Naar de inhoud

Schuinschrijfsels

inktlekken uit mijn pen
akke.beakke.be

Archief

ZINGEN ONDER DE DOUCHE

ZINGEN ONDER DE DOUCHE

 

In een tijd waarin de energie erg duur wordt en waarin iedereen zijn steentje moet bijdragen tot verbetering en verkoeling van onze planeet, viel mijn oog op een Australisch onderzoek. Tegenvoeters die onder de douche stiekem hun stembanden oefenen, moeten op zoek naar een nieuwe repetitieruimte. De plaatselijke Engie van de Aussies vraagt iedereen om niet meer te zingen tijdens het douchen want zo zou je water én elektriciteit kunnen besparen. Volgens enkele energie-experts wordt het douchen met maar liefst 9,08 minuten verlengd als er een muzikaal intermezzo aan te pas komt. Wie het toch niet kan laten om zijn zangtalent in het stortbad bij te schaven, wordt gevraagd iets kortere liedjes te zingen. "Bohemian Rhapsody" van Queen dreigt dus uit het badkamerrepertoire te verdwijnen. Maar zeg nu zelf: wat is er héérlijker dan stiekem solo te zingen onder de douche?

 2218933-ae4e5ae778e67fba6a39d9df1f261665.jpg 

Zingen onder de douche kan dan wel schadelijk zijn voor je huisgenoten, voor je gezondheid doet het wonderen. De extra lucht en zuurstof, die nodig is tijdens het openzetten van je keel, is heel goed voor je bloedsomloop en helpt je tegen stress. Zelfs de zuurstofsaturatie in je bloed stijgt dan. Door het galmen van de badkamertegeltjes klinkt de slechtste stem daar nog een beetje ‘nachtegaals’. Wat je zingt, is sterk afhankelijk van je stemming: vrolijke momenten vragen Will Tura, Frans Bauer of Marco Borsato en de oude of de nieuwe André Hazes doet het goed bij eenzame of verliefde buien. Je kunt het niet wegmoffelen: 1 op 5 Belgen zingt onder de douche! Douchekwelers zijn meestal gelukkige en vrolijke mensen. Zodra anderen mee kunnen luisteren, vallen we meestal stil en schamen we ons. Als je gewoon spreekt, klinkt je stem rustig en beheerst, maar als je zingt, werkt de keel zoals bij lachen, roepen of huilen. Al zingend wordt je boodschap emotioneler en laat je even het masker vallen. Een slaapliedje voor de (klein)kinderen lukt nog juist en na een stevige borrel verlaagt ook de drempelhoogte om solo te zingen. Zelfs onze koning op rust en zonder DNA-neigingen verklapte een aantal jaren geleden in zijn kerstboodschap dat hij niet zingt onder douche, maar heel bescheiden ‘neuriet’. Het lievelingsdeuntje van onze ex-vorst is ‘Ik hou van u, je t’aime tu sais’, het melige maar walsende gelegenheidsliedje van Stijn Meuris ter ere van 175 jaar België.

 

Een van de belangrijkste bezigheden van de mobiele Belg is het rusteloos aanschuiven in een onaangekondigde, onverwachte en zenuwvretende autofile. Op gevaar af om licht neurotisch te worden, is het een testcase voor je zenuwen en zoek je onmiddellijk naar ‘vervangingsactiviteiten’. Het favoriete tijdverdrijf in de file is muziek luisteren of bellen en sms’en, al kosten die twee laatste soms 110 euro en voor de politierechtbank meestal meer. Ook meezingen, eten, neuspeuteren en flirten zijn populair, maar enkel toelaatbaar en merkbaar binnen zekere grenzen. Ben jij ook iemand die gezellig in de file staat, uw medeautomobilisten vriendelijk groet en op volle kracht meezingt met de laatste hits? In dat geval staat je misschien ook een succesvolle zangcarrière bij the Voice te wachten en kun je voluit genieten van je solo-momenten. Soms trommel ik met mijn vingers op het stuur in de maat van de muziek op de radio en als ik de tekst ken, zing ik luidkeels mee. Want niemand kan me horen. Heerlijk! Maar onzichtbaar ben je niet in dat geval. Als je stapvoets vordert in die trein der traagheid en je kijkt eens ongecontroleerd opzij, dan ervaar je soms de kruisende blikken van een dame of heer die net als jij misschien op dezelfde zender heeft afgestemd. Dat zorgt voor een communicatief kickmoment. En dan kun je moeilijk een lachkriebel onderdrukken, misschien toch je duim opsteken en verder je verloren tijd nuttig gebruiken….

2218933-ded07fbcf78cb0a7e78c58ecfad995ad.jpg


Zingen werkt bevrijdend. Het maakt emoties los. Zingen geeft je nieuwe energie. Samen zingen betekent er nog een schepje van alle goede dingen bovenop doen. En dan denk ik eerst aan de uitstapjes met heel het gezin of met vrienden, waarbij iemand een liedje inzette en de rest één voor één volgde. Meteen werd een zijruitje opengedraaid en verspreidde de weldoende gelukzaligheid zich voor alle mensen van goede wil. Een gelijkaardig gevoel kun je hebben wanneer je met een hele ploeg aan de afwas gaat en de kampvuurliedjes van vroeger laat opborrelen uit het diepste van je heimwee. Het samenhorigheidsgevoel laat zich weer kennen en bijna vergeten liedjes verliezen hun stoflaag waaronder ze al jaren verborgen zaten. Het is bijna hetzelfde gevoel als bij het ‘patattenjassen’ in de jeugdbeweging of bij het leger, al werd er bij het leger lang niet zoveel gezongen. Hoewel ik dan onmiddellijk moet corrigeren en terugdenken aan de ‘Bridge over the River Kwai’ waar het samen-gevaren-trotseren ook muzikaal en fluitkundig de wereld werd ingestuurd. Trouwens, wijlen Willem De Meyer (wie kent hem nog?) trok destijds via de opleidingscentra van het Belgisch leger om de kersverse miliciens te leren samen zingen. En tegen alle verwachtingen in, lukte ook dàt omdat samenzingen wonderen doet!

 

Elk jaar komen er meer samenzangavonden zoals ‘Antwerpen zingt’ en ‘Aartselaar zingt’ en na de gemeentes met de letter A komen er jaar na jaar nieuwe min of meer massa-zangstondes bij. Merkwaardig genoeg dagen hiervoor niet alleen ouderen op, maar ook jongeren worden aangetrokken door de onbevangen liedjes die op dergelijke manifestaties gekweeld worden. Schaamtegevoel verdwijnt meteen door de schwoeng van het moment en de druppel van tevoren en als je je onbekende buur ziet (en hoort) meezingen dan gooi je alle remmen los en beleef je een heel apart gevoel vanbinnen. Dan zing je mee uit volle borst: ‘Ik wil deze nacht in de stroaten verdwoalen’ of ‘Kom van dat dak af’, al moet je met dergelijke liedjes oppassen als je nog maar net ‘Aux Champs Elysées’ of ‘de torenspits van Bommel’ hebt gezongen.

Zo zie je maar dat solozang of samen zingen een troost, een manier om je af te reageren, een manier om te ontspannen, een manier om op een originele manier iets te zeggen, een manier om tot rust te komen kan zijn… en nog veel meer!

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:52 Reageer op dit bericht Stuur door

BIJNAMEN ZIJN EEN VORM VAN BEWONDERING

BIJNAMEN ZIJN EEN VORM VAN BEWONDERING 

Als ik nu terugdenk aan de tijd dat ik op de schoolbanken zat, besef ik ineens dat ik ooit heel wat leraars heb gekend die stuk voor stuk een bijnaam hadden. Die paste hen vaak als gegoten zoals een beeld van madame Tussaud. Het waren bijnamen die plastischer aantoonden dat iemand méér was dan zijn/haar eigen naam en bovendien niet alleen de fysische kenmerken beschreef maar ook de menselijke kwaliteiten visueel naar boven haalde. Helaas moet ik toegeven dat de meeste van die beroemde namen bijna allemaal het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld hebben. Ze zijn voorbij. De tijd dat de meeste leerkrachten een bijnaam hadden is blijkbaar even onherroepelijk passé. In Van Dale staat voor ‘bijnaam’: naam die voor de eigenlijke of doopnaam in de plaats gegeven wordt, op grond van een kenmerkende eigenschap, veelal als spotnaam. Toen was het onderwijs nog niet gemengd. Vandaar dat ik weinig vrouwelijke bijnamen ken.

In het Woordenboek der Nederlandse Taal vond ik dat de oudste verwijzing naar het woord ‘bijnaam’ tot 1260 teruggaat. Toen heette dat een ‘biname’.

 

Waar zijn ze nog niet verdwenen? Binnen jeugdbewegingen, sportclubs én scholen zwerven soms nog wél bijnamen rond. Dikwijls is de aanwezigheid van dezelfde voornamen of familienamen de aanleiding om aliassen te creëren die de realiteit geen geweld aandoen. In de Chiro kende ik zo de Pippe, de Pirre, den Tand, Pietje de Dood, den Tippex, de Foemp, den Bakker en  niet te vergeten de Rosse Swa. Sommigen onder hen hebben hun Chirobijnaam een leven lang meegedragen en de straffe verhalen uit die tijd draaglijker en smeuïger gemaakt om ze iedere keer opnieuw te vertellen. Ze werden alle(zon)daags. Sommige waren een verbastering van de voor- of achternaam, verwezen naar een uiterlijk kenmerk of een typisch gedrag, kruidden een grappige anekdote of vertelden iets over het beroep of de studies van het slachtoffer. Volstrekt absurde bijnamen hadden ook veel succes. Geschiedenis werd geschreven door namen met stijl.

2217298-6e0bf2f28c08ee684cbcab9cdbd00aec.jpg

Leerkrachten à volonté. Pierke Just leerde me de finesses van analytische meetkunde. Het was een genie op zijn terrein maar duldde geen slordigheid: een punt vergeten op een i, een komma te kort of onvoldoende verschil tussen een r, een z of een 2 liet zijn rode bic een horizontale streep versieren met daarbij de tekst “tot hier verbeterd”. Een dt-fout was nog erger maar ik moet wel toegeven dat ik van die man heel veel heb geleerd en dat de meeste van zijn oud-studenten al de eerste keer slaagden in het ingangsexamen burgerlijk ingenieur. Den Tuur was studiemeester, heette eigenlijk Frans Van Duffel en dankte zijn naam aan het feit dat hij heel erg geleek op Arthur de Vliegende Aap die dan weer de broer van Lambik was. De Bokser gaf tekenen en had een vooruitstekende kin die hem uitermate leek te helpen bij een mogelijke bokserscarrière. Hij leerde me pilaren te schaduwen en vooral beschrijvende meetkunde met door- en kegelsneden te bedrijven. Petit Beurke was de maxi-leraar van het eerste studiejaar maar klein van stuk. Je moest hem soms zoeken tussen al die rijen van de andere studiejaren: zacht, lief en een kei in het geduldig aanleren van de eerste letters in schoonschrift en bedenker van de eerste volzin: ”de pop van an heet marleen”. ’t Patatje was onze leraar biologie. Hij had een grote rode neus en vrolijkte elk jaar zijn nieuwe leerlingen op met de omschrijving: de aardappel is een kleine knol, meestal vlezig en gezwollen. De gelijkenis kon niet groter en beter zijn. Hij hing elke keer zijn hoedje aan de vensterkruk, maar eens liep het mis: op een zomerse namiddag zwaaide hij uit gewoonte met zijn hoofddeksel naar het raam dat na een brede zwaai perfect doorgang verleende richting benedenverdieping…

 

Het Kakske leerde ons Frans, had een scherpe hoge stem, sprak duidelijk en eiste die duidelijkheid en correctheid ook van ons. Hij werd later zelfs inspecteur. De Stier was stevig gebouwd, vooral van schouders en hals en als hij kwaad werd, kleurde zijn gezicht vuurrood als een lap op een … Stieren kwamen overal voor, zelfs op de PTS evolueerde een dergelijk exemplaar. De Pompbak had ook een vooruitstekende kin en hoe Den Blekke aan zijn bijnaam kwam, heb ik nooit geweten. De Poddingpoep had een gezicht met rozijnenpuntjes dat op een achterwerk met acne geleek. Den Dompy (verbastering van Dopey, één van de zeven dwergen van weeuwsnitje) was klein, speelde uitvoerig de scènes uit De Bello Gallico van Julius Caesar na voor de volle klas en verplaatste zich op een brommerke. Hij leerde ons basketten met de schoolploeg en wist de strategie van Juul Caesar ook in basket over te brengen. De prefect was traditioneel de Pif.

 2217298-db183f6285458b03e7aab19b2b5bd0d5.jpg

O tempera, o mores! Spijtig genoeg werden nieuwe leraren niet meer voorzien van eretitels, een spijtige achteruitgang. We hebben nog wel eens een uitbundige lerares plastische opvoeding gehad die bij de minste onraad luid haar verontwaardiging kenbaar maakte en die noemden we Mie Traillet, wat we zelf een gelukkige en toepasbare bijnaam vonden.Meteen moet ik denken aan anekdotische publicaties over de haven van Antwerpen met daarin een hoofdstukje over de bijnamen van dokwerkers. Het zijn altijd dezelfde namen die terugkomen: De Neus, Schele Jos, De Leugenaar, De Cowboy,… Sommige van die namen komen ook terug bij de Poesje aan het Vleeshuis die dan hoofdvertolkers werden in de verhalen aan de Burggracht. Men gaf zelfs bijnamen aan kranen zoals bijvoorbeeld Grote Gust. Zelfs politiekers kregen ooit bijnamen waardoor ze eigenlijk eretitels kregen die zij al dan niet verdienden…Jean-Luc Dehaene werd De Loodgieter, Bert Anciaux Bertje Den Bleiter, Guy Spitaels was Dieu,  en Steve Stunt zwierf totterdood door Limburg. Bijnamen dreigen uit te sterven door de “vernummering van de maatschappij”. Tegenwoordig moeten we overal het nummer van onze sis-kaart geven of ons rijksregisternummer in plaats van onze familienaam én voornaam. Trouwens ooit vertelde Piet Theys (sportjournalist die ons veel te vroeg in 1974 ontviel) mij: een Vlaming is te weinig VOORNAAM. En hij had gelijk.

Het is trouwens die naam die God heeft geschreven in de palm van zijn hand!

Marcel

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 20:08 Reageer op dit bericht Stuur door

ROEIEN MET DE RIEMEN...x

ROEIEN MET DE RIEMEN…

 

Er was eens, zoals in alle sprookjes die beginnen, een kanoteam van een Vlaamse vzw dat elk kwartaal goede resultaten kon voorleggen aan haar CEO en aan alle mensen die het graag wilden horen. Een Japans bedrijf uit dezelfde stad deed ook gouden zaken en stelde aan de Belgen voor om jaarlijks een kanorace over 5 km te houden om de goede banden tussen de bedrijven te beklemtonen en om de lichamelijke paraatheid van de beide personeelsgroepen te benadrukken. In elke boot mochten 8 kanovaarders deelnemen.

De beide teams oefenden alsof het om de finale van de Olympische Spelen ging. Op de dag van de race voelden beide teams zich werkelijk op hun allerbest. Armen en benen werden geolied en straffe uitspraken waren niet uit de lucht. Maar… de Japanners wonnen met 100 meter voorsprong!

 2215507-67f8a957ac4a82aa25ab2992959406ed.jpg 

Na de smadelijke nederlaag was het moreel van de Belgen, die wel tweede waren, tot ver onder het absolute nulpunt gedaald. De manager van het Belgische bedrijf die aangesteld was door de Raad van Bestuur om leiding te geven, te organiseren en te controleren, kreeg van de grote baas de opdracht om ervoor te zorgen dat volgend jaar het verlies in winst zou omgebogen worden. Hij richtte een projectgroep op die het mislukken tot op het bot moest onderzoeken. Na vele testen, besprekingen, gepalaver in subcommissies en enquêtes bij de deelnemers kwam de manager tot besluit dat in het Japanse kamp 7 kanopeddelaars roeiden en één de instructies gaf, terwijl bij het Belgische team 7 kanoërs de instructies gaven en 1 ‘eerstaanwezend gevolmachtigde’ roeier de slagen precies en krachtig uitvoerde. Duidelijke taal dus.

 

Om uit deze crisissituatie te geraken gaf het managementteam van het Belgische bedrijf meteen en weer een duidelijk bewijs van zijn leiderscapaciteiten: ze huurden even onmiddellijk een onafhankelijk adviesbureau in om de structuur van hun eigen team te verbeteren. Na heel veel maanden van hard werken kwamen de experts met hun eindverslag voor de pinnen, nadat al een gedeelte van de bevindingen in de pers gelekt waren, en daarin stond dat in hun vaderlands team teveel mensen instructies gaven en te weinig mensen roeiden. Dat was krasse taal. In hun voordeel pleitte wel dat de instructeurs het goed konden uitleggen en met de zaak begaan waren. Aan de hand van het expertenrapport besloten ze de structuur van het kanoteam te wijzigen.

 

Er werd een keurige brochure opgesteld, met een officieel voorwoord van de minister van sport, en daarin het voorstel om in de achtboot 4 atleten op te nemen die instructies zouden geven, 2 kanovaarders die toezicht zouden houden, 1 kanoman die hoofd van de toezichthouders zou zijn. Diegene die overbleef moest zo hard mogelijk roeien, kwestie van de taken te verdelen. Er werd wel ‘gewag gemaakt’ van dwingende maatregelen om die ene roeier extreem te motiveren. “We moeten zijn werkgebied verbreden en hem meer verantwoordelijkheden geven” luidde de boodschap. Alle procedures werden vooraf intern binnen de ploeg besproken en in de kranten verschenen interviews met hoopgevende zegevoorspellingen voor de Belgische acht. Over de echte tactiek werd gezwegen.

Enkele dagen later wonnen de Japanners weer, maar nu met 300 meter voorsprong…

 

Het bedrijf, dat zijn eigen procedures zorgvuldig had opgesteld en liet respecteren, bezorgde de onfortuinlijke eenmansroeier onmiddellijk zijn C4 omwille van ‘dwingende redenen’, verder uitgelegd als ‘slechte resultaten op het werk’. Zonder uittredingsvergoeding. Ondanks dit smadelijke verloop kregen de toezichthouders een flinke bonus uitgekeerd voor de grote inzet en de prima groepsgeest die het kanoteam had getoond. Omdat haar taak niet helemaal geslaagd was, mocht het externe adviesbureau toch een slotanalyse formuleren waarvoor ze in regie zouden vergoed worden. Daaruit bleek dat bij die tweede wedstrijd wel degelijk de juiste tactiek was gekozen, dat de motivatie heel sterk boven het gemiddelde lag, maar dat het varend materieel dringend moest verbeterd worden. De CEO van het bedrijf gaf onmiddellijk de opdracht om een nieuwe kano te ontwerpen en te bouwen. Dan kreeg hij zijn ontslag, maar mocht nog eerst een extra hoge ontslagpremie in ontvangst nemen. Einde goed, al goed…

 2215507-9c66d7fb100d9641f9fbcd59acf03144.jpg 

Dom is als je niet weet wat je moet doen. Stom is als je het wel weet, maar toch wat anders doet. Dwaas is als je iets doet zonder te weten wat je doet. Dom, stom en dwaas zijn de drie absurditeiten van het management. Het trio komt overal voor in bedrijven en overheidsinstellingen en ze duiken veel vaker op dan zou moeten, mogen en kunnen mogen. Het besluit is dat manager zijn wel een heel moeilijk vak is. Bij je thuis kan je het wel redden met de vaardigheden die je van thuis uit hebt meegekregen, maar in de grote bedrijfswereld wordt het ineens kei-ingewikkeld. Achteraf redeneren is dan dikwijls de beste verdediging tegen tegenvallers en eieren en beloftes worden toch zo gemakkelijk gebroken. Je moet er zoveel doelstellingen ineens realiseren: goede verstandhouding met anderen, de verhoudingen respecteren en niemand tegen de kar rijden en vooral en zeker naar de klant luisteren. In de politiek is de klant nog meer koning, want daar heet hij ‘kiezer’ en dat is niet zo ver van  ‘keizer’.

 

Hoe komt het toch dat het bedrijfsleven zo succesvol is, zolang het goed gaat tenminste. Waarom betekent winst voor heel wat bedrijven alleen maar méér winst maken dan het jaar daarvoor?  Over de happy winnaars wordt altijd gesproken, maar over de losers wordt minder enthousiast gedaan. Zoals in de sport zijn er binnen het kapitalisme en de geldwereld geen winnaars zonder verliezers, geen vooruitgang zonder soms stilstaan en geen successen zonder tegenslagen. Nogal een geluk dat om de financiële wereld te redden de centen véél gemakkelijker te vinden zijn dan om de koopkracht te herstellen. Wie geld heeft, denkt aan de toekomst, wie het niet heeft, moet iedere dag aan vandaag denken.

 

Nog een geluk dat je van je fouten meer en sneller kunt leren dan van je successen. Zorg er maar voor dat je genoeg geduld hebt: alle dingen zijn eerst moeilijk voor ze gemakkelijker worden en… voor vogels die niet goed kunnen vliegen, schiep God de lage takken.

Hou het dus maar simpel! Vraag het maar aan Yotam Ottolenghi.

Marcel Huysmans   

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 20:20 Reageer op dit bericht Stuur door

DE WET VAN BEHOUD VAN ELLENDE

DE WET VAN BEHOUD VAN ELLENDE

 

In mijn leven heb ik heel wat wetten doorworsteld en verwerkt. Ik bedoel wél wetmatigheden die algemeen gelden of die zich enkel voordoen onder bijzonder omschreven omstandigheden. Het zijn dus exacte wetmatigheden die in de wetenschappen worden beschreven en dikwijls vereeuwigd en onsterfelijk gemaakt met de naam van de uitvinder achteraan als uitroepteken. Zo kennen we de wet van Ohm, de wet van Boyle-Mariotte, de wet van Coulomb en in de sterrenkunde is de Perkenwet één van drie wetten van Kepler. In al die gevallen heb je te maken met nauwkeurig bestudeerde verschijnselen die in mensentaal en vakjargon kunnen beschreven worden en in alle omstandigheden kloppen. Anders wordt het als je de veilige paden van de wetenschappen verlaat en pseudogeleerd wilt doen. Zo heb je de 'wet van Behoud van Geluk': binnen een gesloten systeem blijft de totale hoeveelheid geluk constant. Als iemand gelukkiger wordt, betekent het ook dat iemand anders ongelukkiger wordt. Of heb je liever de 'Wet van behoud van ellende?' Binnen een gesloten systeem blijft de totale hoeveelheid ellende constant. Als het ene probleem wordt opgelost zal daardoor het volgende probleem de kop opsteken. Moet het nog wat duidelijker: een put vullen door er een nieuwe te maken die ook weer gevuld moet worden… In de politiek is het een veel gehanteerd systeem. Dat vraagt om meer uitleg.

 

Een onderneming kocht voor haar Algemene Directie, met aan het hoofd een Aldi (Algemeen Directeur) een oud herenhuis aan. Die Aldi sprak vóór de verbouwing en aankleding enkele interieurarchitecten aan die behoudens het esthetisch aspect ook een hele rits aan ‘moderne’ noviteiten mochten invoeren. De prijs was een nevenverdienste maar minder belangrijk. Voor hen waarschijnlijk wel. Als het maar mooi was voor de buitenwereld. Per verdieping was er één groot landschapskantoor waarin een aantal collega’s ‘kantoor’ hielden. Met veel bubbels, toespraken en getater werd het gebouw ingehuldigd. Bij die opening viel op dat de overloop helemaal in min of meer doorzichtig glas was, wat bij het vrouwelijk personeel naar de lange broekenmode deed grijpen. Na drie dagen mooi functioneren kreeg de technische dienst de vraag of de telefoontoestellen op de diverse bureaus elk een verschillende beltoon konden hebben, want als de telefoon rinkelde, wist niemand welk toestel diende opgenomen… Dat kon dus niet. Na een maand vroeg de personeelsdienst of er geen wandpanelen tussen de werkplekken konden gezet worden, omdat bij gesprekken de privacy van de bezoekers helemaal en onbelemmerd de lucht in ging. De panelen voldeden niet en toen verschenen glazen tussenwanden, behalve aan de ingang van de verdieping. Kort daarna kwamen aan die ingangen glazen schuifdeuren want door de tocht dreigden sommigen een permanente verkoudheid te cultiveren. En toen kwam de lente en de zomer…

 2214579-08143d970be1a7f8bb4ac5e99e497433.jpg 

Zodra de zon à volonté begon te schijnen werd het in die kantoren uitermate warm. De bewoners konden zich ook moeilijk concentreren. De wondere interieurvormgevers toverden blitse rolgordijntjes aan de ramen, precies in de huiskleur en dus mooi. Maar Celsius bleef bovenmatig regeren zodat in één bureau zowaar een airco tegen het plafond werd geplaatst ter verzachting van het ongemak van dat ogenblik. Dat leek de oplossing: de temperatuur zakte zienderogen en bijna iedereen was tevreden, behalve de spreekwoordelijke uitzondering die er tranende ogen en een snotterende neus aan overhield. Toch was de meerderheid er content! Dat leek iedereen het voornaamste. Daarom mochten de inventieve bedenkers van dé oplossing de andere ruimtes ook met de verfrissende elektriciteitsverslindende openbare koelkasten uitrusten. Helaas, driewerf helaas: één week na de installatie kon de hoofdschakelaar in de elektriciteitskast het niet meer houden en gaf zijn spreekwoordelijke geest. Meteen werd een verzwaring van de meter aangevraagd, maar dat bleek de eerste twee jaar Electrabelsgewijs niet te kunnen. Daarom werd een dieselgroep gehuurd die moest zorgen voor de surplus aan vermogen zodat iedereen een behaaglijk gevoel kon hebben tot de verzwaring een feit zou zijn… Die twee ontwerpers zijn later met de noorderzon verdwenen en ik weet zelfs niet of ze wijze lessen hebben getrokken uit deze ervaringen.

 

Als de Wet van behoud van Ellende illustraties behoeft, dan heb ik die van dichtbij mogen meemaken, sterk in tijd en ruimte gevarieerd. Ik ben zo geconditioneerd geworden dat ik praktische gevolgen ervan op kilometers afstand kon opsnuiven en moest openbaren. Het is mijn lievelingswet geworden en je kan hem terugvinden in de bankenwereld (met de ene lening de andere afbetalen) en in de politiek maar ook in de wereld van de aannemers en klussers. Efficiënt is niet altijd mooi, maar mooi is ook niet altijd efficiënt. Daar koop je weinig mee. Een gebrevetteerde puttenvuller slaagt er meestal in om anderen, en liefst later, de boel te laten oplossen. Zo blijft er natuurlijk wel werk aan de winkel.

Wat is de moraal van dit verhaal? Schoenmaker, blijf bij je leest; laat het serieuze werk aan ernstige specialisten over en graaf geen putten voor iemand anders waar je tenslotte zelf in valt! Het huidige energievraagstuk oplossen via de politici dreigt er ook een toepassing van te worden. Debacle verzekerd.

 2214579-62ff8f24064c92afd39cad335317487c.jpg 

Als het effe kan, gaat het mis... Er zijn dingen die ik al tientallen jaren bewaar. Als ik ze dan toch weggooi, kun je er donder op zeggen dat ik ze volgende week nodig heb. Als ik naar de spoed moet, is die altijd aan de andere kant van het ziekenhuis. Als ik op mijn laptop twee toetsen tegelijk aansla, komt zeker de verkeerde letter op het scherm. Eentje voor de NMBS: als je trein op tijd rijdt, is je aansluiting te laat; als je trein te laat is, rijdt je aansluiting op tijd. Ik heb ook iets met stropdassen: vroeger droeg ik er elke dag een, nu trekt hij altijd de soep van de dag aan. Mijn kleinkinderen helpen ook mee: ze morsen nooit op een vuile vloer! Tandpijn begint meestal op zaterdagavond en je CV valt meestal uit op een feestdag of in het weekend.

Als je dit allemaal leest, is het nog zo niet erg! Toch zijn er nog zekerheden: degene die snurkt, zal het eerst in slaap vallen. Slaap dus wel!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:31 Reageer op dit bericht Stuur door

ZIJN ER NOG FLANDRIENS BIJ DE POST?

ZIJN ER NOG FLANDRIENS BIJ DE POST?

In 2016 mocht ik van dichtbij en van op de fiets de start van de Giro d’ Italia meemaken in Amsterdam. In de marge van de proloog beleefde ik in de Brakke Grond, het Vlaamse Cultuurhuis in Amsterdam, een tentoonstelling van fotograaf Stephan Vanfleteren over het leven van de flandriens. Een flandrien is een wielrenner die een wielerwedstrijd hard maakt door voortdurend te kiezen voor de aanval en te blijven rijden tot hij doodvermoeid de streep bereikt. Het was een doordringende fotoverzameling in zwart-wit die past bij de grijze luchten die onwegblaasbaar over het echte Vlaanderen van de fiets hangen. Er waren heel sterke foto’s bij: twaalf beelden van de beklimming van de Muur in Geraardsbergen. Opvallend was de foto die verwees naar Frank Vandenbroucke waarbij op het asfalt van de Vlaamse wegen “God is terug” stond gekalkt met een ironische verwijzing naar zijn zoveelste rentree. En ergens in een verloren hoekje een beeld van een postbode die zich zwalpend op de Eikenberg hijst en waarschijnlijk door kenners als “vergeten te eten” zou getaxeerd worden. Postbodes zijn altijd een beetje flandrien geweest en dat besefte ik enkele weken later toen de postbode in mijn straat achterbleef met een achterband die zijn laatste verzuchting had uitgeblazen.

2211407-0156a4076be69a2927f33d4c5067bb5f.jpg

Het leek of een coureur door zijn sponsor in de steek werd gelaten. Op datzelfde moment genoot ik van de weldoende invloed van de vernieuwing van straatgoten en voetpaden voor mijn deur. Zo’n onderneming brengt putten mee, steenpuin om de garages bereikbaar te houden, vuile voeten in de gang en dito ongemakken. Om de ongelukkige postman terug te fiets te helpen, belde mijn buurman om te vragen of ik soms het telefoonnummer van de plaatselijke post kende, maar het jarenlang gekende nummer deed het niet meer. Ongevraagd deelde een stem me mee dat voor een betere hulpverlening zou doorgeschakeld worden naar een broussecentrale in Brussel. Daar werd ik overstelpt met nummers van druktoetsen en mogelijke diensten, maar er bleek zowaar geen keuzenummer voorradig voor het melden van een postbode met een platte band. Via een nummer voor vragen over beleggingen, leidde een enerverend muziekje me gelaten naar ons postkantoor. Daar beloofde men een reservefiets voor de pechpostbode met panne die twee uur nodig had om zijn ploegbaas met het rode posthoorntje te bereiken. Een verlossend autootje van taxipost bracht de oplossing. De postman die voorbestemd was om flandrien te zijn – door weer, wind en hindernissen – stond hulpeloos aan de kant.

 

Twee dagen later viel een brief in de bus van de bewoner van het pand dat het mijne was, waarbij ik als geachte werd aangesproken. Met deze wilden ze mij vanuit Wilrijk op de hoogte brengen dat ik gedurende de resterende tijd van de straatwerken (van begin tot einde juni) hoogstpersoonlijk mijn post mocht komen afhalen (4 km verder) bij Tante Post in Aartselaar. De veiligheid van de postbode kon niet meer gegarandeerd worden en hij mocht met de fiets zijn werk niet meer doen. De flandrien in mezelf kwam boven en vier dagen later besloot ik mijn geaccidenteerd onveilig parcours te verlaten en me met de fiets ter gemeentecentrum te wagen. Ik bood me aan voor mijn postverzameling. Toen bleek dat mijn poststukken zich al in mijn brievenbus genesteld hadden. Men vertelde erbij dat dit in de toekomst nog zou gebeuren, telkens als een reservepostbode ter beschikking was. Ik vroeg of het niet slim was om af en toe eens te bellen of er post bedeeld was of dat ik zelf moest langs komen. Ik besefte meteen dat ik toch niet naar de eigen post kon bellen en voelde mij als een postbode met een leeglopende achterband die door zijn sponsor in de steek was gelaten. Mijn flandriengehalte daalde zichtbaar.

 2211407-80e4e83beaf1ced626c0812bac91cb5d.jpg 

Een postbodeis iemand die de laatste handelingen van de postbestellingen uitvoert , namelijk een deel van de sorteerwerkzaamheden en het daadwerkelijk afleveren van de post in de brievenbus van de geadresseerde. Onze facteur bezorgt de mensen dagelijks veel plezier met brieven en pakjes en zelfs reclamedrukwerk hoewel je dat zo niet mag noemen. Vroeger kon je hem/haar met Nieuwjaar nog een borrel en een babbel aanbieden maar de flandriens van vroeger worden tegenwoordig regelmatig verplant en slepen alsmaar méér bagage mee. De sociale rol van de postbode is er de laatste jaren sterk op achteruitgegaan. Dikwijls is hij de enige persoon die nog dagelijks langsloopt bij sommige mensen, hoewel dat lopen alsmaar sneller moet. Bureauberekeningen krijgen de voorkeur op de dagelijkse realiteit waarbij parameters als gewicht, grootte van de ronde en sociale contacten dreigen te verzuipen door liberalisatie van de sector waarbij de overheid te weinig aandacht heeft voor een goede service voor alle Belgen.

 
Als God nu toch terug is, moet hij zeker gezien hebben dat sommige postbodes nog altijd een beetje hebben van de typische Vlaamse renner van toen die met reservebanden om de nek, met modder in het gelaat en met een gezicht dat boekdelen spreekt, de streep overzwalpt. Zo’n facteur waar je fier mag op zijn omdat hij door weer en wind de trappers van zijn breedbandige roodwitte fiets martelt om iedereen van post te voorzien. Een postbode die een stukje mee het ritme van de dag bepaalt: als de krant is geweest kan de dag starten en als hij ‘iets’ in je brievenbus heeft gedeponeerd, heb je het gevoel dat hij je nooit in de steek zal laten… Nog één foto van Stefan Vanfleteren is me bijgebleven: een jongetje staat zich met zijn vader en zijn jongere broertje van op het schepblad van een bulldozer te vergapen aan een voorbijjagend peloton, de mond wijd open van enthousiasme voor de helden van de weg. Ze zijn een beetje te vergelijken met plichtsbewuste facteurs die zich niet laten kennen door een put in de weg, een brievenbus die wat verder van de straat staat, een mens die iets wil vragen of hulp nodig heeft, zelfs al heeft hij weinig tijd.

Dat zijn de ware flandriens van de post.

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 21:49 Reageer op dit bericht Stuur door

WIJSWEG IN DE AUTO

WIJSWEG IN DE AUTO

Ze staan weer te blinken met Soul Read Chrystal als modekleur. PK-motoren beloven je de hemel op aarde. Maar die hemel op aarde gaat trager vooruit dan we denken. In vele betekenissen. Onzichtbaar is de automatische filerem ingebouwd die je heerlijk laat genieten van verloren tijd en opgespaarde ergernis. Meer kilometers op minder tijd wordt een illusie en wat ooit normaal was, is nu belachelijk stilstaan geworden. De nieuwe motoren doen het klimaat ecologisch en economisch vastlopen omdat ‘de anderen’ te weinig aandacht hebben voor ‘onze’ gezondheid. En toch zie je ook files aan de kassa van de Brusselsmotorshow, het vroegere Autosalon. Daar blijven de koetswerken fonkelen nog even hard en dromen freaks amechtig van al dat innovatieve dat mensen doet kopen…

2209710-5d1aa7822d958f92359c313efb33c2e7.jpg

Als de file tempo haalt, hoor je in de auto interessante gesprekken. Moeten we echt langs hier rijden? Dit zijn weggetjes waar Christus nog nooit voorbijkwam! Ik heb nergens een afsluiting gezien die afgeplakt is met gazettenpapier om het einde van de wereld aan te kondigen... Nog een geluk dat we onze GPS hebben. Of is die verkeerd? Waar zitten we nu? Waar moeten we naartoe? Zouden we dat kleine uitvindsel wel volgen of vragen we toch niet beter op de klassieke manier de weg naar Bommerskonte? Niks van dit alles ooit meegemaakt? Wie vloekte nog nooit op dat kleine onding dat iedereen wil en zo onmisbaar is. Van waar komen we? Waar gaan we naartoe?Op koers met de GPS!

GPS (Global Positioning System) is de commerciële afkorting voor een wereldwijd satellietplaatsbepalingssysteem dat het Amerikaans leger vanaf 1967 ontwikkelde. 18 jaar geleden werd het beschikbaar voor algemeen gebruik. Sindsdien is de GPS gemeengoed. Niet alleen militair, maar ook in de landmeetkunde, de scheepvaart, het transport, de telefonie en de criminologie werd het bijna onmisbaar. Wat mensen allemaal kunnen! 24 satellieten met een eigen signaal draaien in zes banen rond de aarde. Ze roteren even rap als de aarde en hangen feitelijk stil boven hetzelfde punt op onze bol. Met vier van die satellieten bepaalt een gps zijn positie op aarde tot op ongeveer 10 m nauwkeurig. Maar het kan nog beter! 

 

'Elk voordeel heb zijn nadeel'. Als je verkeerde gegevens invoert, is het eindresultaat ook mis, maar tunnels en hoogspanningslijnen, sterk magnetische voorwerpen, parkeergarages en hoogbouw kunnen ook roet in het gps-verhaal strooien. De verkeersproblemen bij de oude bruggen over de Rupel en het Zeekanaal leidden lang geleden (1982) tot de bouw van de Rupeltunnel. Als je met je GPS door de pijp rijdt, kunnen de satellieten je niet volgen en toch blijft het traject op je scherm, zij het dan met gewijzigde kleurtjes (blauw – grijs?). Op dat moment doet je GPS aan “dead-reckoning”, d.w.z. 'gissen' of 'positievoorspelling'. Hij vertrekt dan van het feit dat hij de lengte van de tunnel kent en ook de snelheid van het voertuig. Hij houdt zich voor de gek bij het wegvallen van de satellietontvangst en doet net of de GPS nog een tijdje dezelfde snelheid en richting aanhoudt. Kom je weer boven, dan loopt alles weer als tevoren. Er is niks slimmer dan een mens. En een GPS.

 

Toepassingen zijn er genoeg. En ze zijn niet altijd gekend. In de landbouw rijden tractors met gps om automatisch recht te rijden tijdens het planten, schoffelen en bemesten. Abdellah Hajjab uit Boom stelde in 2011 bij de FIFA in Zürich zijn systeem van ‘bal-over-de-doellijn-of-niet’ voor. De Marokkaanse Belg plaatste een chip in de bal en via de nodige gps-software gaf die perfect aan wanneer het buitenspel was of wanneer de bal helemààl over de lijn ging. Uiteindelijk maakte men eerst in 2018 gebruik van een gelijkaardig systeem bij de eindeloze discussies over welles-nietes. Het is véél gemakkelijker is om zoiets technisch te realiseren dan de starre geesten van de voetbalbobo's te overtuigen. Soms zijn er dingen die slimmer zijn dan de mens, maar hij moet willen.

 

En waar 'ge-menst' wordt, wordt soms en soms dikwijls 'ge-mist'. GPS creëert bij verkeersgebruikers gevaarlijke situaties en stuurt ze dan de verkeerde kant uit. Mensen volgen klakkeloos en zonder opletten de aanwijzingen van het kleine doosje. Ze voeren zelfs gevaarlijke of illegale manoeuvres uit omdat de GPS het adviseert. Als de brug van Willebroek open staat en de GPS zegt dat je moet doorrijden, rij je dan ook in het water? Maak een U-bocht moet je niet uitvoeren op een drievaksbaan... Rijdend prutsen met de GPS is levensgevaarlijk. Anderzijds verhoogt deze toepassing de veiligheid. Ooit leek de zelfsturende auto een verre droom, maar over enige tijd zoemen waarschijnlijk de eerste elektrische auto’s over de E19, gecontroleerd en gestuurd door een bos van controle-gpsjes (driemaal uitspreken). Ze zullen minder ongevallen veroorzaken dan menselijke chauffeurs, rijden energiezuiniger en kunnen zelfs blinde, verlamde of straalbezopen passagiers veilig naar huis brengen. Er bestaan ook GPS-systemen waarmee je op elk moment kunt weten waar je kind is. Ze bestaan als armbanden, uurwerken en sleutelhangers. Maar ook dan zijn we weer verplicht om zelf nog na te denken over de vraag:' zou ik mijn kind wel via zo'n systeem laten volgen?'

 2209710-b68f8f9b1ee401cc49f0314d3a5a55fc.jpg 

Dikwijls zijn details belangrijk. Wie naar Berg bij Tongeren wil, kan in 'Berg' van Neeroeteren, Tessenderlo, Voeren en Kleine-Spouwen landen, maar ook in Kampenhout of Meerhout. En Aalst vind je ook in Limburg en Oost-Vlaanderen terug. In Lille (Kasterlee) wordt ieder jaar een Krawatencross (veldrijden) ingericht en één van de ingeschreven deelnemers kon niet meefietsen, want hij stond gepakt en gezakt in Frankrijk (Lille/Rijsel). Van een grensoverschrijdende vergissing gesproken.

 

Wie weet allemaal waar ik ben, waar ik geweest ben? Het zijn allemaal vragen die met GPS te maken hebben. Het is een zegen voor wie veel onderweg is, maar soms behoorlijk irritant en neurosebevorderend. Wil jij af en toe ook op de aangegeven aankomsttijd afpingelen? Plezant en zinloos tegelijk. Blindelings volgen is niet altijd goed en eigenzinnig je eigen goesting doen maar op eigen risico is mogelijk beter. Het blijft je eigen auto. Sociaal contact vermindert, want je vraagt minder gemakkelijk de weg aan een levende mens dan gedirigeerd te worden door een bemoeizuchtige dwingende vrouwen- of mannenstem... Zo blijft de GPS toch een beetje blindvaren!

Marcel Huysmans

 

   

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 12:09 Reageer op dit bericht Stuur door

MIJNHEER VAN AEL

MIJNHEER VAN AEL

 

Enkele weken geleden las ik in de krant een artikel over geschiedenisleraar Roeland Huys van de Steinerschool in Brugge. Er stond een foto bij van een getekende man met een grote grijze en wijze Socratesbaard om alle waardige wijzen uit de Griekse geschiedenis jaloers te maken. Het was een beeld van de eerbiedwaardige Hiëronymus van Stridon (347-420 na Chr.) Hij was een van vier grote kerkvaders van het Westen. Een kerkvader had meestal geen kinderen en het waren meestal bisschoppen die de edele schrijfkunst en de lerarenbekwaamheid beoefenden om daarna theologische geschriften te plegen. Zo kon iedereen er later van genieten. Hiëronymus was zo’n pater ecclesiae . Zijn naam betekende ‘met een heilige naam’ en hij was de peetvader voor al diegenen die wij Jeroen, Jerom en Jeroom zouden noemen.

2206023-27003352ee2badbd78b8ccaf21fec888.jpg

Van leerkrachten wordt redelijkerwijze verwacht dat ze de leerstof op een boeiende manier kunnen overbrengen op hun discipelen. Dat heeft deze geschiedenisleraar uit Brugge alvast goed begrepen. Om zijn leerlingen te motiveren voor zijn vak en de leerstof bevattelijk te maken, tovert hij iedere keer grote krijttekeningen op het bord. Zo probeert meester Roeland zijn leerlingen iets bij te brengen over het kerkvadersbelang voor de theologie, maar ook over de kenmerken van de barokkunst. Vooral uit klassieke werken haalt hij zijn inspiratie voor nieuwe geschiedenislessen. Twee jaar al doet hij het en telkens gaat zo’n tekening een nieuwe periode in de geschiedenis vooraf. Zijn leerlingen vinden het maar al te gaaf en cool, want het zijn stuk voor stuk pareltjes. Tijdens zijn lessen gaat het er belangstellend aan toe.

Het doet me onmiddellijk terugdenken aan mijn onderwijzer uit het vijfde leerjaar. Meester Van Ael bleek de eeuwige jeugd te bezitten. Leon – want dat was zijn voornaam – was de meester van mijn vijfde studiejaar. Hij was creatief, sportief, attractief, humoristisch en derhalve héél populair. Hij was bovendien oud-midvoor van rood-wit Tubantia Borgerhout, een toenmalige derdeklasser uit het voetbal. Daarna speelde hij nog – tot ver boven de vijftig – in het  Katholiek Sportverbond. Hij presteerde niet alleen op het veld maar ook ernaast. Hij organiseerde een mini voetbalcompetitie op de speelplaats tussen de verschillende klassen wat ooit de oorzaak was van mijn verregaande sletigheid aan schoenen. Een nieuw paar hield het amper een paar weken uit. Nu weet ik hoe het komt dat mijn kleinkinderen zo dikwijls nieuwe schoenen nodig hebben. De leraars arbitreerden er op los en elke middag was  het feest voor de klassen die tegen elkaar het veld op wilden. Dat kon alleen als er  niet te veel plassen stonden en volgens ons stonden die er bijna nooit. De leraars dachten daar dikwijls anders over. Maar het was altijd spannend en zorgde voor veel commentaar.

Elke maandagmorgen hingen zijn fans rond hem met altijd dezelfde vragen. Hoe is het geweest? Hoeveel goals heb je gemaakt? Zijn er plezante dingen gebeurd? Toch niet gekwetst zeker? Hij verstond ook de kunst om in de klas een sportloze competitie op het getouw te zetten. In september ging de voetbalcompetitie van start. Binnen de klas werden voetbalploegjes van een viertal leerlingen gevormd die individueel door goed werk (rekenen – vraagstukken – een opstel – quizzen – dictee) goals konden verdienen die dan na één week het resultaat tussen de verschillende wedstrijdploegen bepaalden. Daarvan werd een algemene rangschikking opgemaakt en uiteindelijk een kampioenenploeg gevierd. Na Kerstmis begonnen de zesdaagsen, waarbij de doelpunten werden vervangen door bonusronden op de piste. Na een zesdaagse die wel drie weken duurde was ook daar een eindoverwinnaar. En na Pasen reden we de Ronde van Frankrijk waarbij een dagelijks klassement en een algemene rangschikking werd opgesteld, compleet met een gele en een groene trui. Dé bollentrui bestond toen nog niet. Zo was de klas één grote indoorcompetitie met openluchtverwijzingen. Op het einde van het schooljaar kwam Meester Van Ael aangezeuld met een grote draagtas, gevuld met snoep en prijzen. Toen wisten we nog niet wat diabetes was. Die prijzen waren voor de overwinnaars én voor de verliezers, want ook dat was didactisch onderbouwd en verantwoord. De meester was onze grote Manitou.

 

Ook mijnheer Van Ael, een degelijke rossige Vlaamse helmboswuivende kop met een uitzonderlijk talent, hanteerde toen al de acht kleurenkrijtjes om op het bord seizoenstaferelen te ‘schilderen’. In de lente waren dat frisgroene blaadjes aan de bomen naast een kabbelend beekje. Voor de herfst koos hij een hemels kleurenpalet van  afgevallen bladeren langs een fascinerende dreef. In de winter toverde hij een sneeuwlandschap en deed de letters van ‘winter’ helemaal besneeuwen dat je het er echt koud van kreeg. Voor elk seizoen kwam er een nieuwe tekening, behalve voor de zomer want dan was het grote vakantie. Met het puntje van de tong likte hij aan zijn krijtjes, want dan bleven de krijtpenselen beter ‘plakken’. Ergens ligt er nog een zwart-witfoto van zo’n herfstschilderij, maar ze zit te goed verborgen in mijn archieven. Leon Van Ael was een meester van de oude stempel. Hij kon bemeesteren en begeesteren en was dus een prima onderwijzer.

 

Ooit had hij zijn adres verklapt.  50 jaar later stond dat nog in mijn geheugen gegrift. Ik googelde Van Ael, straat, huisnummer en Borgerhout in de computer. Zo vond ik een vijftal jaren geleden de naam en het telefoonnummer terug van mijn onderwijzer uit het vijfde studiejaar. Ik belde het nummer en ik kreeg zowaar de enige echte Leon Van Ael aan de telefoon. Hij wist nog wie ik was en tot slot van het telefoontje spraken we op een druilerige dinsdagmiddag af in Borgerhout. Het werd een onvergetelijke namiddag met herinneringen die bij beide partijen waren blijven hangen, of die enerzijds door de mazen van de geschiedenis waren weggesijpeld. We dronken samen een paar koffies en lieten 1956 weer een beetje herleven. Ook het tekenen, voetballen en de competitie, de Zesdaagse en de Ronde van Frankrijk kwamen weer tot leven. Het deed ons echt deugd en we spraken af om nog eens verder te vertellen.

 2206023-fc588d57b9a306b35a82797ad7b97352.jpg 

Helaas. Een goed jaar later las ik in de krant het overlijdensbericht van Leon. Het kon niet duidelijker zijn. Leo (!) Van Ael studeerde aan de bisschoppelijke Normaalschool in Sint-Niklaas. Uitgangsjaar 1943. °Zoersel 25/02/1924   +Boechout 11/04/2015. Een onderwijzer en innemende mens om nooit te vergeten. Hij werd 91 jaar.

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 01:40 Reageer op dit bericht Stuur door

DE FLEUR VAN ONZE SLEET

DE FLEUR VAN ONZE SLEET

 

Niet alleen een overjaarse diesel – al dan niet met laag emitterende gunstige euronorm – moet elk jaar gedisciplineerd voorrijden bij de autokeuring. Voor een technische controle op het reilen en zeilen van je lijf heb je dan weer een arts nodig. Soms zijn het er zelfs meer. Ze delen geen groene of rode kaarten uit, hebben eerder belangstelling voor je luchtuitlaat en hartenpomp, en ze schrijven hun voorschriften of suggesties op witte of groene briefjes. Door de jaren wordt dat menselijke partiële tekortenlijstje langer. Ook de ernstgraad neemt gradueel toe. Vanaf het ogenblik dat zoiets exponentieel gebeurt, gaan allerlei alarmpjes af en dienen bevoegde instanties opgezocht voor verdere controle. Na een kijk-, luister- en detectiekuur via echopeilingen en angstaanjagende scans wordt dan een verdict uitgesproken dat eerder lijkt op een vonnis dan op een aanmatigende nota. Als je tenminste de geleerde medische termen een beetje begrijpt. Zoiets komt aan als een patat om je oren, zodat je meteen beseft dat de situatie overernstig blijkt en Keulen niet zo ver meer is om het daar te horen donderen. 

 2204563-10837e7272e8c893cd910797b40a8a62.jpg 

Mijnheer, we kunnen niet veel meer ingrijpen. Opereren is te riskant, bij kleine ingreepjes moeten we het niet meer zoeken. Het enige wat nog zou kunnen, is een transplantatie, maar daar ben je te oud voor… Na 65 is de operatie te riskant, de wachttijd te lang en de afstootmedicatie te belastend om nog veel succes te kennen. Het enige wat nog wél kan, is je elastiek proberen een beetje langer te maken. Voor zover dat nog mogelijk is. Ze noemen dat ook strijden met de wapens die je nog hebt, in de hoop dat de carrosserie en de vering de motor nog kunnen helpen met afdoende hulpmiddelen en kleine trucjes.

Ik heb me onmiddellijk een paar bretellen gekocht en een nieuwe snelbinder op mijn fiets, want die verlengen mijn elastiek ook al. Of die alleen zullen helpen geloof ik nooit. In zo’n geval dien je de bestaande situatie te bekijken en alle hulpmiddelen die het leven draaglijker en langer kunnen maken op te zoeken.

 

Het leven wordt aanpassen en creatieve oplossingen zoeken naar dingen waarmee je tijdens je vroeger parcours nooit geconfronteerd werd. Dergelijke zaken worden alsmaar talrijker en meer nodig. De oplossingen zijn omgekeerd evenredig met de moeilijkheidsgraad van de laattijdige ontdekking van het verse probleem. Je probeert eerst van traag sleffen opnieuw gezapig te wandelen met hopelijk een lichte looppas als uiterste doel. Een wandelstok, een heel of half paar krukken en desnoods een oudmodische toegevouwen paraplu kunnen de scheve situatie nog wat verbloemen. De garantie dat je geen scheve pas of scheve schaats meer zult rijden is daarmee nog niet gegeven. Vanaf dan ben je veroordeeld tot wankelwandelen. Dat is geen nieuwe Olympische discipline, maar wel het praktisch resultaat om de kritische situatie nog een beetje te redden en enigszins soepel nog een blokje om te gaan. Het lijkt in niets op een elegant walspasje uit het repertoire van André Rieu in zijn beste dagen. Ik vind zoiets hemelse muziek die ik heel mijn leven al bewonder, waar ik écht jaloers op ben en was, maar waarvan ik de afgemeten pasjes en het zwierige zwaaiwalsen nooit onder de knie heb gekregen.

 

Je wordt er wel vindingrijker van en leert met je ogen stelen wat anderen vóór je hebben bedacht. Het begint met schoentje-vissen, leuninggrijpen en om voorwerpen op te rapen, laat je eerst je voeten de schraapbeweging uitvoeren. Je kousen aantrekken gebeurt niet met een schoentrekker, maar wel met een kousentruc.

De weinige momenten dat ik nog eens met de fiets rijd, stap ik op met de methode Wyckmans. Die heb ik geleerd van mijn goede vriend Louis met diezelfde naam die amper boven de lange grashalmen reikt, maar toch zijn rechterbeen vlotjes over de hoge fietsbuis kan lanceren. Hij maakt daarbij gebruik van de truc met de verlaagde beenzwierhoogte. Je neemt daartoe plaats op het trottoir, legt de fiets schuin onder een precieze hoek van 43 graden en dan wordt opstappen kinderspel. Hoe Louis dan afstapt, heb ik nog niet gezien, maar ik weet wel dat hij altijd heelhuids thuis is geraakt. Ik vermoed dat hij dus dezelfde methode gebruikt, maar dan waarschijnlijk in tegenwijzerzin en voor het grootste deel omgekeerd. Ik denk zelfs dat hij een ‘Cancellara-motortje’ in zijn zadelbuis heeft gemonteerd, want zelfs het fietsen gaat bij hem nog vlot. Hoe later in de tijd de problemen zich voordoen, des te moeilijker worden de oplossingen.

 2204563-885f9542c5c491a8a805e0ff8f8236d9.jpg 

Op trappen lopen, een eufemistische uitdrukking voor wat ik ‘op handen en voeten de trap bestijgen’ noem, zorgt voor complexe en gecombineerde problemen als je op een eerste verdieping woont en op de tweede slaapt.  Het wordt zelfs zo erg dat je voor de keuze staat: ofwel je huis en je verleden verkopen en een nieuwe leefplek opzoeken zonder trappen, ofwel.... Dan komt ook het verhaaltje piepen van het bomen verplanten en het achteruitgaand aanpassingsvermogen. Daarom plande ik in de voorbije weken een uitgebreide trapliftprospectie om vooruit te kunnen zien voor het geval dat stijgen en dalen op spierkracht begint te falen. We zullen wel zien.

 

Ik heb hard en snel geleefd. Mijn haar is dunner en grijzer geworden terwijl de lachrimpels op mijn gezicht blijven staan als ook het lachen elke dag een beetje moeilijker wordt. Door al die ouderdomskwalen - ik zal ze best niet allemaal opnoemen – zegden de artsen dat ik onder strikte controle moet bewegen. Vooruit dan maar. Drie ‘bewegingsdeskundigen’ ofte kinesisten volgen nu onder supervisie van een longarts en een cardioloog het uit-rekken van mijn elastiek ad majorem dei gloriam en om mijn lijfelijk heil te  bestendigen. De wereld zegt dat dat dit goed voor me is: om te beginnen drie halve dagen per week oefenen gedurende drie maanden. Met allerlei apparatuur kan ik zo van kipfilet spierballen maken door me over te leveren aan wattcontrolerende hometrainers en dwingende loopbanden. Mijn gewrichten kraken, mijn ledematen doen aan intervalverstramming en zorgen zo voor een beeld van een oudere jongere die op weg is naar de laatste rechte lijn. Ouderdom kent zo zijn gebreken, nietwaar?

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:30 Reageer op dit bericht Stuur door

EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART

EEN CADEAU IS EEN PAK VAN JE HART

 

De kerst- en nieuwjaarperiode is mijn minst favoriete tijd van het jaar. Er zijn zoveel dingen die je moet combineren. Er is het gebrek aan zonlicht, de verplichte gezelligheid en de weemoed die het eindejaar met zich meebrengt. Met de tijd is het ook de week geworden waarin toch weer gedacht wordt aan diegenen die er niet meer zijn en die we missen. Dat kunnen dan ouders, familie maar ook vrienden zijn. Dat gevoel verhoogt naarmate ik zelf verder in de laatste rechte lijn zit. Het is ook de tijd van heel wat nutteloze cadeaus. Vooral het kopen om te kopen snap ik niet zo goed. Daarbij komt nog de drang tot het krijgen om te krijgen. Het is niet dat ik niet van cadeaus houd, in tegendeel zelfs. Maar die liefde is toch wel bekoeld. Het idee dat iemand speciaal aan mij heeft gedacht en iets heeft gevonden – soms met heel veel moeite – en daarvoor naar de winkel is gegaan, dat vind ik geweldig. Dat zijn de mooie kleine dingen van het leven. Maar het overvloedig kopen van cadeaus omdat die nu eenmaal bij een feest horen, dat vind ik onzin. Het is een duidelijk voorbeeld van de destructieve consumptiemaatschappij, waarbij bezit belangrijker is dan gewoon zijn, goed zijn en goed contact hebben.

 2203279-6c94cdda9c649c60aafc47380a1fa803.jpeg 

Die contacten vormen voor mij het mooie deel van kerst. Hoewel ik een onblusbare hekel heb aan geforceerde gezelligheid, ben ik stiekem blijven houden van die donkere dagen en denk ik terug aan de warme chocolademelk met rozijnen boterhammen na de nachtmis en het samenkomen met fijne mensen. Dan wordt mensen bezoeken en ontmoeten een heel stuk intenser en oprechter. Het draait niet meer om het uitgebreide eten of de cadeaus, maar om het samenkomen en genieten van elkaar. Daar kan geen cadeau tegenop! Als mijn petekind vraagt wat ik graag voor mijn Kerstmis en Nieuwjaar zou willen hebben, dan kan ik gewoon niks meer bedenken dat aan die vereisten kan voldoen. De afgelopen jaren ben ik mij altijd beter gaan voelen naarmate ik de indruk kreeg dat ik het met minder kan doen. Gisteren stond ik voor de boekenrekken in mijn bureau. Ik ploegde door de stapels spullen die ik door de jaren heen heb gekregen en verzameld. Ongelezen boeken, cd’s, dvd’s en videobanden met het cellofaantje er nog rond. Ik heb ze nooit opengedaan en dus nooit beluisterd of bekeken. Ik neem me voor die allemaal in de ‘weg-doos’ onder te brengen en stilletjes te laten verdwijnen. Of zou ik ze toch maar weggeven als cadeau aan iemand die er ook nooit om gevraagd heeft. Ze zijn goed bedoeld, maar door mij onvoldoende geapprecieerd.

   

We worden in deze tijd van het jaar bijna gedwongen om te gaan consumeren tegen de sterren van kerstmis op. Ik vind het zonde om iets duurs te kopen of te krijgen. Ik heb liever dat men iets van zichzelf toont of geeft. Ik pakjestijd mogen we ons kwetsbaarder opstellen. Het hoeft niks groot te zijn: een kaartje met een fijne tekst, een goeie babbel of een deugddoend bezoekje zijn ook parels van geschenken. Die blijven veel langer hangen dan een duur geschenk. Tijd vrijmaken voor iemand, en mooie momenten beleven samen. Daar gaat het uiteindelijk om. Misschien zijn we te veel de ware betekenis van cadeaus vergeten en doet de waarde van het pak vergeten dat de waarde ervan niet bepaald wordt door de prijs. Pakjes zijn waarschijnlijk wel ideaal om je wensen tastbaar te maken. Vormen de overvloedige cadeaus voor de ontvangers geen aanleiding om hun drang naar hebberigheid te cultiveren? Het cadeaupapier zorgt ervoor om de nieuwsgierigheid naar wat erin zit te versterken. De gretigheid bij het gelijktijdig openmaken van de eigen cadeautjes zorgen voor een slagveld van verscheurd papier en verhindert dat je nog kan ervaren hoe anderen nog blij kunnen zijn met hun geschenk. Verdeelde vreugd wordt dan verloren vreugd. In Zwitserland zal men zijn uiterste best doen om het cadeaupapier niet te scheuren tijdens het uitpakken om zeker niet hebberig over te komen. Bovendien toon je door je hevigheid weinig respect voor de volgehouden inpakkunst en de inspanning van de milde gever. Dikwijls is een praktisch geschenk mogelijk niet verpakt zoals je dat verwacht. Maar het komt wel goed aan.

 2203279-2576c6624d55a5aaf97bae0fc7e4a6c7.jpg 

Kinderen kunnen met zoveel cadeautjes overladen worden dat ze niet meer weten waarmee ze moeten spelen. Het is soms gewoon teveel voor ze. Ze worden dan cadeautjes openscheurende machines, die seconden nadat ze het laatste geschenkje hebben. opengemaakt al om het volgende vragen. Ze weten niet eens meer wat ze allemaal gekregen hebben, laat staan dat ze het waarderen. Je kunt je dan afvragen: is een cadeautje een beloning, een belofte nakomen of wordt het een verwenning? Waar ligt de grens tussen, grof gezegd, gierig zijn en een verwend nest kweken? Ook dan en op dat niveau geldt het gezegde ‘in die Beschränkung zeigt sich der Meister’.

Ik heb van diegenen die voor mij geschenkjes kopen door de jaren heen al zoveel gekregen en deugd gehad, dat ik vanaf vorig jaar bewust de boot heb afgehouden. Men moet mij niet meer plagen met de vraag ‘opa, waarmee kunnen we jou een plezier doen met kerst?’  Ik laat het over aan hun eigen initiatief. Ik vind dat ze mij al zoveel cadeaus gegeven hebben dat het echt niet veel meer hoeft te zijn. Mijn kinderen hebben me toen een origineel eindejaarcadeau gegeven. Ik kreeg twee opvallende wenskaarten met daarop een kip en een Kerstgeit van Oxfam onder de kerstboom. Zo heb ik rechtstreeks kwetsbare families geholpen bij het kweken van geiten en kippen. Dat zijn nuttige en originele geschenken die levens veranderen. Dan wordt geven zaliger dan krijgen. 

 

Bij weinig mensen duurt dankbaarheid langer dan het geschenk. Grote cadeaus hoeven geen felle strikken. Vrede aan iedereen van goede wil, luidt de traditionele wens met Kerstmis. Vrede aan iedereen die met zichzelf in vrede kan leven, lijkt een grotere wens in deze wankele tijden.

We kunnen elkaar beter een duurzame cadeau geven die niet zo tastbaar is, maar echt voelbaar en helemaal uit het hart. Zalig kerstfeest!

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 12:58 Reageer op dit bericht Stuur door

DE TROTS VAN EEN EZEL

GEDULD IS DE TROTS VAN EEN EZEL DIE ONDER ZIJN LAST RUSTIG BLIJFT EN GEWOON VERDER STAPT

Haastige spoed is zelden goed. In de moderne maatschappij krijg je veel dingen binnen de kortste keren aangeleverd, zoals informatie via het internet. En toch worden mensen nog ongeduldiger. Voor betere antwoorden moet je vaak een nachtje slapen of meer mensen raadplegen. De beste raadgevers zijn meestal niet snel bereikbaar. Ze hebben een hekel aan gemaild of gebeld te worden. Maar ook vóór de snelle communicatie bestond, vierde ongeduld dikwijls hoogtij. Soms moet je simpelweg wachten tot iemand zijn bedoelingen verraadt. Mensen willen, zeker als ze kwaad zijn, te snel actie ondernemen… of niks doen.

2200590-85489d3ec3708b50f5b016bcaa073050.jpg

We leven van het ene probleem naar het andere. Wat voor de ene een probleem is, is voor de andere kinderspel. Als je bij het minste onverwachte in paniek slaat, dan stokstijf steendood blijft staan, de armen omhoog steekt en denkt dat er geen oplossing is, dan eindigt de rit vrijwel onmiddellijk. Een mens heeft in zo’n geval drie dingen nodig: geduld, geen paniek en daarna moeite willen doen om iets te doen. Zo kun je tenminste zeggen dat je iets hebt gedààn. 

 

Alle dingen zijn moeilijk voordat ze gemakkelijk worden.Je moet tegenwoordig stalen zenuwen en een onverwacht incasseringsvermogen hebben om te overleven in een wereld die over vertechniseerd is. Alles is zo vanzelfsprekend geworden en de pakjes geduld die je kunt kopen, worden zeldzamer dan de frietzakjes in de laatst verdwijnende frituren. We vinden het zo gewoon dat alles voor ons wordt gedacht en gedaan dat geduld soms ver te zoeken is. Techniek is voor heel veel mensen iets dat je vooral tegenkomt als het niet werkt, en àls het niet werkt, moet het binnen de kortste keren, en als het kan nóg vlugger, verholpen zijn. Met alle elektronische hoogstandjes qua telefoneren, zien en horen, zijn we vergeten dat die toestellen alleen maar doen waarvoor ze geprogrammeerd zijn en in hun onwetendheid geen rekening houden met het ongeduldig en verkeerd getokkel van hun bedienaars. Handleidingen kunnen helpen om veel voorkomende problemen op te lossen maar verhuizen meestal achteloos naar het rijk van de papiermand. De meesten denken dat hun brains zomaar mee geëvolueerd zijn met die vernieuwende elektronica. De schuld daarvan is de combinatie van zes letters die we nog wel kennen, maar onvoldoende kunnen gebruiken: 'geduld'. Franciscus van Sales (Salesianen) zei ooit: "de mensen moeten geduld met elkander hebben, en de dappersten zijn zij die de fouten van anderen het best weten te verdragen". Mag ik je even meenemen op de weg naar geduld, want dat is de enige manier om inzicht te verwerven.

 

Probeer de kwaliteit van je stalen zenuwen eens uit te testen. Oefen je geduld alvast elke morgen vanaf 8 uur in de Pierstraat op weg naar de E19 of op de middenstrook van de A12 richting Antwerpen dan leer je wat een file is. Of voor wie weekendtraining verkiest: op de zijbaan Boom-Antwerpen van de A12 kan je elke zaterdag geduld zoeken en oefenen op weg naar het koopcentrum A12 in Schelle, waar oorspronkelijk enkel meubelzaken uit de grond mochten groeien. Anders dan bij vriendelijkheid, dankbaarheid of vrijgevigheid gaat het bij geduld niet om wat je doet, maar vaak juist om wat je niet moet doen. Alles draait om je inhouden als je je nog eens wilt laten gaan. Sluipwegen zoeken is dan een vrolijke ergernis die meestal nog erger is. Dan is het moeilijk om te grootmoedig te accepteren waar je moeite mee hebt en het wachten op de wereld en je medemens laat gebeuren, in plaats van overal achteraan te rennen en gebeurtenissen te forceren. Als gepensioneerde heb je een beetje geluk: je krijgt meer geduld – en tijd - naarmate je ouder wordt en eigenlijk niet veel tijd meer hebt, hoe je dat ook interpreteert!

 

De situaties om ongeduld te oefenen zijn legio: in de file, op de trein, het wachten op een onbeantwoorde beltoon - het nummer kan uw oproep niet beantwoorden -, een wachtrij voor het toilet, een bus of tram die te laat komt... Ze brengen vooral irritatie, boosheid of nog ergere dingen. Op dat moment moet je beseffen dat je aan zelfontwikkeling van geduld kunt doen. Ben je zelf klaar om te zeggen wat je wil en wil de andere naar je luisteren? Daarop wachten en het juiste moment kiezen, dat heet geduld. Geduld hebben betekent niet bang zijn om je tijd aan iemand anders te geven. Geduld is de trots van een ezel die onder zijn last rustig blijft en gewoon verder stapt. Geduld is een beetje zoals onverzettelijke windmolens. Die wijken nooit van plaats om wind te vangen. Ze kunnen wel meehelpen door zich naar de wind te zetten.

 2200590-2bbc14bfe9eefcc7914d8b8b8bb1498a.jpg 

Files groeien automatisch uit het groepsgedrag van automobilisten en zijn een beetje als het gedrag van watermoleculen. Als de weg nog niet druk is, bewegen de deeltjes (automobilisten) zich vrij als watermoleculen in waterdamp. Wanneer de drukte van de weg een bepaald kritisch punt overschrijdt, gaan de bestuurders zich gedragen als moleculen in een vloeistof: de ene molecule heeft direct invloed op de naastgelegen deeltjes. En op het moment dat het nog erger wordt, veranderen de watermoleculen in ijskristallen en zit iedereen vast: file over heel de lijn. Zolang iedereen maar dezelfde snelheid aanhoudt, gebruik je optimaal de capaciteit van de weg en krijg je geen opstoppingen. Kleine verschillen in snelheid zorgen dan al voor grote problemen. Ongeduldige mensen mogen nog veel leren van schapen, vogels en bacteriën. Die hebben al lang door hoe ze files kunnen vermijden... en ze blijven bewegen. Met doodgewone talenten en buitengewoon geduld, ligt alles binnen handbereik.

 

Als er echt iets tegengaat helpt het zelden voldoende om ‘shit’ of ‘dedjuu’ te zeggen. Blijf kalm. Wacht even om zelf te zien dat je je niet nodeloos druk maakt of je te vroeg geroepen hebt. Overschouw het slagveld en beslis dan meteen wat je moet doen om uit de rats te geraken. Dan ervaar je zelf eens wat de trots van een ezel is die onder zijn last rustig blijft en gewoon verder stapt. Onverstoorbaar, maar rechtdoor.

Marcel Huysmans

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 11:55 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Schuinschrijfsels

↑ Terug naar de berichten