Naar de inhoud

De Beul van Rumbeke

Herinneringen, anekdotes, gebeurtenissen...
akke.beakke.be

Archief

Eigenaardige boiola

Dat doet er mij aan herinneren dat ik in één van mijn toen bestaande stamcafés, aan een strand van Recife (Pina), altijd aan hetzelfde tafeltje plaats nam en ook op dezelfde stoel. Ik had allang opgemerkt dat er, wat schuin achter mij, ook alle dagen, een kerel aan een ander tafeltje zat, ook voortdurend hetzelfde, waarmee ik absoluut van geen vriendschap wilde weten, reden te meer omdat hij er een beetje uitzag zoals een "queer", mager en slecht geschoren. Ik voelde dat hij mij wilde bekoren, iedere keer dat ik daar arriveerde, maar ik stelde daar geen enkele belangstelling in. Ook kon ik zijn ogen voortdurend op mijn rug voelen priemen. Blijkbaar dacht hij dat ik een verroeste potter was en moeilijkheden ondervond mijn geheimste wensen duidelijk te manifesteren aan de andere potters. Maar wat hij ook dacht of liet van te denken, het kon me geen barst schelen, zolang hij me maar gerust liet.

Op een zekere dag echter kwam ik daar toe en wie zat er op mijn plaats?? Jaja, ge hebt het al geraden: HIJ zat daar, mij trots aankijkend. Besluit: ik heb mij een andere tafel moeten kiezen, zo ver weg als het wel enigszins mogelijk was en zelfs achter een pilaar. Het probleem is maar definitief opgelost geweest toen het café, op een zekere dag, terwijl hij daar op mij zat te wachten, overvallen is geweest door twee bandieten. Hij heeft één ervan getracht te beletten te vluchten, na de overval aan de kas, maar de andere heeft twee kogels in zijn richting gestuurd. Ze hebben allebei hun doel gemist maar het spoor ervan is nog altijd te bespeuren in één van de muren daar. Ze hebben hem, terwijl ze weg aan het rennen waren, over hun schouder heen, de dood gezworen en hij is nooit ne meer durven terug keren. Gelukkig.

Ik heb de kelner dóór laten schemeren dat dat zijn straf was geweest, mijn algemene en door de praktijk goed gekeurde en door de meerderheid overeen gesproken, plaats, zonder mijn toelating, in beslag te hebben genomen.

Diene eigenaardige boiola..

Geschreven door Rudo om 17:28 Reageer op dit bericht Stuur door

Van Prinsen en Prinsessen

Over prinsen gesproken, ik heb er één, eerst beroepshalve maar later in een meer vriendschappelijke (en nog later in een minnachtelijke) verhouding, ontmoet. Zijn naam was Francisco De Orleans e Bragança, oudste zoon van Dom Pedro De Orleans e Bragança, eerste prins in de lijn van opvolging van de troon, moest het hier nog een koningrijk geweest zijn en blijkbaar ook verwant aan onze eigen dynastie (wat nen hele hoop bullshit eigenlijk, hé?). Hij leefde in Petrópolis, een klein stadje in de bergen, dicht bij Rio De Janeiro, waar hij van zijn vader, om hem bezig te houden, een verminkte krant had gekregen die aan de familie toebehoorde en waarvan hij zijn inkomen moest melken. De krant werd toen nog gedrukt in typografie en de bedoeling was over te schakelen naar offset. Samen met andere concurrenten, inclusief, één ervan, Jozeph, een Belg die lang voor Agfa Gevaert gewerkt heeft in Rio en die later van de aids is gestorven, trachtte ik hem een gebruikte (maar zich in uitstekende staat bevindende) machine aan te smeren, die door hem rechtstreeks moest ingevoerd worden van de VSA. Alles samen heeft het proces me verschillende jaren werk gekost. Toch slaagde ik er in de zaak te voltooien en raakte het ogenblik nabij dat hij moest bewijzen dat hij wel degelijk over genoeg poen beschikte om de drukpers contant, aan onze uitvoerder, in de VSA, te betalen. Hij nam me mee naar een oud appartement dat de familie bezat in een wijk rechtover een strand, genoemd "Praia do Flamengo" in Rio en dat hij van plan was te verkopen om met de opbrengst ervan, zijn aankoop te garanderen. Toch wilde hij niet nalaten eerst de machine persoonlijk te gaan bezichtigen in Elisabethville, dicht bij Harrisburg, waar ik onmiddellijk mee akkoord was en zelfs beloofde hem te vergezellen. Hij had een zoontje van ongeveer acht jaar (toen) dat hij mee wilde nemen om van de gelegenheid gebruik te maken om Disneyworld (of Disneylandia?) te bezoeken in Orlando. Eenmaal in Miami gearriveerd verwittigde hij mij, gedurende ons eerste avondmaal in het hotel daar (later op die avond besloot ik een wandelingetje te maken in het centrum van Miami, waarbij de portier me waarschuwde absoluut niet de linkse kant in te slaan en goed op te passen aan de rechtse) dat hij zich aan het scheiden was van zijn vrouw en dat, als gevolg daarvan, hij alleen maar recht zou hebben op de helft van de waarde van dat appartement, maar dat hij wel op iets zou denken, tot tegen onze terugkeer in Rio, om niet op zijn compromis tekort te vallen. Hij besloot ook dat ik beter de machine alléén inspecteerde omdat ik daar tenslotte toch de specialist in was, dat hij me wel degelijk daarvoor vertrouwde en dat hij daar zelf toch geen “kloten” van verstond, terwijl hij besloot zijn zoon te vergezellen naar Orlando. Toen ik mij in de fabriek aanmeldde stelde ik vast dat de machine al gereed stond om ingescheept te worden, wachtend, enkel en alleen maar op het geld. Ik belde hem op in Orlando om hem het goede nieuws mede te delen en hij slaakte een juichkreet van voldoening uit, alhoewel hij er, op een ietwat lagere toon, aan toe voegde dat zijn vrouw, in alle geval, niet meer bereid was hun appartement te verkopen. Ik sloeg wit uit van de verrassing, maar hij stelde mij nogmaals gerust: hij zou wel op iets peinzen. Toen we elkaar terug ontmoetten in Miami vroeg hij me hem twee kleine "gunsten" te doen, zoals hij het zelf uitdrukte: het eerste om twee computers die hij zichzelf had aan geschaft in een groot warenhuis daar, in mijn valies naar Rio méé te smokkelen. Hij beweerde dat hij zelf niet over voldoende lichamelijke kracht beschikte en inderdaad, ze wogen samen bijna zestig kilo’s (eigenaardig was dat hij een hoofd groter was dan ik en alle weekeinden voetbal speelde) en het tweede om meteen, dat wilde zeggen, terstond, naar mijn directie in Rio te bellen om hen te verwittigen dat hij absoluut over gene enkele roste frank beschikte en dat zij, mijn directeurs, hem het nodige geld wel zouden moeten lenen, wilden ze de zaak redden. Ik besloot, bleek van de emotie, in te stemmen met de eerste gunst, maar weigerde de tweede voorwaarde absoluut te aanvaarden. We hebben geruzied tot we in Rio arriveerden. Daar heb ik dan toch mijn overheden moeten verwittigen, want hij wilde zich, de dag daarop, laten aanmelden. Tot mijn gelukkige verrassing echter richtte mijn directeur niet veel hindernissen op om die machine, met zijn eigen, persoonlijk, geld te financieren. Tenslotte kende hij de vader van Francisco, Dom Pedro, heel goed, waarmee hij regelmatig golf speelde in een selecte club van Petrópolis, waar hij over een zomerhuis beschikte. Alles goed, alles geregeld, werd onze advocaat geroepen om alles duidelijk op papier te zetten, want ge weet nooit, niemand is volmaakt en iedereen kon verplicht worden, morgen of overmorgen, zijn laatste, houten, kostuum áán te trekken en zo is het beter geen twijfels achter te laten voor ons nageslacht, niet alleen wat hun rechten betreft, maar ook en vooral hun plichten en schulden en de prins was daar absoluut, onmiddellijk, méé akkoord, vooral toen hij er gebruik van maakte om vóór te stellen zijn oude typografische machine (meer dan dertig jaar oud) in de onderhandeling te foefelen wat het hem zou toelaten het te lenen bedrag aanzienlijk te doen ineen krimpen en toen er over de interest begon gesproken te worden hij meteen begreep dat hij geen enkele eis in dat respect kon uiten, want hij bevond zich in de “vragende” positie en dat tien percent per maand zeker niet te veel was, want de inflatie alleen al bedroeg (in die tijd) acht percent per maand en dat het dus een zaakje was van de vader naar de zoon, enz...

Allez kom, alles was in vrede opgelost geweest, dank zij de gelukkige ingreep van onze directie die geen verdere eisen stelde, moment waarop ne hele hoop handen werden gedrukt en iedereen tevreden van elkaar afscheid nam..

De dag dat de eerste afbetaling moest gemaakt worden verscheen de prins in mijn kantoor met zijn advocaat die hij persé aan mij wilde vóórstellen, maar wat ik onmiddellijk en drastisch weigerde, want advocaten zijn mijn sterk punt niet en ten andere advocaten voor wat?? Alles was toch geregeld en af gesproken geweest, en waarom er nu een advocaat bij halen...?? Enfin, we zijn met ons drieën met onze directeur gaan spreken, die onmiddellijk begreep dat de dingen zijn handen aan het ontsnappen waren en hij er alzo ineens lijkbleek begon uit te zien, vooral wanneer de prins vermeldde dat zijn advocaat hem sterk had aan geraden gene halve frank interest te betalen en moest hij eventueel toch áán dringen het gerecht de beste plaats zou zijn om zo’n meningsverschil op te lossen... Dat was genoeg om hem te doen ontploffen en dat hij, de prins, een ware “muleque” (deugniet) was en dat hij dadelijk zijn vader ging op zoeken in Petrópolis om hem te verwittigen over die smeerlapperij die hij van zijn zoon aan het ontvangen was, na alle geleverde inspanningen.. tot, op den duur de animo’s gekalmeerd zijn geworden en beslist werd alleen maar de helft van de overeen gekomen interest te betalen, minder dus dan de maandelijkse inflatie...

Wat een hel, Rudo en wat voor een "pirralha", diene prins van mijn kloten... en ik heb nooit een woord meer tegen hem gerept. Pirralha!!

Geschreven door Rudo om 15:13 Reageer op dit bericht Stuur door

Rijen in banken

Ik besloot, enkele jaren geleden, gedurende een gemoed’s depressie, veroorzaakt door de ene of de andere pijnlijke ervaring, dat ik me, eens terug in mijn geliefd vaderland België, een simpel “twee..pee..kaatje” zou aanschaffen. Uiterst goedkoop, uiterst zuinig, uiterst duurbaar en uiterst charmerend. Precies iets voor mij. Een autootje voor kunstenaars in het begin van hun carrière. Er bestaat geen vrouw die een uitnodiging weigert een twee-paardje in te stappen (de naam "paard" doet hun verbeelding onmiddellijk op hol slaan). Bovendien zou niemand er geïnteresseerd in zijn dat tweepeekaatje te stelen of anders, in het verkeer te beschadigen, verschrikt dat ge over geen genoeg kapitaal zult beschikken om de veroorzaakte schade, aan hun luxe-auto, te vereffenen...

En dat brengt me op de rij in de bank waar ik de rekening van de schade moest betalen aan de eigenaar van een tweepeekaatje, hier in Recife, veroorzaakt door hemzelf eigenlijk, want hij wilde persé niet uit de weg gaan toen ik probeerde langs zijn rechtse kant te passeren, in een bocht naar links.

Van verre al had ik opgemerkt dat er weinig beweging aanwezig was, om en rond de bank, wat altijd een goed teken is, gedurende dat uur toch, kort in de namiddag, zodat ik met genoegen vast stelde dat ik, deze keer, weinig tijd zou verbrodden in de daar eventueel binnenin bestaande rij. Terwijl ik de deur opende zag ik in een flits dat er zelfs geen enkele rij te bespeuren was vóór het eenzame luikje dat open bleek te zijn en waar de bediende, dromerig zijn kloten aan het scharten was, terwijl wijdmond's gapend, moeheid verradend van niets te doen. De deur beleefd en voorzichtig achter mij sluitend, dook er opeens een schaduw naast mij op en gebruik makend van de nog bestaande gleuf, gleed hij, juist vóór mij, de bank in, zich rechtstreeks naar het loket dat ik in het zicht had, begevend. Zonder boe noch bach. Toevallig en op datzelfde moment werd de deur geopend van de manager, aan de rechtse kant van het loket, waaruit een klant stapte die zich ook naar diezelfde bediende begaf, waarschijnlijk om daar papieren te regelen die hij niet met de manager had kunnen oplossen. Ik zeg toevallig, omdat ik tot op dat ogenblik, op de pole-position had gerekend van de rij, maar die ik in een oogwenk had verloren. Was ik maar één seconde rapper geweest... Hij slaagde er zelfs in juist een stapje rapper te zijn dan de schaduw die naast mij was binnen geslipt en bezette de ereplaats. Gelukkig duurde het niet lang, minder dan tien minuten zelfs, zodat ik opgelucht adem haalde. De schaduw, voor mij, gaf de indruk ook weinig zaken op te lossen te hebben, tot op het ogenblik dat hij zijn hand in zijn binnenzak stak en daar, toen het zijn beurt was, onverwachts, een bundel van ongeveer vijftien rekeningen te voorschijn toverde. Ik kon het niet nalaten een klein vloekwoord te opperen, zoals “filho da puta”, maar toch was ik redelijk content dat ik de volgende in de rij zou zijn. Het gedoe duurde veel langer dan oorspronkelijk verwacht en ik haatte nogmaals het ogenblik dat hij, juist naast mij, binnen had kunnen slippen. Ik had de deur hard toe moeten slaan in plaats van ze beleefd gesloten te hebben. Maar daar was nu eenmaal niets meer aan te doen. Toen ik met opluchting zag dat de bediende het einde van het stapeltje in het zicht kreeg, opende de deur zich achter mij en trad er een zwangere vrouw binnen. Ze wenste me een goede namiddag en plaatste zich, zonder méér, vóór mij in de rij. Ik begreep wel dat zwangere vrouwen altijd voorrang hebben, maar ik spoorde toch het bordje op waar dat uitdrukkelijk vermeld stond. En inderdaad, daar hing het: “Pessoas acima de 65 anos ou com dificuldade de locomoção e mulheres grávidas, terão preferência no atendimento”. Oké, daar was dus ook niets ne meer aan te doen. Minder dan een minuut later, terwijl diene smeerlap daar, met honderdduizend rekeningen, nog een andere, waarschijnlijk nu persoonlijke rekeningske, uit nen andere zak toverde, strompelde er een oud koppel binnen, de vrouw zeker over de tachtig, de man dichter bij de negentig. Zonder zelfs maar in mijn richting te hebben gegluurd en verontschuldiging te vragen, stapten ze rechtstreeks naar het loket, naast diene smerige officeboy en eisten onmiddellijke aandacht. Eerlijk, ik begon die bankdeur in het oog te houden, want de verrassingen kwamen voortdurend uit diene kant. De rij vorderde niet, dat prehistorisch koppel bleef maar uitleg vragen en opmerkingen maken die niets met de zaak te doen hadden, wuifden naar de bank directeur die uit zijn kantoor was te voorschijn gekomen, stelden belangstelling in de gezondheid van zijn vrouw en kinderen, de hond en de papagaai, wijdden uit over het weer van gisteren, vandaag en morgen en ik had het al verwacht: de deur kraakte weeral open. De persoon daar, met zijn rug nog naar ons toe gedraaid, terwijl hij ze sloot, leek me jong te zijn. Gelukkig. Zijn haar was smaakvol bruin gekleurd, eigenlijk zelfs meer naar de rode kant oplopend en hij bleek flink, lenig en fris te zijn, met opgeheven schouders en een slanke gestalte. Gelukkig, nog ne keer. Den dienen zal achter mij plaats moeten nemen, besloot ik tevreden en draaide mij om, terug naar voren. Maar hij had iets anders in het zicht en vooraleer ik begreep wat er juist aan de gang was, vroeg hij ook beleefd verontschuldiging en perste zich tussen ik en de zwangere vrouw. Miljard den djuuu. ’t Is nie mogelijk ééé...!!! Ik tikte hem op de schouder om, uiterst nerveus, uitleg te vragen en terwijl hij zich omkeerde merkte ik ne hele hoop rimpels op zijn voorhoofd, maar toch niet genoeg om niet argwanend te blijven... Ewel???... Gisteren juist 65 jaar oud geworden, zekers??, hielp ik hem. Neenee, dank u, repliceerde hij, wat verlegen maar zonder medelijden, ik ben al lang over de 70. Hopelijk geraakte gij ook zo verre...

Dienen dag heb ik niets ne meer betaald. Het was mijne dag niet en het zou niets geholpen hebben verder te blijven áán dringen. Al de oude pépeéés en mémééés moesten juist diene namiddag al hun rekeningen betalen, zonder te tellen op al die hete vrouwen die alle dagen willen poepen en vogelen tot de stukken er vanaf vliegen en dan den dag daarop, hunne buik er vol van hebben...

Ik ben, zonder er langer over te willen nadenken, vroegtijdig mijn café gaan op zoeken om mijn geestelijke rust te herstellen, mijn reden te heroveren en de noodzaak vast te stellen kinderen, uw eigen of geadopteerde, te hebben om voor u de rekeningen in de bank te gaan betalen. Diene zever van één van mijn neven in België, over datzelfde onderwerp (geen kinderen wensen te hebben), zal maar duren zolang het duurt. En als 't wat langer duurt dan de natuur bereid is te wachten zal hij zich nog vele keren de verklaringen herinneren die hij uitgebraakt heeft toen hij nog onvolwassen was. Is 't nie voor ´t één of voor 't ander, 't is genoeg om over iemand te beschikken (wat een zonde is; maar 't is een dagelijkse- en geen dood-zonde) die er zelfs niet terug voor deinst uw achterwerk af te kuischen terwijl ge verlamd van de ellende met uw laatste adem aan het vechten zijt. De liefde voor uw kinderen, vooral, maar ook omgekeerd, de liefde voor uw ouders (diene fameuse Nonkel Fons niet inbegrepen) is ONVERGELIJKBAAR. Niets in het leven is volmaakt, maar als er iets bestaat dat de grenzen van het volmaakte benadert is het de liefde die een mens, vooral de moeder (die hier soms, door de meer gecompliceerden, als “genitora” wordt beschreven), koestert voor haar kinderen.

Trouwen? Kinderen hebben? Da's voor de onnozelaars, hé! Maar ze beweren dat maar terwijl ze zelf nog flink en fris zijn. “Cu doce” zijn (letterlijk: nog een zoet gat hebben, of, beter vertaald: genoeg hebben aan zichzelf). Ze veronderstellen dat ze nooit oud zullen worden en hebben zelfs een zekere hekel aan oudere mensen. Neanderthalers, zoals ze hen, minachtend, verwijten. Ze hebben zelfs de neiging te geloven dat ze ongenaakbaar zijn voor ziekten en ongelukken. Dat ze misschien zelfs de uitzondering van het leven zullen zijn en de natuurwetten ontkennend, helemaal niet zullen sterven.

Dus proficiat Rudo, dat het maar enkele jaren heeft geduurd vooraleer ge plechtig tot het besluit zijt geraakt dat kinderen zodanig belangrijk zijn in een leven. Ge had dat eigenlijk niet verwacht, hé? Ge zijt veel rapper geweest dan Hilde (mijn enige zuster, nu ook al dood) bijvoorbeeld, die daar nog geen benul van had toen ze verwachtte dat haar kinderen geld méé zouden investeren in het recauchuteren van haar lippen, die gereed moesten staan voor de prins die op elk moment aan de deur zou kunnen komen kloppen...
Geschreven door Rudo om 16:29 Reageer op dit bericht Stuur door

X-Stralen zijn gevaarlijk

Terug kerend naar Rio, vanuit São Paulo, enkele dagen later, werd ik uitgenodigd samen met de zoon van de directeur van de firma naar de luchthaven te rijden, alhoewel we op twee verschillende vliegtuigen waren geboekt. Ik reis, bij voorkeur, alleen, want dan kan ik geniepig de ene of de andere bar binnen springen in de luchthaven om daar mijn dagelijkse porties caipirinhas in te slikken en eens in het vliegtuig, de sporen weg te vegen met mijn andere, ook dagelijkse, dosis bier. We hadden afscheid genomen juist vóór de bagage controle en ik was al goed op weg een winkeltje op te zoeken in de inscheepruimte waar men mijn goesting zou kunnen voldoen, toen ik mijn naam hoorde uitspreken in de luidsprekers. Ik werd gevraagd terug te keren op mijn stappen en me buiten aan te melden. Eens daar merkte ik onmiddellijk die zoon op die me naar een hoek wenkte. Het probleem is het volgende legde hij me zenuwachtig uit: ik heb veertigduizend reais in biljetten in mijn bureeltas en dat is ontdekt geweest door het X-straal toestel, gedurende de bagage controle. Ze hebben mij gewaarschuwd dat het verboden is met meer dan tienduizend reais in cash te reizen en ze zullen mij, bij de volgende poging, arresteren. Laat ons naar een toilet gaan waar ik u dertigduizend reais zal overhandigen, want gij zijt nog niet verdacht. En daar gingen we, het toilet binnen, waar het verstopt was van mannen die allemaal nog eens wilden gaan pissen vooraleer het vliegtuig in te stappen. We trokken, vanzelfspreken, hun grijnzende aandacht toen ik ná hem een WC-kotje binnen sloop, na eerst enkele seconden op de voorafgaande bezoeker gewacht te hebben. De afkeurende blikken en het zacht gemompel was duidelijk te onderscheiden. Ik, Rudo, werd als een onbeschaamde homo beschouwd en ik hoopte alleen maar dat niemand mij daar zou herkennen. Sommige akties zijn praktisch niet uit te leggen. Het was allemaal tegen mijn zin aan het gebeuren en bovendien liep ik nog het gevaar als een misdadiger bestempeld te worden, wie weet. Wat een schande. Eens binnen gewrongen, met een rood, opgeblazen, hoofd, kon ik zelfs moeilijk het deurtje achter mij sluiten, vanwege de enge ruimte, uitermate niet bestemd voor twee volgroeide mannen. Ik bleef, met een ingetrokken buik en een naar achteren gestoken poepe, achter hem staan terwijl hij zijn kantoorvaliesje op de Wc-bril neer zette en er waarlijk, een stapel van op zijn minst vijftien centimeter dik pak geld, uit haalde, zorgvuldig verdeeld in acht pakjes van vijfduizend reais elk, bijeen gehouden door aangepaste rekkertjes. Hij koos twee pakjes voor hemzelf, stak ze in elk van zijn twee broekzakken, sloot zijn tas en overhandigde mij de rest. Zonder mij uit te leggen waar het geld vandaan kwam, mij in te lichten wat ik moest beweren moest ik toevallig gearresteerd worden door de federale politie en hoe ik aan een advocaat zou geraken, eens achter de grendel, wenste hij mij een goede reis toe en weg was hij. Ik stond daar nog verward en zenuwachtig met mijn handen en een deel van mijn armen volgepropt met verschillende pakjes geld, toen ik een andere man aanstalten hoorde maken binnen te glijden, waarschijnlijk vermoedend dat er gratis uitdeling aan het gebeuren was van blanke, nog maagdelijke, poepen. Ik besloot mijn geheime delen te beschermen door zoals een ezel mijn rechterbeen naar achteren te stoten en zo de deur toe te slaan, wat een onmogelijk te onderdrukken“oooohhhh” vanwege de binnentredende mens, veroorzaakte, waarschijnlijk omdat ik ongewild zijn zak had getroffen, maar slaagde er toch in, na een tweede poging, duidelijk te maken dat ik mijn handen vol had en niet van plan was mijn achterwerk voor een tweede keer die dag, uit te lenen. Terug alleen in de gezelligheid van het gesloten kotje, maakte ik er mijn werk van het geld in mijn zakken te verdelen. Één pakje in elk van mijn twee broekzakken van voren, één pakje in mijn hemdzak, één pakje in elk van mijn achterste broekzakken en één pakje in de binnenzak van mijn vest. Ik slaagde er niet in, van de gelegenheid gebruik te maken om ook het water uit mijn knieën te halen. Me verlegen uit het kot wringend, onderging ik met een naar onderen gebukt aangezicht, de woeste blikken van de man die ik onbewust in zijn zak had gestampt en beslist had op mij te wachten, terwijl andere blikken over mijn broek flitsten om verdachte plekken op te sporen, resultaat van al dat geheimzinnig gedoe daar binnen. Eens bekwaam, opgelucht, naar buiten te strompelen, zonder dat iemand me echt om uitleg had gevraagd, streefde ik terug naar de bagagecontrole, niet vooraleer mijn zakken nog eens afgetast te hebben om mij er van te verzekeren dat er wel degelijk zes bultjes te onderscheiden waren. Ik stopte verrast halverwege toen ik maar vijf pakjes kon terechtbrengen. Hemeltje lief, er was waarschijnlijk een pakje op de grond gevallen met al die haast en zenuwachtigheid, dacht ik onmiddellijk. Terug naar het toilet vooraleer die mens die ná mij het hokje was binnengestapt, het geld vond en er, in de menigte, mee verdween. Nauwelijks geraakte ik binnen, terwijl ik mijn ongeruste blik over de vloer deed glijden en ik herkende het gesloten WC kotje waar ik zojuist uit had gestapt en begon op het deurtje te bonzen… laat me binnen, ik ben iets vergeten… rap, open de deur, a.u.b… En waarlijk de deur werd geopend op een klein kiertje en ik was bekwaam de man op de WC bril te zien zitten, pogingen ondernemend de gedeeltelijk verloste worst terug weg te steken... wat hebde dan vergeten..??.., kon de man er uit brengen. Ik bleef de grond afzoeken terwijl ik er ook niet voor terug deinsde mij tot op de vloer neer te bukken en op mijn knieën de aanpalende kotjes te bespieden, waar ik alleen maar voeten kon onderscheiden… maar verder niets… helemaal niets.. en geen speur van mijn geld… wat een ramp… hoe zal ik dat kunnen uitleggen aan mijn overste… wat een tegenslag…. ik sloeg zelfs mijn blik naar zijn afgezakte broek, uit op eigenaardig gevormde bulten, maar niets… helemaal niets… Ik kon niets anders overwegen dan verontschuldiging te vragen, recht te staan en weg te stappen. Bleek van de spanning en met knikkerende benen. Ik kwam ook tot het besluit dat ik daar niet verder mocht blijven haperen en dat ik onmiddellijk de wachtzaal terug in moest stappen, want anders zou ik zelfs de overeengekomen ontmoeting in Rio verliezen. Beter met een pakje minder geld in uw zakken dan verdacht te worden met al het geld te zijn verdwenen. Op het vliegtuig zou ik wel aan iets denken, vond ik.. Terug aan de bagagecontrole wist ik zeker dat ik er verdacht uit zag. Ik bleef maar naar beneden staren zodat niemand de angst in mijn ogen zou kunnen lezen en waarlijk, de politieagent die vóór de aanschuivende rij mensen de wacht hield, hof zijn wijsvinger op om me, waarschijnlijk, uit de rij te doen stappen, toen ineens, achter mij, er wat herrie ontstond omwille van een gehaaste man de rij niet in achting aan het nemen was en zich voorbij de andere mensen plaatste, wat vanwege hen reclamatie opbracht en de politieagent zijn aandacht aan mij deed verliezen om de rust daar te herstellen en de rij opnieuw te organiseren. Gelukkig..!!

 

Eens in het vliegtuig besloot ik alle bulten nogmaals, maar nu deftig, te hertellen en de som bleef, ongelooflijk en tot mijn algemene ontgoocheling, begrensd tot vijf. Vijf en geen enkele meer dan vijf. De oplossing bestond erin al het geld uit al mijn zakken te vissen en ze onder een krant, op mijn schoot, te schuiven om alle andere zakken, naderbij te kunnen onderzoeken. Toen ik het laatste pakje geld, met moeite, uit één van mijn broekzakken kon wringen, werd ik me opeens bewust van waarom juist het zo moeilijk was: ik had twee pakjes samen in één van mijn broekzakken gestoken, de andere leeg latend. De oorzaak van al mijn opwinding…oocchh.. stomme Rudo, wat nen uil dat ge altijd geweest zijt…

Geschreven door Rudo om 16:09 Reageer op dit bericht Stuur door

Een krop in mijn keel of "Chucrut"!!??

Op het werk, intussen, was het ook allesbehalve vrede. De algemene manager voor het gehele land, mijn onmiddellijke overste, vond er genoegen in me acht keren per dag, vanuit São Paulo waar hij werkte, op te bellen. Vier keren ‘s morgens, om me vier verschillende opdrachten te geven of inlichtingen te vragen en vier keren ‘s namiddags om te weten of ik al een antwoord had op elk van zijn vier opdrachten. Ik had amper tijd om te werken. Bovendien hadden we een nieuw product op de markt gebracht en het zat vol met “bugs”. De reclamaties kwamen van over het gehele land binnen stromen. De druk werd groter en groter.

‘s Avonds, vooraleer me naar huis te wenden, bezocht ik alle dagen mijn splinternieuwe stamcafé om de opgeperste stoom áf te blazen. Daar dronk ik, rechtstaand, twee of drie glazen “batidas”, geprepareerd met “maracujá” (een lokaal, overvloedig aanwezig, fruit dat het kenmerk heeft een mens te kalmeren), en “pinga” of “cachaça” (een soort van tequila en even sterk). Maar het hielp eigenlijk weinig of niets. In alle geval, ik vergat er rapper de verse problemen van die dag mee en kon zo rustiger naar huis rijden. Niet helemaal op een rechte lijn natuurlijk, maar toch wel met méér zelfzekerheid. Ik maakte er ook gebruik van om, dromend, de konten van de voorbij passerende, zich sensueel omdraaiende meiskes, gade te slaan. Een “cólirio” voor mijn ogen. Wat een overweldigende weelde. Nooit zal ik daar genoeg van hebben…

Op een goede morgen werd ik wakker met een vreemd gevoel in mijn keel. Een nog nooit eerder opgemerkte bubbel, een schurende en gezwollen tong. Meteen ging er een bliksemsnelle waarschuwing door mijn hoofd: kanker. Sedert mijn vroege studentenjaren had ik afwisselend, sigaretten en pijpen gerookt. Ettelijke jaren. Vijftig van de goedkoopste en zwaarste sigaretten per dag. Op andere momenten, één pijp na de andere. Op datzelfde ogenblik heb ik besloten er definitief mee óp te houden en nooit ben ik aan de verleiding bezweken.

Om het nog gruwelijker te maken begon ook één van mijn oren te fluiten. Een voortdurende, scherpe, hoge, toon. En hoe meer men er op let hoe luider het klinkt. En stoppen? Alleen maar terwijl men aan het slapen is. Verschillende dokters hier (en later in België), waren niet bekwaam iets verkeerds vast te stellen. Toch begon ik er mezelf langzaamerhand van te overtuigen dat ik een tumor had in mijn keel. Ik begon moeite te ondervinden, tijdens het zwelgen. De klieren rond en om mijn hals begonnen te zwellen en een geraadpleegde keelspecialist vond de vastgestelde bubbel ook een beetje eigenaardig. Hij noemde het “een kankerachtig gezwel” en spoedde mij aan een hoofd- en halschirurg te consulteren en niet na te laten hem, daarna, op de hoogte te brengen van het resultaat (buiten zijn onbekwaamheid, was hij ook nog nieuwsgierig). De wanhoop kreeg me te pakken en alhoewel nooit iets ernstigs is ontdekt geweest heeft het gehele voorval mij vijf jaren van mijn leven verbrod.

En die manager is daar gedeeltelijk verantwoordelijk voor geweest. Een paar jaar later is hij, gelukkig, ontslagen geworden. Ik zeg “gelukkig”, op persoonlijk gebied, want ik verloste mij van mijn beul, maar zijn ontslag heeft niet kunnen vermijden dat de firma er geleidelijk aan op achteruit is gegaan. Mijn, met veel moeite en geduld afgedwongen, overheveling naar Recife, gedurende deze moeilijke jaren, was absoluut noodzakelijk, óók en onder andere voor deze reden. Er nu over ná piekerend, denk ik dat hij mij zoveel gepest heeft omdat ik waarschijnlijk te eerlijk ben geweest, enkele maanden eerder…

Gedurende één van mijn reizen naar São Paulo had hij mij plechtig uitgenodigd bij hem thuis te gaan avondmalen. Samen met een andere collega, plus diens vrouw die er van geprofiteerd had gratis mee te reizen, vanuit het noorden van het land, waar hij werkte. Het was allemaal goed en wel, en hoe is’t… en wat gade drinken…, etc.. etc.. tot op het ogenblik dat het moment aanbrak aan de zware, ijken tafel plaats te gaan nemen. De vrouw van de Duitser was nog bezig in de keuken en om wat tijd te winnen vroeg de Duitser ons nieuwsgierig of we graag “chucrut” (of zoiets) lustten. Een typisch Duits, gekookt, gerecht met veel groenten en zo, allez, iets wat ik echt niet smakelijk vind. En dat zei ik dan wel meteen, met alle letters, want iedereen was mij aan het bekijken om er zichzelf van te verzekeren mijn belangrijk oordeel niet te missen. Blijkbaar waren mijn collega’s content van mijn uitspraak, want ze knikten terstond, volledig met mij instemmend. Dat was het dus: niemand lustte “Chucrut”. Helemaal niet. En om er geen verdere twijfels over ná te laten en hun afkeur definitief te ondersteunen trokken ze enkele vieze toten en waren bekwaam er walgend aan toe te voegen: .. wwééééhhh…!! Juist op dat ogenblik kwam de vrouw van de Duitser uit de keuken met een enorme, duidelijk merkbaar, hete kom in haar handen, terwijl ze verrukt uitriep: … ”verrassing!! … weet ge wat ik gereed heb gedaan heb voor jullie? Heerlijke verse “Chucrut!!!”…

Goed, ik heb mijn woord gehouden en heb alleen maar een droog stuk, bruin, brood aanvaard. Om mijn fout zo goed als mogelijk te herstellen heb ik zelfs twee keren om een nieuwe portie brood gewenkt. Maar de stemming was er een beetje uit. En het brood was eigenlijk ook niet echt lekker. Dat ander koppel, integendeel, besloot alle vorige commentaar hardnekkig te ontkennen en hebben hun portie “crutchup”, met weliswaar lange aangezichten, uit zitten lepelen, maar ze hebben er geen kruimeltje twijfel over ná gelaten: het maal was uitstekend. Heerlijk. “Maravilhoso”. Achteraf hebben ze zelfs hun lippen nog zitten af lekken! Er moet hier wel worden bij vermeld dat ze beleefd een tweede portie hebben geweigerd, maar dat had niets te zien met het eten op zichzelf en wel met hun dieet dat ze pas gisteren hadden beslist, de volgende dag, te starten…

Zal het diene Chucrut geweest zijn?

Geschreven door Rudo om 14:20 Reageer op dit bericht Stuur door

Ga met zo'n lawijt in uw oren gaan slapen..

Iets minder tragischer dat zich met Rudo Júnior, in de tijd, heeft afgespeeld was zijn ontvoering door Hilma, zijn moeder. Soms had ze zo van die vlagen van totale ontreddering, dicht bij de waanzin aanleunend. De voorafgaande keren was het altijd bij het tieren en het "schandaal maken" gebleven, terwijl ze niet aarzelde onze voordeur open te blijven houden, zodat alle aangrenzende buren nieuwsgierig hun neus naar buiten staken om na te gaan wie er nu precies vermoord zou worden. De oorzaak was normalerwijze door mij onbekend en stond ze me al woedend en met schuim (figuurlijk gesproken) op haar lippen op te wachten daar, toen ik, volledig onschuldig en op niets voorbereid, thuis kwam, uitgeput van het werk. De redens varieerden van een dom bekgevecht met de beenhouwer die wat te veel vet tussen het gekapt had gemengd (en hem gezworen had ’s avonds met haar man terug te keren), tot en met die tergende telefoontjes die ze ontving van een, mij nog altijd, onbekende vrouw, die haar uitdrukkelijk aanraadde zich van mij te scheiden. Op die gelegenheden hield ik natuurlijk wijs mijn mond om het laaiende vuur niet op te wakkeren, maar meestal eindigden die hevige ruzies met haar onweerstaanbare pogingen zelfmoord te plegen. Het waren eigenlijk geen echte pogingen want ze deed het nooit terwijl ze alleen thuis was en wel als er iemand toevallig dicht bij haar stond, zoals een vriendin, een zuster of een broer. Die slaagden er dan in haar nog juist op tijd bij haar kleren vast te grijpen. Ikzelf trok me altijd verschrikt terug in mijn werkkamer want ik ben nooit goed bestand geweest tegen dat soort drama’s. Dan gaven ze haar wat kalmeringsmiddelen, begon ze luid te schreien en snikkend ging ze gaan slapen. 's Anderendaags vroeg werd ze altijd het eerst wakker, raadpleegde ongeduldig het uurwerk en weg was ze, naar de universiteit of naar het kantoor. Alles vergeven en vergeten.

Zij had toen al een nieuw autootje gekocht, met mijn geld natuurlijk, een Fiat 147, dat ik wat later zelfs aan één van haar toevallige, minder-in-de-poen-zittende, vrijers heb moeten afstaan, maanden lang, terwijl ikzelf vele keren naar mijn werk moest tjoolen met de bus, of met een vriend, liftend. Als dank verplichtte hij (haar vrijer) mijn zoon, hem “Papai” te noemen.

Heerlijk, en ik was zelfs nog niet dood…

Één enkele keer is ze echter té ver gegaan. Zelf weet ik niet juist waarom. We hadden toen pas een appartement, alleen op haar naam, gekocht, een paar blokken verder van het bestaande, in een wijk genaamd Grajaú, dat voor mij bestemd bleef, alhoewel wat ouder en minder ruim, natuurlijk, maar een prachtig uitzicht aanbood over een groot deel van Rio De Janeiro. We hadden ons die twee appartementen praktisch contant aangeschaft, in een korte tijdspanne, met méér dan tachtig percent van mijn inkomen, nadat we ons eerste appartement hadden verkocht en waar alles, eigenlijk, begonnen was. Soms heb ik er nog heimwee aan, alhoewel Hilma, toen al trots en vooruitstrevend, een beetje beschaamd was over die wijk en elke keer dat iemand belangstellend wilde weten waar we woonden, ze in plaats van de naam van de echte wijk te vermelden (Praça Da Bandeira), ze de naam van de aangrenzende wijk (Tijuca) gebruikte, eraan toe voegend dat het gebouw zich op de grens van de twee wijken bevond.

Hilma heeft dan rap voor haar verhuis gezorgd, niet nalatend de beste en schoonste meubelen en andere belangrijke en kostelijke huiswaren, te vergeten mee te nemen en besloot haar toen vers veroverde vrijer uit te nodigen haar te vergezellen. Ongelukkig voor mij, was hij van dat type “dat nog gene nagel had om aan zijn jeukend gat te krabbelen”, alhoewel toen ook al advocaat, zoals Hilma, die zich een paar maanden vroeger in de Federale Universiteit van de Staat van Rio De Janeiro had gevormd en al degelijk geld begon te verdienen, genoeg om zichzelf, later, haar eigen kantoor en garageplaats in het centrum van Rio, aan te schaffen, plus nog een huis aan het strand, ongeveer honderd kilometer ver weg, in het noorden van Rio.

Op een zonnige morgen was ik rustig in het kantoor aan het werken, toen ze me ineens op belde. Schreeuwend en schreiend daagde ze mij uit haar meteen te gaan opzoeken. Ze had, tierde ze, zojuist Júnior ontvoerd en was samen met hem in de auto roekeloos, het wilde stadsverkeer in het centrum van Rio, aan het úit dagen. Straat in, straat uit, zonder weg te deinzen voor voetgangers, éénrichtingsverkeer, politieagenten en groentenkarrekes. Ze dreigde voortdurend Júnior op het volgende moment te vermoorden en daarna zelfmoord te plegen. Ik zat versteend en radeloos in mijn stoel. Bleek als een lijk, veronderstel ik nu. Ze belde één keer van een bepaalde plaats, wierp de telefoon neer, belde een tweede keer vanuit een andere plaats, smeet de telefoon neer, belde een derde keer vanaf een nog andere plaats, wierp de telefoon terug neer en dáár zat ik, zonder op iets mogelijks te doen, te kunnen denken. Tenslotte belde ze een laatste keer op, al ver weg vanuit het centrum, de weg op naar afgelegen stranden (beweerde ze zelf) en gebood mij definitief afscheid van Rudo te nemen, want nu zou het gebeuren. Ze zette Júnior voor enkele weinige secondes aan het telefoonapparaat en hij brabbelde wenend wat onverstaanbare woorden. En dan overheerste de stilte. Wat nu doen? Ik had geen enkel gedacht van wáár ze precies te vinden zou kunnen zijn. Stranden zijn er in het noorden en in het zuiden van Rio. En was ze wel de waarheid aan het vertellen? Ten andere, het zou zeker geen goed idee zijn haar in die toestand te ontmoeten. Was het dan al storm, het zou een cycloon worden (ik ben niet van het type dat uitdaagt: “kom maar heet af want ik ben al aan het koken”). Schuchter besloot ik mijn hart te luchten bij de kantoorchef. Niettegenstaande mijn bestaande afkeer, veroorzaakt door zijn eeuwenoude “gatlekker’s eigenschappen” was hij, op dat moment, de enige persoon, bekwaam, met zijn berekende koelbloedigheid, een steun voor mij te betekenen. En já, degelijk, de enige oplossing was: afwachten. Er was niks anders aan te doen. En dat heb ik met spannende buikspieren gedaan. Één, twee, drie uren lang. Gereed (??!!) een telefoontje van de politie te ontvangen om mijn volledige naam en adres te bevestigen en me dan voorzichtig mede te delen dat, “ongelukkig genoeg, uw vrouw en kind...”.

Dat is dus niet gebeurd.

Ik kreeg wel een boodschap van de nieuwe meid (de vierde of de vijfde in een rij) van Hilma, samen met een buurvrouw (in het gebouw waar ze toen al woonde), om me in te lichten dat beiden, moeder en zoon, daar zopas met alle mogelijk schandaal gearriveerd waren. Ze stonden beiden op het balkon van het appartement en Hilma dreigde, samen met Jr. die ze vast in haar armen klemde, naar beneden te springen, ongeveer dertig meter diep. De buurvrouw, die ik nooit eerder van mijn leven had ontmoet en tot heden nooit gekend heb, schelde me uit voor alles wat lelijk was, zoals lafaard, smeerlap, zoon van een hoer, plus andere, dergelijke maar nog slechtere, vloekwoorden. De meid smeekte schreiend, mij onmiddellijk naar het appartement te begeven om te beletten dat ze zou springen, Júnior méé slepend. Maar toen juist begon ik me geruster te voelen. Blaffende honden die altijd maar blijven blaffen, bijten niet. Het grootste gevaar was over. Mijn aangezicht aan Hilma tonen, op zo’n ogenblik, zou een nieuw drama veroorzaken. Zeker en vast. Dus belde ik naar Lígia (mijn nieuw lief toen en nu nog altijd, huidige, vrouw) en naar mijn eigen meid (ook een nieuwe, Maria Domingas, die nog altijd voor mij werkt en waar ik nooit mijn handen naar heb uit gestoken, vooraleer ge dat begint te peinzen), om hen te smeken mij te vervangen in die opdracht. Alhoewel ze beiden, aanvankelijk, wel een beetje tegen stribbelden, hebben ze me niet ontgoocheld. Toen ze daar geraakten, een kwartier later, was de gehele wijk al op stelten. Veel van de fel geïnteresseerde nieuwsgierigaards vormden een kring daar beneden aan het gebouw en sommige, vooral toevallig voorbij passerende “motoboys” en studenten die daar dichtbij studeerden, begonnen zelfs in koor “pula, pula, pula” te roepen (wat “spring” betekent). Anderen zorgden er rap voor hun auto, die daar beneden geparkeerd stond, in veiligheid te brengen. Nog anderen keken onberoerd door hun eigen ruiten, hopend op een rappe beslissing, want het vlees stond aan te branden. Ze bevond zich nog steeds op het balkon en bleef dreigen te springen, met Jr. in haar armen; toen amper zes jaar oud. Iemand had de brandweer geroepen en die waren ook pas aan gekomen. Meteen begon Hilma de officier van de brandweerwagen uit te schelden voor elke naam die ze zichzelf kon herinneren, onder andere, maar niet beperkt tot: “hoer die u gebaard heeft”, “bloedend gat”, “smerige bastaard”, “moederfucker”, “harde lulzuiger”, “crapule” (dat laatste heb ik er zelf bij gezet, want eens had een Brusselaar mij zó uitgescholden omdat ik daar, in Brussel, onze hoofdstad, mijn Vlaams had durven gebruiken en ik vond dat dat woord, al bij al, ik begrijp niet goed waarom, toch uitstekend de haat uitdrukt), enzovoort (de meid kon zich ook alle gebruikte namen niet meer herinneren, toen we er achteraf, opgelucht, over ná praatten). De brandweer officier kreeg er zelfs hoofdpijn van want hij schoof zijn kepie wat achteruit en scharde verveeld aan zijn voorhoofd en besloot dat dat terrein eigenlijk té gevaarlijk voor hen was.

Mijn meid, Hilma’s meid, Ligia en die onbekende buurvrouw, hebben haar op den duur toch kunnen overtuigen een glas water met suiker te drinken, een kalmerend geneesmiddeltje in te slikken (twee of drie in ene keer) en haar uiteindelijk toch in slaap hebben kunnen krijgen.

De volgende morgen is ze vroeg wakker geworden en zonder tijd te verliezen is ze vlijtig naar haar werk vertrokken.

Diezelfde avond nog, voor de eerste keer in mijn leven, heeft Lígia mij met een taxi naar het hospitaal moeten voeren, met buikkrampen, die me beletten in slaap te geraken.

Rudo Jr. is ook nooit meer dezelfde geweest. Een paar weken later, toen ik hem treurig en alleen door het venster zag staren en hem vroeg wat er aan de hand was, antwoordde hij, volledig verslagen, dat hij verkoos “dood te zijn".

Ga met zo een gerucht in uw oren, in vrede, als vader, gaan slapen.

Iedereen, in het leven, heeft precies wat hij verdiend. Ik heb het hoogst waarschijnlijk verdiend….

Geschreven door Rudo om 19:22 Reageer op dit bericht Stuur door

Leute

Op het werk, intussen, heerste er, over het algemeen, een ontspannen sfeer. De reden en de gevolgen waren altijd dezelfde: lachen, leute maken en plezier hebben. Zonder ooit onze plicht te verwaarlozen of enigszins te benadelen. En alle opdrachten werden onveranderlijk als “dringend” bestempeld.

De firma organiseerde regelmatig uitstappen naar kleine dorpjes in het binnenland, een uur of twee weg van Rio, met één of méér bussen, waar we ook de gelegenheid niet verloren nog méér te lachten, te drinken, te voetballen en de meisjes, onze collega’s, te bekoren. Sommige ervan lieten hun borsten wat vrijer rond botsen dan op het werk mogelijk en/of toegelaten was. We konden hun vorm en grootte met betere preciesheid beoordelen. Enkele ervan zouden, zogezegd eerst wat verontwaardigd, maar daarna toch zonder grote weerstand, gedurende de terugkeer en na zelf wat meer biertjes in te hebben geslikt dan ze gewend waren, hun borsten gedurende enkele ogenblikken laten betasten en wegen in onze palmen, zodat ze onze eventueel heersende twijfels daarover op datzelfde moment en voor altijd bereid waren op te lossen. Hetzelfde gebeurde ook na verjaardagsfeestjes die ik vooral voor mij, maar ook voor andere mensen, organiseerde, thuis of in de “Roda Viva” en meestal helemaal, of zowel gedeeltelijk, op mijn rekening.

De grappigheden die we uithaalden met andere mensen van het werk bestonden erin lange, weelderige maar belachelijke staarten aan hun ruggen te hangen, waarmee ze soms tientallen minuten rond defileerden, gang in en gang uit, trap op en trap af, tot het algemeen genoegen van iedereen, of bijna iedereen, want er zitten altijd spelbrekers tussen die van geen kluchtjes willen weten; smeervet aan de deurklinken of aan het oorstel van de telefoon te wrijven en dan iemand roepen om de telefoon te beantwoorden zonder ooit te begrijpen wat er aan de gang was en dan ettelijke minuten rond te blijven lopen met een vuil oor, of beide oren, want gedurende de poging om de andere kant te verstaan, veranderden ze dikwijls van oor, tot men zich niet meer kon inhouden en we het allemaal uitschetterden en zij bezorgd aan hun oor voelden om er de schade aan vast te stellen en wraak zworen; plastieken bekertjes met water boven op het randje van bijna gesloten deuren te zetten, wachtend tot iemand ze, ontgewaarschuwd, helemaal open zwaaide; levende kakkerlakken in luciferdoosjes te steken in opzettelijk opengelaten lades, wachtend op een nieuwsgierigaard; winnende maar vervalste loterij biljetjes tussen de overige, echte, foefelen en in de lade van technieker’s die klanten aan het bezoeken waren plaatsen, die op hun terugkeer, hen één voor één verifieerden om ze te vergelijken met de winnende nummers die ze zojuist hadden mee gebracht van de straat (en wij ook; maar een half uurtje vroeger), men hun reacties vanuit een veilige afstand stond gade te slaan, om hen dan wit en vervolgens rood uit te zien slaan, luid “hoera” te horen roepen en erger nog, grote gaten in de lucht te boksen, onmiddellijke beloften uitend dat “werken, nooit ne meer” en dadelijk overwogen ontslag te vragen, terwijl ze voortdurend de winnende biljetjes nog ne extra keer controleerden en dan nog ne keer, om er absoluut zeker van te zijn en dan vast te stellen dat enkele nummers er een beetje onscherp op stonden, net alsof iemand ze uitgeveegd had met een gom en er een nieuw nummer over getypt had en ze schuw rondkijkend vaststelden dat al zijn collega’s, om de hoek van het kantoor, aan het schudden waren van het lachen, of beter, van het uitlachen, die smeerlappen en ze dan razend van de woede de biljetjes wildweg kapot scheurden en totaal vernietigden, tot er geen stukje meer van overbleef; enzovoort…

Geschreven door Rudo om 15:55 Reageer op dit bericht Stuur door

Deze mop is overdreven, natuurlijk

Twee koppels, één van WV en een ander van OV, waren aan het kaarten in het huis van de Oost-Vlaming. Een kaart viel onder de tafel. De West-Vlaming, Jan, bukte zich om de kaart op te rapen en maakte er gebruik van eens geniepig onder de rok van de vrouw van de Oost-Vlaming, Piet, te gluren. Tot zijn uiterste verrassing had ze geen slipje aan en kon hij duidelijk veel méér dan alleen maar haar billen zien, vooral ook omdat ze die wat open sperde. Enkele minuten later, nog zwetend van de ontdekking, staat Jan recht en vraagt excuus om water te gaan drinken in de keuken. De vrouw van Piet staat op en beweert dat ze ook dorst heeft. In de keuken vraagt ze: Ewel? Wat vind je van mijn poes? Schitterend. Een schat! Voor vijfhonderd frank is ze van jou. Hoho, met alle plezier! Waar en wanneer? Morgennamiddag is hij niet thuis. Kom af rond den drieën. Afgesproken. De volgende achternoen verdrinkt Jan zijn gans in het kanaal van de vrouw van Piet. Diezelfde avond komt Piet thuis, rood van de opwinding: is Jan hier geweest, deze namiddag? Ja, reageert zijn vrouw, een beetje ongerust. En heeft hij je vijfhonderd frank gegeven? Ja, antwoordt ze, nu al bijna bevend. Oef! Wat een opluchting! Diene verdomde Jan is me komen opzoeken in het kantoor, deze morgen en smeekte mij hem, dringend, vijfhonderd frank te lenen. Ik heb nog getracht te ontsnappen, maar aangezien hij me beloofd had, vandaag nog, thuis te passeren en ze aan jou terug te geven, kon ik hem dat pleziertje niet weigeren...!!

Geschreven door Rudo om 15:39 Reageer op dit bericht Stuur door

Het leven is een strijd

Om volledig te zijn moet ik er hier aan toevoegen dat Hilma de dood van Júnior niet onmiddellijk heeft aanvaard. Zoals ik al eerder heb vermeld, had ik, gedurende het gehele proces van zijn calvarieberg, angstvallig vermeden ze haar zijn verschrikkelijke staat van verminking onder de ogen te laten krijgen. Later heb ik begrepen dat ik verkeerd gedaan heb. Ná zijn begrafenis, waar ze zeker gedurende een half uur, luid, de tientallen gaven van onze zoon heeft op staan hemelen (onder de protestantse liturgie), wanneer ik ook geweigerd heb het luikje van zijn doodskist open te draaien (hij was toch onherkenbaar) en ná ik terug in Recife was áán gekomen, kreeg ik een boodschap vanuit Rio dat Hilma er opeens van overtuigd was geraakt dat wij niet het lijk van Rudo Jr. hadden begraven. Ze begon verwoed naar hem te zoeken en ne hele hoop hospitalen, klinieken, opneem instituten voor verlaten mensen en dergelijke af te lopen, waar ze dacht hem terug te vinden, waarschijnlijk zonder geheugen en zelfs op straat, waar ze alle bedelaars recht in het aangezicht aankeek, met de hoop gekende trekken te onderscheiden, er niet terug voor deinzend haar auto in het woelige stadsverkeer achter te laten, om een vreemde mens ná te lopen, overtuigd dat ze was HEM uiteindelijk toch terug gevonden te hebben. Een DNA onderzoek is onvermijdbaar gebleken. Het lijk is, na een rechterlijke beslissing, terug ontgraven geweest en is gedurende zes maanden in een koelkast bewaard geweest in de Staats Universiteit. Het heeft me een nieuwe reis naar Rio gekost om een staaltje van mijn bloed te verstrekken, samen met dat van haar. Ik heb er, begrijpend, niet verder willen over discuteren. Enkele maanden later is het resultaat van dat DNA onderzoek beschikbaar gekomen en het lijk is, voor de tweede keer, begraven geweest. Ik heb het resultaat niet persoonlijk gezien en niemand heeft er mij ooit over gesproken, maar voor mij hoefde het niet. Ik wist het. Hilma heeft het bericht met een nieuwe crisis ontvangen. Hopelijk duurt het niet lang...

Wel, dat was het wat de dood van Rudo Jr. betreft. Een zelfbewuste figuur. Volwassen en overheersend van de ene kant en toch zo kwetsbaar van de andere. Het was DE nederlaag van mijn leven. De onverwachte buis in mijn eindexamens. De grote reeks nullen aan de linkerkant... maar het leven gaat verder..."

Zo, dat was het, Annie.

Al deze correspondenties heb ik bijna zeven jaar geleden geschreven, maar terwijl ik ze nu, mijzelf aan het herinneren ben geweest, zijn de tranen nogmaals op geborreld. Ik beloof je echter, met alle zekerheid, betere en gelukkigere anekdotes te schrijven, de volgende keer, want anders zal dat hier onuitstaanbaar worden.

Daaag, liefste Annie,

Rudo

… maar het leven gaat voort…en terwijl een mens ons verlaat... is er een nieuw, op komst...

….en het duurde juist acht maanden vooraleer we beslisten een brandnieuw Rudootje te verwekken, met de hulp van enkele eicellen van een vriendelijk maar voor ons onbekend meisje van vierentwintig, waarvan we alleen maar wisten dat ze blank was en zwart haar bezat. Het gebeurde in een gespecialiseerde kliniek in Recife en de bedoeling was het met mijn zaad bevruchte “embryo”, in de baarmoeder van Lígia te planten. Met Lígia’s volledige goedkeuring en zelfs voorkeur, hadden we onszelf voor gesteld dat ze op zijn minst met drie bevruchte eicellen bezaaid zou worden. De dokter, niettegenstaande onze stilluidige tegenprutteling, deelde ons echter mee, langs zijn neus weg om, dat hij beslist had het met enkel maar twee ervan te proberen. Daarna bekende hij dat alleen maar één van de twee “embryo’s” zichzelf aan het vermenigvuldigen (verdelen) was. Had hij mij gehoord, het waren er méér geweest. Op de vraag of we wilden dóór gaan, of anders, de volgende week of maand nog eens met méér, andere eicellen, te proberen, was er maar één antwoord mogelijk: VOORUIT MET DIE GEIT… Tudjok..

Geschreven door Rudo om 15:10 Reageer op dit bericht Stuur door

Het leven is een strijd

"- 15/04/2001- 21u43:

Beste D.,

Nara zal het waarschijnlijk al laten weten hebben: Rudo Jr. heeft een zwaar auto-ongeluk gehad om 7h30, vrijdagmorgen. Donderdagavond, rond 24h30, is hij, samen met een groep van ongeveer tien of elf adolescenten, allemaal leden van verschillende protestantse kerken in Rio, naar Belo Horizonte (ongeveer vijfhonderd kilometer ver weg) gereisd, met één van die lichte Vans, om daar, onder zijn leiding, aan een protestants congres deel te nemen. Een twintigtal km vóór hun doeleinde heeft de chauffeur de controle over het voertuig verloren en zijn ze recht op een boom áán gereden. Ter plaatse zijn er drie mensen overleden, vier mensen zwaar verwond geraakt (waaronder Jr.) en drie andere, minder zwaar, zoals Olginha (een buurmeisje met een open beenbreuk en een ribbenbreuk) en Paulinho, haar broer (met een hersenschudding, verlies van zijn "baço" - ik weet de naam niet meer in het Vlaams, maar het ligt juist onder het hart - en een ribbenbreuk).

Rudo Jr. heeft een open beenbreuk, een doorboorde lever en darmen, kaak - en mondbreuken, een schedelbreuk en open halsverwondingen. Hij is niet ter plaatse verstrikt gestorven (door zijn plat gedrukt aangezicht) dank zij de rappe ingreep van de brandweer die hem dadelijk geholpen hebben door de lucht, rechtstreeks door zijn keel naar zijn longen te sturen. Vijf minuten vertraging in hun aankomst zou waarschijnlijk genoeg geweest zijn om ook ter plaatse de dood gevonden te hebben. Hij heeft veel bloed verloren, langs de keel om en door de inwendige schade in zijn buikholte. De eerste inlichtingen waren niet zó slecht, maar naargelang ik de toestand, ter plaatse, beter leerde kennen heb ik mezelf moeten inhouden om niet wanhopig te worden. Ik heb hem, verschrikt, mogen bezoeken gedurende de zaterdagnamiddag. Zijn aangezicht is gewoon onherkenbaar. Het vraagt inspanning om de hoop niet te verliezen. Intussen heb ik de beste hersenschirurg van de streek kunnen vinden (langs de firma om) en die bepaalde onmiddellijke overbrenging naar een private kliniek. De dokters van het openbaar ziekenhuis laten hem echter niet vrij omdat ze nog niet weten of er geen verdere schade is aan de ruggengraat. En dat zullen ze maar kunnen vast stellen nadat ze verdere tomografieën van zijn lichaam zullen gemaakt hebben. Van de andere kant, hij mag ook nog niet verlegd worden. De toestand in die publieke CTI (Centro de Tratamento Intensivo) is daar volledig zonder steriele bescherming. Iedereen bezoekt iedereen, zonder speciale klederen of ontsmetting en het ene bed is één meter weg van het andere. Er is geen geur van ether en alle bedden zijn bezet. Een tiental. Alle bezoekers omhelzen alle patiënten; allemaal tussen het leven en de dood. Dan is er nog het probleem van die protestantse pastoors die overal vrij acces willen verkrijgen in een publiek hospitaal en die vrijdom niet willen verliezen in een private kliniek. Vandaar hun weerstand aan de verplaatsing. Sinds Hilma volledig overmeesterd is door hen en mee doet aan talloze kettinggebeden, wat haar inderdaad rustiger maakt, voel ik mezelf verplicht die ketting niet te verbreken en nog wat geduld te hebben om later, als het mogelijk wordt, Rudo Jr. te laten overhevelen. Vandaag is het zondagnamiddag, achtenveertig uur ná het ongeval. De inlichtingen spreken over vloeistof in de longen, slecht werkende nieren en bloedverlies langs neus en mond. Zijn staat wordt beschreven als "Gravíssimo". Toch vinden ze zijn toestand nu beter dan gisteren. Morgen zal hij overgeheveld worden naar dat privaat hospitaal. Dat is mijn wens, tenware (en alleen maar als) de dokters er absoluut tégen zijn. Ik ben u aan het inlichten omwille van uw koelbloedigheid. Het is nog niet nodig Mama te verwittigen. Als hij het overleeft zal ze het later wel te weten komen. Als hij het niet haalt, weet ge zelf wel wat ge er mee moet doen. In alle geval, zijn hart is volledig in orde en klopt reusachtig hard. Dat is mijn grootste hoop. Hij zal het overleven. Het spijt me voor het slechte nieuws.

Volgende keer beter.

Rudo

- 17/04/2001 - 11u19:

Beste D., G., J. en An en Naraatje (natuurlijk),

Elk uur telt. Het is nu dinsdagmorgen. Gisteren heb ik hem eindelijk kunnen laten interneren in het beste private hospitaal van Belo Horizonte. Een eventuele overheveling naar een ander hospitaal in Rio De Janeiro zal zeker nog een tweetal weken langer kunnen duren. We zitten hier dus vast tot en met er geen levensgevaar meer is.

Gisteren heb ik nog een grote schok ondergaan en voor de eerste keer ging ik praktisch door mijn benen. Ik had niet verwacht dat er nóg een slechte mededeling te doen was en toen de zoon van de eigenaar van het hospitaal (die ook dokter is) me hier voorgesteld werd en langs zijn neus weg om vertelde dat ze na Rudo's toekomst, na een nieuwe tomografie van zijn ruggenwervels gemaakt te hebben, daar ook nog schade hadden ontdekt, heb ik voor de eerste keer in mijn leven ondervonden hoe een mens zich voelt als hij bezwijmt. Sinds Hilma, Júnior nog niet heeft durven zien (wat ik ook vermeid) en altijd, op een veilige afstand, mijn houding bespied om te weten wat er aan het gebeuren is, werd ze ineens woedend kwaad op alle aanwezige dokters, wat een klein schandaaltje in de gang veroorzaakte. Toch wist ze niet wat er gebeurd was. Ik heb rap al mijn benen samen kunnen scharrellen en haar uitgelegd dat ik al vier dagen lang praktisch niets gegeten had en dat de bezwijming een gevolg was van flauwte. Toen ik me, na een half uur, al gereed aan het maken was om er een nacht over te liggen piekeren, kwam die andere hersenschirurg binnen (de beste hier). Ik vroeg hem, zonder veel hoop, of dat probleem een eventuele gedeeltelijke of totale "paralysie" kon veroorzaken en hij stelde mij verbaasd, onmiddellijk gerust. Het is maar een kleine "fissura", zei hij, zonder afwijking van beide delen. Volgens hem zal het geen verdere gevolgen mee slepen (Waarom had die andere dokter dat niet direct gezegd?). In alle geval, nu draagt Júnior die typische nekbescherming en moesten ze het vroeger ontdekt hebben dan zouden ze hem toch niet laten overhevelen hebben, zelfs niet met die bescherming eraan. Gelukkig had ik mezelf van voren in de ambulance gezet en de chauffeur zitten smeken heel traag te rijden, wat hij gedaan heeft. Alle auto's gingen dadelijk uit de weg en ik heb mezelf beloofd altijd het voorbeeld te geven in zo'n geval, in het verkeer, in de toekomst. Toch heeft die specialist me gewaarschuwd dat Júnior, gedurende een jaar of zo, zal sukkelen met slechte "coordenação motoro" aan zijn linkse kant, door de schade aan zijn hersenen. Maar niets dat niet kan verholpen worden door een goede fysiotherapeut. Zo blijft mijn hoop dus opwakkeren voor een gelukkige toekomst. Allez, voor geen slechtere dingen alleszins...

Intussen zal Júnior nog zeker meer dan een week onder sedatie moeten blijven liggen, met rechtstreekse lucht toevoer naar zijn longen, door de keel heen. Ze hebben mij ook verwittigd dat hij waarschijnlijk longontsteking (pneumonie) zal krijgen, veroorzaakt door de lange tijd onder kunstmatige verdoving.

Verder is zijn hart de motor die de machine niet laat stoppen. Na de schok van gisteren begin ik mezelf terug weer zachtjes aan onder controle te krijgen.

De allerbeste groeten nog aan Rita en aan Mama (ge hebt honderd percent gelijk; ze moet nog van niets weten nu).

Rudo

- 17/04/2001 - 14u04:

Beste "iedereen",

Nu is het al dinsdagnamiddag. Niets anders te doen dan te wachten. De specialist heeft me zojuist gebeld om te zeggen dat Rudo's toestand stabiel is..., met uitzondering van zijn nieren, die het een zestal uur geleden hebben óp gegeven. Weeral een stamp in mijn maag. Ik weet niet juist of die door geneesmiddelen terug kunnen "opgewekt" worden. De dokter schijnt van ja te zeggen, maar ik geloof hem niet helemaal. Er is, in alle geval, nog altijd de "hemodialyse" over. Rita zal dat wel beter kunnen uitleggen. Binnen een paar uur zal ik hem terug zien. Rudo, bedoel ik. Maar ook de dokter. Ik hoop dat tegen dan de nieren zullen werken. Wat moet ik nog meer zeggen? Hoe langer her duurt hoe harder de slagen aankomen. Maar ik ben nog niet verslagen en Júnior nog minder. 't Zal wel afkoelen zonder blazen, zoals Mama altijd zegt, met volledig vertrouwen.

Gemakkelijk zijn die "e-mail's" wel. Altijd "vers" nieuws.

Tot binnen enkele uren.

Rudo

- 18/04/2001 - 09u31:

Beste J. en An, D. en Rita, G. en Nara,

Woensdagmorgen. Binnen twee uur zal ik Júnior terug zien. Jája, sedert het ongeluk is hij onder kunstmatige verdoving gehouden geweest. Gelukkig genoeg. Het zou ondraaglijk zijn, vooral voor mij, te weten dat hij bewust is en lijdt. Dat is dus het minste van mijn zorgen. Alhoewel, ik weet het, uit die toestand geraken is de eerste stap om zijn herstelling te bevorderen. Maar nu naar de feiten. Voor het eerst begin ik vaste grond onder mijn voeten te voelen. Gisterenavond heb ik met verschillende dokters kunnen spreken, die (buiten ene smeerlap die beweerde dat Jr. in een mogelijk vegetatieve staat verder zou blijven leven) mij de toekomst met veel hoop hebben laten voorspiegelen. Eerst en vooral heb ik met de hersenschirurg gesproken, die Rudo twee keer per dag onderzoekt. Volgens hem weet die andere dokter, die geen specialist is, er niets van. Gisterenavond heeft hij nog een stukje "watte" tegen Jr.' s oog gedrukt en zijn pupil heeft zich bewogen. De tegenwoordige problemen met nieren en longen (er is zich een proces van lichte infectie aan het starten, vergezeld van koorts) zijn normaal in de omstandigheden en worden bestreden met sterke antibiotica's.

Dan heb ik ook de dokter kunnen vinden die hem "opgeraapt" heeft van de baan en die me nog meer moed heeft gegeven. Toen hij ter plaatse kwam was hij juist op tijd om hem "lucht" te geven, want hij zag er al donkerblauw uit. Op een schaal van 3 tot 15, was zijn bewustzijn 7, wat goed (?) is. Vervolgens heeft Jr. beide armen en benen bewogen, juist ná het accident, wat definitieve schade aan die delen, of aan zijn hersens en/of "coluna vertebral" uit sluiten. Wat wil ik nog meer? Ik heb nu ook gemerkt dat hij wat tanden verloren heeft, maar dat is geen probleem. Ik heb er nog een paar over. Weinige keren gebruikt geweest. Het enige minder goede nieuws is dat hij waarschijnlijk nog een twintigtal dagen in de CTI zal moeten verblijven, wat onze terugkeer naar Rio (en dan nog veel later, terug naar Recife) zal vertragen. In alle geval, de firma steunt me enorm, zelfs met geld, en talloze, lange telefoongesprekken van de eigenaars, vader en zoon. Spijtig dat Lígia hier (nog) niet is, maar misschien binnen een paar dagen toch wel. Ze is nog in Recife.

Ik zal het herhalen voor alle zekerheid en om het goed te laten verstaan: ik voel nu vaste grond onder mijn voeten. Als er nu nog iets gebeurd zal het een feestverbrodder zijn. Ik heb het zelfs gevraagd aan de dokter. Wat kan er nog echt verkeerd gaan? Buiten eventuele nieuwe feiten, wel já..., moest de verpleegster niet zien dat het darmpje in zijn keel er uit is gesprongen, enz...

Wilt ge nog meer nieuws? Wacht dan op mijn volgende e-mail met een nieuwe aflevering van mijn teevee feuilleton: "Rudo's bedenkingen en opmerkingen over de slechtste week van een menselijk leven".

Tot heel binnenkort.

Rudo

- 18/04/2001 - 14u09:

Beste broers en familie,

Het is nu 13h30. Ik ben zojuist gearriveerd het hospitaal. Het dagelijks bezoek is om 10h30. Het was wel vreemd dat het zo lang duurde vóór ik hem mocht zien. Het spijtige is dat er altijd een vriendin van Hilma aanwezig is die, in haar plaats, mij altijd vergezeld. Ze is één van die schandalige types, die geen enkel gevoel kan verbergen. Het is het laatste dat Hilma of ik nodig hebben. Maar ze plakt als een "sjieke". Ze beweert dat ze ook protestant is, maar ze gelijkt meer op een kletterwijf. Soms is haar invloed over Hilma positief, maar meestal gebeurt het omgekeerde.

Nog een slag in de lever. Rudo heeft deze morgen, onverwachts, een algemene achteruitgang in zijn toestand ondervonden. Ik heb te vroeg gejuicht. De dokters hadden getracht het peil van de verdoving te verminderen en hij heeft daar heftig op gereageerd. De bloeddruk is gevaarlijk gezakt, de koorts is gestegen en zijn toestand is weer onstabiel geworden. Toen we daar arriveerden waren ze juist bezig te trachten de controle over de toestand terug in handen te krijgen. Meer verdoving en antibiotica voor de pneumonie. Na drie uur wachten hebben ze me toch nog eens rap binnen gelaten. Hij ziet er rooskleurig uit nu. Beter dan de eerste dagen, toen hij op een lijk geleek. Dan hebben ze die Ana binnen gelaten en is die schreiend terug gekeerd. En dan een pastoor. De dokters hebben hem gevraagd veel te bidden. Nu weet ik niet meer wat ik moet doen. Alleen maar een beetje schrijven. Om 19h30 is er een nieuw bezoekuur. Wachten tot dan.

Ik ben kapot.

Rudo

- 18/04/2001 - 15u26:

Hi folks,

Het is hier nu drie uur in de namiddag. Het spijt me een beetje, jullie altijd maar lastig te blijven vallen, maar ik zit hier maar alléén en de bedoeling is meer iets aan het doen te zijn, dan niets aan het doen te zijn en ook wel om wat stoom af te blazen. TV kijken kan ik toch niet. Ik ben nog niet kapot, wees gerust. Die chef van de CTI, die gisteren zogezegd gezegd had dat Jr. een vegetatief leven zou leiden, heeft dat nu ontkend. Ik heb dat vandaag na gegaan. Het was die domme Ana geweest. Hij had wel beweerd dat dat mogelijks zou kunnen gebeuren. Maar dat is iets anders. Nu, in alle geval, vandaag heeft hij toch tegen mij persoonlijk verklaard dat in alle dodelijke ongevallen, 25% ter plaatse sterven, 35% gedurende de volgende vierentwintig uren en de rest, daarna, laat zeggen binnen de twee weken. Hij wilde natuurlijk bewijzen dat Rudo Jr. nog altijd alle kansen had om te sterven. Hij heeft echter niet gezegd hoeveel percent van al die mensen het wel overleven. Dan is de rekening wel verschillend. In alle ongevallen, veronderstel ik, bijvoorbeeld, sterven er honderd op duizend mensen. Dit is gewoon maar om zijn statistiek te herzien. Dat wil zeggen: 10%. Dus: 2,5% sterven ter plaatse, 3,5% sterven binnen de vierentwintig uren, 4% binnen de volgende twee weken en 90% sterven niet! Dat wil zeggen dat er 96% kansen bestaan dat Jr. blijft leven. Dat zijn uitstekende kansen. Ten andere, het zou in alle geval niet meer zijn van de wonden van het ongeluk zelf en wel als gevolg van de behandeling van de wonden. "Infecções" (hoe schrijft men dat weer in het Vlaams?), enzovoort...

Mijn goesting om te schrijven is weer over. Maar verwacht méér nieuws vandaag. Wilde of wilde niet, tenware dat ge uitdrukkelijk schrijft dat het genoeg is.

Tot dan,

Rudo

- 19/04/2001 - 07u33:

Broers en nichtje,

Het is allemaal over. Rudo Júnior is gisteravond gestorven, om 23u30, na een korte maar hevige strijd tegen een algemene infectie van het lichaam. Ik weet niet waarom die er zo rap en zo krachtig bij is gekomen. Ze spreken van een "shock". 't Kan me allemaal niet veel meer schelen. Ik heb nog getracht zijn zaadcellen te bewaren, maar de specialist beweerde dat die heel waarschijnlijk ook gestorven waren, gedurende de schok van het ongeluk. Op dit moment wordt hij naar Rio gevlogen. Hij zal morgen begraven worden in Rio, om 10 uur. Het heeft geen zin Mama in te lichten. Ik ben toch kapot. Vandaag en morgen. Overmorgen zal ik op iets nieuws denken.

Dank u voor uw medeleven.

Rudo, Hilma en Lígia (ze komt vandaag)

- 20/04/2001 - 23u06:

Beste broers (inclusief G.-zonder-computer), neven en nichtjes,

Eens rap al die getuigenissen van medeleven beantwoorden. Rudo Jr. is vredig begraven geweest op de top van een klein heuveltje in een hoek van het beste kerkhof in Rio, met recht op het zicht van een schoon natuurlijk landschap (een enorme stenen berg met een steile helling, tweehonderd meter hoog, bedekt met groen struikgewas en het geluid, ver weg, van een kraaiende haan) van den ene kant en de rest van het kerkhof, daar beneden, aan de andere kant. De trap naar boven en het algemeen breed uitzicht gelijken echt op de situatie van het huis waar hij het grootste part van zijn leven heeft door gebracht en zijn vrienden en vriendinnen heeft ontmoet. Het zal hem deugd doen. We hebben, op aanvraag van Hilma, een familiegraf gekocht, waar hij nu de eerste plaats in betrokken heeft. Ik ben er zeker van dat zijn moeder, vroeger of later, daar boven zal willen gaan liggen. Ik ben nu zelf aan het betwijfelen of ik ook, vroeg of laat, hem daar niet zal willen vergezellen. België, met dat koeler klimaat en als veiligere haven, had totnogtoe, mijn voorkeur. Door het tropisch klimaat is het hier de gewoonte de mensen te begraven de dag volgende op de dood. Daardoor dat het hier altijd moeilijk is familieleden die in het buitenland verblijven er op tijd bij te krijgen. Het spijt mij echt, want ik had het een beetje nodig. Ik vind niet dat het aangeraden is, nu hals over kop naar Brazilië te komen rennen. Ge zoud er weinig van profiteren. Het zou beter zijn die reis te organiseren op een middenlange tijdspanne. Laat ons zeggen, in de loop van een jaar of zo. Dan zouden we er eens echt goed gebruik van kunnen maken om nog eens alle mogelijke bokkensprongen te maken. In Recife en in Rio, waar ik met alle plezier Rudo Jr.'s finale rustplaats zal willen tonen. Nu het zover is dat Mama het al weet (wat spijtig is), zeg haar a.u.b. dat ik nu méér bekommerd ben om háár dan om Júnior. Het belangrijkste is dat ze weet dat ik nu al veel minder áf zie ('d er is toch niets ne meer aan te doen) en nu iedere keer méér aan háár denk, naargelang ze zich mijn lijden te veel aan trekt. Het belangrijkste nu, is dat zij het goed stelt en gezond blijft. Tussen haakjes moet ik zeggen dat Júnior, in zijn kort bestaan, honderd keren méér vrienden en bewonderaars heeft kunnen samen trommelen, dan ik, in mijn gehele leven. Het was ongelooflijk hoeveel mensen er waren op zijn begrafenis. Het geleek op de begrafenis van een filmster. Een zee van mensen. Vooral veel jonge mensen, allemaal aan het bidden en aan het schreien. En op het moment dat ze begonnen te zingen was de emotie onvoorstelbaar. Hij was, zonder overdrijving, een leider. In de familie van Hilma (met negen broers en zusters, neven en nichten; iedereen met twee, drie kinderen), werd hij beschouwd als een onmogelijk te kopiëren voorbeeld. Ge kent dat, de jeugd schenkt weinig aandacht aan goede mensen. Ze verkiezen artiesten met honderd piercings in hun neus en navels. Júnior was een uitzondering. Hij had geen enkel uitwendig teken nodig om de aandacht te trekken. Het zal onmogelijk zijn voor een tweede keer zo goed het doel te treffen. Ik moet dringend op nieuwe kinderen denken (zijn er geen "occasies" beschikbaar in de familie?).

Wel, dat is het voor het ogenblik. Alles is rap gebeurd en slecht afgelopen. Vandaag is het de eerste dag van een nieuw leven. Net alsof ik nog een tweede kans aan het krijgen ben. Maar altijd met Lígia.

Dank voor al de hulp en het genegen.

Rudo en Lígia

PS: Hilma heeft zich de gehele tijd ferm gehouden, alhoewel altijd licht verdoofd. Ik heb schrik van de volgende dagen, weken en maanden. Ze zendt ook al haar beste wensen voor iedereen in de familie, maar speciaal aan G. en Nara.

- 26/04/2001 - 10u14:

Beste broers, liefste Nara en verder iedereen die deze e-mail's meeleest,

Het is waar wat ge schrijft. Hoe meer dagen er voorbij gaan, hoe meer ik besef dat ik mijn zoon niet echt gekend heb. Langzaam aan beginnen mijn "vadersgevoelens" over te slaan in oprechte bewondering. Hoe is dat mogelijk geweest? Was ik zo ongevoelig? Intussen heb ik ook al ontdekt dat hij geen grote bewondering koesterde voor mensen die drinken. Wel, nogal een spijtige toestand natuurlijk. Ik ben ten andere ook nooit perfect geweest. In de bestaande omstandigheden was dat zeker en vast ook het slechtste niet. Het is eigenlijk ook een hele gemakkelijke manier om andere mensen te oor- en veroor- delen. Beter dat dan slechter. Leugenaar, bedrieger, uitbuiter, dief, oneerlijken... en weet ik nog meer. Er is een groot verschil tussen: de vader is de zoon niet waard en de vader is verre van de zoon gevallen. Misschien ben ik zelfs gebuisd geweest in de examens van Rudo Júnior. Maar kom, wees gerust, mijn geweten, mijn beul, begint me te kwellen en niets beters om het geweten te vermurwen dan hem een twee of drietal caipirinhas en talloze biertjes naar het hoofd te zenden. Ophouden staat ook niet in mijn woordenboek. Dus, bekwame broers, laat ons bewijzen dat drinkers ook goede mensen kunnen zijn (D. mag met zijn "één-biertje-alléén-maar" blijven. Wij, G. en J., zullen zijn deel goed meester kunnen).

Zondagavond keer ik terug naar Recife. Alléén, want Lígia wil nog een paar dagen in Rio verblijven. Ze verkiest persé een show van de "Back Street Boys" bij te wonen, op de derde mei. Ze heeft een ander hoofd.

Natuurlijk zijd ge welkom rond de 24ste van mei. Misschien is het beter, voor praktische redenen, rechtstreeks naar Rio te vliegen. Alhoewel, ik zou u liever ontvangen in Recife. We zouden er toch eens echt moeten van kunnen profiteren en veel caipirinhas drinken, gemengd met talloze biertjes. Zonder, natuurlijk, het hoofd op de gevouwen armen te laten neer zinken. Kunt ge beide steden niet op uw vluchtplan zetten?

Gisteren was het Júniors verjaardag. We hebben onlangs ontdekt dat hij regelmatig een "abrigo" (weeshuis?) bezocht, ongeveer honderd kilometer ver weg van Rio. We zijn er met twee auto's naar toe gereden, gepakt met eten en drinken (zonder alcohol natuurlijk) dat Rudo Jr., een week of twee geleden, met zicht op zijn eigen verjaardagsfeest al had besteld en ook, met zijn speelgoed, dat al jaren lang, in een verlaten kamertje, aan het vergaan was. Het heeft een tijdje geduurd vóór we het weeshuis gevonden hebben, maar dan, uiteindelijk, was het toch de moeite waard. Tientallen kleine kindjes, tussen de vijf en de dertien, de meerderheid met alle graduaties van bruin gekleurd vel. Iedereen plakte aan onze vingers, onze duimen, onze buik (veel plaats), onze schouders. Hebt ge eten mee gebracht? Hebt ge speelgoed mee? We zijn daar enkele uren gebleven. Prachtig hoe die kindjes liefde (genegenheid?) geven en vragen. Ongelooflijk verleidend. Men zou er direct een drie of vier willen uitkiezen om óp te voeden. Als ge er mee akkoord gaat, kunnen we daar een dag verblijven als ge hier toekomt. Het is een landelijke streek, in de bergen. We zouden daar ook een nacht kunnen slapen. Rustig en koel. Iets waar Rudo Jr. belang aan hechtte. Zeg maar aan Mama dat ze zich absoluut geen zorgen over mij hoeft te maken. Ik heb niets van mijn originele humeur verloren. Ik ben treurig, maar niet verslagen. Ik heb nu zelfs een diabolisch plan in mijn hoofd. Drie kinderen in enen keer "in vitro" te verwekken; één voor Lígia, één voor Hilma en één in een willekeurige buik, als extra garantie. Ik zal een advertentie in "De Weekbode" laten zetten. Ge zult zien... Met Lígia is het al af gesproken. Ik moet alléén maar aan jonge eicellen geraken (daardoor: "De Weekbode"). Een blondje, een brunette en een negerinnetje. Ik zal mijn best doen eens extra goed te vogelen. Misschien zal ik zelfs eerst wat moeten sparen, om dan woester te zijn. Met al die triestigheid is het wat in de vergeten kant geraakt. Maar nu zal ik volop her-OP-leven. Gereed voor de strijd, met de lans naar voren...

Dat is alles voor vandaag. Binnen een paar uur wordt de "mis van de zevende dag" gelezen en moet ik flink en fris zijn. Misschien beter eerst eens rap een caipirinha (in het geheim) gaan drinken.

Tot morgen of zo.

Rudo, Hilma (zendt haar beste wensen) en Líginha

PS 1: we zullen het wel regelen om naar België te reizen. In de herfst waarschijnlijk. En misschien met Hilma erbij.

PS 2: ik heb deze e-mail gisteren geschreven en vandaag op gezonden.

Wordt vervolgd

Geschreven door Rudo om 13:54 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van De Beul van Rumbeke

↑ Terug naar de berichten