Naar de inhoud

Schuinschrijfsels

inktlekken uit mijn pen
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

IK BEN EEN SOPWEIKER

IK BEN EEN SOPWEIKER

 

Spotnamen, spotverhalen, domme gezegden en geestigheden hebben de mensen door de eeuwen geboeid. De mens heeft altijd heel graag met zijn nabuur gespot. De na-ijver en jaloezie tussen de verschillende gemeenten waren de hoofdoorzaak van de gecreëerde spotnamen. Onze voorouders kwamen bijna niet buiten de eigen gemeente en ze hadden weinig contact met de buurdorpen. Ze beschouwden elkaar een beetje als vreemdelingen. Zo kwam er vanzelf wederzijds wantrouwen en onderlinge vijandschap. Om met de verre buren te schimpen, liet men geen kans onbenut. Het kleinste feit, de kleinste gebeurtenis werd verdraaid, anders geïnterpreteerd, vergroot en meteen uitgetoeterd. En daar kwamen spotnamen en miserie van. Met de keuze was men zeker niet kieskeurig. Sommige schimpnamen waren plat en realistisch, Eens die spotnaam er was, begon de overlevering zijn werk te doen, van het ene geslacht naar het andere. Er vanaf geraken kon je nooit.

 

Zo heeft elke gemeente zijn spotnaam gekregen, verdiend en door de eeuwen heen verder gesjouwd. Als er iets is waar ik fier over ben, is het feit dat ik een Mollenaar ben. Vraagt men mij van waar ik ben, dan zal ik nooit antwoorden ‘van Antwerpen of Aartselaar’, maar wel ‘van Mol’. Die fierheid is me blijkbaar aangeboren en bovendien terug te vinden bij heel wat Mollenaars. Mollenaars zoeken mekaar ook op en je komt ze overal tegen. Ik ben in Mol-Rauw geboren. In de kelderkamer (kamer op halve verdiepinghoogte boven de kelder) van de beenhouwerij van Rikus Janssens – mijn grootvader aan moeders kant - werd ik geboren. Daar lag de kiem van mijn roots. Mol is de enige gemeente in België die het predicaat van ‘van purperen hei tot atoomstad’ ten volle verdient. Het studiecentrum voor kernenergie (SCK), waar ik trouwens een ingenieursstage deed, werd gesticht in 1952 en daar werd de eerste Belgische kernreactor gebouwd en getest. Jarenlang – tot aan de grote fusie van Antwerpen – was Mol de gemeente in België met de grootste oppervlakte waar je in vogelvlucht een rechtdoorafstand van 26 km kon afleggen. Ze heeft trouwens 11 gehuchten en een echte Mollenaar kan ze zomaar uit het vuistje reciteren. Mol heeft niks met een wroetende zwarte mol, maar verwijst naar het ‘mulle’ zand (Molle). Daarom is het witte zand van Mol over heel de wereld gekend.In dat zand heeft mijn grootvader langs vaders kant zijn boterham en zijn karakter verdiend.

2267038-9772bb09ddbd7bad124f83d49361f3c2.jpg 

De handen van mijn grootvader en peter zijn me altijd bijgebleven. Al jong leerde ik wat werkmanshanden zijn. Hij werkte met de zandschop tijdens zijn 'werkuren' op de glasfabriek en daarbuiten creëerde hij zijn eigen onbetaalde 'overuren' die hem vele jaren ook veel opbrachten. Hij bewerkte stukken land in 't broek', een zompig gedoe langs de Molse Nete, waar de groenten dankzij noeste arbeid goed gedijden. Zijn vingers waren kromgegroeid en als kleine jongen kon ik maar niet verstaan dat hij geen van beide handen plat op de tafel kon leggen, want die beweging hadden ze in de loop der tijden afgeleerd. Voor hij zijn schop in de grond plantte, spuwde hij eens goed in zijn handen om het hout van de schopsteel beter aan te voelen en zijn werk vlugger te laten vooruitgaan. Zo kreeg hij meer grip en bleven eelt en blaren achterwege.Wat die handen allemaal wilden zeggen, heb ik maar véél later leren ontdekken en ze hebben de waardering voor mijn peter en zijn werk maar doen toenemen. Waar een werk is, moest een wil zijn en gepland werk moest tegen het geplande uur gedaan zijn. De Nete speelde ook een rol in de keuze van de spotnaam.

 

Ik mag mezelf een ‘sopweiker’ noemen. Rond 1300 graasden duizenden schapen op de Molse heide. Die schapenwol werd gebruikt om kleding te maken en Mol werd bekend als centrum voor lakenstoffen. De Molse wol werd in het kabbelende water van de Nete (de Neet) te weken gelegd. Er was al eens wat vuile ‘shitwol bij’ van de flanken van de schapen.

Het gevolg was dat de Mollenaars in het omliggende de spotnaam van ‘sopwaëkers’ kregen.

Aan de Wandelweg naast de Nete staat trouwens nog altijd het Solferkotje, waar wolfabrikant Peten in 1879 een wolwashuisje bouwde. Eeuwenlang werkten de wevers op hun houten weefgetouw en de bruine of blauwe Molse lakens overleefden vele troebele tijden. Dat heeft dus niks met ‘soepweikers’ te maken. Misschien komt dat door het verhaal van de jonge haas die verdronk in de Kleine Nete. De wijzen van ‘Molle’ gaven de raad om het dier tweemaal vierentwintig uur in ’t water te laten weken, omdat, na dat tijdsverloop heel de Nete in ‘vleessoep’ zou veranderd zijn. De brave en vooral arme Molse mensen die met potten en pannen soep kwamen scheppen waarin een beetje vlees had gezeten, zorgden desalniettemin voor een heerlijke legende om tussendoor ook eens te vertellen. Maar eigenlijk is dat is larie en hazenbout en doet de waarheid geweld aan. Sinds 1886 heeft Mol wel de wekelijkse konijnenmarkt op het Rondplein.  

 2267038-aa6c62d60ec7414d255db4cb051e8212.jpg

Eén van mijn eerste ‘openbare optredens’, waarvan ik mij nog vaag iets herinner, is de kleuteroptocht in de Sint-Jansstoet van Mol over de Rozenberg. Vol bewondering keek ik naar het likkend kaarsenvlammetje in mijn lantaarntje en had helemaal geen oog voor de mensen die traditiegetrouw de tweejaarlijkse kinderstoet zagen voorbijtrekken. Dat keerske was het middelpunt van mijn wereld. Het gebeurde altijd op de zondag vóór de feestdag van Sint-Jan (26 juni). Tot 2004 was hiervoor nog geld voorzien in de Molse begroting. Helaas, daarna was het vat en de portemonnee leeg en nu bestaat de Sint Janstoet niet meer. Uitgedoofde traditie noemen ze dat. De leerkrachten die er vroeger aan meewerkten, wisten welke grote voorbereiding dit vroeg en waren ervoor niet meer warm te krijgen. Wel ligt er nog heel wat kleding van deze stoet op de schoolzolder. Dat “keerske in de lantaren” heeft me altijd gefascineerd omdat geen wind en geen regen vat hadden op het oude supergezellige magische ding…

 

Apropoo. Beroemde Mollenaren en leeftijdsgenoten zijn Guy Mortier en Jef van Uytsel (+). Later kwamen daar nog Tom Boonen en Jasper Philipsen bij. Zij kregen medailles en onderscheidingen. Ik ben altijd maar een gewone Molse sopweiker gebleven. Onderscheiding heb ik ooit wel gehaald.

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:07 Reageer op dit bericht Stuur door

DE ARK VAN NOACH

DE ARK VAN NOACH

De Amerikaanse professor Jared Diamond (81) geeft onlangs landen in crisis een sprankeltje hoop: ze kunnen uit het dal kruipen, als ze zich maar tijdig aanpassen. Maar voor de wereldwijde klimaatcrisis ziet hij het somber in: ‘De manier waarop we onze planeet uitputten, is onhoudbaar. We trekken het nog wel een paar decennia, maar moeten dringend duurzamer gaan leven’. En dat betekent dan de ondergang van onze aardbol. Een verwittigde man of vrouw is er twee waard. Ze nu niet meer dat we het niet weten…

 

De Maya’s kenden het fabelachtige van de sterrenhemel. Ze hadden uitstekende astronomen en konden zons- en maansverduisteringen eeuwen vooraf voorspellen. Hun kosmische cyclus telde 12.000 jaar en bij de overgang van de ene naar de volgende voorspelden zij speciale natuurrampen waarbij het voortbestaan van elke beschaving wankelt. Bij de vorige transformatie – rond 10.000 voor Christus – ‘verdween’ het legendarische Atlantis. De eerstvolgende zondvloed werd dus verwacht 12.000 jaar later, als ons zonnestelsel in één lijn kwam met het Melkwegcentrum. Dat gebeurde op 21 december 2012. De rekening 10.000 + 2.000 klopte zo … Het zou een doemdag met zonnestormen, zware aardbevingen en een scheuring van de magnetische aardvelden met als uitroepteken de totale vernietiging worden. Maar het werd noppes! Al goed! Misschien was het verdwijnen van Atlantis wel de grote zondvloed waarover sprake was in het boek Genesis en dat was dus de tijd dat de oude Noach, die toen al 500 jaar oud was, op aanraden van God zijn ark bouwde. Tijd voor een flashback naar Noach en zijn primitieve scheepswerf die honderd jaar actief was…

 

De toenemende verloedering van de wereld na de hof van Eden sterkte God in zijn besluit om ‘al wat leeft en waarin een ziel zit’ te vernietigen door een grote overstroming. Hij was wél bereid in zijn goddelijke bestraffing een toegeving te doen, zoals hij tevoren en later nog wel eens deed. En toch noemde hij zichzelf een goede God. Eén man, Noach, vond genade in de ogen van Jahweh, want iedereen kende hem onder die naam als een rechtvaardig en onberispelijk man. Met hem en zijn familie zou de mensheid opnieuw kunnen resetten. God vertelde de oude man dat hij een woonboot moest bouwen waarin zijn familie en ten minste één mannetje en één vrouwtje van elke diersoort zouden passen om na de zondvloed een complete herstart van de wereldbevolking te kunnen lanceren. Zowel van de reine dieren als de onreine en van elke vogelsoort moest er een stelletje mee. De vissen kwamen niet in het kapittel voor omdat ze zich als waterbewoners geen problemen moesten maken en ongegeneerd snorkelloos konden blijven voortbestaan. Noach was een beetje verbouwereerd, zag het ontzaglijke van zijn opdracht en realiseerde zich ineens dat hij het wel aan anderen moest vertellen om voldoende bouwvakkers en materialen bijeen te krijgen. Hij trok zijn kemelharen sloffen aan, krabde eens in zijn haar, stak zijn schrijnwerkerpotlood achter zijn oor en slofte weg om hulp te zoeken.

 2264806-4eb4deb0fbebe4d5f55ddbba0885efc7.jpg

De mensen lachten in het begin tranen met tuiten. Mijlenver van het water een ark bouwen aanzagen zij als een stunt, maar ze vergaten, omdat ze zoiets nog nooit hadden meegemaakt, dat de zondvloed de boot ten gepaste tijde zou wegdrijven. Later zou het lachen hen wel vergaan. De plannen waren duidelijk: geen klein bootje, maar een schip met drie verdiepingen, 150 meter lang (1,5 voetbalveld lang), 25 meter breed en 15 meter hoog (een flat van 6 verdiepingen). Het zou een kolossaal schip worden ter grootte van een middelgrote cargo. Er was een grote lichtopening en maar één deur, zodat niemand kon ontsnappen. De hokken en vakken voor de dieren en de binnen- en buitenkant werd gepekt. Dat wist hij nog uit zijn boek met eeuwenlange wereldervaring. Met zijn achten zouden ze mogen meegaan: Noach, zijn vrouw en hun drie zonen en hun vrouw. Ze waren met weinigen, maar ja: buiten zijn gezin luisterde er toch niemand!

 

Hoe kwamen al die dieren in zijn ark? In gedachten zie ik de oude Noach. Hoe zouden de olifanten de muizen niet verpletteren? Maar, hij deed het! Ze waren nog niet binnen of hij kreeg al mestoverlast en moest GASboetes uitschrijven. Nog erger morden leeuwen, tijgers, luipaarden, wolven en vossen die zin kregen in een malse bout van schapen, lammetjes of koeien. Hooi, vlees, voederbrokken en ander eten moesten voorradig zijn om de commerce te blijven runnen. Maar toen de zondvloed kwam, was het voor de anderen te laat. De deur was toe en ze ging niet meer open.

 

Het was een lange reis. De tocht begon op de 17de dag van de tweede maand toen Noach 600 jaar oud was. Het goot 40 dagen aan één stuk en 150 dagen was de aarde niet zichtbaar. Ongeveer 9 maanden na het vertrek liet Noach een raaf vliegen omdat die een vleeseter was en dierenkadavers zou vinden. Hij kwam niet terug naar de ark. Dan was het de beurt voor een duivenvlucht. Die eet geen vlees en kwam iedere keer terug tot er voor haar weer voedsel groeide. Zo wist de oude man dat de aarde weer droog was. Het was ongeveer 1 jaar en 10 dagen later. Noach deed de enige deur van zijn ark open en overschouwde de nieuwe aarde. Toen beseften ze alle acht dat de ark wel degelijk veilig was en dat God zijn woord had gehouden, zoals altijd. Van contentement stuurde hij een danksignaal naar God in de vorm van een offer van een aantal dieren die ondertussen in de ark waren geboren. En God zag dat het goed was!

 2264806-954eb7affe27cfcd4887d9cfee213862.jpg

Geologische of archeologische bewijzen over dergelijke zondvloed die mens, plant en dier vernietigden, behalve de inhoud van de ark van Noach, zijn er niet. Je zou dan een hele sedimentlaag uit die tijd moeten vinden met beenderen en resten van die arme wezens. Dat bewijs is er niet.

Lokken de klimaatvoorspellingen een nieuwe zondvloed uit? Is deze keer Anuna De Wever op tijd begonnen te verwittigen? En doe jij er iets aan?

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 20:40 Reageer op dit bericht Stuur door

MUZIEK EN OORWORMEN

MUZIEK EN OORWORMEN

Als ik alleen thuis ben, kan ik soms intens genieten van de televisie die niet ingeschakeld is. De tegenprestatie is dan wel een CD of DVD in de muziekinstallatie of via de computer. Spijts alle ritme of sfeer brengt zoiets rust, laat werken en genieten maakt me ook beter gezind. Het is een sprekend bewijs dat muziek wonderen kan doen, zelfs als je het niet verwacht. Het tegenovergestelde zijn liedjes die tussen je oren, en dus in je hoofd blijven hangen. Het begint heel onschuldig, maar na een tijdje krijg je de indruk dat je een 'muzikale oorworm' op je trommelvliezen hebt gekregen. Hoewel het beestje er in werkelijkheid helemaal niet genesteld zit, is er toch een onmiskenbare getuigenis van zijn frivole aanwezigheid. Van waar komt dat liedje, deuntje of moderne tune? Hoe heeft het zich 'spiritueel' ontwikkeld met een repetitieve kracht en volhoudendheid die sterker zijn dan de eigen wil om er van af te geraken? Dan heb je een liedje in je hoofd en geraak er dan nog maar eens van af...

 2262706-8123323e7df540668a5eb459f19a0f39.png

Naar het schijnt hebben vrouwen meer dan mannen last van die muzikale ondingen. Ze manifesteren zich blijkbaar ook meer bij muzikanten dan bij andersgezinden. Waarschijnlijk heeft het te maken met het ritme en de eenvoud van melodie of van de tekst. Wie moe is of last heeft van stress, kan dus sneller een oorworm krijgen. In het begin vrolijkt hij je op: je moet er bijna geen moeite voor doen en dan zijn ze nog te verduren. Maar eens ze in repeat-stand in ongeremde hoeveelheid in iemands hoofd spelen, worden ze opeens behoorlijk irritant. Insectenspray is er geen afdoend middel voor en bij verkeerde prijs-kwaliteitsvergelijking zelfs gevaarlijk. Het is of deze muziekjes een afwijking in hun genen hebben waardoor je hersenen ze niet volledig kunnen verwerken of corrigeren. Daardoor blijven ze zichzelf herhalen. Het is verdomd niet het hele liedje dat je beheerst, maar dikwijls maar een bepaald stukje of een paar zinnen. Als het een akoestisch nummer is, neurie je dan bij gebrek aan tekst gemakkelijk mee.

 

Hoe los je zoiets op? Een voor de hand liggende oplossing is wachten tot het vriendelijk ambetant melodietje vanzelf uit je hoofd vertrekt. Maar dat is vaak makkelijker gezegd dan gedaan. Eens je erbij begint na te denken, is het helemaal naar de filistijnen. Dan is het nog moeilijker om het liedje buitenshuis te krijgen. Soms probeer ik dan een ander irritant liedje op te vissen, maar da's ook moeilijk, want die komen niet zomaar na een vingerknip. En bij echt verkeerd opgedrongen keuzes zoals de Vogeltjesdans, Bohemian Rhapsody, Viva La Vida of The Lion sleeps Tonight treden dan weer andere randverschijnselen op waar je nog langer en meer last van hebt. Bij nader inzien heb ik dan ook ingezien dat verdringen niet de juiste oplossing is. Je verruilt dan het ene probleem voor het andere en zo heb je een weer een schoolvoorbeeld van de Wet van behoud van ellende.

Een tijdje geleden koos ik voor het stimuleren van het verdomde liedje door via de computer de tekst (lyrics) ervan op te zoeken. Vooral bij oorwormen waarvan je de tekst of de melodie niet volledig kent, blijkt dit een goede keuze. Je kunt het vergelijken met een plaat die blijft hangen, wat bij CD's veel minder gebeurt. Door de ontbrekende informatie op te zoeken en te herstellen zorg je ervoor dat je hoofd het liedje wel tot het einde kan afspelen en daardoor geraak je het kwijt.

 2262706-68b7be2f31c3d7f2d8ef60faa4a69708.jpg

Kun je ook bij iemand anders een oorworm vangen? Het is me al gebeurd dat ik me plots realiseerde dat iemand anders duidelijk last had van een oorworm, en dat ongewild naar buiten manifesteerde. Tikken op een tafel, een melodietje gezwind en herhaaldelijk fluiten of meeneuriën zijn de exponenten van zo'n evenement. Die dingen gebeuren ook meestal onbewust en als je dan vraagt waarom die persoon zit mee te tikken of iets dergelijks doet, volgt dikwijls de bewustwording en de vlucht van de oorworm. Als laatste zou je kunnen overwegen om je oorworm te visualiseren terwijl hij je hoofd via je oor verlaat. Dan komt het er op aan creatief te zijn en te verzinnen wat je allemaal met zo'n beestje kunt doen: opsluiten, verkeerd voedsel geven of extreem hem doorsturen naar iemand die je niet mag. Als je daar inderdaad in slaagt, verdwijnt het resetdeuntje vanzelf, ben je creatief maar belast je ongeweten iemand anders met je muzikaal probleem. Dat was oorspronkelijk niet de bedoeling. Ooit ben ik iemand tegengekomen die het verschijnsel vergeleek met een 'cognitieve jeuk': hoe langer je krabt, hoe meer jeuk je krijgt: hoe langer je met het liedje bezig bent, hoe langer het blijft hangen.

 

Het plezante van muziek is dat je er de ene keer kippenvel van krijgt en de andere keer lopen de tranen over je wangen. Muziek is emotie en gevoel zonder de remmende censuur van het verstand. Het is altijd al een deel van onszelf geweest. Veel mensen verraden zich bijna automatisch: met de voet meetikken bij een aanstekelijk hitje. Sommigen vinden van zichzelf dat ze geen ritmegevoel hebben of geen toon kunnen houden, en concluderen dan dat ze niet muzikaal zijn, maar dat is een begrijpelijk maar hardnekkig misverstand. Iedereen heeft een talent voor muziek. Dat talent laat zich niet alleen zien in het virtuoze van het muziek maken, maar ook in het beluisteren en waarderen van muziek. Muziek is een van de meest opmerkelijke facetten van het mens-zijn. Elke bevolking, stam of cultuur ter wereld kent (een vorm van) muziek. Muziek lijkt wel een sleutel te zijn tussen de 'fysieke' en de 'spirituele' wereld. Muziek kan je emoties veranderen, bepaalde ervaringen of gebeurtenissen terughalen en je prestaties beïnvloeden. Vrij regelmatig kun je zelfs aan de hand van iemands muzieksmaak al een vrij kloppend beeld schetsen van wat voor iemand het is... zelfs als hij met een kanjer van een muzikale oorworm zit!

Een oorworm vormt maar een nevenprobleem, is bijkomstig en de moeite niet om lang bij stil te blijven staan. En de laatste redplank is soms de Zoo…

Marcel Huysmans

  

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 15:39 Reageer op dit bericht Stuur door

EEN ZESDE ZINTUIG

EEN ZESDE ZINTUIG

 

Statistiek is een van de vakken waarvan ik vroeger intens kon genieten. Voor sommigen was het een aangename hindernis waar je toen voorbij moest maar voor anderen een onoverklauterbare muur. Later doken de praktijkvoorbeelden in diverse quizzen op als snelle kwelduivels met eindeloze variaties op de vragen met x aantal rode ballen en y aantal witte ballen. Het rijtje bespiegelingen werd constant afgesloten met de zin: wat is de kans dat twee ballenpakkers A en B in elk 4 beurten, zonder teruglegging van de getrokken ballen 4 witte (A) en 4 rode ballen getrokken hebben… Met het nodige gezond verstand en vooral met het nodige geduld kun je dergelijke puzzel oplossen omdat het gewoon een manipuleren is van de nodige eenvoudige regeltjes die redelijk snel tot een wondere oplossing leiden. Er is maar één oplossing mogelijk en wanneer die zich dan nog manifesteert in de vorm van 1 kans op 672 dan lijkt dit een wonder van de veertiende macht. En toch is het eigenlijk simpel!

2260875-ad0c1348598309065c82249bd2cc8dca.jpg 

Ben je zeker dat je ze nog alle vijf hebt?… Bij deze uitspraak kun je nog denken aan de vijf vijzen die je nog altijd op de juiste plaats dacht of tenminste nog bezit, of anders aan de 5 zintuigen waar we zomaar van voorzien zijn en die in meer of mindere mate meer verfijnd of rudimentair bij elk van de kinderen van de schepping werden achtergelaten. Zien, horen, proeven, ruiken en voelen zijn de werkwoorden die Aristoteles rubriceerde om de sensoractiviteiten van het oog, het oor, de smaakpapillen, de neus en de tast weer te geven. Je wordt iets gewaar en je interpreteert de signalen van dat bewust zintuig in de grijze mengelmoes van je brein. Je kunt je zintuigen ontwikkelen en als het ware een ‘specialist’ worden in een van deze ‘gewaarwordingen’. Als alle bereikbare grenzen van alle ‘zinnen’ niet meer volstaan, hebben we mogelijk nog een zesde zintuig, hoewel dat zesde zintuig voor iedereen niet hetzelfde is. Intuïtie en telepathie seinen ‘gevoelens’ of ‘energieën’ van diverse pluimage door. Het moederinstinct is er een voorbeeld van. Je kunt het onmogelijk vorm geven; je kunt niet uitleggen waar het vandaan komt, je kunt er geen diploma in halen, maar van één ding ben je wel zeker: het moederinstinct is er! Je hebt er geen taal voor nodig, want je zendt geen woorden door, wel de gevoelens die ermee gepaard gaan: en die zeggen meer dan honderdduizend woorden samen.

 

Mijn zoon kocht ooit een maandagsportkrant in een krantenwinkel, bladerde op een bank door die krant en dwaalde even over de horoscoop, een rubriek waaraan ik zelf een hoog ‘kwatchgehalte’ toedicht. Hij las op die frisse meimorgen de aansporing dat het die dag ‘zijn geluksdag’ zou zijn, vooral financieel. Hij keerde terug op zijn stappen, kocht één kraslot en kwam buiten met zomaar 250 euro. Eigenlijk waren het Belgische Franken, maar ik heb hier de moderne transitie meteen gemaakt. Echt gebeurd! Als bij ons in de familie iemand een lotje mag kiezen, wordt heel dikwijls met een dikke wijsvinger naar dezelfde gewezen omdat geld blijkbaar vaak bij dezelfde wil zijn. Zo’n afwijking heb ik zelf niet.

 

Het gebeurde 36 jaar geleden. Toen mijn vader zaliger zijn laatste dag ‘thuis’ was, viel de klok in de living stil. Voor hem heb ik nog altijd een grenzeloze bewondering en ik noem hem nog altijd mijn grootste technoloog van de twintigste eeuw. Die avond stelde hij de klok opnieuw in op 22.40 u. Daarna vertrok hij voor het laatst, op eigen kracht, naar zijn bed, zijn laatste rustplaats thuis, waar hij onverwacht geveld werd door een longembolie. Toen ik overhaastig thuis kwam, was hij in alle drukte al opgehaald door een ziekenwagen, waarvan mijn moeder zich enkel nog de loeiende sirenes en de twee verplegers herinnerde. Ze waren zich duidelijk bewust dat het ging om het leven van een ‘levende ‘ mens. Maar de klok stond stil en is niet meer vertrokken. Het was en het bleef 22.40 u. Ik heb ze ook nooit meer ‘in gang’ gekregen. Klokken repareren was wèl een erfelijke afwijking van me. Veertien bange dagen later kwam de verpleegster in het UZA zeggen dat we best naar huis konden gaan. Door een onzeglijk gevoel zijn moeder en ik toch blijven zitten en die avond vóór Moederdag is vader gestorven. Om 22.40 uur! Dit kon geen toeval meer zijn: noch het tijdstip, noch de goddelijke ingeving van boven… Daar stel ik me nog altijd vragen over.

 

Doodgaan en anderen onrustig maken is er ook nog een voorbeeld van. In rusthuizen ervaar je dikwijls een opvallend verschijnsel. Wanneer iemand doodgaat, gebeurt het soms dat de andere mensen in de buurt van de stervende ook onrustiger worden naarmate de dood van hun buur nabij komt. Die onrust verdwijnt wel na een paar dagen en toont aan dat woordeloos angsten, emoties en gewaarwordingen kunnen worden doorgegeven, niet gehinderd door muren, vloeren of soorten materie. Dan kun je spreken van buitenzinnelijke waarnemingen die te maken hebben met intuïtie, met de indruk hebben dat, met plots iets weten of een ingeving krijgen, of met een beklemmend gevoel.

 2260875-a678c8fc1b81eacc51f4dc20fff641b7.jpg

Niet alles moet gezegd worden. Ik heb een goede vriend, collega, naam- en dorpsgenoot die ook naar het Antwerpse is uitgeweken en zelfs jarenlang dezelfde vakken heeft gegeven binnen dezelfde school. Wij werden dikwijls voor een vergadering uitgenodigd die voor de andere bedoeld was; wij hebben op die ‘verkeerde’ vergadering soms beslissingen genomen voor de andere omdat we wisten hoe de andere zou gereageerd hebben…Zelfs op restaurant – in eten én drank én dessert – hebben we meestal dezelfde keuze en wij hebben ontelbare keren aan de telefoon gezegd: ‘ik wilde je juist opbellen…’ Dit is energieoverdracht, telepathie en intuïtie die je niet voor mogelijkheid houdt, maar die helemaal niet verzonnen is. Als je zelf begint na te denken, zul je zeker ook van die ontoevallige toevalligheden kunnen bovenhalen. Dat zesde zintuig is zonder meer een van de grootste raadsels voor de mens. Voor sommigen bestaat het echt, anderen vinden het vooral verbeelding. Maar het geeft altijd stof tot nadenken.

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 22:16 Reageer op dit bericht Stuur door

POSTKAARTJES EN GROETJES UIT VERRE LANDEN

POSTKAARTJES EN GROETJES UIT VERRE LANDEN…

 

Droom je er nog van? Van overal kwamen ‘ze’ via de brievenbus binnengedwarreld: in alle maten, met onder- en opgaande zonnen, met felle golven van bruisende of stille zeeën, zorgvuldig volgeschreven en met onderaan altijd enkele namen om te vertellen hoe heerlijk zonnig en nat het water en de luchten waren, gewoon om de thuisblijvers jaloers te maken. Je hebt het natuurlijk wel door dat het over ‘ansichtkaarten’ – dat staat ook een beetje internationaler – gaat. De mens maakt reizen om zich te verbazen hoe hoog de bergen wel zijn, hoe geweldig en wit de golven van de zee klotsen en hoe lang de onnavolgbare kronkels van de rivieren zijn. Hij wil verstomd staan door de uitgestrektheid van de oceanen en de eeuwige kringloop van de sterren. Ondertussen gaat hij dikwijls aan zichzelf zonder verbazing voorbij. Mijn eerste zin van deze schrijvelarij begon wel met ‘kwamen’, de verleden tijd van wat nu niet meer komt of toch veel minder. Het aantal vakantiekaartjes is schrikbarend afgenomen. Is het de crisis, is het de prijs van de postzegels? Is de digitale spreek- en schrijfwereldje de oorzaak, of is de mens gewoon veranderd? Wie zal het zeggen? Eén ding staat vast: het is zo! Tel maar eens na. Spijtig toch, hé!...

 2257913-5c9ebea030e1f7a836e9c7255a864d4a.jpg

Wie verre reizen maakt kan veel vertellen… Er zijn meer vakantiebestemmingen dan vakantiedagen en dus bestonden er toen ontelbare vakantiekaarten met allemaal bezienswaardigheden, dingen die je moest gezien hebben omdat anderen ze ook ooit hadden gezien. In de oudheid ging men nooit op ontspanningsreis en als je heel oude geschriften gaat napluizen, zul je ontdekken dat alle grote reizigers profeten, apostelen, zakenlui, kunstenaars of geleerden waren: Paulus, Rubens, Marco Polo, Columbus en vele anderen. Reizen op grote schaal en voor het plezier zijn een creatie uit de vorige eeuw en het gevolg van de groeiende techniek in de transportwereld. Volgens wijlen Godfried Bomans gaan de meeste mensen niet op reis omdat ze daar plezier in hebben, maar wel om achteraf onomstotelijk te kunnen aantonen dat men ergens ter plaatse, in levenden lijve en fotografisch, aantoonbaar is geweest. Hoe meer bewijsstukken je meebracht, des te sterker de indruk die je maakte op degenen die achtergebleven waren. En film is nog overtuigender dan (kleuren)foto’s. Daarom jakkeren zulke reizigers een geweldige uitgestrektheid en grote afstanden na die dikwijls nog bekroond worden met een hoge frequentie van museum- en kerkbezoek.

 

Allemaal nostalgie! Je kon er op uit trekken met een uitgebalanceerde rugzak voor een meerdaagse tocht overal waar het mooi was: te voet door de Himalaya, het geschiedenisspoor van de Inca’s of de Maya’s verkennen in Zuid-Amerika of het spoor van de Bokkenrijders in Limburg met de B&B-formule volgen. Je kon ook met de fiets de Alpen- en Pyreneeëncols verkennen van oost naar west of jodelend langs de Glossglockner hossen. Of misschien bleef je te voet thuis in de eigen Ardennen. Was ook niet mis. Sommigen wandelden de lange weg naar Santiago de Compostela om zichzelf een beetje tegen te komen vooraleer te arriveren bij Sint Jacob en zijn schelp. Voor anderen betekende vakantie de kleine wereld en de onvergetelijke natuur leren kennen via een kamp back to basics met zelfbereid eten op geblutste kookpotten die aangevuurd werden door een eigengemaakt vuur maar mét respect voor de veiligheid van natuur en de mensen die erin leven. Of misschien was je ooit te vangen voor een leef- en speelbivak in de minder en minder toegankelijke bossen van Vlaanderen of Wallonië? Nog dichter bij huis betekende reizen voor heel wat kinderen met de autobus naar de vakantiespeelpleinen trekken en iedere avond weer in het eigen bed slapen….

 

Kaartjes sturen én ontvangen gaf iedereen wel een prettig gevoel. Waarom stuur je nu nog aan je (klein)kinderen op bivak of op kamp een kaartje ter ondersteuning: kaartjes van je eigen gemeente krijgen wanneer je zelf elders op vakantie bent is énig, belangrijk, deugddoend en dat kan je niet zo dikwijls beleven! Vakantiekaartjes van je vrienden in de wijde wereld in je brievenbus krijgen maakte de wereld kleiner en bracht de vrienden dichterbij. Of misschien kon je ook wel plezier beleven door van op je vakantiebestemming een zonnig kaartje te sturen naar iemand waarvan je zeker was dat die bijna nooit kaartjes kreeg. Als je vooraf zijn of haar adres noteerde, moest je op reis niet te hard meer nadenken en kon je je zeker niet verschuilen achter het feit dat je het adres niet bij de hand had. Zoiets heette: met voorbedachten rade werken.

 2257913-6b113fc30b381affe8f66fd717470527.jpg

Weet je ‘nog? Met een slaapzak om je rug kampvuurliedjes zingen onder de blote hemel vol sterren. Je wist zelfs waar de Grote Beer, Orion en de Jager aan het firmament logeerden. Wat was er gezelliger om, in een klein stationnetje, ’s morgens in de vroegte te vertrekken in één van de zeven wagentjes van een trein en samen naar de kampplaats te treinen op het ritme van de spoorstaven. Wat was er leutiger, romantischer, warmer en eindelozer dan rond een kampvuur – voor zover het nog toegelaten is natuurlijk – een meerdaags samen-leven samengevat te herbeleven door samen gek te doen en ondeugende liedjes te zingen, begeleid door zelfgemaakte instrumenten met schorre stemmen die een schuurpapierenboodschap meegaven? Intens gelukkig zijn met gewone dingen en met leeftijdsgenoten onder mekaar was en is nog altijd onbetaalbaar en blijft je leven lang meegaan. Zingen van Piet Paaltjes en zijn fiets of van Jan Brouwerszoon met zijn bobbel op zijn been bracht schwoeng en was zalig als Drie Japanezen met een contrabas voor de begeleiding zorgden totdat de zon helemaal in de zee was gezakt in alle mogelijke variaties, volgordes en met aangepaste bewegingen. En dan werd het stil en mocht je nog blijven staren in de fascinerende gloed van een smeulend vuur. Weten dat het morgen helaas weer voorbij zou zijn. Maar jong zijn was ook weten dat het allemaal nog wél eens kon gebeuren: je moest het alleen maar willen en zelf de gelegenheid scheppen.

Profiteer nog van de laatste dagen vakantie en… stuur eens een kaartje!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 20:58 Reageer op dit bericht Stuur door

TWEE TEENTJES

DE TWEE TEENTJES

 

Elk jaar op 20 juli word ik eraan herinnerd via radio, televisie, internet en alle andere media dat het in 2019 50 jaar geleden is dat goudgele Eddy Merckx voor de eerste keer de Tour de France won op de vooravond dat de eerste mens voet zette op de maan. Dan denk ik: is dat al zo lang geleden? Eddy Merckx is 50 jaar ouder geworden. Neil Armstrong verwisselde in 2012 zijn astronautenhelm voor een plaatsje in de eeuwige ruimte. Buzz Aldrin kampte na zijn terugkomst van de maanmissie met Apollo 11 met manische depressies. Vijftien jaar lang was hij alcoholist, maar zocht professionele hulp en genas, trouwde voor de derde keer en is ondertussen 89 jaar oud. In 2007 bekende hij dat hij een facelift had ondergaan. Michael Collins, die even oud is als Aldrin en niet op de maan landde maar rondjes bleef draaien, deed het heel wat rustiger, en vindt dat de Amerikanen het brood van hun kaas laten eten. Dat moet je tegen Donald Trump geen twee keer zeggen. Die beloofde prompt dat het beste, schoonste, veiligste en blufferigste land ter wereld tegen 2024 weer iemand op de maan zal zetten. Het eerste wat hij zou doen is er een muur bouwen tegen indringers en waarschijnlijk betaald door een van de andere wereldmogendheden… Maar dat tweette hij niet meteen.

 2256572-57df0d2bfc37db0b39339d83ab9480e1.jpg

Voor zover die twee feiten uit de wereldgeschiedenis. Voor het derde heb ik zelf gezorgd. Toevallig vielen al die gebeurtenissen samen. In de maand juli van het gele maanavontuur deed ik als jonge kandidaat-ingenieur een stage bij VEW, de Vereinigte Elektrizitätswerke Westfalen. Ik hielp bij de herstellingen aan het elektriciteitsnet in de lucht en in de grond. Tijdens de weekends zochten mijn maat en ik een beetje ontspanning na de noeste arbeid. In de namiddag van zondag 20 juli wilden we een frisse plons nemen in het zwembad aan het Rote Erde Stadion in Dortmund. Nu is dat de thuishaven van het tweede voetbalelftal van Borussia Dortmund, terwijl de eerste ploeg sinds 1974 in het funkelneue Westfalenstadion speelt. Het water was nat en verfriste en daarna wilden we nog een wandelingetje maken in het park. Het was heerlijk en op blote voeten kuierden we rond terwijl Eddy Merckx ondertussen zijn gele trui voor het eerst in Parijs op de Champs-Elysées over de meet reed. Op een wei in dat park in Dortmund trapte een tiener met zijn opa balletjes…

 

Ineens rolde de ‘verloren’ bal naar mij. Omdat vriendelijk zijn voor de mensen toen al hoog in mijn vaandel wapperde, trapte ik de bal terug. Het onding vloog vooruit, tegen een boom en kaatste terug… Omdat ik van mezelf wist dat je in dat geval anders tegen de bal moet trappen, probeerde ik met een effectbal deze keer een draai te geven met de buitenkant van mijn blote rechtervoet. Vermits het toeval op een uitermate klein plekje toeslaat voelde ik de pijn van de fausse queue onmiddellijk. In het Duits betekent dat ‘ein falscher Schwanz’. Dat wist ik toén nog niet. Een klein straaltje bloed liep tussen mijn twee kleinste teentjes naar mijn voetzool en verdween ogenblikkelijk in het malse gras. Ik pikkelde verder en dacht ongerust: ik denk dat er iets niet juist is… Ik zocht naar een bordje Rotes Kreuz en dat was vlakbij. Een lieve dame bekeek mijn voet, drukte hier en daar, deed er een verband rond en zei: “ik zal een Krankenwagen oproepen. Dat is werk voor de kliniek”. Ik voelde me stoer genoeg om zelf met mijn oude blauwe Opel Olympia 1957 naar het Krankenhaus te rijden. Hopelijk was het allemaal niet te erg.

 

Met mijn beperkte middelbare Duitse taallessen bereidde ik me voor op de aankomst bij de dokter. Ik wist bij god wel dat een teen ‘ein Zeh’ was, maar het meervoud kende ik helemaal niet. Ik kende wel zehn voor tien, dus was ik zeker dat het geen ‘Zehne’ was. Aan de kliniek werd ik ontvangen als een zwaar geblesseerde, op een brancard gelegd en regelrecht naar de RX gepiloteerd. Er werden foto’s genomen en dan was het spannend wachten. De dokter kwam de kamer binnen en zei: “zwei Zehe kaputt”. Meteen was het taalprobleem opgelost. Omdat zo’n kleine teentjes niet in het gips kunnen worden, werden ze zorgvuldig bij elkaar geïmmobiliseerd om te kunnen genezen. De boodschap daarna luidde: niet meer werken en de tenen afschermen. Daar zat ik dan: niksen op 250 km van thuis en mijn stage naar de maan.… Figuurlijk dan. Beteuterd droop ik af naar mijn logement en werd enigszins opgefleurd door de esbattementen van gele Eddy.

 2256572-3072d4aced5ac9aed707ac33740b314b.jpg

Het werd een lange avond en er stond nog een tweede item op het programma: de landing op de maan. Tussendoor kon ik plannen maken om de rest van mijn stage zinvol in te vullen. Om 20.17 u. drongen de schotelvormige uiteinden van de landingspoten in de maanbodem. Om 02.56 u. én op de Belgische nationale feestdag maakte Armstrong zijn eerste stap op de maan en deed zijn beroemde uitspraak. 456 miljoen mensen maakten het mee. Met een grote ‘oef’ en een knagende pijn zocht ik mijn matras op.

’s Anderendaags tapete ik mijn voet en tenen goed in en schoof ze voorzichtig in mijn hoge werkschoenen met stalen veiligheidstip. Met mijn gedachten bij de exploten van Eddy Merckx en die mannen op de maan heb ik daarna mijn stage gewoon afgewerkt… Een mens moet af en toe hard zijn voor zichzelf!

 

50 jaar later voel ik nog altijd de gevolgen van die domme sportieve breuk. Elk jaar heb ik twee maanden last van een eksteroog tussen die twee kleinste teentjes. Die staan niet helemaal zoals ze zouden moeten functioneren en door de ontstane druk ontwikkelt zich telkens een kanjer van een likdoorn. Alle methodes heb ik al geprobeerd. Wegsnijden, laten wegbranden, inpakken met stukjes groene preiblad, bevriezen of een zorgzame pedicure zorgen er ieder jaar voor dat ik steeksgewijs moet terugdenken aan Merckx, aan de eerste maangangers en aan de mistrap in Dortmund. Allemaal op diezelfde dag in 1969.

Ondertussen is mijn Duits wel beter geworden. Nog een geluk!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 18:25 Reageer op dit bericht Stuur door

HET LIED VAN DE BRAVE ZOON

HET LIED VAN DE BRAVE ZOON

 

Op 21 juli is het nationale feestdag. Voor de meeste Belgen is het alleen nog maar een extra dagje vrij waarbij de meesten niet weten wat er gevierd wordt. Als lid van een volk van feestvierende Bourgondiërs feesten we praktisch elke dag, behalve juist dan. Meestal vieren de dappersten aller Galliërs hun feestdag op stille wijze. Voor de onwetenden of voor diegenen die het absoluut willen weten: op 21 juli vieren we de eedaflegging van onze eerste koning Leopold I in 1831. Nu hebben we nog een koning, maar zonder kroon en met een paleis zonder troon: echt niets om fier over te zijn! Wie ons nationaal volkslied uit volle borst ooit heeft meegezongen, behoort tot een zeldzaam Belgisch ras. O, ja, de meesten kennen nog wel “o, dierbaar België”, maar dan schakelen ze meteen naar een spottekst over een ezel die fameuze moeilijkheden heeft met zijn stoelgang. Hoewel de Rode Duivels daar voor enige verandering hebben gezorgd. Toen ik een tiental jaar geleden uitgenodigd werd op een etentje van een vaderlandslievende vereniging, schrok ik me bijna een tricolore hoedje toen de voorzitter “leve de Koning, vive le Roi!” riep en meteen alle aanwezigen moreel verplichtte om de nationale hymne mee te zingen. Dàt heb ik daarna niet meer beleefd…

 2254134-41379197cdd2b58aeaf6e9e2e5c88dbc.jpg

De Rode Duivels, het Atomium en Sabena met de veertien oranje bolletjes en het koningshuis zijn bijna nog de enige echte Belgische symbolen. Helaas, de vaderlandse symboliek – compleet met leeuw en klauwen - lijdt aan sclerose. De Rode Duivels hebben zelfs een Spanjaard nodig om niet alleen met de mond maar ook met de voeten te scoren. Sabena trekt in de toekomst samen met Lufthansa-Duitsers op pad en het koningshuis mag enkel van stal voor onschuldige bezoekjes en voor vaderlandse ‘hoogdagen’ zoals 21 juli en het koningsfeest op 15 november. Ook dat weet ondertussen geen kat meer, laat staan een leeuw. De enige Belgische vlag die ik nog in huis heb, ligt grijpensklaar maar die dient enkel als de Rode Duivels of Nafi Thiam eremetaal verzamelen of als één van onze tennissers wereldschokkende back-hands produceert. Denk zelf maar eens na waar je nog ergens een driekleur hebt verborgen; haal ze maar boven en schraap je keel voor de Brabançonne en zijn verleden.

 

Horum fortissimi sunt Belgae (van hen zijn de Belgen de dappersten). Dat zei Julius Caesar 2.000 jaar geleden voor het eerst in zijn werk over de Gallische oorlog. Toen was er van een volkslied nog geen sprake. In 1830 kwamen de Belgen in opstand tegen Willem van Oranje. Een groepje studenten verzamelde zich na de gevechten in café “L’ Aigle d’Or” in de Brusselse Greepstraat (rue de la Fourche). Louis-Alexandre Dechet (Jenneval), een acteur van de Munt, zong daar voor het eerst zijn revolutionaire tekst na de ‘Stomme van Portici’, wel geprepareerd door een overvloed aan bier en gejend door de aanwezigen. Jenneval nam later dienst in het leger van de revolutionairen en sneuvelde op 18 oktober 1830 in gevechten bij Lier. In de loop van zijn leven paste hij, onder druk van de politieke evolutie, zijn tekst aan en maakte zo drie versies. Daaróm weten wij nu niet meer welke versie we moeten zingen!

Later werd er een Nederlandstalige en Duitstalige versie geschreven. Eerst in 1938 werd de Nederlandstalige officieel goedgekeurd. Een rondschrijven van de minister van Binnenlandse Zaken in 1926 vertelde dat enkel de vierde strofe als de officiële versie zou worden beschouwd. Nu is de tekst van de eerste strofe ons volkslied. Dat betekent dus vooruitgang maar omgekeerd.

 

Over het Brusselse Surlet de Chokierplein (genoemd naar de baron die als voorlopig regent in 1831 het eerste Belgische staatshoofd werd) staat een standbeeld van een vrouw, met Belgische vlag. Ze ‘verzinnebeeldt’ de provincie Brabant. Op haar sokkel vind je in de drie officiële landstalen de eerste drie alinea’s van de Brabançonne terug. Van één ding zijn we zeker: de Brabançonne haalt vaker het nieuws dan dat hij in Vlaanderen gezongen wordt. Ook het huwelijk tussen nationale hymne en rode duivels is broos, stormachtig, wisselvallig, maar er zit verbetering in. Alle ogen zijn gefocust op welke duivels - deels – volledig – in welke taal - meezingen of opgelegd wouwelen. Maar de zangers zin in de meerderheid. Toen de nationale voetbalploeg op 6 september 2008 tegen Estland aantrad, werd voor het eerste een tragere versie van de Brave Zoon gespeeld. Nationale trots wijlen Toots Thielemans bewerkte hem en begeleidde op de mondharmonica. Maar pers en publiek kregen er een wrange nasmaak van en daarom besloot Toots een snellere versie te spelen. Toen kon niemand nog meezingen. Ook deze versie kon niet door de spreekwoordelijke beugel en nu kiest men nog enkel voor de traditionele uitvoering met véél meer emotie!

2254134-8075d2fb8e075bba20e389a3eb706117.jpg 

De Belgische vlag telt drie verticale strepen in zwart, geel en rood. Ze verwijzen naar het wapenschild van het vroegere hertogdom Brabant: een leeuw van goud (geel), op achtergrond van sabel (zwart), geklauwd en getongd van keel (rood). Maar de leeuw staat nog enkel op het wapenschild. En nooit meer vergeten: zwart aan de stok, geel ernaast en rood als laatste! Dan mag je nu als goede Belg perfect zwaaien en onze nationale leus scanderen: “Eendracht maakt macht”. Dat dachten we vroeger. Nu denkt men dikwijls anders. Behalve voor het koningshuis en een hele sliert hovaardigheidsbekleders, is de nationale feestdag – met défilé, straaljagers, helikopters en bereden zwaantjes – in principe een vrije dag. De klassieke TD’s (Te Deums en niet Thé Dansants…) waren een relikwie waaraan sommigen zich graag vasthielden en dat zal zo nog wel een tijdje blijven. De ‘gestelde lichamen’ betuigen dan hun trouw aan de koning. Ze doen mij altijd denken aan Gunther von Hagens en zijn minutieus uit elkaar gehaalde lijken van Körperwelten. Het gaat niet om een ‘lijf’, maar wel over ‘mensen die bij wet zijn aangesteld’.
Van één ding zijn we zeker: op 21 juli hebben 11.431.406 inwoners van België een vrije dag.  Van koning Filip verwachten we zeker een toespraak. Het is nu eenmaal zijn feestje…

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 20:03 Reageer op dit bericht Stuur door

PETANQUE OF TOCH LIEVER JEU DE BOULES?

PETANQUE OF TOCH LIEVER JEU DE BOULES?

 

Wie sport zegt, denkt aan gespierde lijven, harde wedstrijden, slopende competities, bekers met grote oren en eeuwigdurend blinkende medailles. Maar die zijn meestal voor jongeren. Het aantal petanqueterreinen neemt elk jaar toe, samen met het aantal enthousiastelingen van de glimmende of kunststofballen. In het kader van de emancipatie is het zelfs een vrouwensport geworden. En zeg eens eerlijk: wat is er héérlijker dan op een terrein – echt of geïmproviseerd - en met een aantal vrienden en lotgenoten louter voor de fun, op zeer onregelmatige basis en met alleen een pintje als inzet, een balletje te gooien? Nog beter wordt het als je zelf wegdroomt naar een idyllisch pleintje in de Provence met een lommerrijke plataan, een frisse pastis op het tafeltje naast een rustieke bank en het getik van de metalen ballen op de baan. Dat is pas een voorbode van de vakantie waarvan je zelfs thuis van kunt genieten: alleen al het gedacht!

 2251784-88c74b351aa32f07201c3a6e71161919.jpg

In het grafmonument van een Egyptisch mummiekind werden ooit zowel ballen als een mikballetje gevonden. Grieken en Romeinen waren naar het schijnt verwoede petanquespelers. Het spel kwam bij ons opnieuw te voorschijn in de 13de eeuw. In Engeland en Vlaanderen werd het razend populair zodat Karel V het onder zijn soldaten probeerde te verbieden. Al vlug zag hij het dwaze en nutteloze van zijn beslissing in. Het huidige petanquespel ontstond in het begin van vorige eeuw. Jules Le Noir woonde in het Zuidfranse dorp La Ciotat en leed aan reuma. Omdat hij door zijn ziekte niet meer bij zijn vrienden kon zijn bij het ‘jeu de boules’, bedacht hij een nieuwe variant: het gooien vanuit een vaste vertrekplaats met de voeten bij elkaar. Hij demonstreerde de idee vanuit zijn stoel en noemde die variant ‘pieds-tanques’ (met de voeten samen). Sindsdien zijn de regels niet meer veranderd. De spelers wel.

 

Romeinen en Grieken speelden vroeger stoer en onverzettelijk met metalen kanonskogels. Bij ons werd eerst met houten ballen gespeeld. In 1911 werden de eerste metalen boules gedraaid. Daarvoor zorgde Jean Blanc die zelf een legendarische petanquespeler was. In het Zuiden van Frankrijk is jeu de boules tot op heden de derde sport. Eigenlijk is ‘jeu de boules’ de officiële naam, maar het is ook een verzamelnaam voor een aantal verwante sporten, waarvan petanque de belangrijkste variant is.

 

Petanquen (ik petanque, ik petanquete, wij hebben gepetanquet) was bij ons vroeger weinig gekend. Misschien had het eerst weinig succes omdat het Frans was, ofwel dachten we te veel dat het gereserveerd was voor ‘senioren’. Petanque is in elk geval ideaal voor recreatieve beoefening, juist omdat het niét aan leeftijd gebonden is. Denk maar even aan de plage of op de campings waar jong en oud hun kunsten kunnen laten zien. Je kunt het op veel verschillende terreinen spelen en het materiaal is helemaal niet duur in aanschaf. Maar het kan ook een serieuze wedstrijdsport worden, waarbij vaardigheid, tactiek, concentratie en teamgeest centraal staan. Omdat zo’n partij soms lang duurt, speelt ook de lichamelijke conditie een belangrijke rol. Regelmatig een slokje al dan niet alcoholische drank kan daarbij helpen.

 

 

De spelregels zijn poepsimpel. Discussies achteraf zijn hevig, van lange duur en opzwepend. Het rode butje of cochonnet (varkentje) wordt tussen de 6 en 10 meter weggeworpen. De metalen ballen moet je zo dicht mogelijk bij dat klein houten balletje (de but) werpen of rollen. Wie het dichtst ligt, wint een punt, ook al komt het soms op één millimeter aan. Wie het eerst 13 punten haalt, is de winnaar. Hoe je gooit – gekunsteld of onhandig, geborsteld of bruutweg – is niet belangrijk en alles mag, zolang je maar met je twee benen achter de lijn blijft staan met pieds-tanques! Het puntensysteem, de juiste spelregels en de spelsfeer kan je best leren en opsnuiven door zelf mee te doen met ‘vakspecialisten’ want zo leer je vlugger. Heel vlug zal je ervaren dat jeu de boules een ideale kans is om vrienden te ontmoeten en samen bezig te zijn. Een Olympische sport is het tot nu toe nog niet, maar wat niet is, kan nog komen.

Het ergste wat je kunt meemaken is verliezen met 0-13, want dan moet je de billen van Fanny kussen! Fanny was in WO I serveerster in een café in het noorden van Frankrijk. Zij liet zich uit compassie omhelzen door verliezers die geen enkel punt behaalden. Deze omhelzing was een schrale troost maar tegelijk een schadevergoeding die kon tellen! Op een dag kwam de burgemeester bij Fanny om te worden getroost. Ze klom op een stoel, trok haar rokken omhoog en hield hem haar andere wangen voor… De burgemeester was meer gewoon, gaf geen krimp en deelde haar zonder blikken of blozen twee dikke klapzoenen uit. Zo werd Fanny een idool uit de Franse historie.De meeste voldoening proeft men wanneer dit het geval is bij een geoefende en in hoog aanzien staande speler.  'Il a fait Fanny' wordt er dan geroepen. Als het spel gespeeld wordt in een plaatselijk café of in een al wat oudere boulesclub, rinkelt op dat moment ergens een bel. In eerste instantie denk je dan dat de verliezer aan een tournée generale toe is. Maar wie schetst je verbazing wanneer één van de spelers naar een schilderij of plaquette wijst waarop een wulpse dame is afgebeeld die twee gave bolle billen toont. Zo was dat het begin van een lange traditie. Sindsdien, omdat de spelers niet altijd een lieve Fanny bij de hand, of liever gezegd aan de lippen hebben, bezitten veel verenigingen een namaak-Fanny die ze op een ereplaatsje hebben staan en waar de winnaars hun slachtoffers mee naar toe nemen. Ze verplichten de onfortuinlijken dan om met een kniebuiging een kus te geven op de billen van Fanny. Ondertussen wordt hij dan wel omringd door de overwinnaars. Zo wordt de nederlaag toch nog een beetje zoeter en zachter.

2251784-aa12fb929af4d4262a87dd4827744479.jpg

Meestal wordt daarna een glaasje gedronken, omdat de gehele ambiance daar nu eenmaal om vraagt en daarna wordt er heel wat afgelachen. Het mag toch ook plezant zijn!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 21:09 Reageer op dit bericht Stuur door

LEVE DE BARBECUE ... EN SINT-LAURENTIUS

LEVE DE BARBECUE ... EN SINT-LAURENTIUS

Gisterenavond hebben we het heilige vuur nog eens laten branden en we hebben de bovenliggende producten ervan kunnen bewonderen, koesteren en smaken. Mooi weer, vakantie, terrasjes en lekkere warme hapjes op het witkolkende houtskoolvuur: allemaal dingen die laten dromen van twee maanden zomerse zomer. De weerkwaliteit van de vakantie is meestal rechtevenredig met het aantal barbecues dat we in juli-augustus kunnen meemaken en bij nazicht in mijn agenda duidt die barbecueteller tot nu toe heel weinig aan. De barbecueschort, de inox tangen en grijpijzers, de sluitbare grillroosters, de kruiden en niet te vergeten het kleine waterspuitbusje voor de veiligheid hebben zich niet al te veel moeten inspannen. Met nog enkele dagen voor de boeg kunnen we officieel zeggen: we hopen dat we het beste van de zomer nu gaat komen. Misschien mogen we zelfs stiekem van een nazomertje dromen…

 

In de derde eeuw na Christus erkenden de Romeinen het christelijk geloof nog niet. Keizer Valerianus vaardigde een bul uit waarop stond te lezen: ‘de geestelijken die geen afstand willen doen van hun overtuiging, zullen onthoofd worden’. Aartsbisschop Laurentius van Rome en vertrouwensman van paus Sixtus V ontsnapte niet aan deze fameuze heksenjacht. Hij werd opgepakt en berecht in de tempel van Antonius en Faustina op het beroemde Forum Romanum. Hij stierf de vuurdood en bovendien werd hij op 9 augustus 258 nog eens onthoofd: opgeruimd staat netjes en verhoogt de zekerheid.  Dat hoofd bevindt zich nu nog in de San Lorenzokerk in Florence. In de witte patersabdij van Averbode hangt een schilderij met daarop Sint Laurentius, zowaar de beschermheilige van de barbecue. Hij staat daar afgeborsteld naast een wulpse engel met een braadrooster in zijn mollige polletjes. Laurentius werd boven het vuur gemarteld omwille van zijn geloof. Volgens de overlevering riep hij halverwege het proces: ’draai me maar eens om, dan ben ik aan de andere kant ook mooi gegrild!’. En sindsdien is hij officieel de patroonheilige van alle barbecues.

2249177-6cfc93bc0a36adc552e0ea1d74a1c72b.jpg

Een barbecue (afgekort BBQ) dient om vlees en andere voedingsproducten te roosteren. Wij noemen het ‘barbecuen’ maar Zuid-Afrikanen spreken van ‘braaien’ of ‘de braai’, wat duidelijk aan ‘braden’ doet denken en bovendien Nederlandser klinkt. Andere culinaire specialisten spreken dan weer van ‘barbeknoeien’, omdat sommigen er niet in slagen om zwartgeblakerde vleeslapjes, visjes of worstjes op hun roosters te vermijden. Barbecuen is feitelijk een sociaal gebeuren geworden. Dikwijls nodigt men gasten uit. De combinatie van buiten eten, zomers weer en bewegingsvrijheid bij dat eten zorgt ervoor dat met een héérlijk glaasje wijn of met een pintje bier de tongen loskomen en straffe verhalen opborrelen of vertrouwelijke gesprekken stilletjes het leven zien.

 

Bij de oudste vleesbereiding liet men vlees boven een open vuur roosteren om het langer houdbaar te maken. Hoe barbecuen echt ontstond is even moeilijk uit te leggen als proberen een stuk vlees te identificeren na het té vergevorderde grillen door een beginneling. De Fransen zeggen dat bij hen de barbecue geboren werd door het proces van ‘barbe-a-quene’, wat betekent van de baard tot de staart. Zij overgoten hun gebraden vlees overdadig met een buitensporige saus. Soms verbindt men ‘boekanier’ met ‘barbecuer’. Boucaniers (Fr) waren eilandbewoners van Hispaniola en Tortuga die op wilde runderen en zwijnen jaagden. Ze bereidden het vlees op een frame wat in het Frans een ‘boucan’ is, een rooster en vandaar… Later maakten ze het nog ruiger door het te verbinden met de ‘boekaniers’ die regelrechte zeerovers waren. Anderen zeggen dat de Caribbean Arawak Indianen het barbecuen leerden aan Spaanse zeelui. Zij plaatsten vlees aan houten pennen boven een kampvuur en noemden het Barbacoa, wat ook de naam van die houten pennen was. Maar de échte verklaring is toegeschreven aan Peter Guanikeyu Torres van de Taino Indianen die spraken van de Ba van baba (vader), Ra van Yara (plaats), Bi van Bibi (begin) en Cu van Guacu (het heilige vuur) ofwel ‘vader van het begin van het heilige vuur’. Barabicoa werd dan ’de stookplaats die op vier poten staat met veel houten stokken boven de plaats waarop het vlees wordt bereid, kortweg ‘de heilige vuurplaats’. Van daar komt misschien ook de misvatting dat barbecuen rituele vleesverbranding is.

 

De grotschilderingen van Lascaux (15.000 jaar geleden) werden gemaakt met als penseel de afgekloven botten van een bijzonder geslaagde barbecue en als pigment de houtskool en het vet van net opgegeten runderen en herten. De tekeningen gaven bovendien een duidelijk beeld van welke dieren destijds geschikt waren voor de barbecue. In de Ilias (boek 9) besloot Homeros om 12.000 jaar v.C. met zijn goede vrienden Odysseus en Ajax een barbecue te houden op het strand van Troje. Achilles voelde zich de volgende dag zo lekker dat hij de Trojaanse held en helmboswuivende Hector aan stukken hakte, het lijk achter zijn karretje bond en er een paar rondjes mee rond de stad toerde. In 64 n.C. demonstreerde keizer Nero in het oude Rome wat een overdaad aan spiritus of alcohol bij het aanmaken van de barbecue vermocht waarbij ongeveer 2/3 van de stad opstookte. En in de 13de eeuw n.C. roosterde de Spaanse Inquisitie mensen met een andere geloofsovertuiging in plaats van een lekkere barbecue in te richten in een achtertuin met een glaasje Rioja. Die laat zich door zijn uitgesproken, volle en lichtzoete smaak met fruitige afdronk lekker wegdrinken bij de moderne barbecue.

2249177-623f3b3380cae5e3d9f0fcdf385c37b5.jpg

Terwijl er vroeger heuse scoutstechnieken om de hoek kwamen kijken om een barbecue aan te maken, gebruikt men tegenwoordig al dan niet milieuvriendelijke witte of bruine aanmaakblokjes. Sommigen proberen zelfs – misschien om keizer Nero eer aan te doen – om met spiritus of brandgel de houtskool aan te steken met een bezoek aan de spoedopname als onvoorzien gevolg. Door een gasbarbecue te gebruiken primeert de braadsnelheid boven de klassieke romantiek en de elektrische barbecue is binnen enkele minuten opgewarmd. Het is wel de gemakkelijkste roosterwijze om geen verkoolde stukken te moeten serveren. En… dan is bij dat model van barbecue – na het eten – ook even snel afgekoeld als de teleurgang van het hoogfeest van de warme hemelse romantiek. Probeer maar te genieten: je hebt nog een hele vakantie om het braaivuur aan te steken!

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 16:18 Reageer op dit bericht Stuur door

DE HELD VAN DE VAKANTIE

DE HELD VAN DE VAKANTIE

 

Er was eens een klein jongetje dat al zo oud was dat hij heel intens van zijn eerste vier maanden peuterschool had genoten. Maar toen de vakantie - de eerste echte grote schoolvakantie uit zijn leven - al een beetje dichterbij kwam, was hij een beetje bedroefd. Alle dagen vertrok hij bijna fluitend naar ‘zijn school’. Fluitend was een beetje overdreven, want eigenlijk was dat een kunst uit de grote mensentaal die hij op dat moment nog niet onder de knie had, maar die wel aangeeft hoe graag hij elke morgen met de auto of met de fiets naar school trok om er zich enthousiast op de groene beertjes die op de speelplaats geschilderd waren present te melden. Hij was duidelijk klaar voor het grote klaswerk. Het schoolleven was mooi, zijn klasje was leuk en op de speelplaats leerde hij vele nieuwe vriendjes kennen. Hij leerde er schilderen met zijn kleine vingertjes, iets wat hij thuis nog nooit gedaan en gemogen had. Hij vertelde uitgebreid over zijn eerste turnlessen met een echte turnjuf waarbij ze mochten lopen, leren springen als kikkers en rollebollen over de vloer van de turnzaal. Maar op een dag vertelde hij dat er een vriendje jarig was en dat die een kroon had gekregen van meester Jan. Volgens zijn directe en betrouwbare informatie kon die alles, wist alles en kon heel goed vertellen en liedjes zingen. En hij vroeg aan mama, aan opa en oma en aan zijn tantes en nonkels wanneer het zijn beurt zou zijn om te verjaren. Zijn opa die eerder een realist dan een dromer was, vertelde hem dat hij spijtig genoeg op 31 augustus jarig was en dat die datum qua verjaren niet zo ideaal was met het oog op kronen en verjaardagsfeestjes in de school. Toen was hij een beetje bedroefd. Jarig zijn, juist één dag voor de school opnieuw begint na een lange grote vakantie, is immers zowat de slechtste dag die je trouwens niet mag kiezen om jarig te zijn. Dan is het eerder uitkijken naar nieuwe vrienden in de volgende kleuterklas dan naar feesten met de vriendjes uit de kleinere jaren. Kleuters zijn trouwens tóch groter dan peuters…

 2247470-46025d91f1d139da71714c885513f73d.JPG

Toen hij thuis kwam bij zijn mama, bevestigde die meteen de tegenvaller die opa hem ‘geboodschapt’ had. Ze vertelde er dadelijk bij dat ze dan thuis wel iets extra's zouden doen. Hij vertelde aan iedereen dat hij géén kroon zou krijgen van meester Jan, dat hij géén feestje zou krijgen in de klas en het ergste was nog dat hij dan ook niet ‘op de stoel van meester Jan’ zou mogen plaatsnemen voor het feest dat hij nooit zou krijgen. Het was een eremoment dat hem leek te ontsnappen. Op die stoel van meester Jan mogen zitten, was in zijn binnenste zowat het hoogst mogelijk bereikbare in zijn peutercarrière. Maar kleine hummeltjes vergeten gauw, zeker als er zich nog belangrijke gebeurtenissen in hun eerste schooljaar aankondigen. Zo'n gebeurtenis was de jaarlijkse schoolreis: met een echte autobus naar een grote speeltuin en met alle 150 kleutertjes van de hele school. De bestemming was leuk. Reizen met een autobus zoals de grote mensen doen was ook heel plezant en wat ze meemaakten was zo vermoeiend dat hij van contentement op de terugweg voldaan in slaap viel op de bus. Hij werd eerst wakker toen die weer aan de school stopte…

 

Een paar dagen later presenteerde hij een brief van meester Jan aan zijn mama. Daarop stond te lezen dat alle vriendjes uit de eerste klas, die in de grote vakantie jarig waren, de woensdag daarop vijf curryworsten mochten meebrengen. Die dag zou het ‘frietjesdag’ zijn en op die manier zou iedereen mogen meegenieten van het ‘geschenk’ van de vakantieverjaarders. Fier als een gieter vertrok hij die morgen met zijn tractatietrofee naar school voor het aangekondigde feest. Toen zijn opa hem die middag afhaalde in de peutergang van meester Jan, kwam het kleine jongetje heel triomfantelijk door de klasdeur. Hij was opgetoeterd met een rood-blauw-paarse verjaardagshoed met gekartelde bochtige bovenstukken die hem op slag 30 cm groter maakten. Hij schreed plechtstatig over de speelplaats, zoals alleen koningen en andere gekroonden dat plachten te doen. En hij verklaarde meteen met een smile die bijna zo breed werd als de hele speelplaats dat hij ‘op de stoel van meester Jan’ had mogen zitten. Dat ‘monument van de peuterklas’ had zich wel degelijk gerealiseerd dat hij een drukke halve dag zou beleven, want niet minder dan 7 kronen, 7 troonsbestijgingen, evenveel toejuichingen en 35 curryworsten zouden zijn deel zijn. Toen opa aan dat kleine jongetje vroeg of hij ook frietjes had gegeten, antwoordde hij ‘ja, maar niet veel!’. De kronen en uitgebreide eerbetuigingen hadden het gehaald op de curryworsten en frietjes en dat geeft wél aan hoe tevreden dat kleine jongetje wel was met de onverwachte gebeurtenissen. Curryworsten en frietjes bakken zijn niet zo goed voor het klimaat en misschien niet zo gezond, maar daar heb je op die leeftijd nog helemaal geen last van.

 2247470-e8c82e56ffa5cc7d325d8c6fa1828e3e.jpg

Daarom wil ik nog juist voor de grote vakantie een eresaluut brengen aan al die grote mensen die voor al die kleine mensjes een heel jaar dag voor dag hun best doen om hen een aangename schooltijd te bezorgen. Ze bezorgen hen zoveel keren een ‘kers op de taart’ waar die kleine wereldveroveraars jaren later nog aan zullen terugdenken. Met alle dingen die zij uit hun grote hoed toveren scoren zij wonderwel, maar in die termen rekenen zij niet.

Voor iedereen die nu vakantie heeft, wensen we een deugddoende vakantie, een stralende zon, leuke mensen onderweg, lekkere frietjes met een curryworst, heerlijke fietstochten of wandelingen en denk eraan: af en toe eens iemand op een verhoogje zetten, doet haar of hem op slag groeien. Zo word je vanzelf groter. We hopen dat je er evenveel deugd aan beleeft zoals dat kleine jongetje aan zijn onverwacht feest.

Prettige vakantie!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:41 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Schuinschrijfsels

↑ Terug naar de berichten