken een alf tonne bier(38).Ook in 1631 leverde hij hooi voor de perden van capeteyn Eghem ghedurende den tyt van elf wecken dat hij met sijne soldaeten inde prochie gheleghen heeft(39).

Ongeveer twintig jaar na het overlijden van Jacob stierf Livina Claeys, op kerstdag 1637(40): 1637 25 december obijt Livina Claeys uxor Judoci Van Renterghem. De bezittingen werden onder de kinderen Martens verdeeld volgens een nog onvindbare staet van goede daterend 1638. Wel bleef een liassa bewaard betreffende de venditie. Deze liasse geeft een overzicht van wat in het sterfhuis werd te koop gesteld, zodat het mogelijk is zich enig idee te vormen van de sociale toestand in 1638 van het oudere gezin Van Renterghem-Claeys, met de vermoedelijk nog inwonende zoon Gheraert Martens, hetzij ongeveer 20 jaar na het overlijden van Jacob Martens.

In bijlage 3.2 wordt uitgebreid gerapporteerd omtrent deze openbare verkoping die plaats vond op het kasteelgoed.

De totale opbrengst van de openbare verkoping bedroeg circa 130 ponden groten vlaams. Dit bedrag vertegenwoordigde nagenoeg de waarde van 13 paarden (10 ponden) of 26 koeien(5 ponden).

Er waren 80 kopers die één of meer loten kochten. Onder hen bevonden zich de 6 zonen Martens evenals de schoonzonen Marten Rootsaert en Arent Van Wassenhove. Gezamenlijk kochten zij ongeveer een kwart van de opgeroepen loten, waaronder het paard en nog vier banden vlas. Arendt Van Wassenhove kocht een bedde met eenen hooftpulme en een wascuype, teenewerck en verder vier banden vlas en een zwijn.

Volgens het ghebruyckboek van Hansbeke dd. ca. 1640 pachtten Gheeraert Martens en Arent Van Wassenhove, gehuwd met Vijntjen Martens, toen samen het kasteelgoed met bijhorende partijen land, meers en bos.

Joos Van Renterghem, tweede echtgenoot van Livina Claeys, overleed op 22 december 1645, dus 8 jaar later dan zijn vrouw Livina en 27 jaar na het overlijden van haar eerste echtgenoot Jacob.

Dat Jacob Martens een persoon van aanzien was blijkt zelfs nog in 1682-83, 65 jaar na zijn overlijden. De pastoor van Hansbeke had naar oude gewoonte recht op een vleestiende die bestond uit de biggen- en lammertiende: van alle tien biggen of lammeren die tijdens het jaar geworpen werden, kreeg hij er eentje(of de tegenwaarde in geld). Op verschillende tijdstippen bestonden er strubbelingen aangaande de vleestiende. In 1654 bracht pastoor Swevers voor de Raad van Vlaanderen een aantal getuigenissen samen om zijn recht op de vleestiende te staven. De 80-jarige Mattijs Lamme verklaarde dat hij zekere tijd bij Jacques Martens op het casteelgoet heeft gewoond. Hij vernam vande voornoemde Martens, die een kudde schapen hield, dat volgens oude gewoonte aan de pastoor het thiende lam en ook de viggenthiende moest gegeven worden.
Geschreven door Laurent Martens om 12:44 Reageer op dit bericht

Meer van Vijf eeuwen familie Martens

↑ Terug naar de berichten