Naar de inhoud

genealogie familie Rienties

een interessante hobby waar ik al veel van heb geleerd
seniorennet.beseniorennet.be

Generatie III, Johannes (Jan) Rijntjes

Johannes (Jan) Rijntjes is geboren omstreeks 1731 in Raalte, zoon van Henricus Rijnties en Swaantien Jansen Wissink. Jan is overleden in Wijhe (Wegterholt), ongeveer 70 jaar oud. Hij is begraven op 27-01-1801 te Heino (Ov).
Notitie bij overlijden van Jan: toen Jan begraven werd woonde hij bij de nieuwe tap aan de nieuwe wetering in het Kerspel Wijhe, buurschap Wegterholt, Schoutambt Wijhe.
Notitie bij Jan: Ook genaamd: Rientjes, ook genaamd Rijntjes
Adres: Buurtschap Wechterholt Beroep: schoenmaker Religie: R.K.

Johannes Rijntjes trouwde:
(1) met Zwane (Swaantien) Hendriks (Huurling). Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 20-05-1764 in Wijhe (Raalte). Zwane is geboren omstreeks 1740 in Wijhe (vermoedelijk). Swaantien is overleden in Wijhe (Wegterholt) voor 22-06-1768.
(2) met Joanna (Janna) Hendriks (van het Kleine Moezewinkel), nadat zij op 24-06-1768 in Heino (Ov) in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 10-07-1768 in Heino (Ov). Joanna is geboren omstreeks 1740 in Dalfsen (Veldhoek). Janna is overleden in Wijhe (Wegterholt), ongeveer 34 jaar oud. Zij is begraven op 17-06-1774 te Heino (Ov).
(3) met Hendrika Derks (van den Belt), nadat zij op 10-02-1775 in Heino (Ov) in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 26-02-1775 in Heino (Ov). Hendrika is geboren omstreeks 1750 in Heino (Ov). Hendrika is overleden in Wijhe (Wegterholt), ongeveer 49 jaar oud. Zij is begraven op 04-12-1799 te Heino (Ov).
Notitie: zij werd ook Hendrike Dirks genoemd

Aantekeningen bij Johannes Rijntjes:
Op 27-02-1764 verschijnen voor de scholtus van Wijhe, Antonie op de Leemculle en zijn vrouw Johanna Lammerts. Zij verklaren dat zij aan Jan Rijntjes hebben verkocht een akker land gelegen in dit gericht in de buurschap Wegterholt, langs de nieuwe Wetering. Het land wordt in het zuiden begrensd door de Bourhofs en in het noorden door de weg naar het huis van Tildes. De koopprijs voor het land is 150.00. De verkopers verstrekken bovendien aan de koper nog 50.00. Voor de totale hypotheek van 200.00 bedraagt de rente 3%. De eerste verschijndag is 22-01-1765 en zo verder tot aan de aflossing.
In de marge van bovenstaande : in 1771 verklaart Antoni Leemculle dat hij de bovengenoemde som van 200.00 met rente heeft ontvangen, de hypotheek wordt geroyeerd.

Op 22 juni 1768 verschijnt voor het gericht te Wijhe Jan Rijntjes, weduwnaar van Swaantjen Hendriks. Hij gaat hertrouwen. Tot momberen over zijn zoon, Hendrikus, uit dit huwelijk, worden benoemd Jan Holterman en Willem Rijntjes. Hij bewijst aan zijn kind voor moeders goed 75 Carolise glds., een boek met zilveren krappen, een gouden ring, het kastlinnen van de moeder en 20 el hemddoek. Bovendien krijgt zijn kind, al datgene, wat hij zelf van ´t kinds bestemoeder heeft geërfd. Hij zal het kind opvoeden.

Op 11-02-1771 verschijnen in het gericht Jan Rijntjes en zijn vrouw Janna Hendrix, zij verklaren als hypotheek van Willem Veenberg ontvangen te hebben 500 Caroli guldens. De rente bedraagt 3%. De eerste aflossing is 22-02-1772 en zo vervolgens tot aan de aflossing. De aflossing mag en moet de ander 12 weken voor de verschijndag aankondigen. Als onderpand geldt het huis van de comparanten, een akker land aangekocht 27-02-1764 van Anton van de Leemculle en een derde deel in de hale Thijlaars, heden aangekocht.
In de marge van het bovenstaande: het bovengenoemde kapitaal is namens Rientjes afgelost met rente op 13-11-1806.

Op 8 februari 1775 compareert voor het gericht van Wijhe, Jan Rijntjes, weduwnaar van Janna Hendriks; hij gaat hertrouwen. Tot momberen over zijn 4 kinderen (Swaantjen, Maria, Derk en Antoni, in egte verwekt, worden benoemd zijn broer Willem Rijntjes en de broer van zijn vrouw, Garrit Hendricus op Klein Musewinkel, de broer van zijn vrouw. De vader behoudt alle gerede en ongerede goederen, maar voor het goed van de moeder staat de vader af alle wollen en linnen kleren van de moeder, al haar zilver, goud en sieraden, uitgezonderd daarvan zijn een blauwe stoffen jak, een zwart zijden kap en voorschoot van zijn eerste vrouw. Daarvoor belooft hij aan de kinderen te geven enige ellen beddengoed, 50.00 en 40.00, dubbele ellen vlasdoek en aan elk meisje een kistje met 8 halve guldens. Hij belooft zijn kinderen op te voeden en te laten leren.

Op 4 augustus 1800 verschijnt voor Hermanus van der Linden, scholtus van Wijhe, Jan Reintjes, weduwnaar van Hendrika Derks en wonende in dit gericht in de buurtschap Wechterholt. Tot momberen over zijn minderjarige kinderen (Johanna 23 jaar, Jan 21 jaar) worden benoemd Hendrik Derks van den Belt, oom van moederszijde en Jan Elshof op de Nijentap. Verder verklaart de comparant aan zijn zoon Derk Reintjes en diens vrouw Catharina Arends alle roerende en onroerende goederen af te staan. Dit met toestemming van bovengenoemde momberen en zijn meerderjarige kinderen Hendrikus Reintjes en zijn echtgenote Wilhelmina van Lingen (met de mans als voogd), Susanna Reintjes en Anthoni Reintjes. Derk Reintjes en diens vrouw Catharina Arends verplichten zich daarvoor hun vader en schoonvader voor zijn verdere leven in huis te nemen, te verplegen, van kost en kleren te voorzien en te laten begraven. Aan hun onmondige broer en zus zal worden uitgereikt en verdeeld al diens linnen, wol, goud, zilver en sieraden, verder nog een bed zonder toebehoren. Indien de minderjarige broer en zuster en de andere nog ongehuwde broer en zuster, zolang zij nog ongehuwd zijn, ziek of hulpbehoevend mochten worden, dan zijn zij in dat geval verplicht hun in huis te nemen en van kost en kleren te voorzien. Verder wordt nog overeengekomen, dat mocht het onverhoopt gebeuren dat er ongenoegen ontstaat tussen de comparant en diens zoon en schoondochter, dan verplichten de laatsten zich om jaarlijks 78.00 uit te keren.

Zijn minderjarige kinderen zijn Johanna, 23 jaar, en Jan, 21 jaar. Tot voogden over hen worden benoemd Hendrik Derks van den Belt, oom van moederszijde, en Jan Elshof op den Nijentap. De comparant maakt een overeenkomst met zijn zoon Derk Reintjes en diens echtgenote Catharina Arends. Dit met goedvinden van de momberen en zijn meerderjarige kinderen, Hendrikes Reintjes en zijn echtgenote Willemina van Lingen, en Susanna en Antonij Reintjes. Al zijn goederen draagt hij over aan zijn zoon Derk Reintjes en diens vrouw Catharina Arends. Deze zullen daarvoor hun vader en schoonvader ben hen in huis onderhouden en verplegen.

Kinderen geboren uit het huwelijk (1) van Johannes Rijntjes en Zwane (Swaantien) Hendriks (Huurling):
1 Henricus Rijntjes, geboren in Wijhe (Wegterholt). Hij is gedoopt op 25-04-1765 in Raalte. Henricus is overleden op 25-04-1765 in Raalte, 0 dagen oud.
2 Hendrikus Rientjes, geboren in Wijhe (Wegterholt). Hij is gedoopt op 17-07-1766 in Raalte. Hendrikus is overleden op 12-01-1817 in Raalte (Tijraan), 50 jaar oud. Notitie bij Hendrikus: Ook genaamd: Rijntjes
Beroep: landbouwer (in 1828), schoenmaker en herbergier.
Hendrikus trouwde met Willemina van Lingen. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 21-06-1797 in Raalte (met dispensatie in de 3e graad). Willemina is geboren in Raalte, dochter van Gerardus Wilhelmus van Lingen en Joanna Jansen. Zij is gedoopt op 05-12-1769 in Raalte. Willemina is overleden op 09-03-1848 in Raalte, 78 jaar oud.
Uit dit huwelijk werden geboren:
2.1) Joannes Rientjes
2.2) Susanna Maria Rientjes, geboren 28-06-1805 te Raalte
2.3) Johannes Wilhelmus Rientjes, geboren 17-09-1809 te Raalte
Gehuwd op 26-jarige leeftijd op 05-02-1835 te Zwolle, akte 11
Gehuwd met Louisa Frederica Held, 32 jaar, dochter van Joannes Andreas Held en Maria Anna Verquin, gGeboren 23-02-1802 te ’s Gravenhage
2.4) Johanna Hendricus Rientjes, geboren 19-06-1812 te Raalte, beroep: landbouwster (1828), herbergierster (1830), landbouwersche (1835)
Gehuwd op 36-jarige leeftijd op 26-05-1849 te Appingedam, akte 15, (akte gedeeltelijk onleesbaar) Gehuwd met Martinus Joannes Verkade, 39 jaar, deurwaarder. Zoon van Joannes Cornelis Verkade, deurwaarder, en Maria Catharina Hester van Hoffs, geboren 10-04-1810 te Appingedam

Kinderen geboren uit het huwelijk (2) van Johannes Rijntjes en Joanna (Janna) Hendriks (van het Kleine Moezewinkel):
1 Susanna Maria (Zwaantje) Rientjes, geboren in Wijhe (Wegterholt). Zij is gedoopt op 23-06-1769 in Raalte. Zwaantje is overleden op 18-10-1845, 76 jaar oud, in de Luttekestraat te Zwolle. Religie: R.K. Notitie bij Zwaantje: Ook genaamd: Zwaantje of Swaantjen, ook Rijntjes.
Op 26 oktober 1806 vestigt zich te Zwolle Zwaantje Rientjes, dit met een akte van indemniteit van de Roomsche Armenbezorgers van Heino. Dit is voor de tijd van 6 jaren. (Bron: akten van indemniteit te Zwolle, 1761-1810, AAZ01-00461).
Zwaantje trouwde met Jan Willem Emig (Emich), nadat zij op 07-11-1806 in Zwolle in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 27-11-1806 in Zwolle. Jan Willem is geboren omstreeks 29-07-1755 in Yperen (Ieper?), zoon van Johannes Emig en Anthoinetta Tegters (Dechters). Jan Willem is overleden op 13-05-1830 in Zwolle Achter de Slurink, ongeveer 74 jaar oud. Jan Willem was van beroep: winkelier, koopman, rentenier

Testament van Jan Willem Emig en Susannne Rientjes:
op 01-10-1807 maken Jan Willem Emig en Susanne Rientjes echtelieden, het volgende testament: tot hun enige en universele erfgenamen benoemen zij kind of kinderen uit hun huwelijk. Mochten zij overlijden zonder kind dan verklaart de eerst stervende de langst levende tot erfgenaam. Zij behouden zich het recht toe om nog legaten te maken.
De waarde van hun bezittingen is bij het maken van het testament beneden de 1000.00 gulden. Op 03-10-1807 is de akte afgegeven op een zegel van een gulden.
Aantekening bij Jan Willem Emig: geboren volgens het Registre Civique van 1811 op 20-06-1754. De volkstelling van Zwolle van 1812 vermeldt als geboortedatum 29-07-1756. Volgens de overlijdensakte is hij geboren rond 1744.
2 Maria Rientjes, geboren in Wijhe (Wegterholt). Zij is gedoopt op 10-12-1770 in Raalte. Maria is overleden in Wijhe (Wegterholt), 24 jaar oud. Zij is begraven op 10-11-1795 te Heino (Ov). Notitie bij Maria: ook genaamd: Maria Rijntjes. Religie: R.K.
3 Theodorus (Derk) Rientjes (Rijntjes), geboren in Wijhe (Wegterholt). Hij is gedoopt op 04-04-1772 in Raalte. Derk is overleden op 03-07-1849 in Heino (Ov), 77 jaar oud. Notitie bij Derk: Ook genaamd: Derk Rijntjes of Derk Rientjes
Beroep: schoenmaker 1827, 1829. Religie: R.K.
Derk trouwde met Catharina (Kaatje) Arends Bisschop, nadat zij op 16-02-1798 in Wijhe in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 05-03-1798 in Dalfsen (Hoonhorst). Catharina is geboren in Dalfsen (Emmen), dochter van Arend Gerrits en Hendrina Jannesen Bisschop. Zij is gedoopt op 26-04-1774 in Dalfsen (Hoonhorst) (Op ´t Collenoven). Kaatje is overleden op 15-05-1849 in Heino (Ov), 75 jaar oud. Notitie bij Kaatje: Ook genaamd: Catharina Arens, Caatje Arens (Bisschop)
Aantekening bij Catharina: op huwelijksakte van zoon Jan staat moeder aangegeven als Catharina Arens Bisschop, met vermelding: ook Caatje Arens Bisschop.
4 Antonius (Antoni) Rientjes, geboren in Wijhe (Wegterholt). Hij is gedoopt op 21-05-1774 in Raalte. Antoni is overleden op 04-02-1830 in Wijhe, 55 jaar oud.
Notitie bij Antoni: Ook genaamd: Rijntjes, ook Anthonij Rientjes
Beroep: kleermaker. Religie: R.K.
Antoni trouwde met Christina Enk, nadat zij op 14-10-1803 in Heino (Ov) in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 05-11-1803 in Heino (Lierderholthuis) (Ov).
Christina is geboren omstreeks 1775 in Koninkrijk Pruissen, dochter van Antonie Enk en Christina van Duuren. Christina is overleden op 06-07-1840 in Wijhe (Tongeren), ongeveer 65 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan in 1840. Notitie bij Christina: Ook genaamd: Eenk Catharina was van beroep: naaister (1839)

Kinderen geboren uit het huwelijk (3) van Johannes Rijntjes en Hendrika Derks (van den Belt):
1 Johanna (Joanna) Rientjes, geboren in 1776 in Wijhe (Wegterholt). Zij is gedoopt op 22-10-1776 in Raalte. Notitie bij Joanna: Ook genaamd Rijntjes.
Joanna trouwde met Johannes (Joannis) Jansen, nadat zij op 06-08-1805 in Heino (Ov) in ondertrouw zijn gegaan. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op 07-09-1805 in Heino (Lierderholthuis) (Ov). Johannes is geboren omstreeks 1775 in Ommen (Besthem).
2 Johannes (Jan) Rientjes, geboren op 25-03-1779 in Wijhe (Wegterholt). Jan is overleden op 28-01-1857 in Ambt Hardenberg, 77 jaar oud.
Johannes was van beroep: timmerman (1816), arbeider (1839), boerenknecht, timmerman (1852). Notitie bij Jan: ook genoemd: Johannes Rijntjes, ook Jan Rientjes
Jan trouwde, 37 jaar oud, op 31-05-1816 in Hasselt (Ov) met Joanna (Janna) Jansen, 33 jaar oud. Joanna is geboren op 13-05-1783 in Heino, dochter van Joannes Jansen en Maria Overmarsch (Kroes). Janna is overleden op 09-06-1860 in Ambt Ommen, 77 jaar oud. Janna was naaister van beroep. Haar naam werd ook geschreven als Johanna Jansen of Janna Jansen
Uittreksel uit bevolkingsregister 1850
Ingeschreven staat het gezin van Jan Rientjes en Janna Janssen en hun kinderen Jan (geb 1820) en Hermanus (geb 1825)

Reageer op dit bericht

Generatie II, Henricus Rijnties, zoon van Gerrit Willems Rijnties

Henricus Rijnties is geboren in Raalte, zoon van Gerrit Willems Rijnties en Willemken Alberts. Hij is gedoopt op donderdag 14 juli 1695 in Raalte. Henricus is overleden vóór zaterdag 27 februari 1745 in Raalte, ten hoogste 49 jaar oud. Hij was van beroep schoenmaker. Religie: NG.
Henricus trouwde op donderdag 18 november 1723 in Raalte met Swaantien Jansen Wissink, nadat zij op zaterdag 30 oktober 1723 in Zwolle (Overijssel) in ondertrouw zijn gegaan. Swaantien is overleden in Raalte tussen 27-02-1745 en 07-12-1747.
Aantekening bij Swaantien Wissink: (bron: Rechterlijk Archief Raalte, deel 17, f420 en f461)Swaantien Wissink hertrouwt ca. maart 1745 te Raalte met Jannis Moleman. Op 27 februari 1745 worden te Raalte voogden aangesteld over de 6 minderjarige kinderen (Willem, Hendricus, Antoni, Jan, Albert en Gerregien) van Swaantje Jansen en wijlen Hendricus Rijnties. De voogden worden Hendrik Rijnties en Hendricus Holleman. De moeder gaat een 2e huwelijk aan. Op 7 december 1747 sluiten Hendrik Rijnties en Jan Hemmink, voogden van de kinderen (Willem, Hendricus, Jan, Albert en Gerregien) van Hendricus Rijnties en Swaantien Wissink, een overeenkomst met Jannis Moleman, weduwnaar van Swaantien Wissink. Jannis Moleman behoudt in eigendom het huis, het leer, de kuipen en het huisraad. Hij zal de kinderen opvoeden

Uit dit huwelijk werden 6 kinderen geboren:
1 Antonij Rijntjes, geboren omstreeks 1725 in Raalte. Antonij is overleden in Raalte tussen 27-02-1745 en 07-12-1747.
Antoni werd ± 20 jaar.

2 Willem Rijntjes, geboren omstreeks 1725 in Raalte. Willem is overleden in 1782 in Wijhe (Overijssel), ongeveer 57 jaar oud. Hij is begraven op vrijdag 26 april 1782 te Wijhe.
Willem woonde in de Langestraat te Wijhe, hij was schoenmakersbaas.

3 Hendrikus Rijntjes
, geboren omstreeks 1725. Hendrikus is overleden in Raalte, ongeveer 67 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 2 mei 1792 te Raalte. Hendrikus is geheel in de traditie van zijn vader en broer Willem ook schoenmaker

4 Albert Rijntjes
, geboren omstreeks 1730 in Raalte. Albert is overleden in Maastricht, ongeveer 57 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 19 december 1787 te Maastricht.

5 JOHANNES (Jan) RIJNTJES, (zie generatie III) geboren omstreeks 1730 in Raalte. Jan is overleden in Wijhe (Wegterholt), ongeveer 71 jaar oud. Hij is begraven op dinsdag 27 januari 1801 te Heino.  

6 Gerregien (Gerritdina) Rijntjes, geboren omstreeks 1738 in Raalte. Gerritdina is overleden op maandag 30 juni 1828 in Zwolle, ongeveer 90 jaar oud.

Reageer op dit bericht

Generatie I, Gerrit Willems Rijnties

De oudste, tot nu toe bekende, voorvader is:
Gerrit Willems Rijnties,
hij is geboren omstreeks 1650 in Raalte (O
verijssel). Gerrit Willems is overleden na vrijdag 21 april 1730 in Raalte, ongeveer 80 jaar oud. Hij woonde op den Bussenkamp in Raalte Overijssel. Hij was blauwverver van beroep. Ongeveer 30 jaar oud trouwde hij omstreeks 1680 met Willemken Alberts. Zij waren Rooms Katholiek.
Samen kregen zij negen kinderen:

1 Hendrik Gerrits Rijnties, geboren omstreeks 1680 in Raalte. Hendrik is overleden in Raalte tussen 00-08-1748 en 04-01-1752. Hij was landbouwer van beroep.
2 Albert Rijntjes, geboren omstreeks 1685 in Raalte. Albert is overleden na vrijdag 26 juli 1754 in Raalte, ongeveer 69 jaar oud. Hij is begraven te Raalte.
3 Wilhelmus (Willem) Gerrits Rijnties, geboren in Raalte en gedoopt op dinsdag 21 december 1688. Willem is overleden op woensdag 3 december 1749 in Voorst (Twello), 60 jaar oud. Hij was schoenmaker van beroep
4 Anna Maria Gerrits Rijntjes. Zij is gedoopt op donderdag 8 februari 1691 in Raalte.
5 Jan Rijntjes, (ook: Jan Rientjes) geboren in Raalte. Hij is gedoopt op donderdag 12 februari 1693 in Raalte. Jan is overleden in Raalte tussen 27-02-1735 en 02-04-1771.
6. HENRICUS RIJNTIES, zie generatie II, geboren in Raalte. Hij is gedoopt op donderdag 14 juli 1695 in Raalte. Henricus is overleden vóór zaterdag 27 februari 1745 in Raalte, ten hoogste 49 jaar oud. Henricus was schoenmaker van beroep.
7 Anna Margaretha Rienties. Zij is gedoopt op donderdag 1 mei 1698 in Raalte. Anna Margaretha is overleden na maandag 16 augustus 1762 in Raalte, minstens 64 jaar oud.
8 Bernardus Rientjes. Hij is gedoopt op woensdag 3 november 1700 in Raalte. Bernardus is overleden, 77 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 8 april 1778 te Raalte.
9 Maria Rientjes. Zij is gedoopt op woensdag 18 juli 1703 in Raalte. Maria is overleden in Amsterdam, 43 jaar oud. Zij is begraven op zondag 22 januari 1747 te Amsterdam.

Reageer op dit bericht

Generatie IV: Johannes Rientjes, geb 1779, gehuwd met Joanna Jansen, zoon van Jan Rijntjes

Johannes (Jan) Rientjes is geboren op 25-03-1779 in Wijhe (Wegterholt) [bron: geboortedatum is vermeld op huwelijksakte], zoon van Johannes (Jan) Rijntjes en Hendrika Derks (van den Belt). Hij is gedoopt in (Heino). Jan is overleden op 28-01-1857 in Ambt Hardenberg, 77 jaar oud.

Beroep: timmerman (1816), arbeider (1839), boerenknecht, timmerman (1852)

naam: ook Johannes Rijntjes, ook Jan Rientjes

Jan trouwde, 37 jaar oud, op 31-05-1816 in Hasselt (Ov)
met Joanna (Janna) Jansen, 33 jaar oud.
Joanna is geboren op 13-05-1783 in Heino
[bron: geboortedatum is vermeld op huwelijksakte], dochter van Joannes Jansen en Maria Overmarsch (Kroes). Janna is overleden op 09-06-1860 in Ambt Ommen, 77 jaar oud.

Beroep: arbeidster

naam: ook Johanna Jansen, ook Janna Jansen

Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren:

1          Hendrica Rientjes, geboren op 24-02-1817 in Hasselt (Ov)

2          Jan  Rientjes,  geboren op 28-03-1820 in Zwollerkerspel (Cellemuiden, Zwolle, Ov).
3          Hermanus (Manus) Rientjes, geboren op 28-11-1825 in Hasselt (Ov). Zie GENERATIE V

 

Reageer op dit bericht

Het verhaal van de oude eik

Symbolisch voor mijn stamboom, een oude eik.
Hierbij een verhaal dat hier heel goed bij past.

Hans Christian Andersen - De laatste droom van de oude eik

Er stond in het bos, hoog op de helling bij het open strand, zo'n echt oude eik, hij was precies driehonderd vijfenzestig jaar oud, maar die lange tijd was voor de boom niet meer dan even zovele dagen voor ons mensen. Overdag zijn wij wakker, 's nachts slapen en dromen wij.

Met een boom is het anders gesteld: in de lente, de zomer en de herfst is de boom wakker, en pas tegen de winter begint zijn slaap, de winter is zijn tijd van slapen, dat is zijn nacht na de lange dag, die lente, zomer en herfst heet.

Heel wat warme zomerdagen hadden de muggen om zijn kroon gedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld, en wanneer dan zo'n klein schepsel één ogenblik in stille zaligheid op een van de grote, frisse eikenbladeren zat te rusten, dan zei de boom altijd: "Stakkerdje! Je hele leven duurt maar één dag! Wat kort toch. Het is zo jammer!"

"Jammer, antwoordde dan het mugje altijd. "Wat bedoel je daarmee? Alles is zo heerlijk stralend, warm en mooi en ik ben zo blij!"

"Maar slechts één dag en dan is alles voorbij!"

"Voorbij!" zei het mugje. "Wat is voorbij? Ben jij ook voorbij?" "Nee, ik leef misschien nog wel duizenden van jouw dagen en mijn dag duurt hele jaargetijden! Dat is iets van zo lange duur dat jij het helemaal niet kunt uitrekenen!"

"Nee, want ik begrijp je niet! Jij hebt duizenden van mijn dagen, maar ik heb duizenden ogenblikken om blij en gelukkig te zijn. Neemt al deze heerlijkheid een einde wanneer jij sterft?" "Nee," zei de boom, "die duurt zeker langer, oneindig veel langer dan ik mij kan indenken!"

"Maar dan hebben wij toch evenveel, onze berekeningen verschillen alleen maar!"

En het mugje danste en zweefde in de lucht, was blij met zijn tere, kunstige vleugeltjes van gaas en fluweel, verheugde zich in de zoele lucht die gekruid was met de geur van het klaverveld en van de wilde rozen, de vlier en de kamperfoelie, die over de heining groeiden, om van het lievevrouwebedstro, de sleutelbloemen en de wilde kruizemunt niet te spreken; er was een geur zo sterk dat het mugje zich heus een klein beetje dronken voelde.

De dag was lang en verrukkelijk, vol van blijdschap en goede dingen en toen de zon onderging, voelde het mugje zich zo heerlijk moe van al die vrolijkheid. Zijn vleugels wilden het niet langer dragen en heel zacht gleed het op het zachte, wiegende grashalmpje neer, het knikte met zijn kopje, en sliep dan blij in: dat was de dood. "Arme, kleine mug," zei de eik, "dat was toch een al te kort leven!"

En iedere zomerdag herhaalden zich diezelfde dans, datzelfde gesprek, hetzelfde antwoord en het inslapen; het herhaalde zich in hele families van muggen, en alle waren zij toch gelukkig, even blij.

De boom stond wakker, zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en zijn herfstavond, nu naderde zijn tijd van slapen, zijn nacht — de winter was in aantocht.

Reeds zongen de stormen: "Goedenacht! goedenacht! Daar viel een blad, daar viel een blad! Wij plukken, wij plukken! Zie dat je gaat slapen, wij zingen je in slaap, wij schudden je in slaap, maar, nietwaar, dat doet goed in je oude takken. Zij kraken ervan uit louter plezier. Slaap lekker, slaap lekker! Het is je driehonderd vijfenzestigste nacht, eigenlijk ben je maar een jongetje van een jaar! Slaap lekker! Uit de hemel dwarrelt sneeuw, het wordt een heel laken, een warm dek om je voeten! Slaap lekker en droom prettig!"

En de boom stond daar, beroofd van zijn loof, om ter ruste te gaan, de hele winter lang en in die winter menige droom te dromen, steeds iets dat hij zelf had beleefd, net als de mensen dromen.

Hij was ook eenmaal klein geweest, ja, een eikeltje was zijn wieg geweest, naar menselijke berekening leefde hij nu in zijn vierde eeuw; hij was de grootste, de hoogste boom in het bos, met zijn kroon stak hij hoog boven alle andere bomen uit, ver op zee was hij zichtbaar, een baken voor de schepen; hij besefte helemaal niet hoeveel ogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene kroon woonden de houtduiven en sloeg er de koekoek; in het najaar, wanneer de bladeren wel geslagen koperen plaatjes leken, kwamen de trekvogels en ze rustten daar, vóór zij over zee vlogen. Maar nu was het winter, de boom stond daar bladerloos, je kon goed zien hoe krom en knoestig de takken zich uitstrekten; kraaien en roeken zaten er om de beurt in groepjes te praten over de harde tijden die nu begonnen en hoe moeilijk het was in de winter aan voedsel te komen.

Het was juist het heilige kerstfeest, toen droomde de boom zijn schoonste droom: die moeten wij horen.

De boom kon heel duidelijk merken dat het een feestelijke tijd was. Hij meende overal in de rondte de kerkklokken te horen luiden en daarbij was het zacht en warm als op een mooie zomerdag, fris en groen breidde hij zijn machtige kroon uit, de zonnestralen speelden tussen zijn bladeren en takken, de lucht was vol geur van kruiden en struiken; bonte vlinders speelden krijgertje en de muggen dansten, alsof alles er alleen maar was opdat zij konden dansen en pret maken. Alles wat de boom jarenlang had beleefd en om zich heen had gezien trok, als een feestelijke optocht, voorbij.

Hij zag uit oude tijden ridders en edelvrouwen te paard door het bos rijden met een veer op de hoed en een valk in de hand; de jachthoorn weerklonk en de honden blaften.

Hij zag soldaten van de vijand met blanke wapens en in bonte uniformen, met speer en hellebaard, hun tenten opslaan en weer afbreken; het wachtvuur vlamde op en er werd gezongen en geslapen onder de brede takken van de boom.

Hij zag verliefden hier in stil geluk in de maneschijn samen komen en de eerste letter van hun naam in de grauwgroene bast snijden. Citer en eolusharp waren er eens — er lagen jaren tussen — opgehangen in de takken van de eik door vrolijke, rondtrekkende gezellen, nu hingen zij daar weer, nu klonken zij daar weer zo liefelijk. De houtduiven kirden als wilden zij vertellen wat de boom daarbij voelde, en de koekoek sloeg hoeveel zomerdagen hij zou leven.

Toen was het alsof, tot in de kleinste wortels, tot in de hoogste takken, helemaal tot in de bladeren, een nieuw leven door de boom stroomde. Hij voelde dat hij zich kon uitrekken, hij merkte het in zijn wortels, hoe ook daar beneden in de aarde leven en warmte was, hij voelde hoe zijn kracht toenam, hij groeide hoger en hoger. De stam schoot op, er was geen stilstand, hij groeide meer en meer, de kroon werd voller, breidde zich uit, verhief zich en naarmate de boom groeide, groeide ook zijn gezondheid, zijn verheugend verlangen om steeds hoger te reiken, helemaal tot de stralende warme zon. Reeds was hij hoog boven de wolken uitgegroeid, die als duistere scharen trekvogels of als grote, witte zwermen zwanen onder hem langs trokken.

En elk blad van de boom kon zien alsof het ogen had om te zien; de sterren werden overdag zichtbaar, groot en blank; iedere ster flonkerde als een paar ogen, zo zacht en zo helder; zij deden denken aan bekende, geliefde ogen, kinderogen, ogen van verliefden, wanneer zij elkaar onder de boom ontmoeten. Dat was een gelukkig ogenblik, een ogenblik vol vreugde!

En toch, bij al die vreugde voelde hij een verlangen dat alle andere bomen in het bos daar beneden, alle struiken, planten en bloemen zich met hem mochten verheffen, met hem de glans en vreugde mochten voelen. De machtige eik was in de droom van zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig als niet alle, grote en kleine, het met hem waren, en dat gevoel beefde door takken en bladeren zo innig en zo sterk als in de borst van een mens. De kroon van de eik bewoog zich alsof de boom iets zocht, iets miste, hij keek om en toen rook hij de geur van Lievevrouwebedstro en al spoedig een nog sterkere geur van kamperfoelie en viooltjes, hij meende te kunnen horen dat de koekoek hem antwoordde. Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bos uitkijken.

Hij zag de andere bomen onder zich groeien en zich verheffen evenals hijzelf; struiken en planten schoten op, enkele rukten zich met wortel en tak los en vlogen sneller. De berk was het vlugst, als een helle bliksemstraal knetterde haar slanke stam, haar takken golfden als groen gaas en groene vaandels; het hele bos, zelfs het bruingeveerde riet, groeide mee en de vogels vlogen mee en zongen en op het hoge gras, dat los fladderde als een lange, groene zijden band, zat de sprinkhaan en speelde met zijn vleugel op zijn scheenbeen; de kevers bromden en de bijen zoemden, iedere vogel zong met zijn snavel, alles was zang en vreugde tot in de hemel toe.

"Maar het kleine blauwe bloempje daar bij het water, dat moet ook mee," zei de eik; "en dat rode klokbloempje en dat kleine madeliefje!" Ja, de eik wilde ze allemaal mee hebben. "Wij gaan mee! Wij gaan mee!" zong het en klonk het. "Maar dat mooie lievevrouwebedstro van de vorige zomer — en het jaar daarvoor was hier een heel tapijt van lelietjes-van-dalen — en die wilde appelboom, wat stond die prachtig — en al die schoonheid van het bos, jaren, jarenlang -- waren die toch maar tot nu toe blijven leven, dan hadden die nu ook mee kunnen gaan!"

"Wij gaan mee! Wij gaan mee!" zong het en klonk het nog hoger, het leek alsof ze vooruit waren gevlogen. "Nee, dit is té ongelofelijk mooi!" jubelde de oude eik. "Ik heb ze nu allemaal, kleine en grote! Niet één is er vergeten, hoe is zoveel geluk denkbaar!"

"In Gods hemel is dat denkbaar!" klonk het.

En de boom die steeds groeide, voelde dat zijn wortels zich van de aarde losmaakten.

"Dat is het allerbeste," zei de boom, "nu houdt geen band mij meer tegen! Ik kan omhoogvliegen naar het allerhoogste in licht en glans en al mijn geliefden vergezellen mij, kleine en grote! Allemaal!"

"Allemaal!"' Het was de droom van de eik en terwijl hij droomde loeide er een geweldige storm over zee en land in de heilige kerstnacht; de zee wentelde zware golven op het strand, de boom kraakte en werd met zijn gehele wortel losgerukt, juist op het ogenblik dat hij droomde dat zijn wortels zich losmaakten. Hij viel. Zijn driehonderd vijfenzestig jaren waren nu als de éne dag van het mugje.

Op kerstochtend, toen de zon opkwam, was de storm gaan liggen; alle kerkklokken luidden plechtig en uit iedere schoorsteen, zelfs uit de kleinste op het dak van de arme boer, steeg de rook op, blauw als van het altaar op het druïdenfeest, de offerrook van de dankbaarheid.

De zee werd stiller en stiller en op een groot schip daarbuiten, dat 's nachts het zware weer goed had doorstaan, werden nu alle vlaggen gehesen, mooi en plechtig als past voor het kerstfeest.

"De boom is weg! De oude eik, ons baken op het land!" zeiden de zeelui. "Hij is gevallen in deze stormnacht! Wie zal hem kunnen vervangen, dat kan niemand!"

Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de eik die lag geveld op het sneeuwtapijt langs het strand; en over de boom klonk psalmgezang vanuit het schip, het gezang van de vreugde van het kerstfeest.

Ieder daarbuiten op het schip kwam bij het horen van het gezang en door het gebed in een blijde stemming.

Juist zoals de oude boom in de kerstnacht zich verhief in zijn laatste, schoonste droom.

Reageer op dit bericht

Te loopen in het jonge lentelicht

Henriëtte Roland Holst-van der Schalk:

Te loopen in het jonge lentelicht,
dat nu elken dag langer openbloeit, -
naar de steilte te heffen het gezicht,
daarheen waar hoog, eenzaam een vogel roeit,

of maar naar den top van den populier,
waarin de merel zijn avondlied zingt, -
lied, waar al het geluksverlange' in klinkt,
dat nu rumoert door mensch en dier, -

zoo te loopen, vaak vol bekommering
over de wereld, het duistre gebeur

in haar; kleine, nietige enkeling
vol zwakheid en vol twijfel en getreur,

en dan op eens, vol moed weer en vol drang
te helpe' en ook nog soms, vol lentezang.

Reageer op dit bericht

Beroepen: De blauwverver

Gerrit Willems Rijnties was blauwverver van beroep

 

De blauwverver

In het hele productieproces van de lakennijverheid was het verven van het laken misschien wel de belangrijkste bewerking. Als het laken was geweven ging het naar de verver. Deze bereidde de verf in grote ketels, die hij vulde met plantaardige verfstoffen, water en beitsmiddelen als aluin en urine. Voor de kleur rood werd meekrap gebruikt, voor de kleur blauw indigo. Het mengsel werd aan de kook gebracht en dan roerde de verver, meestal bijgestaan door enige knechten, met lange stokken de lakens urenlang door het dampende verfbad. Een nauwkeurig werk, want de schoonheid en de deugdelijkheid van de kleuren waren immers doorslaggevend voor de handelswaarde van het laken. Na het verfbad werden de lakens goed uitgespoeld en buiten aan palen te drogen gehangen. http://www.margret.nl/beroepen.html#b 
De blauwververs voegden eerst en vooral zaagsel en wat gemalen meekrap aan de verfkuip toe, om het water te verzachten. Nadat deze stoffen hun werk hadden gedaan, werd het bezinksel verwijderd en de wedepastel toegevoegd. Hierna ging het deksel op de kuip en begon de inhoud te gisten. Ondertussen werden de textielstoffen geweekt in helder lauw water. Wanneer de kuip voldoende had kunnen gisten, ging het deksel eraf en werd het laken in het kleurmengsel ondergedompeld. Terwijl de stof zorgvuldig gedraaid werd, veranderde de kleur van het water door de toevoeging van zuurstof van groengeel in blauw. Er konden ook nog andere ingrediënten toegevoegd worden die voor de nodige kleurschakeringen zorgden. Wanneer de kleur zich aan het laken had gehecht, werd de stof zorgvuldig uitgespoeld. Een ketel afwerken duurde minstens een hele dag en soms zelfs twee of drie dagen. Een blauwverver kon op deze manier 3 tot 4 kuipen per week afwerken

Reageer op dit bericht

Over de lakenidustrie

Lakennijverheid in het algemeen

Laken was - vanwege het nogal gecompliceerde productieproces - min of meer een luxeproduct. Dit had tot gevolg dat de lakennijverheid al vrij spoedig een zaak van gespecialiseerde ambachtslieden werd, terwijl een groot deel van de plattelandsbevolking zich nog kleedde in huisgesponnen en huisgeweven stoffen.
De lakennijverheid had de neiging zich in bepaalde gebieden te concentreren, zoals Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Holland. Dit waren overigens zeker niet de enige productiecentra. In Italië bij voorbeeld, was Florence een belangrijk centrum van lakennijverheid.
Productiewijze
· De ruwe wol werd ingekocht en aangevoerd. Aanvankelijk binnenlands maar later vooral uit Engeland en Schotland.
· De wol werd, na een uitgebreid was- en kamproces, geverfd en tot draden gesponnen. De volgende verfstoffen werden hiertoe gebruikt: wouw voor gele verfstof, Wede of indigo voor blauwe verfstof, lakmoes, aluin en sandelhout.
· De drapenier, de lakenwever, spande zijn draden op het weefgetouw en weefde het aken tot een voorgeschreven afmeting.
· De volder of voller bewerkte het weefsel om de vezels dichter ineen te werken. (Het werkwoord vollen is hetzelfde als vullen.)
· Na het vollen door voetvolders of in de volmolen werd het laken op 'ramen' gespannen om weer opgerekt te worden. Dit waren rechtop in de grond staande palen met dwarslatten daarop. Aan deze latten en palen zaten haken zodat het laken tot de juiste lengte en breedte kon worden opgerekt.
· Vervolgens werd het laken "geschoren": met grote scharen werden uitstekende pluisjes verwijderd, zodat het vervilte weefsel een effen oppervlak kreeg (zie ook scharlaken).
· Appreteren was het op glans brengen van het laken
· Tussen al deze stappen werden keuringen uitgevoerd die met loodzegels werden gemerkt.

Het ontbreken van een goede historiografie is voornamelijk te wijten aan het ontbreken van veel gegevens: grote delen van de gildenarchieven zijn verloren gegaan.

Uit:: http://nl.wikipedia.org/wiki/Lakenindustrie

Reageer op dit bericht

Over Raalte

In vroeger eeuwen zag het landschap rond het tegenwoordige Raalte er woest en onherbergzaam uit: bossen, zandverstuivingen en moerassen wisselden elkaar af. De eerste duurzame bewoning had plaats op de hoogste delen van deze streek, de enken. De bewoners ontgonnen de woeste gronden en leefden van de opbrengst van de primitieve landbouw, veeteelt en jacht. De eerste schriftelijke overlevering van het bestaan van Raalte is te vinden in de oorkonde van 2 augustus 1123. Hierin wordt de 'kerk (van) Raelt' genoemd, een zgn. eigenkerk. Van het 'kerspel Raalte', deel van het bisdom Utrecht, is voor het eerst sprake in 1265. Dit kerspel (kerkdorp) heeft, samen met zijn buurtschappen, de grondslag gelegd voor de omvang van de huidige gemeente Raalte. Van oudsher is Raalte een belangrijk centrum geweest. Jammer genoeg zijn er van de rijke geschiedenis van de gemeente nog maar weinig zichtbare sporen.


Uit: http://www.salland.net/staddorp/raalte
Reageer op dit bericht

Meer van genealogie familie Rienties

↑ Terug naar de berichten