zwemmen in een burka In zijn magistrale boek ‘Onder de gelovigen’ reist V.S. Naipaul van Iran over Pakistan en Maleisië naar Indonesië, en overal stelt hij hetzelfde vast: een verontwaardigde afwijzing van de Westerse decadentie en tegelijk een gretigheid om van de technologische voordelen van dat duivelse Westen gebruik te maken. In het zwembad van Temse komt daar nog een verduidelijking bij: een visie op zedigheid en op (vrouwelijke) seksualiteit. Die visie is ons Europeanen niet onbekend, wij hebben ze zelf meegemaakt in de negentiende eeuw.
Ter herinnering: men kan op twee manieren seksueel geobsedeerd zijn; op een ja-zeggende of op een neen-zeggende. In beide gevallen denkt men voortdurend aan seks, in het eerste geval om er zoveel mogelijk mee aan de slag te gaan en liefst met zoveel mogelijk partners; in het tweede geval beschouwt men seks als iets beestachtig of als het werk van de satan. En in beide gevallen gaat het om een neurotische afwijking. Moeten wij in naam van de tolerantie deze neurotische obsessie aanvaarden? Vlaanderen heeft er lang over gedaan om zich met moeite te emanciperen van de verstikkende moraal van het kleinburgerlijke christendom. Zullen we deze emancipatie nu opgeven omdat we gehypnotiseerd zijn door het racisme van extreem-rechts? Er zijn minimumregels die iedereen moet naleven om tot een samen-leving te kunnen komen, bij het incident in Temse gaat het om de veiligheid en de hygiëne. Bovendien sta je telkens weer tegenover datzelfde irrationele argument: ‘mijn geloof, mijn godsdienst, mijn God zegt mij…’ En meestal betreft het dan een anachronistische interpretatie van een eeuwen geleden geformuleerde gedragsregel. Kan de islam van ons verwachten dat wij mee die reis terug maken: terug naar de duisternis van de Middeleeuwen of van de Victoriaanse negentiende eeuw?Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
minder illegalen?
euthanasie
In de wachtkamer van een tandarts vind je toevallig het novembernummer van het Tijdschrift voor Psychologie. Daarin wordt een emeritus-hoogleraar in de anestesiologie van de universiteit van Nijmegen opgevoerd. Die man beweert dat euthanasie overbodig is geworden gezien de vorderingen inzake pijnbestrijding. Deze stelling is al tegengesproken door andere specialisten in de oncologie en geriatrie, maar dit is niet het enige tegenargument: deze geleerde heer ziet maar één reden om voor euthanasie te kiezen, namelijk lichamelijke pijn. Dat mensen weigeren de vernedering te ondergaan van het verlies van zelfcontrole en van totale afhankelijkheid, dat kan er bij deze emeritus niet in. Menselijke waardigheid is voor hem geen criterium. Hij haalt verder een moreel én een emotioneel argument aan: ‘Medisch handelen is niet te verzoenen met doden; dokters brengen na een euthanasie soms slapeloze nachten door.’
Is medische deontologie dan wel te verzoenen met therapeutische hardnekkigheid, is laten sterven op verzoek hetzelfde als doden? Zou het niet net zo goed waar kunnen zijn dat een aantal dokters zich opgelucht voelt omdat zij patiënten uit hun lijden hebben kunnen verlossen?
Of omgekeerd: een dokter die persoonlijk meeleeft met een patiënt, kan er evenzeer wakker van liggen wanneer die patiënt ondanks zijn of haar goeie zorgen toch overlijdt. Is het al dan niet wakker liggen van een therapeut de beslissende norm in het medisch verantwoord gedrag? Hoe vaak liggen leerkrachten niet wakker na een deliberatie: soms omdat een leerling naar hun mening onterecht is tegengehouden of net omgekeerd onterecht een diploma heeft gekregen? Is deze slapeloosheid een indicatie van het juiste gedrag? En wat gezegd over rechters die moeten beslissen over vrijheid/onvrijheid of een regeringsleider die moet uitmaken of zijn land al dan niet aan een oorlog zal participeren?
Dit betekent niet dat men als waarnemer onverschillig kan blijven voor de persoonlijke emotie van de zorgverstrekkers. Een medicament in de trant van de roemruchte ‘pil van Drion’ dat door de patiënt zelf kan worden ingenomen dus, zou de emotionele belasting voor de zorgverlener allicht minder zwaar kunnen maken, maar uiteindelijk gaat euthanasie over de keuze van de patiënt: een dokter die daar niet op in kan gaan, heeft de plicht die patiënt door te verwijzen naar een collega die zijn privé-moraal wel kan verzoenen met de vraag om te mogen sterven. In extremis gaat het om de confrontatie tussen de moraal van de therapeut en die van de patiënt, en de machtspositie van de therapeut betekent nog altijd niet dat daarom ook zijn moraal superieur is. De ultieme vraag luidt: ‘whose life is it, anyway?’
muco
muco
een rivier van een vrouw
en langzaam slibt ze dicht
een ziltig meer dat vogels
mijden en ze wou nog
tegen mannen als rotsstenen
schuimen, door hun dromen
gaan zoals een kaaiman
schuift door mangrove:
schubbig en breed, en langzaam
slibt ze dicht, kleeft een bezinksel
aan elke rimpel in haar bodem
een rivier van een vrouw
waarin de steltloper stikt
de hoop op iele poten
ze zag het gebeuren en wacht
op haar beurt: een rivier
die hapt naar adem, klevende
vissen ophoest tot een avond
van zalmroze en zilver
glinstert op een ziltig meer
en alles stroomt zoals
nooit daar vóór


over de schreve
kom je, we gaan in vrede, laten
de woorden eindelijk los
kom je, stroom je als regen
door mergel en zavel: we zoeken
het steen op dat onze woning zal dragen
een huis van licht en luchtigheid
het kon als een kooi aan de bomen,
als een gasbel opklimmen, stollen
in glas: zichtbaar en even
doorzichtig, zijnde alsof het niet was
kom, we laten de woorden
hun mening, hun menigvuldig
betoog: wij ontkennen naam
en verleden van al wat we
weten – kom je, we gaan
over de schreve, laten
woorden en koorden
eindelijk los
wouter van bellingen in humo
villa


Normandische villa
kom mee, het hoekje om
van de Shakespearelaan:
zie de villa in Normandisch
De Haan, de buurt waar
ooit Einstein woonde
vakwerk met houten diagonaal
verfloos, beige en bruin de schilfers,
vitrage uit de tijd van
Einstein: een waas van stof
en spinrag voor elk van de ruiten
wingerd versmacht de gevels
streng naast streng peutert
brokjes uit de kalk, rozen
in het tuintje worstelen om
even een glimp van de zon
plaats dit bouwsel op een heuvel
met nevel als bruidsluier van organza
en kant, een oude dame voor
een raam, een haarwrong wit
en grauw als de vitrage
kom nader, herken de huid
de gelooide, mooi en gaaf
zoals bij een vondst
in een koningsgraf
kom nader, weeg hoe licht
ze is, deze moeder; vermoed
de huisdieren die ze lief had
en voedde met haar vlees
hoe licht en leeg ze is
hoe welgedaan de knaagdieren
die haar betraden langs de geheime
plooien van haar lichaam
kom mee, het hoekje om
van de Shakespearelaan
zie haar zitten: hoe zij
na eeuwen jou aanstaart
door de webben in haar raam
lentemanifest
in een lade
wat niet gelezen wordt, is niet
geschreven: man en vrouw, wrede
en lieflijke dieren vlees geworden
in de vormen van het woord
neem dit landschap in je op
zijn nevel van witregel, het stroomt
van kantlijn naar kantlijn, welft
en wentelt in leesteken, lettergreep
hoor de verpozing, de trilling
in de stilstand waar de zin
aarzelt: zal hij zwijgen, spreken,
betekenis dragen als een bult
op zijn rug of los laten alles
wat betoogt en verwijst
lees, kleed deze woorden
in je verbeelding: naakt
kwamen ze ter wereld, bloot
gaan ze dood als geen mond
geen innerlijk praten
ze beademt, beaamt
dit is mijn woord dat jou
gegeven wordt: drink het,
eet het, schrijf het over,
schrijf het mee – het ontstaat
niet eerder dan jij het leest
veerpont


uit Van Toen en Thuis
veerpont
men moet weten waar de veerpont is,
de monding waar alle boten verdwijnen
in de schemer
men moet gezeten hebben
naast de veerman, geluisterd
naar zijn verhaal:
wie hij op moest halen en wanneer
hoe jong ze waren hoe getekend
door hun dagen
veel moet men niet vragen:
als de veerman zwijgt, praat de rivier
pruttelt het riet langs de rivier
wanneer het in zijn hoofd op komt
mag je even overnemen:
stop het muntje onder zijn tong
of leg het op zijn ogen – de roeispanen
pletsen op het water, maken de vogels
wakker die zich graag verborgen houden:
geluiden die door de nevel gaan
als nauwelijks hoorbare kreten
doe het bij nacht bij giertij
het spant je spieren en je voelt weer
dat je leeft al heb je amper adem -
drijf dan uit en luister, het is jouw
beurt nu en de meester spreekt
want een veerman is geleerd
weet meer dan boeken: hij kent verhalen,
regels die de dood hem onderwezen heeft
kom, ga zitten naast de veerman
beluister hoe alle geluiden
scheren over het water terwijl
de buik van de aarde ademt en beeft
duivenmelkers


uit Van Toen en Thuis
duivenmelkers
wilt ge iets doen voor nonkel Sjarel,
vroeg die lieve tante Alice:
zijn duiven moeten op gelaten
en hij geraakt niet meer zo ver
‘zo ver’ ging tot aan de Rode Lieve Vrouw
waar het veld nog wijdopen lag, de kapel
diende alleen maar voor heiligschennis
door verboden koppeltjes ’s nachts
die huiverden: ooit stond daar een galg
hij was stroef, nonkel Sjarel,de hartlijder,
een huzaar te paard bij het leger, nu zat hij
in een tenen zetel,
waardig en bars, een gevangen tsaar
de keef moest onder twee snelbinders
want een duif verschiet zo gauw
ik nam die zenuwbeesten
in alletwee mijn handen -
heel even stond ik als een priester
bij de offerande, gooide ze op in het ijle,
volgde met mijn bijziende ogen
hoe sierlijk ze scheerden over de stomp
van onze Grote Napoleon
veel heb ik nooit begrepen
van de geheimtaal op de til –
met Nieuwjaar kwam neef Franske,
de kleermaker uit de Nieuwelaan,
hij vergat zijn bochel luidop peinzend
aan Barcelona en Bordeaux
vader deed mee aan het gepoch op eigen kweek
maar ik wist alleen met zekerheid
dat zijn duiven smaakten als de beste,
gestoofd met pruimen en ajuin
soms mocht ik mee naar het lokaal
ergens ver in de Kaaldries: vader zat
gebogen over tabellen: een rekenwonder,
geen ander kon zo tellen
ik ging onder in het gekoer, geroezemoes,
de dichte nevel van tabaksrook:
blond schuim druipt van elke mond
of die nu stoeft of ontgoocheld fezelt
ze schoven aan met hun constateur,
de blokjesdoos waaruit de papieren roulette
werd geplukt: hun geluk hing af van seconden -
hoewel, ik had het al zo vaak gezien
dat zij veruit het gelukkigst waren
met die warme vogels tegen hun buik
de vleugels open gespreid als een handvol kaarten
ze lazen hun toekomst in de veren,
vergaapten zich aan de paarse en koperen glans
op een blauwgrijze pluim
zoals dikkere heertjes met een zakhorloge
staren naar de gekruiste benen van een vrouw
een uitdagende om twee seconden van te dromen
goed wetend: makker, dat is geen spek voor uwen bek,
trakteer een trappist en doe niet flauw
rederijkersreferein voor J.T.
- na ‘Kwartet’, over voorbije glorie –
er is geen goeie ouwe tijd
wanneer men alleen nog óm kan zien
met dwaze trots of droeve spijt
een heup die kwakkelt bovendien
er was een goeie jonge tijd
toen we door de dagen raasden
de harten hoog, de aders wijd
daden waarmee we onszelf verbaasden
er is geen goeie ouwe tijd
zie de nubiele dochter bij de buren
hoe ze onze schorre groet vermijdt
een vinger opsteekt naar ons gluren
er was een goeie felle tijd
toen demonen tot ons kwamen
goden samen die slempten, praalden
met hun gore majesteit
dat was de goeie bonte tijd
toen we beurs ontwaakten
as verstrooiden op tapijt, woorden
schreven die de droom genaakten
maar geen goeie zo oude tijd
zo’n tandeloze, voorstanderloze:
de oppas heeft aan ons het schijt
in een buidel die ons doet blozen
Prince, bespaar mij dit afgrijzen:
zo’n spiegelbeeld dat kwijlt en kwijnt
maak dat onze wegen scheiden
dat één van ons op tijd verdwijnt
moe en moedeloos
Moe en moedeloos word je ervan. In De Morgen van vandaag pakt Yves Desmet uit met een bloemlezing van de mails die bij Yves Leterme reeds zijn aangekomen. De bedoeling van deze bloemlezing is duidelijk: de stormram van DM wil het initiatief van Leterme ten allen prijze belachelijk of verdacht maken.
Nu is daar wel iets voor te zeggen, als je de reacties leest: 'Al zijn kazernes geen heropvoedingsscholen, onze jeugd zou er zeker een levensles aan overhouden en leren dat niet alles kan.' Deze schrijver is wellicht vaak bedreigd geweest met het cachot. Nog maar 60 jaar geleden heeft ons deel van de wereld ondervonden wat voor levensles er bij het leger te rapen valt: 'Befehl ist Befehl', prent dat maar goed in je jongenskop en je voert alles uit zonder je verder nog vragen te stellen.
Wat er aan meningen leeft onder onze bevolking is een wirwar van tegenstrijdige visies, vaak een schreeuw om meer wet en orde, en helemaal geen visie maar een oprisping. Moe en moedeloos word je ervan. Soms kun je zodanig veel begrijpen dat je niets meer begrijpt, dat je de greep verliest op je eigen overtuiging, op de aanstormende feiten. Onze bevolking is duidelijk in de war, voelt zich onzeker en bedreigd. Zou het ook anders kunnen met al wat er dagelijks op de lezers en kijkers afkomt? Wanneer gaan de producenten van nieuws en vermaak eindelijk beseffen dat ze bezig zijn de geesten ziek te maken? Ziek van angst en onmacht tegenover een vreemde, bedreigende wereld.
Terwijl je vandaag op de frontpagina van dezelfde krant net zo goed kunt lezen dat studenten van Leuven zich gaan inzetten voor de kinderen van kansarmen om hun prestaties op school te verbeteren. Zou de bevolking niet rustiger ademen en klaarder denken, mocht dit soort berichten wat vaker worden verspreid?


uit Van Toen en Thuis
het leven het is niets, zegt ze – Leonard Nolens
dit was, ongeveerman, je droom:
de schone hoge vlucht
van een buitengewone vogel,
de soort die veren laat
die men in kasten wil bewaren
en dit is de vaart die je hebt volbracht:
zonderling van het straatje, dorpsgek
die een verloren avond even dorpsheld
werd verhalen vertellend
die opschoten tussen het koren
en de brandnetels van het dorp
geen paaltje draagt een bord
met je koperen naam erop, geen baken
in de rivier van het vergeten:
geen kind zal stralen
als een toren in de nacht
omdat het naar jou werd vernoemd
is dit een treurnis om een omfloerste
trom bij te roeren in een droeve stoet?
het trieste is een straatje dat een rijbaan
werd, plankieren met tafels, alle deuren
op een kier, de kaarters in de zoele avond
de komméren aan de gang, de kinderen
opgegaan in een spel dat een lange zomer
omspant zoals een koord, een haastige hand
een broek ophield -
je droom werd een verleden:
een plaasteren beeldje in een straatkapel
en heel het straatje zit geknield -
er rijdt geen fiets voorbij
nergens hoor je al
de motoren van het niets
meer over vrt en co
Onlangs verklaarde de chef informatie van vtm dat een nieuwsmedium zijn klanten moet bedienen, aanbieden wat de kijker of lezer wil zien of lezen.
Dit is onzin. Een nieuwsmedium is geen stuk koperdraad dat zonder beïnvloeding een signaal doorgeeft: elke krant, elke zender maakt een keuze; elk medium plaatst het ene bericht vooraan, het andere achteraan, aan het ene besteedt men 100 seconden, aan het andere 10 etc
Het afwijzen van de eigen verantwoordelijkheid is laf en leugenachtig: de pers wordt in onze democratie terecht de vierde macht genoemd, laat ze dan ook de consequenties van deze machtspositie dragen. Wanneer de vrt van de moord in Oostende een dagelijks feuilleton maakt, dan wordt de kijker meegesleurd in de overtuiging dat dit feit de belangrijkste gebeurtenis van de week is. Gisteren was er enige aandacht voor de armoede in België: stel je voor dat hiervan een feuilleton zou worden gemaakt, dat week na week hierop gehamerd zou worden, zouden onze politici zich dan niet verplicht voelen om deze schande bij hoogdringendheid aan te pakken?
De pers als waakhond van de democratie: Zola heeft er gebruik van gemaakt, vandaag worden heel wat persorganen geleid door poenscheppers en opportunisten: verkopen of kijkers lokken is hun opperste doelstelling, wat ze onder de bevolking aanrichten zal hen een zorg zijn.
film op de vrt
uit de ark van Pessoa
1.
Ik ben ene plebejer van de eerzucht omdat ik probeer te verwezenlijken; ik durf het zwijgen niet aan, als iemand die bang is voor een donkere kamer.
2.
Als ik een grote liefde zou beleven, zou ik die nooit kunnen vertellen.
3.
Ik moet schrijven alsof ik strafwerk maak.
4.
Ik schrijf terwijl ik mezelf wieg, zoals een gekgeworden moeder haar dode kind.
5.
De gevoelens die het meeste pijn doen, de emoties die het ergste kwellen, zijn die die absurd zijn - het hunkeren naar onmogelijke dingen, het heimwee naar wat nooit is geweest (...)
6.
Al wat wij nastreven, streven we na vanwege een ambitie, maar we bereiken niet wat we ambiëren en dan zijn we arm, of we denken dat we het bereikt hebben en dan zijn we rijke dwazen.
7.
Het gemaakte werk is altijd de groteske schaduw van het gedroomde werk.
8.
Landschappen, zo schitterend als schilderij, zijn gewoonlijk onprettig als bed.


uit Van Toen en Thuis
molendorp
lees het boek
met de verdwenen namen:
de Fikken in de Peirdestraat,
een grondzeiler die olie maalde
en droge granen, de Snuifmolen
in de Noordstraat, hier haalde
een brouwerij haar mout
bekijk het woud van peperbussen
in een Breugels landschap, kwam
jouw stap, echt waar, daar dagelijks
voorbij?
bij het veer van Sombeke
tegen Laerebeke’s schoor
op de schans der heren van Garsse:
al die namen zingen in een zinkend koor
lees het boek en stijg als een klamper
op de wind, staar de vergeten wieken na,
het dorp dat wentelt
de paarden, de ezels met gebogen hoofd,
de boom van hun rosmolen schrijft
als een vinger in het zand
en hoog op een heuvel wervelt een beltmolen
gewichtloos als een klamper, drijft de spot
met hun kleverig zweet
de staakmolen ‘ten oosten van de Kele
van de Rate’ met hoge boten op de kalme
Durme: hoe leeg en vredig is dit land
‘groot 1 vaetsaet 30 roeden’
nederig zijn de namen: het Grouwelgat
van de laatste kruimel, denk er magere
handen bij die aren lezen op een vlakke akker
wanneer de boer een slapende damp is,
weggedeemsterd in de schemer
bij het veer van Sombeke
tegen Laerebeke’s schoor
op de schans der heren van Garsse:
al deze namen zingen in koor
leer uit het boek van verdwenen namen
het ruisen van ons molendorp, sjofel, levensecht,
hoor de ratel van ons verleden: de Grote Napoleon
was geen keizer maar een knecht
viola odorata


viola odorata
waarom spreek je met een
tegenstem: praat als het maartse
viooltje, paars en geurig en
nauwelijks boven het gras
het komt op anders kijken
aan, ter hoogte van een koolmees
een viola odorata, aders
van lila onder een huid van violet
leer het onderscheiden aan
de vele tonen in één teint
zoals vrouwen verschuiven
langs de boog van de dag
een viooltje lijkt een vulkaan
als je verwondering groot
genoeg is, het gaat om
een geschikt orgaan, een oog
gevoelig als een wonde
een open fontanel en door
je schedel vloeit een melkwit
licht, elke schaduw zo
helder als een openbaring
praat met een pro-stem
bevestig de aarde onder
je voet en wandel: jouw
wegen zijn oneindig
Pessoa

uit Het boek der rusteloosheid van Pessoa (uitg. AP, privé-domein)1.
Ieder van ons is meerdere anderen, is velen, een uitgebreide reeks zichzelven.
2.
Uiteindelijk blijft van vandaag wat er van gisteren is gebleven en wat er van morgen zal blijven: de onverzadigbare en eeuwige begeerte altijd dezelfde en een ander te zijn.
3.
Ik ben het levende podium waarop verschillende acteurs lopen die verschillende stukken spelen.
4.
Heimwee! Dat heb ik naar wat niets voor me betekende, omdat ik bang ben voor het vluchten van de tijd en lijd aan de ziekte van het geheim van het leven. Wanneer ik gezichten die ik gewoon was te zien in mijn straten van alledag niet meer zie, word ik bedroefd, terwijl ze toch niets voor mij betekenden, behalve dat ze symbool stonden voor het hele leven.
5.
Al wat ik doe, al wat ik voel, al wat ik leef, zal niet méér zijn dan een voorbijganger minder in de alledaagsheid van de straten van een of andere stad.
6.
Ik verschans mij achter mijn bureau als in een bolwerk tegen het leven.
7.
Ik woon mezelf bij in de verschillende vermommingen waarin ik leef.
8.
Ik heb grote ambities en grootse dromen gehad - maar ook de bode of naaister heeft die gehad, want iedereen heeft dromen: wat ons doet verschillen is de kracht om ze te verwezenlijken of het lot waardoor zij zich via ons verwezenlijken.
9.
Wie van ons kan, wanneer hij zich omdraait op de weg zonder terugkeer, zeggen dat hij hem is gegaan zoals hij hem had moeten gaan?
10.
Slapen, ver weg zijn zonder het te weten, liggen, vergeten met het eigen lichaam; de vrijheid kennen onbewust te zijn, een schuilplaats hebben als een stil vergeten meer tussen bladerrrijke bomen, in de uitgestrekte eenzaamheid van de bossen.

