Naar de inhoud

HET SCHARNIEREND SCHUURTJE II

de actieve 60 plusser
akke.beakke.be
Begin te lezen van 1st verhaaltje !

Archief

DE BERG VAN BABEL

Een paar kilometer van de kust verwijderd, begint in Tenerife het lavaberglandschap.

Steile rotsen, ingesneden door barranca’s (kloven) en afgewisseld met hoogplateaus reiken helemaal tot aan de krater. Alle wegen lopen hier niet naar Rome maar naar de hoogste berg van Spanje, de Teide. In de loop der jaren zijn de Canaries er zich bewust van geworden dat er ook toeristen zijn die meer verlangen dan alleen maar aan het strand of naast het zwembad te liggen zonnen. Sinds kort markeren ze wandelpaden met gekleurde streepjes of cijfers. Soms lukken ze erin om een volledige wandeling foutloos te bewegwijzeren, maar uit ondervinding weten wij, dat de gekleurde aanwijzigen of cijfers ergens op het traject op een mysterieuze wijze verdwijnen. Een paar keer zijn wij, bij vroegere wandelingen, hopeloos verloren gelopen. Zo hebben ook wij meer dan eens dubbele, niet geplande, afstanden gewandeld. We laten ons echter niet meer beetnemen en hebben sinds enkele jaren een wandelkaart gekocht.

De zon schijnt warm over onze hoofden en we puffen tussen de lavarotsen de berg omhoog. Klimmend als berggeiten steken wij onze wandelstokken tussen het lavagrind. Naargelang wanneer de vulkaan uitgebarsten is, variëren de kleuren van de lavastenen. Grote zwarte piekerige rotsblokken tot kleine ei- grote witte, roze/roodbruine naar azulejos blauw/groene lavabrokken. Naargelang het stijgende pad steiler en steiler en de lucht op deze grote hoogte van ca. 2500 meter ijler en ijler wordt, vertraagt het wandelritme en dreunt ons hart sneller in onze oren. Op elk plat plateautje houden we eventjes halt om te drinken en om ons hartritme terug op mensenniveau te krijgen. Rond het middaguur komen we aan een wandelkruispunt waar de gekleurde streepjes en cijfertjes weer onvindbaar zijn. Wij zoeken hier een min of meer platte lavasteen uit en laten ons vallen om te picknicken. We zullen daarna onze wandelkaart raadplegen. Achter ons komen een paar echtparen de berg opgeklommen. In de stilte van de ijle berglucht zweven Duitse, Scandinavische en Franse woorden onze richting uit. De Duitsers struikelen bijna over onze voeten .Ondanks hun omvangrijke buikenomtrek denderen zij ons op een marsritme als blinde moffen (heu sorry) mollen voorbij. Zij kregen met de moedermelk vermoedelijk de basisbeginsels van het wandelaarjargon niet mee. Nu moet men niet zoals de Oostenrijkers overdrijven en alle tien stappen god met hun Grüss Gott aanroepen, maar met een Spaans ola, een halo of een universeel vriendelijk knikje kom je als kruisende wandelaar toch ineens een stuk sympathieker over. De Franse man hijgt calorieverbrandend het bergpad op. Hij ziet knalrood van inspanning. Het zweet gutst van zijn onbeschermde glanzende kale hoofd. Ik hoop alleen maar dat hij op onze hoogte geen hartinfarct krijgt. Van de tegenovergestelde richting naderen twee jongelui. Een prachtig gebruinde jonge man en een jonge vrouw met benen tot aan de hemel. Haar short bedekt amper de ronding van haar achterste. Haar borstjes wippen als puddingen op en neer. De zon weerkaatst blauw op haar lange pikzwarte haar dat ze telkens heel sexy naar achter zwiept. Geen druppel zweet is op haar mokkakleurige lichaam te bespeuren. Zij heeft twee koolzwarte oogjes, een redelijk grote neus en parelwitte tanden in een glimlachende mond. Manlief staart haar vol bewondering aan. Als ik vraag of zijn pornografische voorstellingen voer voor publicatie zijn, lacht hij: “Het is wel duidelijk dat als je mooie vrouwen wil zien, je niet gedurende deze senioren- overwinterperiode op het strand moet rondkijken. Het is niet omdat ik wat ouder word, dat ik niet kan genieten van een Miss Spanje die hoog op de berg mijn pad kruist. En, daarbij, je weet dat ik van grote neuzen hou.” Dat is voor mij, die met Pinokkio een spelletje ‘om ter langste’ zou kunnen spelen, weeral een geruststelling.

De zes wandelaars houden halt op ons vier- armenkruispunt en zoeken allemaal een stukje in allerlei richtingen naar de ontbrekende kleurige aanwijzingen.

Er ontstaat een Babylonische spraakverwarring als ze elkaar om raad vragen.

De jongelui zijn Spanjaarden, die enkel een woordje Engels lispelen. Het ene koppel blijken Noren te zijn, die een mondje Duits spreken. Het andere koppel zijn twee Fransen, die alleen…Frans praten. Alle zes proberen ze elkaar te begrijpen. Ze wijzen naar alle mogelijke richtingen maar slagen er niet aan elkaar een zinnige uitleg te geven. Het enige woord waar ze het over eens zijn is ‘senderos’, wandelweg. We zien de vraagtekens in de blauwe hemel opstijgen. In welke taal zij ook praten, wij begrijpen elke zin die de berglucht in zweeft. Wij zitten een beetje te grinniken om de pantomime op de berg van Babel! Eerst negeren ze de twee op de lavastenen zittende sandwichknabbelende wandelaars maar als ze de wandelkaart op onze knieën zien liggen beginnen ze taalbarrièrebrekend naar ons te glimlachen.

Manlief kan het niet laten en roept in het Frans, Duits, Engels en in ‘t Spaans dat hij eventjes met de wandelkaart zal komen. De wandelaars kijken hem vol ongeloof aan. Als ik manlief dan nog iets in het Vlaams naroep, kunnen ze helemaal niet meer plaatsen waar wij vandaan komen. Meertalig wordt de wandelkaart bestudeerd. Wij fungeren als vertalers tussen dit bonte allegaartje. Onze borst zwelt als ze vragen hoe het toch mogelijk is, dat wij Vlamingen al die talen kennen? Met een zekere trots verklaren wij dat wij ons zelfs met een beetje Italiaans ook verstaanbaar kunnen maken. De Noor lacht en zegt in het Duits: “Prachtig, zes talen maar Noors kennen jullie niet hé?”. Ik glimlach en zeg stralend een van de zinnen die nog uit een ver verleden in mijn hoofd zijn blijven hangen: “Jeg forstår og snakke litt norsk .“* De mond van het Scandinavische koppel valt open. Ik ga onmiddellijk verder met de tweede zin die ik nog ken: “Min ex mans mor e fra Trondheim.”*. Nog voor de Noren de kans krijgen om van blijdschap in zwijm te vallen en hun levensverhaal op mij af te vuren, spoort manlief ons aan om de wandeling verder te zetten. Hij weet ondertussen wel dat mijn Noorse talenkennis maar uit drie zinnen bestaat. We stappen verder het lavapad af.  Ik kan het niet laten en draai me om, wuif naar de Scandinaven en roep mijn laatste zin: “Beholde deg godt!”*

Het Franse echtpaar besluit, gezien het warmlopen van monsieur en zijn niet hittebestendige en overkokende hersenpan, rechtsomkeer te maken. De Spaanse jongelui huppelen hand in hand verder heupwiegend de berg af. De Noren twijfelen nog of ze de grote of de verkorte versie van het wandelpad zullen afmaken en roepen nog “Takk”* naar ons. Nog één Noors zinnetje borrelt nog in mijn spraakcentrum omhoog: “Vaer sa god!*

Al deze talen op een vierkante meter, hoe is het toch mogelijk?

Ja, weten jullie nog dat verhaaltje van de Toren van Babel? Verschillende volkeren bouwden in volledige samenhorigheid in Babylon een hele hoge toren die tot aan het hemels paradijs zou moeten reiken. God hield de bouwwerkzaamheden angstvallig in het oog. Nooit zou hij toestaan dat de toren tot aan zijn voordeur zou komen en er allerlei bouwvakkers in zijn voortuin zouden bivakkeren. Een van zijn slechte karaktertrekjes kwam boven en vanaf zijn wolk in de hemel bliksemde hij zijn toorn over deze metselende volkeren. Vanaf dat moment zouden zij allemaal een andere taal spreken. Plots verstonden de architecten, de aannemers en de metselaars elkaar niet meer. Het werd een Babylonische spraakverwarring en na een daverende ruzie werd de bouwwerf stilgelegd! Vanaf dan spraken alle mensen op aarde verschillende talen en verspreidden ze zich over de ganse aarde. Leuke vent hé? Nu ging het eens de juiste richting uit! Ja, van een slecht karakter gesproken. Dat verhaaltje van Adam en Eva en die appel is nog zo iets. Eva dacht: “A apple a day, keeps the doctor away!” Zij plukte die appel dan nog niet voor zichzelf, maar voor Adam. Maar dat was buiten de wil van God gerekend hoor. De twee geliefden werden uit het paradijs gegooid en om Eva extra te straffen zouden vanaf dan alle vrouwen in geweldige pijnen kinderen baren. Sadistisch machotrekje? Vindt de helft van de bevolking dit nu nog zo’n leuke man? En dan dat spelletje met Maria en Jozef. Maria zwanger maken en negen maanden met een dikke buik, als overspelige maagd laten rondlopen terwijl hij wist dat Jozef zijn vruchtbaarheiddatum al lang verstreken was. Drieëndertig jaar later liet hij zijn enige zoon aan het kruis nagelen. Het moet je vader maar zijn! Je zou bijna schrik krijgen, als hij op zondagochtend na het klokkengelui, juist jouw gebedje er uit de miljoenen andere zou uitkiezen om er zich een beetje mee te amuseren. Hopelijk verstaat hij zelf al die mensentalen nog een beetje, een verkeerde vertaling en je hebt de poppen aan het dansen. Babel, Babel, babbel, babbel!

 

*Jeg forstår og snakke litt norsk. Ik versta en spreek een beetje Noors

*Min ex mans mor e fra Trondheim. Mijn ex-man’s moeder is van Trondheim

*beholde deg godt. Houdt jullie goed

*Takk bedankt

*Vaers sa god aub

 

Sim, Tenerife 3 maart 2015

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Sim om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

FIFTY SHADES OF GREEN, VIJFTIG TINTEN GROEN

Het begon al zo’n 55 jaar geleden. Ik had spierwitte haren en een bleke glazige groene huidteint. Als ik al een blos op mijn wangen kreeg dan had ik gegarandeerd koorts. Ik had dus als lagere schoolleerling geen al te gezonde uitstraling. Er werd bij mij dan ook anemie vastgesteld, een milde vorm van bloedarmoede. Dit werd destijds verholpen door bovenop de extra groenten, fruit, ijzerpillen, en een poging tot het slikken van levertraan, mij een jaar lang dagelijks, ofwel een bord sla, een bord spinazie, een stuk gebakken kalfslever, gebakken hartvlees of paardenbiefstuk te laten eten. Ik kan jullie verzekeren dat, van zodra ik het ouderlijk huis verliet, al deze ingrediënten nog nauwelijks op mijn aankooplijstje voorkwamen. Ik werd al groen als ik ze ergens in een rek zag liggen.

Tot mijn zoontje geboren werd. Toen baby/peuter Tom aan de gemixte aardappel- en groentepapjes begon, had hij voor zichzelf uitgemaakt dat alle hapjes groen moesten zijn. Niet een beetje heel lichtgroen, niet wit, niet rozig, niet geel of worteltjesoranje, maar groen-groen! Op allerlei slinkse manieren probeerden wij de lepeltjes gepureerde voeding naar binnen te krijgen. “Toet, toet, sjoek, sjoek, daar komt de trein…mondje open, allemaal uitstappen!” Met het lepeltje worteltjespuree heel hoog in de lucht: “Zoef, zoef, vroemmm, het vliegtuigje is daar, vlug mondje open, allemaal uitstappen.” Zijn oogjes volgden de oranje aardappelpuree, maar geen passagier geraakte in de luchthaven. “Broem, broem, hier komt de auto, tuut, tuut, garage open.” Zoonlief bleef zijn lipjes op elkaar persen en bekeek ons met een zekere intensiteit alsof we hem cyaankali wilden voederen.

Aan deze machtstrijd moest dringend een einde komen. Ik kocht een diepvrieszak vol met kleine porties spinazie. Dagelijks roerde ik hiervan een blokje door het aardappelprakje. Zonder het “trein- tram- busdag” toneeltje ging de peutergarage open en verdween het ene lepeltje groene prut na het andere in het opengesperde mondje. Zo fopt men Frederik, maar ook kleine Tommekes. Of het aan zijn Noorse Viking- genen langs vaderskant lag of aan de dagelijkse consumptie van spinazie, zoonlief groeide op als een beer van een vent, een Schwarzenegger met de kracht van een Jerommeke.

Mijn tweede echtgenoot stond bij het uitdelen van de lengtes, duidelijk niet op de eerste rij. Hij werd geboren juist voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog en werd als baby onmiddellijk door zijn ouders meegenomen op de vlucht naar Frankrijk. Door het ontbreken van groenten, fruit en allerlei hoognodige voedingsmiddelen tijdens de oorlog is volgens manlief zijn ganse generatie kleiner van stuk uitgevallen. Zijn lengte kan ook genetisch bepaald zijn omdat zijn moeder en vader beiden amper boven de 1.60 m uitkwamen. Manlief eet het liefst dubbele porties groentes, propt zich vol met allerhande sla’s en is verzot op paling in ‘t groen. Misschien hoopt hij nog steeds op een verlate groeistuip of wil hij gewoon het vitaminetekort van zijn jeugd inhalen. Manlief eet het liefst alle groentes die niet bepaald op mijn hitparade staan. Ik bereid dus als een liefhebbend vrouwtje, spruitjes, savooiekool, groene kool,witte kool en bladspinazie. Ik ben nog van de generatie dat je alles, lusten of niet, moet proberen te eten. Ik laat deze naar schetenruikende bereidingen en groene slijmgroentes dan ook met een licht onbehagen door mijn slokdarm schuiven.Nu we hier op Tenerife overwinteren, leek het wel of manlief een spinaziebacterie had opgedaan. Ook bleek TV- kokend Vlaanderen volledig tegen mij samen te spannen.De eerste week van ons verlof, bereidde Jeroen Meus in zijn programma “Dagelijkse Kost”, een gebakken boerenworst met een berg ‘spinaziestoemp’. Boven in deze groene aardappelberg werd er een kratertje gemaakt, gevuld met een lepel vettige, glanzende vleessaus. Nog voordat Jeroen kon zeggen: “Dit is nu een echt gerechtje van ons moemoe, laat het jullie smaken!” Zei manlief al: “mmmm spinazie, lekker, kunnen we dat morgen eten?”. De week daarna kwam Piet Huysentruyt op de televisie met een stukje kabeljauwfilet op een bedje van spinazie. Het geheel werd versierd met quinoa, met uren in de oven gebakken pelletjes van tomaten, een zalfje van knolselderpuree en rozemarijnbloemetjes. Nog voor ik Piet’s prutserig menuutje kon afbreken, was daar al de vraag van manlief of er nog spinazie in de diepvries zat…grr. En wat dachten jullie dat wij ’s anderdaags aten, juist weer die groene smurrie. Een paar dagen later hoorden we op de radio een interview met een tv- kok. Hierin werd de mythe van Popeye, die door het eten van spinazie, sterker en sterker zou zijn geworden, volledig ontkracht. Er zit inderdaad ijzer in spinazie, maar niet in die mate zoals het tekenfilmwereldje ons wil doen geloven. Manlief hoorde het woord spinazie en toen ik zag dat hij opnieuw het spinazieoffensief wilde inzetten, spurtte ik de badkamer in. Ik heb ondertussen al SM- dromen van vijftig tinten groene mannetjes die mij met lepels slijmerige bladspinazie achtervolgen. Het woord spinazie komt stilaan mijn oren uit en niet alleen uit mijn oren. Het groene goedje komt er bij mij langs achter even groen uit, dan dat het er langs boven ingegaan is! Nu moeten jullie niet denken dat het dagelijkse menu voor mij alleen kommer en kwel is hoor. Op spinazieloze dagen, dat is onze afspraak, bereid ik alles wat ik lekker vind! Inktvis, kippetje, steak met frietjes en een ijsje toe, voor mij chocolade-ijs en hoe kan het ook anders: voor manlief groene pistache…

In de supermarkt leid ik sinds een paar dagen de aandacht van manlief af en loop ik met een grote boog om de vrieskasten heen, waar de zakken diepvries “espinaca” opgestapeld liggen. Er ligt nu nog één portie van het gifgroene goedje in onze eigen Canarische diepvrieskist. Dus nog één keer op de barbecue gegrilde baars op een bedje van groene spinaziepuree en de zaak is rond. Nog één keer een groene ijzer opstoot en wij kunnen meedoen aan de Iron Man..Deze lunch moet ik zeker niet in laatste twee weken van onze vakantie klaarmaken. Stel je voor dat wij anders voor onze terugvlucht, door ons hoog ijzergehalte, niet door de metaaldetector geraken. 

 

Groenige Sim, Costa del Silencio      15/2/2015

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Sim om 22:46 Reageer op dit bericht Stuur door

MEEDOGENLOZER DAN NERO, CALIGULA EN DE BORGIA'S SAMEN!

Het is niet omdat wij twee maanden de Belgische winter ontvluchten, dat wij dan ook automatisch afgesneden worden van alle Vlaamse berichtgeving.

Zoals elke allochtoon, die zijn geluk of zijn weersvoorspellingen in een vreemd land gaat zoeken, zijn wij afhankelijk van de gigantische satelliet- antennes die overal in het gastland op de daken prijken.

Rond het nieuws van zeven op Eén of op VTM, laten wij ons, net zoals thuis, in de sofa vallen en brengen wij de rest van de avond televisiekijkend door.

Misschien is het echter beter om niet te veel informatie en allerlei doemscenario’s doorgestraald te krijgen. Beter is het om onbekommerd te genieten van het, in onze ogen, gevaarloze vakantiewereldje. Soms echter word je, of je het wilt of niet, met je bruine neus op de actuele feiten gedrukt. Ook hier in Zuid Tenerife lopen er inmiddels enkele ‘islamitische’ angstkwekers, messentrekkend rond. Dus echt ontsnappen aan alle heisa doe je niet echt.

Wij hebben ook onze laptop meegenomen en lezen dagelijks De Gazet van Antwerpen en Het Laatste Nieuw in beknopte vorm. Via internet houden wij, moderne globetrotter- grootouders, contact met onze kinderen, kleinkinderen en vrienden. Op Facebook volgen wij foto per foto het verjaardagsfeestje van onze achtjarige kleinzoon en het rond dribbelen van onze anderhalf- jarige baby kleindochter. We bekijken foto’s van ons schoondochtertje met haar armen rond haar twee grootste schatten en een afbeelding van onze kaalhoofdige zoon met een zwarte ‘terreurbaard’. Dit baart (mooie woordspeling hé?) ons wel wat zorgen. Terwijl hij ons verklaart dat dit zijn winterpels is, vragen wij ons in stilte af, of zijn Facebook- achterban zich nu ondertussen al niet afvraagt of de indoctrinatie al tot aan de grenzen van Brasschaat en Maria-ter-Heide doorgedrongen is. Wij moeten ons echt geen zorgen maken, want zoonlief loopt thuis niet in een djelaba rond en heeft zijn zoon en dochter niet Mohammed en Fatima genoemd. Bovendien is zoonlief totaal niet gevoelig voor eender welk gelovige gedachtegoed ook. Maar die baardgroei vinden wij een griezelig winterfenomeen. Stel je voor dat de doorsnee geradicaliseerde en terreur bereidwillige islamiet bij het zien van deze weelderige begroeide Facebook- foto bedenkingen krijgt en onmiddellijk denkt aan verhuizen! Waar er één is, willen er meestal meer zijn…Wij geloven echter niet dat deze bevolkingsgroep staat te springen om zijn tenten op te slaan in een gehucht met een zo’n christelijke naam, maar je weet maar nooit. Zo zie je maar dat je onvermijdelijk toch – al was dan met het zien van een foto met zo’n baard - met de ‘wereldterreur’ bezig bent.

Interessanter is het feit dat er zich hier, rond de Canarische Eilanden, door de onderzeese vulkanische activiteit enkele nieuwe eilanden aan het vormen zijn. Spanje claimt deze nieuwe grondoppervlaktes al, nog voor ze boven water gekomen zijn. Ik heb echter een fantastisch Europees idee. Ik geef het toe, het is wel een beetje afgekeken van de Engelsen die vroeger alle criminelen naar het nieuw ontdekte eiland Australië afvoerden, maar volgens mij is het grandioos en probleemloos en praktisch uitvoerbaar.

Eens de nieuwe eilanden hier boven water komen, reserveren wij het eiland dat het verst in de Atlantische oceaan opduikt. Het moet het meest van de westerse beschaving verwijderd zijn. Hier droppen wij per helikopter, alle terugkomende Syrië- strijders, mogelijke terreurverdachten en gevangen genomen aanslagcriminelen. Ik vermoed, dat er op een nieuw ontstaan eiland nog niet veel groeit en leeft, dus gaan we deze lieverdjes bevoorraden. Ik stel voor dat wij daar containers gevuld met alcohol stationeren. Neen, geen water en geen thee..’t moet plezant blijven hé. Om hen ook iets te eten te geven, laten wij er een beer (mannelijk varken) en wat zeugen met biggetjes los. Die kunnen dan voor de etensvoortplanting zorgen. Zie hier min of meer het scenario van de recent uitgebrachte sciencefiction film “The Hunger Games” naar een boek van Suzanne Collins. Voor diegenen die de film niet kennen: Voor de minste vorm van overleving moet tot de dood gevochten worden.

Voor wat ’binnen- eilandvertier’ laten we ook nog wat vlijmscherpe zwaarden achter, zodat ze hun hobby nog wat verder kunnen perfectioneren! Voor eventueel namiddag vertier en mogelijke randanimatie, krijgen zij van ons ook nog een doos met lucifers en wat petroleum. Voor de paar aangevoerde, vroeger meevechtende terreur- moslima’s , moeten ze dan maar eens op de vuist gaan. Niet dat vechten zo in hun aard ligt, maar voor wat hoort wat. Wie wint kan deze dames een cursus ‘seksslavin’ aanbieden. Als dit beroep hen niet zo direct ligt, zal hun mede- crapuul wel een spelletje stenigen uitvinden. Lavastenen genoeg op deze eilanden. Voor het kermisspel “holibi’s van de flatgebouwen gooien” zullen ze een alternatief moeten uitvinden, noch homo’s, noch wolkenkrabbers zijn aanwezig op het vernieuwde sharia- eiland.

Wat zeggen jullie, dat wat ik voorstel barbaars en wreed is? Ja ik ben zonder enige twijfel meedogenlozer dan de tirannen Nero, Caligula en de gifmengende familie de Borgia’s samen. Ik verkracht echter geen vrouwen en stenig ze niet. Ik moord geen kinderen uit en sleep geen lijken achter mijn auto aan. Ik gooi geen homo’s van hoge flatgebouwen, ik hak van niemand het hoofd af en steek geen medemens in brand.

Ik reik ze zelfs een tropisch eiland, eten, drinken en plezier aan… Met een beetje geloof in Allah en Mohammed moeten ze daar toch nog iets van hun leven kunnen maken niet?

 

Sim,   Costa del Silencio 8 februari 2015

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Sim om 17:23 Reageer op dit bericht Stuur door

VERY NICE, VERY CHEAP!

Aan al de mensen die ongestoord op een terrasje van zuidelijk Tenerife een koffie willen drinken: doe dit voor 11 uur! Op dat moment loopt in El Fraila de leurderwekker af en begint de werkdag van de Afrikaanse rommelverkopers en hun vrouwen. De kroezige zwarte vrouwen zijn getooid met veelkleurige Afrikaanse tenten. Diegenen die zich al meer geïntegreerd hebben dragen ‘caleçons’, liefst in vleesroze of allerlei vreemde kleuren. De ‘rekbroeken’ spannen over hun gigantische achtersten, die groter zijn dan Gran Canaria en Lanzarote samen. Zij zitten in groepjes bij elkaar op de rand van de wandeldijken. Soms leunen ze, schaduwzoekend onder een palmboom, achterovergeperst in plastiek stoeltjes die waarschijnlijk mee omhoog komen als ze zich willen verplaatsen. Ze ronselen vrouwen en meisjes met lange haren. Ze vlechten lintjes, wol en pareltjes in de lange manen en proberen van de doorsnee vrouwelijke toeriste een karikatuur van Bo Derek te maken. Na de ‘El Fraile wake up call’ verspreidt de zwarte leurderinvasie zich over alle wandelpromenades van Zuid Tenerife. Volgens ons bestaat er zelfs een zekere hiërarchie onder de rommelvertegenwoordigers. Een Afrikaan zit aan het begin van de dijk met een mobiel in aanslag. Als er ergens in de directe omgeving een Policia Local of een Guardia Civil bespeurd wordt, gaat de Tenerifse tamtam en verspreiden de illegale verkopers zich zo snel mogelijk in alle tegenovergestelde richtingen. Zelfs diegene die op dat moment met een lucratieve transactie bezig is, smeert hem als de bliksem.

De werkwilligen die als laatste aangespoeld zijn, moeten het eerste jaar tijdens een snelcursus verkoop, als een complete idioot rondlopen. Op hun kroeskoppen staan petjes, met glanzend meerkleurige fluo hanenkammen, die ze trachten aan de man te brengen. Je moet als toerist al een zonnesteek opgelopen hebben om zo te willen rondlopen. Wij hebben tot hiertoe nog niemand zo’n hoedje weten kopen, laat staan dragen…zelfs niet met carnaval! Iets hoger op de handelaarladder staan de zonnebrilverkopers. Zij staan aan het begin van de wandeldijk en scannen de terrasjes naar juist ingevlogen bleekscheten. Alle ivoorkleurige en één dag roze verbrande armen en benen worden geregistreerd. Nog voor we de koffie van het terrastafeltje tot aan onze lippen kunnen brengen, schuifelen ze aan onze tafel voorbij en leggen hun koopwaar voor onze neus. “Need glasses sir?”Terwijl wij op onze eigen zonnebrillen wijzen, legt hij toch vol verwachting, een paar namaak Rayban’s en Versaces op het tafeltje.”Very nice, very cheap..” “No Gracias, thank you!” We mompelen wat tegen elkaar en prompt praat die ‘brillen- voyageur’ zeven andere talen. “Bril kopen meneer? Des lunettes Madame? Brillen kaufen, bitte? Maybe for the lady? Only ten euro! Ten euro is very, very cheap!”

Je kan je niet voorstellen hoe dikwijls we “No gracias” moeten zeggen, voor we de koffie of de pint aan onze lippen kunnen zetten. De brillendealer wordt bijna opzij geduwd door de volgende vertegenwoordiger op de maatschappelijke verkoopsladder. De man die petten en broeksriemen verkoopt. “Nice caps and belts, very cheap Sir!” “No necesario, no gracias, no thank you.” Hierna volgt de man die het tot superleurder geschopt heeft. De mooie afgeborstelde Afrikaan die rondloopt met een plateau glinsterende en glimmende uurwerken, armbanden en halskettingen. Het is al goud wat blinkt. Namaak Valentino, Tissot en Guess worden aangeprezen. Ik kan jullie nu al vertellen, dat wie bij hem een gouden uurwerk, armband of halsketting koopt, na twee weekjes vakantie met een zilveren of metaalachtig verschenen prularia naar het thuisfront teruggaat. ”No gracias”. De laatste van de leurderoptocht is een gitzwart- kleurige man. Zijn ogen glinsteren als twee kooltjes in zijn gezicht. Zijn armen hangen vol met hemdjes, rokken en pareo’s. In zijn handen draagt hij verschillende kleerhangers met lange jurken. Afdankertjes die de lokale winkeliers zelfs met hun rabajas-solden niet meer aan de straatstenen kwijt geraken. Als hij dan al niets verkoopt, dan maakt hij toch, door met de kleding over het grond te sleuren als ‘multitaskend’ alternatief, de tegels van de wandeldijk schoon. Uit zijn rugzak tovert hij nog wat vrouwenniemendalletjes. Hij kan het niet weten, maar ik ben het al lang afgeleerd me in de Spaanse mini kleding te willen wurmen. Je zou wel een complete idioot zijn, moest je hier, op een overvolle promenade, jurken gaan passen! Ik gun het de overwinteraargemeenschap helemaal niet om na zulke verkleedpartij mijn opgekweekte spekrepen te becommentariëren. Dus: “No Gracias, no thank you, danke schön, merci en dank u wel!”

De venters zijn nog vasthoudender dan de persmuskieten die achter Lady Di aansnorden. “You sure? Very nice…beautiful T-shirts!” Manlief en ik negeren de Engels sprekende handelsreiziger en beginnen in een pseudo namaakklinkend Russisch tegen elkaar te brabbelen. Hij kijkt ons stomverbaasd aan. Je ziet zijn hersencellen knarsen, dit is een taal van een land waarvan hij het bestaan nog niet kende. Waar komen deze toeristen vandaan?

Eventjes denken wij dat wij aan de niet aflatende stroom wandelende marktkramers kunnen ontsnappen, maar aan het einde van de wandeldijk keert het rondrijzende volkstheater zich gewoon om. Als na tien minuten het letterlijke zwarte schaap van de Afrikaanse verkoop, met de papegaaien -verenpet, terug voor onze tafel staat en zijn koopwaar weer onder onze neus duwt, is voor ons de maat vol. Hoe dikwijls kan je vriendelijk “No gracias” en “thank you” blijven zeggen. Hoe lang kan je de ergernis bedwingen en “negermoppen” als opkomend zuur terugdringen? “Het ziet zwart vanonder, het heeft één hersencel en heeft haren als een kaketoe?” Het enige woord dat hij meegekregen heeft is “kaketoe”. “Yes, yes…kaketoe!” Terwijl hij met zijn hand bevestigend over de verschrikkelijk kleurige opstaande verenhoed strijkt, zie je dat hij ons als toekomstige carnavalgekken en mogelijke kopers inschat. De euro’s blinken in zijn kinderogen. “Yes, wanna buy, nice for carnaval?”

Grrr…Nog maar net hebben wij deze struisvogel afgewimpeld of de brillenleurder schuift terug voor onze zon. “Nice glasses, schöne Brille.” We kijken hem laconiek, over onze zonnebrillen aan. Een rij witte tanden verschijnt in zijn zwarte pieten gezicht als hij ons herkent. Hij grinnikt vriendelijk: “No brillen today, maybe morgen?” Give me high five en hij klapt lachend zijn chocoladebruine vingers tegen onze witte hand. Naast ons op het terras zitten twee oudere bruine, door de zon gekreukelde en gerimpelde dames. Zij kennen deze venter al sinds jaren en zij doen geen moeite meer om hem in het Spaans of Engels aan te spreken. “Awel menneke, moete gai gien koffeke hebbe?” De Afrikaan laat zich glimlachend bij de dames achter een cappuchino neerzakken. “Slechten bisuness today, menneke?” “Yes crisis in Spain and tourist not buy.. no good for my two wives and four kids!”. Het is een mysterie hoe deze Oom Tom met zijn magere verkoop,hiervan twee vrouwen en vier kinderen kan onderhouden. In september koop ik in Zuid Frankrijk, in de soldentijd, alle zonnebrillen van 3 stuks voor 5 Euro op. Ik vul er een volledige koffer mee, sleep ze door de douane en als ik tegengehouden word, vertel ik hen, dat manlief alle twee dagen boven op een zonnebril gaat zitten of er minstens één verliest (en dan ben ik met mijn uitleg niet ver naast de waarheid). Ik ga hier op de wandeldijk de boel aan 10 Euro per stuk verkopen. Ik zal mijn gezicht wat zwart maken en kan dan in zeven talen de boel proberen te bedonderen. Misschien zet ik voor de lol wel zo’n papegaaiennest op mijnen bol. Laat ons hopen dat ik dan, na een paar dagen intensieve leurderpraktijken,er onze vliegtickets mee kan terug verdienen!

 

Sim, Costa del Silencio       2/2/2015

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Sim om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

COSTA DI FLAMINGI

Nadat wij nu al een aantal jaren op Tenerife aan de zuidelijk gelegen Costa del Silencio overwinteren, lijkt het voor ons een beetje op een jaarlijks thuiskomen.

Het hotel dat al sinds zeven jaar, na een faillissement, nog steeds in de eerste bouwfase staat, lijkt jaarlijks meer en meer op een open, skeletachtige ruïne. De Canaries mikken nog steeds hun sigarettenpeuken in de bloemperken, zodat er tussen de lavakorrels en de zorgeloos bloeiende bougainvillea, de hibiscusstruiken, de yucca’s en de palmbomen al een hele filterasbak ontstaan is. Ja, wat maakt een beetje meer of minder as uit op dit vulkaaneiland… Overal in ons vakantiecomplex hangen er grote viertalige aanplakborden waarop staat, dat op straffe van een flinke geldboete, men de hond alleen aan de lijn mag uitlaten en de uitwerpselen door de eigenaars moeten opgeruimd worden. Zulke regelgeving wordt door de ‘locals’ finaal genegeerd. Overal zie je onaangelijnde kleine keffermormels, liefst in het midden van het witte betegelde voetpad , vrolijk hun stinkende drollen leggen. De Urbanisatie is en blijft nog steeds het loslopende kattenwalhalla. Ook de Duitse rolstoel invalide woont nog steeds aan de overkant van ons vakantiehuisje. Elk jaar wordt zijn voorhoofd groter, zijn vieze miezerige paardenstaartje langer en ziet zijn huid er meer en meer verschrompeld en grauw uit. Soms krijgt hij bezoek van een andere leegloper en denkt hij plots dat hij een diskjockey is. Terwijl we zelf op ons terras, in de zon trachten een siësta te houden, vergast hij ons minstens één maal per week op een Woodstock- achtige plaatjesdraaierij. Nu valt de keuze van zijn muziek, die het midden houdt tussen Duitse schlagers en Englebert Humperdink, nog min of meer mee, maar toch... Naargelang de namiddag vordert en het bier waarschijnlijk alle hersenactiviteit uitveegt, gaat het geluidsniveau stilaan over in festivalmodus. Ik denk dat zijn gehoor afneemt in evenredigheid met zijn alcoholinname. Ik veronderstel dat daarentegen zijn reukzin en intuïtie meer ontwikkelen, want blijkbaar ruikt hij mijn toenemende ergernis. Juist als ik vind, dat het genoeg is geweest en bijna als een Vlaamse furie wil opveren, lijkt het alsof Tom Jones van het festivalpodium afdondert, zich in zijn “Green, green grass of home” verslikt en er volgt opeens een aangename stilte.

De Costa del Silencio is het vakantiegebied naast het oorspronkelijke Tenbel (Tenerife-België) complex. De Vlamingen hebben hier vermoedelijk, in het verleden, massaal met zwart geld, witte huisjes en appartementjes, als tweede verblijf aangekocht. In het vakantiecomplex waar vroeger alleen Vlaamse, Engelse en Duitse toeristen overwinterden, wonen nu sinds de crisis meer en meer de Canaries zelf. Overal op de daken staan nu antennes naar TV Canaria en Spanje gericht en zijn wij hier de allochtonen die met vlaaien van schotelantennes TV Vlaanderen binnenhalen. Er is een Belgische bakker, een Vlaamse dokter en een Nederlandstalige tandarts. Verschillende Vlamingen hebben het druilerige België achter zich gelaten en begonnen hier een café of restaurant. In Las Galletas, het vissersdorpje op wandelafstand, staan verschillende menuborden broederlijk naast elkaar. De Engelsman kan hier voor 2.5 Euro zijn gigantisch English breakfast eten waarna hij waarschijnlijk voor de rest van de dag geen ‘porridge’ meer kan zeggen. Iedere nieuw aangevlogen toerist kan hier, zonder problemen, zijn eigen landsdieet voortzetten. Er worden English Roast, of lambchops with mintsauce aangeprezen. Het konijn met pruimen, frieten met stoofvlees, witlof met hesp en kaas, trekt de doorsnee ‘dagelijkse kost etende’ Belgische reiziger over de streep. Alles is voor een prikje voorhanden: een China town buffet, Wiener Schnitzel, verse Hollandse stroopwafels, pizza, paella, papas canarias con mojo, tapas, schelpdieren ,of vers gevangen en gegrilde vis, gambas en inktvissoorten. Een kilometer voorbij Las Galletas heb je de nederzetting El Fraila. In de goedkopere huizen wonen hier alle bevolkingsgroepen die eindigen op ‘alen’ en ‘anen’. Zwarte Afrikanen, Zuid Amerikanen, Illegalen, marginalen en sinds een paar jaar, omdat wij, Vlamingen ons nog meer zouden thuis voelen, Marokkanen. Om ons geen heimwee te laten krijgen, heeft El Fraila sinds een paar weken na het ‘Charlie Hebdo’ drama, nu ook hun eigen ‘M.terrorist’. We mogen het kind niet meer bij de naam noemen, want dan worden wij als racistische stoorzenders aangeduid. Wij hebben ze samen mee in bad genomen, hun alle onderwijsmogelijkheden aangereikt, hen mee van onze sociale pot laten snoepen en ze langs alle kanten gepamperd. Het enige dat wij van hen verwachtten, was dat ze zouden integreren. Dat ze een zekere verdraagzaamheid zouden opbrengen voor onze westerse waarden en normen, tolerant zouden zijn voor onze vrije meningsuiting en onze soms bizarre uitdagende vorm van humor. Maar lange Arabische tenen hebben niet veel nodig. Als dan, zoals hier een dolgedraaide godsdienstwaanzinnige “Allah Akbar” roepend een medemens neersteekt, hebben ze nog het lef, om met hun frustrerende vinger, ons als schuldige aan te duiden. . De Tenerifse politie, kon de messentrekker na een klopjacht inrekenen en vroeg prompt daarop hun autoriteiten onmiddellijk om kogelvrije vesten uit vrees dat ook hier de terreurboel zou escaleren.

Op de wandeldijk van Las Galletas, zitten de meeste overwinteraars en toeristen van hun Barraquito,Sangria, Mojito of pint Duvel te genieten. Als we op de promenade een tafeltje bemachtigd hebben en van onze ‘jarra’ een halve liter bier voor 1Euro, zitten te genieten, kunnen we aan het becommentariëren van de stroom wandelaars beginnen. Het is niet raadzaam deze opmerkingen te luid te verkondigen, want de Vlaamse spionkop luistert mee. Er is duidelijk verschil te bemerken tussen de half naakte zonnende Europese toeristen en de oorspronkelijke inwoners. Voor de Canaries is het nog duidelijk winter. Ze dragen laarzen, lange broeken, dikke truien en hebben meestal nog een anorak over de arm gedrapeerd. We zien ineens de hoofden van de Antwerpenaars van het terrastafeltje naast ons, dezelfde richting uitgaan. Aan het begin van de dijk komt een oudere moslima, met een hoofddoek en djellaba in een hevige grasgroene kleur aangeslenterd.

“Zie naa, Marie, tis greun en twaggelt, hahaha ne Marokkaanse Kermit de Kikker!”

Achter de seniorenversie, loopt pa-Mo met een paar koters aan de hand, in een mouwloos T-shirtje van de zon te genieten. Een paar passen achter hem, drentelt ma-Fatima, met dikke buik. Ze is gesjaald en volledig omwikkeld met de overgordijnen, zodat ze zonder veel problemen de ergste Tenerifse zandstorm zou kunnen trotseren. “Hiersè, Louisa” fezelt de Antwerpenaar: “Een poar vanachter onzenoek, hoe zouwe die hier kome?” “Assevan ’t Kiel of Borgerhout zen, mè tram 24 hé, Eugène, of mè den 12 asse van sintjansplain komennée” Miljaarde godverdoeme, Marie, hier zitte zoekkal”

Deze Spaans- Marokkaanse mensen kunnen misschien de allerliefste, vriendelijkste en misschien tolerantse toekomstige buren zijn, maar van enige westerse geboortebeperking of kledingintegratie is er tot op heden nog niet veel te bespeuren. De overwinteraars beseffen maar al te goed dat de ‘grotemensenspeeltuin’, onder de lappen stof, sneller kweekt dan het babyuniversum en het pamperparadijs aankunnen. De Antwerpenaren en Brusselaars weten uit ondervinding, dat eens de theelokalen en de waterpijpcafés zich tussen de Belgische bakker en de Engelse pub in wringen en de lokale tapas bar vervangen wordt door een ‘pita-shoarma take away’ het vijf voor twaalf is. De Costa del Silencio, hun Costa di Flamingi zal binnen de kortste keren veranderen in het Hallal- paradijs. Wij laten de sakkerende Vlamingen achter ons en slenteren door de winkelstraat. In de etalage staat, onder de plakkaat ‘Rabajes’ een paspop met een prachtig, met papegaaien en palmbomen versierd, exotisch, veelkleurig afgeprijsd haltertopje. Het doet aan passionele nachten vol seks denken. Manlief blijft afwachtend voor de ingang van de boetiek rondhangen terwijl ik met een rotvaart het pashokje induik. Terwijl ik het Spaanse ‘taille unique’ bloesje over mijn hoofd wurm, verander ik terstond in een ‘jungle bookachtige’ salami. Het niemendalletje verhult amper mijn kokosnoten en accentueert overdreven mijn Rubens spekrollen. De twee bandjes camoufleren nauwelijks de twee beginnende kippenfilets, die sinds een paar jaar onderaan mijn bovenarmen heen en weer wiebelen. Zuchtend hang ik het Spaanse kleine maatje terug in het rek. Als ik zonder aankoop buitenstap, schudt manlief vragend: “Nee?” Ik knik instemmend: “Nee de kleur stond me niet!” Terug thuis zal ik mijn overwinteringgarderobe voor volgend jaar wel wat aanpassen en opnieuw aankopen bij mijn hofleverancier ‘Le Marinier’. Als ik bij ‘De Zeeman’ dan niets op de kop kan tikken, dan weet ik in Antwerpen nog een heleboel winkels waar ze djellaba’s, boerka’s en overgordijnen verkopen.

 

Sim, Costa del Silencio 29/1/2015

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Sim om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

COCKPITPRONOSTIEK

Om drie uur schalde de wekker door de stilte van de nacht. Slaapdronken wankelden wij richting badkamer en wurmden ons in onze kleren. Het licht werd in de living aangestoken, zodat de luchthaventaxi zonder problemen in de donkere nacht, het juiste afhaaladres kon vinden. Tien minuten later schenen twee zaklampgrootte lichtbundels de donkere straat in tot juist voor onze deur. In de taxi zaten nog twee lijkbleke vermoeide, nog vroeger opgestane en afgehaalde vakantiegangers. In de ruimte schalde, op dit onchristelijk vroege uur, op de autoradio, een hypervrolijke Christof het “Onze Vaderlied”, gevolgd door Hoziers’“Take me to the Church”. Man, man, was het misschien het nachtelijk verzoekuurtje “vragen staat vrij” radioprogramma van de geloofsgemeenschappen. Er ontbrak nog juist een islamitisch deuntje aan. Maar die geloofstak zou zich waarschijnlijk na de terreuraanslag van gisteren op het Parijse Charlie Hebdo tijdschrift, wel wat gedeinsd houden.

In de luchthaven was het op dit vroege uur nog behoorlijk rustig. Nadat wij onze koffers aan de incheckbalie afgegeven hadden, konden wij aan de eerste flinke wandeling naar de ‘boardinggate’ beginnen. We moesten enkele roltrappen naar beneden nemen, dan een tochtje langs de nog gesloten taxfree winkels maken, om dan vervolgens opnieuw met een paar roltrappen een paar verdiepingen omhoog te moeten gaan. Hier bevonden zich de ‘antiterreur controletroepen’. Hier scande men de handbagages en keek men met argusogen naar de vertrekkende passagiers. Onze computer moest uit de zak, de jassen en broeksriemen uitgedaan en sleutels en munten uit de broekzakken gezocht. De rugzak waarin onze e-readers en allerlei oplaadsnoeren zaten, moest apart in een bakje gelegd worden. Alles werd gescanned, alsof wij mogelijk ergens een Kalashnikov , granaten of een volautomatisch afweergeschut verstopt konden hebben. Flesjes vloeistof moesten in de laatste afvalbak gedropt worden, met het gevolg dat een waterflesje dat je in Lidl of Aldi voor 25 eurocent gekocht had, na de terreurgrens plots 2,5 Euro kostte. De prijs van de vrijheid moest ergens betaald worden. Ik stapte onder de metaaldetector door en er weerklonk een onverwacht alarm. Onmiddellijk stormde een vrouwelijke agent mijn richting uit. Ze bekeek mij alsof ik een ‘semtexbom’ in mijn wandelschoenen of ergens anders, waar de zon niet schijnt, zou gestoken hebben. De agente beval mij om mijn extra trui uit te doen, de armen opzij te houden en begon mij af te tasten. Ik werd als mogelijke terrorist terug naar de onbeveiligde zone gestuurd. Bij de tweede poging knipperde de boog nog steeds felrood en het alarmsignaal blèrde, dat ik nog steeds een mogelijke gevaarlijke terreurverdachte was. Toen zag de agente plots het horloge dat ik nog steeds rond mijn pols had. Mijn schandalig, peperduur, op een markt in Zuid-Frankrijk aangekocht uurwerk dat wel een volle 5 Euro gekost had, bracht de luchthaven van Zaventem in rep en roer en in onmiddellijke staat van paraatheid. Nadat ik bij de derde poging, lawaailoos door het controlepoortje gegaan was, volgde manlief. Struikelend over zijn broekspijpen, hield hij angstvallig zijn broek omhoog, want zonder broeksband zakte die al snel onder zijn door hem “niet erkende” buik omlaag.

Eindelijk zaten wij in het vliegtuig richting Tenerife. Het ‘boarding’ had een behoorlijke tijd in beslag genomen, want het merendeel van de passagiers, op een paar uitzonderingen na, hadden grijze permanentjes en kale hoofden. Senioren die de Belgische winter ontvluchtten en die met een slow motion tempo van een naaldslak, die in de processie van Echternacht mee stapte (twee passen vooruit en één achteruit) hun plaatsen in het toestel innamen. Zoals hondjes, die viermaal ronddraaiden alvorens zich in hun mand neer te vleien.

Ik ergerde mij al een beetje aan die blinde cijferanalfabeten die wel tot drie keer toe, met hun ‘boardingcard’ in de hand, aan de hostess vroegen, of dit wel de juiste rij en de juiste stoel was. Ze staken hun handbagage in de bak boven hun hoofden alvorens twijfelend uit de midden rij te verdwijnen. De wachtende passagiers drumden voorbij. Nog geen seconde later veerden de met Alzheimer-light geactiveerde reizigers terug op om hun handbagage opnieuw uit de bagageruimte te sleuren, de rij wachtende aanschuivende passagiers negerend, om de stewardessen te vragen of dit wel degelijk de juiste plek was.. De bacillenstoet schuifelde langzaam het vliegtuig in. Overal hoorde men kuchen, hoesten, niezen en snuiten. Het griepvirus had besloten met deze vlucht mee te reizen .Dit toestel leek wel een Pam Vermeulen autobus, die een groep bejaarden voor zondags namiddagvermaak naar het dans/baancafé De Veertien Billekes reed. Terwijl het vliegtuig naar de startbaan taxiede, stelde de gezagsvoerder zichzelf en de copiloot voor. De drie air- hostesses deden een poging om het toneelstukje over de veiligheidsvoorschriften uit te beelden, maar links en rechts hoorde men al ongeïnteresseerd gesnurk. Terwijl wij van de winterse 2 naar de Spaanse 22 graden vlogen, verhoogde België, na een verijdelde terreuraanslag, de alarmgraad van een gematigde 2 naar het gevaarlijke 3 niveau. Na vier uur klonk het ‘fasten seatbell’ geluid en de piloot vroeg de passagiers zich klaar te maken voordat hij de daling naar Tenerife zou inzetten. Dit was het sein, waarop nog enkele senioren onmiddellijk rechtsprongen om alsnog gebruik te maken van het claustrofobisch toiletje. Zij hadden vier uur de tijd gehad maar op de valreep en tegen alle aanwijzingen van de stewardessen in, moesten ze nog eventjes hun plas in het luchtruim achterlaten. Misschien hadden diezelfden, vier uur en vijftien minuten lang, angstig hun anus dichtgeknepen. Toen de wielen van het vliegtuig de Tenerifse bodem raakten, konden zij eindelijk een zucht van verlichting slaken en hun strak gespannen sluitspier ontspannen. Enkelen begonnen van danige opluchting te applaudisseren. In de cockpit stak de gezagsvoerder zijn hand uit naar de copiloot: “Yes, weddingschap weer gewonnen! Wie was er zeker van, dat er dit keer geen paar idioten een debiel applaus zouden inzetten? Je zit niet op een Trans Atlantische vlucht vol yuppies en zakenmensen, maar op de seniorenoptocht naar de zon! Dat kost je vijftig euro, man! Roger en out.”

Terwijl we het vliegtuig verlieten, borrelde een lach in mij op. Toen manlief vroeg wat ik zo grappig vond, zei ik hem, dat hij zich eens moest inbeelden hoe de wereld eruit zou zien, als iedereen die zijn job goed deed op applaus zou onthaald worden. De postbode steekt per uitzondering de juiste brief in de juiste brievenbus. Hoera, hoera, handgeklap! De busbestuurder stopt aan de aangevraagde bushalte. Gejuich en geklap van de medepassagiers!

De slager weegt exact de gevraagde 100 gram vlees af en niet de steeds terugkerende: “mag het iets meer zijn?” Hoera, hoera, groot applaus. Ik vroeg manlief, die vroeger mijn baas was, waarom hij niet steeds mijn d-t-, Franse en Engelse foutloze brieven, ter ondertekening, op een staande ovatie onthaald had.

Waarom onze vrienden mij niet met overweldigend handgeklap beloonden nadat ik een viergangen menu op tafel gezet had..was dit iets om in de toekomst te bespreken?

We wachtten aan de bagageband en zoals gewoonlijk lieten onze koffers weer op zich wachten. Al onze medepassagiers waren al met hun bagage richting aankomsthal vertrokken. Wij vonden het al lang niet meer ongewoon dat onze valiezen in een ander werelddeel terechtkwamen waar ze vruchteloos op een voor ons niet gekozen reisdoel op de band bleven ronddraaien. Terwijl wij ondertussen, op onze vakantiebestemming aan de andere kant van de wereld, wachtend aan de bagageband, wortel schoten.Met een zucht van opluchting wees ik op de twee allerlaatste valiezen, die uit de bagagemond naar boven gestuwd werden.

In de aankomsthal stond de autoverhuurder ons met een groot bord op te wachten, hierop stond met de Spaanse slag RAMON ipv Raymond op. Manlief glunderde toen hij in de auto stapte en was uiterst tevreden met de, in zijn gedachten, glanzende spiksplinternieuwe witte Clio… die overnacht ineens in een Opel Corsa veranderd was…maar er zijn ergere dingen om over te discussiëren!

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Sim om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

EEN ROOKMELDER KAN JE LEVEN REDDEN!

Het was oudejaarsavond 2012. We vierden met zijn tienen de laatste dag van het oude jaar. We hadden gegeten, gedronken, gezongen, een spelletje gespeeld, gedronken en om middernacht geklonken op 2013, gedronken en gezoend. Heb ik al vermeld dat er gedronken werd? Manlief had de grens van lichtjes vrolijk tipsy naar straalbezopen al eventjes overschreden en zat al geruime tijd met een vol glas maar met een lege blik voor zich uit te staren. Een uur voordien had ik hem, tevergeefs, al aangemaand om te stoppen zich met rode wijn vol te gieten. Hij was toen al over zijn ‘theewater ’en het kalf was toen al behoorlijk verdronken. Ik zou het ondertussen reeds moeten weten; je kan geen rede meer van toeterzatte mannen verwachten. Op elke vraag waarop, in het nauw gedreven mannen op dat moment, geen zinnig antwoord meer weten te bedenken, komt steevast de volgende zin op de proppen: “Ik mag toch iets aan mijn leven hebben hé!” Jong en oud bedient zich hiervan. Mijn oom heeft longkanker, mijn vader is een kettingroker, maar ik rook nu en dan maar eens hoor…:”Ik mag toch iets aan mijn leven hebben hé! Mijn hele leven is een festijn, maar na een glas of vijf rode wijn is het leven dubbel zo fijn..: “Ik mag toch iets aan mijn leven hebben hé!” Ze zijn al in de olie en het is vanaf dan een kleine stap om hun herseninhoud tot mayonaise om te klutsen. Enfin toen de vrienden rond 3 uur ’s nachts huiswaarts keerden, zat manlief, als een levend straatstandbeeld aan de tafel te suffen. Twee vrienden, Frank en Jullietje bleven, zoals jaarlijkse gewoonte, bij ons overnachten. Zij trokken zich terug in de logeerkamer op de tweede etage. Ik griste het volle glas voor manlief zijn neus weg en kieperde de inhoud in de keukengootsteen. Het was als water naar de zee brengen. Het was overduidelijk dat, alhoewel hij geen ‘pap’ meer kon zeggen, het woordje ‘wijn’ er nog vol venijn uitkwam. Er zou niet geslapen worden alvorens de tournee langs alle flessen met rode wijnrestjes afgerond zou zijn. Ik liet manlief dan maar alleen met zijn drankkegel en kroop in bed. In de aanpalende kamer hoorde ik al het zachte gepruttel dat een snurkje voorafging. Plots na enige tijd hoorde ik een snerpend gepiep. Was dit een gerinkel van een mobieltje in de logeerkamer, een verlate telefonische nieuwjaarswens? Na enkele minuten begon het irriterende gepiep opnieuw, nu sneller en sneller op elkaar volgend. Ik kwam uit bed en probeerde het gillende gepiep te lokaliseren. Boven aan de trap, aan het plafond boven de overloop van de tweede verdieping, hadden wij een rookmelder geïnstalleerd. Het ‘kolereding’ snerpte juist op 1 januari om 3.30 uur midden in de benevelde nacht een boodschap dat de batterij leeg was! Ik klopte met een stok tegen de stoorzender die prompt zijn laatste piep inslikte. Yes! Ik lag nog niet tussen de lakens toen het gekrijs opnieuw startte. Ik zette een keukentrapje onder de boosdoener, klom erop, ging op mijn tenen staan en probeerde met een grote schroevendraaier tot aan de rookmelder te geraken. Ik was bij het uitdelen van de lengtes misdeeld en kwam duidelijk een volle tien centimeter te kort. Ondertussen waren Frank en Jullietje slaapdronken op de overloop verschenen en had manlief eindelijk iets van het lawaai waargenomen. Hij kroop de trap op, maande ons onder theatrale gebaren en gesis terug naar de slaapkamers. Hij ‘de grote strijder, de probleemoplosser, de verlosser van alle vrouwelijke onkunde, de handige Harry van Edegem’ zou de zaak van het krijsende toestel eens snel oplossen en moest daarbij geen pottenkijkers hebben. In benevelde toestand tastte hij naar het keukenhulpje, mikte zijn voet op het trapje en zwijmelde met de schroevendraaier de lucht in. Ongerust verdwenen wij van het toneel. Wij hadden de deur van de slaapkamers nog niet gesloten of wij hoorden een geweldig kabaal. Daar viel manlief, in gezelschap van het keukenladdertje en de zwijgende rookmelder de trap af. Met een rotvaart stuiterde hij trede na trede naar beneden, in zijn val een reeks fotokaders van de traphal meevegend. Op de overloop van de eerste verdieping kwam hij, met zijn hoofd naar beneden, tegen de deur tot stilstand. Hij lag er voor Pampus. Vol ongeloof kroop hij op handen en voeten in het halletje rond. Overal was bloed. Ik beval hem om onmiddellijk stil te blijven liggen en te kijken of er niets gebroken was. Alleen een grote glaspunt zat in de hiel van zijn voet. Ik trok het glas eruit en nog voor ik de wond kon ontsmetten, grijnsde manlief ons ‘debielig’ toe en zei: “piep gedaan”, strompelde in gemarineerde toestand de trap terug op en kroop in bed. Ons gastenduo, alhoewel hevig geschrokken, ging proberen ook nog wat slaap in te halen. Mijn hart fladderde en de adrenaline pompte door mijn hoofd. Bijna had ik, in het beste geval, de eerste dag van het nieuwe jaar op de spoed doorgebracht. Toen ik de stukgevallen kaders en achtergebleven glasscherven opgeruimd had, hoorde ik op de bovenverdieping al een snurkcanon. Toen ik naast manlief tussen de lakens gleed, nam hij mij vast en met een dronkemans alcoholwalm vroeg hij: “ziede gij mij nog gère?” Op dat moment zou ik vol overgave de echtscheidingspapieren tegen zijn smoelwerk getimmerd hebben. In zijn droom beleefde hij zijn duikeling waarschijnlijk opnieuw, want slapend riep hij: “Mannekes, mannekes, amaai, amaaai, mannekes, mannekes toch!!” Het dronken gesnurk klonk als een tractor die door de slaapkamer denderde. Na een uur kon ik het niet meer aanhoren. Ik trok met mijn hoofdkussen onder mijn arm één etage lager en ging vol zelfmedelijden op de sofa liggen mokken. ’s Morgens verscheen manlief met een verkreukeld aangezicht aan de ontbijttafel. De rode wijnkegel was verdampt. Toen we hem bezorgd vroegen of hij nergens pijn had, keek hij ons stomverbaasd aan en wees alleen naar het geronnen bloed op zijn voet. Ofwel gaf hij hier een meesterlijk stukje amateurtoneel ten beste ofwel was dit wel degelijk een symptoom van comazuipen of Alzheimer rosé. Hij wist van de ganse’“nieuwjaarsduik’ niets meer. Blijkbaar heeft een dronken man dus toch een speciale beschermengel. De rest van de week werd alcoholloos doorgebracht. Er werd niet meer aan Bacchus geofferd. Mijn nuchtere wil was wet: "Ik mocht toch ook iets aan mijn leven hebben hé!".

Als onze regering ons nu wil wijsmaken dat ‘een rookmelder je leven kan redden’, kan ik onverwijld het tegendeel beweren! “Een rookmelder kan je leven verkorten en ik had per 1 januari 2013 zelfs weduwe kunnen zijn!

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Sim om 21:49 Reageer op dit bericht Stuur door

IK MAAK ER EEN KOOKBOEK VAN!

Het was kerstvakantie en kleinzoontje kwam bij ons logeren. Nu is voor die kleine snoeper geen etentje volledig als er geen nagerechtje achteraan komt. Hij bedoelt dan niet een doordeweeks ijsje, maar een echt dessert. Griekse yoghurt met honing en fruit (maar dan niet met teveel fruit want dat is te gezond), chocolademousse of pudding, rijstpap met bruine suiker, crème brulée of een taartje gaan er zonder veel problemen in. Die kleine zevenjarige smulpaap kan zijn Nana als geen ander rond zijn vingertje winden en dus zou er voor het afronden van het kerstdiner liefst iets heel speciaals uit de lekkernijhoek moeten komen. Ik pijnigde mijn hersens en dacht onmiddellijk aan de profiterolles die ik zo’n 35 jaar geleden eens zelf gebakken had. Ik vergeet nooit die allereerste keer dat ik de echte profiterolles, gevuld met vanille ijs en overgoten met smeuïge chocoladesaus geproefd had. Wij kampeerden in Zuid-Frankrijk, in de omgeving van Agde en gingen op uitstap naar Pèzenas, de stad van Molière. Het was juli en een hete zonovergoten dag. We hadden voor de lunch een tafeltje in de schaduw gevonden op een terras van een klein restaurantje. Voor dit eethuisje prezen allerlei menuborden de plaatselijke streekgerechten aan. Mijn vader zei altijd: “Probeer zoveel mogelijk van de wereld te zien. Waar je ook bent, ga niet voor de Belgische ‘biefstuk-friet’ maar tracht steeds het locale inwonersmenu te proeven.” Terwijl mijn twee mannen voor een veilige pizza kozen, ging mijn vaderlijk gen in overdrive en wees mijn vinger onmiddellijk het plaatselijk aangeprezen lunchmenu aan. Er stonden twee gerechtjes op die ik helemaal niet kende. De ongekende keuzes lieten het water alvast in mijn mond lopen: Brochette d’abats en als dessert profiterolles. Ik geef toe dat niet alle streekgebonden gerechten overgrote successen waren. Vooral in landen waarvan we de taal niet machtig waren en we de vreemde tekens niet konden lezen, konden we nogal eens voor verrassingen komen te staan. Het was zoiets als Russische roulette spelen. Vier keer ging het goed en de vijfde keer kreeg je soms een met look en peterselie opgesmukte stront op een bordje voorgeschoteld. Dit risico moest je er dan maar bijnemen als je nieuwsgierig en avontuurlijk was. Zo aten manlief en ik, in Thailand gefrituurde krekels en blauwglanzende torren, die lekker knisperend waren en net als onze chips proefden. In Ecuador smulden wij op de markt van cuy, de op de barbecue geroosterde cavia’s, die net als konijn smaakten. In Vietnam sliepen wij bij de plaatselijke bevolking in een ‘homestay’. Hier kregen wij een uiterst lekker stoofpotje voorgeschoteld. Nadat wij onze buiken goed rond gegeten hadden en wij de laatste restjes met brood bij elkaar schraapten, vertelde onze gids ons, dat dit een ‘hondjesstoverij’ was. So what..het was verdomd lekker! Nabij de Victoria Falls in Zimbabwe kregen wij, als inheemse delicatesse, zwarte wormen geserveerd. Onze medereizigers keken kokhalzend toe, toen wij in de wormen beten en er een wit puddingachtig slijm over onze lippen liep. Het liet alleen een afgrijselijke ongedefinieerde verdufte grondsmaak na. Dit was dus de vijfde kogel van de Russische roulette.

In Pèzenas, in de schaduw van de acaciabomen zat ik dus verlekkerd te wachten op mijn nieuwe ontdekkingen. Terwijl mijn ex-man en mijn zoontje hun tanden in de geurige pizza’s zetten, kwam er voor mij een spies met gegrild vleesafval. Abats, abattoir…slachthuis…had ik eventjes doorgedacht dan had ik het kunnen weten! De brochette met stukken tripes, tong, niertjes en lever was versierd met een blaadje sla, een sneetje tomaat en drie stukjes aardappel. Mijn smaakpapillen kwamen in opstand. Als er nu één ding ter wereld was, wat ik absoluut niet binnenkreeg…juist. Het hoofdgerecht was voor mij dus een Franse slag in het water. De Pèzenassenaars mochten hun lokale lekkernij zelf oppeuzelen. Ik was( en trouwens nu nog steeds niet) totaal geen fervente dessertmadam, maar nu zat ik toch hongerig en vol ongeduld op de profiterolles te wachten. Daar kwamen ze dan, vijf luchtige soesjes, gevuld met romige vanille ijs en overgoten met glanzende pure chocoladesaus. En engeltje dat op je tong pieste.

Terug in Antwerpen ging ik op zoek naar diezelfde lekkernij. Het enige wat ik vond waren kartonachtige fabriekssoezen gevuld met slagroom die in de verste verte niet op het hemelse toetje geleken. Ik besloot voor kerstavond de profiterolles dan maar zelf te maken. We bevonden ons nog in het voorhistorische computertijdperk en het woord “google” was een nog niet uitgevonden begrip. Met een recept van soezendeeg, uit het ‘Grote Kookboek van de Boerinnenbond” toog ik aan de slag. Ik mengde, ik roerde en ik kliederde. Ik spoot met een zelfgemaakte spuitzak bolletjes soezendeeg ‘als eieren zo groot’ op het bakpapier. Vol ongeduld keek ik door het raampje van de oven. De krengen bleven groeien en zwellen. Na 25 minuten had ik aan elkaar gekoekte sinaasappelgrote soezen. Het rook heerlijk in de keuken, naar wafelenbak en het smoutebollenkraam. Ik kreeg het niet over mijn hart, mijn eigengemaakte halve tennisbalgrootte ‘profiterolletjes’ in de vuilnisbak te kieperen. Ik sneed ze open, vulde ze met een grote bol vanille ijs en overgoot ze met warme chocoladesaus. Er konden er juist twee naast elkaar op het dessertbordje en toen ik ze opdiende, was het net of ik aan iedereen een paar negerinnenborsten cadeau deed. De mannen likten suggestief de chocolade van de soezen terwijl de dames, een beetje lacherig en maten vergelijkend, de lepel in het nagerechtje duwden. Het gelach en het commentaar over mijn ‘tietendessert’ heeft me nog geruime tijd achtervolgd.

Na 35 jaar zou ik het goddelijke dessert voor mijn kleinzoontje nog eens opnieuw uitproberen. Ik googlede en kreeg onmiddellijk een honderdtal recepten. Dus als een volleerde ‘profiterolkenner’ ging ik opnieuw aan de slag. Ditmaal waren ze perfect van grootte en structuur, ze smolten op je tong. Mijn eigen ‘komen eten’-familie gaf me na het kerstdiner een welverdiende 9/10 voor sfeer en gezelligheid. Mijn zevenjarig kleinzoontje glunderde. De chocoladesaus zat overal, van zijn mondje over zijn neusje tot achter zijn oren. Hij stak zijn bruine duim omhoog en zei dat hij voor dit dessert een overduidelijke 10/10 gaf.

Dus tv koks, Jeroen Meus, Piet Huysentruyt en Sofie Dumont jullie zijn verwittigd. Als het aan mij ligt, komt er dit najaar een nieuw erotisch kookprogramma à la Nigella Lawson “Chez Nana” op de buis. Ik zal kookzappend Vlaanderen overspoelen met mijn chocolade ‘tietendessert’ en leg er dan voor de dames nog een aanschouwelijke banaan bij!

Om de verkoop van mijn eventuele tweede boek, als kookboek, wat aan te zwengelen, volgt hierna het recept van overheerlijke profiterolles!

De ingrediënten in dit recept zijn voor 4 tot 6 personen.

de soesjes:

5 eieren

100 g boter

180 g bloem , 2 grote soeplepels zelfrijzende bloem en de rest patisseriebloem

25 cl water = 1 bierglas

1 vanillestokje of een half zakje vanillesuiker.

1 snuifje zout

de chocoladesaus:

200 g donkere chocolade

100 g suiker

1 klontje boter

1 dl water

de afwerking:

1⁄2 l vanille-ijs

bereiding

de soesjes:

Weeg alle ingrediënten zorgvuldig

Zet een kookpot op een laag vuur en giet het water in de pot. Voeg er de boter bij het halve zakje vanillesuiker of de zaadjes uit de vanillestok . Snij de vanillestok overlangs door en schraap met een mespuntje de zaadjes uit de beide helften van de peul. 

Laat de boter smelten en giet dan de bloem in de pot. Zet het vuur op een laag pitje en meng alle ingrediënten met een houten lepel, tot ze samenklitten tot een deeg. 

Haal de pot van het vuur en voeg nu de eieren één voor één toe. Meng tussendoor krachtig tot elk ei in het beslag verwerkt is. Dit vraagt een beetje inspanning! Om je een idee te geven: het beslag moet de dikte hebben van egale stopverf.  

Voeg een snuifje zout toe, meng goed en vul de spuitzak met het soezenbeslag. Indien je geen spuitzak hebt, neem dan een plastiek diepvrieszakje er snij er aan één hoek een punt af Verwarm de oven voor op 180°C. Hou de ovenplaat er uit. 

Bedek de ovenplaat met een vel bakpapier.  Neem de spuitzak en spuit egale toefjes beslag op de bakplaat. Laat voldoende ruimte tussen de porties beslag, want het volume zal tijdens het bakken verdubbelen.(denk aan mijn eerste baksel 35 jaar geleden!) Kies voor porties die half het volume hebben van de inhoud van je ijsschepper. Bak de soesjes gedurende 25 minuten in een oven van 180°C, en laat ze nadien even afkoelen.Je kan de soesjes ruim op voorhand bakken, ze vullen en ze in de diepvriezer bewaren. Laat ze daarna +- 15 tot 30 minuten ontdooien.

de chocoladesaus:Zet een steelpannetje op het vuur en doe het water en de suiker erin. Breng het mengsel aan de kook zodat er een bleke suikersiroop ontstaat.

Breek de chocolade in stukken en smelt ze in de siroop. Roer voortdurend met een garde, tot je een glanzende saus krijgt. 

Meng ten slotte een klontje koude boter door de saus.

de afwerking:

Snij de gebakken soesjes middendoor. Gebruik hiervoor een scherp mes (bv een steak- of broodmes).  

Leg op elk half soesje een bolletje vanilleijs. Plaats er de hoedjes op, en serveer de profiteroles met een flinke lepel warme chocoladesaus.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Sim om 14:00 Reageer op dit bericht Stuur door

MIJN EERSTE BOEK

OP ZOEK NAAR EEN LEUK BOEKJE ?

 

Simone (Sim) Cornelis werd op 17 december 1951 te Antwerpen geboren. Hier volgde zij in het SISA een opleiding ‘Sierkunsten en Fotografie’. Samen met haar man woont zij in Edegem bij Antwerpen. Zij is een vrolijke creatieve levensgenieter. Samen met haar man ontdekt zij de ganse wereld en toert zij een paar maanden per jaar met de caravan rond. Zij beschrijft op haar eigen humoristische manier de actualiteit van nu en situaties van vroeger. 

De Antwerpse Sim beschrijft op humoristische wijze heel herkenbare situaties en waargebeurde verhalen. Zij schrijft op een ludieke manier over haar jeugd (als blonde ‘babe’), over haar loopbaan als secretaresse en over haar angst voor kleine ruimtes. Ze vertelt op een grappige manier over de liefde voor haar man, kinderen en kleinkinderen. Komische, lachwekkende vakantieavonturen en het rondtrekken met de caravan zijn steeds terugkerende gegevens. ‘Manlief’ is voor haar een hilarische en onuitputtelijke bron van inspiratie. Zij houdt zielsveel van hem, maar ze kan hem af en toe wel achter het behang plakken. Geniet van haar columns en haar humor!  

Stukje uit mijn eerste boek, column “De zakkenvuller”

quote

Juist toen ik de verpleegster wilde vragen, of het nog voor vandaag zou zijn, ging eindelijk de deur open en een gehaaste Alain Delon ‘lookalike’, kwam met een nog open flapperende doktersjas zijn praktijk binnengespurt. Zonder mij aan te kijken, wapperde de gynicoloog me voorbij richting zijn bureau. Toen gebeurde het onvoorstelbare…ik bleef met mijn grote teen in zijn jaszak haperen! Een voor hem onzichtbare kracht remde zijn tocht af en trok hem terug in achteruit. De dokter keerde zich om en met een: “Héla, hela, wat gebeurt er?” pulkte hij mijn grote teen uit zijn jaszak en ging met een zucht achter zijn bureau zitten. Het ‘schaamrood’ verspreidde zich over mijn ganse lichaam. Hij nam gejaagd een plastiek mapje en haalde hier een dossier uit. “Mevrouw Cornelis?” Hij keek recht in mijn kruis alsof zich daar de bevestiging van mijn naam bevond. Mijn onderste lippen lagen geopend in een grote O, terwijl mijn bovenste lippen in mijn tomaatrode kop gewoon dienst weigerden. Met toe geknoopte doktersjas zette hij zich tussen mijn geopende knieën, duwde een soort metalen eendenbek bij me naar binnen en plukte een stukje uit mijn binnenkant. Dit alles zonder mij één blik te gunnen. “Zie zo Mevrouw Cornelis, toch niet teveel pijn gedaan hoop ik?” “U mag zich terug aankleden.” Terwijl ik in mijn blote reet terug richting kleedkamertje ging, voegde hij er nog aan toe “U mag het resultaat met de post verwachten en bij slecht nieuws, wordt Uw huisdokter op de hoogte gesteld…en in het vervolg, niet meer in mijn zakken zitten hé!”

unquote 

Voor alle verdere informatie kan U mij een mailtje sturen, of onmiddellijk op de website van www.boekscout.nl het boek bestellen of mij contacteren 

Vercauteren-home@telenet.be

Groetjes

Sim

Bij bestelling in een boekhandel, gelieve te verwijzen naar Boekscout.nl met nummer

ISBN 978-94-0221-266-0

“Het scharnierend schuurtje”, waargebeurde humoristische verhalen van Sim

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Sim om 17:49 Reageer op dit bericht Stuur door

IK STAAK!

Beste lezers die mij via mail of via mijn blog volgen,

 

Jullie zullen gedacht hebben dat mijn fantasie opgedroogd was of dat ik minstens een writer’s block had. Niets is minder waar. IK STAAK. Jullie lezen het goed! Ik staak!Waarom ik staak? Daar moet ik nog eventjes heel diep over nadenken.

Ik ben nogal trendgevoelig. De laatste maanden lijkt het modewoord in België, ‘werkweigering’ te zijn. Vier dagen in één maand tijd staakt men nu al in België. Men wil duidelijk niet meer werken en al zeker niet ‘langer werken’… Dus modebewust staak ik mee. Geen letter kwam er nog uit mijn PC. 

Ook ik heb recht op verontwaardiging en om af te geven op alles wat krom en scheef zit in onze welvaartmaatschappij.

Op straat komen met een groot spanbord met daarop “Wij willen niet langer werken, of wij willen brugpensioen” is nogal hypocriet, want ik ben al een paar jaar met pensioen.

Rond brandende autobanden gaan staan en roepen: ”Wij willen geen indexsprong” lijkt ook onrealistisch. Met ons povere pensioentje, zie je amper dat er jaarlijks index bij komt, dus zal die geplande indexsprong ons waarschijnlijk geen boterham minder doen eten.

Wil ik een rijkentaks? Eventjes nadenken…ben ik zelf rijk? Meer tijd dan geld, zeg ik altijd. Mensen die van nul een firma opstarten, grote winst maken als ze deze verkopen, hiervoor vervolgens in België geen belastingen betalen, daar wordt schande over geroepen. Miljonairsvoetballertjes en wielrenners die hun geld in Monaco of in Luxemburg wegsassen, dat vindt men normaal en die belonen we dan nog eens met een ‘Gouden schoen’ of een beker ‘Sportman- of vrouw van het jaar’. Die jackpotten zorgen voor het zondagse vertier! Daar mag door het gepeupel niet aan geraakt worden. Geld is een vreemd goedje, als je het bewaart heb je er niets aan, als je het uitgeeft, ben je het kwijt. Waarom staak ik dan?

Ik staak, omdat manlief met een spiksplinternieuwe auto, in plaats van maar eerst na vier jaar, nu jaarlijks naar de autocontrole moet. Doordat wij bij aankoop van de wagen een gloednieuwe trekhaak lieten installeren en een caravan trekken, moeten wij nu alle jaren een controlebelasting in de regeringsla leggen. De autocontroleurs duwen eventjes op de trekhaak, schijnen met een zaklamp onder de auto zijn achterste en je mag langs de kassa passeren.

Ik staak omdat ze in mijn achtertuin sociale woningen gebouwd hebben. Ik preutel niet over het idee ‘sociale woningbouw’ zelf en ook niet omdat het letterlijk in onze achtertuin staat, maar om de grandeur van de appartementen en de tuinen. Ik staak, omdat ik op het merendeel van de supergrote terrassen, hoofddoeken en schotelantennes zie verschijnen. Deze ‘kansarmen krijgen met ons geld, een riant beneden appartement met een tuin van 10 meter breedte en 25 m lengte onder hun zitvlak geschoven. Het zou met wat minder toch ook wel gaan zeker? Terwijl onze kinderen voor hun huis met tuintje, elke maand met moeite hun hypotheek aflossen en nagenoeg niets overhouden om voor een tweedehands auto te sparen, rijden deze ‘minderbedeelden’ plots rond in een Mercedes,in BMW’s met getinte ruiten en in SUV wagens. In één van de sociale tuinen staan plots drie moto’s, drie fietsen, twee grasmachines, een trampoline en een zwembad met een doormeter van 4 meter, helemaal tot de nok gevuld, met door de gemeenschap betaald, water! Daarom staak ik!

Ik staak om het onrecht in de wereld. Omdat alle mensen die geloven niet genoeg bidden om God of Allah te overtuigen dat zij hun geloofswaanzinnige achterban moeten trachten te stoppen. De gelovigen beweren toch dat hun God en Allah almachtig zijn..of niet? Waarom komen deze goden dan niet tussenbeide? Ik staak omdat overal ter wereld vrouwen als vuilnis behandeld worden en kinderen sterven omdat ze willen leren. Ik staak omdat de moslims niet massaal op ’t straat komen om met een heel luid roepend “Not in my name” al die islammoorden te veroordelen. Ik staak voor toestanden die er werkelijk toe doen, niet omdat wij een zuchtje van onze welvaart af moeten geven, zodat onze kinderen en kleinkinderen niet met gigantische schulden zouden moeten opgroeien.

Dus ook ik leg het werk neer. Ik weiger nog één poot in de keuken te zetten. Ik weiger koffie te zetten en in mijn potten te roeren. Gedaan met kuisen voor dat kleine pensioentje. Ik weiger de wasmachine in en de afwasmachine uit te laden. Ik eis dat het werk als huisvrouw net als de job van de bouwvakker en de leraar als zwaar beroep erkend wordt! Het zal zelfs niet ophouden als ik 67 ben, het gaat gewoon door. Staken is staken! Manlief begrijpt het allemaal niet. Hij wil vooral geen olie op het stakersvuur gooien. Hij vraagt me heel zachtjes waarom ik dit allemaal op hem, de onschuldige brave ziel moet uitwerken? Wel, ook dat is een modeverschijnsel, medeburgers pesten om je gelijk te krijgen…en zoals ik reeds vertelde, ik ben heel trendgevoelig! Manlief kijkt me glimlachend aan: “Oké schatje er is nog plaats voor overleg aan de onderhandelingstafel! Wat denk je ervan, je wordt vandaag 63, dus vandaag geen ‘gekook’ en geen ‘gekuis’. Laat ons een beetje feestvieren en eens lekker bij de Thai gaan eten!” Als dit geen toegeving is? Ik grijns van oor tot oor: “Yes, yes toch iets uit de stakingsbrand gesleept!”  

Sim 17/12/2014

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Sim om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van HET SCHARNIEREND SCHUURTJE II

↑ Terug naar de berichten