Naar de inhoud

De Beul van Rumbeke

Herinneringen, anekdotes, gebeurtenissen...
akke.beakke.be

Archief

Medard

Die handen: zij herinneren mij aan de handen van Medard, een magere en ietwat krom gebogen "knecht" (vroeger was dat de gebruikte uitdrukking, maar tegenwoordig voel ik mijzelf beschaamd ze nog aan te wenden) van Nonkel Marcel in Laarne, enorm groot, vanaf zijn wiege al en met oersterke vingers, van zodanig veel in de aarde te hebben gekrabbeld.

Hij was er gewoon aan geraakt iedere zondagmorgen, ná de mis, zichzelf met een rond appeltaartje te trakteren, in de bakkerij op de markt van Laarne, om dat dan alleen, op zijn gemak, thuis en zonder enige wroeging, op te vreten. Hij was bekwaam dat taartje zorgvuldig te balanceren in zijne éne hand, zoals een kelner, terwijl hij met het ander de guidon van zijn velô onder controle trachtte te houden, "onverlet" van die ronde, gladde, kasseien van de Lange Meire. Op een zekere morgen, toen hij juist vóór de bloemisterij van Nonkel Marcel passeerde, hoorde hij zijn naam roepen, verloor er ogenblikkelijk zijn concentratie van, vreemd opkijkend om te ontdekken wie dat juist geweest was en verloor dan ook zijn evenwicht, terwijl hij, met al zijn donders en zijn kloten erbij, kletterend op de harde stenen terecht kwam en zijn aangezicht, blinkend van het zweet, juist óp het taartje plonste, wat de val wel enigszins heeft kunnen vermurwen, maar niet vermeed dat Annie, mijn kuis nichtje, vanuit haar slaapkamervenster, een glimlach kon onderdrukken. Hij heeft er nochtans weinig verlies op gedaan want hij heeft het appeltaartje terstond en ter plaatse smakelijk helemaal opgelekt en in geslikt, na eerst zijn neus-, oor- en oog- gaten, met een onbeschaamde lange wijsvinger, perfect te hebben gereinigd, achteraf de overige vingers, één voor één, gretig te hebben áf gezogen, terwijl hij vragend rondkeek om te weten of er nog iemand aanwezig was in de buurt, die er goesting van had gekregen..

Het was een eenvoudige, maar uiterst prachtige, mens, waar ik vele keren, echt gefascineerd, naar heb zitten luisteren (niettegenstaande het feit dat hij een beetje doof was, waarvoor hij een versleten hoorapparaat gebruikte en het feit dat we praktisch twee volledig verschillende talen spraken, hij het oostvlaams en ik het westvlaams, verstonden we elkaar uitstekend), vooral ook om te vermijden zelf, later, twee keren over diezelfde stenen te struikelen..

En waarlijk, over die stenen ben ik nooit gevallen, maar is’t 't ene niet, ’t is ’t andere en ik kon niet vermijden dat er eens een zware hamer op mijn hoofd is gedenderd, toen ik, vele jaren later, in Salvador een machine aan het demonteren was (in ’t zwart eigenlijk, om wat extra reais op te leveren, om mijn bevruchtingpogingen te helpen financieren). Daar was ik enkele dagen vroeger gearriveerd, met een ploeg assistenten. Één van hen had me vergeten te waarschuwen dat hij zijn hamer boven op de ladder had laten liggen, die ik juist van plan was geweest op een andere plaats te gaan zetten. Ik hoorde hem nog juist “opgepast” schreeuwen op hetzelfde ogenblik dat ik de hamer voelde afschetsen, vlak van mijn hoofd. Van “harde hoofden” gesproken, ik heb hem verplicht de schade te betalen om mij een splinternieuwe hamer te kunnen aanschaffen, omdat de vorige, ongelukkig genoeg, gebarst was. Mijn hoofd bloedde overvloedig en bijna werd ik naar een hospitaal gevoerd om te verifiëren of ik nog volledig bij mijn verstand was. Mijn slecht oog bleek er nog slechter van uit te zien dan ooit en week nog enkele graden verder op naar links...

Geschreven door Rudo om 21:19 Reageer op dit bericht Stuur door

Onnozelaares(??)

“Onnozelaar” zijn is geen exclusieve karaktertrek van alleen maar wij, de mannen. Vrouwen, die in feite mannen hadden geweest willen zijn, lijden daar ook van. En het woord is precies dat: “lijden”. Toen ik eens in mijn “toen nog" huidige stamcafé, al laat in de avond, mijn dagelijks caipirinha aan het opslurpen was, had ik de aanwezigheid op gemerkt van drie meisjes en één “viado” (homo), aan een dichtbije tafel. Één van de meisjes, stoer gebouwd, kende ik van andere carnavals. Ze was lesbisch zonder er beschaamd over te zijn en er zich, nog minder, zorgen over te maken. De andere twee waren mij onbekend. Één ervan viel mij speciaal op omdat ze luid sprekend gesticuleerde, meester was van zichzelf en ook van de situatie. Zelfs dat lesbisch meisje hield hare mond en de potter bleef op de achtergrond. Op een bepaald ogenblik wendde dat bepaald meisje, te vrouwelijk eigenlijk om ook direct als lesbisch bestempeld te mogen worden, zich naar het WC, natuurlijk om het water uit haar knieën te laten vloeien, want ze waren al aan hun zesde fles bier toe. Ik weet niet juist wat er daar gebeurd is, maar toen ze terug kwam begon ze agressief de kelner te roepen. Later ben ik te weten gekomen dat er geen sleutel op de binnenkant van het slot van de deur zat en er een ander meisje, niet eerder gewaarschuwd, de deur had geopend terwijl ze daar, op haar hurkje, stond te wateren. Ze begon redelijk kalm te argumenteren, maar naargelang ze vorderde nam de wind toe. Op den duur begon ze heftig op de tafel te bonzen, iedereen, maar vooral dat meiske dat de deur had geopend, uitdagend aanwijzend en dat dat onmogelijk mocht gebeurd geweest zijn en dat zij gerespecteerd wilde worden en dat zij geen hoer was enzovoort. Maar dat laatste woord was te veel gezegd geweest voor de man die dat (on)schuldig meisje vergezelde. Hier in Brazilië bestaat er een populaire uitdrukking die volledig in toepassing was: “wie zegt wat hij wil, hoort wat hij niet wil” en hij begon van zijn tafel áf terug te schreeuwen dat jawel, zij wel een hoere was en één van de meest gemene zelfs en als ze hare bek niet vrijwillig ging sluiten, hij hem zou tóe slaan en het vuur, dat wakkerde op en de ene stond recht en de andere ook en het tieren, vanuit beide richtingen liep geweldig op, terwijl alle andere klanten, de manager en de kelners inbegrepen, hun eigen doen verlieten en geïnteresseerd de acties gade sloegen, tot die man zich naar haar tafel begaf en dreigde, met een opgeheven hand, haar in het aangezicht te slaan. Niemand kwam ertussen en vond dat dat wijf, binnen enkele ogenblikken wel een toontje lager zou beginnen zingen, maar nee, dat pas deed haar helemaal ontploffen, vooral nadat de man had gezegd dat hij "van de politie was" en ze vanaf dat ogenblik moest oppassen met wat ze verder zou blijven braken, want anders zou ze wel zien.... Dat was genoeg om hem toe te schreeuwen dat ze niet bang was van niemand niet en dat ze al verschillende keren slagen had gekregen van ne hele hoop mannen, inclusief van haar eigen man, daar in het zuiden van Brazilië, waar alle mannen “macho’s” waren en dat ze ook wel zou kunnen rekenen op de hulp van haar vrienden en vriendinnen aan de tafel en als ge de moed hebt, kom dan maar warm af, want ik sta hier al te koken en bonken maar op de tafel, enzovoort enzovoort.... Die vrienden en vriendinnen hadden dat wellicht niet goed verstaan, want dat derde meisje verdween ineens en die homo kon ik ook niet meer terug vinden. Ze bleef dus alleen met dat stoer, lesbisch, meisje. Het bekvechten en de wederzijdse uitdagingen bleven echter hevig opwaaien, zodat niemand eigenlijk op iets anders kon peinzen of letten. De man was weliswaar terug gekeerd naar zijn eigen tafel, had de rekening gevraagd en bleek er van áf te zien geweld te gebruiken, vooral ná het aandringen van zijn eigen vriendinnetje, maar zij, die heks, verstond dat zó niet, vond dat zij erin geslaagd was hem te temmen en onder haar rok te persen, dat hij laf was en dat hij zich als een hond, met zijn staart tussen zijn benen, aan het gedragen was. .. Zo dacht zij... want amper had hij de rekening betaald, hij vloog op haar af, alle tussenin staande tafels in één sprong overbruggend en heeft haar, met algemene goedkeuring, een aframmeling gegeven die ze waarschijnlijk nooit ne meer van haar leven zal vergeten en die niet te vergelijken was met de vorige gelegenheden dat ze geslagen was geweest door haar collega's en die ze zelf eerder had opgerakeld. Af en toe dook haar rood hoofd op van onder de tafel, waar ze gevallen was vanwege de eerste klap, met open hand toegediend, om meteen, krijsend, een nieuwe zwaai te ontvangen, haar tote vertrekkend in afschuw en van totale ontbijstering (ik herinnerde mij met genoegen de pletsende slagen die ik zelf van mijn eigen vader had gekregen en een eender geluid veroorzaakten) en onbekwaam recht te kruipen, alle soorten meppen en muilperen incasseerde tot ze er zó rood uit zag als een rotte pompoen en degelijk begon vast te stellen dat het wel eigenlijk beter zou geweest zijn had ze hare grote mond toe gehouden, wilde ze nog enkele tanden blijven bewaren, want ze kraakte geen enkel protest ne meer uit, terwijl...... de man, van de andere kant, bewees dat hij veel ervaring had in zijn vak.

Zelfs haar stoer lesbisch vriendinnetje, die haar wel voortdurend had aangeraden te stoppen met de uitdagingen, vooraleer het te laat zou zijn, is er niet tussen gekomen en ze heeft geduldig het einde van de straf áf gewacht, zoals ook mijn eigen Mama had gedaan....

Op het einde is de man, die zeker wereldkampioen kon geworden zijn van tafelspringen, met hindernissen, er kalm van onderuit getrokken, zijn gevoelige handen, stralend van het genot, in elkaar wrijvend om de normale bloedcirculatie te bevorderen en het onnozel wijf heeft zich zonder verdere opmerkingen naar haar “kot” gewend om daar haar wonden áf te lekken, nadat haar vriendin de onkosten had betaald...

Weet ge dat ik ze nooit meer terug gezien heb, sedert die avond??

Geschreven door Rudo om 17:14 Reageer op dit bericht Stuur door

Een eigenaardige smaak in het water..

Enkele maanden geleden moest ik naar twee van de banken waar ik klant ben, juist om de hoek, hier dichtbij, om wat drinkgeld te gaan afhalen in die automatische machines. De ene is aan de linkse en de andere aan de rechtse kant van een imaginaire "T" gelegen. Alles in een afstand van minder dan dertig meter. Twijfelend besloot ik toch eerst de rechtse hoek in te slaan. Na mijn rappe taak vervuld te hebben keerde ik op mijn stappen terug om de bank aan de linkse kant op te zoeken. Op het ogenblik dat ik mijn ogen óp sloeg om de bank dáár in het gezicht te krijgen zag ik een mens kronkelend vóór de bankdeur liggen, op het voetpad dus, pas getroffen door een aantal kogels in de borst en in het hoofd. Het bloed gulpte uit de wonden. Ik ben geniepig op mijn stappen teruggekeerd en heb getracht er niet te veel over ná te denken.


Twee dagen later, nog altijd wat verschrikt, zat ik rustig een biertje te drinken in een vuil cafeetje, recht tegenover een nieuw gebouw, waar vroeger de "Tertúlia" (eens mijn beste en meest gewaardeerde stamcafé) is geweest, dicht bij mij thuis. Een mens zat daar, gehurkt op het voetpad, een kommetje eten binnen te slurpen. 't Begon al te donkeren. Ik besloot er maar ééntje te drinken, want het geld zat nogal krap. Nauwelijks stak ik mijn neus door de deur van mijn eigen gebouw en ik hoorde twee knallen. Diene mens daar, die zijn panneke eten aan het uitlekken was, was met twee kogels in zijn hoofd gesneuveld. Weeral gulpte het bloed uit een geraakte slagader. De moordenaar snelde vlug mijn richting in, naar een auto, juist voor ons gebouw geparkeerd, waar een medeplichtige hem opwachtte, met een draaiende motor. Denkt ge dat ik nader ben gaan kijken misschien? Bijlange niet, bijlange niet en we gaan toch wel naar huis...

Soms zit mijn geweten mij te kwellen hier. Wat ben ik hier eigenlijk aan het doen? Dat is toch mijne strijd niet. Mijn plaats niet. Mijn probleem niet. En hoeveel is mijn leven hier wel waard? Honderd munten? Of twintig? Of is het genoeg dat iemand niet met mijn aangezicht méé gaat? Of misschien ben ik juist op de verkeerde plaats, op het verkeerde moment? Of is dat allemaal niet nodig en heeft iemand er genoegen in iemand anders omver te schieten om nieuwsgierig toe te zien hoe hij zal sterven?

Gedurende het laatste weekeinde zijn er in Rio zessentachtig mensen vermoord geweest. Met alle soorten van vuurwapens, klein en gros kaliber, keukenmessen, bijltjes, hamers, houten balken, ijzeren buizen, rotsen, bakstenen, scheermesjes, dolken, koordjes, draden en noem maar op. In São Paulo, ook zo veel. In Recife, nog ne keer zo veel. In het totaal worden er ongeveer vijftigduizend mensen vermoord per jaar, in Brazilië. In dat nummer zijn er niet inbegrepen: ongelukken, rellen, zelfmoorden, ziekten, enzovoort: alleen maar “moorden”. Waaronder drie op elke vier slachtoffers, bandieten zijn. Het vierde deel sluit mensen in zoals gij en ik. Verrast of niet. Omdat men te veel gekeken heeft, of niet gekeken heeft, of men juist op de vuurlijn stond, of men er verdacht uit zag, of onschuldig, of geen aalmoes had gegeven of te veel, of men onbeleefd was, of te beleefd....eender wat...men kan er niet aan ontsnappen...

En is het mij toegestaan zó over mijn leven te beschikken? En dat van mijn vrouw en mijn dochter in het gevaar te brengen? Zonder bibberen noch beven?

Het geweten: de beul. Hoe ouder men wordt, hoe méér fouten men, in zichzelf, begint te ontdekken en bij de oude gewetensproblemen voegen er zich dagelijks gloednieuwe toe, of zowel vers op gerakelde, of bijna vergeten...

Sommige ervan, gedurende mijn regelmatige (praktisch dagelijkse) ontleding en ontwikkeling, kwelden mij. Één ervan was dat mijn vrouw er mij soms, stilzwijgend, van verweet dat we vroeger moesten getracht hebben kinderen, kunstmatig, te verwekken. En ze heeft zodanig gelijk dat ik, vroeg of laat, haar in het openbaar om verontschuldiging zal moeten vragen, wat ik, intussen, al aan het doen ben. Een ander gewetensprobleem heeft te zien met de kansen op echtelijk bedrog die zich alle dagen blijven óp stapelen. Bruisende jonge wijfkes... jaja, ze zijn hier!! Duizenden. Wachtend op een kans om gelukkig te zijn, of rap rijk te worden. Te veel om er ooit genoeg van te hebben. De niet speciaal veroorzaakte kansen zijn rapper en rapper aan het ópborrelen. Terwijl deze vroeger, als regel, gewoon werden genegeerd, beginnen ze me nu te doen wankelen. Niet dat ik mijn vrouw ooit zou willen verliezen, maar ik begin mezelf zo paterachtig te vinden. Een "bijna heilige" zonder er ooit enen geweest te zijn en nog minder, er één te willen worden. Strijden voor wat, voor wie en waarom....??

Terwijl ik dat allemaal aan het overwegen was zag ik opeens de watercamion voor onze deur parkeren. Zoals ge weet, of niet, er is hier altijd een ontstellend gebrek aan drinkbaar water, vooral gedurende de zomer, wanneer het weinig of niet regent in de Staat van Pernambuco. Een al jarenlange rantsoenering is daar het gevolg van en slechts twee keren per week stroomt er water van de openbare diensten in onze voorraadtanks. Het ontbrekend deel wordt gecompenseerd door het contracteren van private wateronderhandelaars, meestal Joden, die het grondwater uitbuiten en voor het vervoer ervan over aangepaste tankwagens beschikken.

Terwijl de chauffeur zijn camion op een voor hem vooraf speciaal gereserveerde plaats manoeuvreerde, kwamen er vier van die gemakkelijk herkenbare straatjongens (“Cheira-Cola”'s, zoals ze hier worden genoemd - het heeft niets te maken met Coca-Cola, maar wel met de geur van de lijm die schoenmakers gebruiken, waar ze voortdurend aan zitten te rieken, om de honger te misleiden) voorbij slenteren die hem, een beetje bruut, vroegen wat van het water te drinken van het kraantje aan de tank. De chauffeur, bewust van zijn taak en zich als verantwoordelijke voor ons drinkbaar water beschouwend, besloot diene gunst te weigeren en terwijl hij bezig was drie ervan wég te jagen, slaagde de vierde erin boven op de watertank te kruipen om van daaruit het gedoe, beneden, ernstig, gade te staan slaan. En schelden van hier en roepen van daar, terwijl de jongen daarboven besloot het toegangsluik tot de watertank open te draaien. Ik dacht dat hij van plan was wat water uit de tank te scheppen om zijn dorst te lessen, maar ik was verkeerd. Terwijl het daar beneden aan het stuiven was nam hij wijdbeens plaats over het luik en haalde hij zijn dunne darm uit zijn korte broek te voorschijn. Blijkbaar had hij niet alleen dorst, maar ook goesting om eens goed te "pis-schen" en daar plonsde de straal, rechtstreeks, in een klein boogje, het luik binnen. Nadat de ferme straal zich langzaam om had gevormd in enkele af te schudden druppels, gleed hij doelbewust van de tank af en van de camion wippend deed hij een bevredigend teken naar zijn makkers. Gepist had hij al. Nu wilde hij ergens een plaats vinden om eens deftig te gaan kakken.

Die week heb ik vermeden water te gebruiken van de kraan, maar ik had er genoegen in te weten dat mijn buur, van het achtste verdiep, zich met concentratie rond gewenteld had in zijn badkuip, wat hij wel echt verdiende. Diene vuile smeerlap heeft dan nog durven reclameren tegen de portier dat, de laatste dagen, zijn water zóó erg stonk naar pis, diene onnozelaar...

Geschreven door Rudo om 20:40 Reageer op dit bericht Stuur door

Zonder blikken, noch blozen

Nogmaals verwijzend naar de wereldfameuse Carnaval in Brazilië, zolang men de stuipen nog in het lijf kan krijgen, zolang zal een gezonde mens zich niet beschamen rond te springen zoals een jonge bok, gedurende deze periode alleszins, in eender welke stad, gemeente of parochie. Het vrouwelijk geslacht maakt er gebruik van hun, gedurende het intussen volledig voorbij gepasseerde jaar, jeukende spleet in al zijn immense glorie te ontplooien en om te vormen tot de meest gastvrije en aantrekkelijke tunnel, waarin alle soorten knullen hun uitgerekte halzen ongestraft mogen wringen, zonder gevaar er later de rekening van te moeten vrezen en onverwachts tot de nuchtere balken van het gerechtshof op te moeten doemen om daar met de grote neus op de onschuldige vrucht gewreven te worden, als levende getuige van wat er van die doodzonde is over gebleven.

Gedurende carnaval is niemand van iemand; er bestaan geen afgewezen of afgelekte wezens, er bestaan geen grenzen voor de als uiterst natuurlijk beschouwde en aanvaardde seks-uitspattingen, wanneer zelfs de zuurste pasters en de taaiste nonnen, zonder schrik zich op zijn minst ene keer per jaar gelukkig te voelen, hun lange en zware toogrokken tot over hun heupen óp heffen om in eender welk duister hoekje, hun rijpe vloeistoffen te vermengelen. Want zo is het nu eenmaal, de zonden, bedreven gedurende die dagen, tellen niet mee in het "laatste oordeel" en zijn van tevoren af al vergeven en vergeten. De geilheid ligt met dikke lagen op het aangezicht van alle mensen, jong of oud, schoon of lelijk, blank of zwart en in de slecht verlichte kantjes van elke straat gelijken zelfs verslenste billen op verlokkend vers vlees, terwijl ze met gebogen ruggen over de capô van geparkeerde wagens worden geperst, enkele minuten geduld verkrijgend van de toevallig terugkerende eigenaars die, onzelfzeker van het aan te raden gedrag in zo'n omstandigheden, doen alsof hun neus bloedt, vooraleer eindelijk toch te kunnen instappen, niet zonder eerst, bezorgd, geverifieerd te hebben of er geen vuile plekken van zijn over gebleven…

Ik zal niet ontkennen dat ik in het duister niet altijd het lelijke van het onaantrekkelijke kan onderscheiden en zo gebeurde het dat ik, op de tweede avond van een zekere carnaval, op een jong schepsel inliep, vergezeld van een vriendinnetje, beiden niet bepaald knap maar toch zeker en vast sympathiek en uitgerust met prominente poepen, volledig voorbereid voor alle mogelijke, onbeschaafde, daden. Ik had ze ontmoet in de "Sambódromo" in Rio, een voor die speciale gelegenheid geconstrueerde stoetplaats door de wereldberoemde architect Oscar Niemayer, die door het “establishment” geminacht wordt (hij leeft nog altijd) vanwege zijn ongenaakbare communistische opvattingen, gecontracteerd door de even veel beroemde en gehate Gouverneur Leonel Brizola, in een absolute record tijd, wanneer hun politieke tegenstanders, waaronder bijna alle kranten maar vooral de schijtkrant "O Globo", er gebruik van maakten, dagelijks, met enorme titels de bevolking te alarmeren dat die massale, maar toch tenger lijkende betonnen constructie, nooit op tijd gereed zou geraken en nog wat later, zweerden dat het ineen zou storten gedurende de stoet, de dood veroorzakend van duizenden mensen, waarin ze uiteraard niet zijn geslaagd.

De dag begon al te klaren en ze waren een hot-dog aan het kauwen aan één van die tientallen kraampjes daar, aan de buitenkant van de sambódromo. Ik had, vanuit de tribune bestemd voor de buitenlandse toeristen, de verschillende samba-scholen voorbij zien passeren en had, zoals te verwachten was, mezelf niet kunnen bedwingen al die maagdelijke achterwerken, het ene schoner dan het andere, te bewonderen, terwijl de borsten op en neer zwengelden, ik bedoel de slappe, want de harde bewogen zich nauwelijks, alles bloot natuurlijk, met uitzondering van een klein plakkertje juist vóór het dunne streepje schaamhaar, dat gedurig en opstandig opzij bleef schuiven, zodat de helft van hun "mond" te voorschijn kwam piepen ("uitpuilen" is een beter verklarend werkwoord daarvoor) en ik er heter en heter van werd, tot de aambetante bult in mijn broek nauwelijks te verbergen was en ik ineens besliste er geen aandacht meer aan te schenken, want ik was bijlange de enige niet en het tenslotte toch een bewijs betekende van mijn ópwakkerende natuurlijke instincten, onmogelijk niet te verwachten van een gezonde en zuivere mens. Ik had ze, op enkele meters afstand, staan bespieden, vooral toen één ervan me strak in de ogen gevangen nam en ze, met haar duim en wijsvinger, de worst van tussenuit het broodje viste om er een stukje, eerst onverschillig, van af te bijten, maar daarna op een beter idee leek te peinzen en mij eraan bleek te herinneren dat ze zichzelf misschien iets anders aan het voorstellen was en de tweede hap minder drastisch was, maar onweerstaanbaar suggestief en ik geboeid, vast stelde dat ze zelfs niet meer kauwde, maar de worst ook niet meer uit haar mond verwijdde, tenware om op adem te geraken en ik, betoverd door de illusie, mijn pas veroverd vriendinnetje naderbij zag stappen en verleidend hoorde vragen of ze mij misschien van ergens kende en dat dromerig ontkennend, we dus beslisten vlug kennis te maken, net alsof dat voor ons, die avond, de laatste gelegenheid betekende om niet alleen naar huis te moeten tjolen en ze me, na even doelloos over en ’t were mee gesleurd te hebben, vrolijk uitnodigde wat te gaan uitrusten in haar dichtbij gelegen woonplaats en we er, zonder verdere valse genering (is dat woord juist geschreven?), elkaar’s lenden om-grijpend, naar toe zwoegden, want de menigte stuwde, alsof vooraf afgesproken, in de tegenovergestelde richting, terwijl haar vriendin, ook sympathiek, zoals ik al vermeldde, naast mij meestapte en op den duur mijn andere hand beet pakte om ons zeker niet uit het oog te verliezen, in die heersende wanorde. Na veel gehinderd, uitgeweken en ook voorbij gestoken, geweest te zijn, geraakten we uiteindelijk toch op hun “kot”, want zo geleek het er meer op, vooral als ge beseft dat er geen woonkamer bestond en alleen twee slaapkamers, gescheiden door enkele simpele, samen getimmerde, planken die amper tot op hoofdhoogte reikten zodat een mens zich wel kon verbergen van curieuze blikken, over de wand heen, maar niet van de geheimzinnige, gedempte geluiden die men eventueel laat ontsnappen gedurende de momenten van extase en die niet altijd te controleren zijn. Eens binnen ontdekte ik dat haar vriendin een dochtertje had van een jaar of acht dat rustig in een hoek, in een éénpersoonsbed, aan het snurken was. Na elkaar een schuchtere goede nacht te hebben toegewenst, zonderden wij ons af, elk in zijn aparte slaapruimte. Ik had uiteraard mijn spannende bult nog niet helemaal verloren en nadat ik mijn hemd had afgepeeld en bezig was mijn broek af te strepen kon ik het niet nalaten enkele schuwe blikken te wenden naar de bovenrand van de wand om me erzelf van te verzekeren dat haar vriendinnetje daar niet gulzig aan het loeren was om zich, met eigen ogen, te overtuigen dat die bult daar, echt waar was en geen zakdoek die een verkeerde indruk had te wege gebracht. Mijn vriendinnetje echter besloot geen tijd te verliezen en vooraleer ik tekens gaf van vermoeidheid greep ze me vast aan mijn onderbroek terwijl ik half gebukt, naast het bed, huppelend, uit mijn bovenbroek trachtte te geraken en mijn sokken begon af te schellen. Ze manoeuvreerde zichzelf, op de matras, tot ze volledig, met gekruiste benen, zoals de indianen, op het bed zat, waar ze me verplichte, recht opgericht, neer te knielen, vóór haar, zodat haar mond zich op dezelfde hoogte bevond van mijn... jaja, ik weet het wel, ge hebt het allang geraden...

Ik kon het niet nalaten nogmaals op te loeren om de toestand, daarboven aan de wand, aan onze linkse kant, ná te gaan en sinds er niets verdachts te bespeuren viel besloot ik mezelf te concentreren op de taak die van mij vereist werd, i.e. leven te scheppen, alhoewel mijn vriendin zich lelijk aan het vergissen was omtrent het vrouwelijk orgaan dat, voor dat doel, gebruikt moet worden.

Wie houdt dat, in zo’n omstandigheden, langer dan vijf minuten vol, ná al die voorafgaande opwinding? Terwijl ik, met half toegeperste ogen, mijn hoofd achteruit deed tuimelen, meende ik, verschrikt, langs een kant van mijn linkeroog, op amper één meter afstand, achter de houten wand, tussen een spleet gevormd door twee slecht sluitende planken, een zwart, pinkend, oog te hebben opgemerkt.

Jawel meneer. Ik ben nooit te weten gekomen van wie het juist was, maar ik heb mezelf beschaamd, rap, néér gevlijd, het rooskleurige beddenlaken over ons beiden heen trekkend en we hebben er nog lang van liggen genieten, van het vrijen bedoel ik, na dat eerste, vlammende, vuur geblust te hebben.

Geschreven door Rudo om 20:44 Reageer op dit bericht Stuur door

Heksen

Gisteren ben ik weer aanwezig geweest in dat cafeetje daar, om de hoek van de straat, waar elke zaterdag, de eigenaar ervan, een elektronisch orgel manipuleert en tegelijkertijd zijn zangcapaciteiten op de proef stelt. Voor veel mensen zal dat waarschijnlijk weinig of zelfs helemaal niets betekenen, maar voor mij is het de enige dag in de week wanneer ik echt heróp leef, mijn kwalen vergeet, er eerlijk van genietend en altijd maar blijf duimen dat er geen ambetanterikken zullen opduiken om luid te schreeuwen, aambras te maken of ook te willen zingen. Toch gebeurt er altijd iets nieuws en ook gisteren was dat het geval. Terwijl ik binnen stapte had ik opgemerkt dat er aan één van de tafeltjes, dicht bij de dansvloer, enkele nooit eerder geziene mensen hadden plaats genomen. Een man (zonder hemd, want ze waren blijkbaar van het strand rechtstreeks in dat cafeetje beland) en drie vrouwen, één ervan redelijk jong, maar de twee andere al duidelijk over de zestig, alhoewel ze alle pogingen aanwendden om er jonger uit te zien. Ze hadden, elk, al meerdere flessen bier binnen geslagen en maakten op verschillende momenten aanstalten om het áf te trappen, daarvoor de rekening lieten opmaken, maar dan toch bleven betwistten wie juist de eigenaar van de schuld was, tot ze, iedere keer, besloten nog een pintje erbij te bestellen om de tijd te hebben de zaak nog eens subjectief te kunnen herzien. Ik heb de gewoonte mij af te zonderen in een kant van dat cafeetje (in afwachting dat mijn vrouw en kind mij later komen ophalen) waar eigenlijk niemand wil zitten zodat ik de mogelijke kansen op contact met dorstige dronkaards, lastige hoeren en ook oude wijven die er op uit zijn in wat vers vlees te knijpen, aanzienlijk kleiner worden. Toch verlies ik niets uit het gezicht en geniet ik overdanig van de stemming, alhoewel zelden bereid er zelf deel aan te nemen. En dat verliep niet verschillend, gisteren. Er was, kort na mijn eigen aankomst, een mulato binnen gestapt die ik al eerdere keren had ontmoet daar en die de slechte gewoonte had iedereen op zijn weg naar zijn tafeltje of naar de WC te omhelzen, op zijn rug te pletsen, een hand te geven en vragend uit te roepen hoe het wel ging, zodat de meeste van die mensen de indruk kregen dat ze elkaar al langer kenden dan ze zelf vermoedden en men geneigd was hem verbaasd aan te staren, gewoon omdat men er niet helemaal zeker van was hoe op deze toestand te reageren. Enfin, alhoewel ik hem nooit echt dronken had gezien, deed zijn vreemd gedoe dat toch blijken. Gelukkig dat ik wat verder weg zat, want het is niet iets precies waar een mens zit op te wachten. Intussen begonnen die drie vrouwen en ook de man, naargelang de rij lege flessen begon te groeien, hun initiele schaamte langzamerhand te verliezen en dat verhoogde, in overeenstemmende, maar in omgekeerde mate, hun drang om meer en meer te dansen, terwijl men duidelijk hun "pelancas" en ander, veel-meer-vel-dan-vlees kon onderscheiden, vooral als ze verdacht hun armen naar bovenop schudden, eerst allen samen, maar later dan alleen de vrouwen, zich niet meer geneerden aan de geïnteresseerde blikken, vooral vanwege andere mensen en dan natuurlijk ook vanwege die ene man, die op dat uur geregeld het strand verliet waar hij duidelijk 't één of 't ander eetbaar(?) product verkocht en met een lege schaal óp dook. Zoals het past bij een mens die zich zo sociaal gedraagt verloor hij ook geen twee uur om één van hen uit te nodigen met hem rond te zwieren en tot mijn verrassing had het slachtoffer zijn aanbod niet geweigerd en maakte hij er onmiddellijk gebruik van zijn zwetende tote/muile in haar nek te schuiven, waar hij dadelijk de droge rimpels zuigend op lekte, terwijl hij een vreselijke heup-tegen-heup toestand waarborgend beklemde. En ze waren er zelfs gediend mee, want het giechelen en het om de rug heen gestuurde commenteren tussen hen zelf verhoogde aanzienlijk... tot zelfs de eigenaar van het cafeetje er zijn vinger tussen stak en hem, zonder méér vroeg zich naar een ander, meer aan zijn persoonlijkheid gepast cafeetje te wenden, want "dat was hier toch het hoerenkot" niet dat hij zichzelf veronderstelde.... alhoewel deze laatste uitdrukking hij er maar zachtjes aan toe fluisterde... zeker en vast om die madammekes ook niet te beledigen.. Daar zat ik dus, genietend, alsmaar vaststellend dat diene man zonder hemd op zijn laatste adem aan het rekenen was en zijn benen het hem niet meer toelieten verder deel te nemen aan die algemene leute, terwijl dat jongste vrouwke, op een zeker ogenblik, er gebruik van maakte om er, zonder meer, van onderuit te schuifelen, zonder ietske te betalen, terwijl de twee andere madammekes, nu alleen, verder, op de dansvloer bleven rond wankelen en ik opeens in hun blik viel...

Wel, goed, ik was helemaal niet van plan geweest die dans bij te springen, maar ik begreep mezelf eigenlijk niet goed ne meer, toen ineens het meest vrolijke van die twee wijfkes naar mij toe strompelde, tussen de tafels heen en van de andere kant van mijn tafel, roepend, met veel gebaren, wilde weten of ik ook niet bereid was enkele stapkes te wagen... wat ik aanvaardde zonder verdere wroeging en/of medelijden, situatie, laat ons zeggen, onwaarschijnlijk te gebeuren moesten ze er vooraf, mij kennend, over gesproken hebben. Ik stond recht en deed haar een gebaar dat ik, één muziekje wel bereid was te dansen, maar dan toch niet op de dansvloer en wel hier, dicht bij mijn eigen tafeltje. Onverwachts echter greep ze mijn elleboog vast en sleurde mij, tegen mijn goesting, mee naar de dansvloer. Hoe groot was echter mijn verrassing niet toen ze, daar aankomend, mij in de armen trachtte te duwen van dat ander wijfje, nog ouder en lelijker dan zijzelf en met nog ettelijk meer pezen en verrompelde vellen dan datgene dat mij had uit genodigd en dat terstond en zonder zelfs naar mij om te kijken, het aanbod absoluut weigerde, mij ongenadig terug stotend naar dat eerste madammeke, dat mij, zonder blikken noch blozen, ook resoluut afwees en met duidelijke afkeer weg stoot, in een razende negatieve betwisting waar ik de bal vertegenwoordigde waarin niemand geïnteresseerd was en ik mezelf zo vernederd begon te voelen, midden op die lege dansvloer, zodanig dat sommige toeschouwers verlegen hun blikken néér sloegen om zogezegd te bewijzen dat ze niets hadden gezien, terwijl andere er mij van verdachtten dat ik hen misschien onzedelijke voorstellen had geopperd, de persoon van een genadeloze verkrachter van oude wijfkes representerend, waarvoor ze allebei verschrikt terug deinsden, de ene de andere aanwijzend om niet de eerste in de rij te zijn... en ik, op den duur, helemaal verslagen en beschaamd, zonder een andere uitweg te onderscheiden, met mijn staart tussen mijn benen, terug naar mijn tafel ben geslopen, zonder iemand te hebben kunnen overtuigen dat ik geen enkele van die twee oude meubels zou willen opgegeten hebben, met al die droge benen en die slappe gatten...

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Shitty conversation

Leaving Ostend for Ghent, I decide to make a stop at one of those rest areas on the side of the road. I went into the washroom. The first stall was taken, so I had to go to the second stall. I had just sat down when I hear a voice from the next stall... "Hi there, how's is going"? Ok, I am not the type to strike up a conversation with a stranger in a washroom. I didn't know what to say so finally I say: "Not bad". Then the voice says: "So, what are you doing"? I am starting to find this a bit weird, but I say: "Well, I'm going back home". Then I hear the person say all flustered: "Look I'll call you back later; every time I ask you a question this idiot in the next stall keeps answering me"!

Geschreven door Rudo om 16:12 Reageer op dit bericht Stuur door

Laatste part

Kort daarop heeft hij zijn toepasselijke naam ontvangen: "de Beul van Rumbeke", een perfect beschrijvende naam (ik weet nog altijd niet of hij een jood was of een nazist, maar veel verschil maakt het niet uit). En iemand heeft hem dat geheim toe vertrouwd. Eigenaardig genoeg, deze keer heeft hij er mij niet terstond van verdacht die naam verspreid te hebben in de school en wel, D.. Ik begrijp nog altijd niet hoe hij dat te weten gekomen is en of het waar is of niet, want D. heeft het nooit bevestigd, maar ook nooit ontkend. Die keer was het dus toch eens D.'s gelegenheid "held" te worden; God zij dank. Het gebeurde, zoals gewoonlijk, tussen de soep en de patatten. Eerst deed hij net alsof hij niet wist wie juist van ons, deze lelijke uitdrukking over hem, in de wind had gezwaaid en besloot hij iedereen van ons, streng naar onze neer geslagen ogen kijkend, één voor één, te ondervragen. Ik vond het al eigenaardig dat hij de ondervraging met mij begon, want dat gaf mij de gelegenheid alles hardnekkig te ontkennen, er hem beleefd aan te herinneren dat er nog vijf andere, mogelijke, verdachten aan de tafel zaten. Waarschijnlijk heb ik me, nooit eerder in mijn leven, zo ontlast gevoeld toen hij besloot zich dan naar G., naar Hilde, naar F. en dan naar J. te wenden om dezelfde vraag elke keer opnieuw te hernemen: zijde gij het geweest? Naargelang hij de cirkel aan het aflopen was en ik nogmaals en geleidelijk aan terug in zijn zichtveld geraakte, hield ik niet op verwoed in mijn bord te lepelen, waar ik alle moeite aanwendde om er de weinige moleculen soep die er nog aanwezig waren, af te schuren, zo trachtend te bewijzen dat om zo een verklarende uitdrukking uit te vinden, men, op zijn minst, over een helder verstand moest beschikken en niet zoals ik, een uiterst domme en verwoedde soep-opslurper, te dwaas om er tijd en speeksel aan te verspillen. Toen hij eindelijk bij D. geraakte, mijn laatste kans vertegenwoordigend en hij DE vraag opnieuw formuleerde en er geen antwoord op kwam en hij DE vraag nogmaals, maar nu met minder geduld, herhaalde, besefte ik opeens dat dienen dag, eindelijk, ik mijne bril niet zou moeten op de kast leggen. Wat ik niet verwachtte was dat D., zijn schuld zwijgend herkennend, heeft getracht van de tafel weg te vluchten en daar meende een kans in te zien aangezien hij een stoel verder weg zat van Nonkel Fons. Ongelukkig genoeg is D. gestruikeld over de eerste trede van de marmeren trap, al in de gang van ons huis, leidend naar de slaapkamers, op het eerste verdiep. Wij, zijn broers, zuster en Mama, hebben in alle stilte, nog met ons hoofd over het soepbord gebogen, in de eetkamer, doorheen de opengezwaaide deur, de droge stomp gehoord, afkomstig vanuit zijn rug. Papa woog toen al ferm over de tachtig kilos en D. was er toen vijftien of zestien? Ik weet het niet meer, maar sedertdien heeft D. last gehad van zijn rug. 't Zal toevallig geweest zijn. Zeker en vast.

Papa rust in vrede.

Het heeft allemaal samen een tiental jaren geduurd en het is maar definitief gestopt toen hij, voor de eerste keer (voor zover wij dat weten toch) Mama heeft willen slaan. En dat is juist de druppel geweest die de emmer heeft doen óver lopen. De reden daarvoor was dat ze, samen met ons, de jongste kinderen, gedurende de paasvakantie(?), besloten had enkele dagen in Laarne door te brengen, zonder eerst aan hem om goedkeuring gevraagd te hebben. Toen we terug keerden en op het ogenblik dat wij het huis binnenstapten, beval hij ons, de kinderen, op de sofa neer te gaan zitten, besloten als hij was haar ook eens een les te geven die ze nooit ne meer zou vergeten, met ons als geacht publiek, toe-gapend. Hij draaide zich onmiddellijk naar haar toe en vroeg haar kalm (allez, bij manier van streken, hé) haar armen achter haar rug te kruisen. Toen besefte ik opeens wat er allemaal zou volgen, op datzelfde moment en vanaf die dag af, indien we dat nog verder zouden blijven permitteren. Met al mijn eigen nerveusheid, lamme armen en slappe benen heb ik toch nog de moed kunnen samen rakelen op zijn brede rug te springen (hoog was dat eigenlijk niet, maar 't is toch niet gemakkelijk geweest) en alhoewel hij zich onmiddellijk, perplex, naar mij óm wende en ik begreep dat ik alléén, geen enkele kans zou hebben, heeft hij tezelfdertijd ook moeten beseffen, begrijp ik nu, dat dat wel, mogelijks, de laatste gelegenheid zou kunnen geweest zijn, niet precies door mijn actie, maar wel door de reactie van Mama, die voor de eerste keer in haar leven besloot mij te verdedigen. Ze vloog hem, met haar lange nagels uitgestrekt, van vanachteren aan, om de kastaar van zijn neus stevig vast te klauwen (gelukkig zijn we allemaal ver van die boom gevallen, op dat gebied), wat een onmiddellijke wonde veroorzaakte, zodat hij zich nogmaals bruusk omdraaide, deze keer naar hoe toe, duidelijk aangetast door al deze ongewone en zichzelf vermenigvuldigende reacties. Roepend naar mijn jongere broers en zuster, die tot op dat ogenblik, in passieve afwachting op de sofa waren blijven zitten (G. had juist de aanwezigheid vast gesteld van een eng puistje, binnenin zijne neus), dat ze onmiddellijk de commissaris, die wat verder in de straat woonde, moesten gaan roepen, vooraleer hij iemand zou vermoorden, deinsde ik met angst verder terug, maar het was eigenlijk niet meer nodig. Hij had het begrepen en hij heeft het, verslagen en bloedend aan zijn neus, zonder nog één enkele verklaring, of zelfs een enkel woord geuit te hebben, afgestapt. Die avond hebben we Mama aangeraden het huwelijksbed te verlaten en bij ons, in één van de kinderslaapkamers, de nacht door te brengen. Dat heeft ze moedig geweigerd en het belette, mij alleszins, de slaap te vinden. In de vroege morgen is hij dan toch terug gekeerd, heeft, deze keer, stillekes de sleutel in het slot omgedraaid en is op de tippen van zijn tenen lopend, de trap óp geklommen om zijn plaats, naast Mama, in bed, te gaan opzoeken.
 
's Anderendaags heeft niemand hem óp zien staan...

Geschreven door Rudo om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Vervolg van vorige post

Niemand was zó overheersend. Andere keren maakte hij er een waar spektakel van, een toneelopvoering met verschillende fases, allemaal goed gepland en prachtig afgespeeld, zoals die keer toen ik op de rug van mijn, bijna zes jaar oudere, broer F. had gesprongen die met zijn vrienden, verzameld in een kring, op de koer van de school, aan het kletsen waren. Ik had gedacht hem eens goed te verrassen en sprong, zonder dat hij mij opgemerkt had, stevig op zijn rug, mijn benen om zijn lenden slaand en mijn armen om zijn nek. Ik was toen twaalf of dertien jaar oud en had geen enkele benul van seks, van homoseksualiteit, van gelijk of wat voor een type van verhouding, van interesse in het vrouwelijk, laat staan, mannelijk, geslacht, in 't kort, een pure jongen. Een onschuldige jongen die de korte broek tot aan zijn zestiende jaar gedragen heeft, zonder spijt en wroeging, tot dat Hilde, mijn wreed geïnteresseerde zuster, het mij persé heeft willen uitleggen, alhoewel ik er haar altijd van verdacht heb dat ze in feite ook nog veel twijfels koesterde en ze eigenlijk er meer op uit was zelf eens een piemel, van dichtbij, te bezien. Woorden zoals "hoerepoeper", die iedereen en ikzelf ook, met wat schaamte, gebruikte, zonder juist te weten wat ze betekenden, waren geen bewijs van mijn schuld; maar dat is een ander verhaal...

In alle geval, mijn vader had het niet zó verstaan en had hij duidelijk een DOODZONDE ontdekt. Genoeg om al zijn haat uit te laten barsten, zoals de etter van een besmette zweer. Nochtans verloor hij nooit zijn vastberaden autocontrole. Vanwaar hij stond, een twintigtal meter verder, had hij mijn "eigenaardig gedoe" opgemerkt en tezelfdertijd had iedereen in zijn nabijheid gezien waar hij, wit van de op flakkerende woede, stond naar te bliksemen. Ikzelf had nog mijn Frank niet laten vallen en was hardnekkig bezig hem omver (te trachten) te doen kantelen, tot het mij opviel dat het alom heersende gerucht over de gehele koer, in enkele weinige seconden was stil gevallen. Een beetje verrast eerst, maar dan wantrouwig, ook door het gebrek aan grote weerstand vanwege F. (de schuwsten van ons allemaal, zoals Mama het altijd perfect uitdrukte), die het gevaar al eerder had geroken, deed me mijn hoofd op heffen om te zien wat er juist aan het gebeuren was en eventueel te constateren wat ik precies aan het missen was. De koer had zich in twee delen gesplitst en aan het andere einde van de open geplooide weg ontdekte ik mijn vader, wijdbeens, met zijn beide handen in zijn heupen geplant, uiterst autoritair in mijn richting aan het staren (moest een blik kunnen doden, ik zou allang begraven geweest zijn), zonder één beweging te maken en één enkel woord te uiten. Zelfs een andere, hem vergezellende, schoolmeester deed enkele schreden terug, om hem zeker in de weg niet te staan. Ik gleed automatisch en doodsbleek uitslaande van de te verwachten aframmeling, van de rug van mijn broer af en voelde mijn knieën terstond knikken. Daar ging het weeral. Rechtstreeks vooruit kijkend, met de kin naar voren, hief hij zijn rechterarm op, terwijl hij, met zijn naar boven omgekeerde en winkende wijsvinger, mij een duidelijk teken gaf hem onmiddellijk te volgen. Waarschijnlijk wilde hij verhinderen gestoord te worden door de één of andere bemiddelende stem en besloot hij mij af te zonderen in de eetzaal, aan het andere einde van de koer, uitgerust met tot aan de grond reikende ruiten, wat het voor iedereen gemakkelijker maakte te zien wat er zich binnenin af speelde en omgekeerd. We stapten, hij zelfbewust en overheersend en ik, trillend en strompelend van de aangekondigde ellende, achter elkaar, tussen de open geplooide rij mensen door, die zich dan, onmiddellijk achter mijn rug, terug sloot. Iedereen was duidelijk benieuwd te zien wat er nu verder zou gebeuren. Men kon het ritselen van de bladeren van enkele dichtbije bomen duidelijk onderscheiden. Eens binnen gewankeld sloot hij zorgvuldig de glazen deur achter mij dicht, beviel me mijn bril op één van de lege eettafels neer te leggen, schoof enkele stoelen en een tafel wat opzij om meer plaats vrij te maken, vroeg me hard en wijdbeens wat er precies gebeurd was, herhaalde de vraag op een wat hogere en nog schellere toon (in het Portugees zegt men: quem tem cu apertado peida alto/fino - wie een nauw gat heeft laat dunne/scherpe scheten), want ik wist niet juist wát te antwoorden, drong er op aan dat ik beter en rap mijn handen achter mijn rug moest vouwen, want anders zou het slechter aflopen en verraste hij mij met de eerste zwier, want hij liet normalerwijze ettelijke seconden verlopen tussen de toestanden: "Klaar" en "Vuur". Intussen was het opeens donkerder geworden in de eetzaal vanwege alle toeschouwers die er zich rond- en opstapelden, elk vechtend en duwend om een betere plaats te kunnen veroveren en om zeker niets van het spektakel te missen. Aan de onderkant van de ruiten kon ik tientallen bekende aangezichten onderscheiden van mijn (al of niet) makkers; aan de bovenkant, met hun zedig gekruiste armen, sommige van de andere schoolmeesters en zelfs één Broeder. F. zelf was niet te bespeuren.

Om een langdurige aframmeling kort te maken zal ik maar zeggen dat ik niet geschreid heb. In compensatie, mijn korte broek was doordrenkt van de urine en onder mijn verlamde voeten vormde zich een grote plas, die zich uitbreidde naargelang ik langer en langer "in voortdurende verwachting" stond te trillen. Het was onmogelijk de verlossende stroom tegen te houden, zelfs niet met al die toekijkende, onverschillig voor mijn situatie, studenten en leraars. Een ondenkbare vernedering en een, voor mij, onverklaarbare straf.

Nochtans, als een mens slecht is vanaf zijn geboorte, dan moet hij, de duivel (die uitdrukking doet me nu ook ferm aan mijn moeder herinneren), ‘d er alle dagen uit geslagen worden, was zijn oprechte mening. Af en toe had hij, mijn vader bedoel ik, zelfs wel enigszins een glimp van reden want ik was een onverwoestbare spotter en een onverbeterlijke speelvogel.

Hij had me, op nen andere keer betrapt in zijn klas, toen hij, met zijn rug naar de leerlingen toe gekeerd om iets op het zwarte bord te schrijven, zich plotseling had omgedraaid, net op het moment dat ik een voordien nat gemaakte prop papier, met toevallig succes, geworpen had naar het hoofd van een klasgenoot, enkele rijen vóór mij. De klas werd onmiddellijk stop gezet, hij legde het klein stukje krijt opzij, veegde nauwkeurig zijn handen af, iedereen doen grijnzend in afwachting van een fel verdiende ontspanning en ondervragend naar mij kijkend, begon hij: ewel, wat is er gebeurd? Wat ebde nu gedaan, eh manneke? Kom maar ne keer naar voren hier. Zonder het geduld te hebben mij dáár af te wachten, stapte hij resoluut op mij af, pakte mij, me gewillig helpend om rapper de afstand te overbruggen, bij mijn oor vast en sleurde me met kracht naar voren. Ter plaatse aan gekomen trok hij me de trede (die de schoolmeester scheidt van de rest van de leerzaal) op en probeerde hij me tevergeefs op te heffen tot zelfs mijn teentippen (bijna)te kort schoten. Met toe geperste lippen en opmerkend dat het niet mogelijk zou zijn me helemaal van de grond te tillen besloot hij dan van tactiek te veranderen, waarschijnlijk om de oorwortels te trachten te vermurwen en dan in alle richtingen rond te draaien tot ik begon te vrezen dat hij op 't einde met mijn oor in zijn hand zou staan. Besluitend dat hij zichzelf nodeloos aan het vermoeien was en dat de kramp in zijn vingers hem de greep deed verliezen, besloot hij over te schakelen naar zijn lievelingsmethode. Over zijn knieën. Zonder mijn oor ooit los te hebben gelaten haalde hij een houten regel uit de lade van zijn bureau (die hij altijd graag dichtbij hield, om er niet achter te moeten zoeken, op zo'n gelegenheden), sleepte hij zijn stoel naar het midden van het podium, zette zich, goed in het zicht van de andere leerlingen, néér, deed een signaal om mijn bril van mijn neus te halen (dat was toen al mijn zestiende bril, allemaal van dikke plastic en zware glazen, zoals die van de onderkant van een fles) en dwong me over zijn schoot heen, met mijn rug naar de klas toe gekeerd, neer te buigen, na mijn spijkerbroek met een korte ruk naar beneden getrokken te hebben. Het onmiddellijk gevolg van die verschillende bewegingen was een algemeen gekrijs en gekraai vanwege mijn collega's, die er tot op dat ogenblik geen bliksem van hadden verstaan en verbaasd staarden naar die witte poepe, content dat ze waren dat de les óver was. En áán kwam hij. Het doel was volmaakt getroffen. Een pracht van een platte handslag. De dikke, gouden ringen, die hij altijd preuts gebruikte, hielpen onveranderlijk méé de (nog) blanke wangen te merken, net zoals bij de koeien. Enfin, het slagen hield maar op toen hij het beu werd en zijn eigen hand er net zo rood uit zag als mijn achterwerk, diep roosachtig blinkend van de gezondheid, nu. Dan, wat bezorgd dat hij zichzelf lam zou kunnen slaan met dat hand, schakelde hij over naar zijn regel. En dat was andere muziek. Letterlijk en figuurlijk. En de scherpe pijn verhoogde aanzienlijk. Helemaal verdwaasd en totaal uitgeput, maar zonder tranen, zelfs van onderen niet, werd ik, na een vijftal minuten, van zijn knieën, walgend, afgeduwd. Met schaamte scharrelde ik recht en trok mijn broek omhoog. En weg wankelde ik. Terug naar mijn stoel. Met een tot in mijn schoot zinkend, heet, hoofd. Waar ging mijn moraal? Hoelang en hoeveel keren zou ik terug moeten vechten om het respect, de orde en de discipline er terug in te brengen, bij mijn collega's? Wat een tijdverlies. Wat een hel.

(Zou hem dat een "kick" kunnen gegeven hebben, misschien?)

Geschreven door Rudo om 15:43 Reageer op dit bericht Stuur door

De Beul van Rumbeke (2)

Feit is dat ik geen enkele genegenheid koesterde voor onze, door veel andere mensen uitzonderlijk geliefkoosde, papa en zelfs onwillekeurig een rilling door mijn ruggengraat voelde lopen, iedere keer dat ik hem zijn sleutel in het sleutelgat van de voordeur hoorde prutselen om dan vervolgens, ons huis, dreigend binnen te zien dringen. De drang om al de uitgespookte (mis)daden die ik wat vroeger in de morgen had begaan, op straat of in de school, rap en compleet uit te leggen gedurende het middagmaal, juist náást hem gezeten, tussen de soep en de aardappelen, deed me bijna altijd mijn kraantje, daar beneden, onbewust toe knijpen, in afwachting van de verlossing van de opgestapelde nerveusheid en de schrik. Voorafgaande, klokluide, bevelen zoals, "remm'n", "voet'n ópheff'n", "hand'n nere", maakten het mij nog moeilijker. Sommige keren had ik zelfs helemaal niks op te biechten en zocht ik toch wanhopig naar eventueel toepasselijke explicaties, maar dat hielp niet altijd en meestal hief hij zich dan traag recht op, want de warme patatjes waren toch nog niet gereed en zijn handen jeukten zo verschrikkelijk en vroeg hij me dan beleefd ook recht te staan en gezellig dichterbij te treden, niet vooraleer mijn lelijke bril met de dikke glazen op de kast néér gelegd te hebben, want hij had er al tientallen kapot geslagen gedurende vorige gelegenheden en hij was het beu altijd maar nieuwe brillen aan te moeten vragen bij de Ziekbond, die het alias eigenaardig begonnen te vinden dat ik zo veel brillen brak en hij me juist daarom nog wat méér wilde straffen en hij me vlakaf beval mijn handen achter mijn rug te houden, want hij was het ook beu geworden zijn tedere handen aan mijn beenderige ellebogen te kwetsen en hij mij daarom goedwillig het voorbeeld toonde en ook zijn handen achter zijn rug verborg, weliswaar met een andere bedoeling, om mij zo in verwarring te brengen en mij niet vooraf te laten weten van waaruit welke kant de eerste dreun zou vertrekken en ik toen pas echt in mijn broek begon te pis-schen, van pure verwachting en hij me tenslotte toch verraste met een uiterst vlugge zwaai, die mijn wang op datzelfde ogenblik deed gloeien van de hitte en hij hetzelfde nogmaals verwezenlijkte met zijn andere hand, onverwachts ook, want ik was nog aan het bijkomen van de eerste slag, terwijl zijn zware gouden ringen diepe lidtekens ná lieten in mijn kaken en nu ook mijn oren fel rood begonnen uit te slaan en hij besloot de ondervraging te herstarten, want ik maakte geen aanstalten vergiffenis te vragen en onderdanig mijn tranen te laten rollen, wat ik eigenlijk wel wilde doen, maar ze kwamen er gewoonweg niet uit, van pure ontzetting, alhoewel mijn onderdeur wel bewees dat ik mij echt aan het bekeren was, maar wat hij niet als verontschuldiging aanvaardde, terwijl iedereen, ik bedoel, de overige broers en zuster, ook onderdanig en met hun blozende aangezichten in hun lege soepborden gedompeld zaten, God bedankend dat ik wel degelijk den domste van de ploeg was en het daarom niet onredelijk vonden dat ik het dichtst bij hem moest zitten, om zo te vermijden zelf op de riem gelegd te worden, want daar begon zijn preek weeral, langzaam en overtuigend, en vouw uw handen maar achter uwen rug want ge zijt de schande van de familie en ik, bevend van de verwachting, of beter, van de opkomende verrassing, mijn schouders op hief om de slag wat te dempen maar hij toch bekwaam was, met zijn jarenlange ervaring, deze te ontwijken en de deun door de woonkamer te laten echoën, want dat was een pracht van een zwaai geweest en die hij onmiddellijk wilde herhalen, terwijl hij het juiste tempo onder controle had, het perfecte concentratiepunt had gevonden en hij opnieuw het doel trof, alhoewel wat minder nu, maar toch nog duidelijk hoorbaar bij de buren die niets zegden, zoals overigens ook de broers en de zuster, die het niet helemaal onjuist vonden en geen enkel geluid veroorzaakten, om vooral zijn aandacht niet af te leiden, tot Mama, tot dan toe stil, vanuit de keuken, haperig aankondigde dat de warme patatjes intussen gereed waren geraakt en dat het nu "al een beetje genoeg" was geweest en ik trillend van de ontreddering en van onderen volledig doordrenkt van de ontsnapte pis, haastig mijn bril terug op zette en volledig verslagen terug op mijn stoel kroop, niet begrijpend wat ik allemaal had misdaan en waarom ik weeral eens slagen had gekregen en ik, niet zonder moeite, de warme patatten kon in slikken en wanhopig hoopte dat iemand anders zijn aandacht zou trekken, tot ik uiteindelijk naar mijn slaapkamer kon sluipen om van broek te veranderen en van daaruit verbaasd mijn broers en zuster hoorde spelen in de hof, alsof er niets gebeurd was en ik mezelf voorbereidde om terug naar de Broederschool te rijden met mijnen oude velo, type "torpedo" en op de terugkeer van de school, alles al vergeten, een wedstrijd aanging, bijna alle dagen, met Jean-Pierre Monseré, de toekomstige wereldkampioen wielrennen, om te zien wie er het eerst aan de brug van de vaart (aan de linkerkant van die brug bevond zich een zandberg, waar we geregeld naar toe reden om daar, spelend, de woensdagnamiddagen door te brengen) geraakte en ik, eens op de Mandellaan, bijna alle dagen, vast stelde dat hij nog steeds de rapste was, maar dat ik hem toch, af en toe, eens kon verrassen en op het nippertje van hem wist te winnen, vooral als ik wat eerder had kunnen vertrekken, hij gevallen was, of met een platte band aan het rijden was...

Ik heb hem ooit eens, in het geheim, gevraagd waardoor het kwam dat hij altijd van mij won en hij heeft me toen, wantrouwig rond glurend om er zeker van te zijn dat niemand ons aan het spioneren was, toevertrouwd dat hij elke dag het overschot van de fles karnemelkpap die zijn vader, een metser, mee nam naar zijn werk, op dronk en dat dat de reden was van zijn kracht, maar ongelukkig genoeg, ik haatte karnemelkpap en zo ben ik nooit wereldkampioen kunnen worden...eh, wat een flater....

Natuurlijk gebeurden deze “geheime toevertrouwingen” altijd gedurende de speeltijd, op de koer van de school en het riep normalerwijze de aandacht van de meest dichtbij spelende, andere kinderen. Mijn vader, altijd zorgvuldig naar mij loerend om mij te betrappen op nieuwe zonden, van de ene kant van de koer naar de andere stappend, vergezeld of niet van andere schoolmeesters, geen enkele ervan zo streng als Nonkel Fons, maakte van die gelegenheden gebruik om aan iedereen te bewijzen hoeveel hij me wel haatte. Meestal werd de straf ter plaatse uit gevoerd, zijn daarvoor speciaal meegenomen houten regel aanwendend, die hij hard en verschillende keren op mijn schedel liet néér deunen, tot hij onveranderlijk in tweeën brak, wat hem nog razender maakte en hij besloot een andere, ook daarvoor meegenomen regel, vanuit zijn onuitputtelijke voorraad, te gebruiken om mijn kneukels purper te slaan. Somtijds, verrast en zonder gepaste voorwerpen in zijn dichte omgeving te vinden, besloot hij mij praktisch op te heffen aan alleen maar één van mijn twee oren en me rond te schudden tot ik dacht dat mijn oor er vanaf zou scheuren (Papa was toch wel nen sterke mens, hé, oersterk; eigenlijk zo sterk als een beer zelfs!), of zowel één van mijn wangen vast te grijpen tussen wijs– en middelvinger, terwijl hij dan zorgvuldig zijn duim tussen beide stak en een gaatje probeerde te boren in het vastgesnoerde vel, tot de tranen in mijn ogen sprongen van de pijn. Maar dat veronderstelde allemaal krachtverspilling voor hemzelf en zijn voorkeur ging duidelijk naar het onbeschermd afranselen, wat hem aanzienlijk meer genoegen verschafte, vooral als andere mensen er stonden op te kijken. Dat gaf hem blijkbaar een puur gevoel van macht en straalde respect uit naar de erop starende kinderen, collega's en zelfs directeurs. Niemand is er ooit tussen gekomen, blijkbaar uit angst dat hij zich naar hen zou omkeren.

Wordt vervolgd.

Geschreven door Rudo om 16:13 Reageer op dit bericht Stuur door

De Beul van Rumbeke

Van smeerlappen gesproken, ik herinner me nu mijn vader, een keiharde smeerlap. Ongelukkig genoeg is hij nu al dood. Anders had hij misschien nog tijd kunnen vinden om wroeging te krijgen en me om vergiffenis te vragen, wat ik met plezier zou kunnen overwegen hebben. Met alle respect.

Vandaag is het toevallig zijn dag: de "Dia do Pai", allez, 't is te zeggen, "Vaderkesdag". Dat heeft eigenlijk weinig betekenis voor ons, kinderen van Schoolmeester Van Leuven; in de intieme gezelligheid bijgenaamd "De Beul van Rumbeke", een uiterst toepasselijke naam, vond ik toen en vind ik nu vooral, in mijn latere jaren (om volledig te zijn moet er hier vermeld worden dat dat eigenlijk zijn tweede nicknaam was. De eerste was: “de rost'n”, vanzelfsprekend aan hem toegewijd omdat hij rost haar had, wat later vergeten is geweest omdat hij, op een zekere dag, is óp gestaan met licht bruin haar, dat hij nooit ne meer verloren heeft).

Ik zou me niet kunnen herinneren waarom ik daar eigenlijk heimwee zou moeten naar gehad hebben, maar ik ben hier alléén vandaag (mijn vrouw is haar familie aan het bezoeken in São Luis) en ik zie door het venster ne hele hoop kinderen, op stap met hun respectieve vaders. Een hele eer, want normalerwijze hebben vaders niet veel tijd voor zo'n prulligheden. Kom, dat wil zeggen, op zijn minst toch over mijzelf gesproken, toen ik ook nog “pai” genoemd mocht worden (wat een heerlijke naam is dat eigenlijk, vindt ge niet?). Ik heb het recht niet dáár misbruik van te maken. Niet dat ik mijn zoon ooit heb geslagen, maar ik kon zeker en vast een veel betere papa geweest zijn, had ik maar meer tijd gehad om het hem definitief te kunnen bewijzen, want ik rekende eigenlijk op de tijd om dat te doen. Geduld hebben is niet altijd de ideale oplossing. Soms moet men bewijzen dat het spreekwoord "A pressa é a ínimiga da perfeição" niet altijd geldig is, wat ten andere ook bewijst dat de uitzondering de regel bevestigt. Vandaag betwijfel ik zelfs ooit een stevige omhelzing verdiend te hebben vanwege mijn (nu afwezige) zoon. Van de andere kant, het grote voordeel van EENS een vader geweest te zijn, is dat men daarna alle dagen rustig kan gaan slapen zonder nog verschrikt wakker gemaakt te zullen worden door een aandringende en verschrikkelijk luid ringende telefoonbel, midden in de nacht, om angstig te moeten horen dat uw nageslacht weeral eens een auto heeft kapot gereden, maar dat hij het, gelukkig, zonder veel wonden, heeft overleefd.

Een mislukte vader, een mislukte familie. Dat herinnert me aan het kort boodschapje dat ik zelf ooit eens nagelaten heb voor onze lieve vader (die ik toen schriftelijk "voader" had genoemd om het duidelijk te maken dat hij ook gebuisd was geweest in dat beroep), toen we, zoals elke week, verplicht waren hem te bezoeken in zijn appartement in Roeselare, eens de echtscheiding met Mama voltrokken was en hij, gelukkig genoeg, afwezig was op het afgesproken uur. Wij (de drie jongste broers) hebben trouwens ook niet lang willen wachten, om hem de kans niet te geven nog rap óp te komen duiken. Een week daarna vroeg hij met prikkelende nieuwsgierigheid: wilt ge me nu in de toekomst ene keer per week bezoeken, ene keer per maand, of nooit ne meer? Ik herinner me niet precies wat de andere broers hebben geantwoord, maar ik weet zeker dat ik gretig de derde optie heb vast gegrepen, vooraleer hij van gedacht veranderde. En zo is het gebeurd. Ik was toen zestien jaar oud, geloof ik.

Soms denk ik nu dat ik alle dagen slagen gekregen heb, maar ik ben er absoluut zeker van dat dát overdreven is. Er zijn waarschijnlijk perioden geweest dat het verschillende dagen duurde vooraleer het terug mijn beurt was. Waarom? Dat wist ik ook niet altijd precies. Allez, toch niet in tachtig percent van de keren, laat ons zeggen. Het was gewoon een kwestie van aan iedereen ongeduldig te willen bewijzen, vooral aan mijn klasmaten, maar ook aan hún ouders, dat ik absoluut nooit bevoordeeld zou worden in "zijn" school (twee jaar heb ik in zijn klas door gebracht, in de Broederschool van Roeselare, het eerste beloond met een ronde buis. Het vijfde studiejaar, als ik me goed herinner. Het tweede jaar was een herhaling van het eerste. En ik ben er op het nippertje dóór getuimeld. Met een beetje meer dan zestig percent van de punten).

Hoera, lieve vader! Een, bijna, reële marteling. Misschien omdat hij gewoon beschaamd was een scheelogig kind te moeten onderhouden, of misschien nog slechter, het domste van de gehele familie, later bevestigd door me met alle eer en zonder wroeging naar de Vakschool van Roeselare te hebben gezonden, wat toen de bestemming was voor de domste kinderen van alle families in de omgeving. Kom, toen dacht iedereen toch zo, is het niet? Het was niet iets speciaals om verrukt op uw C.V. te vermelden. Het werd tijd om van mij een goede metser te maken. En stoppen met studeren a.u.b, na mijn zestiende jaar, want voor domheid bestaan er geen medicamenten. Gelukkig dat ik dat toen allemaal nog niet verstond en er zelfs geen benul van had dat ik zodanig scheel keek (één enkele keer werd ik daar echt met mijn neus op gewreven, toen ik, enkele jaren eerder, op een middag, een kom verse tomatensoep moest halen van Mama, die dag toevallig te voet, omdat mijne oude velô een platte band had, in dat soepwinkeltje op de hoek van de Roeselaarsche Steenweg met de Prins Albert Straat(?) en ik gedurende de terugkeer, zonder iets kwaads te vermoeden, een voor mij onbekend en er een paar jaar jonger uitziend kind, recht in de ogen aankeek - ik dacht zo - en hij mijn blik beantwoordde met een uiterst lelijke toote, daarbij zijn beide ogen zo scheel als een otter trekkend, net alsof hij me wilde nabootsen - kinderen zijn altijd het wreedst geweest, denk ik: ze kijken, zonder aarzelen, altijd scheel terug in de ogen van een schele. Ik heb me dan haastig van hem af gewend en mijn stevige pas hervat, thuis mezelf minutenlang in de spiegel ontledend en er de gehele verdere namiddag over zitten piekeren. Wat een hel, Rudo..), wat eigenlijk nog een reden te meer was, in zijn redenering, omdat ik niet alleen uiterst dom was, maar er ook uiterst dom uit zag en hij besloot er verder geen geld meer aan te besteden, tenware een gratis operatie aan te vragen bij de Ziekbond en zo mijn staat beter te kunnen verbergen, vooral voor al zijn belangrijke kennissen en de ouders van mijn eigen klasmakkers die het bijna niet konden geloven dat hij zo'n fiasco het leven had gegeven en mij zelfs verhinderde, maar ook mijn andere broers, mee te rijden in zijn gloednieuwe wagen, waarmee hij preuts rond pronkte met sommige andere, veel schonere, schoolkinderen en zo, bekommerd, te vermijden dat ze nat werden van de regen, er gebruik van makend om nog meer op te vallen voor zijn talloze bewonderaars (ik herinner me hoe hij rustig en zonder schaamte het houten krukje bezette van de organist, boven op de draaitrap, in de stampvolle Sint-Jozefs Kerk(?) in Rumbeke, 's zondagsmorgens, terwijl iedereen recht stond en hem met een eerbiedige blik, langs van onderen, na-staarden). Ik zelf, die met verrassende nieuwsgierigheid had zitten kijken naar een man, vóór mij, die een gekaptbolleke bezat in zijn nek, liet er mijn blik van áf leiden. Wat een lef!

Wel, de oogoperatie heeft het probleem gedeeltelijk verbeterd natuurlijk, maar de dokter(in/es) verstond er ook geen kloten van en het gevolg was dat, alhoewel niet helemaal verholpen, ik het toch een beetje beter kon verbergen, van toen af aan, ook door te vermijden de onbekende mensen recht in de ogen te kijken of zowel een bril te gebruiken met enigszins donkere lenzen zodat ze beter begrepen dat ik echt met hen aan het spreken was en ze zo niet verplichtte, onzeker, over hun schouder te doen kijken om vast te stellen dat daar niemand anders stond...

Hoe ik dat juist gekregen heb? Ik weet het ook niet precies, maar het schijnt dat het veroorzaakt is geweest door één van die nu eenvoudig te voorkomen kinderziekten, zoals "Catapora" of "Cachumbo", waarmee ik, toen nog aan borstvoeding van Mama, besmet ben geweest.

Over die jeugdjaren gesproken en om te bewijzen, voor wie er nog aan twijfelt, hoe gelukkig ik dan wel was, in de vogende post volgen enkele anekdoten.

Geschreven door Rudo om 21:47 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van De Beul van Rumbeke

↑ Terug naar de berichten