Naar de inhoud

genealogie familie Rienties

een interessante hobby waar ik al veel van heb geleerd
akke.beakke.be

Archief

De Gouden Eeuw

Gerrit Willems Rijnties werd geboren omstreeks 1650. Hij werd dus geboren, groeide op, werd volwassen en stichtte zijn gezin.in de periode die wij uit onze geschiedenisboekjes kennen als de Gouden Eeuw. Welke invloed de Gouden Eeuw op zijn persoonlijk leven heeft gehad is natuurlijk heel moeilijk te achterhalen. Om toch een beeld te krijgen van de invloed van de Gouden Eeuw op de gewone burger is het wellicht leuk om eens een bezoekje te brengen aan de volgende websites: http://mediatheek.thinkquest.nl/ ook deze: htto://www.schooltv.nl/vroegerenzo
De Gouden eeuw was een periode in de Nederlandse geschiedenis, en dan met name van de noordelijke zeven Verenigde Provinciën, waarin de Nederlandse handel, wetenschap, kunst en militaire macht (vooral ter zee) een belangrijke positie in de wereld innamen. De zeven Nederlanden waren de gewesten die deel uitmaakten van de Republiek: Holland, Zeeland, Groningen, Utrecht, Friesland, Gelderland en Overijssel. Drenthe was ook een gewest met een eigen Statenvergadering, maar had geen stemrecht in de Staten-Generaal.

 

Deze periode komt ruwweg overeen met de 17e eeuw. Sommigen houden als beginpunt het jaar 1602 aan. Dit is het jaar waarin de VOC werd opgericht. Anderen kiezen voor het jaar 1609, het begin jaar van het Twaalfjarig Bestand. Na het rampjaar 1672 begon een periode van economische teruggang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen.

Bron: Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gouden_Eeuw

 

Reageer op dit bericht

Pieter de Hoogh schildert Moedertaak

Een tijdgenoot van Gerrit Willems Rijnties was de schilder Pieter de Hoogh, waarvan bijgaand het prachtige schilderij "Moedertaak" (of "Moeder ontluist het hoofd van haar kind").

Pieter de Hooch, geboren in Rotterdam in 1926, overleed ca 1684 in het "Dolhuis"te Amsterdam. Hij was een Nederlandse kunstschilder.

De vader van Pieter was metselaar, zijn moeder vroedvrouw.


Leven:
De Hooch ging in de leer bij de landschapsschilder Nicholaes Berchem in Haarlem. Hij kwam in dienst bij de Justus de la Grange. Daar zal hij werkzaamheden die met de linnenhandel samenhingen uitgevoerd hebben, maar daarnaast werkte hij als schilder. De la Grange in elk geval elf van zijn schilderijen. De Hooch trouwde in mei 1654 met Jannetje van der Burch van Delft. Het paar kreeg zeven kinderen. Het volgende jaar, in 1655, werd hij ingeschreven bij het Sint-Lucasgilde in Delft. Zijn werk uit het begin van de Delftse periode maakte vrijwel geen indruk waardoor de schilder een armoedig bestaan leed. De Hooch schilderde oorspronkelijk in donkere kleuren vooral boertige taferelen.
Rond 1658 veranderde Pieter de Hooch zijn schilderstijl. Hij ging lichter schilderen, en zijn afbeeldingen werden ruimtelijker en door het gebruik van perspectief ook dieper. De invloed van de schilder Johannes Vermeer wordt hierbij vermoed. Vanaf dat moment schilderde Pieter de Hooch zijn topstukken. Deze periode duurde relatief kort, tot ongeveer 1662.
Omstreeks 1660 verhuisde Pieter de Hooch naar Amsterdam. Op 15 april 1661 werd één van zijn dochters gedoopt in de Westerkerk. In Amsterdam kwam hij waarschijnlijk in contact met de hogere kringen, want zijn interieurs werden eleganter en rijker. Zijn schilderijen werden ook groter, maar zijn schilderstijl werd zwaarder en de schaduwen minder transparant. Er is ook uit deze tijd veel minder werk bekend, misschien heeft dit te maken met zijn geestelijke conditie, want Pieter de Hooch stierf in het Amsterdamse 'Dolhuis' (gekkenhuis) in waarschijnlijk 1684.

Werk:
In zijn beginjaren schilderde de Hooch vooral het soldatenleven, bijvoorbeeld landschappen met ruiters en schutters. Na zijn komst naar Delft ging hij genre stukken schilderen, met etende, drinkende en musicerende mensen.
Later (vanaf 1658) legde Pieter de Hooch vooral de interieuren van de Gouden Eeuw vast, met daarin vooral vrouwen. Opvallend is dat hij vrijwel altijd een tegelpatroon op de vloer afbeeldt, waardoor zijn beheersing van het lijnperspectief duidelijk wordt. De diepte van de schilderijen wordt bovendien vrijwel altijd versterkt door een doorkijkje naar buiten, naar een binnenplaats, of naar een andere kamer in het huis. In het doorkijkje is het altijd lichter dan in de kamer op de voorgrond.
De afbeelding van een vredig interieur was in de Gouden Eeuw populair. Dit zou kunnen komen doordat de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) juist voorbij was en de mensen behoefte hadden aan vrede en rust.
Door het afbeelden van vrouwen aan het werk idealiseerde Pieter de Hooch het Hollandse huiselijke leven, met eenvoudige deugden, het efficiënt draaiend houden van het huishouden, en het gewetensvol opvoeden van de kinderen. Zo wordt van het hier afgebeelde schilderij (Moedertaak) dat Pieter de Hooch maakte van een moeder die het haar van haar kind ontluist gezegd dat het verwijst naar een gedicht van Jacob Cats: "Kam, kam u menigmaal, en niet het haar alleen, maar ook dat binnen schuilt, tot aan het innig been", waarmee bedoeld wordt dat men niet alleen zijn haar, maar ook zijn ziel moet verzorgen en reinigen.
Het kleurpalet van Pieter de Hooch was warm. Hij gebruikte veel rood en roodbruin

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Pieter_de_Hooch

Reageer op dit bericht

Constantijn Huygens schrijft Trijntje Cornelis

In de tijd dat Gerrit Willems Rijnties werd geboren schreef Constantijn Huygens in 1653 de klucht: Trijntje Cornelis, waarvan hieronder de eerste 35 regels van de proloog.

Proloog
1
De vrede was in 't land, de uitslag van Westfalen,
Die 't woelig Engeland probeerde neer te halen.
De zeven noordelijke provincies beschouwden
De tien van 't Zuiden als hun vrienden, hun vertrouwden.
5
't Waren twee zwermen bijen, naarstig ingesteld,
Niet echt afgunstig op elkanders goed of geld,
Maar ook niet al te gul - als buren, in twee woorden,
Precies het type vree dat bij ons landje hoorde.
De een zocht bij de ander voordeel of plezier,
10
Hier keek men uit naar Brabant; daar keek men naar hier.
Klaas Gertze uit Zaandam was aan een vrachtje toe
Waar winst uit komen kon; Trijn Kneliskind, zijn koe,
Zijn knappe honingbij, zijn vrouw, om kort te spreken,
Schepte plezier in 't horen van de paapse preken
15
In 't zien van kloostergoed, van monnik en begijn:
Ze vond het kortom leuk, in Antwerpen te zijn.
Klaas gunde haar 't vermaak en stouwde 'r in 't vooronder.
Zij waren pas getrouwd, zodat hij dacht: geen wonder,
Als zij ontberen zou wat jonge vrouwen schort
20
Wanneer dat volkje grillig, geil en hitsig wordt
En voor bevrediging wel alles kon gaan wagen.
Het kostte hem geen geld voor schip, voor paard of wagen,
En liever had hij 't vrouwtje bij hem binnenboords
Dan dat zij thuis beslopen werd door hoge koorts,
25
Zo'n hete koorts die allerlei quasi-doktoren
Aanlokte die, gewenst of niet, eens kwamen horen
Of ze voor haar misschien hun kunstje mochten tonen,
Dat haar buik zou doen zwellen en 's mans hoofd zou kronen.
En dus voer Trijntje met het schip door Kil en Keten
30
Naar de Antwerpse kaai, waar Klaas begon te zweten
Met 't venten van zijn vracht, het lossen met zijn maat,
Het rollen over 't Bierhoofd, 't slepen langs de straat.
Trijn trok zich dat niet aan. De goede gaven komen
Terwijl men slaapt. Men zegt: zo zegent God de vromen.

Bron:
http://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg001trij01

Reageer op dit bericht

Muziek in de Gouden Eeuw, algemeen

Bijschrift bij foto:
Jan van Bijlert.
(1597- 1671) Een concert: een jonge man speelt op een luit en zingt samen met twee metgezellen.

In de 17e eeuw maakte men graag muziek in de huiselijke kring. Bekende instrumenten waren: de luit, het klavecimbel, de viola da gamba en de traverso. Er werden veel liederenboeken uitgegeven. Muzikale invloeden uit Engeland, Frankrijk en Italië voerden de boventoon in de Nederlandse muziek. Vanaf het midden van de eeuw werden meer en meer lyrische drama's, balletten en opera's opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg die in 1638 geopend was. De meest vermaarde Nederlandse componisten uit de 17e eeuw waren: Constantijn Huygens, Jan P. Sweelinck en Jacob van Eyck

Tijdgenoot van Gerrit Willems Rijnties was:
Constantijn Huygens, geboren op 4 september 1956 in Den Haag en hier ook overleden op 28 maart 1687, hij is begraven in de Grote Kerk in Den Haag) was een Nederlandse dichter, topdiplomaat, geleerde en componist. Hij was een van de grootste dichters uit de Gouden Eeuw (net zoals bijvoorbeeld Joost van den Vondel). Huygens was tevens de secretaris van twee prinsen van Oranje, namelijk Frederik Hendrik en Willem II.
Hij bespeelde verschillende instrumenten (o.a. de luit, de gitaar, de viola da gamba en het klavecimbel). Voor deze instrumenten schreef hij een groot aantal werken. Muziek vond hij belangrijker dan zijn letterkundige werken, die schreef ie gewoon in zijn weinige vrije tijd. Naar Huygens is een literaire prijs genoemd: de Constantyn Huygensprijs. zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Constantijn_Huygens

De luit
De luit was in de Gouden Eeuw enorm populair: de gitaar van de 17de eeuw. Met een luit kon een zanger zichzelf begeleiden bij zijn lied; het instrument was dan ook zeer geschikt voor minnaars die een serenade wilden brengen. Maar het werd ook gebruikt om binnenshuis te musiceren en voor feesten en partijen. Het instrument werd bespeeld door mensen uit allerlei lagen van de bevolking. De luit is een tokkelinstrument en ontwikkeld uit het van oorsprong Arabische en Perzische snaarinstrument de Ud. De naam van het instrument is afgeleid van het Arabische " al ud", wat "het hout" of "het stokje" betekent Het is een zeer populair instrument geweest en verspreidde zich vanaf de 10e eeuw in Europa via de Moren op het Iberisch schiereiland en door deelnemers aan de verschillende kruistochten. Vanaf circa 1500 kende de luit een grote bloei en werd er veel muziek voor gecompeerd. In Europa maakte de luit een ontwikkeling door waarbij het aantal snaren werd uitgebreid. Tevens kreeg het instrument "frets", hierdoor werd het gemakkelijker om akkoorden te spelen. In tegenstelling tot de gitaar en de vihuela heeft de luit een bol achterblad, dat is samengesteld uit aan elkaar gelijmde spanen (van meestal) esdoorn, waartussen ebbenhouten biezen zijn gelegd. De snaren worden bevestigd aan de kam op het bovenblad en aan de geknikte hals waarin het stemmechaniek is gemaakt, bevestigd. De muziek werd genoteerd in tabulatuur.

De luit is te vinden in de herbergen van Jan Steen, maar ook in een interieur van Johannes Vermeer en een chique "Buitenpartij" van Dirck Hals, de jongere broer van Frans Hals.

Een bekende componist is bijvoorbeeld John Dowland, hij is vooral bekend geworden door zijn compositie Lachrimae or Seaven Teares Figured in Seaven Passionate Pavans voor gamba's en luit, en Lachrimae Antiquae voor sololuit. zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/John_Dowland

Reageer op dit bericht

Muziek in de Gouden Eeuw, de luit

De luit was een bijzonder populair muziekinstrument in de Gouden Eeuw en werd bespeeld door alle lagen van de bevolking. Zie ook: http://www.rijksmuseum.nl/aria/aria_assets/SK-A-1796?lang=nl en http://histoforum.digischool.nl/luit/hals.htm
Hier komt de luit voor op het schilderij "Buitenpartij" van Dirck Hals (de 10 jaar jongere broer van Frans Hals)

Reageer op dit bericht

Besmettelijke ziektes in de Gouden Eeuw

In de 17e eeuw kon je de nodige aangetaste gezichten tegenkomen op straat. Ziektes als scheurbuik, pokken, syfilis en lepra lieten hun sporen na, als je ze al overleefde.

Scheurbuik werd veroorzaakt door vitaminetekort en kwam vaak voor onder zeelieden, maar ook ‘aan wal’ leden mensen hieraan. De symptomen waren: een bleke huid, vermoeidheid en kortademigheid, zwellingen en bloedingen van het tandvlees en onderhuidse bloedingen aan de benen.
Pokken was een van de grote killers in de 19e eeuw, maar bestond ook ver daarvoor al. Vooral kinderen waren vatbaar voor de pokken. De eerste verschijnselen waren hoge koorts, misselijkheid, hoofdpijn en rugpijn, daarna verschenen rode vlekjes op het lichaam, die blaasjes werden. Deze ontwikkelen zich tot zwerende zwarte puisten. Pas in 1796 werd de vaccinatie ontdekt en toegepast, door Edward Jenner. Hierdoor werd de sterfte door pokken aanzienlijk teruggedrongen.
Syfilis is een geslachtsziekte en was een veelbesproken ziekte in de 16e, 17e en 18e eeuw. Waarschijnlijk overgekomen uit de nieuwe wereld, verspreidde syfilis zich vanuit Italië langzaam over heel Europa. De link met seksualiteit werd al snel gelegd, maar de parasiet die de veroorzaker is, was nog onontdekt. Syfilis kon met kwik(preparaten) worden behandeld, al verschilde de methode door de eeuwen heen zeer, en waren er vele bijwerkingen.

De ziekte kent vier stadia. Eerst kwam er een zweer, met een harde omgeving; dan rode knobbels of vlekken; dan grote vijgwratten rond de anus of geslachtsdelen. Daarna kon de ziekte maanden of zelfs jaren rusten. Wanneer het derde stadium aanbrak, konden interne organen aangetast worden. Dit stadium was al vaak dodelijk of in ieder geval invaliderend. Voor wie dit overleefde, was er nog het vierde stadium: hierbij werden de hersenen aangetast en kon krankzinnigheid optreden. De psychiatrische inrichtingen zaten er vol mee aan het eind van de 19e eeuw! Pas in 1909 kwam er een doorbraak in de behandeling van syfilis: salvarsan. Tegenwoordig wordt antibiotica gegeven bij syfilis.
Lepra is een trage, maar slopende ziekte, die zelfs in de Bijbel genoemd wordt wegens zijn afschrikwekkende verminkingen. Het wordt veroorzaakt door de Mycobacterium leprae. De symptomen zijn: verlammingen waardoor de gewrichten in allerlei vreemde houdingen komen te staan. Zenuwuiteinden worden aangetast en huid wordt ongevoelig. Wonden die niet genezen, kunnen er voor zorgen dat tenen en vingers afsterven. Het aangezicht is verlamd, waardoor het er uitdrukkingsloos uitziet en de ogen soms niet gesloten kunnen worden. De huid is knobbelig en het gezichtshaar valt uit.

Een patiënt hoeft niet al deze symptomen te vertonen. Lepra is besmettelijk, maar alleen ‘natte lepra’ en alleen na langdurig en intensief contact met leprozen. Niet iedereen die besmet is wordt ook werkelijk ziek. Lepra komt nog steeds voor, maar zelden in Nederland.

Dit waren bij lange na niet de enige ziektes die het straatbeeld bepaalden; er waren er nog veel meer. Skeletvergroeiingen zorgden voor een grote verscheidenheid aan bochels, stompjes en kreupelen. Infecties die niet behandeld werden en uit de hand liepen, zorgden voor open wonden en koudvuur. Een infectie aan het oog kon gemakkelijk leiden tot blindheid.

Ook het krijgen van kinderen liet zijn sporen na op vrouwen. Vrouwen konden kreupel worden en ook kraamkoorts zorgde voor veel sterfgevallen. Wat je ook veel zag in het straatbeeld was struma, in de volksmond krop genoemd, dat werd veroorzaakt door een tekort aan jodium. Onbehandeld kon het tot grote gezwellen in de hals leiden. Pest kwam ook nog voor in de 17e eeuw, maar had zijn meeste slachtoffers gemaakt in enorme epidemieën van de late middeleeuwen.

http://www.20eeuwennederland.nl/periodes

Reageer op dit bericht

De Pest

Van de 13e tot de 18e eeuw was het misschien wel volksziekte nummer één. Als de pest eenmaal zijn intreden in een stad of land had gedaan, was het zo goed als zeker dat er flink veel slachtoffers onder de bevolking zou vallen. In de 14e eeuw zelfs zijn in heel Europa ongeveer 25.000.000 mensen gestorven aan deze besmettelijke ziekte.

Algemeen

In de 14e eeuw vond er een uitbraak van de Pest plaats in geheel Europa. Slechts enkele dorpen, steden of individuen ontkwamen aan besmetting omdat uit angst (niet door kennis) voor de ziekte de juiste maatregelen genomen werden. Helaas kregen in veel landen de Joden de schuld van deze epidemie in de schoenen geschoven, zij zouden immers het water vergiftigd hebben. Zij werden vaak op brute wijze vermoord of verbrand.

De eerste gevallen werden bekend in oktober 1347 en pas rond 1352 was deze pandemie een beetje uitgewoed. In deze 5 jaar zijn ongeveer 25.000.000 mensen uit geheel Europa gestorven aan deze ziekte.

Hoe ontstond deze uitbraak

De ziekte van 1347 kwam vanuit Genua. In oktober van dat jaar kwamen koopvaardijschepen vanuit Kaffa (huidige Feodosia) waar de Genuezen een handelspost hadden, de haven van Messina (Sicilië) binnenlopen. Aan boord van de schepen waren meer doden dan levenden aanwezig. Wat wel nog in leven was, was doodziek.
De stad Kaffa hadden een wekenlange belegering door de Mongolen achter de rug. Het beleg werd opgeheven doordat onder de belegeraars de pest uitbrak. Zij slingerden hun gestorven kameraden via de katapult over de muren, de stad binnen. Een mooiere manier om een epidemie te ontketenen was er niet. De in paniek geraakte bevolking, scheepte zich in en voeren weg naar "niet besmette"gedeelten. Helaas door deze vlucht namen zij de besmetting met zich mee.

Wat is de pest nu eigenlijk

De pest is een ziekte die gemakkelijk te herkennen was. Mensen kregen hoge koorts, werden onrustig en verward en kregen grote bulten in hals, oksel of lies en zij gaven bloed op. Bij sommige patiënten verkleurden de bulten tot een paars-zwarte kleur, wat de bijnaam "De zwarte dood" tot gevolg had.
Het is een zeer besmettelijke ziekte, wanneer in een huishouden iemand ziek werd, volgden huisgenoten al zeer snel. Ook de artsen en geestelijken in die tijd hadden nog niet de kennis hier iets tegen te doen, dus waren net zo snel slachtoffer als hun patiënten. Binnen 2 tot 8 dagen na het krijgen van de eerste ziekteverschijnselen stierf een patiënt.

De pestmeester
Een pestmeester, een man in lange jas en masker met een pinguïn bek, verzorgde de zieken. Het masker was gevuld met kruiden als jeneverbessen en boerenwormkruid, dit om kwade dampen niet in te ademen. Of deze verzorgers de pest dan ook niet kregen is niet bekend.
Inmiddels is bekend dat de pest wordt veroorzaakt door vlooien die eerst op knaagdieren hebben gehuisd. De vlo brengt deze bacterie over op mensen door een simpele beet. Mensen krijgen na een besmette insectenbeet eerst rode vlekken op de huid die later zwart worden.
Tegenwoordig kennen we 3 soorten pest, maar in de tijd van de uitbraak in 1347 waren alleen de eerste 2 vormen bekend:
Builenpest, ook wel bekend als de bubonenpest: een vorm waarbij de lymfeklieren in de lies, oksel en nek pijnlijk opzwellen en daardoor flinke builen vormde. De helft van de mensen die deze vorm krijgen sterven.
Longpest, een bacteriële vorm van de pest, waarbij de longen geïnfecteerd raken. Dit is een zeer besmettelijke vorm van de pest, het kan ontstaan door het inademen van een pestepidemie; de pestbacterie die een zieke uitademt wordt door een gezonde ingeademd en zo ontstaat de besmetting. Besmette mensen krijgen een longontsteking en ruim 90% van alle zieken sterft.
Pestsepsis, een zeer zeldzame vorm van pest, de pestbacterie komt in het bloed terecht, waardoor huidbloedingen kunnen ontstaan.

Wat deed men om besmetting te voorkomen
De burgerij in Europa dacht dat de ziekte een straf Gods was en deden (vaak opgejut door de geestelijkheid) boetedoening, zoals het lopen van processies of het voeren van een Kruistocht om het Heilige Land te bevrijden.
In Milaan waren er 3 huizen waar bewoners door de pest getroffen waren. De bisschop gaf de onmenselijke opdracht de huizen dicht te metselen, de bewoners moesten ook ingemetseld blijven. De bisschop had in zijn angst het juiste gedaan, namelijk isolatie.
Ook de toenmalige paus, Clemens VI, bleef gespaard. Hij verbleef wekenlang, op advies van zijn arts, in eenzaamheid in zijn privé vertrekken. In de haard liet hij, ondanks de zomerhitte, permanent twee vuren branden. Vuur weert vlooien af, dus die kwamen niet in de vertrekken van de paus.

De pest nu
Na nog een enkele kleine pestepidemie is deze in de 17e eeuw volledig verdwenen uit Europa. Dit betekend niet dat de pest er niet meer is. Vooral in landen waar de hygiëne (om wat voor reden dan ook) nog niet helemaal is zoals wij dat in hier in Europa kennen, komt de pest nog steeds voor, zoals in Afrika en Azië. Gelukkig is het wel te bestrijden met het medicijn tetracvcline.

http://mens-en-gezondheid.infonu.nl/ziekten/5572-de-pest-en-europa.html

Reageer op dit bericht

Over hygiëne in de Gouden Eeuw

Bijschrift foto: Ets van Rembrandt van Rijn: Pissend mannetje.
Over hygiëne in de 17de eeuw vond ik een interessant artikel van Femke Hameetman op www.cultuurwijzer.nl:

De beerput van Rembrandt.
In 1997 werd op de binnenplaats achter Rembrandts huis een beerput opengelegd. Dit was de plek waar je in de 17de eeuw ging poepen (beer = poep) of plassen.

De put werd ook gebruikt als vuilnisbak voor bijvoorbeeld keukenafval. De gemetselde beerput had een gewelfd plafond met een stortkoker. Boven de stortkoker stond ooit een houten huisje waarin een plank was aangebracht met daarin een rond gat. Dit werd meestal afgedekt met een houten deksel. Uit enkele geschreven bronnen uit die tijd blijkt dat aan de wand vaak een bakje was bevestigd om papier in te leggen. Het huisje had in de 17de eeuw verschillende namen: 'secreet', 'privaat', 'schijthuis', 'heymelickheid' of 'garderobbe tot heimelick gerief'. Rembrandts secreet bevond zich op de binnenplaats en was alleen vandaar bereikbaar. Een badkamer of binnentoilet zul je niet vinden in het Rembrandthuis, die bestonden gewoonweg nog niet. Het woord 'toilette' werd in de 17de eeuw alleen gebruikt voor het tafellaken waarop je toiletgerei plaatste, zoals een kan met water en een schaal, een staande spiegel en een borstel.

In de 17de eeuw was een beerput meestal niet op een riool aangesloten. Rembrandts put had wel een overloop die achter de keuken langs op de gracht uitkwam, zoals bij rijkere burgers gebruikelijk werd in die tijd. Soms raakte een put vol en moest hij worden geleegd met een emmer aan een lange stok, een 'beeremmer' of 'sekreetruimer'. De inhoud werd met het andere huisafval, dat werd verzameld in houten tonnetjes, als mest aan boeren en tuinders in de omgeving verkocht.

Zo'n 17de-eeuwse put levert een schat aan informatie op. Je kunt er namelijk van alles in vinden: visgraatjes en kersenpitten uit de ontlasting en kapotte kruiken, pispotten, gebroken pijpjes en glasscherven. Zulke voorwerpen kunnen ons een verhaal vertellen over de bewoners. In Rembrandts beerput zijn verschillende voorwerpen gevonden: zoals een pot met verfresten, een blauwwitte kan, een Italiaanse schaal, een tinnen lepel, een houten boterspaan, twee knikkers en een heleboel pijpjes. Na de opgraving door archeologen is de put weer dicht gemaakt.

Reageer op dit bericht

Kinderen uit het huwelijk van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts

Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren:

1
Hendrik Gerrits Rijnties, geboren omstreeks 1680 in Raalte. Zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Hendrik is overleden in Raalte tussen 00-08-1748 en 04-01-1752. Hij was landbouwer van beroep.
Hendrik trouwde, ongeveer 24 jaar oud, op zondag 13 juli 1704 in Deventer met Maria Stevens Timmerman, ongeveer 24 jaar oud, nadat zij op zaterdag 28 juni 1704 in Deventer in ondertrouw zijn gegaan. Maria is geboren omstreeks 1680 in Raalte, dochter van Steven Timmerman. Maria is overleden in Raalte, ongeveer 78 jaar oud. Zij is begraven op vrijdag 19 mei 1758 te Raalte.

2 Albert Rijntjes
, geboren omstreeks 1685 in Raalte.  Zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Albert is overleden na vrijdag 26 juli 1754 in Raalte, ongeveer 69 jaar oud. Hij is begraven te Raalte.
Albert trouwde met Maria Elisabeth Antonissen Winters. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op woensdag 21 augustus 1720 in Hellendoorn (Haarle). Maria Elisabeth is geboren omstreeks 1690 in Raalte. Zij is overleden na vrijdag 26 juli 1754 in Raalte, ongeveer 64 jaar oud.

3 Wilhelmus (Willem) Gerrits Rijnties
, geboren in Raalte en gedoopt op dinsdag 21 december 1688.  Zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Willem is overleden op woensdag 3 december 1749 in Voorst (Twello), 60 jaar oud. Hij was schoenmaker van beroep
Willem is driemaal getrouwd:
(1) Willem trouwde met Elisabeth Tamans, nadat zij vóór 1720 in ondertrouw zijn gegaan. Elisabeth is overleden vóór 1720.
(2) Willem trouwde met Margaretha (Griet) van Bemmel, nadat zij op zaterdag 13 januari 1720 in Voorst (Twello) in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op maandag 5 februari 1720 in Voorst (Duistervoorde). Zij is een dochter van Antonij van Bemmel. Griet is overleden op vrijdag 17 januari 1721 in Voorst (Twello).
(3) Willem trouwde met Swaentje Gerrits, nadat zij op zaterdag 17 mei 1721 in Voorst (Twello) in ondertrouw zijn gegaan. Zij is een dochter van Gerrit Lamberts. Swaentje is overleden op dinsdag 16 juli 1743 in Voorst (Twello).

4 Anna Maria Gerrits Rijntjes. Zij is gedoopt op donderdag 8 februari 1691 in Raalte. Dochter van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts.

5 Jan Rijntjes, (ook: Jan Rientjes) geboren in Raalte.  Zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Hij is gedoopt op donderdag 12 februari 1693 in Raalte. Jan is overleden in Raalte tussen 27-02-1735 en 02-04-1771.
Jan trouwde met Janna Valco. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op zaterdag 6 maart 1723 in Voorst (Twello). Notitie bij het huwelijk: Uit dit huwelijk werden 7 kinderen geboren
Janna is een dochter van Adam Valco (Falco) en Jenneken Lieftink. Zij is gedoopt op zondag 14 november 1700 in Borculo (Geesteren). Janna is overleden op dinsdag 2 april 1771 in Deventer, 70 jaar oud. Zij is begraven te Deventer.

6. HENRICUS RIJNTIES, zie generatie II, geboren in Raalte.  Zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Hij is gedoopt op donderdag 14 juli 1695 in Raalte. Henricus is overleden vóór zaterdag 27 februari 1745 in Raalte, ten hoogste 49 jaar oud. Henricus was schoenmaker van beroep.
Hij trouwde op donderdag 18 november 1723 in Raalte met Swaantien Jansen Wissink nadat zij op zaterdag 30 oktober 1723 in Zwolle in ondertrouw zijn gegaan. Swaantien is overleden in Raalte tussen 27-02-1745 en 07-12-1747.
Na het overlijden van Henricus hertrouwde Swaantien, de wijze waarop wordt gezorgd voor de kinderen uit haar huwelijk met Henricus wordt als volgt omschreven:

bron: Rechterlijk Archief Raalte, deel 17, f420 en f461]
Swaantien Wissink hertrouwt ca. maart 1745 te Raalte met Jannis Moleman. Op 27 februari 1745 worden te Raalte voogden aangesteld over de 6 minderjarige kinderen (Willem, Hendricus, Antoni, Jan, Albert en Gerregien) van Swaantje Jansen en wijlen Hendricus Rijnties. De voogden worden Hendrik Rijnties en Hendricus Holleman. De moeder gaat een 2e huwelijk aan. Op 7 december 1747 sluiten Hendrik Rijnties en Jan Hemmink, voogden van de kinderen (Willem, Hendricus, Jan, Albert en Gerregien) van Hendricus Rijnties en Swaantien Wissink, een overeenkomst met Jannis Moleman, weduwnaar van Swaantien Wissink. Jannis Moleman behoudt in eigendom het huis, het leer, de kuipen en het huisraad. Hij zal de kinderen opvoeden

7 Anna Margaretha Rienties. Zij is gedoopt op donderdag 1 mei 1698 in Raalte. Dochter van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Anna Margaretha is overleden na maandag 16 augustus 1762 in Raalte, minstens 64 jaar oud.
Anna Margaretha trouwde met Henricus van Lingen, nadat zij op vrijdag 1 september 1724 in Amsterdam in ondertrouw zijn gegaan. Henricus is overleden op vrijdag 1 maart 1737 in Raalte.

8 Bernardus Rientjes. Hij is gedoopt op woensdag 3 november 1700 in Raalte.  Zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Bernardus is overleden, 77 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 8 april 1778 te Raalte.
Bernardus is waarschijnlijk gehuwd ca. 1738

9 Maria Rientjes. Zij is gedoopt op woensdag 18 juli 1703 in Raalte. Dochter van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Maria is overleden in Amsterdam, 43 jaar oud. Zij is begraven op zondag 22 januari 1747 te Amsterdam. Maria trouwde op vrijdag 21 april 1730 in Amsterdam met Arnoldus Kotte, ongeveer 24 jaar oud. Arnoldus is geboren omstreeks 1706 in Lingen, zoon van Helena Lengerik

1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van genealogie familie Rienties

↑ Terug naar de berichten