Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
ribes


ribes en watermunt
zegen de tuinen
waar ribes bloeit
Japanse kerselaar
je bent weer een kind, een hond
op twee poten, duw je neus
in een tros, je hoofd in je nek,
tol om je as, draai met de aarde
kom naar je land, volg
de verborgen rivier
onder halmen van zegge:
zeg zijn versjes op, doubletten
in paars - bitterzoet, watermunt
zegen de aarde nu je nog
ogen hebt, een spons van een neus:
wees gulzig, geduldig
blijf staan tussen schietwilg en lis, laat
de uren aan de uren, vertoef en zegen
de zintuigen van het dier, roem
zijn orgaan dat namen bedacht:
bitterzoet, watermunt, sluimer van een
verborgen rivier, zegge en ginds
in de zomen van het dorp: ribes
alsof een ongenaakbare dame de fiolen
open liet van haar paradijselijk parfum
aan zichzelf te danken?
Met veel van wat Fleur Jurgens, auteur van Het Marokkanendrama, in De Morgen van maandag verklaart kan ik akkoord gaan.
Minder met haar boude bewering: ‘Er is nog nooit een causaal verband aangetoond tussen opgroeien in een kansarm gezin en terechtkomen in de criminaliteit.’ Al sedert de deterministen eind 19e eeuw – denk aan de Italiaan Lombroso – bestaan er voldoende sociologische studies die het omgekeerde vaststellen.
Het spreekt dat de deterministische visie achterhaald is: kansarmoede hoeft niet noodzakelijkerwijze tot mislukking in de maatschappij te leiden en er zijn nogal wat verwende rijkeluiskinderen die ontsporen, maar de problemen afdoen als een zaak van mentaliteit of cultuurverschillen gaat zeer kort door de bocht: trouwens die verschillen doen zich niet voor op een eiland maar wel in interactie met de sociaal-economische feiten.
Recent onderzoek wees uit dat 46 % van de ‘nieuwe Belgen’ (om dit eufemisme eens te gebruiken) beneden de Europese armoedegrens leeft: voor de kinderen uit deze gezinnen is ons consumptieparadijs één grote etalage met onbereikbare luxe. In de psychologie noemt men dit: een Tantaluskwelling – denk aan de hangjongeren in de Brusselse winkelcentra.
Mag ik als zoon van een fabrieksarbeider uit eigen ervaring spreken? Om te beginnen is er het elementaire niveau van huisvesting en accommodatie: om te slagen in studies heb je een eigen ruimte nodig, met rust en verwarming. Binnen het huisgezin heb je behoefte aan stimulantia: boeken, naslagwerken, internet. In het algemeen zijn er al de beperkingen door het inkomen. En buiten is er de invloed van de ‘peer group’: probeer het maar eens vol te houden als er onder je leeftijdsgenoten weinig voorbeelden te vinden zijn van schoolsucces maar omgekeerd wel van een ‘geslaagde’ criminele carrière.
Fleur Jurgens heeft gelijk als ze de ouders op hun verantwoordelijkheid wil wijzen, maar dreigen met sancties heeft pas zin wanneer je als overheid en maatschappij in eer en geweten kunt zeggen dat je er alles aan gedaan hebt om deze mensen kansen te geven.
En daar schort het bij landgenoten van vreemde origine in ernstige mate aan: inburgeren zou een begeleiding moeten omvatten, in het bijzonder van de moeders die in een voor hen volslagen vreemd milieu terecht komen. En je moet toch stekeblind zijn om niet in te zien dat langdurig werkloze vaders in een machocultuur hun natuurlijk gezag verliezen.
Jonge Marokkaanse en autochtone macho’s moeten op hun eigen verantwoordelijkheid worden gewezen en zonodig ernstig gesanctioneerd. Maar de overheid kan zich niet gedragen als een dolgedraaide scheidsrechter die met gele en rode kaarten staat te zwaaien, en zelf de basisregels van het spel – werkgelegenheid, begeleiding en non-discriminatie - aan zijn laars lapt.
soms de boten


uit Van Toen en Thuis
soms de boten over de Durme
soms de boten ’s avonds op de Durme
schoven hun trombones con sordino
ze hadden ten hoogste twee noten
op hun zang, genoeg om genadig in te slapen
liefst nog bij het pizzicato
van jonge regen op de schuine veranda
een wasbordgeluid - je dacht er de bass bij
van een skifflegroep
zoals onze Worried Potatoes Digging
Jazz Band met Tsjebo als zanger-animator
je zag dan steeds zijn oren als teljoren
en zijn brede negerlippen die schaterden:
hij bracht Jantje en de Pruimen
in de pifpoefpaftaal van John Wain
en hoe heette het groepje weer
van Pol van Geert en Engelbeen
met een drummer die zijn stokjes
had gebroken, een zoon van de Peperbus
ze traden op in de Petrus-en-Pauluskerk
na het concilie toen de oude gewaden
leken afgelegd, en de vermolmde onderpastoor
van de deken zijn mond moest houden
over de Durme gleden de boten
je hoorde ze trompen ’s nachts
en regen trippelde dripdrip
met drumsticks over de veranda
onverwachts kwamen de woorden
met hun triangel, hun borstels op een
trommelvel die soms je leven veranderden
als een gewicht van steen in water: ze stroomden
door de trage bochten van een gedicht
gringo
gringo in Nicaragua
Kijkend naar een quizprogramma ben je plots in Nicaragua, nabij de Mayastad Masaya: in een zandstraatje dat afdaalt naar een van de meren, komt een oude magere man naar je toe. Hij vraagt in het Spaans hoe laat het is. Je toont hem je polshorloge omdat je niet direct de juiste woorden vindt. Hij mompelt, neen hij schreeuwt bijna: 'Thank you, sir...'
Het laatste wat je daar op dat moment wil zijn is een Yankee, maar pas wanneer je weer in België bent, begrijp je het: die man had nooit het uur leren lezen, zoals er toen nog zoveel analfabeten rondliepen in Midden-Amerika.
En de schaamte roept nog meer beelden op van vier weken rondzwerven in een land dat jou overvalt met zijn fascinerende vreemdheid, mensen die willen praten maar jouw Spaans is zo onbeholpen dat het niet lukt. Op een feestdag in de hoofdstad Managua zwierf je rond in je short want je jeans was je kwijt geraakt. De leiders van je groep hadden nochtans verwittigd: laat geen broek aan een wasdraad hangen of 's anderendaags is die verdwenen; een broek betekent een maandloon voor die mensen.
Een short dragen mocht evenmin, in die machocultuur was je meteen een homo, een soortdragqueen als je blote knieën liet zien. Je liep een kerk binnen in een buitenwijk, tussen heuveltjes afval en onkruid. Volk stroomde van alle kanten toe, uitgedost als deelnemers aan een karnaval. In de kerk gaven moeders hun baby de borst, kleuters liepen joelend tussen de banken, achteraan zaten toneelspelers in bonte kostuums een scene uit het leven van de patroonheilige te repeteren - in de processie op een draagberrie: een levensgroot beeld in snoepkleuren omhangen met medaillons en bloemslingers: was het Sint Jozef, Paulus of Jacobus die als een veelvuldig gedecoreerde generaal aan wal kwam in Hawaï? -, een dronken vagebond sliep zijn roes uit, een priester liep rond met een brede glimlach: dit was Breughel in Nicaragua, een boerenkermis midden in een kerk.
Buiten kwam je terecht in het binnenste raster van het grote wafelijzer dat Managua is: vierkantjes in vierkantjes, de grote dikke lijnen asfalt met kuilen, de dunne bleke streepjes: stof, bultig zand dat bij elke stortregen een modderbeek werd, soms gutsend en gorgelend als een bergrivier. De favela bestond uit de bekende krotten: hokjes van golfplaat, planken van pakkisten, palen van een bouwwerf of uit een schutting gebroken. Een veertiger staart je aan, een van de vele werkloze vaders. Hij staat in zijn deur: een donkere opening tussen twee staken, als er al een deur is, dan doet ze denken aan een staldeur op een vervallen boerderij. Zijn ogen zijn zwarte spleten, zijn mond haaks als een kram.
Hij staart de gringo aan die zich volzuigt met beelden, die denkt dat hij zich bescheiden gedraagt maar voortdurend deze mensen beledigt met zijn voor hen onbetaalbare kleren, zijn fototoestel, zijn gulzige blik van verzamelaar.
Leg het niet uit aan deze werkloze dat je uit België komt, uit Europa: je bent een gringo en alle gringo's zijn Yankees, binnendringers, saboteurs, dieven en moordenaars. Zijn mond is nog de enige guerrilla waartoe hij in staat is: hij verdrijft deze gringo met schaamte. Je kijkt om je heen naar de vuilnisbelten, de halfnaakte peuters, de schurftige honden: Yankee uit dat verre, onbekende België, met welk recht loop jij hier rond?
wijding


wijding aan de Schelde
er was een wijding mee
gemoeid, de boten verschoven
in kralen voorbij de baken van het veer
voorbij de witte zandplaat aan
de monding van de zijrivier
zoals een rozenkrans glijdt
door de vingers van een goedige
grootmoeder of zonovergoten
in de windluwte op Djerba:
een magere moslim
ingedommeld over een bidsnoer
zie je: de deken van zandkleur
en kaneel, geen mantel, alleen
een teint van verbrande aarde
er komt een wijding om je hoofd
wanneer je terugkeert lopend
door een duinenbos, de wereld
afreist, een verleden
dennen ruisen om de kaalte,
water met brede golfslag terwijl
de Schelde zwelt, levervlekken
van schaduw wanneer zij
afdaalt in kalmte
wijding was een mijmeren
over een vrouw aan boord,
een kinderwagen, de stroom
die lispelt, met smakkende
lippen komt likken aan basalt
dagenlang verwijlen aan
een oever, de zwier van populieren:
dag aan dag keert het weer
telkens uit een verdorde zeeden
een kegel woorden valt
de Zoo en zo

de Zoo en zoVandaag en de voorbije week kon je, kan je in De Morgen lezersbrieven en opiniestukken lezen die het opsluiten van dieren in een zoo aanklagen.
Dieren worden neurotisch in een kooi, hun natuurlijke instinct wordt gefrustreerd.
Dat zal wel waar zijn. Maar verbied dan ook de volières met bonte zangvogels, de aquariums met exotische vissen, de leiband voor honden, het castreren van krolse katers etc etc
Heeft een zoo enige zin of vervang je hem beter door de schitterende documentaires die op allerlei tv-zenders zijn te zien? Misschien wel, maar is het om het even of je een dier op een scherm ziet dan in levende lijve?
Mogen kinderen ook ondervinden dat dieren een geur hebben?
Ten gronde is er enkel een gradueel geen fundamenteel verschil met de menselijke situatie.
Ook bij mensen wordt het natuurlijk instinct voortdurend gefrustreerd: wij kunnen niet elke keer onze seksuele en agressieve impulsen afreageren, in feite zitten ook wij in een glazen kooi, al bevindt die kooi zich in ons hoofd.
Dieren alleen leren kennen via beeldschermen doet denken aan de science-fiction in het laatste boek van Michel Houellebecq, Platform, waar mensen door de tijd heen met elkaar communiceren via beeldbuizen - fysiek contact is er niet en precies daaruit wil het hoofdpersonage ontsnappen met de dramatische, nogal onwaarschijnlijke afloop als gevolg - het zwakste deel van dit boek.
Een lezer schrijft terecht dat de menselijke intelligentie impliceert dat de mens verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van de dieren. De vraag is echter hoever je daarin moet gaan: kan je heel emotioneel doen over apen in een zoo en daarna een hamburgertent binnenstappen en zonder enig gewetensprobleem een fijngemalen beest opeten?
Kun je betogen voor bedreigde diersoorten en medicamenten slikken die het resultaat zijn van proeven met dieren?
Is de kern van alle moreel gedrag niet het vermijden van opzettelijk en nodeloos lijden en , omgekeerd, het bevorderen van welzijn of levensgeluk. En dan is het nog maar de vraag of een dier in een zoo liever wordt opgepeuzeld door een sterker of sneller roofdier dan wel de onvrije veiligheid van de kooi prefereert. Wat verkiezen wij zelf: de onvrije zekerheid van een vaste relatie of de levenslange jachtvelden van de ongebonden intimiteit? Willen wij een job of een vaste job, een inkomen of een vast inkomen, een steeds weer anders huurhuis of een eigen stek?
Men zal opwerpen dat het verschil zit in de keuzevrijheid: opgesloten dieren hebben nooit de keuze gekregen, maar is het niet precies die keuzevrijheid die het menselijk leven zo lastig maakt? Hoeveel vrije mensen lopen er rond op deze planeet: de mens is in hoofdzaak, net als de neurotische poolbeer in de zoo, een rondjesdraaier, een gewoontebeest.
God en het gesteente
God en het gesteente (zie De Standaard van 14 april)
Vandaag schrijft de grote denker Gerard Bodifée (recent in het nieuws gekomen met zijn verlichte ideeën over homoseksualiteit): 'zonder religiositeit mist het leven elk perspectief dat verder reikt dan het eigen begrensde bestaan.'
Dit zou waar kunnen zijn mocht Bodiféee er in zijn slot niet aan toevoegen: 'religie richt zich tot God'. De enige religiositeit waar deze profeet aan kan denken is dus de gelovige en meer bepaald de christelijk gelovige.
Vrijzinnige humanisten, ongelovige socialisten, niet-godsdienstige boeddhisten zijn volgens G.B. niet in staat om de grenzen van hun egocentrisme te overstijgen. Hij verkondigt niets anders dan de eeuwenoude zelfgenoegzaamheid van het alleenzaligmakende geloof. Dit zouden we potsierlijk kunnen vinden, mochten er niet de consequenties bij horen: de opvattingen van mensen zoals G.B. zijn niet vrijblijvend, zij willen niet alleen een levensvisie, maar ook een restrictieve moraal opleggen niet uitsluitend aan hun eigen geestesgenoten, maar aan de hele maatschappij. Iedereen mag zalig worden in zijn of haar eigen geloof, maar als dit geloof de allure aanneemt van exclusiviteit (het alleenrecht op waarheid en moraal) en superioriteit (mijn geloof is het enig ware) dan wordt het gevaarlijk: fundamentalisten vind je dus ook bij ons en soms dragen ze een wijze grijze baard.
Kemmelberg: een kemel?
fatalisme?
fatalisme of masochisme of egocentrisme?
De getuigenissen van renners en ex-renners na de incidenten op de Kemmelberg doen denken aan de houding van gewezen mijnwerkers: die zijn toch zo trots dat zij tientallen jaren onder de grond hebben gewerkt en die stoflong nemen ze erbij.
Hoe moet je dit nu verklaren: is dit de bravigheid van de kleine man, een Oosters fatalisme dat ook in het Westen voorkomt?
In beide gevallen gaat het om zware beroepen: is dit de reden waarom hun beroepsfierheid of arbeidsethos sterk gelijkt op masochisme?
Of ligt het aan het feit dat opkomen voor jezelf, voor je gezondheid en rechtmatige eisen, nooit is aangeleerd tijdens de opvoeding?
In tegenstelling tot de mijnwerkers zijn wielrenners - net als alle atleten trouwens - onverbeterlijke individualisten: zolang een tegenslag hen niet persoonlijk raakt, halen ze hun schouders op; het laatste wat je van dit soort mensen kunt verwachten is solidariteit: wie valt is een loser, een dommerik of mislukkeling.
Kortom, de Amerikaanse mentaliteit domineert de meest Vlaamse van alle sporten.
rite de passage


uit Een stuk of wat
rite de passage
haar geluid wanneer hij in haar is
huilt ze, juicht ze
(hij stuitert als een bal, denkt hij,
in een kamer vol kristal)
ze legt haar lichaam
gelijk een mantel voor zijn voeten
en hij knielt, hij kust dit leven,
dit jonge, als heilige grond
kon hij haar zegenen
een boodschap brengen van vrede
(de belofte dat het nooit zal regenen
naast de bloemen op haar treden)
zijn geluid wanneer zij om hem is
kermt hij, kijft hij
op de goden die zo sterfelijk zijn
op de poort waar hij niet binnen durft
zij gloeit, zij is een stad
die uitdeint, uitdijt tot een ster
en hij die door de ruimte roeit:
nog zo ver, al zo ver
toplonen - vervolg
Meestal worden toplonen verantwoord met drie argumenten: het gaat om de wet van vraag en aanbod, om uitzonderlijk talent en om een grote verantwoordelijkheid.
Wat dit laatste betreft: wie heeft er een grotere verantwoordelijkheid dan een buschauffeur die dagelijks instaat voor leven en welzijn van honderden busreizigers? Krijgen buschauffeurs dan miljoenen op hun rekening?
De eerste twee punten gaan samen: de wetten van de markt zorgen ervoor dat 'uitzonderlijke ' talenten zoveel kunnen verdienen omdat zij schaars zouden zijn.
Laten we een paar voorbeelden bekijken. Bij de sluiting van de Waalse staalbedrijven, onder meer Cockerill-Sambre, deed de regering Martens een beroep op de Franse supermanager Jean Gandeois. Resultaat: de aandeelhouders - denk aan de rijkste Belg Albert Frère - leden geen schade, de sociale lasten - werkloosheidsvergoedingen etc - werden betaald door de Belgische en later ook de Waalse regering, met andere woorden door de belastingbetaler.
Idem dito bij Lernout&Hauspie: supermanager Philippe Bodson is er ongeveer een jaar mee bezig geweest en deze keer kunnen de kleinere beleggers fluiten naar hun geïnvesteerde geld. Zowel Bodson als Gandeois streken een gigantisch 'ereloon' op en voorzagen in hun contract eveneens in een ontslagvergoeding. Daar komt het keer op keer op neer: deze topmanagers denken in de eerste plaats aan zichzelf, weigeren een resultaatsverbintenis te ondertekenen: of zij in maatschappelijke zin goed werk hebben geleverd of niet, voor hen zelf heeft dat geen gevolgen.
En wat dat talent betreft: hoeveel mensen met een bijzondere begaafdheid kunnen van hun talent leven - denk aan al wie met kunst bezig is? Worden uitzonderlijke huisdokters, leerkrachten, lassers, metselaars soms uitzonderlijk betaald? De zogenaamd vrije markt bevestigt haar eigen waarden: wat economisch nuttig is - althans voor de grote aandeelhouders - dat wordt gul verloond, wat geen economisch rendement heeft wordt behandeld als een onschadelijke psychische stoornis of als een wegwerpproduct.
Kortom, in moreel en filosofisch opzicht, kan je geen enkele verantwoording vinden voor toplonen, ze zijn een van de vele immorele kanten van de vrij genoemde markt: wie dit kan aanvaarden, die zal allicht ook de onbetaalbaarheid van geneesmiddelen voor miljoenen mensen goed keuren, de plundering van de Derde Wereld en de onleefbare pensioentjes bij ons.
Topmanagers zijn in maatpak verklede aasgieren, hun ereloon drukt de maat van hun cynisme uit en dat is vaak mateloos.
topman Belgacom
Er zijn hardwerkende Vlamingen en dikverdienende. De topman van Belgacom verpatste voor 6,1 miljoen euro aandelen in zijn bedrijf en heeft daarmee geen enkele wet overtreden, geen enkel contract geschonden.
Een drietal vragen. Hoe is deze noeste Vlaming aan de 6 miljoen euro gekomen waarmee hij in 2004 zijn 300 000 aandelen heeft aangekocht? Allicht niet door aan de lopende band te staan.
Hij houdt 120 000 aandelen over met een geschatte waarde van 4 miljoen euro: iedereen kan het rendement van deze belegging uitrekenen, en dit over een termijn van nauwelijks drie jaren. Vergelijk dit rendement met de evolutie van de tewerkstelling en verloning bij Belgacom en het verschil zal duidelijk zijn: minder betekent meer, minder werkvolk, meer geld voor de baas.
Ten tweede is er het allicht verwaarloosbare detail dat deze snelverdiener op zijn transactie geen belastingen moet betalen. Moralisten hebben er steeds de mond vol van dat in de kijker lopende figuren een voorbeeldfunctie hebben in de maatschappij. Welk voorbeeld wordt hier nu gegeven: dat je een idioot moet zijn om jouw belastingbrief correct in te vullen?
En nogmaals: Bellens handelde volkomen in overeenstemming met het contract dat hij bij de toen verantwoordelijke ministers, vande Lanotte en Daems, had bedongen. Vandaar deze derde vraag: welk moreel gezag houdt de overheid hieraan over wanneer zij kakelt over fiscale fraude?
En dan heeft die wijnboer van een Daems nog de arrogantie om te raaskallen over doppers en leefloners die in het zwart werken. In feite heeft hij gelijk: je bent veel beter af met aandelen van Belgacom, alleen blijft het een open vraag hoe je aan het startkapitaal komt. Heeft men niet altijd gezegd dat het eerste miljoen het moeilijkste is om te binnen te rijven?
Gent-Wevelgem


Kortom, de organisatoren treft geen schuld.
Een risicoloze wielersport is een illusie, maar er een Russische roulette van maken is een misdaad.
Port LLigat


Port LLigat
we zwommen naakt
bij Port LLigat, zagen
de kale witte hoofden
boven een lange witte muur
een blote visser keek naar je
om toen jouw schelp met druipend
wier uit het water kwam, zijn nek
kraakte terwijl je neerlag: een soezend
vermiljoen, een spons op puimsteen
op het kiezelstrand kroop
een jongensmond naar een rode
meisjesgrot alsof duizend
glanzende slangen vochten
om één muis, ze piepte
'a Fool on the Hill'
melodie van de Beatles
we lagen bij de baai
van Port LLigat, maten
de slagen naar het dichtste
eiland: jij een Gala en ik
een geestesgestoorde meester
die van niets nog meester was
tot 's avonds in Rosas
zijn herdersstaf, jouw rots:
een luidkeels stromen
circus koers - een vervolg
vervolg bij circus koers
Vorige week konden we lezen dat de wielerploeg Unibet.com evenmin zou mogen starten in de Waalse klassiekers die eveneens worden georganiseerd door het Franse ASO. De arrogantie van deze maatschappij zit in het feit dat zij zich nu niet kunnen beroepen op de Franse wet die het internetgokken verbiedt, iets waar Unibet reclame voor maakt - het gaat hier dus om puur machtsmisbruik.
Het rare is dat de UCI en de wielerbonden deze problemen blijkbaar niet hebben voorzien toen ze Unibet een licentie verleenden en opnamen bij de Protourploegen. Het doet me denken aan het verhaal van een bestuurslid van mijn geliefde Vigor Hamme: in hun reeks was op het einde van het seizoen een club gedegradeerd die een hele competitie had afgewerkt met een speler zonder licentie. Dan moet men zich toch afvragen of er bij die sportbonden nog enige bekwaamheid aanwezig is en enige zin voor verantwoordelijkheid.
Vergelijk het met bouwovertredingen die werden/worden vastgesteld pas nadat het gebouw er al staat.
Wie is telkens de dupe: de goedgelovigen die dachten dat ze in orde waren.
Wie zijn de knoeiers: telkens weer typen die nooit gesanctioneerd zullen worden: de bobo's van de sport of de administraties en hun politieke bestuurders.
En als het over sport gaat, valt het keer op keer op hoe zwak de gedupeerden staan, hoe weinig weerwerk zij bieden. Meer dan ooit dringt zich de noodzaak op om tot een sportvakbond te komen: wielrenners worden nog altijd behandeld als 'sandwichmannen' (denk aan de film van Robbe de Hert over Jempi Monséré: Dood van een Sandwichman) , zij krijgen niet meer respect dan de drager van zo'n dubbel kartonnen bord met reclame erop.
abnormaal
circus koers
je handen


uit Tsja (1973)
je handen
je handen vertellen sprookjes
aan mijn huid
van hoge winden
van diepe vissen
ik heb je handen niet gehoord
je handen niet gezien
geroken
doorsidderd
ik heb je lief
ik heb je handen lief
je handen vertellen sprookjes
aan mijn huid
feeën aan mijn wangen
dwergen in mijn zijden
zo heeft elke tuin zijn lusten
elke vinger zijn verrukking
verrukkelijk zijn je handen
over mijn huid
de poriën zijn luisterend en fluisteren
ik heb je handen lief
ik heb je lief
hou mij in je handen
een doos


uit Overschotjes
een doos met bibelots
zoveel ging over en bleef je bij:
een paar voeten als ijspakken
op je pompende rug
en je ging door op zijn hondjes
een roskam van nagels en je sloeg
een lichaam om, een bladzijde
in een plakboek borsten
hoe groter hoe gauwer
je afzag van losknopen, loshaken:
kaviaar en al wat kostbaar is
smaak je omzichtig
met zuinige beetjes
het kroeshaar het pluimpje
de wenkbrauw die rechtop stond
of het struweel van weelde
waar een patrijs in kon
een bonte vogel en hoe
maakte die het bont
het afgewende hoofd
alsof het een verklaring zocht
in het donker in een tekening
van schaduwen op de muur
de glimlach die nog altijd
naderbij en verder drijft als een
verlichte cruiseboot bij een kade
en vaart die weg of meert die aan:
zij glinstert haar witte glimlach
en woordeloos staar je die aan

