
Er bestaan veel theorïeën over de wijze waarop het kaartspel in de Lage Landen is terecht gekomen. De meest waarschijnlijke is dat speelkaarten zijn afgeleid van het oude opwerpen van pijlen om de toekomst te voorspellen. Deze pijlen waren voorzien van symbolen die een rang aanduidden,. Later werden deze symbolen nagemaakt op stokken om mee te gokken en op smalle stroken geolied papier.
Het duurde een hele tijd vooraleer het kaartspel algemeen werd geaccepteerd. In de beginperiode werd het kaartspel een uitvinding van de duivel genoemd en in sommige Europese landen, zoals Italië en Spanje, is het zelfs helemaal verboden geweest. In de loop der tijden werd het kaartspel trouwens in elke grote Europese stad wel eens verboden. De nu gebruikte 'kleuren' (klaver, schoppen, harten en ruiten) werden pas in de 16de eeuw in Frankrijk voor het eerst gebruikt. Voor die tijd was het kaartspel verdeeld in bekers, zwaarden, munten en knotsen, gebaseerd op de oude hindoekasten van brahmanen, soldaten, kooplieden en slaven.
St Bernardus van Sienna meende echter toen hij in 1423 in Bologna het kaartspel als duivelswerk bestempelde, dat de symbolen een heel andere betekenis hadden. De beker stond volgens hem voor dronkenschap en vraatzucht, het zwaard voor oorlog en haat, de munt betekende gierigheid en de knots dwaasheid. Ook de monnik Capistranus was gekant tegen het kaartspel. Hij predikte in 1454 in Neurenberg zo fel tegen het spelen in het algemeen en het kaartspel in het bijzonder dat de burgers van de stad er vrijwillig toe overgingen 3600 speelborden, 40 000 dobbelstenen en een ontelbaar aantal speelkaarten te verbranden.

( Neurenberg telde slechts 20 000 inwoners).