Piggelmee

|
In het land der blonde duinen |
't Waren heel, heel kleine mensjes En ze woonden - vrees'lijk lot, Want ze hadden heel geen huisje - In een oude keulse pot. |
![]() |
|
| Voor de zon en voor de regen - Nooddruft had hun dat geleerd - Hadden zij die stenen pot met d' Opening naar de grond gekeerd. |
Toen een gat er in geslagen, Klein, maar groot genoeg toch voor Hun zo kleine dwergenlijfjes En daar kropen zij dan dóór. <? |
||
| 't Vrouwtje zorgde voor het eten Maar.... dat eten moest er zijn, "t Ventje ging dus daag'lijks jagen Schoot een haasje of konijn. |
Met een heel, heel klein geweertje, Dat gaf niet zoo'n grooten klap En dan ging hij op zijn klompjes, Met zijn konijntje vlug op stap. |
||
| Zo nu wist dat dwergenpaartje Zich te schikken in zijn lot En zij leefden vele jaren In hun omgekeerden pot. |
Toen, wie had dat kunnen denken? 't Onverwachte komt altijd, Door een onverwachte tijding Werd hun hart door hoop verblijd. |
||
| Op een mooie zomermorgen Lazen z' in de "Dwergenkrant" Dat er was .... een "tovervischje" Komen zwemmen naar het strand. |
't Vischje dat, met staart en vinnen Vlug zich door de golven sloeg Kon je alles, alles geven, als je 't hem maar need'rig vroeg. |
||
| Doodstil werd het op dien morgen In den ouden keulschen pot, Want de beide dwergjes dachten Aan hun droef en arm'lijk lot. |
...Need'rig vragen...alles krijgen... Alles en... zij hadden niets. ..'n Vischje, dat..zoo mooi kon toov'ren.. Toov'ren?..."manlief, zei je iets?" |
||
| "Ik?-Neen"-"Zou je.. manlief..durf je Niet eens naar dat vischje gaan?" "Vrouwtje lief, dat doe ik zeker, Vóór je 't zei, dacht ik er aan." |
"En,... wat wou je hem dan vragen, Als je heusch dat vischje sprak?" "...'t Allereerst, dunkt mij, een huisje Met schoorsteen en dak," |
||
| "n Huisje, ècht, een heuschlijk huisje? Durf je dat te vragen man? Zoo een huisje met een deurtje Waar je echt in wonen kan. |
Ik, nog éénmaal in een huisje! Mensch? wie had dat ooit beleefd," En haar kleine oogjes glimmen Van de vóórpret die ze heeft. |
||
| En... Des morgens in de vroegte 's And'rendaags ging Piggelmee, Klossend op zijn kleine klompjes Door de duinen naar de zee. |
"Vischje!" riep hij reeds van verre Met zijn handjes voor den mond, "Vischje", kan ik je eens spreken, Zwem je hier in d'omtrek rond? |
||
| En toen klonk er plots als antwoord Uit de verre, wijde zee, Zacht en zilver stemgeluidje: "Riep je, ventje piggelmee?" |
"Ja ik! Ja IK!" riep het ventje En hij trilde van genot; "Vischje, och geeft mij een huisje, 'k Woon maar in een steenen pot." |
||
| Ga maar! Ga maar! riep het vischje 'Geven kost mij niemandal, Ga maar gauw naar huis m'n ventje, Want je huisje staat er al." |
En... vergetend te bedanken Liep het dwergje, dol van pret Naar.. zijn pot, waar die stond, was Nu een huisje neêrgezet. |
||
| Uit één van de vele raampjes Riep zijn vrouwtje, o! zoo blij, "Piggelmee! wat zeg je dáár van? Kijk eens hier, hier wonen wij." |
Piggelmee zag met verbazing Nu zijn keurig huisje staan En hij wilde door het deurtje Als een heertje binnen gaan. |
||
| Maar zijn vrouwtje kwam naar buiten "t Huisje is wel aardig, maar 't Zou je binnen niet bevallen, Want het is nog lang niet klaar." |
"Je moet daad'lijk op je klompjes Nog eens naar de zee gaan, man, Want een huisje zonder meubels, Kijk, wat hebben wij daar an!" |
||
| "Vraag het vischje een paar stoelen En een tafel en een bed, En... gordijnen voor de raampjes, Want dat staat zoo keurig net. |
En nog meer, wat wou ik zeggen, Ja zoo véél nog, ga maar vast Er moet nog een spiegel wezen En ook nog een linnenkast." |
||
| Vrolijk fluitend, op zijn klompjes, Ging het dwergje Piggelmee Weer naar't strand en riep van verre: "Vischje! Vischje! in de zee!" |
Onbeweeg'lijk bleef de verte, Niets te zien in zee en lucht, Dan een eenzaam strandpluviertje, Dat zijn heil zocht in de vlucht. |
||
| Toen kwam weer dat stemgeluidje, Zilverzacht uit verre zee: "Riep je nu weer m'n baasje? Riep je, dwergje Piggelmee?" |
"Ja ik!" riep verheugd het dwergje, "'k Dank je voor het huisje wel, Maar ik wou zoovéél nog hebben, Meubels en gordijnenstel." |
||
| "Ga maar! Ga maar!" riep het vischje, "'t Geven kost mij niemendal, Ga maar gauw naar huis m'n ventje, Want je meubels staan er al." |
Toen het dwergje thuis kwam, vond hij Druk zijn vrouwtje in de weer Met het boenen van de meubels En zij sprak als d'eersten keer: |
||
| "Man, je moet nog weer terug gaan, Want het vischje is zoo goed, Vraag voor mij wat mooie kleêren, En een mantel en een hoed. |
Voor je zelf een flink paar schoenen Want, zooals je zelf wel ziet, Met die klompjes aan je voeten Pas je in ons huisje niet. |
||
| En....ofschoon hij nu wat moe werd Ging het dwergje Piggelmee, Klossend op zijn kleine klompjes Wéér naar 't vischje in de zee. |
Gaarne liep hij door de duinen Maar het werd hem nu wat saai, Boven hem vloog hoog een zeemeeuw, Vóór hem een Vlaamsche gaai. |
||
| "Vischje!" riep hij reeds van verre, "'k Zou't niet wagen weer zoo gauw En zoovéél te komen vragen, Maar ik moet wel voor mijn vrouw. |
Kijk, ze wil wat kleêren hebben En een mantel en een hoed, En voor mij een flink paar schoenen, "'t Vischje," zegt zij, "is zoo goed" |
||
| "Ga maar!" riep opnieuw het vischje "Och! ik kén de vrouwtjes wel, Je zult thuis reeds alles vinden Ga maar heen en loop maar snel." |
En het dwergje thuis gekomen Vond zijn zijn vrouwtje reeds gekleed, Zich bekijkend in den spiegel En ze sprak:...."Het doet mij leed" |
||
| "Piggelmee, je moet teruggaan, Want ik kan met goed fatsoen, Nu niet uitgaan, als ik weg ben Wie zal hier den boel dan doen? |
Ga het vischje nu nog zeggen. Dat ik niet meer heb den tijd Om te boenen en te koken, Dat ik hebben moet een meid." |
||
| Piggelmee keek nu zijn vrouwtje Voor het eerst gramstorig aan, Maar hij durfde niets te zeggen En... enfin... hij zou maar gaan. |
Onderweg dacht hij nog telkens Aan zijn stulpje van weleer En... dat hij het nu zoo goed had, Maar... hij floot geen liedje meer. |
||
| "Vischje!" riep hij reeds van verre "Vischje, vischje, in de zee!!" "Roep je weêr?" vroeg nu het vischje "Roep je, dwergje Piggelmee?" |
"Ja ik!" riep beklemd het ventje "Och! mijn vrouw heeft nu geen tijd Om haar huisje schoon te houden Zegt ze, en.... ze vraagt een meid." |
||
| 't Vischje gaf niet daad'lijk antwoord, 't Was als of het even dacht, Maar toen klonk wéér 't stemgeluidje: "Dwerg dat heb ik wel verwacht." |
"Ga naar huis, je zult er vinden Alles netjes aan den kant En een meisje vlug en helder, Ook een uit het dwergenland." |
||
| Piggelmee, vermoeid van 't loopen Ging naar huis, zijn vrouwtje was Ook zoo even thuis gekomen, Maar niet bijster in haar sas. |
"Piggelmee, je moet teruggaan, Daad'lijk, 'k ben er op gesteld, Onderweg wou ik wat koopen, 't Was zoo mooi, maar.. 'k had geen geld." |
||
| Ga het vischje nu nog vragen, Om wat geld, een vollen zak, 'k Moet toch ook de meid betalen, Dáárna, neem je je gemak." |
't Ventje ging met loome schreden Nog een keer naar 't vischje heen, 't Was intussen laat geworden, 't Strand lag éénzaam en alléén. |
||
| Voor zijn voeten sloop een wezel Azend op een duinkonijn, En het ventje schrikte even, Want och! hij was zelf zoo klein. |
"Vischje!" riep hij reeds van verre "Vischje, vischje, in de zee!!" "Riep je?" klonk het nu weer vroolijk, "Riep je? vriendje Piggelmee?" |
||
| "Ja ik!" riep verruimd het ventje, "Ja! mijn vrouwtje stuurt mij weer, want zij moet de meid betalen En wat koopen en zoo meer." |
"In ons huisje is nu alles Wat gemak en vreugde biedt, Zegt mijn vrouwtje, maar dat ééne, Geld zegt zij, dat heeft ze niet." |
||
| "Ga maar!" riep nu plots het vischje, 't Geven kost mij niemendal, Daar had ik om moeten denken, Ga naar huis, het is er al." |
't Vischje ging nu naar de diepte, 't Ventje ging naar huis, 't werd nacht, ....In het aardig dwergenhuisje, Was een zak vol geld gebracht. |
||
| Lange tijd was 't heel gezellig, En Piggelmee die was veel thuis. Maar zijn vrouw nu, werd ontevreden, ontevreden over haar nieuwe huis. |
"Ga, naar 't vischje" sprak het vrouwtje, 'k wil wonen in een kasteel, Als een adelijke dame, En luisteren naar muziek van-minnestreel. |
||
| Zo ging ons ventje schoorvoetend, Naar het vischje van de zee, "Vischje, vischje" riep hij in de golven, "Vischje, vischje" riep hij naar beneé. |
Het vischje kwam weer boven, Vroeg'an Piggelmee wat 't nu weer was?, "De vrouw wil deftiger wonen, Met een kasteel is ze in heur sas." |
||
| Je wensen zijn vervuld heer Piggelmee, Het betekent voor mij niet veel, "Ga naar nu snel naar huis toe, Je zult aanschouwen je vrouw in heur kasteel |
Rap ging nu ons dwergje huiswaarts, door de duinen, reeds zag hij van verre, De machtige torens van het kasteel Met daken blinkend als de sterre. |
||
| Maar helaas, wat is op aarde Blijvend, ook tevredenheid Wijkt zoo vaak voor nieuwe wenschen Wordt verdrongen door den tijd. |
Op een morgen sprak het vrouwtje, "Het gaat niet naar mijn zin, Ga naar het gulle vischje, Adelijke dame zijn is mij te min." |
||
| "Zeg hem dat ik wil regeren, Als een koningin heel machtig, Dat de mensen voor me buigen, Dat vind ik pas prachtig!" |
Wederom moest hij gaan lopen, Ons vriendje Piggelmee, Weer een wandeling maken, Naar het vischje in de zee. |
||
| En aan vischje voor z'n vrouw, Een gunst gaan vragen. Ze was steeds ontevreden, Schijnbaar alle dagen. |
Weer liep Piggelmee door het duin, Kwam bij de zee weer aan, En wilde nu het vischje roepen, Zijn vraag voorzichtig stellen gaan |
||
| Nu werd plotseling het water Vlak nabij een rimp'lig vlak, Waar het glazend toovervischje, 't Zilv'ren snuitje bóven stak. |
Ditmaal was 't zilveren vischje, Piggelmee 's vragen voor, Stuurde hem naar zijn ontevreden vrouw, Die regeerde, en zich krabde achter heur oor! |
||
| Zóó...'t is vele maanden later Zien we vriendje Piggelmee Daag'lijks weer zijn wand'ling maken Naar het vischje in de zee. |
Dan een "dit" en dán een "datje" Altijd was het voor zijn vrouw En altijd als hij terugkwam, Had vriend Piggelmee berouw. |
||
| Eéns, het was zoo koud dien morgen, Moest onze arme Piggelmee, Hij wou juist wat langer slapen, Toch naar 't vischje, toch naar zee. |
De vrouw wilde heersen over aarde, Over oceaanen en de diepten der zee, Wilde het vischje als bediende, Zij vond het een machtig idee. |
||
| Piggelmee stampte met z'n voeten, Hij durfde niets te zeggen, En moest met tegenzin toch gaan, En 't vischje deze vraag voorleggen |
En... het kraagje van zijn jasje, Voor de koude hóóg nu dicht, Gong het arme Piggelmeetje Naar de zee, met bang gezicht. |
| "Vischje, Vischje," klonk het angstig, Over 't water als een kreet. "Vischje," 'k moet je weêr wat vragen En dat doet nu echt mij leed. |
"Vischje, ik wou heusch niet komen, Want ik dacht wel, dat wordt mis, Wederom is het mij vrouw, Die nu wel zéér ontevreden is. |
||
| Plots'ling kwam er op het water Nu een breede rimpelkring, Wijl het anders kalme vischje Nu heel boos aan 't spart'len ging. |
En zijn antwoord klonk heel driftig Als uit dicht geschroefde keel: "Dwerg, ga daad'lijk naar je vrouw toe Zeg haar dit: zij eischt te veel," |
||
| Zeg haar, dat ik haar zal straffen, 't Spijt mij wel voor jou m'n vrind, Ga naar huis en ga eens kijken Hoe je dáár den toestand vindt." |
Langzaam aan verdween de rimpel Die op 't water zichtbaar was, 't Vischje dook en... als een spiegel Werd de wijde waterplas. |
||
| Piggelmee stond nog te kijken Toen, in 't naad'rend avonduur Ver in zee de zon ging zinken Als een bol van laaiend vuur. |
Diep verslagen ging hij henen, Angstig nu voor dreigend leed, Hoog in 't blauw verdween een reiger Met een aak'lig schorren kreet |
||
| Sloffend liep hij door de duinen En zijn schoentjes wogen meer Dan hem ooit zijn klompjes wogen In de dagen van weleer. |
Toen hij meende, dat hij thuis was Keek hij als beteuterd rond, Want de keulsche pot stond dáár weer, Waar zoo straks het kasteel nog stond. |
||
| En zijn vrouwtje zat te huilen "Piggelmee, wat vrees'lijk lot, Weer, nu weêr te moeten wonen In dien ouden keulschen pot |
![]() |




























