Naar de inhoud

Padre's kijk op de wereld.

seniorennet.beseniorennet.be

Kattenvoer met Nieuwjaar

Kattenvoer met Nieuwjaar

 

Al sedert enkele jaren ga ik Nieuwjaar vieren bij een van mijn twee zussen. Vroeger gebeurde dat bij mij thuis, met kinderen en kleinkinderen, maar dat is veranderd nu mijn echtgenote er niet meer is. We vieren nog wel altijd samen Kerstmis in de familiekring, afwisselend bij een van mijn kinderen, doch met Nieuwjaar heeft iedereen zijn eigen programma. De jeugd gaat dansen of op zwier met leeftijdgenoten, en de ouders zijn te gast bij vrienden of zitten in een restaurant, waar ze zich al smullend van het oude in het nieuwe jaar laten glijden.

Mijn twee zussen hebben geen partner. De ene is al meer dan dertig jaar weduwe, haar kinderen zijn getrouwd en leven elders met hun gezin, de andere is altijd single gebleven en woonde bij onze ouders, die ze verzorgde tot aan hun dood. Daarna, om met Nieuwjaar niet alleen te zijn, nodigden ze afwisselend mekaar thuis uit. Nu doen we dat met ons drieën, en iedereen voelt zich daar goed mee.

Mijn jongste zus is een dierenvriend, beter gezegd een kattenvriend, of nog beter een poezenliefhebster. Het is niet zo dat je er bij haar thuis overal over een poes dreigt te struikelen. Neen, haar poezengenegenheid en poezen-aai-bereidheid is beperkt tot slechts twee, ten hoogste drie poesjes. Toen ze jaren geleden alleen bleef en haar woonst herinrichtte, liet ze zelfs een kattenluikje aanbrengen, zodat haar lievelingen naar believen naar binnen en buiten konden voor allerlei activiteiten waarvoor ze door hun kattennatuur voorgeprogrammeerd zijn. Ze konden altijd binnenglippen om van hun tochten te bekomen, wat te drinken of eten, een speurtochtje door de kamers te maken of gewoon eens langs de benen van mijn zus te strijken.

Buiten was er meer afwisseling en activiteit, vooral gedurende bepaalde periodes ’s nachts. Dat bleek vaak heel duidelijk door het luidstemmige strijdvaardige kakofonische concert dat de geërgerde buurt uit haar vreedzame slaap rukte. Want bij de katten bestaan er ook ten minste twee genders, en voor zover ze niet opgesloten of gecastreerd zijn, brengen ze wonderwel en feilloos de wetten van hun natuur in praktijk. Komt er een van haar avontuurlijke poezen na een uitputtende nacht bebloed en gehavend door het gevecht binnen geslopen, dan mag ze rekenen op het gouden meelijdend hart en de goede verzorging van mijn zus. En die is professioneel, want mijn zus was gedurende haar sociaal-actieve jaren verpleegster. Ze handelt met kennis van zaken. Geen twijfel dus dat die poezen steeds weerkomen en jaloers hun benijdenswaardige positie verdedigen, mocht er van buiten uit concurrentie opdagen.

Terug naar Nieuwjaar. Het was 31 december en ik had een vroege trein genomen, zodat ik al in de voormiddag mijn glunderende zus een knuffel kon geven. Ik zou bij haar kunnen overnachten. Mijn andere zus werd in de namiddag verwacht. Wij hadden dus tijd en gelegenheid genoeg om van elkaars gezelschap te kunnen genieten en om bij te praten. De kerstboom stond nog in de living en droeg kalm het zenuwachtig gepinkel van een kluwen kleurrijke lichtjes. De tafel was al mooi gedekt en verleende het geheel een feestelijk uitzicht. Maar dat was voor vanavond, want eerst zouden we gewoon aan de keukentafel een kleinigheidje eten, zodat onze eetlust voor daarna niet werd afgesneden.

Een poesje kwam binnengewandeld, bleef aan de ingang staan en bekeek mij argwanend. Toen ze de lokkende stem van mijn zus hoorde en haar uitnodigende hand gereikt kreeg, kwam het diertje gerust gesteld naar ons toe. Met de staart in de lucht streelde het de benen van mijn zus en installeerde zich ongegeneerd tegen een kussen in een zetel, en bleef daar onbeweeglijk en nieuwsgierig de loop der dingen volgen.

Voordat onze andere zus zou aankomen hadden we nog wel even tijd om nog enkele laatste aankoopjes te doen. Als ik er zin in had mocht ik natuurlijk wel rustig katjelief gezelschap houden, maar ik gaf er toch de voorkeur aan met mijn zus al wandelend wat te kunnen kletsen. Buiten zag ik dat er hier en daar hier en daar weer een en ander veranderd was, want zo vaak kwam ik niet meer in mijn geboortestad, waar mijn zus echter steeds is blijven wonen. Wij hadden de laatste jaren wel de voordelen van de communicatie langs het internet ontdekt en waren geregeld langs het scherm ook visueel in contact. Maar dat alles kon lijfelijke nabijheid zeker niet vervangen. Daarom verkoos ik een wandelingetje samen met haar naar de supermarkt.

Het is nu eenmaal zo dat als je in de winkel zelf rondloopt je meestal meer koopt dan je eigenlijk van plan was: je ziet iets nieuws en wil dat ook eens proberen, of gewoon zie je juist dat artikel staan dat je nog nodig hebt, maar op je boodschappenlijstje vergeten was. Mijn zus had in haar winkelwagentje al enkele “onnodige” maar toch “leuke” dingen gezet, toen ze in de afdeling dierenvoeding plots bleef staan. Ze wees naar een pakje met een foto waarop een katje op uiterste verlokkende wijze met poezenliefheid naar een kattenlekkernij keek. En daar mijn zus meende dat haar poezen ook wel nieuwjaar mochten meevieren, nam ze zo’n pakje uit de rekken. Neen, twee. Want een is toch geen, nietwaar? En die vlogen ook in de winkelwagen.

Aan de kassa stond stonden er al enkele personen in de rij, maar het ging toch snel. Terwijl we daar stonden te wachten zag mijn zus een kennis die in de richting van de kassa’s afgestevend kwam. Haar glimlach verdween even en ze zei me gauw tussen haar tanden door dat daar een vervelende “ambetanterik” aankwam, en dat ze die vent liever niet ontmoette. Het was iemand van het zangkoor waarvan ze vroeger deel uitmaakte, iemand die zijn “snuit” overal instak, in dingen die hem niet aangingen, en dat ze hoopte dat die haar niet gezien had. Maar dat was vergeefse hoop geweest, want het heerschap nam plaats vlak achter ons. Zijn luide groet verplichtte haar wel naar hem te kijken, een glimlach te forceren en een antwoordje te mompelen. Ondertussen registreerde die kennis onbeschaamd nieuwsgierig de inhoud van haar winkelwagentje. En dan ontstond het volgende gesprek, dat mijn zus met ironische ernst en een uitgestreken gezicht trotseerde:

Hij : Ha, ik zie dat jij van katten houdt. En dat ze bij jou echt verwend worden. Krijgen jouw katjes altijd van die lekkere dingen?

Zij : Neen, dat is niet voor mijn katten, dat is voor mijzelf.

Hij : Hoezo?

Zij : Ja, die kattenbrokjes zijn heel smakelijk, en als je ze regelmatig eet krijg je er zelfs zo een lenig jong gevoel van.

Hij : Dat versta ik echt niet. Is dat zo? Eet jij werkelijk die … euh dingen?

Zij : Ja zeker. De meeste mensen doen dat niet, gewoon omdat op de verpakking staat dat het voor katten is.

Hij : Ja, dat is het toch ook.

Zij : En het is ook heel goed voor de gezondheid. Het is gezondere voeding dan veel dingen die wij gewoonlijk eten. Je zal er nooit ziek van worden.

Hij : Maar…

Zij : Eigenlijk… Een keer ben ik daardoor wel  in  het ziekenhuis beland.

Hij : Zie je wel. Van kattenvoer…!

Zij : Het was die keer dat ik weer eens een paar van die lekkere brokken had gegeten. Toen zag ik in de boom van mijn tuin een vogel zitten. Ik voel ineens een onweerstaanbare drang hem te gaan pakken, kruip in de boom en… ben eruit gevallen!

Ondertussen hadden wij betaald. Een verbaasde niet begrijpende man wandelde even later verstrooid de oudejaarsavond tegemoet. 

Ter geruststelling: Ons nieuwjaarsmenu was niet met kattenvoer bereid. De drie poezen hadden ook een feestelijke maaltijd.

Dilbeek, 2 februari 2025.

                                                                                                                              

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Handspel

Handspel

Enkele tijd geleden ben ik nog eens naar Brussel gegaan. Een van de zeldzame keren dat ik daar kom.  Ik was van plan een Spaans boek te kopen. Bij Fnac, waar men een afdeling Spaanse boeken heeft. Ik nam de bus van de Lijn op de hoek van mijn straat en reed tot aan het Sint-Guido-Station in Anderlecht. Daar nam ik de metro, richting Brussel centrum.

Er stond veel volk te wachten. De trein had al enkele minuten vertraging en er kwamen steeds reizigers bij zodat het perron goed gevuld was. Eindelijk reed het treinstel binnen. Enkele reizigers stapten uit, maar de massa die te wachten stond wrong zich naar binnen. En ik daartussen. We stonden als haringen in een ton tegen mekaar, en wie het geluk had te kunnen zitten moest goed oppassen dat men zijn tenen niet plattrapte. De deuren gingen toe, een schok, wij wiegden van links naar rechts, of omgekeerd, en we waren weg.

En ik stond daartussen. Omvallen kon ik niet want aan alle kanten stonden andere reizigers tegen mij aangedrukt. Ik had mijn handen in mijn zakken, iets wat ik dikwijls doe.  Terwijl we reden keek ik verveeld naar een lamp in het plafond en luisterde dromerig naar het gerommel van de trein.

Ineens… terwijl ik nog altijd mijn handen in mijn zakken had, voelde ik mijn neus kriebelen, en daarom wreef ik met mijn hand over mijn neus… Ik schrok en panikeerde een moment, want ik had nog altijd mijn handen in mijn zakken… en ik wreef met mijn hand over mijn neus! Hoe kon dat nu!?

“Kalm, Dré, kalm blijven” zei ik tot mezelf. “Even rustig nadenken… Ofwel heb ik een hand te veel, en dan had ik dat al langer moeten weten, ofwel is er een hand die niet van mij is.”

Ik probeer discreet mijn handen te tellen en merk dat de vent naast mij daar ook met zijn twee handen in zijn zakken staat. Maar hij had een hand in mijn zak gestoken, waarschijnlijk in een verstrooid moment.

Probleem. Wat te doen?

Ik kon toch zo maar niet zeggen : " Meneer, trek je hand uit mijn zak.” … Zoiets doe je niet.

Ik dacht verder na. Ik kon maar een ding doen…: hem ook onder zijn neus wrijven. Dan zou hij wel merken dat er iets ongewoons was… En ik wrijf met mijn hand onder zijn neus.

Ik hoor hem tegen zichzelf zeggen: “ Kalm, Jules, kalm blijven. Even rustig nadenken.  Ofwel heb ik een hand te veel, en dan had ik dat al langer moeten weten, ofwel is er een hand die niet van mij is.”

En wat doet die vent? Hij neemt zijn hand uit mijn zak en begint mij te krabben. Achter mijn oor!

Wat nu? Ik kon toch niet zo maar zeggen : “Meneer, krab niet achter mijn oor. Hou daarmee op!” … Zoiets doe je niet.

Hij zou trouwens geantwoord hebben: “Jij, jij wrijft wel onder mijn neus…”

En hij zou gelijk hebben. En trouwens, zoiets doe je niet.

Maar plots, ineens, was ik er mij van bewust dat mijn zak leeg was, omdat die kerel er zijn hand had uitgehaald.

Ik kon dus mijn hand terug in mijn zak steken.

En hij zou zijn hand terug in zijn eigen zak kunnen steken.

Dan had elk zijn eigen handen in zijn eigen zakken.

En dan viel alles weer terug in zijn plooi. Dan was alles terug normaal.

Ik hield dus op met hem over zijn neus te wrijven… Waarom zou ik dat nog doen? Ik had er geen enkele reden meer voor.

Maar op het moment dat ik mijn hand in mijn zak wilde steken, hield hij op met  achter mijn oor te krabben… en hij steekt zijn hand terug in mijn zak!

Miljaar de miljaar!

En daarbij, nu had ik een hand die in de lucht bleef hangen. Waar moest ik die nu zetten? Je zegt wel, een hand is maar een hand… maar die plaats je niet zo maar om het even waar!

Heu, dacht ik, dan moet het maar. En ik stak mijn hand terug in zijn zak.

Zo waren de handen weer evenwichtig verdeeld.

Maar wat zou er nu gebeuren als ik moest uitstappen, want ik moest de volgende halte eruit. Hij met een hand in mijn zak en ik met een hand in zijn zak…?

De trein stopte en ik wilde naar buiten, maar die kerel bleef staan, onbeweeglijk, pal. Hij hield zijn handen in zijn en mijn zak, en omdat ik mij opwond over zoveel slechte wil, vergat ik mijn handen uit mijn en zijn zak te nemen… En de deuren klapten toe, en de trein reed verder…

Ik werd kwaad en wou luidop  protesteren, maar daar ik tussen zoveel volk stond, deed ik het niet. Want ik ben een man van de wereld en weet hoe ik mij op de metro moet gedragen. Dus zweeg ik, rukte af en toe wat naar opzij. Ik hoopte zo de hand van die vent uit mijn broekzak te krijgen. Maar omdat ik mijn hand nog in zijn zak had ging dat niet zo maar.

En daardoor bleef zijn hand in mijn zak.

Twee stations verder stapte mijn “handlanger” uit. Met zijn handen in mijn en zijn zak. En ik met mijn handen in zijn en mijn zak… Ik wou eerst niet mee, maar als ik in de trein bleef moest die man mee naar een plaats waar hij niet moest zijn… Dat kon ik hem toch niet aandoen. En daarom ben ik maar mee uitgestapt.

En weet je wat er toen gebeurde?

Wij raakten “HAND-GEMEEN”. Ik gooide mijn hand tegen zijn gezicht en hij smeet zijn hand tegen mijn gezicht. En dan zijn we uiteengegaan, elk in zijn eigen richting.

Ik ben naar het tegenoverliggende perron gelopen, heb de eerstkomende metro genomen en ben terug naar huis gereden. Met mijn eigen handen in mijn eigen zakken.

(naar een tekst van Raymond De Vos)

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Eufrasie

Eufrasie

 

Toen Eufrasie die lentemorgen de gordijnen openschoof en zoals gewoonlijk naar buiten keek werden haar ogen ineens dubbel zo groot en viel haar mond open van verbazing. Daar, aan de overkant van de straat, slechts een tiental meter verder, lagen twee doodskoppen! Haar hand bleef even in de lucht hangen, ze sloot haar ogen, schudde haar ongekamde haren en gaf zich een klap op het gezicht... Neen ze was wel wakker. Het was geen droom. Daar lagen werkelijk twee menselijke schedels, twee echte grijnzende witte doodshoofden. En vanuit hun holle oogkassen keken ze naar haar.

Het gebeurde in het jaar 1948 toen Gino Bartali de Ronde van Frankrijk won. Ik was toen nog een puber van 12 jaar en volgde vol interesse de Tour. Ik was een luidruchtige supporter van de Belg Briek Schotte, die tweede werd. Ik moest niet naar school want de grote zomervakantie lag lui over het land. Maar naast ons huis was men toch aan het werken, al weken lang. Men had de fruitbomen die daar stonden gekapt en verwijderd. Nu was men met slechts een enkele kleine graafmachine bezig de hoger gelegen grond weg te scheppen, om die met het niveau van de straat gelijk te krijgen. De vroegere boomgaard werd in duurdere bouwgrond herschapen.

Nu lagen er plots tegen de zijmuur van ons huis twee vuilgrijze schedels, twee grijnzende doodskoppen die men opgegraven had. En het waren die twee die met een lugubere groet Eufrasie die morgen uit haar gewone alledaagse ritueel deden opschrikken.

Eufrasie was een ietwat oudere vrouw van onbestemde leeftijd. Ze woonde alleen in een oud groot huis. Ze had gekruld grijs haar dat naar alle kanten uitwaaierde, sprak met een schrille stem en liep er meestal een beetje onverzorgd bij. De mensen zegden dat ze niet heel goed bij zinnen was en dat er bij haar een “vijs” los was, maar dat belette niet dat ze nog goed haar plan kon trekken.

Eufrasie geloofde en zegde dat ze in contact kon komen met de geesten van overleden familieleden, kennissen en van beroemde personen. Ze had de geest van Napoleon op het eiland Elba horen zuchten en op een winterse stormnacht was ze zo angstig en overstuur geweest, dat de heilige Petrus met zijn broer Andreas haar waren komen kalmeren en troosten. Beweerde ze bij hoog en bij laag.

Verbinding krijgen met de geesten ging zomaar niet vanzelf. Daarvoor moest men de juiste instelling hebben, het perfecte medium zijn, en het contact kon slechts in een gepaste omgeving gebeuren. Die geschikte plaats was voor juffrouw Eufrasie een verdonkerd achterkamertje dat aan de wanden vol hing met zwarte en purperen doeken. Daarop tekenden zich een tiental bleke kruisen af in allerlei grootten en vormen, maar zonder Christusfiguur. Hier en daar hingen er zilveren sterren en enkele gele manen. En in het midden stond een soort altaar, een platte doodskist op twee schragen… Luguber! Natuurlijk ontbraken enkele kaarsen niet. Purperen kaarsen. Hun geur en die van reukstokjes omhulde je als je binnentrad in haar “poort op de wereld van de geesten”.

Stel je voor wat voor een buitenkans die twee doodskoppen voor Eufrasie waren! Het duurde niet lang voordat haar voordeur openging. Behoedzaam spiedde ze de straat af, naar beide kanten. Toen ze niemand in de omgeving vermoedde, sloop ze naar de overkant van de straat, keek nog even rond, stak de twee schedels in een grote boodschappentas, snel en met bevende handen, en huppelde er gezwind mee terug naar binnen, in haar woning.

Ik heb dat met eigen ogen gezien. Ik stond toevallig achter het straatraam in de salon en zocht er mijn Latijnse spraakkunst, die ik daar de vorige dag had laten liggen. Ik had een vakantiewerk gekregen want mijn resultaten voor Latijn waren verre van uitstekend geweest. Wat Eufrasie met haar buit zou doen was voor mij een groot raadsel. Later heb ik daar wel een en ander over vernomen. En dat ga ik je nu kort vertellen.

Zo gauw ze kon dompelde Eufrasie haar twee schedels in een grote kom met gezouten water en waste ze met ijver en liefde schoon. Even later lagen ze op een handdoek in het tuingras broederlijk (of zusterlijk?) naast elkaar in de zon te drogen. Dan bereidde Eufrasie haar middagmaal, maar haar gedachten waren niet bij de maaltijd. Ze had zich bij het aardappelen schillen al eens in een vinger gesneden en nu liet ze het vlees bijna aanbranden... Haar blikken dwaalden steeds af naar de twee "onbekenden". Wie waren dat wel geweest? Zou ze met hen in contact kunnen treden? En hoe? Ze hadden haar zeker iets te vertellen. Ja, een boodschap hadden ze voor haar. Dat was duidelijk. Waarom had zij en niemand anders ze die morgen kunnen meenemen? Waarom hadden ze dan daar gelegen, juist aan de overkant van de straat, vlak tegenover haar huis?

Toen de twee schedels in het tuintje gezuiverd, gewassen en droog in de vroege namiddag op hun bestemming lagen te wachten kwam Eufrasie met een handdoek naar buiten, bleef voor haar vondsten staan en bekeek ze. Vanuit hun holle oogkassen leken ze haar uit te lachen. Vooral de brede afgekloven grijns van het minst beschadigde exemplaar stond haar niet aan. "Wacht maar, ventje, als ik je binnenkort uit je lui verblijf naar boven roep en ik je aan het werk zet... Dan zal jouw brede smoel niet meer zo plezant kijken," mompelde ze halfluid. Dan bekeek ze zijn compagnon. Die was iets kleiner, de helft van een kaaksbeen ontbrak en in de overgebleven helft waren slechts twee tanden blijven steken. "En jij daar, sukkelaar. Kan je met zo een kapot bakkes wel duidelijk genoeg spreken als je een antwoord op mijn vragen moet geven? ... Als je van geen nut bent steek ik jouw smikkel terug in de grond. In ongewijde grond, hoor! Ik raad je aan je best te doen," zei ze nu luider. Ze spreidde haar handdoek op het gras open, wikkelde de twee schedels erin en verdween ermee in huis.

Eufrasie had een papegaai. Hij zat in een ronde kooi die hing aan een staander in een hoek van de eetplaats. Koken en eten deed Eufrasie normaal in de keuken, maar de dubbele deur die de keuken en de eetplaats verbond stond altijd open, zodat Eufrasie altijd gemakkelijk met haar papegaai kon praten, en hij met haar. Eufrasie vertelde hem meestal alles wat ze beleefd had of gewoon wat haar te binnen viel en dan scheen haar gevleugelde vriend naar haar te luisteren, met scheef kopje en blinkende aandachtige oogjes. En als Eufrasie even zweeg kraste de papegaai, coco, enkele keren achtereen iets wat geleek op "bakkes toe". Dat was geen aansporing om te zwijgen, maar eerder een spijtige vaststelling dat Eufrasie stil gevallen was, en tegelijkertijd een aansporing om verder te babbelen.

Toen Eufrasie die namiddag haar lugubere buit op de grote tafel van de eetplaats legde schoof coco nerveus op zijn zitstokje heen en weer, rekte zijn kop tweemaal naar voren, zijn kuif kwam recht en hij kraste "Amai, amaaaai!" Dat was zijn manier om uiting te geven aan zijn verwondering en onbegrip over ongewone dingen. Wantrouwig volgde hij met een groot open oog en scheve kop de gebeurtenissen van dat moment.

Dan begon bij Eufrasie het “zuiveringsmoment”. Ze nam een oude krant, plooide die helemaal open, legde de schedels erop en ging dan naar achter in de tuin. Ze wrikte de deur van het schuurtje daar open, verdween in de schaduw binnenin en kwam even later terug naar buiten met in de ene hand een verfborstel en in de andere hand een blik met witte matte verf. Twintig minuten later lagen de twee doodskoppen onbevlekt wit en koud te drogen op het gedrukte nieuws van enkele dagen geleden.

Het volgend probleem was: wat zou voor die twee onbevlekte ontvangenissen de beste en waardigste verblijfplaats zijn? Omwille van de symmetrie dacht Eufrasie dat het best was een tweede gelijkaardige papegaaienkooi voor de twee blanke koppen te kopen. Terwijl de verf opdroogde liep Eufrasie naar de winkel. Maar omdat ze vreesde dat men het eigenaardig en verdacht zou vinden als ze gewoon een lege kooi nam, kocht ze er nog een papegaai bij.

Thuis gekomen stopte Eufrasie hem bij zijn verbouwereerde maat en zei hem dat ze nu verwachtte dat hij leerde praten. “En geen vuile woorden of manieren, hoor!”, dreigde ze.

’s Anderendaags stonden de twee kooien broederlijk opgesteld naast elkaar. Aan de ene kant leven en beweging, aan de andere kant dood en stilte. Eufrasie legde boven op haar nieuwe aanwinst wel een grote zijden sjaal, bedrukt met religieuze motieven, een geschenk van een neef die op bedevaart naar Lourdes was geweest. Maar ze verwijderde de sjaal wel telkens als ze probeerde met de geesten van die blanke hologigen in contact te komen. Echter, van het moment dat de twee schedels daar zuiver en naakt te prijken stonden, begon de oude papegaai te roepen en te schelden. En het duurde niet lang of zijn maatje kon het al even goed als hijzelf. Het duo produceerde een veelvoud van decibellen aan gekrijs, geroep, papegaaienvloeken en verwensingen. En telkens als Eufrasie de sjaal mooi terug over haar geestvrienden drapeerde, hield het papegaaienconcert op en leek de wereld weer normaal. Uiteindelijk besloot Eufrasie dan maar zelf haar hoofd onder de sjaal te steken om zo te proberen rustig de geestenwereld te betreden. Verwonderd bekeken de twee papegaaien dit gebeuren en wisten niet goed hoe te reageren. Maar het bleef stil, en Eufrasie kon haar geestelijke oefening ongestoord doen.

Ik heb me later laten vertellen dat die gang van zaken zeker een paar jaar heeft voortgeduurd. Tot Eufrasie op zekere dag een beroerte kreeg en niet lang daarna het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.   Niet lang daarvoor uitte ze haar bezorgdheid voor haar gevleugelde vrienden en vertelde ze in ijlkoorts wat de geesten nog allemaal van haar verwachtten. Een medelijdende nicht van haar heeft de stervende Eufrasie getroost en beloofd dat ze voor alles goed zou zorgen, zodat Eufrasie gerustgesteld kon heengaan en nu zonder tussenspel met haar geestvrienden kan communiceren.

Het huis van Eufrasie is nu na veel jaren gesloopt en in de plaats daarvan staat er een modern appartementsgebouw. Ruim en gezellig, met brede ramen en klare vensters. De geesten voelen zich daar niet thuis.

2024 1104

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Enkele bedenkingen bij de roman Tosca van Maud Vanhauwaert

Enkele bedenkingen bij de roman Tosca van Maud Vanhauwaert

 

Dichteres Maud Vanhauwaert heeft in 2023 ook een roman, gepubliceerd. Het is ongewoon werk, ook wat de presentatie betreft, en al gauw verscheen in hetzelfde jaar al een tweede druk. Het loont wel de moeite deze, haar debuutroman, te lezen.

May Solovjov, vertaalster van Russische literatuur en universitair docent, schrijft een brief aan haar uitgever, een zekere Daniël, waarin ze tracht te verklaren waarom ze het boek over haar vader nog niet heeft kunnen schrijven. Het is een brief van een paar honderd bladzijden, te lang voor wat wij onder een brief verstaan. Maar in een roman mag en kan dat wel.

Ze vertelt hem dat ze, na een lezing over een (gefingeerde) Russische dichteres, in contact kwam met Aline, een zwaar gedeprimeerde, getroubleerde suicidale en hulpbehoevende jonge vrouw die vaak ook paniekaanvallen krijgt. Ze spreekt eerst niet, communiceert slechts door middel van kleine tekstjes, gedraagt zich ongewoon, is een gesloten boek. May probeert ze te begrijpen en zo te redden, maar na elk contact staat May voor een groter raadsel. Aline zegt weinig over zichzelf, spreekt in vage termen over homofoob geweld waaronder ze gebukt zou gaan, weigert te eten en zich “normaal” te gedragen. May maakt zich veel zorgen, wil helpen, maar Aline wil nauwelijks hulp. May kan de behoefte Aline beter te begrijpen niet loslaten en het wordt haast een obsessie. Zij wordt door Aline als het ware emotioneel gegijzeld. Ondanks alle moeite kan ze Aline toch niet begrijpen en echt helpen.  Op de duur geraakt May zozeer door Aline geobsedeerd dat ze zelf gedachten heeft over dood en zelfdoding, en irrationeel handelt.

Dit had ook gevolgen op de verhouding van May met haar partner, Lou, die realistischer in het leven staat. Ze hebben een kinderwens, vooral Lou. Ze wil met behulp van een zaaddonor zwanger worden. Maar de zwangerschap lukt nooit. Dan besluit May het kind van haar partner te dragen, maar ook dat loopt op een mislukking uit. Deze tegenslag en de lange toxische verhouding tot Aline dragen ertoe bij dat de relatie tussen Lou en May schade oploopt.

Op het einde krijgt de roman een onverwachte wending. De brief aan uitgever Daniël - dus Mays verhaal tot nu toe - stuurt ze bij vergissing naar Aline. Daardoor komt aan het licht dat het verhaal van May niet de werkelijkheid weergeeft maar deels verzonnen is. De Aline uit het verhaal is grotendeels voor May een romanfiguur geworden. Het komt dan ook tot een breuk.

Deze debuutroman van dichteres Maud Vanhauwaert is opmerkelijk. De tekst is doorspekt met een aantal gedichten die het verhaal een diepere laag geven, daar ze inhoudelijk en emotioneel het leven van de personages zijdelings raken. Ook de uiterlijke presentatie van het boek is ongebruikelijk. De bladzijden zijn genummerd aan de zijkant maar de nummering zakt naar beneden naargelang het verhaal vordert. De bladzijden waarop de gedichten staan zijn ongenummerd en tellen niet mee. Het kaft is bijna helemaal wit en de letters van de titel en van de tekst achteraan staan in reliëf. Er bestaat ook een zgn. “Japanse” uitgave, waar je de gedichten aan de ene kant kunt lezen, en voor de tekst moet je het boek omdraaien en de bladzijden opensnijden. Interessant. Daardoor komen de gedichten in beide uitgaven niet altijd op dezelfde plaats te staan, maar dat doet niets af aan de waarde van het geheel.

De taal van Maud is vlot leesbaar en op sommige plaatsen ronduit poëtisch. De titel ‘Tosca’ wordt min of meer verklaard vooraan in het boek: ‘…a sensation of great spiritual anguish, often without any specific cause’ … a dull ache of the soul, a longing with nothing to long for …’ Het is eigenlijk een onvertaalbaar Russisch woord, dat zo ongeveer de betekenis heeft van ons ‘heimwee’, wellicht ook het Duitse ‘Weltschmerz’.  

Het is interessant het verhaal vanuit het standpunt van een vertaler te zien. De spreuk ‘traduttore tradittore’, de vertaler is een verrader, betekent dat men toch nooit een tekst volledig kan vertalen, zodat alle schakeringen weergegeven worden. En dit geldt zeker voor poëzie. Dat is ook toepasselijk op hoe de vertaalster May naar Aline kijkt, haar lichaamstaal onderzoekt, tracht te begrijpen, haar verhaal opschrijft, wijzigt en tot literatuur verwerkt.

May had meer over haar vader willen weten en er een boek over schrijven. Afgezien van de tiental bladzijden die over haar ouders gaan (p.37-46), komen we niet veel over de vader te weten.  Omdat dat niet lukt vertelt ze het verhaal van Aline. Toch is haar vader indirect in het verhaal aanwezig. Dat komt in het begin al even naar voren. Aline heeft van May een tekening gemaakt waarin ze zozeer de trekken van haar vader herkent dat ze zich met hem als het ware een gaat voelen. Door de treffende gelijkenis met haar vader is haar verhaal ook onrechtstreeks dat van haar vader geworden. Zo eindigt het boek: ‘Het is verrassend hoe goed ik erop lijk nu. Mijn vader is dichter dan ooit.’

Bibliografie: Maud Vanhauwaert, Tosca. Das Mag, Amsterdam, 2023.

André G. Vanstraelen, Dilbeek, 2024 1023.

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Mira Feticu. Verliefd op boeken, liefde voor de bibliotheek

Geheugen, geschiedenis, beschaving 

is de titel van een boekje geschreven door de Roemeens-Nederlandse schrijfster Mira Feticu. 

De ondertitel is: Lofzang op de bibliotheek. 

Het bevat 130 bladzijden en werd in 2023 uitgegeven door de uitgeverij De Geus.

Mira Feticu werd geboren op 10 december 1973 in Breaza, Roemenië. Ze groeide op in Roemenië, en studeerde in Boekarest Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap. Ze schreef gedichten en verhalend proza en debuteerde reeds in 1993. Ze trouwde met een Nederlander, leerde Nederlands en begon vanaf 2012 zelfs in die taal te schrijven. Ze is ook actief als radiomaker en publicist. In 2021 publiceerde ze zelfs een Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal. (Breda, De Geus). Gedurende tien jaar was ze actief in de bibiliotheek van Den Haag, deed literair onderzoek en werkte ondertussen aan haar doctoraal proefschrift, waardoor ze in 2010 tot doctor in de letteren promoveerde. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie.

De hoofdstukken van Geheugen, geschiedenis, beschaving zijn ingedeeld volgens de dagen van een werkweek in de bibliotheek.We vernemen daarin haar visie op boeken, hun invloed, hun waarde voor de de cultuur en de samenleving. Het is werkelijk een lofzang, een liefdesverklaring, aan bibliotheek en boeken. Ze zegt dat een boek soms het resultaat is van jarenlang werken van de auteur, het summum van iemands leven, misschien de essentie van zijn bestaan. Door het boek vloeit al duizenden jaren universele wijsheid, ervaring, hoop en schoonheid door. En als je dat negeert leef je als een houten klomp. (p. 45). Ik vind dat wel rooskleurig, maar het is toch ook zo dat als je verliefd bent, je nu eenmaal de hoogte ingaat en positief op wolken zweeft. En Mira Felicu ís verliefd op taal en boeken, meer nog, ze houdt ervan, het is haar leven.

Echter over het beleid van bibliotheken kan ze niet altijd positief zijn. Vooral in het onderdeeltje over "libricide" (het 'doden' van boeken), lezen we interessante dingen. Het is haast een klaagzang over het feit dat in bibliotheken zoveel boeken gewoon afgeschreven en weggedaan worden omdat die boeken niet genoeg mensen interesseren en de uitleencijfers voor die werken niet hoog genoeg zijn. Dat zoveel wijsheid, kennis, schoonheid, hoop en plezier verloren gaan. (p. 46). "Afschrijven is de hel". (p.36). Ze geeft ook enkele tips waarmee we de toekomst van de bibliotheek kunnen beveiligen. Want de bibliotheek is toch ook een paradijs van schoonheid, van kennis, van rust. In een boek kan men zichzelf ontdekken, troost vinden. En vooral de literatuur moet een centrale positie innemen. "Boeken zijn altijd goed". (p.58). "Wie zijn we zonder boeken?" (p. 109). De schrijfster pleit ook voor het behoud van het fysieke boek. Daar kan het internet niet tegen op. "De maatschappij heeft de bieb nodig". (p. 48). Laten we hopen dat men daar meer rekening mee houdt.

De menselijke kant van de bibliotheek is voor haar de bibliothecaris, of liever en vooral de bibliothecaresse. Want die zijn in de overgrote meerderheid. Zij spreekt ook uit eigen ervaring. "De bibliothecaresse leent boeken uit, veegt tranen af, sust en verleent hulp. De bibliotheek is een perfect wezen, dat zowel kennis als steun verleent. De bibliotheek is een organisatie met mensen voor mensen. Houdt haar in leven!" (p. 86). Wie zegt het beter?

In haar boekje staan nog veel andere interessante gedachten die de moeite waard zijn om over na te denken en te bespreken. "Er is veel te vertellen." (p. 90). Maar vooral: voor de boekenliefhebber is het een plezier dit werk te lezen en zelfs te herlezen.

Feticu.JPG  Mira%20Feticu.JPG

Dilbeek, 2023 0528

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

De mijter van Sinterklaas

De mijter van Sinterklaas   

Het was begin september en de heetste dagen van de zomer zouden voorbij moeten zijn. Maar neen, dit jaar was dat niet het geval: de zon bleef maar heet schijnen en in de lucht was er al dagen lang geen wolkje te bespeuren. En het bleef maar duren.

Je zal dan ook wel direct begrijpen dat de mensen in het zuiderse Spanje die loodzware hitte beu waren. Ze snakten naar een beetje afkoeling en zelfs naar een verfrissende regenvlaag. 

En dat was ook zo in het kasteel van Sinterklaas dat boven op een Spaanse berg in het verblindende zonlicht stond te schitteren.

Sinterklaas lag aan de rand van zijn zwembad onder een brede parasol in een strandzetel wat te rusten. Het zweet stond nat op zijn voorhoofd en de druppels rolden langs zijn baard naar beneden. De bovenrand van zijn kraag was daardoor al helemaal doorweekt. Met zijn zakdoek wreef hij zijn voorhoofd en wangen wat droog, maar dat hielp niet lang. Sinterklaas zuchtte af en toe eens goed hoorbaar. Die zomerse hitte was toch niet meer uit te houden.

Zwarte Piet, die de hoofdpiet is van alle medewerkers van Sinterklaas, en die hem altijd begeleidt, bekeek zijn heilige vriend met medelijden. Maar dat veranderde niet veel aan de toestand. Sinterklaas was wel een heilige, maar eigenlijk was die grote kindervriend toch ook maar een mens. En als iedereen het te warm had, dan ook Sinterklaas.

“En dat komt allemaal door die vervloekte klimaatverandering!” mopperde de Sint.

“Ja, heel jammer is dat,” antwoordde Zwarte Piet. “Maar, beste Sinterklaas, gelukkig heeft Knutselpiet dat dingetje voor jou geïnstalleerd.”

“Dat dingetje? Je bedoelt dat ventilatortje in mijn mijter?”

“Natuurlijk. Ik vind dat een goede uitvinding,” antwoordde Zwarte Piet. “Het stoort niet, je ziet het niet en je hoort het ook niet.”

“Inderdaad,” zei Sinterklaas, “het helpt het hoofd wat koeler te houden. Dat is fijn.”

De Sint keek verstrooid naar zijn geborduurde pantoffels en merkte dat er een draadje aan los zat. En daarom trok hij zijn mond nog een beetje meer in een norsige plooi. Zwarte Piet had dat natuurlijk opgemerkt.

“Onze Naaigriet zal dat wel snel en keurig in orde brengen,” haastte hij zich de Sint gerust te stellen.

De Sint bekeek Zwarte Piet om te zien of hij het wel meende. Vorig jaar, na de laatste Sinterklaasronde had hij, wel een beetje tegen zijn zin,  een groep vrouwelijke pieten, de zogenaamde grieten, aangesteld. Op veel plaatsen en vooral op het plein voor zijn kasteel waren er herhaaldelijk luidruchtige betogingen geweest voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Sinterklaas zou alleen maar mannen, pieten, in dienst hebben, en men vond dat dat niet kon. Vrouwen, grieten, konden evengoed als pieten Sinterklaas helpen, ja zelfs het soms beter doen! De tijden waren nu eenmaal veranderd! En uiteindelijk was de Sint voor hun eisen bezweken. Hij vreesde onder meer dat veel pieten met de grieten zouden flirten en zo hun werk zouden verwaarlozen. Daarom had de Sint de mooiste en jongste vrouwelijke kandidaten voorzichtigheidshalve niet willen aanstellen. Daardoor waren sommige pieten misnoegd en beweerden dat de Sint discrimineerde en te veel van de oude tijd was.  Zelfs twee van hen hadden hun ontslag ingediend. Het waren Brompiet en Knorpiet. Maar dat was geen groot verlies, integendeel, die waren eigenlijk toch nooit tevreden.

Sinterklaas had daarentegen al eens ondervonden dat het aanstellen van vrouwelijke pieten, de grieten, ook zijn voordelige kant had; er waren er een paar bij die zeer goed konden koken en bakken, en daar Sinterklaas van lekker eten hield en graag snoepte vond hij dat hij zich niet vergist had. Trouwens in de keuken en in de bakkerij kon men altijd helpende handen gebruiken. En tot nu toe was er nog nooit iemand geweest die, zoals Naaigriet, zulke mooie poppenkleren kon maken. En ook voor reparaties kon men altijd op haar een beroep doen. Een paar grieten waren fantastisch goed in het schrijven van lieve troostbriefjes aan ongelukkige kindjes, zodat die terug gelukkig werden. Dat was toch allemaal positief.

“Ja, Zwarte Piet, bezorg mijn pantoffels maar aan Naaigriet. Niemand kan ze beter herstellen dan zij.”

Sinterklaas keek ondertussen met een afwezige blik naar de groepjes plonsende, zwemmende en lawaaierige pieten en grieten in het grote zwembad. Het water had een weldoende invloed op hen en zelfs Sinterklaas vergat een beetje waarom hij aan het brommen was. Hij kreeg ook zin om een rondje te zwemmen, maar hij had zijn zwembroek in de badkamer vergeten. Zonder zwembroek zou de Sint zeker nooit in het zwembad gaan. En zwemmen met zijn kleren aan was veel te hinderlijk. Daarom liet Sinterklaas zich maar met een lange diepe zucht in zijn zetel achterovervallen en sloot zijn ogen. Het ventilatortje aan de binnenkant van zijn mijter gaf hem wat afkoeling en hij zou best nog een lui dutje doen. Net toen hij in slaap ging vallen voelde hij zijn mijter op zijn hoofd bewegen.

“Zwarte Piet, blijf met je handen van mijn mijter af en laat mij wat rusten,” mompelde de Sint in een halfslaap.

“Goede Sint, ik doe toch helemaal niets,” zei Zwarte Piet verwonderd. “Maar kijk, wat gebeurt er daar met je mijter!?”

Inderdaad, de mijter van Sinterklaas schudde van links naar rechts, het ventilatortje binnenin begon razend snel te draaien en lawaai te maken en uit de mijter kwam er rook! Sinterklaas voelde zijn hoofd gloeien en wilde de mijter van zijn hoofd trekken. Maar voor hij dat kon vloog die vanzelf naar omhoog en bleef boven het zwembad toertjes ronddraaien.

“Oei, oei, mijn haar staat in brand!” jammerde Sinterklaas.

Zwarte Piet maakte gauw een badhanddoek nat, en gooide die over het smeulende haar van Sinterklaas. In het midden van het hoofd van de  heilige man zag je nu een verschroeide donkere plek. Sinterklaas was verschrikt uit zijn zetel getuimeld, kroop recht, dacht dat hij helemaal in brand stond, en sprong met kleren en al in het zwembad. De andere pieten en grieten zagen dat en wisten eerst niet goed wat er gebeurde. Verbaasd keken ze naar de spartelende Sint.

“Help, help! Ik verdrink!” riep de Sint.

Gauw hadden ze de druipnatte Sinterklaas uit het water geholpen.

De mijter van Sinterklaas bleef nog enkele keren boven het zwembad rondtoeren.

“Daar, daar! Pak hem!” riep Sinterklaas, maar de mijter veranderde van richting, en vloog weg over de bossen rond het kasteel van Sinterklaas. Heel in de verte beneden zagen ze hem tussen de bomen ergens in het struikgewas verdwijnen…

“Mijn mijter, mijn mooie zomerse mijter!” jammerde Sinterklaas. “Ik kan nu toch al niet mijn winterse mijter opzetten. Daarvoor is het veel te warm en ook veel te vroeg.  En hoe gaan de kinderen mij, zonder mijter, herkennen?”

“Niet treuren, Sinterklaas,” suste Zwarte Piet, “we gaan je mijter zoeken en zullen hem wel vinden. En dan is alles weer in orde.”

“En zeg tegen Knutselpiet dat ik hem voortaan Knoeipiet zal noemen!” zei Sinterklaas op kwade toon.

“En het ventilatortje nemen we uit de mijter, zodat alles wel terug wordt gelijk vroeger,” voegde Zwarte Piet eraan toe. “Dan kan je je mijter terug opzetten zonder het risico dat hij weg gaat vliegen en dat je haar in brand vliegt.”

Dat troostte Sinterklaas een beetje, maar zonder mijter of iets op zijn hoofd wilde hij niet meer aan het zwembad blijven zitten. Die zwarte verschroeide vlek midden tussen zijn mooie witte haar was niet aan te zien. Zwarte Piet gaf Sinterklaas in afwachting een reserve pietenmuts. Hij moest Knutselpiet, nu Knoeipiet, direct laten komen.

Toen die, bleek van schrik, aangelopen kwam en voor Sinterklaas stond, kreeg hij van hem een ferme uitbrander die hij volgend jaar zeker nog niet zal vergeten zijn.

“En ga nu o-gen-blik-ke-lijk mijn weggevlogen mijter zoeken, en kom niet terug voor je hem gevonden hebt!” brulde Sinterklaas hem na.

Knutselpiet, nu Knoeipiet, rende naar zijn atelier, riep zijn twaalf pietenhelpers bijeen en met hun dertienen liepen ze naar beneden in de richting waar de mijter van Sinterklaas gevlogen was. Het was niet gemakkelijk het hoofddeksel van de Sint te vinden, want ze hebben de hele namiddag, avond, nacht en volgende morgen moeten zoeken. Uiteindelijk vonden ze hem. Hij lag niet op de grond of tussen het struikgewas, maar hing gewoon ondersteboven met een van zijn twee achterste lintjes aan een takje vast in de wind te zwaaien en lustig te draaien.

Toen Knutselpiet terug was heeft hij de mijter grondig afgestoft en schoongemaakt en het beschadigde ventilatortje vakkundig verwijderd. Met veel verontschuldigingen en excuses is hij hem dan aan Sinterklaas gaan afgeven.

Sinterklaas was verheugd toen hij zijn pietenmuts kon afnemen en zijn zomerse mijter weer mocht opzetten. Hij vond dat zijn mijter er nu beter uitzag dan toen hij nieuw was. In een vergevingsgezinde bui noemde de Sint Knutselpiet weer bij zijn ware naam en gaf hem de opdracht tienduizend kleine vliegende speelgoedmijtertjes te maken. Die zou hij bij zijn volgende feest in december aan veel brave kinderen uitdelen.

En zo had dit onaangenaam avontuur toch nog een gunstig gevolg.

Sinterklaas heeft niet lang zijn verschroeide haar moeten verdragen, want Kapstergriet zorgde ervoor dat men na drie dagen daar helemaal niets meer van kon zien. Ook daarom was Sinterklaas blij dat hij grieten had aangesteld. En hij voelde zich weer wat gelukkiger.

 

2022 0914/1116 - André G. Vanstraelen

 

Geschreven door padre om 15:39 Reageer op dit bericht

Het vertrek van de Kerstman, de échte.

Het vertrek van de Kerstman, de échte

2370483-c3bb4f329773c8254a047fc284fe7a0d.png

Het was 24 december. De Kerstman, de échte, schoot wakker en dat zinde hem niet. Het was nog te vroeg om op te staan, maar hij voelde een onaangename kou op zijn hals. Hij wreef met zijn hand over zijn nek, en voelde dat ze nat werd. Ineens was hij klaar wakker en keek naar omhoog. Ja, verdorie! Door het dak van zijn Laplandse grote iglo sijpelde water. Druppel na druppel viel omlaag. Plets, nog een op zijn dikke neus.

Hij sprong recht en nog in pyjama kroop hij door het nauwe deurgat van zijn iglo naar buiten. Het was verdacht warm voor de tijd van het jaar. Hier in Lapland zou het heerlijk moeten vriezen en sneeuwen. Maar nu glinsterde de sneeuw waterig, en hier en daar gleden er druppels van de stevige ijspegels.

De Kerstman, de échte, voelde zich warm worden van verontwaardiging en woede. Hij balde zijn vuisten en vloekte eens goed dat het in de wijde omgeving te horen was. Hij vloekte natuurlijk op zijn Kerstmans. Als wij eens vloeken is dat anders; dat klinkt onbeheerst, onbeschaafd, vulgair. Wij doen dat beter niet. Maar de Kerstman weet hoe hij een vloek moet produceren zonder onbehoorlijk te zijn. Het klonk dan ook gelijk een reeks donderslagen. Hij vloekte tegen al die domme egoïstische lui die het klimaat verknoeid hadden en het steeds maar verder bleven verknoeien. Het resultaat was dat zelfs hij, de Kerstman, de échte, niet eens meer rustig kon blijven slapen zonder dat het ijs van het iglodak begon te smelten en er water op zijn nek neerdruppelde.

Van al dat gedondervloek waren zijn 24 kerstmanknechten met grote schrikogen wakker geworden en in hun hemd en blootvoets uit hun iglootjes naar buiten gestormd. Het waren er nu 24. Vroeger, in heidense tijden, toen men nog met het Joelfeest het begin van de winter vierde, waren het er maar 20, en met hem erbij waren ze dan met zijn 21. Omdat op 21 december de winter begint. Doch sedert het christendom zijn intrede had gedaan en Kerstmis op 25 december werd gevierd, had hij vier kerstmanknechten meer aangeworven. Van toen af waren ze met 25. Want zelfs de Kerstman, de échte, vond dat men met zijn tijd moest meegaan. 25 stemde dan ook overeen met de datum van Kerstmis op de almanakken. Trouwens 25 was een mooi getal. Men kon 5 ploegen van 5 samenstellen, of 6 ploegen van 4 man, met hemzelf daarbij als supervisor. En er waren nog andere mogelijkheden als dat voor het werk en de verdeling van de kerstgeschenken nodig mocht blijken.

Een beetje verwonderd zag hij hoe rondom hem zijn 24 knechten gapend de slaap uit hun ogen wreven. Hij klapte in zijn handen en riep: “zes maal vier!”. Dat was het teken voor iedereen om in actie te schieten. Iedereen verdween in zijn eigen iglootje en vier minuten later stonden ze allen terug buiten, in zes groepen van vier, volledig aangekleed voor de reis.

Ondertussen was de Kerstman, de échte, ook verschenen, in vol reisornaat. Hij klingelde met de grote bel die hij vasthield en alle elanden kwamen tevoorschijn. Het waren zes groepen van vier trekdieren. Ze trokken elk drie bomvolle sleden vol geschenken. In een lange rij stonden ze achter elkaar. De Kerstman, de échte,  had vooraan plaats genomen op een schitterende slee die getrokken was door vier prachtige elanden. Hij nam de teugels vast en stak zijn rechterhand omhoog. Dat was het teken om te vertrekken. En toen zette de karavaan zich in beweging.

Eerst ging het tamelijk langzaam, maar na enkele minuten gleden ze wel tegen 150 kilometer per uur over de sneeuw. Daarna moest het nog sneller. De Kerstman, de échte, stak beide armen in de lucht en riep zijn gekende “Ho Ho Hoo!” en toen gleden ze allen naar omhoog, de lucht in. Alle kerstmannen zongen een vrolijk Jingle Bells, en toen de laatste klanken van dit lied waren weerklonken splitsten de zes groepen zich in verschillende richtingen om de geschenken aan de mensen in de verschillende landen uit te delen.

De Kerstman, de échte, ging alleen verder. Dit jaar wil hij speciaal naar… Ja, naar jou, lieve lezer/es. Maar je moet het wel geloven. Misschien zal je hem niet “zien”, maar als jij aan hem denkt zal hij er zijn.

De Kerstman, de échte, glimlachte voldaan. Ja, het kon een fijne Kerstmis worden.





Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Een dag uit het leven van Sinterklaas

Voor wie in zijn hart kind gebleven is of graag zijn kinderen of kleinkinderen, of gewoon kinderen in het algemeen, iets over Sinterklaas wil vertellen.

 

Een dag uit het leven van Sinterklaas

Het was half augustus. De Spaanse zon keek van heel hoog naar beneden. Haar hete oog bleef rusten op dat kasteel met die vier eigenaardige torens. Het lag op een berg die op een landtong in zee uitstak. De daken van de torens hadden de vorm van mijters. Zoals die van een bisschop. Zo’n kasteel was natuurlijk iets speciaals en een zeldzaamheid. Het was eigenlijk het enige kasteel in de hele wereld dat er zo uitzag. En dat was niet verwonderlijk, want het was het kasteel van Sinterklaas!

Een kronkelige weg leidde ernaartoe. Beneden aan het begin van de weg stond een wegwijzer. Een wegwijzer wijst de weg aan, en dan moet je de richting van de punt volgen. Maar die wegwijzer hier had twee punten die weliswaar beide in dezelfde richting wezen. Waarom twee punten? Wel gewoon omdat die wegwijzer de vorm van een mijter had. Maar die lag dan op zijn zij. Hij was rood en geel gekleurd en had een gouden randje. Als het donker werd gingen daarop automatisch lichtjes branden en in het midden kon je lezen, in sierlijke letters geschreven: “Kasteel van Sinterklaas”. Maar dan in het Spaans, omdat Sinterklaas van Nieuwjaar tot september in Spanje woont. Onderaan stond wel in kleinere lettertjes de Engelse vertaling, voor wie geen Spaans kent. Veel mensen verstaan geen Spaans, maar kennen tegenwoordig genoeg Engels om toch de weg te kunnen vinden. Vroeger stond dat daar in het Latijn, maar omdat bijna niemand die taal kent, had Sinterklaas dat Latijn laten vervangen door het Engels. Dan zou men toch weten waar men moest zijn om speelgoed en cadeautjes uit te kiezen, bestellingen te doen en later op te halen. Hij zou het verschrikkelijk jammer vinden als men de weg naar zijn kasteel niet zou vinden, zodat daardoor heel wat kinderen op zijn feest zouden vergeten worden.

Het was dus half augustus en in Spanje is het in die maand zeer warm. Sinterklaas was vroeg in de morgen naar de mis geweest, want men vierde die dag het hoogfeest van Maria Hemelvaart. Het was een feestdag en daarom werd er vandaag niet echt gewerkt. Dat wil niet zeggen dat Sinterklaas die dag helemaal niets deed, want om de brieven van kinderen te lezen had hij altijd tijd. Nadat Sinterklaas een paar croissants en twee sandwiches gegeten had met een kop warme choco, vroeg hij aan Zwarte Piet om zijn groot boek en de mappen met brieven van vorig jaar te gaan halen zodat hij die nog eens snel kon lezen. Zwarte Piet was de hoofdpiet en vandaag had hij dienst omdat het een feestdag was. Alleen Kokpiet, die een goede kok is, moest voor het eten zorgen en Witte Piet moest vandaag slechts het paard van Sinterklaas verzorgen.  Gele Piet, Chocolade Piet, Bonte Piet, Lange Piet, Rosse Piet, Bolle Piet, Stomme Piet, Springpiet, Brillepiet, Pietje Snel, Pietje Blink en de kleine Pietje Veer hadden vrijaf. Alleen Reispiet en Vliegende Piet waren er niet bij want die waren in het buitenland om het nieuwste en beste speelgoed te leren kennen en eventueel te kopen.

Omdat het zo warm begon te worden, waren ze met zijn allen naar het zwembad gegaan en plonsden en stoeiden daar nu naar hartenlust. Sinterklaas kreeg ook lust in een frisse duik in het water vooraleer aan het werk te gaan. Hij gooide zijn staf, mantel, toga, mijter, handschoenen, schoenen, kousen, hemd, onderlijf een zelfs zijn onderbroek in een hoek en trok een rood-gele zwembroek aan.  Dan legde hij zijn bril op het tafeltje dat Piet daar gereed gezet had. Met zijn rechter hand wreef hij een paar keer over zijn baard. Jammer dat die baard zo lang is, knorde hij even. Bij het zwemmen stoort dat wel een beetje. Ik mag hem niet inkorten en zeker niet afsnijden, want dat zouden de kinderen van de hele wereld zeker niet leuk vinden. Ja, ik weet wel, de Kerstman heeft een kortere baard, maar ik ben Sinterklaas en niet de Kerstman. Vooruit dan maar. En met een sprong die men niet van zo een oude man zou verwachten, gleed hij in het frisse water en begon aan een hele reeks rondjes.

Sinterklaas had wel een eigenaardige gewoonte als hij zwom. Hij begon met een lengte links, zwom dan terug tot ongeveer in het midden van het bad, draaide dan naar de bovenste hoek rechts, en zwom aan de rechterkant terug naar beneden en dan weer naar links onder. Als je mij goed gevolgd hebt, heb je zeker al gemerkt dat zo een rondje de vorm van een mijter heeft. Sinterklaas deed dat elke keer als hij goed gezind was. Want je bent Sinterklaas of je bent het niet. En tot nu toe was er niemand te vinden die Sinterklaas ooit slecht gezind had gezien. Slechts als hij heel moe was kon hij nogal zwijgzaam zijn. Maar als hij daarna eens goed geslapen had was dat weer over. Sinterklaas zwom zijn rondjes zelfs beter dan de pieten rond hem, behalve dan Pietje Snel, die het iets sneller deed. Maar ja, dat was de jongste van de hoop, en je kan toch niet in alles de beste zijn.

Toen Sinterklaas zich na een flinke zwembeurt afgedroogd had en nog een beetje hijgend op een strandstoel uitrustte, zette Zwarte Piet een plooitafeltje naast hem. Hij legde er het groot aantekenboek van Sinterklaas op samen met drie dikke mappen vol met brieven die kinderen hem vorig jaar geschreven hadden.  Daarnaast zette hij nog een fles sinaasappelsap en vulde een glas voor de sint. Ze gingen vandaag snel nog eens die brieven herlezen. Misschien konden ze dit jaar sommige kinderen het cadeautje geven dat vorig jaar niet meer in voorraad was. Piet zelf ging op een krukje naast zijn baas zitten met een aantekenboekje en een balpen in de hand om op te schrijven wat Sinterklaas hem zou dicteren.

En wat stond er allemaal in die brieven? De kinderen schreven allemaal dat ze braaf geweest waren, en als dat soms niet het geval was geweest, waren ze toch niet opzettelijk stout geweest. Maar dat was dan per ongeluk gebeurd.

Ja, zei Sinterklaas tot Zwarte Piet, als ik er goed over nadenk vind ik toch nergens een kind dat echt stout is geweest. Neen, er waren geen stoute kinderen. Dat kon hij rustig weer eens zeggen als hij dit jaar van de boot stapte. De duizenden kinderen die hem dan stonden op te wachten en toe te juichen zouden blij zijn als ze dat hoorden. Veel kinderen hadden een prachtige tekening op hun brief getekend of erbij gevoegd. Hun verlanglijstje hadden heel mooi neergeschreven. Soms was het veel te lang, maar dan koos de sint er voor hen toch het beste uit. De kleintjes die nog niet konden schrijven hadden een foto van wat ze verlangden uit de reclameblaadjes geknipt en op hun brief geplakt. Zo wist Sinterklaas wat de kinderen wensten te krijgen. En als het mogelijk was zou hij het hen wel schenken.

De hele voormiddag lazen ze nog de brieven en bewonderden de tekeningen die vele kinderen gemaakt hadden. Een paar had Sinterklaas zelfs opzij gelegd omdat hijzelf op de tekening stond en ook omdat hij blij was dat zijn portret zo goed geslaagd was. Ondertussen had Zwarte Piet in zijn aantekenboekje al veel namen opgeschreven en daarbij genoteerd wat ze zeker niet mochten vergeten. In de loop van de volgende weken zou hij alle namen op fiches overschrijven en daaronder of de kinderen braaf en vlijtig waren geweest en wat ze voor het feest van Sinterklaas verlangden. Maar om die fiches allemaal goed in te vullen moest men wachten tot de kinderen hun brieven geschreven hadden. Daarvoor was het op die warme dag in augustus nog wat vroeg, maar binnen een tweetal maanden zou er zoveel post zijn dat hij een tweede en zelfs een derde brievenbus moest bijplaatsen.

Om half twee in de namiddag hielden ze op en gingen middagmalen. Misschien denk je dat dit vrij laat was. Maar in Spanje is dat zo de gewoonte. En na het eten gaan de meeste mensen eventjes een dutje doen. Dat noemen ze daar de “siesta”. Tot vijf uur in de namiddag ongeveer. Dat doet men omdat het toch veel te warm is om te kunnen werken.

En dat deed Sinterklaas ook. Hij stond erop dat het dan stil bleef en dat de pieten dan niet bleven rondhangen en met mekaar babbelen. Ja, soms gebeurde het ook eens dat ze begonnen te kibbelen. Dan nam de sint zijn staf, zwaaide daar even mee, trok een kwaad gezicht en riep iets dat leek op “sakkertweededrieënhalf!”. Dat volstond en de sint kon dan rustig even gaan liggen en zijn slaapje doen.

Om vijf uur hernam iedereen weer met zijn dagelijks werk en dat duurde tot ongeveer tien uur in de avond. De Spanjaarden souperen dan. Dat noemen ze daar “cenar”. Ze drinken daarbij een of verschillende glazen wijn en na het dessert wordt er vaak gezongen en gedanst.

Daar Sinterklaas al zoveel jaren in Spanje leefde had hij zich die gewoonte ook eigen gemaakt. Hij kon erg genieten van het lekkere eten dat Kokpiet klaargemaakt had, en dronk enkele glazen wijn: rode, witte of rosé, al naargelang van het menu. ’s Morgens dronk hij meestal een grote kop choco, maar ’s middags en ’s avonds was het wijn. Behalve in de vasten, dan was het slechts spuitwater.

Na het eten werd er nog gezongen, bijna altijd sinterklaasliedjes. Dat hoorde de sint nog het liefst. Alle pieten zongen dan in koor mee, behalve Stomme Piet, omdat die niet goed bij stem was, maar het beste de maat kon slaan. En als het bijna middernacht was hielden ze op en gingen naar bed. Zwarte Piet hielp Sinterklaas bij het uitkleden, zette zijn staf in een hoek, hing zijn kleren aan de kapstok en trok de siersprei van het bed. Ondertussen ging Sinterklaas in de badkamer zijn tanden poetsen, trok zijn piama aan, zette zijn slaapmuts op, legde zijn bril naast zich op het nachttafeltje, en gleed zalig in bed. Dat waren mooie avonden voor Sinterklaas. Tevreden en gelukkig viel hij dan in slaap.

2020 1207

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Solanum dulcamara

Solanum dulcamara van Gerke Verthriest

2359656-8807f32d7e1890623e2be00f91f36463.JPG

Bitter gemis, zoete herinnering. Met deze woorden zou je het onlangs verschenen dichtbundeltje Solanum dulcamara van Gerke Verthriest kunnen karakteriseren. Bitterzoet, bitter-zoet. Dit is in de volksmond de naam van een plant die de wetenschappers in hun jargon Solanum dulcamara noemen. Ik zie erin doorschemeren het Latijnse dulcis (zoet, aangenaam) en amarus (bitter, onaangenaam). Solanum verwijst ernaar dat het een vaste plant is uit de nachtschadefamilie. Maar ik zie er liever het woord solus (alleen) in. Deze verklaring is etymologisch niet juist, maar ze past hier bij de gedichten. Want de dichteres verwoordt haar gemis, haar alleen achterblijven met haar droefheid, herinneringen en hoop. Paarsblauwe bloemen heeft bitterzoet, een kleur die wij associëren met verlies en rouw. En dan nog iets: deze plant windt zich om andere planten, houdt zich recht en evolueert niet alleen door in de bodem in verbinding te staan, er het leven uit op te zuigen, maar ook door zich vast te klampen aan en steun te vinden bij wat zich buiten haar bevindt.

 

“Een kleinood om in een open hand te leggen.” Zo stelt de dichteres naar eigen boekje voor. Leggen in een “open hand”, niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk. Een “kleinood”? Ja, toch voor een open hand en hart. Het is een in ieder geval een mooie uitgave: een boekje van 60 bladzijden, formaat 21 x 21 cm, ongeveer 6 mm dik,  en het ligt goed in de hand. Op de lichtgrijze kaft een afbeelding, van enkele bloempjes bitterzoet, teergrijs, wat neerslachtig hangend, opzettelijk wat vaag gehouden, melancholisch zacht. Laat je het boekje in je hand openwaaieren, dan verschijnt rechts bij elk gedicht een illustratie, ook in grijze tinten. De foto’s werden gemaakt door Linda Hendrickx, mooie passende foto’s, en de meeste daarvan zijn het waard ingelijst bewonderd te worden. Ze worden wat vaag gehouden, niet scherp afgelijnd, niet agressief, medevoelend, zacht.  Een persoon die treurt is kwetsbaar en moet zacht bejegend worden. 27 foto’s in tere grijze tinten, sfeerscheppend en sfeerondersteunend. Ze begeleiden de 27 gedichten, een stille treurzang vol weemoed, dankbaar denken aan en verlangen naar de overleden geliefde. Want:

“mocht er al één zijn

  Die me opwacht aan de kust

  dat jij het dan bent”. (p. 28)

 

Woorden “op het ritme van een haiku”, schrijft de dichteres. Een van de kenmerken van de haiku is dat hij bestaat uit drie regels, waarvan de eerste en de derde 5 lettergrepen tellen en de tweede 7. Een haiku, variante senriu, bezit daarenboven nog inhoudelijke kenmerken, die we hier slechts af en toe terugvinden. Maar de dichteres wou in de eerste plaats een bundel scheppen op het “ritme” van een haiku. En daarin is ze wonderwel geslaagd: 27 gedichten gemaakt met strofen die uiterlijk haiku’s zijn. Maar er is meer, want het geheel zelf bestaat uit achtereenvolgens negen reeksen van gedichten die achtereenvolgens 5, 7 en 5 haiku-strofen bevatten. 9 maal, 27 gedichten. Een haiku in het groot!

 

Wie deze gedichten leest moet er zijn tijd voor nemen. In haar voorwoordje schrijft de dichteres: “Betast het vederlicht, met langzame vingertoppen.” Het is een goede raad die het “woordloze vragen van een talmende hand” (p. 10) tracht vast te leggen.   

Het is moeilijk volledig of zelfs maar genoeg bevredigend over deze mooie dichtbundel te schrijven. Ieder van ons leest en interpreteert toch vanuit zijn eigen levenservaring en visie. Daarom hier nog slechts iets over de inhoud zelf.

 

In het begin tracht de dichteres de jubel van het bewonderen, beminnen, bezitten van de geliefde in woorden te vangen. Een droom die gauw door de realiteit beperkt wordt. Het wordt niet Parijs, maar toch Oostende… Het dagelijks leven heeft ook zijn kleine  meningsverschillen ( “ik heb de rozen verpest”, p. 42) maar de gewone dingen geven wel aanleiding tot zoete herinneringen. Die komen naar boven bij het einde. Hoe aangrijpend wordt de verlammende droefheid van het verlies verwoord!: “dat je dood …  met grijpgrage vingers … mij kouder dan koud maakt” (p. 40). En toch draait de wereld gewoon verder, nieuw leven ontstaat: “de lente weet nergens van” (p. 44). Wat bij de dichteres overblijft is weemoed en onzekerheid. Er is nu dit “totaal gebrek aan huid” (p. 44), aan bescherming. Er is het zoeken naar rechtop blijven, naar steun “terwijl gewacht wordt in de schemering”. Wanneer “precies de juiste cesuur vinden”? De uitkomst is niet duidelijk: komt de nacht of de dageraad? En daarna een warme zon?

 

De tijd kan helen, kan doen vergeten, maar van bijna alles blijft iets over, een teken, een litteken… De zon doet de kleuren verbleken, alleen geel wordt wit, verdwijnt. Een blanco blad. De vrijheid voor iets nieuws. Een hoopvolle gedachte.

“van alle tinten

die zeg maar vijftig procent

verbleken blijft nog

 

altijd iets te zien

behalve van geel dat wordt

wit in het daglicht

 

het is de kleur van

de vergankelijkheid er

blijft niets van over

 

het houdt alles in

en tegelijkertijd biedt

het de vrijheid van

 

een blanco blad je

aarzelt niet je tekent ons

in een warme zon” (p. 20)                                               






Geschreven door padre om 20:14 Reageer op dit bericht

Nog altijd corona...

27 april 2020

NOG ALTIJD CORONA…

Ongeveer twee maanden lang teistert het corona-virus (de COVID-19) ons land, Europa en de wereld. En het ziet ernaar uit dat het lang niet gedaan is. We hebben de verspreiding ervan al enigszins kunnen beperken door bepaalde gewoonten aan te nemen en onze levensstijl te veranderen. Noodzakelijk, want gaarne doen we dat niet. En als eenmaal alles achter de rug is – als het ooit zover komt – zullen we waakzaam moeten zijn opdat in de toekomst dat virale beest niet weer de kop opsteekt. Helemaal ervan af zullen we nooit meer zijn, maar laten we hopen dat er vlug een efficiënt vaccin gebruikt kan worden voor en door iedereen die het nodig heeft.

Ik schrijf dit niet om nog maar eens te herhalen wat we de laatste weken om den treure in alle media horen, lezen en zien. Ik wil hier toch even mijn ergernis kwijt tegen enkele onnozele en ondoordachte uitingen en opvattingen.

Vorige maand, bij het begin van de corona-crisis, kreeg ik een mailtje van een al te vrome, enggelovige, misschien bijgelovige maar goed menende kennis. Hij had gelezen dat er ergens in Spanje een priester tegen de besmetting met het Heilig Sacrament in processie door de straten ging, en dat dit de aangewezen en juiste remedie was… En dat wij dat best hier en overal ook zouden moeten doen!

Dat ik dààr nog niet aan gedacht had! Wat moest mij er nog van weerhouden in actie te schieten? Gauw de pastoor erbij halen en die met monstrans en hostie zingend en biddend door de straten laten wandelen om het mensdom te redden!

Ik ben wel een gelovig mens, maar onnozel ben ik niet. Denk ik toch. Vroeger heb ik geleerd - en dat heb ik in de loop van mijn al betrekkelijk lang leven vaak ondervonden – dat het geloof zonder de werken dood is. Je moet in iets geloven - in om het even wat, iedereen gelooft trouwens in iets of iemand - als het maar een kans op verwerkelijking heeft. En dan: zich inspannen en blijven geloven in een goede afloop. Gebruik je krachten voor iets dat echt kan.

En dan denk ik ook aan een Amerikaanse prediker op de televisie, die charlatan die in de naam van een zelf ingebeelde Jezus, of een sprookjesachtige Christus, of misschien van een “alles overstijgende kracht”, je met gebaren, woorden en goocheltoeren, je van elke kwaal kan genezen. Zegt hij toch. Als je maar genoeg geloof hebt…

Ik weet wel uit de lectuur van het evangelie dat de echte Jezus van Nazareth bij het doen van een wonder vroeg of je geloofde. Maar dat was niet hetzelfde. We moeten serieus en eerlijk blijven.

In de middeleeuwen en zelfs lang erna organiseerde men processies om van ziektes en kwalen gespaard te blijven en meestal om ervan te genezen.- Was men niet beter wat hygiënischer geweest en had men niet meer voor zijn “lichamelijk heil” moeten zorgen; Vaak lag de nadruk op het zogenaamd “geestelijk heil”. Heel veel mensen wasten zich toen haast nooit. Sommigen beweerden ook dat zich wassen schadelijk was voor de gezondheid… Of was het ook uit luiheid?

Hebben processies en gebeden voor regen in een periode van droogte de weersomstandigheden echt beïnvloed? Ik beweer niet dat dit nooit ofte nooit of nog eens nooit mogelijk zou kunnen zijn… Wij hebben trouwens niet alles in de hand en we zijn ook beperkt. Maar kom, Sinterklaas loopt ook wel eens met zijn ezel en zijn knecht op de daken rond en gooit speelgoed door de schouw naar beneden. Voor de brave kinderen. En ook voor de “stoute”. Tenminste als hun ouders welstellend genoeg zijn.

Dus, beste lezer/es, ons geloof in deze tijden is dat we wel uit de benarde periode, waarin we nu leven, zullen komen maar we moeten ook doen wat kan en moet gedaan worden.

Nog verder veel uithoudingsvermogen, moed en het geloof dat betere tijden zùllen komen.

Geschreven door padre om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Padre's kijk op de wereld.

↑ Terug naar de berichten