Naar de inhoud

Schuinschrijfsels

inktlekken uit mijn pen
akke.beakke.be

Archief

BOMEN MET EEN LAGE TAK

Bomen met lage takken

 

Vorige week vond ik bij een opruimbeurt in mijn oude Latijnse spraakkunst van Geerebaert (met ezelsoren) een langgekoesterd briefje waarop geschreven stond: "Avibus aegre volantibus Deus humilis ramos creavit". Het klonk als Bart de Wever die het zou zeggen. Het zat daar al verborgen van in de zestiger jaren en met al mijn vroegere kennis van de  klassieke talen verstond ik die woordjes nog, behalve 'aegre'. Een duik in mijn even oud woordenboek Latijn-Nederlands leerde me dat het betekende: onaangenaam/moeizaam/zwaar/nauwelijks/niet graag. Toen wist ik het weer: "voor de vogels die maar moeizaam kunnen vliegen, heeft God de lage (nederige) takken geschapen." Dat deed me denken aan ‘onze’ vogel voor mij het sein om een vroeger gelezen Japans verhaal weer op te diepen...

Eens was er - zoals in alle sprookjes - een vogel met slappe vleugels. Ik kende hem goed want hij kwam op ons tuinterras voor het oog van de kleinkinderen graantjes en broodjes pikken. Daarom noemden wij hem 'onze vogel'. Het was een merel. Dit jaar heb  ik hem niet meer gezien, maar dat heb je met die merelziekte. Uitvliegen ging nog juist, maar hij voelde precies lood in zijn vleugels. Iedere keer had hij schrik om wat er komen ging en je zag hem twijfelen of hij er wel zou geraken. Pieren pikken vond hij de hoogste luxe. Hoog vliegen kon en durfde hij helemaal niet meer, want hij dacht dat hij te weinig kracht had en dus mankeerde het hem ook aan moed die hij zo nodig had. Hij had zijn gezellen wel eens over een minderwaardigheidscomplex horen snateren, maar dat woord kon hij niet over zijn bek krijgen. Het werd al te veel als hij er aan dacht. Zeker als hij op een stralende zonnedag de andere vogels in de azuurblauwe hemel hun kunsten zag verkopen - bijna tot tegen de hemelrand - werd hij weemoedig en stil. Zij toverden hun arabesken met de sierlijkste krullen en stuurden in de vlucht fluitende boodschappen van verliefdheid en hoop op, onder, boven en tussen de wolken door. Zij schreven codecijfers in de wolken en onderstreepten ze met letters die aan de verbeelding niets over lieten...

2131758-41315d10a799eb42e05e493905ae6c89.jpg

Onze vogel keek vol bewondering naar zoveel jeugdig geweld en doodgewone durf en pikte zelf alleen maar op de grond of in het gras. Dan trippelde hij wat rond en kreeg iedere keer weer goesting om zelf ook iets méér te proberen. Dan vloog hij op, enkele meters ver maar, en zocht zeer vlug weer de veilige grond en de gewone wereld op. Hij kwam zelfs vlakbij ons als wilde hij meebabbelen. Met vogeltranen in de ogen zag hij verdrietig de andere vogels tot in de takken van de hoogste bomen vliegen. Daar bleven ze zitten, keken rond en dacht dat die een héérlijk gevoel moesten hebben bij het zien van al die mensen en dingen daar ver beneden. Soms bleef hij minutenlang naar boven kijken en daarbij zag hij zelfs niet dat er nog andere vogels waren zoals hij. Dan voelde hij de kracht in al zijn pennen en veren groeien, werd een beetje moediger en van tevredenheid plooide hij zijn vleugels eens extra wijd open. Hij klepperde zich een goed gevoel bijeen. En toen... werd alles hem te machtig. Hij nam een aanloop, dook in rechte lijn de lucht in en voelde meteen dat het te hoog gegrepen was. Zijn spieren die hij net nog zo sterk had aangevoeld, wilden niet mee. Hij keek in een reflex nog even rond en ietsje verder zag hij onze leilinde die gelukkig nog heel wat lage takken had.

 Hij landde vlot, maar helemaal niet voldaan, op een brede tak en kroop stilletjes tot tegen de stam. Daar zat hij een beetje uit de wind en vleide zich tegen de schors van de boom die lekker aanvoelde. Hij voelde zich zowaar gezellig warm worden van binnen. Op dié tak voelde hij zich thuis. Ineens bemerkte hij dat er nog vogels in zijn buurt zaten. Ze zagen er niet treurig uit en onze vogel vroeg zich af wat hen begeesterde. Hij schrok: van daar zag hij alles waar hij zelf goed bij kon en wat hem interesseerde. Speciaal voor vogels als hij had God zeker de bomen met die lage takken geschapen. Die zorgde er ook voor dat zieke vogels en vogels die pijn hebben of moe zijn hun eigen plaatsje krijgen. Als je daar zat, kon je heel goed zien wat er beneden gebeurde en tegelijk dromen van hoe hoog de hemel wel is. Zelfs dat geeft een goed gevoel.

Vandaag de dag zijn er heel wat mensen die de lage takken van de bomen wegzagen omdat ze aan de hoge niet kunnen raken. Zo maak je van een reus een ontzielde trieste boom die trots de hemel inwijst maar alle contact met de grond is verloren. Bij zo'n boom kunnen mensen met weinig kansen en weinig aanzien die in hun kleine wereld leven niet meer terecht. En omdat ze geen rust- en zitplaats meer hebben, worden minder goed geziene mensen én kinderen in onze samenleving minder en minder gezien en gehoord.

2131758-12d9a9356ccf1eb76fc28cac7ef5e897.jpg

Ik heb gelukkig nogal wat mensen ontmoet waarnaar ik echt kan opkijken. Hierdoor zie ik mezelf in een correcter perspectief. Ik weet wat ik kan en waar mijn talenten liggen, maar op sommige terreinen voel ik dat ik ook lage takken nodig heb. Soms denk ik, dat mensen die veel van elkaar houden en er zijn voor elkaar, bomen zijn met al hun talenten en dus ook mét lage takken… Dat komt niet van mij, maar wel van mijn goede vriend Ward Bruyninckx zaliger. Takken waarop ook de vermoeide, verdrietige, verloren vogels zich kunnen neerzetten. Dan denk ik aan de oude vrijstaande lindeboom in de wijk die zijn kruin heeft in de vorm van een hart, net zoals de vorm van zijn blad. Hij heeft lage én hoge takken zodat elke vogel zich veilig en beschut weet. Zijn wortels zitten diep in de grond verankerd en bieden houvast. Voor mij is hij het model van levensboom waarin elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.   Mensen die van elkaar houden, zijn bomen met lage takken.  En onze vogel heeft mij juist hetzelfde verteld. Dan zal het wel waar zijn.

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:46 Reageer op dit bericht Stuur door

IENE MIENE MUTTE

Ik heb altijd graag rijmelarijen geschreven, een verborgen bezigheid die niet altijd door iedereen gesmaakt wordt. Jarenlang was het kolder, dan rijmpjes schrijven voor Louis Verbeeck en Jos Gijsen en daar heb ik menig miniflesje jenever mee gewonnen. Toen kon dat nog. Je kunt er maar voor een bepaald publiek mee naar buiten komen en hoogstaande litteraire onderscheidingen blijven voor eeuwig achterwege. Een deel van mijn rijmcapaciteiten is zeker ontstaan door het voortdurend aframmelen van aftelrijmpjes in mijn kindertijd. We zeggen wel aftelrijmpjes, maar ze werden ook in breder perspectief gebruikt als hinkelrijmpje, kinderliedje of getallenliedjes. Het zijn de liedjes die generatie na generatie doorgegeven en geoefend werden en die onvermoede structurerende en educatieve kracht gaven aan de allerkleinsten. Aftelrijmpjes danken hun naam aan het feit dat ze eerst en vooral dienen om te leren tellen, maar in realiteit zijn ze nog veel straffer. Ze helpen kinderen om taal te leren en om woorden met beelden te verbinden. Door die verbeelding zetten ze meteen hun eerste stappen in de poëziewereld van de kinderversjes. Dikwijls kunnen door het herhalen ook moeilijke klanken in eender welke taal aangeleerd en gedrild worden. Of dat dan in het Frans, Duits, Engels, Afrikaans of Zoeloeees gebeurt, speelt dan helemaal geen rol.

 

Aftelrijmpjes behoren tot de kindercultuur. Ze zijn relatief kort, gewoonlijk niet meer dan 40 woorden, en ze hebben een zeer regelmatige versbouw: strak metrisch patroon, eindrijm en soms alliteratie (gelijkheid van beginmedeklinkers), onomatopeeën (klanknabootsingen) en nog vele dingen meer. Die litteraire middelen worden in de versjes met een zwierige variatie en verfijning gebruikt, wat duidelijk de creativiteit en spontaneïteit van de kinderen die ze produceren laat zien. Iedereen kent nog wel het eindeloze aftelrijmpje: Olleke bolleke, riebesolleke, olleke bolleke, knol. De klankstructuur lijkt zo typisch Nederlands, dat weinig mensen verwachten dat het ook in een andere taal kan bestaan. Maar vrijwel hetzelfde rijmpje komt in Engeland voor: Olicka bolicka, susan solicka, olicka bolicka, nob. Wij gebruikten vroeger – en nu doen mijn kleinkinderen dat nog – hetzelfde rijmpje voor het spelletje met de toren van vuisten, alleen wordt dan het rijm afgesloten met ‘al wie handen of tanden laat zien, krijgt tien stompen en één beet’. Je ziet het: hoogstaande litteratuur!

 

Op de speelplaats van de kleuter- en lagere school, maar ook in de jeugdbeweging, speelden we allerlei spelletjes en zegden dan een rijmpje op om te zien wie het eerst aan de beurt was of wie eerst moest afvallen. Daarbij werd iedere deelnemer op de maat van het aftelrijmpje met de vinger aangewezen. Wie werd aangewezen op het moment dat het liedje stopte, was de geluksvogel of het volgende slachtoffer. Dat daarbij ongemerkt trucjes in de versjeswereld manipulatie van de groep of vage vermoedens van bedrog bij sommige deelnemers deden opkomen, was zeker niet de bedoeling maar kwam wel voor. Dat was trouwens de reden waardoor sommige spelletjessessies een vroegtijdig einde kenden.

 

Sommige van die beginrijmen waren ideaal om tegenover groteren toch de baas te kunnen spelen. Eén van de eerste aftelrijmpjes die ik leerde, was: ‘ippe, tippe, torreke, de meester heeft een snorreke, de meester heeft een sik, en af benne kik’. Een ander was: ‘oze wieze woze wieze walla cristalla cristose wiese wose wieze wies wies wies wies’. En dan nog eentje om de makers van Junior Master Chef jaloers te maken: ‘crême la glace, zat in de kas, vader dacht dat ’t boter was, moeder sneed een stukje af, oei, oei, oei, ’t was crême la glace’. Zoals het opzeggen van het alfabet, de vervoeging van ‘esse’ in het eerste jaar Latijn en ‘hotten-totten-tenten-tentoonstellingen’ zijn mij die triviale rijmpjes bijgebleven. Na zoveel jaren kan ik ze nog met het grootste gemak opdreunen zodat ik zelfs vermoed dat mijn geheugen er – buiten mijn weten om – een groot belang aan heeft toegekend. Misschien was het voor mij toen soms een zen-boeddhistische mantra die ik vrij vlug opnam, maar het resultaat blijft een gewoon plezierig rijmpje. Het helpt kinderen bij het maken van keuzes. Bij het opzeggen van zo’n versje – iene miene mutte – worden alle keuzemogelijkheden psychologisch langsgelopen, tot er maar één optie meer overblijft. Zo neemt de groep unaniem een besluit over wie ‘hem is’ (van het werkwoord ‘hem zijn’) om ‘te gaan staan’ bij verstoppertje of buskesstamp. Het is een snelle eenvoudige beslismethodiek die leidt tot breedgedragen gevolgen. Op die manier kunnen kinderen op een schijnbaar onbevooroordeelde manier bepalen wie de “baas” is.

Volwassenen maken bijna nooit keuzes op basis van een aftelrijmpje. Ze denken dat de wereld om hen heen gedeeltelijk beïnvloedbaar is door rationele keuzes, en willen de uitkomsten ervan laten aansluiten bij hun persoonlijke belangen. Toch vochten Christie's en Sotheby’s enkele jaren geleden met een aftelrijmpje uit wie een kunstcollectie van 17,8 miljoen dollar mocht veilen. Kinderlijk eenvoudig als ‘kop of let’ bij de voetbaltoss.

 

Zo heb ik ook mijn eerste Franse poweziekes geleerd. Weet je ‘t nog? Un, deux, trois, qui à la balle? Wie heeft den bal van Carnaval ? Draai u om, dan weet g’het al. 1 kind stond dan voor de groep met een bal in de hand, draaide zich met de rug naar hen en gooide hem achterover naar de groep. Die verstopten hem achter hun rug en zongen het liedje waarna het slachtoffer vooraan moest proberen te raden wie de bal in zijn of haar bezit had. Je moest dan wel de pokerfaces van je tegenstanders kunnen bestuderen. De échte kinderliedjes of aftelrijmpjes hadden ook altijd van die eigenaardige gedachtesprongen. Ze begonnen dikwijls met het magische ‘pot, pot, pot’ en het hele protocol werd dan ook ‘afpotten’ genoemd.

 

Een kleine greep uit de aftelrijmpjes die me nog te binnen schieten: Iene miene mutte, tien pond grutten, tien pond kaas, iene miene mutte, is de baas. Onder het water, lag een pater, met zijn tenen boven water, hoeveel tenen had die pater? Dan moest iemand een getal zeggen en dan kon je aftellen…

Achter het kapelletje lag een dikke rat, mieke van me zellleke had erop getrapt oei zei dat ratteke, stukske van mijn gatteke en gij zijt eraf! Alle indianen, schieten met bananen, pif poef paf, uw broek zakt af! Onder de piano lag een ei, in dat ei daar zat een brief, waarop te lezen stond wie is uw lief?

(de aangetikte moest dan een naam zeggen, bv Maria,)... Ma-ri-a  en de laatst aangetikte was dan af. Ik herinner me nu nog dat ik een paar keer een rode kop heb gehad, als 8 - 9 jarige, om die onthulling te moeten doen, bij de gemengde spelletjes... Zeker omdat ik toen nog in een niet-gemengde school zat waar aftelrijmpjes ook al vlugger tot de geschiedenis behoren…

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Marcel Huysmans om 22:58 1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

LEVE DE ZAPMAATSCHAPPIJ

 

 

Zappen is je gedachten laten dwalen en af en toe inpikken bij verse ideeën. Zo kun je verrassende denkreizen maken, niet gehinderd door gedachtesprongen en het rempedaal op je verbeelding. In het begin van vorige eeuw zocht de Amerikaanse auteur Philip Francis Nowlan, de geestelijke vader van stripheld Buck Rogers naar een woord om het geluid van een laserpistool te simuleren. Zo werd 'zap' geboren. Bij ons stond het als 'wham' in de tekenverhalen. In de Vietnamoorlog gebruikten de soldaten deze onomatopee om geschutvuur, vlammen of elektrische stroom van geluid te voorzien. En toen wij klein waren riepen we na een treffer, terwijl we met de hand een pistool nabootsten, "zap! je bent dood!"

 

We leven nu in een echte zapmaatschappij. Begon het met de afstandsbediening van de televisie? We zappen overal, zelfs immaterieel: zappen voor het beste telefoonabonnement, de goedkoopste energieleverancier en zelfs de beste arts. We doen aan jobhoppen, liefst bij een andere firma en anders rouleren we intern, want na vijf jaar zijn we het beu alsmaar hetzelfde te doen. Met ons spaargeld zappen we bijna ongeremd en het internet is daarbij het middel bij excellentie. Grensoverschrijdend zappen we ook met nationaliteiten. Omdat de concurrentie in Nederland te groot was, werden sommigen Kazach en konden toch nog naar de Olympische spelen, bleven in Nederland wonen en wilden uit twee ruiven eten... Iedereen wil alles bereiken wat zijn hartje begeert en doet dit best via de weg van de minste weerstand. Alleen maar vanuit je luie zetel op de knop drukken en hop: je krijgt wat je wil!

 

Een van de meest geliefde plaatsen om stille gevechten met soms erge gevolgen te beslechten is de (lig)zetel tegenover de sinds enkele jaren reuzenschermtv's. Het misdaadwapen bevat toetsjes die zowel almachtig reageren op een sublieme vingeraanraking als op een brute aanslag bij opduikend onweer. Nog machtiger wordt het als het bedieningskastje voor meer dan één toestel de programma's dirigeert. Thuis heb ik al een verzameling van draadloze toestelletjes, gevoed met twee of meer batterijtjes die een onzichtbaar signaal uitzenden. Ze zetten een hersenkronkel om in een uiterlijk ongedwongen beweging om een hele reutemeteut aan aanbod in werking te stellen. Som de afstandsbedieningen maar op: de televisie, de dvd, de cd-speler, de videorecorder en zelfs bij een nieuwe computer wordt tegenwoordig een langeafstandsbediening meegeleverd. Ik schrok mij een aap toen ik bij levering van een zonneluifel ook een zapwonder kreeg 'geoffreerd'. De zapdynastie slaagt er in om met een verlossend gebaar de wereldgebeurtenissen aan je voeten te krijgen

Met een zapper bestuur je, regel je of bedien je jezelf. Je hoeft niet op te staan, je bespaart op reiskosten, hebt meer ruimte en ontloopt je onbereikbaarheid of ongunstig weer. Daarvoor zijn de mogelijkheden legio: elektrisch met een draad, met geluid of internet, met licht of andere straling, met radiogolven maar ook met klassieke mechanische middelen zoals stangen die trekken of duwen. Ideaal wordt het dan wanneer je ook nog een signaal terugkrijgt om het resultaat te controleren. Voor alles hebben we een zapper en hij beheerst het leven door een drukken op de knop zoals Trump en die Noordkoreaan die zo ver van hier zit dat ik nog niet de moeite kan doen om zijn naam te onthouden. Heel die hype wordt dan nog gecultiveerd door het smartphoneduimen. O krinkelende, winkelende tokkelding, schreef Guido Gezelle, hoewel hij nog niet kon weten dat er dingen waren die nog sneller over het water schaatsten als vingervlugge duimen op een smartphoneklavier...

Voor televisie noemen we het ook nog kanaalzwemmen of zenderfietsen. Het kastje dient vooral om reclameboodschappen te ontwijken. Dat maakt het keuzeaanbod en jezelf zenuwachtiger, dwingt tot heen- en weerspringen of zelfs tot koelkastspurtjes en snoepmomenten die enkel tot verborgen obesitas leiden. Sommige mensen hebben ellendige nevenverschijnselen door die reclame opgelopen: ze kijken zo veel naar VTM en Vier dat ze 's nachts moeilijk kunnen slapen. Ze worden uit gewoonte iedere keer na een poosje wakker voor een reclameboodschap...  

De 'afstandsbedieningen' moeten wel heel stevig zijn. Bij een kort levensoverzicht van een tv-model blijkt dat zij de ergste stormen moeten kunnen trotseren. Hun gebruik op de plaats van uiterste luiheid, hun aanwending in alle beschikbare toestanden tussen horizontaal en verticaal én hun behandelingsmethode door zijn machthebber, zijn hiervan de oorzaak. Ze moeten een val op steen, tapijt en parket kunnen overleven. Ze moeten een luchtige of straffe douche met (spuit)water en gesuikerde cola kunnen doorstaan en last but not least: bij een wankele bediening moeten zij sterker zijn dan de soms hevige klopbeurt die hen weer tot activiteit moet aanzetten. Bij defect moet dat ding het bekopen door onmiddellijk nieuwe batterijtjes te plaatsen of in het uiterste geval te vervangen door een universeel exemplaar uit de Lidl, als je die tenminste nog aan de praat krijgt. Wie dan kalm blijft en weet dat hij met een eenvoudige ingreep de kanalen nog met de hand kan kiezen, wordt ingehaald als reddende engel. Al betekent dit wel een grote toegift aan het summum van gemakzucht: opstaan uit je zetel om een andere zender te kiezen.

 

De zapper is in heel wat gevallen ook een wapen in de handen van de macht-hebber. Hebben is hebben, krijgen is de kunst. Dat is een harde strijdleuze of een stil denkpatroon om de schermheerschappij te behouden of te verwerven. Ruzie in het huishouden kan daar in de kiem gesmoord worden of anders uitbarsten. Men bepaalt niet alleen wat men wil zien, maar ook wat men zeker niet wil zien.

 

De actualiteit van informatie wordt minder belangrijk dan de mate waarin de informatie zich aan de werkelijkheid onttrekt. Veel mensen mijden Nieuws en Journaal omdat ze zo tijdsgebonden zijn en door hun onvoorspelbaarheid niet meer de zorgeloosheid van het gepropageerde leven waarborgen. Leve de opgenomen programma's! Wat zich vandaag voordoet, is minder belangrijk dan wat zich in nauwkeurig afgemeten en geënsceneerde graden van emoties hoofdzakelijk in de wereld van de fantasie heeft gecreëerd. Zich imaginair goed voelen bij een situatie is belangrijker geworden dan de impact op de werkelijke gelukservaring van de mens. Wij zijn een beetje (veel) robot geworden van het ideaalbeeld dat anderen voorschrijven. We zappen naar een volgend opwindingsmoment en we willen dat zoeken op zo veel mogelijk plaatsen. Aan het roer staan, beslissen wat je zelf wilt zien en wat niet, geeft een gevoel van macht op een terrein waar voorlopig niemand anders aan kan.

Tot slot: behandel je 'zapper' met zachtheid: er zijn al voor mindere oorzaken oorlogen uitgevochten! Zap! Zap! Zap!

Marcel Huysmans        

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 13:39 Reageer op dit bericht Stuur door

GELUIDEN UIT DE HEMEL

Voor mensen uit de eenentwintigste eeuw is er héél veel dat zo normaal lijkt, dat ze er niet meer over verwonderd kunnen zijn. HD-en Smarttelevisies, i-pods, blue rays, MR-scans, smartphones, snapchat en ander technologisch gesnuffel zijn alledaags geworden. Toen ik vijf was, maakte ik naast de grote “zorg” (bij mijn grootvader een zetel om de zorgen te vergeten) kennis met het wonder van de radio. Het was een grote bruine kast, met een onrustig knipperend en hypnotiserend groen oog, een aantal obscure preselectietoetsen en een indrukwekkende zenderschaal die ergens met een witte naald in de buurt van de stad Beromünster de gekozen ‘post’ deed vermoeden. Toen had je nog de middengolf (AM), de lange golf (LW)- met onduidelijke inhoud - en een korte golf (KW) die meestal een kakofonie van piepen en kraken op wisselende niveaus uitbraakte. FM was nog niet uitgevonden en is nù bijna helaas voorbij. Het leken wel ‘geluiden uit de hemel’, wat men later vertaalde als ‘in de ether’, omdat de boodschap helemaal niet van God de Vader bleek te komen, maar wel van moeilijk opspoorbare zenders als NIR, Radio Luxemburg,…

 

We hadden thuis een klein bakelieten radio-exemplaar dat gepromoveerd was op grotere hoogte, want het stond op een driehoekig ‘schabbetje’ boven de ‘zorg’ van thuis met bovenop een roodglimmend kruisje bij ’t Heilig Hart. Ik herinner mij nog de belangrijke dinsdagavonden waarbij elke week, vanuit een plaatselijk zaaltje, de bonte avonden van Omroep Antwerpen werden uitgezonden. Het deed me denken aan de kampvuurnummertjes die in de jeugdbeweging ook het plaatselijke talent aan bod lieten komen. Het was de tijd van klein Peterke, een creatie van Will Ferdy, die met moeilijk na te bootsen kleuterstem de kinderwaarheden uit die tijd voor de grote mensen debiteerde. Het waren avonden waarbij ik uitzonderlijk tot half tien mocht opblijven… Nu nog begrijp ik wat de uitdrukking ‘aan de radio gekluisterd’ wilde zeggen, want toen waren dat voor mij hoogdagen bijna in het midden van de week.

 

Misschien is de kans groot dat je zelf een afgedankte, antieke radio in je garage laat verkommeren. Da’s een zonde: je hebt, zonder dat je het beseft, een designstuk in huis dat de geluidskwaliteit van moderne radio's overtreft. Oude radio's werden vanbinnen ‘aangedreven’ door warmlopende radiolampen (buizen). Daarom had de achterwand van zo’n radio een dunne geperforeerde plaat om de warmte te laten ontsnappen. Het geluid van een antieke radio klinkt door die lampen letterlijk veel warmer dan dat van moderne radio's. Leg je oren maar eens tegen een antieke en moderne radio en dan hoor je het verschil: hedendaagse radio's produceren eerder een ‘gemetalliseerd of geplastificeerd’ geluid en op metaal of plastic word je minder gemakkelijk verliefd. Naast een verzamelobject, zijn antieke radio’s dus hemels belangrijk voor de oren van audiofielen. Vanaf mijn jeugd ben ik verslingerd aan radio en radiotechniek. In de loop der jaren bleef die liefde voor de oude buizentechniek en bewaarde ik oude boeken, schema's en toestellen. De transistorradio verving later de buizenradio. De kleinere transistors en later de ‘chips’ namen veel minder plaats in, hadden minder ‘stroom’ nodig, en maakten dat de radio draagbaar en klimaatvriendelijker werd.

 

In het begin van de jaren ’60 maakte (’s zondags) Radio Luxemburg op 208 m furore, juist op het moment dat ik bijna naar de Chiro moest vertrekken. Maar eerst was er nog de ‘Elnett-satinkwis’ met Jef Burm zaliger en daarna kreeg de volumeknop een stevige ruk naar rechts op het ogenblik dat een piepjonge Peter Koelewijn het ‘wekelijkse halfuurtje voor de teenagers’ presenteerde. Het startte met een tune waarbij Cliff Richard (toen al) uitschreeuwde: ‘Ready, Teddy, go man go!’ En dan luisterden we naar Ricky Nelson (Hello, Mary Lou), Eddy Hodges (I'm gonna knock on your door, ring on your bell) en die andere Marcels (Blue Moon). Het was hemels en riep heimwee op…

Enkele jaren later leerden we nachtelijk blokken met de Lange Golf omdat er ’s nachts op de middengolf nog geen uitzendingen waren. Vooral Françoise Hardy (Tous les garçons et les filles, La maison où j’ai grandi) was één van de velen die mij muzikaal ondersteunden tijdens het nachtelijk studeren, naast de zingende thermosfles vol warme koffie.

Elke weekdag, behalve zaterdag, hing ik om kwart voor zeven aan het bakelieten kastje voor 'Sportmagazine'. Maurice Diedonné, Piet Theys en de opkomende Jan Wauters waren in de jaren zestig dé boegbeelden van de sport op de radio. Rechtstreekse radiolijnen waren schaars en de telefoon was duur. Dus kreeg elke voetbalcommentator, in het beste geval van op de tribune, precies één minuut de tijd om negentig minuten voetbal te 'verslaan', maar alleen nà de match. Tijdens hun wielercommentaar kon je soms de vering van hun volgmotor horen. De commentaar werd trouwens regelmatig onderbroken: iedere brug, hoog gebouw of bomenrij, een stevige mist of laaghangende wolken, zorgden voor storingen en slechte verbindingen. Zo werden de verslagen van koersen, voetbalwedstrijden en sport in het algemeen kunst Het hartritme van de luisteraars, thuis of in het sportcafé, ging daarbij soms héél ongezond te keer. Nu gebeurt dat bij sommige dames enkel nog als ze de blonde god van radio en tv Ruben van Gucht hoorbaar ervaren.

Sportmagazine radio heeft jarenlang de ‘onbekende luisteraars’, waarvoor men eigenlijk een monument had moeten oprichten met een eeuwigdurende vlam, aangezet tot meedoen. Er kwamen wedstrijden waarbij teksten werden geproduceerd, limericks werden ingestuurd en onnoemelijk veel nieuwe woorden werden gecreëerd. Een ‘wuivezot’ was iemand die altijd mee op de foto wilde wuiven na de aankomst, een ‘toogslagzwemmer’ iemand die sport beoefende aan de toog van een of andere drankinstelling en ‘Mie Traillet’ was de opvallende jongedame die ’s zondags in de tribune telkens haar keel hees schreeuwde tegen de arbiter. Een latere buurvrouw van me werd ook bedacht met die eretitel, maar dat was enkel voor het geluidsvolume dat ze tegen haar man, haar kinderen en haar honden hanteerde. Destijds leerde ik ook reacties spuien, aan prijsvragen deelnemen, antwoorden op enquêtes of limericks maken en bovendien spelen met woorden en zinnen en teksten breien over de gekste dingen. In de Vlaamse Pockets verschenen in 1971 trouwens een aantal van mijn pennenvruchten onder de titel Sportmagazine-Ding-Dong!

 

Binnenkort zeggen we adieu aan de FM-band. Ondertussen kwamen in september 2013 de DAB-uitzendingen en Dab-radio’s (Digital Audio Broadcasting) uit de ether opdoemen. In de nabije toekomst moeten we misschien allemaal nieuwe radio’s kopen om de DAB+ sinds oktober van vorig jaar te kunnen ontvangen. Je ziet het: radio is een geschenk uit de hemel, met straling uit de ether, verwekker van zalige muziek, wonderbaar en snel evoluerend!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 10:24 Reageer op dit bericht Stuur door

DE BAKSTEEN IN DE MAAG

De laatste dagen werd mijn brievenbus geteisterd door reclame voor het jaarlijkse bouwsalon dat gedurende  tien dagen in de Heizelpaleizen het nieuwsgierige publiek weer aanzuigt alsof de Rode Duivels er nog thuismatchen zouden spelen. De getransformeerde rode baksteenschildpad op het groene gras geeft meteen aan dat de Belg nog altijd met een baksteen op zijn rug en dikwijls in zijn maag bouwen en verbouwen opzoekt. Of je nu opnieuw wilt bouwen of een bestaande woning kopen en renoveren: het wordt alsmaar duurder en voor de gemiddelde Vlaming stilaan onbetaalbaar. En toch laten we dode bouwmaterialen toe om spirit te brengen in het huis waarin we wonen of waarvan we dromen. Iemand zei me ooit: “als je met pensioen gaat en je hebt geen eigen huis, dan ben je er niet zo goed aan toe.” Wie niet gewerkt heeft voor bakstenen, heeft op dat moment ook niet veel om op terug te vallen…

 

Ik woon in een huis naar mijn behoeften. Misschien heb ik door de jaren mijn noden wel aangepast aan het huis waar ik voor gewerkt heb. Met de jaren zijn die nodige dingen ook gewijzigd of beter: mijn behoeften zijn aangepast aan het huis en de toestand waarin ik mij bevind. Wij wonen in een huis met bijna allemaal persoonlijke ingrepen, beslissingen, mogelijkheden. Hoe zijn we hier beland als conglomeraat van Oost-Vlaamse en Kempische roots? We wilden wonen en werken dichterbij brengen, hadden nood aan een eigen stek en afschrik van huren. We dachten aan de kinderen en kwamen terecht in een doodlopende speelstraat die eindigde in de natuur. De buitenlucht, de goede verbindingen in alle richtingen, een grote tuin en het goede gevoel deden de rest. Toen dachten we nog niet aan de dingen die ons nu wel bewegingsvrijheid kosten zoals trappen over twee verdiepingen van een bel-etagewoning. Maar voor alles zijn er oplossingen. Denken (ver)bouwers vandaag méér aan de leefomstandigheden op hun oude dag dan tien jaar geleden? Ik weet het niet.

 

We wonen wel tussen de mensen en we passen in de omgeving, gewoon goed en gelukkig met een beperktheid, maar dat voelen we niet zo aan. Mijn huis heeft letterlijk mijn leven getekend en is altijd een thuis geweest. Thuis betekent voor mij dat ik al het dierbare (redelijk) binnen handbereik heb.

De wereld is een heel grote plek en ik vind het een gunst om daar een paar vierkante meter op te hebben waarvan ik kan zeggen, dit is van mij en daar kan ik me veilig voelen. Dat is voor mij thuis. Oost west, thuis best is een combinatie van veiligheid, vertrouwdheid, voorspelbaarheid en de situatie kunnen overzien. Het is een veilige haven, waar je je geborgen voelt en waar je controle over hebt. Waar je jezelf kunt zijn en waar de mensen wonen van wie je houdt, waar je tot rust kunt komen en waar je aan gewend bent. Ik ben nooit een groot ondernemer van (ver)bouwingen geweest. We kregen wel een nieuwe badkamer, een aanbouw met terras, een eigen bureau en werkplaats, een washok, nieuw buitenschrijnwerk en geïsoleerde beglazing. We deden wel interne aanpassingen aan de verwarming en in de tuin…

 

Mijn eerste thuis was bij ons vader en moeder en dat is minder huisgebonden. Zonder iemand in zo’n huis is dat ineens geen thuis meer. Ik maakte het mee bij de verkoop van het ouderlijk huis waarin moeder de laatste 30 jaar van haar leven 'woonde'. Een huis dat ze stukje voor stukje opbouwde. Het was een stuk van zichzelf dat ze waar maakte, weliswaar toen even lang geleden vader overleed. Waar ze kon van genieten en onbewust afscheid nam toen ze naar het zorgcentrum vertrok. Een huis van ineens afscheid nemen en tegelijkertijd afgesneden worden van het verleden, van botaf gedaan en niet meer kunnen/mogen teruggaan. Een huis dat zomaar wordt afgepakt.Het huis waarin vader en moeder leefden, waar herinneringen groeiden en waar geschiedenis geschreven werd met accenten die ze zelf hadden gekozen. Een huis dat leven vertelde. Een huis met een sfeer van ouder worden, getekend door wat het leven gegeven en ook genomen had. Een ouderlijk huis verlaten, verkopen en niet meer kunnen bezoeken is afscheid nemen van arbeid, realisaties, handenwerk en ideeën van mensen. Aan zo'n huis kleeft een emotionele kant, te belangrijk om te vergeten, maar ook evenzeer belangrijk om los te laten.

 

In 1982 nam ik bewust afscheid van dat ouderlijk huis uit 1927 in de oude Boomse tuinwijk, samen met mijn oudste kleinzoon die toen vier jaar oud was. Gewapend met een zaklantaarn, een schrijfblok en een fototoestel hebben we de hele wandeling gemaakt: van de kelder tot onder de zolderpannen van Boomse makelij die rust en standvastigheid uitstraalden. We hebben van elke ruimte foto's genomen en ook van de grond rond het huis. Het zijn relicten van een ex-eigendom met een ziel, een geschiedenis en zeker een eigen verhaal van liefde voor vader, moeder en de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. De fototrofeeën hiervan waren weg, opgeborgen in koninklijke koekendozen. De foto's vormden voor mij de leidraad tot herinneringen die de moeite waard zijn om niet te vergeten. Op een gebruikte A4-omslag heb ik nog dingen opgeschreven en het resultaat van die 'restjes' heb ik daarna verder uitgeschreven. Wat mij herinnerde aan die twee mensen, probeerde ik te verpakken in het zilverpapier dat de warmte van de herinnering bijeenhoudt en onbewust laat aanwezig blijven om dankbaar aan terug te denken. Ik heb ze mee-verpakt in dezelfde koninklijke koekenblikken. Hoe erg moet het zijn dat je pas beseft hoe gigantisch groot de wereld is als je nergens meer thuis hoort.

 

Die rode gevoegde baksteenslak van Batibouw is verdorie héél goed gekozen. Ze geeft een gevoel van veiligheid, van 'thuis zijn', zoals ook bij Afrikaanse stammen. De schildpad en de boom zijn bewaarders van de tijd. Ze kunnen heel oud worden en dragen tekens van die tijd met zich mee. Een boom krijgt een jaarring bij en voor elk jaar dat voorbijgaat krijgen schildpadden op hun hoornplaten een ribbeltje in plus. Volgens sommige legendes is de schildpad een symbool van eeuwig leven, waarbij de hele wereld op haar rug wordt meegedragen. Ze werd een symbool van lang leven, wijsheid, kracht, betrouwbaarheid, vastberadenheid, welwillendheid, vrijgevigheid, goedheid en geduld. Moet er nog zand zijn? Als er een vorm van leven is die haar eigenheid heeft weten te bewaren, dan is het wel de schildpad. Het gaat haar niet om de snelheid waarmee ze ergens wil komen, maar om wat ze onderweg allemaal ziet en wat er ze er mee doet. Konden wij dat ook maar een beetje meer. Anderzijds is 'uit je schulp kruipen' haar voorbeeld voor ons als het belangrijkste proces waar we voor staan als we ons verder willen ontwikkelen.

 

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 17:32 Reageer op dit bericht Stuur door

DE APOTHEEK VAN DE GOEDE GOD

Af en toe sta ik voor een stapel doosjes, een regiment kleine bruine flesjes en een blistercomplex met witte en anderskleurige pilletjes die samen de bevolking van mijn apothekersdoos voorstellen. Laatst heb ik ze nog eens geteld: op één jaar sponsor ik de apothekersfamilie door de aankoop van 4691 pittige pilletjes: bontgekleurd, van diverse grootte en uitmuntend door de hoeveelheid verpakkingsmateriaal dat eraan is verspild. De rijkdom aan zorgvuldig verzamelde medicamenten verdwijnt in het niets als de nood het grootst is bij grote kleine ongemakken: op dat moment ben je radeloos, onzeker, ongerust en onwetend tegelijk omdat je eigen gezondheid zware steken laat vallen en je niet weet wat mag en kan. Schichtige tandpijn, hevige jicht, grenzeloze hoestbuien, knalharde constipatie, spetterende diarree, uitzichtloze migraine en overal knagende spierpijnen zijn er maar enkele exponenten van. Wezenloos staar je dan naar de inhoud van het pillenkastje op een uur dat de dokters al lang geen zituur meer hebben, dat apothekers zeker niet van dienst en dus gesloten zijn, tot je beseft dat niemand ter wereld je enig soelaas kan brengen. Misschien kun je nog proberen de hele heiligenlijst te aanbidden om te zien of iemand je onredelijke pijn wil verlichten. Als overjaarse heiligenpostuurkes, amuletten, relikwieën, kaasjesbranden of stormnovenen niet meer helpen, blijft er maar één mogelijkheid over: geef je over aan de Apotheek van de goede God!

 

De wereld van de farmacie kende na de tweede wereldoorlog een explosieve groei dank zij de chemicalisering van onze medicijnkast. Aspirine, penicilline, valium en antibiotica worden sindsdien door miljoenen mensen gretig geslikt als wondere heelmeesters voor alledaagse kwalen. Toen is de oeroude kennis van helende natuurkruiden - de apotheek van de goede God - meer en meer naar de achtergrond verdwenen. Maar heel veel kruiden uit Gods grote Kruidentuin spelen nog altijd een belangrijke rol. Het Sint Janskruid werd eeuwenlang voorgeschreven door artsen, zigeuners, tovenaars en kwakzalvers als helend middel bij 'algemene aandoeningen van het zenuwstelsel'. Onder de geleerde naam 'Herbicum Perforatum' steekt het als anti-depressiemiddel zijn chemische broertje Prozac de loef af omdat het even efficiënt is bij milde tot gemiddelde depressies, maar zonder de vervelende neveneffecten van de chemische drug. Dan denk ik weemoedig terug aan de zalige apotheken uit mijn jeugd toen de brave apotheker nog lamme armen kreeg van de zalfbereidingen en kromme vingers van het poeders vouwen of in capsules doen. Toen was er nog een gewijde stilte bij de pillendraaier, met specifieke geuren en het Latijn op potten en flessen plus de systematische indeling van de geneesmiddelengroepen. Een van de dingen die ik ooit bij hem kocht was een pilomat, een blauwdoorschijnend plastic toestelletje om pilletjes efficiënt in twee te verdelen. Dat was sublieme 'farma-romantiek' tegenover de huidige zakelijkheid. De apotheek is nu een efficiënt ingedeelde ruimte met honderden schuifladen geworden, waarin medicijnen kant-en-klaar van de producent zijn aangevoerd, opgeborgen zijn en uit een muurklapkastje te voorschijn komen om weer te verhuizen naar zieke mensen. De artsenijbereidkunde (farmacie) verdwijnt stilaan. In plaats van bereiden, wordt het eerder adviseren en distribueren. Door de toename van het aantal medicamenten is dat natuurlijk ook héél belangrijk.

In een oude gewijde geschiedenis zag ik God die als oude wijze man in een wolkje boven Zijn schepping zweefde, alsof hij wilde zeggen 'zie ik geef je dit allemaal voor je eigen genezing'. Aan God de Vadersvoeten zaten verschillende dieren. Hun vet werd door middeleeuwse apothekers gebruikt om zalven te bereiden. Door het uitkoken van schapenwol creëerden zij lanoline, dat ook nu nog als basis voor sommige zalven dient. Niet ver daarvan zie ik Adam en Eva die - na hun zondeval - hun paradijselijke volmaaktheid hadden verloren maar hun blootheid niet meer moesten wegsteken en voor hun fysiek welzijn aangewezen waren op de geneeskracht van planten die de Schepper hen had nagelaten. Eva houdt als eerste geneesmiddel een appel in haar hand. Het gaat hier niet over de verboden vrucht, want die was juist het symbool voor het lichamelijk en geestelijk verval door hun ongehoorzaamheid. Wat Eva niet wist, maar wij wel, is dat (vooral biologisch gekweekte) appels veel quercetine leveren die de groei van sommige kankercellen kan remmen en ook tegen tromboses, ontstekingen en allergieën helpt. One apple a day keeps the doctor away, zeggen de Britten, maar om zeker te zijn, eet je er best een paar meer. Even verder staat Noë na zijn zondvloed met een rode neus en met een wijnrank in de hand als levende reclame voor (rode) wijn die goed is voor hart en bloedvaten! Ik wil er wel bij vermelden dat ervaring leerde dat overdaad schaadt en dat wijn, alleen met mate(n) gedronken, een positieve uitwerking op de gezondheid heeft. Pillen, poeders en dranken komen pas aan de orde als de voeding onvoldoende resultaten geeft.

 

Voor elke kwaal is een kruid gewassen of wordt een middel gekozen. In vele volkswijsheden, spreekwoorden, zegswijzen en clichés schuilt dikwijls een kern van waarheid, en dat zal dus ook wel voor kwaal en kruid gelden. Soms geeft de plantennaam aan waarvoor hij geschikt is. Zo is er het longkruid, het valkruid, het speenkruid, het bloedkruid, de pisbloem, de bijvoet, het nieskruid en nog veel meer. Ogentroost heet in het Engels Eyebright (oogglans) en in het Frans Casse-lunette of Brilbreker, wat slecht nieuws is voor de opticiens... Thee van lavendelbloesem is goed tegen angina, rijst- en melkgerechten helpen tegen diarree, bij heesheid bewijzen ijsblokjes tijdens de maaltijd hun nut en tegen migraine kun je pepermuntthee drinken met honing en suiker. Bij hevige verstopping eet je een overvloed aan gedroogde pruimen nadat ze een hele nacht in een glas met lauw water hebben geweekt...

Baat het niet, het schaadt ook niet, want het zijn nu eenmaal middelen uit de Apotheek van de Goede God!

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 14:56 Reageer op dit bericht Stuur door

ZET DE MASKERS MAAR OP

Een ‘mombakkes’ past niet altijd voor het gezicht dat er achter zit. Eén dag per jaar, op vastenavond bijvoorbeeld, mogen de mensen hun masker van alledag afdoen. Dan kruipen ze weg achter wie ze niet zijn, maar misschien laten ze zo de werkelijkheid zien. Het heidense gebruik om een paar dagen per jaar echt uit de bol te gaan komt waarschijnlijk van de oude Grieken. Ze waren het hele jaar zo druk bezig met filosoferen, discus werpen en ruïnes bouwen – daar waren ze goed in want die dingen staan er nu nog - dat ze ook wel eens super extravagant wilden doen. Wat is er op zo'n moment leuker dan lekker uit de band springen, veel drinken en elkaar eens serieus de waarheid zeggen? Tijdens hun driedaags feest werden afbeeldingen van wijngod Dionysos op een scheepskar door de stad getrokken en met veel poeha begeleid. Op andere versierde karren en wagens gaven ze schaamteloze voorstellingen, waarmee ze de lachlust van het publiek opwekten, genoeg om de rest van het jaar beschaamd te zijn. Vermommingen, optochten, uitbundige eetfestijnen en drinkgelagen tekenden het feest. Ze daagden het publiek uit met smerige liedjes en obscene gebaren en die dingen vind je nog terug in sommige carnavalsstoeten. De scheepskar kreeg in de loop der tijden de naam ‘carrus navalis’. Spreek dat vijftig keer snel achter elkaar uit en je weet vanwaar de naam Carnaval komt!

 

Het enige waar ik niet zo blij mee ben, is dat ze hun feest in februari plaatsten. Van mij had dat gerust in augustus mogen zijn. Dat zou heel wat dikke jassen, beslagen brillen en snippe verkoudheden en snotterende neuzen schelen. Bovendien is dan de dorst ook véél echter en groter…

Eeuwenlang werd het feest der zotten onbezorgd gevierd, tot… de katholieke kerk zich ermee ging moeien. De gemijterde leiders vonden het wulpse carnaval helemaal niet goed en te gevaarlijk voor de tere zieltjes van hun beminde gelovigen. Omdat de kerk die heidense dingen niet kon tegenhouden, namen ze het feest in hun rituelen op. Carnaval werd door de kerk verbonden aan Vastenavond, de avond voor het begin van de Vasten: nog even een laatste uitspatting vóór de periode van bezinning en boetedoening. Veertig dagen lang, tot Pasen, mochten zij geen vlees eten en moesten ze nóg soberder leven. Sommigen vinden dat de naam carnaval een verbastering is van 'carne vale': vaarwel vlees. Vlees, eieren en zuivelproducten waren destijds 40 dagen taboe onder het motto ‘sparen om te kunnen weggeven’. Zegt het jou nog iets? Als kind was dat voor mij, ontdaan van alle franjes: niet snoepen, alles in een heerlijke blikken doos foefelen, die altijd minder hol ging klinken. Dan bedelde ik – meer dan eens per dag - om een snoepje met de belofte dat het voor de vasten was en dat mijn devote daad hogere doelen had. Doordeweeks snoepte ik nooit, maar zo geraakte mijn trommeltje vlugger vol. Zo kreeg de kindervastentijd toch nog een feest in het vooruitzicht. Als de klokken van Rome waren vertrokken en de drang onhoudbaar werd, mocht het trommeltje weer open en kon ik de snoepjes opnieuw verlossen en laten verrijzen. Dat was een eigen interpretatie die ik nergens in de Mechelse catechismus terugvond…  

 

De traditie van verkleden, maskers en feesten was voor de kerk destijds een doorn in het oog precies omdat het heidens was. Toen de Frankische vorst Clovis zich tot het christendom bekeerde, moesten al zijn onderdanen dat ook doen, maar dan moesten ze ook afstand doen van carnaval. Ze wilden Carnaval niet meer vieren, maar het feest was zo populair, dat de pausen niets anders konden dan het toelaten om geen gelovigen te verliezen. Voor de ‘groei van de commerce’ moet men af en toe al eens iets door de vingers kunnen zien… Voor kinderen is het in elk geval een feest: prinses, piraat, elfje, zebra of clown, ze gaan allemaal op in hun rol en uit de bol. Mensen zetten dolgraag een masker op. Vroeger deden ze dat om zich te beschermen tegen de terugkeer van de zielen van hun dode voorouders, maar later was het een ideale dekmantel om eens per jaar dingen te doen die eigenlijk niet mogen. Nu dragen carnavallisten de maskers voor hun plezier en misschien ook wel om een beetje weg te kruipen voor al te nieuwsgierige blikken.

 

Vandaag bestaat er gelukkig nog een soort lotsverbondenheid met mensen in de rest van de wereld die het veel slechter hebben dan wij. Dat betekent soberder leven, alleen seizoensgroenten eten en vlees vermijden. Daar zijn vaak gerechten met bonen en erwten bij en zo komt het dat bonen ook wel ‘trappistenvlees’ worden genoemd omdat zij vegetariërs zijn. De meeste trappistofielen verkiezen wellicht de drank van de orde boven de bonen. Géén vlees betekent niet alleen dat er minder een beroep wordt gedaan op de aarde (er is 10 kilo plantaardig voedsel nodig voor 1 kilo vlees), maar het betekent ook dat dezelfde omstandigheden worden gecreëerd als waarin mensen leven die geen vlees kunnen betalen.

In regel zal je – als er geen gezondheids- of genetisch probleem is – bij de Trappisten geen overgewicht vaststellen. Al is hun regime sinds Vaticanum II (1960) versoepeld, toch is er een zomer- en winterregime. Het zomerregime begint met Pasen en stopt in op 14 september en dat is hun patersvasten. Met Pasen, na de Veertigdaagse Vasten als extraatje, moeten de broeders en zusters niet aan het ‘probleem’ van een slanke lijn denken. Die hebben ze meestal al. De zomerperiode is er net om terug ‘op gewicht’ te geraken.

 

Eigenlijk zijn de moslims bij ons veel straffer tijdens de ramadan. Ze vasten tijdens hun ramadan wel en veel katholieken niet meer. Hebben we in de loop van de jaren met het religieuze badwater ook het kind weggegooid? Het vasten is wat los gekomen komen van ons religieus gevoel: wat van buitenaf is opgelegd, wat voor jezelf niets betekent, verdwijnt uiteindelijk uit je leven. Jij en ik weten misschien nog wat vasten is, daarom niet altijd uit geloofsovertuiging, maar wel uit principe. De vasten is zo bijna foetsie. Alles is mogelijk, maar niet alles moet. Wij zijn nog altijd in de luxe positie dat we keuzes kunnen maken en een klein beetje vasten op een eigen manier is vandaag nog zo zinloos niet … Zet dus de maskers maar eens op, maar laat ze voor de rest van het jaar achterwege.

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Marcel Huysmans om 09:22 Reageer op dit bericht Stuur door

DE TRUC MET DE PANNENKOEK

Lente, zomer, herfst, winter. Door het seizoenenspel ervaren wij een jaar als een kringloop. Héél lang geleden vierde men de hoogtepunten van het jaar en de zonnewenden ook. Onbewust beïnvloeden de seizoenen wat we doen, wat we eten en tegen welk ritme we leven. Vroeger was dat meer de cadans van de natuur. We voelen ons in elk seizoen ‘anders’. In de jaargetijden herken je je eigen leven: geboren worden, jong zijn, volwassen en oud worden en doodgaan in de winter. Op dit natuurlijke tempo leefde de Kerk oorspronkelijk ook en haar feesten waren oorspronkelijk natuurfeesten. In een ‘kerkelijk jaar’ doorlopen we alle stadia van het grote verhaal van redding en verlossing. Als de winter uitzichtloos donker lijkt, is ons verlangen naar bevrijding het sterkst en met Kerstmis volgen we het licht van de ster. Op het einde van het jaar en in het begin van het nieuwe worden nog andere ‘lichtfeesten’ gevierd. De Grieks- en Russisch-orthodoxe Kerk viert op 6 januari het Feest van de Openbaring van het licht. In de Scandinavische landen viert men op 13 december St. Lucia en wij gedenken op 2 februari Maria Lichtmis mét pannenkoeken. Anderen zeggen dat Lichtmis de opvolger is van een Romeins feest ter ere van Proserpina, de godin van de oogst en van de vruchtbaarheid. Dan droeg men fakkellicht en granenbrood door de straten maar géén pannenkoeken!

Lichtmis begon vroeger met een mis waarbij men vooraf een massa kaarsen op het altaar wijdde en aanstak. Daarna was er een ‘kaarskesprocessie’. Kaarsen moesten het onheil afweren. Ze werden gebruikt bij onweer of ziekte en dan maakte men met kaarsvet een kruis boven de deuren van het huis en van de stallen. In verschillende dorpen liepen imkers een ronde door de velden met een brandende kaars. De bijen zouden dan in de zomer niet verder vliegen dan de cirkel die de imker getrokken had. Zo kreeg je kwaliteitshoning …
Lichtmis was een echt feest en dat ging soms gepaard met allerlei uitspattingen. Het was de dag dat de dienstboden vrij kregen om te trouwen of om van job te veranderen. Zo ontstond in de 17de eeuw het werkwoord ‘lichtmissen’ of ‘zich aan losbandige vreugde overgeven’. In het Duits preekt men van ‘Lichtmesz’, in het Frans van “Chandeleur”, waarin je de kandelaar ziet piepen. Volgens onze bloedeigen dikke Van Dale is een lichtmis ook een losbol of iemand die zich aan uitspattingen overgeeft. Lichtmissen is dan het werkwoord en betekent een losbandig leven leiden…

 2115806-b1ca9b9c265ffdd7681429dd8b9688ee.jpg 

Wij vieren Maria-Lichtmis met pannenkoeken die met hun ronde vorm en goudgele kleur de vruchtbare zon voorstellen die stilaan langer begint te schijnen.Daarbij moet de laatste gebakken pannenkoek bij het zwierdraaien boven op de keukenkast belanden en daar blijven liggen tot 2 februari van het jaar daarop, want dat brengt maar eerst geluk! Dat gebruik waaide over van Frankrijk, want wie daar pannenkoeken at met Lichtmis, kon de rest van het jaar rekenen op voorspoed en geluk. De eerste crêpe die men op 2 februari bakte, werd dan rond een muntstuk gewikkeld en dat pakje werd in processie door het hele huis gedragen en tenslotte door het oudste lid van het gezin bovenop een kast gelegd. Deze pannenkoek zou niet beschimmelen, al was dat misschien wel omdat de muizen er rapper mee weg waren. De munt uit de pannenkoek van het vorige jaar was bestemd voor de eerste arme die voorbij het huis passeerde.

Ons moeder – voor de (achter)kleinkinderen ons moemoe - bakte ook pannenkoeken: géén gebruiksklare uit de supermarkt maar wel van vers beslag én in een hete pan, waarbij niet zelden de eerste pannenkoek verfrommeld ter panne kwam. Het was een hele eer om dat gecrispeerd geval te mogen degusteren en daar maakten we soms ruzie om. De odeur was dan heerlijk, de koffie overheerlijk en op de tafel stonden bruine suiker, bessenconfituur en donkere perensiroop te wachten om mee ten aanval te trekken. Een berg ronde bruingele flensjes – o, als zonnen zo groot - verdween als sneeuw voor de zon. Op ‘pannenkoekendag’ waren we uitzonderlijk niet verplicht, tegen alle regels in, om mes en vork te gebruiken! Wij smeerden royaal suiker of stroop, rolden hem tot een grote slappe cilinder, en haphap... zo uit het vuistje!  Echt een ‘losbandige’ gewoonte.

Vandaag heb ik nog een volgehouden duurtraining gehouden als voorbereiding voor Lichtmis. Daarvoor ben ik mijn persoonlijke pannenkoekentrainer heel dankbaar. Mentaal, fysiek, emotioneel én technisch heeft hij me tot in de puntjes voorbereid op deze goudgele intervaltraining. Het trainingsbakken vereiste een opperste concentratie van de oog-handreflex en als slot hield ik een uitlooptraining, in technische voetbaltermen een cool-down inspanning met verminderende intentie. Ik waste al het keukengerei af en ook de langs binnen en buiten met hardnekkige deegspatten gesierde deegpotten blonken als lichtmis. Daarna gooide ik de handdoek, terwijl alles blinkend droog in de pottenschuif verzeilde. Deze sessie had maar één doel: voorbereid zijn op 2 februari wanneer de traditie met overtuiging zegt: "er is geen vrouwtje nog zo arm, of ze maakt haar pannetje warm". Al heeft het woord 'pannetje' in het oud Nederlands taalgebruik wel een seksuele bijbetekenis. Dat gebeurde vaak in die oude uitdrukkingen. Snoepers waren het, onze voorouders!

Hoe lanceer je pannenkoeken? Het kan met een spatel, met een pannenkoekenmes of met een omgekeerd potdeksel. Maar met een beetje meer atletisch vermogen en ‘spingerfritzengefühl’ kom je op een hoger niveau. Beweeg eerst de pan heen en weer en wacht op het moment dat hij gaat schuiven. Dan komt de grote afzwaai en de kunst boven. Als je twijfelt en denkt dat de pannenkoek te hoog gaat, zul je hem nooit hoog genoeg lanceren om hem te laten draaien. Valt hij toch in de pan, dan heb je een puinhoop. Zwier je te hard, dan belandt hij op het fornuis of blijft eventjes aan het plafond plakken. Nu komt het grote geheim van mijn mental coach en Griekse vriend Professor Plakouskis: vóór de brede zwaai moet je even wachten tot je de gemoedstoestand bereikt waarin je de perfecte kracht, controle en lef intens aanvoelt. Zoek de perfecte balans tussen terughoudendheid en te veel agressie en dan kun je losbarsten. Probeer het, desnoods eerst zonder pan en zeker zonder deeg. Ik wil ik nog even ingaan op de fijne motoriek van het gebeuren.

 2115806-9228c16efe0fce7edfc1859c3b26dc74.jpg 

Waarom draaien pannenkoeken volgens de fysica dikwijls de verkeerde kant op? Til de pan op en maak met de pannenhand een cirkelbeweging met de klok mee. Stel tot je verbazing vast dat de pannenkoek in de pan belandt in tegenwijzerszin! Hij reageert gewoon als een voorbeeld van de wet van actie en reactie. Dat noemt men het hoelahoepeffect: de pannenkoek ondervindt bijna geen wrijving tegen de bodem van de pan, maar wel aan de rand. Daardoor draait hij, als een tandwiel, aan de binnenkant van de pan, maar wel in tegengestelde richting ervan. Proberen maar! 

Pannenkoeken gooien is nog geen Olympische discipline, zelfs niet op de Winterspelen 2018 in Pyeongchang. Pannenkoeken in de lucht draaien, keren, zwieren of omflippen vergezeld van latere beloften, lijkt dus toch eerder op een circustruc en magie dan op een ver doorgedreven sportieve uitdaging. 

En toch bakte ons moemoe de beste pannenkoeken. Gewoon het beslag van de lepel likken was al lekker en dan waren ze nog niet gebakken! Zij serveerde ze feestelijk - zeker op Lichtmis - met hete kriekensaus ofwel gewoon opgerold met suiker of zelfgemaakte aardbeienconfituur. Waar is de tijd? Dat ze daar maar eens een Olympische Winterdiscipline van maken!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 12:07 Reageer op dit bericht Stuur door

IK BEN VERSLAAFD… EN IK WEET WEL AAN WAT!

Veel mensen denken bij het woord verslaving aan drugs, alcohol, criminaliteit of lichamelijke en zelfs geestelijke aftakeling. Maar er zijn ook lichtere verslavingsvormen die minder kwaad kunnen. Ik ken mensen die ’s morgens enkel kunnen functioneren na de opwekkende geur en de smaak van een kopje sterke dampende koffie. Anderen kunnen genieten van verslavende dingen als de tongstrelende smaak van zachtsmeltende chocola. Nog anderen zijn verwoede tv-kijkers, heen- en weer surfende internetters, gamers, lichte gokkers of geruisloze en dus stille snoepers. Veel alledaagse middelen kunnen verslavend zijn, maar zolang één gewenning niet overheerst, is het zo erg niet en zeker sociaal verdedigbaar. Voor de meesten zijn die alledaagse verslavingen juist de kleine genoegens die het leven extra aangenaam maken. Mijn weekendverslaving wordt thuis per brommer afgeleverd en verloopt meestal in stilte maar niet altijd rimpelloos. In de weekendkranten met bijvoegsels, in de reclamegazetjes, in magazines en zelfs in De Week zitten mijn zoethoudertjes te popelen: bladgrote kruiswoordraadsels die uur en tijd doen vergeten en die elke week in verschillende gangen voorgeschoteld worden!

 Even simpel als bonjour! In het traditionele diagram met de zwarte vakjes zoek je telkens opnieuw naar een willekeurige omschrijving waarmee je een ‘letterlijk’ antwoord kunt neerpennen. Dat woord vul je op de juiste plaats in en met de hulp van kruisingen kun je misschien de andere antwoorden invullen. Zo vlecht je baantje per baantje het diagram vol. In december 1913 verscheen in de New York World (VSA) de eerste kruiswoordpuzzel. Een journalist verzon dit woordspelletje als een extraatje bij de kersteditie van zijn zondagskrant. De cross-word puzzle was meteen een succes en al snel volgden ook andere kranten. Daarna namen ook de boekjes het over en sommigen raakten zo verslaafd dat ze werk en familie verwaarloosden. Ooit werd een betrapte puzzelaar door de rechter op een rantsoen van twee puzzels per dag gezet. Hoe lang staat nergens vermeld…

Ik kan met moeite weerstaan aan een blanco of deels ingevuld kruiswoordraadsel. Van waar ze komen, hoe moeilijk ze ook zijn en wie er al aan gewerkt heeft, is totaal onbelangrijk. Hoe groter, hoe meer plezier ze beloven en het gebeurt zelfs dat ik ze tegen de tijd probeer in te vullen. Ook dat is woordjessport op het niveau van de 100 m sprint of eerder van de 800 m. Wat blanco achterblijft, behoudt zijn permanente uitdaging tot alle roosters verslonden zijn en lege plekken krijgen een tweede beurt die dikwijls nog meer genoegen bezorgt. Zo vergroot je woordenschat, je synoniemenvoorraad en via hersengymnastiek, waarbij soms nog een duister opslagplaatsje in je grijze hersenmassa onverhoopt oplicht, wordt de verslavingsvreugde nog groter. De Aa en de ai lopen broederlijk naast elkaar (hoewel ze toch anders ‘lopen’) en maken plaats voor vliegende oeloes en oehoes die weinig van elkaar verschillen en beide prooizuchtig zijn… De Japanse ama, de bezige ieme, de alomtegenwoordige Ran duiken op naast het Bijbelse sela. Geen mens die weet wat sela betekent, maar het woord komt wel 85 keer voor in het Oude Testament. Acht keer is het een eigennaam, soms is het een plaatsnaam en de overige keren staat het er gewoon na een of ander vers: de Heer is mijn redder. Sela. Punt uit! Maar meestal kun je best sela invullen als er ‘rustteken’ staat…

Kruiswoordraadsels doen zeker niet aan illegale activiteiten denken, maar een gewone Zweedse huismoeder werd opgepakt omdat ze honderden kranten gestolen en verduisterd had. Aan de politie vertelde ze dat het de enige manier was om haar kruiswoordverslaving te onderhouden. Elke nacht verdwenen voor dezelfde winkel hele pakketten versgedrukte dagbladen. De 64-jarige vrouw werd om drie uur ’s nachts op heterdaad betrapt en de politie vond meer dan duizend kranten in haar huis. Schoorvoetend gaf ze toe dat ze de kranten nooit las, maar dat ze wel elk kruiswoordraadsel invulde: ze was er gewoon verzot op! Dit weze dus een waarschuwing voor iedereen die meent dat het niet tot excessen kan leiden…

Vierduizend jaar geleden hadden de Babyloniërs al puzzels en van schriftgeleerden en priesters leerden de kinderen er wiskundeknepen mee. Leonardo da Vinci maakte reusachtige rebusraadsels en de Romeinen geraakten verslaafd aan ‘tovervierkanten’, waarbij in een vierkant letters en cijfers allerhande merkwaardige resultaten moesten opleveren. In de ruïnes van Pompeï vond men de oudste Romeinse kruiswoordpuzzel uit 79 v.C. die versmoord werd door de vloeiende lava van de rusteloze Vesuvius. Het eerste echte kruiswoordraadsel in ‘The New York World´ van 21 december 1913 was van Arthur Wynne. Kort daarna doken ze overal op waar de taal geschikt was om woorden stofloos in elkaar te vlechten.

 

De kruiswoordraadselbevrediging zit misschien wel in wat Harry Mulisch schreef in zijn roman De Aanslag over de maker van een dagelijks cryptogram: 'Als hij aan een leestafel een onvolledig opgelost raadsel aantrof in een krant, dan was het zijn eerzucht om verder te komen dan de vorige man of vrouw; die was meestal blijven steken omdat ergens een fout was gemaakt. Als hij klaar was, keek hij tevreden naar het volgemaakte vierkant. Dat de meeste letters twee functies hadden, in een horizontaal en een verticaal woord, en dat de woorden op fantastische wijze paarden, gaf hem een gevoel van welbehagen. Het had iets met poëzie te maken.’ Soms waag ik me tegenwoordig aan een cryptogram, want dan kom je meteen in een andere moeilijkere denkwereld terecht en dus troost ik mezelf door hardop te denken dat overdrijven nooit goed is, hoewel een verregaand ‘aha-effect’ ook niet te versmaden is… Ik moet zeggen dat het anno 2018 nog altijd betert.

Magische vierkanten vind je in alle maten en gewichten. Zweedse puzzels dragen hun eigen vragen in de puzzelvakjes. Bij een doorloper staan er geen zwarte vakjes en moeten je woorden in een regel of kolom achter elkaar invullen. Ook scrabble is een uitloper van het kruiswoordraadsel. En alsof dat nog niet genoeg is: sinds 2004 werd de sudoku hot, tijdverdrijvend en soms eindeloos ingewikkeld. Tegenwoordige vind je ook combipuzzels, woordzoekers, binaire puzzels en de radeloos makende tectonics die je dag om zeep kunnen helpen. Je ziet het: kruiswoordraadsels invullen is maar een kleine verslaving. Goddank, ook in 2018!

Marcel Huysmans

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

ER HANGT SPANNING IN DE LUCHT

“Ze” hebben weer een onderwerp om over te kletsen. Maar blijven kletsen is er te veel aan. Alleen met babbelen ga je geen meter vooruit. Kernenergie is een eigen-aardig ding. Geen babbelding. Een mengeling van ernst, onwetendheid, onzekerheid, bluf en centen. Het heeft te maken met de mens die altijd meer energie wil, maar ook met de gevolgen ervan en minder met de eindigheid van die energie. Je kunt er je eigen eindigheid fameus mee verkorten terwijl het grote dilemma blijft: kies je ervoor of blok je het af? Het is een strijd tussen het gezond verstand, het gewone-mensen-verstand en het verstand van de politici. Zeggen dat er alternatieven zijn, is niet genoeg. Anderen overtuigen doe je alleen met bewijzen en door je kaarten breeduit op de tafel te leggen: cijfers, gefundeerde voorstellen en overtuigende bewijzen vanuit onverdachte hoek. Zou je denken. Maar daar zit het probleem: als iemand een voorstel of studie voorlegt, zijn er altijd anderen die al met een vingerknip een profijtzoekende hoek ontdekt hebben. Dat is het moment om elkaar af te schieten, en daar is men tegenwoordig goed in.

 Wie durft er zijn hand voor de kernuitstap in het vuur steken? Onwetend kan men niet zondigen. Zorg dus dat je ’t niet of onvoldoende weet en dan kunnen ze nooit zeggen dat het jouw schuld is… Zo werkt dat hier.

Energieprijzen die stijgen: de meesten beweren dat die dingen alleen maar kunnen omhoog gaan, maar ondertussen vergeten ze dat politiekers meestal op de hoe-vraag antwoorden dat zij de voor iedereen beste oplossing zullen nastreven en vinden. Niks in de handen, niks in de mouwen, maar er komt ook niks uit. Wie wil er tekenen? Marghem en Tommelein zullen nooit een document tekenen dat verzekert dat de energieprijzen niet zullen stijgen. Heeft het er al ooit iemand dat aan hen durven vragen? In de voorbije drie jaren bleek Minister Marghem trouwens meer het probleem te zijn dan de oplossing, maar ons Heer moet altijd zijn getal hebben… Bij ons schuiven ze systematisch de kosten van grote luxe- en industriële bedrijven naar de zuinige, kleine particuliere verbruiker. De dertig grootste bedrijven, samen goed voor een kwart van het verbruik in Vlaanderen, betalen helemaal niets. Dat is omgekeerde herverdeling: wie al heeft, krijgt nog meer. En de vervuiler betaalt niet, maar passeert langs de kassa.

                                                                                        2112539-742cd069454f677dc3202bf16b76992a.png

Die volledige kernuitstap uitleggen in 2019, je weet wel in het jaar van… komt te laat. Want dan duurt het weer even eer de volgende machthebbers op dreef zijn.  Als men nu een grote mond heeft, moet men niet wachten tot binnen twee jaar: investeren vraagt tijd en moet nu beginnen. Wat je op die twee jaar verliest, kun je nooit meer inhalen vóór 2025, tenzij je daarna weer kiest voor de vlucht vooruit. Het is geen dilemma meer, het is eerder een trilemma en misschien wel een milemma… Dat wordt bang denken.

In de wiskunde wordt aangetoond dat, als je meer onbekenden hebt dan vergelijkingen, je nooit een oplossing vindt. Voor deze uitstap moet je met honderden vlottende parameters rekening houden: andere dingen, andere mensen, andere partijen en een andere politiek, maar die verandert van vandaag op morgen niet. En het is bewezen dat je met meer onbekenden dan vergelijkingen nooit iets vindt. Wie daaraan twijfelt, is erger dan Galileï die uiteindelijk het toch gelijk aan zijn kant kreeg.

Uit eigen onmacht niet zelf over de geëigende gegevens beschikken, is beslissingen nemen die ideaal zijn om de macht te moeten afgeven. Dat is de nieuwe machtswet van de communicerende vaten. Maar ook die ontkent men. Energievisie op lange termijn. Wie heeft daar ervaring in? Ik bedoel wel over energie en wat het op lange termijn is, want over termijnen kent men blijkbaar heel veel. We hebben politiekers die het durven zeggen, maar niet altijd de brains hebben om het te realiseren. Ik zeg altijd: als je bevorderd wordt, zorg er dan voor dat je zelf de dingen doet waar je goed in bent en laat de rest over aan betrouwbare mensen die dat wel kunnen en die je meer vooruit helpen dan holle woorden. Anders struikel je over het Peterprincipe. We hebben de knowhow, de mensen, de wetenschap en de mogelijkheden in huis en we gebruiken ze niet. Zoek ze, niet afhankelijk van hun (politieke) kleur, maar wel omwille van hun competentie en geef ze twee maand tijd en vertrouwen om een degelijk voorstel uit te werken dat ook te realiseren is, met een duidelijke planning en heel veel kans op slagen. Zij moeten dan maar een aantal parameterkeuzes maken die het stelsel van vergelijkingen weer oplosbaar maakt. Dit is geen land om zuiver te investeren in groene energie, want het enige dat er dan in 2025 overblijft, is groen lachen en dat wil niemand.

Leer wat van Duitsland. In 2011 besliste dat land om versneld uit de kernenergie te stappen met een inzet op hernieuwbare energie. Ze noemden dat hun 'Energiewende' of energieommekeer. De balans is weinig positief. De CO2-uitstoot is toegenomen. De elektriciteitstarieven zijn de hoogste van Europa, vooral voor gezinnen. Uit angst voor de negatieve invloed op de concurrentiekracht van de Duitse ondernemingen, genieten industriële grootverbruikers een aanzienlijke korting. Het zijn dus vooral de Duitse gezinnen die de energieomwenteling betalen. In de energiemix wegen fossiele brandstoffen zwaar door en dat is niet anders in België. De bevoorradingszekerheid blijft onzeker. De gascentrale van Irsching is nieuw en toch moest ze dicht door de concurrentie met hernieuwbare energie. 50 Duitse elektriciteitscentrales wilden in 2015 de deuren sluiten omwille van economische onleefbaarheid. Noodzakelijke aanpassingswerken aan het netwerk liepen vertraging op. Vroeger lag de klemtoon op een gecentraliseerde elektriciteitsproductie in grote gas-, steenkool- en kerncentrales, terwijl nu een gedecentraliseerd systeem met windmolens en zonnepanelen die verspreid staan in het landschap de oplossing lijkt. Om deze overgang mogelijk te maken zijn er nieuwe lijnen nodig. Processen door buren die de nieuwe lijnen niet zien zitten en de hoge kosten voor de aanleg ervan vergen extra centen. De publieke opinie reageert zeker als het schilderijtje verder wordt gepenseeld. Maar vergeet niet: als ik wil-kan-moet meedoen aan de uitstap, zal ik hem mee moeten betalen. En daar wringen de schoentjes.

                                                                                                                                                      2112539-6471a2a1dca9b78912c6c6bd100f3025.jpg

Het einde van het verhaal: de energieprijzen stijgen en de centrales stoten meer koolstofdioxide door het gebruik van gascentrales. Kernenergie en hernieuwbare energie kunnen nochtans perfect hand in hand gaan. Het zijn twee CO2-arme energiebronnen die een oplossing kunnen bieden in de strijd tegen broeikasgassen en de klimaatverandering. Ze moeten wel (nog) aangevuld worden met flexibele thermische centrales en elektriciteit uit de buurlanden als de wind niet waait of de zon het vertikt te schijnen. Op termijn kan ons elektriciteitssysteem dan nog evolueren - met minder dwang – naar een mix van zoveel mogelijk hernieuwbare energie, aangevuld met flexibele thermische centrales en elektriciteit vanuit de buurlanden.

Idealiter geloof ik in een Europees netwerk: zon uit het zuiden en water- en windenergie uit het noorden. Tot nu toe werken we te lokaal waardoor we windmolens stilleggen omdat we hier te veel energie hebben terwijl de buren te weinig hebben. Maar wat gebeurt er als in zo’n grote regio twee landen ruzie krijgen of in een oorlog verwikkeld geraken…

Dan valt de schone ideale pudding zomaar in elkaar… en daar helpen geen gouden lepeltjes aan!

Marcel Huysmans

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Marcel Huysmans om 08:20 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Schuinschrijfsels

↑ Terug naar de berichten