Touwtje springen


liedjes van splietje en tekeningen van splietje
Touwtje springen

Jacob Hamel album 1937
1
Ik ben de dirigent
Wij spelen altijd liedjes
die elk op z’n duimpje kent
M’n zusje blaast op de trompet
M’n broertje slaat de trom
Zo gaat het dan van tierelier
Dat doet ze o zo fijn
Allen de baby doet niet mee
Want die is nog veel te klein
Wij spelen dan die lieve schat
De leukste wijsjes voor
’t Zijn altijd weer de liedjes
van het AVRO Kinderkoor
-0-0-0-0-0-
2.
Het is een dapper dier
Duizend gulden is het waard
Wakker is ’t en fier!
’t Loopt en draaft in ferme pas
Vast in ’t zadel hoor!
Zit ik op m’n hobbelpaard
‘k Vlieg er flink van door
Maar hoe Ridder draaft of holt
Reizen is plezant
‘k Wil met jou een even gaan
Naar Kabouterland
Naar dat landje lief en fijn
Zal dan staan te zien
Kleine koning Edelmoed
Biedt mij geld misschien
Licht dat hij honderd gulden gaf
Neemt hij z’n scheepje meer!
Dat deint en dobbert in het rond
Precies als op de zee, de zee!
Het heeft twee zeiltjes aan de mast
Een vlaggetje in de top
En ’t vaart door zeepsop golven heen
Die spatten duizend schuimend op, ja op!
Hij stuurt z’n stevig schip, z’n schip!
Naar Spanje en Amerika
Daar is ’t ie in een wip, een wip!
Dan gaat het naar Oost-Indië
Naar China en Japan
Het wordt een hele verre reis
Zo ver als het maar kan, ja kan!
Verlang je niet naar huis, naar huis?
Toe kleine zeeman maak wat voort
Kom nu maar weer eens thuis, eens thuis!
Ziezo het scheepje aan de wal
De reis is weer gedaan
Nu is ’t tijd om één, twee,drie
Naar Dromenland te gaan, te gaan!
Koekoek, koekoek, koekoek, koekoek
‘k Heb zo’n grappig klokje
’t Hangt in onze kamerhoek
En een vogel roept “Koekoek”
“Koekoek, koekoek, koekoek, koekoek.”
Roept hij alle uren
Soms wel minstens twalef keer
En dan komt hij telkens weer
“Koekoek, koekoek, koekoek, koekoek.”
‘k Vind het echt een pretje
En als hij het acht maal doet
Zegt hij dat ik slapen moet
“Koekoek, koekoek, koekoek, koekoek.”
5.
Kijk, daar zit ze - fier rechtop
Met de handen op de toetsen
C, d, e, f, g, f, e,
En ze kan ook netjes tellen
En dan ga ik, zegt die Lien
Een heel aardig stukje leren
Want het is erg moeilijk, hoor!
En is ’t dan ma’s verjaardag
Dan speel ik haar netjes voor.
De ene was een duikelaar
Hij had een buikje dik en rond
En stond te wiebelen op de grond
De popjes smaalden
“Moet je zien,
Heb jij een buik van lood misschien?”
Kijk, wij zijn chic en elegant
Maar jij lijkt wel een olifant
Daar kwam een klein boos kindje, zeg
Dat schopte al die popjes weg……..
Twee lagen zielig naast elkaar,
Maar één bleef staan: De duikelaar!
O wat zijn we blij!
Omdat Toosje jarig is
Springen, dansen wij
Zingen wij de hele dag
’t Nieuw verjaardagslied
’t Is gemaakt speciaal voor Toos
’t Leuke vlotte kind
Weet je één te noemen
Die Toos niet aardig vindt?
Nee toch, want die is er niet
Ieder houdt van haar
Dus wij vieren deze dag
Zij krijgt maar cadeaux
Ieder pakje dat er komt
Is bestemd voor Toos
Zij bekijkt ’t cadeautje eerst
Legt het naast haar nee
En ze roept dan lachend uit
Dat betekent feest!
En er wordt dus flink gesnoept
Toos snoept zelf het meest
Elkeen neemt maart wat hij wil
Is dat even fijn?
Toos zou eig’lijk ied’re dag
Komen toch jouw liedjes
Waarvan krijg je altijd weer
Nieuwe melodietjes?
Leert je moeder jou misschien
Al die mooie dingen
Zit ze ‘savonds bij je bed
Jou wat voor te zingen
Bij mijn broertje Keesje
’t Is toch haast hetzelfde he
’n Kindje of een meesje?
Beiden zijn ze van hun moes
Echte lievelingen
Maar m’n broertje kan toch heus
Nog zo mooi niet zingen
Tralala tralala.
-0-0-0-0-0-
9.
Zijn Janneke en Jetje
Aan ’t bellen blazen in de zon
Een dol gezellig pretje
Ze hebben elk een lange pijp
Zo’n echte Goudse, weet je
En zeepsop in een kommetje
Ze blazen maar eens even
En daarna zie je door de licht
De mooiste bellen zweven
Twee, vier, zes, zeven
Almaar meer
De ene na de ander
Ze drijven met het windje mee
Daar immers niet om treuren
Zij blazen wel weer een andere
Met nog veel mooier kleuren
Het zeepsop borrelt
Bruist en spat
Tot over hunne oren
Hun schortjes worden klets, kletsnat
Van blinkend gitszwart haar
Maar op een zek’re morgen kwam
De kapper met een schaar
En in een wip
Is knip, knap knip
Mijn broertje Bram
Hij heeft hem nu niet meer
Maar als hij nu geduldig wacht
Dan groeit zijn haar wel weer
Want in een wip
Is knip, knap, knip
Zijn haar weer om
Jacob Hamel album 1936

1.
En zingen blij, ja blij ons lied
Want zingende AVRO kindr’ren
Die kennen geen verdriet
Het zingen maakt ons vrolijk
En opgewekt van zin
En zo gaan onze liedjes steeds de wijde wereld in
Hoor, Hoor! Daar is het kinderkoor!
Fluitend klepp’rend wat u wil
Onze mondjes staan niet stil
Hoor, Hoor! Het AVRO kinderkoor
Dat zingt nu weer met blij geluid
Het hoogste liedje uit.
Wij zijn de AVRO zangertjes
En wij hebben allemaal
Zo’n liefde en ook eerbied
voor het lied in eigen taal
Wij zingen van de bloemen,
van zon en kinderpret
Wij zingen bij het opstaan
en gaan zingend weer naar bed
Hoor, Hoor! Daar is het kinderkoor!
Fluitend klepp’rend wat u wil
Onze mondjes staan niet stil
Hoor, Hoor! Het AVRO kinderkoor
Dat zingt nu weer met blij geluid
2.
Poppen slaapliedje
Popje, ik stop je
Maar gauw in je bed
Jij moet gaan slapen
Niet langer gapen
Jetje, wat letje
Om slapen te gaan!
’t Pretje is uit en het spelen gedaan
Jij moet van ’t slapen
Heel hard groeien
Jij bent zo moe van al dat stoeien
Ook bij je moeke gaan d’oogjes al toe
Wel te rusten.
Wij beidjes zijn moe.
-0-0-0-0-0-
3.
De Verkeersagent
Als Bobby thuis aan ’t spelen gaat
Dan is hij een agent
Staat op een houten voetenbak
Voelt zich een grote vent
Zijn wagentje en ook zijn tram
Zet hij aan d’ene kant
Aan d’andere een bruine beer
En blijft de rechter neer
Dan wenkt hij met zijn rechterarm
Zo regelt hij ’t verkeer
Maar ach, zijn dieren en zijn tram
Zijn toch zo vrees’lijk dom
En als ’t verkeer niet verder gaat
Draait hij zichzelf maar om.
-0-0-0-0-0-
4.
Maar kipje
Maar kipje, maar kipje
Wat heb je gedaan
Je bent naar de stal van het sikje gegaan
Ik vond er dit eitje
Hoe of ik ’t weet?
Ik hoorde je kaak’len
En keek door een spleet.
Als moeder dit hoorde
Ja, kijk me eens aan
Dan mocht je vooreerst niet meer
wand’len gaan
-0-0-0-0-0-
5
Regen
Het regent, Oh! wat regent het!
Het regent dat het giet
Er liggen plassen op de straat
Er door loopt kleine Piet
Hij is niet bang voor al dat nat
Al stroomt de regen neer
Want met zijn regenjasje aan
Verdraagt hij ’t slechtste weer
Stap, stap, stap stap
Gaat onze Piet
Stapt onze Piet.
En natte voeten? Wees niet bang!
Ook daar is aan gedacht
Want laatst heeft vader van zijn reis
Kaplaarsjes meegebracht
En met die jas en laarsjes aan
Gaat Pieter nu naar school
Van regen heeft hij heel geen last
Maar juiste de grootste jool
Stap, stap, stap stap
Gaat onze Piet
Stapt onze Piet.
-0-0-0-0-0-
Hoor een hoe hij snikt
Ach, hij heeft zijn vingertje
Aan een speld geprikt
“Stoute, stoute vent
Jij kwam aan de speldendoos
Domoor die je bent
Kom maar even op mijn schoot
Nog niet over zeg?”
Dan een lapje er omheen
Zo. De pijn is weg
Nog een snikje, nog een traan
En ’t verdriet is weer gedaan
IJdeltuitje
Jozetje kijkt in ’t spiegelglas
Dat kleine ijdeltuitje Ze heeft een snoezig jurkje aan
Een jurkje met een ruitje
Moes heeft het stilletjes gemaakt
Om haar eens te verrassen
Toen’t klaar was Moest Jozetje
Gauw het nieuwe jurkje passen
Ze spreidt het wijde rokje uit
Versierd met smalle strookjes
O, denkt ze. ‘k Lijk wel zo’n prinses
Waarvan je leest in sprookjes
Ze kijkt eens naar de kanten kraag
Met het fluwelen lintje
Dan roept ze “Moesje
‘k ben zo mooi!
Ben ‘k heus uw eigen kindje
8.
Kleine Cotje kreeg van oma
Een piano in een doos
’s Morgens zat z’in haar bedje
En zij sloeg een hele poos
Op de toetsjes en zij zong
“Maar zo vroes des morgens niet
Overdag, ga dan je gang”
Pap kwam heel boos naar de stouterd
En zei “Dat ’s de laatste keer
In de kast dt tingelding”
-0-0-0-0-0-
Wip hoog, wip bom!
Gaan ze aldoor om en om
Wip hoog, wip bom!
Gaan ze om en om
Straks val je der af
Gaan ze aldoor om en om
Wip hoog, wip bom!
Gaan ze om en om
O, wat gaat dat fijn
Fientje geeft een gil..
Zou ze duiz’lig zijn
Houd de wip maar stil
Wip laag, wip stil
Niemand die meer wippen wil
Wip laag, wip stil
Niemand die meer wil.
-0-0-0-0-0-
10.
Jokkebrokje
Jokkebroekje
Waarom jok je
Toch bij alles wat je zegt?
Vader bromt dan,
En er komt van
Jokkers nooit iets goeds terecht
En men noemt omdat gejok
Spottend jou een jokkebrok
En men noemt omdat gejok
Spottend jou een jokkebrok
Jokk’rig vrindje
Ieder vindt je
Stout waar eerlijkheid ontbreekt
’t Komt omdat je
vriendje, vat je
Nimmer ooit de waarheid spreekt
En men zegt door dat gejok
“Kijk daar gaat die jokkebrok”
En men zegt door dat gejok
“Kijk daar gaat die jokkebrok”
Jokkenaartje
Niemand spaart je
Omdat jokken lelijk staat
Ieder mijdt je
En verwijt je
Altijd weer die leugenpraat
Ieder zegt om jouw gejok
“’k Houd niet van een jokkebrok”
Ieder zegt om jouw gejok