Dag 11 : 22 maart 2013

van Tenneville naar Anseremme en verder naar Hastiére-par-dela
Om 7h gaat mijn wekker.
Kris is al aangekomen en staat in de keuken met Karl te praten. Karl bakt eieren met spek. De tafel is gedekt voor het ontbijt.
Rond 9h nemen we afscheid van Karl, en Kris brengt me terug naar Dinant, of beter gezegd naar Anseremme, iets onder Dinant, omdat het van daaruit beter stappen is. Kris zet mij af aan de barrage, die ik oversteek. Zij rijdt naar de eerstvolgende brug, steekt die over, parkeert haar auto aan het kasteel van Freÿr en komt mij te voet tegemoet. We lopen een eindje samen tot we terug aan het kasteel zijn. Daar eten we nog iets en ik drink de warme soep op die Kris me in mijn thermosfles heeft meegegeven. En nu is het tijd om afscheid te nemen.
Weer verder langs de Maas, koud en killig. Normaal wordt de afstand Dinant-Givet in één keer afgelegd, maar ik voel mij nog niet helemaal in orde. In Hastière-par-dela is er een café-boulangerie open en ik stap binnen om een koffie te drinken. In het boekje ‘Via Monastica’ vind ik een adres met telefoonnummer in Hastière waar ze onderdak verlenen aan pelgrims. Ik bel, maar het nummer is niet meer in gebruik. In de boulangerie vraag ik waar dat adres zich bevindt – 3 km terug. Uiteindelijk verwijst de vrouw mij naar de pastorij, de presbytère, 50 m verderop, vlak achter de kerk. Ik loop erheen, maar alles is dicht. Ik hoor wel een hond blaffen. Het is al na 17 uur en het wordt koud. Voor alle zekerheid zet ik mijn tent op.
Ik hoor een paar huizen verder een auto aankomen, en ik ga daar eens informeren hoe het zit met de opvang in de presbytère Ik word heel vriendelijk ontvangen, maar ze vragen wel naar mijn geloofsbrief. Zodra ze die zien, is alles in orde. In de ‘presbytère’ zit het blijkbaar een beetje vreemd in elkaar: er woont iemand, Narcis, en dan is daar een zekere meneer Petit bij komen wonen. Meer weten ze niet. Meneer Petit blijkt de man te zijn van het adres in ‘Via Monastica’ en dat geeft me hoop. Ik keer terug naar mijn tent en wacht tot meneer Petit er is. Even later stopt de wagen van Narcis, een refugié van Afrikaanse origine. Ik leg uit wie ik ben en wat ik kom doen en vraag naar meneer Petit, maar het enige antwoord dat ik krijg is: “Je ne sais pas.” Ik zeg dat ik zal wachten tot hij er is en ga terug in mijn tent zitten.
Plots roept de vrouw van daarnet mij. Ze nodigt mij uit om te komen eten. Veel honger heb ik niet, maar toch liever ergens binnen zitten dan in mijn tentje.
Ik doe mijn verhaal over Narcis en zij en haar man zijn heel verontwaardigd. Mevrouw is heel beslist en verzekert mij dat ze vader abt van de abdij van Leffe daarover zal aanspreken. Zelf heeft ze altijd voor de abdij gewerkt.
Meneer zoekt op het internet een overnachtingsplaats in Givet. Het enige wat ik heb, is een telefoonnummer en een adres.
Ik ga terug naar mijn tent, maar bel eerst nog even aan aan de pastorij. Niemand doet open en ik ga gewoon slapen.
Plots hoor ik buiten stemmen die nogal hoog oplopen. Ik blijf stil. Geen reactie.





