LEDE
LEDE
Het wapen van Lede is dat van de Gentse familie Bette. Ridder Jacob Bette, heer van o.a.Muisbroek, Hollebeke, Schellebelle en Wanzele, meermaals schepen van de Keure en van gedele van Gent, kwam na het overlijden van zijn schoonvader in 1556 in het bezit van Lede. In 1579 verkocht koning Filips II, als graaf van Vlaanderen, aan hem alle justitie, de gronden en de heerlijkheid van Schellebelle en Wanzele en al zijn rechten in de parochie en heerlijkheid Lede. Bette mocht zich dus voortaan met recht heer van Lede noemen. Na zijn overlijden in 1591werd hij opgevolgd door zijn zoon Jan, die in 1598 geridderd werd en in 1607 de titel ontving van baron van Lede. Lede werd tot markisaat verheven onder kleinzoon Willem Bette, een groot veldheer en o.m. gouverneur van Limburg, Overmaas en Gelderland, hoogbaljuw van Gent en ridder van het Gulden Vlies.
Lede bleef in het bezit van de familie Bette tot in 1792 de laatste afstammeling kinderloos overleed. Zijn goederen gingen over op Jan Karel, baron de Joigny de Pamele, een verre erfgenaam van de stam de Gruutere en meteen de laatste feodale heer van Lede.
Aangezien Lede sinds 1633 een markizaat was, is het wapen getopt met een markiezenkroon van de zuideljke Nederlanden.
In lazuur 3 Sint-Antoniuskrukken van goud. Het schild getopt met een kroon van goud met 3 fleurons gescheiden door 3 parels 1 en 2 geplaatst (schild geplaatst aan de voet van een Pieta van goud).




