Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Ge zijt uw eigen baas en uw eigen koning - Bart Van Loo

Ge zijt uw eigen baas en uw eigen koning

Kempenzoon Bart Van Loo schreef maar al te graag een inleiding bij een prachtige heruitgave van Boerenpsalm, de ‘strafste’ roman van Felix Timmermans. ‘Op dit hernieuwde leven moet serieus worden geklonken.’

‘Ik ben maar een arme boer en al heb ik veel miserie gehad, toch is het boerenleven het mooiste leven dat er bestaat. Ik wil nog met geen koning verwisselen. God, ik dank U dat gij van mij een boer hebt gemaakt.’ Ik kan die openingszinnen neuriën, zingen, fluisteren… ik leg ze tussen mijn boterham of gooi ze als een zaadje mijn vrienden tegemoet. Ook de zinnen die volgen schroeien zich aan elkaar vast in een ritme dat smeekt om een stemgeluid. Roffel, roffel – dames en heren, luister goed, hier begint een roman uit 1935 die jarenlang niet verkrijgbaar was, maar die qua spankracht, existentiële lading, verrassende beeldspraak, zintuiglijke gewaarwording en pure zeggingskracht tot de mooiste van de Nederlandse letteren behoort. ‘Wij waren met vijftien open bekken, en al kregen we soms meer kletsen dan eten, ’t was toch een jeugdige tijd en we wierden kerels lijk bomen.’

2480848-032b2cc936860b03048302d991c3498f.jpg

(Boer Wortel, olie op geprepareerd papier. Koen Broucke)

Aan het woord is boer Wortel, hoofdpersonage van Boerenpsalm, niet de beroemdste, maar allicht wel de strafste roman van Felix Timmermans. Zelf was de schrijver de jongste van een kroostrijk gezin, met maar liefst dertien ‘open bekken’. Hij wist wat het was om op te groeien tussen broers en zussen. Ook al zou hij zelf maar vier kinderen krijgen, hij hield net als Wortel van een ‘trossel kinderen’. Of hij de vitalistische kreet van zijn personage even enthousiast onderschreef is onduidelijk, maar ik kan het niet nalaten hem te pas en te onpas te citeren – kijk, hier is het alweer zover: ‘Kweken is onze roep. Kinderen zowel als savooien.’ De liefhebbers weten dat we dan nog altijd op die onvergetelijke eerste pagina zitten.

Wortel is een boerenzoon die, in tegenstelling tot zijn broers, blijft steken in de voorvaderlijke grond, en dat mag je letterlijk nemen. Nomen est omen, het hoofdpersonage is onverzettelijk geworteld in het veld dat hij bewerkt. In de Franse vertaling heet hij Racine, in het Duits Knoll. ‘Daarom zei onze va altijd tegen mij: Onze Wortel. Ik bleef. Ik kon het veld niet verlaten. Dat is zo een genie. Het veld trekt u aan. […] Het is een soort van vijand, een reus […] die ons dag in, dag uit tegenwerkt.’

Hoezeer deze roman in de eerste plaats ook een tijdsbeeld lijkt van honderd jaar geleden, al snel raakte dit verhaal bij mij een persoonlijke snaar. Stilaan werd ik Wortel, zat ik met mijn handen in de grond en wroette ik me mee een weg tussen veld, vrouw en God

We zien vervolgens hoe Wortel aan de vrouw raakt, hoe hij worstelt met de zo geprezen kuisheid, hoe hij ook met de dood van geliefden te maken krijgt, hoe complex de relatie met zijn kinderen is, hoe vrouwen hem kracht geven of juist verlammen. We zien hoe hij leeft als mens van vlees en bloed. Haal de alomtegenwoordige God weg en het komt allemaal redelijk dichtbij.
Bij herlezing zette ik de kantlijn vol streepjes, maar die werden steeds zeldzamer. Het was niet dat taal en stijl verzwakten, neen, het was dat ik gegrepen werd door de zoektocht van Wortel, die door het leven niet wordt gespaard. In zijn existentiële verwarring spreekt hij nu en dan herkenbare woorden uit. Van ‘wie zich niet spiegelt, ziet niet hoe lelijk hij is’ tot ‘al dat slaan en zalven, dat loopt zo dooreen, en brengt u zo in de war, dat ge bijna dank zoudt gaan zeggen als ze u een klets op uw gezicht geven’. Hoezeer deze roman in de eerste plaats ook een tijdsbeeld lijkt van honderd jaar geleden, al snel raakte dit verhaal bij mij een persoonlijke snaar. Stilaan werd ik Wortel, zat ik met mijn handen in de grond en wroette ik me mee een weg tussen veld, vrouw en God.

‘Engelen en verkens’
In 1935 beweerde de literaire kritiek al jarenlang dat Timmermans alleen nog boeken publiceerde in een aftreksel van zijn kleurrijke Pallieter-Vlaams, dat hij niet meer verder kwam dan smeuïge anekdotiek. De urgentie leek bij elk boek verder weg te ebben. Maar na de publicatie van Boerenpsalm moesten vriend en vijand erkennen dat de grote schrijver zich ver van een ‘zuipend, vretend en wallebakkend Vlaanderen’ had gehouden, zoals Gerard Walschap schreef. De schrijver van Houtekiet voegde eraan toe dat de oude Timmermans duidelijk nog ‘in den vollen middag van zijn kracht’ stond. De teneur was duidelijk: met ‘dit hooglied van de Vlaamsche boerenziel’ had de Kempense schrijver zich heruitgevonden.

Vooraleer u minachtend ‘Bloed en Bodem’ roept, lees dit boek en probeer het zelf te voelen. Daarvoor hoef je niet uit de Kempen te komen. Wat is er trouwens mis met die verknochtheid aan een echt, fictief of half verzonnen land? Die kun je wel degelijk ervaren zonder je te verliezen in de gevaarlijke psychologie van het zuivere vaderland

Het exuberante breugeliaanse taalgebruik van Pallieter (1916) staat in dit boek op dieet. De stijl overwoekert het verhaal niet, maar valt geloofwaardig met het hoofdpersonage samen, kleeft Wortel op de huid. Natuurlijk kun je betogen dat geen enkele boer destijds sprak als Wortel, maar dat is nu eenmaal het lot van elke literaire verdichting, hoe realistisch ook. Timmermans bracht dan ook een vreemd lichaam de edele letteren binnen, in dit geval de live voor onze neus uitgesproken woorden van een op het land wroetende boer. Louis-Ferdinand Céline, de grootmeester van het orale taalgebruik in de literatuur, zei het ooit heel mooi – ik parafraseer even zijn betoog: als je een stok half in het water steekt, krijg je vanwege de vervorming door het wateroppervlak de indruk dat hij gebroken is. Als je wilt dat hij er als een rechte stok blijft uitzien, moet je hem dus zelf breken. De taal van Wortel lijkt als twee druppels op die van een boer, roept het leven in hut en veld als geen ander op, maar blijft in de eerste plaats een door Timmermans slim verzonnen Kempens-Vlaams-Nederlands… dat op een enkel woord na nog altijd perfect verstaanbaar is. Voor de eerste keer in zijn carrière gebruikt Timmermans de ik-vorm en laat hij een hele roman lang een boer aan het woord, die zich tot een onbestemde instantie lijkt te richten. Tot God? Tot de lezer? Tot zichzelf? Het zou allemaal kunnen, maar misschien lezen we wel gewoon Wortels zielenroerselen zoals die aan hem ontspruiten, tenminste hoe Timmermans zich die verbeeldt. En dat doet hij in een taal die, afgezien van zijn schijnbaar authentiek volks-boerse kleuren, glinstert van het leven en de goesting in dat leven.
Dat vitalisme komt aanwaaien uit een onaangetast, verdwenen Vlaanderen. Mede daarom verschijnen zijn zinnen vandaag als een medicijn dat ons beetje bij beetje – consequent innemen tot de roman uit is – laat afkicken van het jachtige leven dat het onze is. Genereus schenkt het ons wat broodnodige aarding. ‘Ik wist het tot in den amandel van mijn hart’, zegt Wortel. Of wanneer hij zijn weerbaarheid aanspreekt en opkrikt: ‘Al ween ik me zo dun als een mosselschelp, ze komt toch niet meer terug.’ En zijn houten beeld van Christus moet niet klaar zijn tegen pakweg 17 maart, neen, ‘hij moet af voor den eerste pijpajuin uit de grond priemt’. Als zijn hart meermaals een slag overslaat wanneer een jonge vrouw zijn leven overhoophaalt: ‘Zo’n liefde lepelt u uit als een gekookt ei.’

Wat is er trouwens mis met die ondefinieerbare verknochtheid aan een echt, fictief of half verzonnen land? Die kun je wel degelijk ervaren zonder je te verliezen in de gevaarlijke psychologie van het zuivere vaderland. Ik heb het overigens vooral over nostalgie naar een tijdperk of land dat je nooit hebt gekend, maar dat je op een of andere manier vertrouwd voorkomt

De beeldspraak van Timmermans in Boerenpsalm zit net als hoofdpersonage Wortel diep verankerd in de Kempense ondergrond. Zijn taal ademt grond, lucht en licht, en zijn zintuiglijke verrassingsmetaforen zijn mini-elektroshocks die de lezer bij de les houden. Ze zorgen voor een lach, verwondering, een kleine duizeling. En soms zijn ze zo mooi dat ik er een spel van maak ze mijn eigen gesprekken binnen te smokkelen. Neem nu de eerste keer dat Wortel zijn aanstaande vrouw Fien ontmoet in een herberg. Zij eet boterhammen, hij ook. ‘Zo geraakten wij in gesprek’, staat er, en dan, meteen erna dit onvergetelijke beeld: ‘Ze blonk als een droge ajuin.’ Wortel gebruikt de hele tijd elementen uit zijn dagelijkse werkelijkheid om zijn gevoelens of wat in zijn blikveld verschijnt te beschrijven. Als hij met zijn bugel een stukje muziek speelt en vaststelt dat de koe haar kop draait en het varken zijn snuit uit zijn kot steekt, krijgt hij een klein beetje vleugels. ‘Omdat de koe en het varken luisterden, speelt ge beter dan anders, zo met gebibber en broebelingskens.’ En dan haalt Wortel alias Timmermans weer zo’n Boerenpsalm-metafoor van het zuiverste karaat van stal: ‘Veel geluk heeft een boer niet, maar dat zijn uren als eieren.’ In het woordenboek ermee.
Wortels woorden ademen hemzelf, de boer die wortelt in het veld en de bossen, en op haar beurt schoot die natuur in Timmermans woorden. Een organische cyclus van taal, mens en natuur. ‘We zijn zo een geworden’, en Wortel heeft het niet over zijn vrouw, maar over zijn veld. ‘Elke vrucht is iets van mij. Elke vrucht scheen mij beter te groeien door mijn gedachten dan door beer. […] Het boerenleven hecht mij lijk een wortel, naar mijn naam. Het is alsof ik nooit niet sterven zal of kan.’ Gaandeweg moest ik denken aan die onvergetelijke zinnen uit L’oeuvre au noir (1968, vertaald als Het hermetisch zwart) van Marguerite Yourcenar: ‘Die schoenen die naast het bed gaapten hadden meebewogen met de adem van een os, liggend in een weiland, en een uitgebloed varken krijste in het vet waarmee de schoenlapper ze had ingesmeerd. […] Een geslachte gans schreeuwde in de pen die gebruikt zou worden om op oude lompen gedachten neer te schrijven die men waardig achtte te blijven voortbestaan. Alles was iets anders.’ Zo ver als Yourcenar gaat Timmermans niet, Boerenpsalm is daartoe te weinig filosofisch en te religieus van inborst, maar er is wel sprake van een grote connectie tussen de aardse elementen, en tegelijk van een pantheïstisch geheel waar het aardse en het hemelse met elkaar in verbinding staan. Droeg de eerste versie van de roman niet veelzeggend de titel Engelen en verkens? Uit de bekoorlijke Timmermans-oogst van schilder Koen Broucke plukte ik spontaan een varkenskop en een Mariabeeld, vitaal geschilderd in brou de noix, de vaalbruine notenbeits die zo goed tot de ziel spreekt. Op de cover en de achterflap ermee, zei ik meteen. Koen en uitgever Toon Horsten zaten direct op dezelfde golflengte. Niemand van ons had toen weet van die oertitel. Was Timmermans erbij geweest, hij had ons wellicht een schouderklopje gegeven. Engelen en verkens, jongens, goed gezien.

2480848-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg

Varkenskop (bister op papier). Koen Broucke

‘Ons Fien, ze kwam van over de Nete’
Ik ben opgegroeid in de Stille Kempen, in Bouwel, op enkele steenworpen van Timmermans’ buitenverblijf Minneke Poes, dat hem inspireerde tot een van zijn mooiste boeken. Ook al kom ik nog regelmatig op familiebezoek, eigenlijk heb ik de Kempen verlaten toen ik op mijn achttiende ging studeren in Antwerpen.The boy can leave De Kempen, but De Kempen will never leave the boy.Zeker met de jaren klinkt de roep van de geboortegrond luider. Niet dat ik ooit echt terug zal gaan, maar terugkomen doe ik graag. En anders volstaat het om enkele bladzijden uit Minneke Poes of De zeer schone uren van Juffrouw Symforosa Begijntjen te lezen, al spant Boerenpsalm de kroon. Wortel die over zijn veld praat, het is als mijn vader over zijn tuin. Al is er een Timmermans nodig om dat te verwoorden. ‘En dan met het peerd in ’t veld ploegen. De grond die openrolt, de grond die blinkt en dampt. Flessen medicijn gaan open en de zon streelt uw lijf. De ene voor komt nevens de andere, ordelijk en regelrecht, en morgen bestrooi ik ze met heelder handvollen zaad. Met hoop en verlangen zal ik naar die eerste priemekes staren, ze zien wassen en vrucht zien worden. Elke plant kent ge. Die doet het, en deze moet nog wat couragie krijgen.’

Die verknochtheid aan het land is geen verzinsel, ze bestond en bestaat nog altijd. ‘Laat Uwen Wortel als tegendank nog vele jaren op Uw veld in het zweet zijns aanschijns mogen werken! Dank op voorhand!’ Het hadden de woorden van mijn vader kunnen zijn. Als Wortel na acht maanden gevangenis weer thuis tussen zijn bieten staat, lezen we: ‘Ik voel me lijk een boom die ’t sap van den grond opzuigt.’ Mijn vader ervaart dit al als hij een week is weg geweest. De Kempen die in Boerenpsalm verschijnen, dat zijn de bosschages, de mastenbossen en de lappendekens van velden die ik zelf nooit gekend heb, al is het bij elk woord alsof mijn geboortegrond ritselt en fluistert, sterker, zich het decor van mijn voorouders ontvouwt. Deze roman is een kijkdoos naar het leven van mijn voorgeslacht, een kijkdoos die zo geurt, kleurt en dampt dat het lijkt of ik er zelf in rondloop. Soms komen woorden en scènes recht uit die vervlogen tijd aanvliegen. Hoe Wortel bijvoorbeeld vloekt op de ‘oude Mejonkvrouw van ’t kasteel’ van wie hij zijn veld huurt, hoe hij zich kortom ergert aan wat we kunnen beschouwen als de laatste naweeën van eeuwenoud feodalisme.

Ik herinner me nog hoe mijn grootouders het hadden over ‘den heer’ van het dorp, maar zouden er nog twintigers zijn die zich daar iets bij kunnen voorstellen? En bij de volgende zinnen? ‘Aan Frisine is ’t elke keer een uitleg als een Mechelse catechismus’ of ‘ze kon melken dat g’er naar kon luisteren als naar een harmonie’, en vooruit, nog eentje: ‘ge speelt beiaard met de tepels en de melk ritst in den emmer’. Tegelijk vraag ik me af of mijn (over)grootouders dit boek hebben gelezen. Ik weet het niet. Als men het destijds in boerenfamilies over ‘lezen’ had bedoelde men ‘bidden’ – men ‘las’ een paternoster. Maar ze zouden het begot begrepen hebben, elk woord een hartenslag van hun noeste boerenbestaan.
Vooraleer u minachtend ‘Bloed en Bodem’ roept, lees dit boek en probeer het zelf te voelen. Daarvoor hoef je helemaal niet uit de Kempen te komen. Wat is er trouwens mis met die ondefinieerbare verknochtheid aan een echt, fictief of half verzonnen land? Die kun je wel degelijk ervaren zonder je te verliezen in de gevaarlijke psychologie van het zuivere vaderland. Ik heb het overigens vooral over nostalgie naar een tijdperk of land dat je nooit hebt gekend, maar dat je op een of andere manier vertrouwd voorkomt. Dat heb ik met het Parijs van Honoré Balzac, de Rue monsieur-Le-Prince van Charles Aznavour, het Vlakke Land van Brel, het Louvre van Alexandre Dumas, de kanalen en cafés van Georges Simenon, het Brugge en de Monts des Flandres van Marguerite Yourcenar… en dus ook met de Kempen van Timmermans.

Zo’n boek moet ‘de Fé’ toch geschreven hebben terwijl hij in Kempense zandgrond wroette? Woonde hij niet in Lier? Toch zou Timmermans een aanzienlijk deel van Boerenpsalm schrijven in Villa Laagland, aan de Belgische kust in Oostduinkerke. Zou hij turend over de baren aan de zacht meanderende Nete hebben gedacht? Die rivier waarachter een waas van het Beloofde Land hing? Schreef hij niet ‘ons Fien, ze kwam van over de Nete’? Veranderde de Noordzee voor zijn ogen in de waterlijn die door de Kempen kronkelt? Het moet wel zo zijn, want hoe aards het boek ook is, Timmermans strooide geen verdwaald duinzand of zeezout tussen de regels. De Lierse schrijver functioneerde als een spons. Voor hij begon te schrijven, zoog hij indrukken en gedachten op. Deed hij research, zoals wij dat vandaag noemen. Ging hij op veldonderzoek. Vooraleer hij in Oostduinkerke aan het schrijven sloeg, had hij het decor van zijn roman grondig omgeploegd. De streek tussen Herentals, Lier en Heist-op-den-Berg kende hij als zijn broekzak, maar opnieuw was hij rond gaan scharrelen. Buitenlieden aansprekend, boeren vergezellend op hun tochten naar het veld, in gedachten al die Kempense karakters boetserend tot die ene Wortel.

Timmermans hield van die uitjes, maar bleef toch altijd een buitenstaander, een beetje zoals Breugel, die zich eeuwen eerder als boer verkleedde om in het geheim mee te vieren op wat men later breugeliaanse feesten zou noemen. Al verschool Timmermans zich niet: in zijn lange pardessus, zijn pijp in de hand, zakte hij met de geur en geluiden van provinciestad Lier in zijn hoofd af naar het platteland. De man die in Boerenpsalm zo overtuigend oreert dat de boerenstiel het mooiste beroep ter wereld is, zou altijd een stadsmens blijven. ‘Ik zou geen boer kunnen of willen zijn’, schreef hij ooit. Bij het lezen van zijn roman krijg je nochtans de indruk dat deze schrijver liever landbouwer dan scribent was geweest. Niets is minder waar. Timmermans zoog de kwintessens van de boer op, wrong zichzelf uit voor zijn schrijftafel en vertaalde de oogst aan indrukken en inzichten naar een universele figuur, die onvergetelijke Wortel – een personage dat nog meer dan Pallieter uit de werkelijkheid lijkt geplukt. Hij deed wat grote schrijvers doen. Flaubert was geen eenzame ongelukkige vrouw uit de provincie, Gontsjarov geen eindeloos uitslapende luiwammes, Yourcenar geen zestiende-eeuwse alchemist, Timmermans geen Kempense boer. Toch zou het zomaar kunnen dat Timmermans tijdens het schrijven op zijn Flauberts ‘Je suis Wortel’ uitriep.

 2480848-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg   Netevallei (vollemaan), bister op papier. Koen Broucke

‘Ik heb geprobeerd van dien Jezus af te blijven’
Timmermans werd gaandeweg niet alleen Wortel, die laatste kreeg ook wat mee van de schrijver. Hoe valt anders zijn hang naar een artistieke uitlaatklep te verklaren? Of zou de schrijver werkelijk veel beeldhouwende en schilderende boeren hebben ontmoet in de Kempen? (Het zou kunnen, maar de kans is klein.) Avond na avond snijdt Wortel aan een houten ‘Kruislievenheer’. Elke kerf komt overeen met een moment van geluk, wanhoop of moeizaam verworven onverschilligheid. ‘Ieder huisje draagt zijn kruisje’, zo hing het vroeger in de hut van elke boer. Je mag die woorden hier letterlijk nemen.
Wortel staat huiverig tegenover nieuwigheden en wetenschap: ‘geen zwelpoeders’ en ‘zonder chimiek’, zweert hij, ja, laat de aardappelen dan maar wat kleiner uitvallen – opmerkelijk genoeg een ideaal waarvan we vandaag opnieuw lijken te dromen. Terwijl hij op zijn veld vecht voor elke morzel vruchtbare grond, bidt hij daarentegen dat het een lieve lust is. Hier een kaars, daar een paternoster, ginder een kruisbeeld. Meneer pastoor is zowel zijn grote kameraad (‘hij krijgt altijd een pint melk, direct van de tepel’) als de nagel aan zijn doodskist (men leze het einde van de roman). Ja, zelfs als het over vrouwen gaat, sluipt de kerk Wortels beeldspraak binnen: ‘Haar lach bleef in uw ribben galmen lijk in een kerk.’ Het is sterker dan hemzelf. ‘Ik heb ook al geprobeerd om van dien Jezus af te blijven. Ik kan het niet. Het is alsof hij roept’, verzucht Wortel. Al heeft hij het hier over zijn houten beeld, de woorden vallen niet mis te verstaan. God was toen echt nog overal, eraan ontsnappen schier onmogelijk. Wat de lezer het meest bijblijft is toch de innige band die Wortel koppig en volhardend tot op het einde met zijn boerenland onderhoudt. Timmermans kleurt Wortels verhouding met zijn veld welhaast lichamelijk in. Beschrijft hij de boerenstiel al niet aan het begin van de roman als een langgerekte copulatie met Moeder Natuur? ‘Ge loopt over haar lijf, ge kruipt over haar lijf. Natuurlijk werkt ze u tegen zoals alle vrouwen.’ En toch maar blijven gaan, hard labeur en masochisme als levensstijl. ‘Maar als ge dan van de nieuwen oogst, de boterham, die ge met uw eigen krachten uit den grond hebt gesleurd in uw vierkantige handen hebt, en ge kunt daar uw tanden inzetten, en ge ziet swenst een hele tafel rond vol eters, dan is ’t of de Baas van hierboven zijn hand op uw schouders legt, en stillekens in uw oor fezelt: ’t is heel goed Wortel, merci!’ Ach, de essentie staat grotendeels op de eerste pagina’s van Boerenpsalm. Daarna gaat Timmermans variëren als een componist, met andere frasen, andere kleuren, af en toe een verrassende melodie, maar de toon is gezet, de rode draad gespannen.

In dat bijna obsessioneel samenvallen met wat je dagelijks doet, in die even lichamelijke als geestelijke verwantschap tussen een temperament en zijn hoogstpersoonlijke wereld valt een en ander te herkennen. Hoe Wortel zijn veld bemint en Timmermans zijn universele boerenroman componeert, het is niet anders dan hoe mijn vader zijn hof bestiert of hoe ondergetekende jarenlang in de tuin van de Bourgondiërs ging harken en wieden. Boerenpsalm is ook een lofzang op het zich oeverloos overgeven aan een moeizaam veroverd ambacht, een eerbetoon aan de met goesting uitgevoerde stiel, overgave zonder al te veel terughoudendheid. Waarbij Wortels leven dankzij het uitgekristalliseerde ambacht van Timmermans heeft geleid tot een kunstwerk zoals we er maar weinig kennen in onze literatuur. De Lierenaar mag zich met recht en reden de woorden van zijn personage toe-eigenen: ‘Gij zijt fier op uw werk, blij om de oogst, ge zijt uw eigen baas en uw eigen koning.’
Koning Timmermans, ik ben blij u te mogen melden dat uw meesterwerk eindelijk weer verkrijgbaar is en dat het werd geïllustreerd door Koen Broucke, een schilder die af en toe ook de pen ter hand neemt, een beetje zoals u een schrijver was die weleens het penseel hanteerde. Jullie zouden het goed met elkaar kunnen vinden, denk ik. Ooit voeren we samen dat gesprek over Engelen en Verkens. Met ook uitgever Toon Horsten erbij, en natuurlijk Gaston Durnez, die genereuze kenner van uw leven en werk, met wie ik nog een door de eeuwigheid verstoord gesprek moet afmaken.

Eerst wandelen we langs de Nete tot aan de waterputtekens van Kruiskensberg in Nijlen en daarna kuieren we verder tot Bouwel. Daar wacht mijn vader, die ons er als Wortel op zal wijzen hoe ‘de zon door de smoor breekt’, hoe de geur van het veld rond ons hoofd rolt. We zullen ‘de klaver, het koren, het beekwater, de mest, de bloemen en de honing’ ruiken en luisteren naar de leeuwerik. We zullen hem zien staan ademen in zijn deur, en hem trots zien gebaren naar zijn werk, hoe het ‘daar zo schoon ligt, ordelijk in voren en vlakken, zoals schone tapijten’. Hij zal – is het Wortel? is het mijn pa? of zie ik mezelf in het kieltje van mijn grootvader? – opwippen van geluk en werklust. ‘Rijker dan een koning’ zal hij de staldeuren open zwieren. Daar zullen zijn koeien van weleer met hun staarten draaien.

Nadien zal er koffie zijn en boerenbrood. Groenten uit de hof. Vlees van het varken. ‘Met de rapte een dozijn vorschenbillekes boven het houtvuurtje gebakken.’ Een pint en een borrel. Ik beloof dat ik op voorhand ook zal afdalen in de kelder van De pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt (1923). Op dit hernieuwde leven van Boerenpsalm moet serieus worden geklonken, toch? Eerst kraken we een ‘Zijbeekske van de Jordaan’, de witte wijn met de door u zo geprezen ‘geur van lentevioletten’. Misschien vind ik ook een ‘Regenboog van ’t Beloofde Land’, want als die opengaat ‘is het alsof men karren fruit ruikt’. Voor de zekerheid zet ik ook een flesje ‘Dauw uit Hemelse Voorhoven’ op het schap, al was het maar om die gewoon te openen en door zijn aroma alleen al ‘vol zaligheid te lopen’.
Ik hoop dat ge het goed vindt dat we afsluiten met ‘Overschot uit Canaän’.

Dit is een ingekorte versie van de inleiding van Bart Van Loo bij Felix Timmermans’ Boerenpsalm, met illustraties van Koen Broucke en een nawoord van wijlen Gaston Durnez (Davidsfonds Uitgeverij). Het boek verschijnt op 3 mei.



2480848-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg      2480848-0e06d25ff02a6281c46b4a7096f816bb.png


Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 11:09 Reageer op dit bericht

Felix Timmermans was voor alles Dichter - Erik Verstraete

FELIX TIMMERMANS WAS VOOR ALLES DICHTER

Door Erik Verstraete uit Dietsland Europa  -  verbond van Nederlandse werkgemeenschappen - were di – 1/8/1986.

                                        Met U zijn er geen verten meer 
                                        Met U zijn er geen verten meer
                                        en alles is nabij
                                        Des levens aanvang glinstert weer,
                                        geen gisteren en geen morgen meer,
                                        geen tijd meer en geen uren,
                                        geen grenzen en geen muren;
                                        en alle angst voorbij,
                                        verlost van schaduw en van schijn,
                                        wordt pijn en smart tot vreugd verheven!
                                        Hoe kan het zo eenvoudig zijn!
                                        Hoe kan het leven Hemel zijn,
                                        met U, o kern van alle leven!

* Uit Adagio van Felix Timmermans - zie verder de bijdrage van Erik Verstraete over de dichter Timmermans.

                                        Erik Verstraete
                                        De herfst blaast op den horen,
                                        en 't wierookt in het hout;
                                        de vruchten gloren .
                                        De stilten weven gobelijnen
                                        van gouddraad over 't woud,
                                        met reeën, die verbaasd verschijnen
                                        uit varens en frambozehout,
                                        en sierlijk weer verdwijnen...
                                        De schoonheid droomt van boom tot boom,
                                        doch alle schoonheid zal verdwijnen,
                                        want alle schoonheid is slechts droom,
                                        maar Gij zijt d' Eeuwigheid!
                                        Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
                                        en zegen ook zijn vruchten.
                                        Een ganzendriehoek in de luchten;
                                        nu komt de wintertijd.
                                        Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
                                        Ik ben bereid.

Dit vierde gedicht uit Felix Timmermans' postume bundel Adagio verschenen in 1947, jaar van zijn dood, is wellicht het bekendste en dierbaarste uit dit kostbare boekje, naast het sublieme "kern"-vers:

                                        "De kern van alle dingen
                                        is stil en eindeloos.
                                        Alleen de dingen zingen,
                                        Ons lied is kort en broos.

                                        En donker zingt mijn bloed,
                                        van heimwee zwaar doorwogen.
                                        Ik zeil langs regenbogen
                                        Gods stilte tegemoet."

2011357-30e62fddc14c05988b44e7c02788e187.jpg

Hier spreekt, of juister bidt en zingt de dichter Felix Timmermans, de gelouterde, in zichzelf gekeerde, diep gelovige mens en kunstenaar, die echter in Adagio de motieven verwerkt heeft uit zijn vroegere, wereldberoemde romans en verhalen, zij het in de geconcentreerde vorm van de lyriek. Inhoudelijk én door zijn gave, lyrische vorm, door de muzikale en beeldende intensiteit van de zegging is deze dichtbundel van de geboren verteller én de begaafde tekenaar-schilder een meesterwerkje, dat ons altijd opnieuw verrast en tot bezinning maant. Van alle werken van Timmermans, hoe feestelijk en gelukzalig ook, zou ik de Adagio-verzen het minst graag willen missen. De bundel is een zuivere voltooiing en bekroning van zijn hele levenswerk, dat in wezen altijd dichterlijk was, geschreven door een "dichter" in de ruimste zin van dit nu zo misbruikte en uitgeholde woord. Ik ga hier dadelijk dieper op in.

Bijzonder verheugend is daarom het feit dat er in dit Timmermansjaar - de Fee werd op 5 juli 1886 geboren - een door en door Vlaamse uitgever is opgestaan, drukker Frans Smits uit Wommelgem, die met zijn nieuw fonds, "Den Gulden Engel", al dadelijk twee voorname heruitgaven heeft gebracht: Adagio met bij elk gedicht een waardevolle en verrijkende "meditatie in de marge" van Prof. Dr. Herman Emiel Mertens, hoogleraar in de theologie aan de Katholieke Universiteit te Leuven, en een vijfde, facsimile-druk van Mijn Vader, Lia Timmermans' ontroerende herinneringen. Zopas kwam nu ook het pronkstuk klaar van deze "goede engel", in het aan eigen uitgevers steeds armere Vlaanderen: Al mijn dagen, de allereerste publicatie van onbekende dagboeken en archieven van Felix Timmermans, de openbaring van een onuitputtelijke literair-historische en menselijke schat, samengebracht en geordend door de germaniste Dr. Ingrid van de Wijer.

Poëtisch proza
Eigenaardig, maar betekenisvol is wel dat Timmermans zijn literaire loopbaan met verzen begon en met verzen eindigde. Tussen het jeugdbundeltje Door de dagen, het eerste boekje met verzen uit de jaren 1903-1907 en gepubliceerd in 1907, onder de schuilnaam Polleke van Mehr - naar zijn eerste naam Leopold en de Lierse vorm van Gommaar, zijn vaders naam -, en Adagio, zijn laatste werk, ligt een tijdsspanne van veertig jaar en meteen een geweldige ontwikkeling, geestelijk, inhoudelijk, en naar de vorm. Polleke van Mehr liet de dichter van Adagio geenszins vermoeden. Die eerste pennevruchten brachten maakwerk, zonder veel inhoud en ontroering. Het zijn slechts simpele vertelsels, met vaak banale beelden, tafereeltjes en indrukken. Nog eerder zwakke beschrijvingen in versvorm. Ze staan dicht bij Timmermans' eerste verhalen, zoals Begijnhofsproken (met Antoon Thiry samen). Tussen Door de dagen en Adagio heeft Felix Timmermans geen poëzie in boekvorm uitgegeven, maar twee, zij het zeer ongelijke, dichtbundels omspannen het immense, plastische prozawerk.
Toch heeft de schrijver van Pallieter, Pieter Bruegel en Boerenpsalm nooit aan de bekoring kunnen weerstaan gedichten te schrijven. Verscheidene onuitgegeven proeven van gedichten bewijzen hoe hij zich meer dan eens inspande om deze literaire vorm en techniek onder de knie te krijgen. Zijn dionysische scheppingsdrang bereikte echter nooit de apollinische klassieke vorm. De overtollige inspiratie en dichterlijkheid kon hij niet in een strenge, sobere versvorm dwingen.
Soberheid en verstechniek bereikte hij ten slotte wél in ruime mate in Adagio. Dit belet niet dat de zeldzaam dichterlijke mens Timmermans steeds en als vanzelfsprekend een dichterlijk schrijver was.

2473422-1babcb98b2b96f7fc8022195d5f50c19.jpg     2473422-0ca923c0573c2c53cf3df9188fbd8ff6.jpg

De meeste van zijn romans en verhalen liggen vol poëzie en sfeer en we vinden er dikwijls pareltjes van woordkunst, poëtisch proza. Dergelijk zuiver proza vinden we o.m. in de etherische novelle Ik zag Cecilia komen. De taal is hier zuivere muziek, eenvoudig en ritmisch: "Met het krieken van de morgen ben ik in mijn deur gaan staan. Het huis zit eenzaam aan de rand van de mastebossen, bij een kronkel van de snelle beek. - Heel de nacht steeg uw beeld op in mijn dromen. En nu kom ik buiten, om het luid op te zeggen en te zingen, hoe heerlijk ik u liefheb, Roelinde. De morgen heeft er zich voor geschikt en toebereid. De lucht in 't oosten is een trap van goud en steekt pilaren in de hoogte. De morgen is een paleis. Kristallen klanken droppelen. De dreven die naar de abdij leiden, hangen vol wierook en de konijnen luisteren in het klaverland." Dit behoort tot het gaafste lyrisch proza van onze letterkunde. Naast het zachte ritme en de muzikaliteit ligt Timmermans' dichterlijke zeggingskracht vooral in de oorspronkelijke, verrassende beelden, hier in Ik zag Cecilia komen en in alle andere romans en verhalen. De voorbeelden zijn uitermate talrijk en ruim bekend.
De begaafde schilder en tekenaar Felix Timmermans borstelt breeduit of tekent verfijnd in al zijn proza.
Hij zei trouwens zelf dat hij eigenlijk niet begreep waarom hij schrijver en geen schilder - op de eerste plaats dan - geworden was. In Ik zag Cecilia komen heeft hij zijn beeldspraak versoberd en gelouterd, in harmonie met het religieuze levensgevoel, de gothische, bijna mystieke wijding van het weemoedige liefdesvehaal. Naar mijn mening het puurste gedicht in proza dat de Fee geschreven heeft, uitgaande van het innige middeleeuwse lied Ik zag Cecilia komen, langs enen waterkant. De beelden zijn voornaam en zuiver gehouden, los van alle uitbundige zinnelijkheid, aangepast aan de geest van onthechting en verzaken aan het aardse, die deze novelle beheerst.
Dit serene, kristalheldere proza kondigt reeds de meditatieve, gelouterde poëzie van Adagio aan.

Synthese
Zijn rijk opborrelend gemoed en zijn onstelpbare verbeelding wist hij in deze bundel in beheerste taal en versvorm te gieten. De "hoorn des overvloeds", de uitbundige beeldenpracht van Pallieter en Pieter Bruegel, om maar die twee te noemen, is voorbij. Ogenschijnlijk een andere, verstilde Timmermans...
Maar toch is Adagio de synthese van zijn hele wezen en kunstenaarschap. De voornaamste motieven en geestelijke waarden waarvan de bewonderende ziel van de dichter uitging keren hier weer.

Vooraleer die thematiek even te benaderen is het, voor een goed begrip van deze ingekeerde poëzie, noodzakelijk hun ontstaan in specifieke tijdsomstandigheden te kennen. De drieëndertig gedichten van Adagio heeft de Fee geschreven in de jaren 1945 en '46, die onzalige en voor vele nationalisten, kunstenaars en dichters in Vlaanderen, rampzalige jaren, toen hij met een toenemende hartkwaal meestal het bed moest houden en slechts af en toe aan die soms vroeger geconcipieerde verzen kon schrijven en herschrijven. Dat er door enkele collega's-schrijvers, vooral door Toussaint van Boelaere, een hetze tegen hem en zijn werk op het getouw was gezet, deed zijn kwetsbaar hart veel pijn.
Toch zei hij nooit één bitter woord over hen. Dat dit zo subliem gedragen lijden hem tenslotte toch gebroken heeft bevestigde zijn vrouw Marieke Janssens in een brief van 22 april 1949, aan het eveneens beproefde echtpaar Claes: "Natuurlijk volgen wij (...) nauwgezet wat ze U hebben aangedaan en ik kan U verzekeren dat er niemand is, die uw toestand beter begrijpt als wij, omdat we in't zelfde geval zijn geweest.
Ongelukkiglijk verloor ik Felix erbij. Hij heeft al die ellende niet kunnen dragen."
Maar de grote, voorname kunstenaar van en voor het volk, de milde, hoogstaande mens Felix Timmermans heeft men geenszins klein gekregen. Integendeel, uit het lijden van die jaren kreeg zijn dichterschap, verpuurd en verdiept, onvergetelijk gestalte in de Adagio-gedichten. Al zijn schone liefden worden hier nog geïntensiveerd en gezuiverd. De overvloed heeft hij laten bezinken, de juwelen heeft hij vastgezet in het schrijn van zijn klare en vormgave poëzie. Grondgevoel en hoofdmotief' in deze zuiver beeldende en zangerige poëzie is een mystiek Godsverlangen, een afbreken van het eigen ik om God alle ruimte te geven:

                                        "Het was alsof Hij door ons heen verdween
                                        en't licht in ons is blijven branden.
                                        Blijf zoo in ons, o Heer, de zon gaat onder!"
                                                                                                       (uit Emmaüs)

2473422-7552a8b513a61190c9c65ad1003e20f9.jpg       2473422-a547fba63ff4969418ad00d7527e7f4d.jpg

Langs de uiterlijke benadering der dingen, in de natuur vooral, zoekt en vindt de dichter God, zoals Gezelle hem voordeed, maar telkens opnieuw ervaart hij de dualiteit tussen de verlokking van het zinnelijke leven en de spirituele louteringsdrang van de ziel. Zijn liefde voor de natuur trilt in klare beelden in Adagio, die altijd aanleiding zijn tot diepere beschouwingen. Zulke biddende gedichten zijn na Gezelle zeldzaam geworden in de Nederlandse dichtkunst. Dit Godsverlangen waarin Felix Timmermans ontsteeg aan de aardse gehechtheid inspireerde vooral de mooiste gedichten van Adagio: Het hoger genoemde, laatste gedicht Emmaüs, De Profundis, 'k Huiver van ontzag en glorie, De herfst blaast op den horen, 't Gebergt ligt in den nacht verborgen, De meinacht mint den nachtegaal, Door de neevlen van den avond..., Met rood en blauw op gouden grond, O Heer, geef mij berouw, Ik hou van nevel bij den val der blaadren, Met U zijn er geen verten meer, 'k Zou van mijn woorden, van mijn taal..., Waar de zon is heengetogen, Ik hoor Uw stem, nu hier, dan daar, De kern van alle dingen... .

Deze vroomheid beheerst in feite alle Adagio-gedichten. Het zoeken naar God in de dingen, de schoonheden van de natuur, brengt in de dichter telkens weer deemoed teweeg, besef van eigen zwakheid en onmacht:
" 't Is of de dag in alle vlijt met een oneindigheid van priemen de grijze pij van mijnen deemoed breit.
Verbonden met die deemoed speuren we ook altijd weer de verwondering, de eerbied voor het sacrale in de dingen, iets wat de wezenlijke dichter en de lyrische prozaïst Timmermans typeert:

                                        Uit stilte en uit sterrenlicht
                                        wordt dan een altaar opgericht.
                                        En luister nu, hoe alle dingen zingen,
                                        en alles zingend in elkaar vervliedt,
                                        de mensen en de dingen,
                                        de vreugd, het kwaad en het verdriet,
                                        lijk duizend schoon accoorden
                                        van een en 't zelfde lied!

Verwondering, geestdrift en aandacht voor al het schone, ook in de geringste dingen, waren overvloedig aanwezig in de dichterlijke mens en schrijver Felix Timmermans. Die levenspoëzie borrelde uitbundig overdadig - soms té geweldig - op in de grote prozawerken als, De Pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt en Pieter Bruegel, maar vond een zuiverder, lyrisch-beheerste verwoording in Adagio.
In het licht van zijn geloof, het streven van de ziel naar God, moeten we ook de weemoed en de doodsgedachte zien, die hier en daar opduiken in deze bundel. Het soberst en het meest aangrijpend heeft de dichter Felix Timmermans die geest van inkeer, weemoed en zelfs doodsverlangen, die hem in die droeve jaren 1945-'46 zo overweldigde, gestalte gegeven in het eerste gedicht van Adagio, een prachtig sonnet. Tegenover de droefheid van het eerste deel van dit sonnet, het octaaf met de eerste twee vierregelige strofen, staat het ondoofbare, éne lichtje in het tweede deel, het sextet met de twee laatste drieregelige strofen. In deze contrastwerking, eigen aan het sonnet, suggereert de dichter het licht van zijn geloof als ultieme redding uit de doodsangst. In de volgende gedichten van Adagio wordt dit schamele lichtje een helder vuur van Godservaring. 
Met dit sonnet, als synthese van Timmermans' dichterschap, besluit ik deze bijdrage. Subliem symbolizeert het lichtje zijn heimwee naar God, naar de absolute Schoonheid, meer dan ooit, nu het herfst en winter wordt over zijn leven.

                                                            De blaadren rijzen door den stuggen nevel,
                                                            er zijn geen klanken meer, er is geen lied,
                                                            slechts in het dorre riet een vroom geprevel...
                                                            Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet.
                                                            Want wij zijn arm, en knagen aan 't verleden,
                                                            en spelen met de kaarten van verdriet.
                                                            Het schoonste sprookje stelt ons niet tevreden
                                                            en door den nevel lokt de toekomst niet
                                                            Het leven vlood en d' as blijft in ons handen,
                                                            't verlangen stijgt om mede te vergaan.
                                                            Doch in den weemoed blijft één lichtje branden,
                                                            het lichtje dat w' in den zomer overslaan,
                                                            waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,
                                                            rondom den wintertijd om olie gaan.

2011357-fe5df232cafa4c4e0f1a0294418e5660.jpg


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Laat het nu stil worden - Herman-Emiel Mertens

Laat het nu stil worden
Nabeschouwingen rond Adagio

Door Herman-Emiel-Mertens - Professor aan de Katholieke Universiteit van Leuven – 7/12/1986

De Herfst is uitgeblazen op den Horen...
'Een ganzendriehoek in de luchten;
nu komt de wintertijd'.
 

Het Felix-Timmermansjaar nadert zijn einde. Weldra zullen de laatste feestklokken uit-beieren en de jubelklanken stilaan wegebben. Er is in dit eeuwfeestjaar veel eer bewezen aan de geliefde Vlaamse schrijver en schilder, de dubbele kunstenaar: zijn plastisch kunstwerk werd herontdekt en tentoongesteld; zijn literair œuvre werd met vernieuwde interesse herlezen. De artiest met pen en penseel werd hulde gebracht door prominenten en vooral door talloze 'kleine lieden', meestal zonder veel tralala, maar waardig en gemeend. Er is de indrukwekkende lijst van de vele herdenkingsmanifestaties, die voorlopig niemand tellen kan: lezingen, voordrachten, radio- en televisie-uitzendingen, academische zittingen, eucharistievieringen, officiële plechtigheden, volksfeesten... Timmermans kreeg zijn postzegel en Pallieter zijn standbeeld.
Er verschenen talloze bijdragen in kranten en tijdschriften,niet alleen om al deze memorabele feestelijkheden te relateren, doch ook om de figuur en het werk van Timmermans zelf te belichten. Nieuwe monografieën zagen het licht: De goede Fee door Gaston Durnez en Felix Timmermans, de pelgrim door Ignaas Dom. Traditiegetrouw bracht het ijverige Felix-Timmermans Genootschap zijn Jaarboek op de markt (het veertiende!) 100 Jaar Felix Timmermans (samengesteld door voorzitter José de Ceulaer). Jammer genoeg kwam er geen heruitgave van het verzameld werk waarop velen in Vlaanderen en Nederland hadden gehoopt (maar hiervoor zijn alle jaren goed!).
Goddank was er in 1986 de start van de nieuwe uitgeverij den gulden engel, die als een 'goede engel' Timmermans' blijde boodschap aan den volke opnieuw zou verkondigen. Als eerste vrucht (in het beginnend literair fonds) verscheen de grafisch zo fijn verzorgde nieuwe uitgave van Adagio. Vervolgens kwam de herwerkte uitgave van Lia Timmermans' Mijn Vader. Een primeur was wel de editie van de dagboeken door Ingrid van de Wijer Al mijn dagen. Recentelijk werden de Vertelsels opnieuw uitgegeven. Ook van de vier kinderen Timmermans kon 'Den Gulden Engel' wat nieuws brengen. Vooreerst Wandelingen in Lier - een kunsteditie met reprodukties van schilderijen van Tonet met teksten van Lia. Nadien kwamen Langs de waterkant, haiku's van Clara en Zeg eens kaas van Gommaar.
Den gulden engel heeft door al deze keurige uitgaven aanzienlijk bijgedragen tot de luister van het Timmermansjaar en tot de herwaardering van de gevierde auteur.
De diverse plechtigheden waarop deze nieuwe publikaties aan pers en publiek werden voorgesteld waren zovele stijlvolle en indrukwekkende Timmermansherdenkingen. 'Honor cui honor'. Nu maar hopen dat dezelfde 'goede engel' de gehele blijde boodschap mag brengen door de heruitgave van het verzamelde werk. Wie weet?
Veel eer is de 'goede Fee' bewezen; echter niet té veel, want een volk is aan zichzelf verplicht zijn échte groten te eren en er worden in den lande andere, mindere goden vereerd. Wij zijn een raar volkje: enerzijds wars van zogeheten elitarisme en anderzijds de sport- en andere vedetten cultus druk beoefenend. Vandaag de dag krijgt kitscherige kleinkunst soms meer applaus van de massa en meer steun van de overheid dan de echte kunst.
De fakkeldragers van de échte cultuur oogsten vaak minder dank en minder waardering. Felix Timmermans, onze volkse en meest vertaalde schrijver, is echter verdiende lof gebracht gedurende dit eeuw-feestjaar.
Er zijn helaas tijden geweest waarin hij werd miskend, benijd en belaagd, als mens en als kunstenaar, geheel ten onrechte. Velen te Lier en in Vlaanderen hadden wat goed te maken.

2471344-85bb23d90c1b8f1a76177c2b3197f6dc.jpg      2471344-f32b65af5cf4aa0e7f0f4eb8aad0c9f1.jpg

Er is goddank veel goed gemaakt. De hulde was massaal, de waardering algemeen. Maar wierook blijft niet hangen en geuren. Ieder applaus sterft uit en het felste enthousiasme kan tanen. Men eert een auteur het best door zijn boeken te lezen en een schilder door zijn kunstwerk te smaken en te bewonderen. De feestroes zal vanzelf bedaren. Dat is niets. Als de boodschap maar in de oren blijft nazinderen, als wij maar verder blijven genieten van al het mooie dat de honderd-en-méér-jarige ons heeft nagelaten. Dat is het voornaamste: dat wij ons blijven verrijken met de geestelijke nalatenschap van de zo luisterrijk gevierde Timmermans. Dan mag de kermissfeer verdwijnen, dan mag het stil worden. Ik denk hierbij aan de verzen die W.H. Auden schreef ter nagedachtenis van de Ierse vrijheidsheld en dichter W.B. Yeats: 

Silence invaded the suburbs,
The current of his feeling failed: he became his admirers.
The words of a dead man
Are modified in the guts of the living.

Nu de zon van het jubeljaar is ondergegaan zijn wij, in een soort melancholie van de vervulling, geneigd te bidden: blijf bij ons. Wij, die de Fee zo dicht bij ons hebben gevoeld, zijn aanwezigheid in ons midden zo tastbaar hebben ervaren, zijn werken, - de literaire en de plastische, - hebben 'geroken', wij zullen misschien ooit heimwee koesteren naar dit Timmermansjaar. Het heeft ons zo'n deugd gedaan!
Maar... 'Kom, laat het nu stil worden'.  'Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet'
De tijd van rustig na-denken en intens na-genieten. Sommige werken herlezen, treffende teksten dieper laten doordringen. Misschien af en toe eens begerig teruggrijpen naar de Adagio als naar een oud, vertrouwd brevier. Ja, een 'breviarium', letterlijk een 'korte inhoud', een compendium van het gehele literaire œuvre. Alle vroegere thema's uit het proza worden erin hernomen, poëtisch gesublimeerd.

Zoals ik in de Meditaties heb geschreven, - in navolging van Albert Westerlinck-,staan de Adagio-gedichten geenszins los van de voorgaande geschriften. De dichter is dezelfde als de romanschrijver; alleen is hij nog méér zichzelf, want gerijpt als mens, gelouterd als gelovige, verinnerlijkt als kunstenaar. Wie van Adagio eens intens heeft genoten, keert ernaar terug en leest de andere werken met een andere bril.
Ik citeer nogmaals Albert Westerlinck, die in zijn De innerlijke  Timmermans (gepubliceerd n.a.v. de tiende verjaring van Timmermans' overlijden en herdrukt in De Herfst blaast op den horen Jaarboek 8 van het FTG) een enig mooie inleiding heeft geschreven op de Adagio-verzen: 'Zij reveleren de spiritualiteit van een dichterlijke ziel, een natuurmysticus en een gelovige, die men in zijn gehele werk ontdekken kan. Maar omdat deze spiritualiteit in de gedichten intenser en meer geconcentreerd tot uiting komt dan elders, zijn zij het prisma waarin men de geestelijke grondtrekken van heel het werk van Timmermans het best kan ontwaren'.
Hoeft het nog gezegd dat de Adagio-gedichten zeer geliefd zijn bij zeer velen? Is er nog een nederlandstalige verzenbundel die zovele herdrukken mocht beleven (en met zulke grote oplagen!)? De recente editie, die ik met meditaties mocht omkransen, door DEN GULDEN ENGEL gebracht, was in feite de veertiende Adagio-uitgave. In minder dan zes maanden tijd was deze Adagio-Meditaties uitverkocht. Inmiddels is deze herdrukt; dus de vijftiende, althans wat de gedichten betreft. Menig gedicht werd vertaald in het Frans, het Spaans, het Litouws... zelfs in het Latijn en het Esperanto. In zijn geheel verscheen de bundel in het Duits en in het Japans.
In het Jaarboek 8 van het Timmermansgenootschap De Herfst blaast op den horen (1980), geheel gewijd aan Adagio, schreef de samensteller Cyriel Verleyen: 'Een aantal gedichten zijn gemeengoed van ons volk geworden. We horen ze ontelbare malen citeren en er is haast geen geletterd mens, die ze niet onmiddellijk herkent.
Dit is een zeldzame eer voor een dichter en het getuigt voor de authenticiteit van zijn werk'. Inderdaad. Het is met menig Adagio-vers als met het toneelstuk En waar de ster bleef stille staan: onnodig de naam van de auteur erbij te vermelden.

Het succes van Adagio is nog steeds groeiend. Dit heb ik de jongste tijd persoonlijk mogen ervaren, niet alleen uit de reacties op de recente Adagio-editie, maar ook uit de eenstemmige, positieve houding van het luisterende publiek tijdens de vele voordrachtavonden. Aan geen thema heb ik als spreker zoveel deugd beleefd als aan Timmermans en zijn 'Adagio'. Welk een dankbaar onderwerp, zelfs voor een theoloog, want ik ben per slot van rekening geen letterkundige noch literaire criticus. Niet de literatuurstudie doch de theologie is mijn eigen vakgebied. Maar uitgerekend als theoloog kan ik de geloofsboodschap van Adagio te gelde maken, en dat in de liturgie vele Adagio-gedichten graag beluisterd worden heeft menig voorganger en voorlezer ervaren. De theologische en pastorale relevantie bepalen uiteraard geenszins de literaire waarde. Literatuur en geloof zijn twee, zoals literatuurstudie en theologische bezinning grondig van elkaar verschillen: ik heb het bij herhaling geschreven en gezegd. Maar de dichterlijke inspiratie en de poëtische expressie kunnen ook een theoloog en predikant boeien en bekoren. De dichter zegt het vaak zoveel raker, ontroerender.
Als dienaar van 'Het Woord' laat ik mij graag verleiden door de diepgelovige kunstenaar van het woord die Felix Timmermans heet. Dan luistert het publiek, gespannen, dankbaar.

Om het luisterpubliek sterk te boeien hoeven de Adagio-gedichten niet eens 'ge-de-clameerd' te worden. Ze eenvoudig voor-lezen volstaat, bijna recto tono, zonder veel stemverheffing, alleen de zinsaccenten leggen en het ritme volgen. Deze verzen zijn zo subliem, zo broos, zo kwetsbaar, zo sacraal. Het zijn 'gebeden' en gebeden worden 'gelezen', zonder enige pose. Natuurlijk, met bezieling en overtuiging spreken veronderstelt steeds de identificatie met de tekst. Het in-zich-opnemen en het 'dragen' van de tekst gaat vooraf aan het open-baren, het voor-dragen, het over-dragen, zo heb ik destijds in Hoogstraten geleerd van onze bekwame leraar Ast Fonteyne. Overigens gaat het hier niet om teksten die gespeeld of opgevoerd moeten worden, doch integendeel om innige zielsgebeden van een diepgelovige en invrome mens. Gebeden worden niet 'ge-de-clameerd' of 'ge-acteerd', doch gebeden, gepreveld, schroomvol voor-gelezen. De Adagio-dichter is een biddende mens, die, eenzaam als een eremijt, zijn herfstweemoed en avondstemming, zijn vergankelijkheidsgevoel en zijn zondebesef, zijn deemoed en angst uitspreekt voor zijn God. Adagio is het zonnelied van een berooide, die in het nachtelijke duister van ziekte, hartepijn en naderende dood, zijn heimwee uitzingt naar de Beloofde Landen. Nu, meer dan ooit beseft hij dat verlost van schaduw en van schijn, wordt pijn en smart tot vreugd verheven.

Begerig naar het gloren van het Licht, zijn hele leven lang met hartstocht zoekend naar der allen dingen wezenskern, weet hij zijn doel zo na, maar ook zo ver.
Hij is bereid de lange, lege, stille, schaduwrijke weg te gaan, de kruisweg, de weg naar Emmaüs.

Door de neevlen van den avond
pint de horen van de maan.
'k Wacht hier op de leege baan
om met U, stil in Uw schaduw
mee naar Emmaüs te gaan.

De beste inleiding op Adagio is het verhaal van 's dichters leven en boodschap, van zijn schoon gezin en van zijn intieme vriendenkring, van zijn letterkundig en plastisch werk, van zijn liefde tot zijn volk en zijn inzet voor Vlaanderen; de tekening van zijn levenslustige aard en van zijn romantisch, fijnzinnig gemoed. Zijn hele leven is één onverdroten zoektocht geweest naar de échte schoonheid, naar de onvervalste waarheid, naar de zuivere liefde. Wie na de meditatie op Adagio de Timmermansliteratuur herleest wordt verrast door nieuwe perspectieven. Omgekeerd is ook waar. Slechts de lezer die vertrouwd is met het prozawerk, ontwaart de verre horizonten, ontdekt de diepe gronden van de wereld van de mystieke Adagio-gedichten.
Alle thema's kwamen in het vroegere werk reeds aan bod: leven en dood, schuld en zonde, stilte en inkeer, bevende bewondering van de sterrenhemel, intens levensgenot, heimwee naar schoonheid, licht en liefde, tijd en eeuwigheid, geloof en vroomheid... De 'Sitz im Leben' van Adagio is het levensverhaal én het levenswerk van de dichter.
Aangrijpend stil wordt het gehoor wanneer verteld wordt over de laatste maanden van de grote kunstenaar en fiere Vlaming: hoe deze teergevoelige, bescheiden, milde, ingoede man, door de slepende hartkwaal aan zijn bed gekluisterd, belasterd en belaagd in de onzalige tijd van de hatelijke Belgische repressie, vereenzaamd en gepijnigd, zijn kracht put in de genegenheid van vrouw en kinderen, in de vriendschap van enkele getrouwen, in het gebed tot zijn God. De maanden waarin het merendeel van de Adagio-gedichten ontstonden als neerslag van zijn gelouterd geloof.
In Naar waar de appelsienen groeien schreef Timmermans: 'er zit een onvoldane trek in de mensen, een herhalende honger naar het nieuwe, het vreemde, naar iets dat ons voor eeuwig zou moeten bevredigen, en 't niet kan. 't Is als een echo van den trek, den honger naar God'.
Nu, in de vroegtijdige herfst van zijn leven, bij 't vallen van de avond van zijn zonnige bestaan, nu ziet hij hoe vergankelijk de aardse schoonheid is terwijl de goddelijke 'Eeuwigheid' heet. Nu bidt hij welbewust:

'O zalig uur, waarop de ziel, gerijpt
van zangen, zonder beeld of woorden
Gods wil begrijpt'

Adagio klinkt zijn afscheidslied: ontroerend en betoverend als een zwanezang. Het mag nu stil worden: in hem en rondom hem. 'En laat ons zwijgen en verlangen'. Een voordracht over Felix Timmermans en zijn Adagio laat ik steeds beginnen met de lezing van de eerste bladzijde van Adriaan Brouwer en eindigen met de laatste bladzijde uit diezelfde roman. Om twee redenen. Meer dan in welk ander boek laat de auteur hierin zichzelf kennen. 'Het is toch het boek waarin men vele gedachten van vader terugvindt', zo getuigt Lia Timmermans in Mijn Vader. Vervolgens moeten deze bladzijden geschreven zijn in ongeveer dezelfde periode waarin vele Adagio-gedichten het licht zagen.
Adagio en Adriaan Brouwer, beide posthuum gepubliceerd, zijn van dezelfde hand, zijn geestelijk aan elkaar verwant. Timmermans' geestelijk testament herinnert sterk aan de afscheidswoorden die hij de stervende Brouwer in de mond legt: 'Kom, laat het nu stil worden. Wij kletsen te veel over die dingen, 't Komt omdat wij er niets van af weten. Wij zien, om zo te zeggen, alleen de waterspiegeling van de bomen en de huizen.
Het water rimpelt, golft, kabbelt, en we denken dat zo de huizen en de bomen zijn. De echte huizen en bomen zien wij niet, zien we nooit. Slechts als het water heel stil kan zijn, zodat g'er kunt op schrijven, kunnen wij ons een gedacht beginnen te vormen, hoe de echte huizen en de echte bomen kunnen zijn. Maar dan moet het heel stil zijn, heel stil in het hart, zonder rimpel, zonder gebabbel...'

*****************

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 15:09 Reageer op dit bericht

De Stille Timmermans - Marcel Janssens

De Stille Timmermans
EEN STEMMINGSBEELD (1)

Door Marcel Janssens - Professor aan de Katholieke Universiteit van Leuven - 1986.

Ter gelegenheid van de presentatie van het boek al mijn dagen wordt van mij een stemmingsbeeld rond Felix Timmermans verwacht. Het Onderzoeksfonds van de KU-Leuven verleende in 1983 een Aanmoedigingsbeurs aan Ingrid van de Wijer om haar in staat te stellen het Timmermansproject uit te voeren en in een publikatie openbaar te maken. Zelden werden gelden van het Onderzoeksfonds zó goed besteed.
Literaire of literair-wetenschappelijke prestaties kunnen niet op de eerste plaats met criteria van economische rendabiliteit beoordeeld worden, maar hier staat buiten kijf dat er hard en efficiënt op het Timmermansproject werd gewerkt. Nog geen volle driejaar later is het boek er.
Om die reden ben ik vanavond in een opgewekte stemming.
Ik zou bijgevolg een euforisch stemmingsbeeld rond Felix Timmermans op kunnen hangen, en daartoe zou ik overvloedig materiaal uit zijn teksten kunnen bloemlezen. Maar ik verkies een stemmingsbeeld in een andere toon, met name in de Timmermans-toonaard die Albert Westerlinck voor het eerst zo deskundig heeft geanalyseerd in zijn essay over De innerlijke Timmermans. Westerlinck vestigde onze aandacht op motieven van inkeer, weemoed, vredigheid, innerlijkheid en stilte. Dat register, die gemoedslaag, die innerlijke wereld van vredige stilte is zeker zo essentieel bij Timmermans als die andere registers met zoveel meer decibels van euforische uitbundigheid die wij ook kennen, die soms graag met een bepaald doel geciteerd worden en die Timmermans' image in het buitenland vaak eenzijdig en ongunstig bepalen. 'Er zit ook zoveel stilte in die boeken', zei Gaston Durnez onlangs, ik lees hetzelfde bij Lia en Gommaar Timmermans, bij Herman Mertens, José De Ceulaer en Louis Vercammen. Op mijn beurt zal ik dat motief van de stilte even aanraken - om een typisch Timmermansbeeld uit het motto van Adagio te gebruiken - als een snaar op een harp die zoveel andere klanken van motieven en thema's in beweging kan brengen.

2469768-2f0175996e5998a82263edc955a39d42.jpg     2469768-23f3ddbd3e23edffb8fb2c0e4e883fd0.jpg

Het motief van de stilte heeft bij Timmermans een snelle en ingrijpende evolutie doorgemaakt.
In de Schemeringen van de dood, een door literaire voorbeelden belast debutantenprobeersel, wordt 'stilte' doorgaans negatief geconnoteerd. Het avondmotief, duisternis, herfst en regen, evenals eenzaamheid en klamme kilte liggen nog als schimmels over het zo kostbare gegeven van de stilte, dat zich weldra in authentischer teksten, dichter bij Timmermans' kern, in zijn echte gedaante zal ontbolsteren.
Later wordt de stilte overwegend positief geladen, met - natuurlijk - enkele uitzonderingen die de context opdringt, zoals in dramatische situaties in Ik zag Cecilia komen, Boerenpsalm, Pieter Bruegel, De pastoor uit Den Bloeyenden Wijngaerdt en De familie Hernat. Zo naïef of zo vastgevroren in zijn cliché's was Timmermans nu ook weer niet. Maar vanaf Pallieter, ja vanaf Pallieter wordt de stilte in de meeste gevallen een fluwelen geluideloosheid die alleen nog maar positieve, zalige aspecten vertoont.
Stilte wordt ervaren als afwezigheid van stoornis. In De harp van Sint-Franciscus staat letterlijk: 'En alleen in die stilte, nooit van genen mens gestoord' - wat Westerlinck graag zal gelezen hebben.
Boer Wortel in Boerenpsalm zegt dat 's zondags alles 'stiller, zachter (is), zelfs de kiekens worden het gewaar en de beesten in de wei', hij zaait zijn 'peekens bij asemstil weer', en er is 'gedurig een zwijgend gesprek' tussen hem en het veld - wat als samenvatting van de Boerenpsalm dienst zou kunnen doen.
Zo’n cultuur van de stilte-wat ik als een fundamentele cultuurwaarde beschouw - heeft voor ons nu in 1986 een ecologische bijbetekenis gekregen. Vrij ademen in een biologisch-zuivere lucht op het land, door geen industrieel gerucht gestoord wonen in een onbezoedelde ruimte van stilte - wat een wensdroom van natuurgezond leven! Ook in dat opzicht is Timmermans' oeuvre een in de mythe geprojecteerde oase van pre-industriële vredigheid en gezondheid. Een gezonde vrede in een dorp dat zal duren - wat een zaligheid!

De stilte komt bij voorkeur 's avonds en 's nachts. Dan kan ook Pallieter de stilte horen aanwandelen en dan keert hij innig in zichzelf of plooit hij op zichzelf terug en zingt, musiceert of bidt hij. Op dergelijke ogenblikken van verinnerlijking, bij voorkeur in een zachte avond, valt bij Timmermans dat andere, zo vaak miskende register open. In de structuur van Pallieter, van Pieter Bruegel en Adriaan Brouwer, van De harp van Sint-Franciscus komt de typische alternering voor van geweldig lawaai en ingetogen stilte, van overdadig zonlicht en gedempte schemer, van overvloedig tafelen en verstilde ascese. In zijn werk is er een afwisseling van schetterende samenscholingen van veel mensen in stoeten, processies, feesten waar zij tezamen muziek maken, zingen, luid bidden, 'overvuldig' eten en drinken, en, aan de andere kant, van veel inniger momenten waar die mensen fysiek en psychisch tot rust komen. In Pallieter staat er: 'en hij werd stil zoals een mens na diep gebed' . En op zulke momenten is de avond 'kalm lijk fijn olie' – een verrukkelijk beeld dat alleen een begenadigd dichter kan vinden en dat voor mij bijna de hele Timmermans samenvat. Bij Timmermans is er de beroezing van met velen in stoeten op te stappen, maar er is even essentieel de weemoedige verinwendiging en vertraging van het levensritme, en dan vallen óók Timmermans-werkwoorden als: aarzelen, verwijlen, glijden, drijven... En zou het een toeval zijn dat hij in zijn tekeningen en schilderijen zo veel stillevens of taferelen van gestolde tijd heeft nagelaten? Is het stilleven bij voorbeeld niet alom aanwezig in De schone uren van Juffrouw Symforosa Begijntjen, een tekst die ik in de loop der jaren ben gaan beschouwen als een verleidelijke uitnodiging tot vermoeide pensioengerechtigde intellectuelen om zich in de zalige vrede van het Liers Begijnhof terug te trekken? Vanzelfsprekend levert het motief van de stilte in de teksten van Felix Timmermans een vracht typische metaforen op. Timmermans is onze metaforendichter bij uitstek.
Het lijkt wel alsof de Fee ook voor metaforisch taalgebruik een speciaal zintuig had.
Zou je niet zeggen dat hij in beeldspraak zag, rook, voelde, smaakte, betastte? Hij heeft kennelijk heel spontaan verrukkelijke metaforen 'gevonden', die hij niet hoeft te construeren. Dergelijke wonderlijke beeldvondsten begeleiden zijn natuurgetrouwe beleving van de stilte. Zo kun je de stilte zien, ze kan wit zijn, of blauw, of van satijn, van fluweel, van glas of van steen; de stilte kan aan het behangselpapier blijven plakken, ze kan opgevouwd worden en een distelvink kan er gaatjes in tikken.
Stilte kan ook gehoord worden. En wat allicht nog het verwonderlijkst van al is: je kunt niet alleen naar de stilte luisteren, maar de stilte luistert op vele plaatsen bij Timmermans naar zichzelf. Je kunt zelfs van de stilte verschieten, zoals dat jong haantje dat plots van op de mesthoop begint te kraaien als iedereen een ogenblik zwijgt voor het gebed bij het begin van 'De feest' in Pallieter.

De bundel Adagio, ten slotte, - een bundel gedichten geschreven met een pen in stilte gedoopt - bekroont die cultuur van de stilte in de zuiverste religieuze, om niet te zeggen: mystieke zin.

Zoals Adriaan Brouwer op z'n sterfbed filosofeert over de epifanie der dingen die alleen in de stilte en in het aanschijn van de dood mogelijk is, zo mediteerde Felix Timmermans in zijn laatste levensjaren en -maanden over de kern van alle dingen. De gedichten van Adagio vertonen bijna allemaal een kenmerkende drietrapsontwikkeling: van avond-, herfst- of winterstemming over vrede en stilte naar uiteindelijke geborgenheid in God. De uitkomst van die driefazige geestelijke oefening in de stilte van de levensavond is in Adagio onveranderlijk een godservaring. De cultuur van de stilte is hier ten slotte mystiek van de stilte geworden:

De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen.
Gods stilte tegemoet.

Laten wij dat allemaal, dames en heren, lezen, opnieuw lezen, proeven en overdenken, en de rest, ja, de rest is stilte.


(1) Toespraak bij de presentatie van Al mijn dagen. Dagboeken en Archief Felix Timmermans (Uitgeverij Den Gulden Engel) in het Rockoxhuis te Antwerpen op 4 juli 1986. Een uitgewerkte versie van deze toespraak verschijnt in 1987 in het Jaarboek van het Felix Timmermans Genootschap.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 11:16 Reageer op dit bericht

Pallieter - Fons Sarneel

Pallieter

Door Fons Sarneel uit jeugd  en cultuur - 8ste ; jaargang 1962-63 – Nr. 5, december 1962.

In quel punto lo spirito naturale, il quale tlimora inquellet parte, ove si ministra lo nutrimento nostro,cominciô a piangere, e piangendo disse queste parole :Heu miser ! quia frequenter imped it us era deineeps.
Dante, La Vita Nuova, cap. 1.

Individualiteit en Indentiteit.
Toen Felix Timmermans, tussen drop en kant verkopen door, zijn vier jaar aan Pallieter besteed had, trok hij met zijn manuscript naar Hugo Verriest, die, behalve heel veel meer, de fijnste literaire proever uit de Vlaamse clerus was. Het moet in '14 geweest zijn en Timmermans was toen achtentwintig. Uit memoires van oudere schrijvers en dichters uit die jaren vormt men zich gemakkelijk een voorstelling van zulke gebeurtenissen: de gastheer trok er een middag, een avond, desnoods een hele dag voor uit en luisterde geduldig.
Het zal laat op de avond geweest zijn toen het laatste velletje gelezen was. Het oordeel van Verriest kwam hierop neer dat het boek een nieuw geluid liet horen in Vlaanderen. "Alleen, als ik mijn ogen toe nijp en ik roep Pallieter, komt hij niet, en 'k zie hem niet...".
Na zoveel jaren van Deyssel, Couperus en Streuvels een barmhartig, maar moordend oordeel. Misschien had Verriest het toch zo erg goed niet begrepen en wist hij niet dat zijn lof door zijn misprijzen alleen maar versterkt werd. Hoe kon hij ook weten, dat in de versie die hem hier voorgelegd werd het soort realisme waarop hij kennelijk had zitten wachten, nu juist overwonnen was, en dat juist hierom het nieuw geluid hem zo onbekend in de oren klonk? Nochtans, het feit is onmiskenbaar: roep Pallieter uit het boek tevoorschijn, en hij komt niet, hij is nooit en nergens afzonderlijk te zien.
Of hij groot of klein is, blond of rood, twintig jaar of veertig, rentenier of mulder, geen regel die ons inlicht.
Zijn zuster Charlot is gemakkelijker na te tekenen dan hijzelf, zo ook zijn vrienden, de pastoor en Fransoo, de schilder. Elk van hen heeft zijn verplichtingen en bezigheden, ook al nemen ze het daarmee niet zo nauw, maar Pallieter blijft maatschappelijk een raadsel.

In een roman zou er met hem niets te beginnen zijn. Heeft hij geen uiterlijk, hij mist ook zijn geschiedenis. Niemand weet waar hij vandaan komt, wie zijn vader is of wie zijn moeder, of wat er geworden is van zijn drieling. Zijn zuster kennen wij, hark van gemoed maar vet van vleze, doch in niets is Pallieter, ofschoon hij het episch epitheton Bruur draagt, haar werkelijke broer.
De ene maal dat Timmermans iets loslaat over zijn uiterlijk, staat er: "Pallieter was twee dagen tevoren het haar rats nevens het hoofd afgesneden en nu kletterde en blonk de regen er op lijk op een steenen bol." , precies een detail dat aan zijn voorstelling het laatste restje individualiteit ontneemt, nog sterker dan weggebleven ogen het dikwijls aan antieke beelden doen. Beoordeeld naar de strenge eisen van literaire plastiek is Pallieter minder dan een schets, een pure abstractie.

2461564-897190f1adf1a18defbc47f93a04395a.jpg     2461564-547b8057d0d34e0e0e0d4170065c1bca.jpg

Toch leeft hij, tot buiten zijn boek, tot buiten Vlaanderen, tot buiten de literatuur in de verbeelding zelfs van mensen die het boek nooit hebben gelezen. Pallieteren is een werkwoord geworden en Pallieter meer dan een eigennaam. Het kan een lidwoord krijgen. Hij is een Pallieter, zegt men, zoals men zeggen kan hij is een Uilenspiegel. De een lijkt trouwens op de ander, al is het niet zoveel als men altijd beweerd heeft.
Ook van Uilenspiegel kan men opmerken dat er in de authentieke boeken (ik bedoel dus niet die van De Coster, Teirlinck e.t.q.) nergens een geschreven portret van hem is overgeleverd.
Wie hem zien wil moet dus zijn ogen niet dichtdoen, maar op houtsneden turen en die zijn allemaal anders. Evenmin heeft Uilenspiegel een geschiedenis, al is zijn afkomst bekend. Inden lande van Sassen int dorp Knetlinge bij den Welme werdt Ulespieghel gheboren. Ende sijn vader hiet Claes Ulespieghel ende sijn moeder Wybeke.

Wij mogen dit maar nauwelijks weten. Twee regels verder al wordt zijn burgerlijke stand (d.i. voor zijn eeuw zijn geestelijke stand, zijn doopceel) onleesbaar gemaakt met het verhaal van een driedubbele doop, waartussen de echte onherkenbaar, onbetrouwbaar en trouwens onbelangrijk wordt. Het ene water verwist het andere, en zo is Uilenspiegel maatschappelijk onmogelijk vanaf de dag dat hij maatschappelijk aanvaard moest worden. Zonder papieren moet hij de wereld in, zijn pasfoto’s zijn ongeldig, hij is een raté.
Zijn ogen toe nijpen en Uilenspiegel roepen levert dus net zo min iets op als het Verriest gebaat heeft toen hij zijn verbeelding ondervroeg naar de gestalte van Pallieter. Ook Uilenspiegel is geen individu en behalve met Pallieter heeft hij dat gemeen met alle helden van het typische volksverhaal. Karel ende Elegast is nog zo'n volksverhaal, Walewein al nauwelijks meer. De literaire afstand tussen beide is betrekkelijk gering, maar toch al lang genoeg om aangetoond te kunnen worden door het feit, dat er van Karel geen, van Walewein wel een portret is uitgetekend door de dichter. Waar Karel artistiek nog een idee van ridderschap moet blijven, daar gaat Walewein op weg naar de individualiteit. Zijn dichter heeft gekeken naar voorhoofd, ogen, neus, mond en handen, hij had zijn gedaante graag los gemaakt uit de schemer der nog onbelichaamde gedachte.
Betekent dit nu dat Walewein identiteit heeft en Karel nog niet, en Uilenspiegel en Pallieter ook niet? Waarom? Wat Karel ook doet, in welke omstandigheden hij verkeert, de lezer weet altijd drommels goed met wie hij te doen heeft: met de hoge ridder Karel, bekleed met macht, gezag en rijkdom. Alle aardigheid is er af als het niet werkelijk Karel de Grote is die inbreekt als Karel de Onhandige.
Met ogen toe roepend om Karel ziet men altijd de gestalte van een koning. Roepend om Uilenspiegel herkent iedereen een dwars verstand. Bij geen van beiden ontwaart men een individu, maar hun identiteit eerbiedigt men ook zonder dat.

De drie versies van Pallieter
Pallieter is dus geen romanfiguur maar  een legendarische held. Met al dezulken ontsnapt hij aan elke poging tot maatschappelijke bepaling, is hij onaanraakbaar voor de grofste analysen der zielkundigen en onttrekt zich zijn gestalte aan historische weetgierigheid. Het schijnt niet altijd zo geweest te zijn. De versie voorgelegd aan Verriest was minstens de derde. Timmermans zelf zegt er dit van: "Zoozag ik b.v. Pallieter geboren worden, sterven, zijn testament maken.
Ik zag hem onwillens heel zijn leven door. Daar is dan ook veel van geschreven, maar veel terug uitgehakt". Mogen wij het proefschrift over Timmermans van Theo Rutten geloven (wat soms twijfelachtig lijkt!), dan was de tweede versie ook bevolkt met allerlei bijpersonen, nagetekend van typen uit Lier. Ook daarvan is alles weer uitgesnoeid, en dat betekent allemaal dat Timmermans het boek ontdaan heeft van zijn romankarakter, om na zoveel eeuwen opnieuw aan te sluiten bij de sage, een ingreep die dus niet, gelijk Verriest nog meende, voortkwam uit onvermogen, maar die juist in Timmermans de moed der oorspronkelijkheid bewijst.
Het is al meer gezegd: hij was zo naïef niet als hij zich wel eens voordeed.
Om goed te begrijpen wat er gebeurd is lijkt het gewenst zich rekenschap te geven van de eerste versie.
Pallieter is begonnen met twee hyacinten, "een rose en een blauwe, overstreeld door een kladdeken zon, dat door 't gordijntje kwam". Twee hyacinten, voor een doodzieke jongen daar zo maar neergezet door moederende zusterhanden om in hem uit te werken wat hij nodig had om zich weer op te richten aan het leven.

2461564-4af90ff9c93b42bd1747d9579b941696.jpg      2461564-68331c971dc46270992fb966d91c0af3.jpg

Die doodzieke jongen was de vierentwintigjarige Felix Timmermans. Het was voor hem een ervaring zoals ze voor alle tijden, lijkt het wel, definitief omschreven is door Dante op de eerste bladzijde der Vita Nuova, waar hij beschrijft wat de eerste aanblik van Beatrice in hem teweegbracht — en iedereen weet wel hoe die ene ervaring voor goed zijn leven bepaald heeft. In plaats van in één globale formule te verstaan te geven dat zijn hele wezen in beweging kwam, vervalt hij in een scholastieke onderscheiding die bij al haar aandoenlijkheid ronduit meesterlijk is. Wat in beweging kwam was lichaam en geest: de geest van het leven die in de geheimste hartkamer zetelt, begon zo heftig te sidderen, comincio a tremare, dat het voelbaar werd om bang van te worden tot in de stilste polsklop: er is een god die sterker is dan ik, hij komt en overrompelt mij.
De geest der zinnen die woont in het hoogste verblijf waarheen alle zintuigen hun waarnemingen voeren, begon zich te verwonderen, si comincio a maravigliare molto: Nu heeft uw geluk zich aan u geopenbaard. En de geest der natuur die woont daar waar een mens gevoed wordt, begon te schreien, comincio a piangere: van nu af aan ben ik overstelpt en zal er nooit meer raad mee weten.
Het is een aangelegenheid van bloed, zintuigen en spijsvertering, van hoofd en hart en ingewanden, het siddert, het is verbaasd, het schreit, is zwak en geeft zich gewonnen aan sterkte en evident geluk, en dat alles niet maar een ogenblik maar voorgoed. Het is een keerpunt in het leven.

Timmermans had niet zijn Beatrice gezien, in bloedend rood, gegordeld en pronkende zoals de jeugd dat mag, maar een laatste maal, op het punt te vallen, omziend van over de putrand van de dood, twee hyacinten in de voorjaarszon. Een meisje, twee hyacinten of nog minder, het doet er niet veel toe: het geringste is genoeg om een keer te geven aan een leven diep genoeg uitgeput om helemaal opnieuw te moeten beginnen.
Wie zich maar lang genoeg verdiept in het lotgeval van werkelijk dichterschap, herkent die dingen op den duur als stereotiep: Leest men, om nog een voorbeeld te noemen, De Afspraak van A. Roland Holst, dan kan men voortaan staande houden dat heel diens œuvre te danken is aan het vermaan van druppelend water, hoorbaar achter een dun beschot voor de dichter die zich zelf in zijn lichaam gewaarwordt als in een kuil, een stille, schandelijke kuil, "waarin ik lag, vernederd, achtergelaten". Men hoeft maar een beetje met Roland Holst vertrouwd te zijn, om het aannemelijk te vinden dat zulke waterdruppels, "klein, klinkklaar, regelmatig", voor hem het preludium aandroegen van wolken, zee en Elysium.
De exegese van Pallieter met behulp van Holsts mythisch dichterschap lijkt bevreemdend, even goed als het argwaan kan wekken hem onder Dante-folianten te verpletteren. Dat is niet de bedoeling.
Het gaat er maar om, vast te stellen dat aan Pallieter een volstrekte levensommekeer ten grondslag ligt, teweeggebracht door bloemgeworden voorjaar, een proces dat ten eerste algemeen menselijk is en ten tweede overal ter wereld en te allen tijde het zaad is geweest van artistiek uitzonderlijke scheppingen.
Voor Timmermans was die levensommekeer in zijn witte ziekencel er ook werkelijk een van dood naar leven, en dat weer in dubbele zin. De crisis eenmaal gepasseerd, liet hij meteen de aberraties en de tribulaties achter zich van een verziekte fantasie, verschimmeld in de kelderatmosfeer van occultisme en theosofie.
De benauwenis van die levensfase, — zijn eerste artistieke! — vindt men terug in die voor ons achteraf wel zeer on-Timmermansachtige stukken uit de Schemeringen van den Dood.
De hyacinten mochten geuren. Het eeuwig vertelsel doen van de oude kracht in de aarde, week en werkzaam wordend in het voorjaar, worstelend in het weerbarstig geboomte, kriebelend en geel en groen naar buiten kruipend uit het zwart van weigerige takken. Paarden rijden het beervat buiten, de snoeier zit al in de pereboom bij praatzieke mussen; wolken zwellen wit en reusachtig achter zijn hoofd tegen het splinternieuw blauw van de hemel. Nog voor hij mag heeft Timmermans het ziekenhuis verlaten. En nu komt dan eindelijk de eerste versie.

"En weet nu hoe ik begon. Ik kocht een boek met oud, geel papier, en met een ronde pen en twee gekleurde inkten schreef ik den eersten dag. De eerste letter duurde wel drie uur. Want het werk moest geënlumineerd worden als d'oude getijdenboeken. Ik schreef den eersten dag, den tweeden en den derden.
Maar den vierden wist ik niet meer wat te schrijven, 't was dezelfde weergesteltenis gebleven, de beschrijvingen wierden korter en korter. Dat kon ik zoo geen 365 dagen volhouden. Telkens vond ik nochtans het land even rijk, even aandoenlijk. Er ontbrak dus iets aan mijn plan. En na lang dubben, want het liet mij niet los, ontdekte ik de leegte. Er ontbrak een mensch in!" Even tevoren staat er: "De drang om mij te uiten waste en welde naar boven. Seffens vond ik wat. Ik zou de natuur bezingen het hele jaar door: een lyrisch dagboek houden van de wolken en de vruchten, van de waterkens en de boomen en van alles wat er op de velden roert en staat".

2461564-30094b38d123531046150ec2ebe4b95c.jpg      2461564-c98e680d1142d8741640d6f980350881.jpg

Wie is Pallieter?
In deze vorm was het werk tot mislukken gedoemd. Het bleef een schepping van de vijfde dag. Zonder bewustzijn van mensen is de hele wereld niets dan een afschuwelijke zelfverslinding en -verkwisting, een krankzinnige doelloze pracht waar heel de blinde zin van is gelegen in een weerzinwekkende stofwisseling.
Toen Timmermans dit ontdekt had, is Pallieter gekomen, de mateloze, onverzadigbare genieter die heel zijn individualiteit verliest in zijn ontvankelijkheid. Pallieter is de Adam van de zesde dag in wie de schepping ten volle een schouwspel wordt, geordend, geritmeerd en overstromend van betekenis.
Zijn identiteit is gretigheid, bewondering en dankbaarheid. Het is waar dat zijn ontvankelijkheid doorgaans barbaars blijkt en vaker dan nodig is gelokaliseerd in maagstreek en ingewanden waar haar beweging peristaltisch wordt. Maar gulzigheid en dorst zijn niet de inhoud van het boek.
Wel zijn ze de sprekendste elementen van een vitalisme dat door animale trekken getekend wordt.
Pallieters bewustzijn is zeker niet in hoofdzaak verstandelijk. Wijsgerig betekent het niets. Diepzinnigheid kent het nergens. Religieus is het wel een beetje, al kent het hiërarchisch niet het minste respect. "De goede vent" is het epitheton dat het optreden begeleidt van een pastoor wiens belangrijkste kwaliteiten dorst, ontroerbaarheid en gevoelig vioolspel zijn. Als parochiaan staat Pallieter overal terzijde, en waar Charlot voortdurend naar de kerk op weg is of er van terug, staat haar broer in zijn sla-tuin, spartelt in de Nethe of ligt hij bij zijn Marieke onder de dekens. Maar zijn genietingen zijn niet lichtzinnig. Zij komen voort uit een diep ontzag en vallen dan ook altijd stil op het hoogste moment en worden dan ineens begrepen als ervaringen niet meer van de zinnen, maar van de ziel die heel wijd wordt en "vol vloeit van heel fijn olie".

Dan wordt het muziek. Het beste bezit van Pallieter is een gevarieerd instrumentarium:een ebbenhouten fluit, waaruit "een heel blij liêke klaar over de velden loopt", een ronkende doedelzak, een hobo, een trekharmonika en ook nog een mondharmonika, waaruit hij zulke zachte zilverklanken zucht en zuigt dat het wel lijkt of wat er zingt de maneschijn zelf is. Hij kan schrokken grote brokken, deze holle bolle Gijs, maar als hij tot het heel paard half heeft opgeslokt, kan hij nog niet slapen van de honger. De man die voor een kapitaal een boom koopt omdat hij niet verdragen kan dat zijn majesteit wordt omgekapt, snijdt er met zijn mes het enige in dat hij ooit geschreven heeft: Melk den dag en hij gelooft erin.
Maar zichzelf wordt hij pas als het uitmelken gedaan is en de avond valt. Bolgeschrokt blijft hij alleen en ontwaart dat hij hol gebleven is van onverzadigbaarheid. Het is 's avonds dat de baldadige dagenmelker ineenkrimpt en rilt voor ruimte en oneindigheid. Pallieter kent de angst en radeloosheid dat hij niet alles bij kanhouden, niet alles in zich op kan nemen, en het is dezelfde radeloosheid die bij Dante voortkwam uit de geest van de natuur die werkzaam is in maag en darmen: ik ben overstelpt en nooit zal ik er raad mee weten. Pallieter: O aarde mè a duzend borste, wannier zulde ma verzadige? Nooit ni! Dit veroorzaakt in hem de hondsdolle zwerfzucht die de ordeloze samenstelling van het boek oriënteert naar een bevattelijke eenheid.

Honkvaste Pallieters bestaan er niet, niet als ze het liefste meisje ter wereld mogen trouwen, ook niet als binnen het jaar drie naakte, verkensroze Pallieterkens hun vader doen uitroepen "Abraham moet mij benije!" en zelfs niet als hun vader antwoordt: "Dat beloof ik oe", op het vermaan van de pastoor: "Doe zo voort".
Dezulken smaakt de schoonheid maar omdat ze smaakt naar meer dat niet te vinden is. Hongerig, verklaren ze: Er gromt een beer in mijn maag; maar het zal wel een hond zijn die jankt naar de maan, en voor de buik is de maan toch geen voedsel. Daarom beklimmen ze altijd weer de molen, want van daar uit lijkt de wereld weer wijder, of klauteren ze bomen in of is het hun hoogste geluk hun zwaarte te verliezen alsof ze zonder lichaam zijn en daarom hoort het verhaal van een vliegtocht ook tot de mooiste van het boek: "Overal was het licht, en vierduizend meters onder hen lag heel de wijde wereld open, schoon en heerlijk bedwelmend als de oplossing van een groot mysterie".
Zo verstaan was het onnodig geweest Pallieter een voorwendsel te verschaffen voorzijn vertrek uit het land van de Nethe, het feit nl. dat de natuur er gaat bedorven worden door ontginning en verkeer, en was het ook niet meer nodig geweest het boek wat intellectueel prestige te verlenen door het op te hangen aan ideeën van Gezelle en Franciscus, ideeën trouwens te slecht door Timmermans verteerd en in wezen te vreemd aan de conceptie van Pallieter om het boek ook wezenlijk te kunnen versterken.
Pallieter is sterk genoeg om zelf zijn boek te kunnen dragen.

1930086-ef9eeed2df9bb28167a649fdb04fc923.jpg

Pallieter en Timmermans
De beste tekst die ooit over Timmermans geschreven is zijn zeven bladzijden van Anton van Duinkerken, Aan Boord met Felix Timmermans. Ze staan in een boek over Christendom, Humanisme, Kunst en Opvoeding, en in de afdeling Kunst weer in het gezelschap van o.a. Plato, Bernardus en Bernini. Ze misstaan er niet. Pallieter wordt er maar eenmaal in vernoemd, en dan nog maar als voorbeeld van Timmermans' behoefte, poëzie te maken van wat hij in proza niet zeggen kon, omdat zijn taal nu eenmaal typisch die van een verteller was, proza dat zich met elke volgende zin verwijdert van alle voorgaande, waarmee het nooit kan versmelten tot één, bij wijze van spreken eeuwig, geheel. "Timmermans kon de vorm niet sluiten".
Er bleef altijd iets in hem over waarmee hij als schrijver geen raad wist, dat dus voor hem zelf ongrijpbaar bleef. Ook al heeft Van Duinkerken het dus eigenlijk niet over Pallieter, zijn vermoedens bevestigen op welkome wijze de onze. Ook in Pallieter zelf, zo goed als in Timmermans, is er een holte, oorzaak van honger, haard van onrust. In Pallieter staan radeloze stukken, regels meer dan bladzijden, en uiteindelijk is heel zijn figuur, hoe glunder van verzadiging, alleen maar verstaanbaar vanuit het wanhopig besef van die holte.
Het boek staat op de literaire markt, na bijna vijftig jaar, niet hoog meer genoteerd. Ons hindert een bravoure die inderdaad niet helemaal echt is, een vaak opdringerig knipogen naar de lezers alsof de schrijver zeggen wil: wat zeg je daar wel van. Wij hebben gelijk.

Achtentwintig jaar oud, doorziet men de bedrieglijkheid nog niet van bijbedoelingen die met het vorderen der jaren hun argeloosheid niet zo goed meer kunnen waarmaken. Argwanend als de geschiedenis ons heeft gemaakt, doorzien we de jovialiteit die Pallieter werkelijk wel eens vervelend maakt. Zelfs het latere, toch zoveel strengere vitalisme van Marsman begint ons al tegen te staan. En nog altijd hebben we gelijk. Maar juist daarom zijn wij beter in staat, dwars door het spektakel het spectaculum te raden van een holte waar het niet meer resoneren wil, een gapende holte, waarmee werkelijke menselijkheid zich nu eenmaal zonder fierheid heeft leren legitimeren. Dat Timmermans ze verzweeg, en ze toch niet bedelven kon onder de daver van zoveel levensverheerlijking, het legitimeert hem met een evidentie die misschien onbeholpener, maar zeker ook betrouwbaarder zal blijken dan wat zich manifesteert met moedwil.

2461564-7744b7fee953c0f12232a7a6e955f6e9.jpg

*************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 15:04 Reageer op dit bericht

Begrafenis van Felix Timmermans op 28/01/1947 - Gaston Durnez

Begrafenis van Felix Timmermans - 28 januari 1947

Door Gaston Durnez uit het jaarboek nr. 40 van het Felix Timmermans Genootschap – 2012.

"Lier heeft zijn grote zoon niet begraven; het beste deel van Vlaanderen heeft het gedaan. Later zal Lier zich schamen over deze dag".

Dat schreef Emiel van Hemeldonck twee dagen na de begrafenis van Felix Timmermans in een brief aan hun beider vriend Stijn Streuvels. Het document is onlangs opgedoken en werd ons bezorgd door Frank Lescouhier, de secretaris van de Vrienden van het Begijnhof van Turnhout.
Felix Timmermans, die op 24 januari 1947 in de leeftijd van 60 jaar overleed, werd op 28 januari ten grave gedragen, na een plechtigheid in de Sint Gummaruskerk, de hoofdkerk van Lier.
Over die plechtigheid werd nadien vaak met ontroering bericht maar ook met verontwaardiging.

Louis de Lentdecker schreef in zijn verslag in het dagblad Het Volk dat de Staat niet officieel vertegenwoordigd was.
Een verzoek daartoe was afgewezen. Ook de Lierse overheid liet verstek gaan.
Maar, zei De Lentdecker, "gans het denkende en dichtende Vlaanderen, schrijvers, toondichters, schilders en kunstenaars, was naar Lier samengestroomd". Dat was wel overdreven gezegd.
André Leysen, de latere industrieel die ook aanwezig was, zei ons in 2001, dat de kerk "honorabel bezet" was en hij herinnerde er aan, dat het de "tijd van de grote hypocrisie was, toen velen niet voor hun mening of houding durfden uit te komen".

Emiel van Hemeldonck, die wij met toestemming van zijn zoon Herman citeren, verscherpt het beeld dat van die dag bewaard bleef. De populaire romancier en inspecteur van het lager onderwijs schreef zijn brief op woensdag 30 januari 1947. Hij vertelt aan Streuvels dat hij op maandagavond in Izegem een voordracht heeft gegeven en dat hij de dinsdagmorgen letterlijk voor dag en dauw per auto naar Lier is gereden waar hij rond half elf aan kwam, dus net op tijd voor de begrafenisplechtigheid. Hij schrijft dan:

2456514-5839d4aa3956d4dd4c77717a500ded06.jpg    2011414-134ce63057f068a219a0df338fb0b723.jpg

"Zielig! Geen volk, of zeer weinig.
Een politieagent zei aan een van mijn vrienden, die om de weg gevraagd had : "Ik zeg u dat niet, ik heb niet voor niets zes maanden in Duitsland doorgebracht..." Gemeentebestuur had niet gecondoleerd, noch de Academie, noch de Regering. In het sterfhuis een dertigtal mensen, buiten een tiental; op de straat een paar onzijdig loerende geburen. Siberisch koud. Dan Kwamen stilaan meer mensen aan, enkele dames met bloemen. De krant zal U de meeste namen wel opgegeven hebben. Zachte weemoed bij allen, hier en daar bijtende verbittering.

De officiëlen ontbraken volledig. Tot mijn vreugde zag ik Baekelmans, de zachtzinnige, Schmook, en Opsomer, en Walschap. In de kerk stond Muls met tranen in de ogen. Van der Hallen schreide. Jef Van Hoof was daar, en Veremans, en De Vocht. Op de duur liep gans de kerk vol. Lange offer.

Koninklijk, maar met de warmte van onsterfelijke sympathie. We bevrozen in de ijskoude kerk, niemand lette er op. Largo van Händel. In paradisum. Dan de tocht naar het verre kerkhof. Lier heeft zijn grote zoon niet begraven; het beste deel van Vlaanderen heeft het gedaan. Later zal Lier zich schamen over deze dag".

Van Hemeldonck heeft het daarna nog over een paar andere onderwerpen, onder meer over de wenselijkheid van illustraties in een boek. Daar heeft hij bij een ontmoeting met Streuvels "vredelievend ruzie" over gemaakt.
Van Hemeldonck verdedigt de stelling, dat illustratie wel gewenst is in een historisch werk, aangezien men niet kan verwachten dat elke lezer "genoeg historisch perspectief bezit". De Kempenaar gaat in die tijd, als hij in de streek op sprekerstournee is, blijkbaar geregeld op bezoek in Het Lijsternest.

*********

https://collecties.kempenserfgoed.be/detail.php?nav_id=0-1&id=631842733&index=8

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 17:11 Reageer op dit bericht

Job Deckers en de lokroep van Schoon Lier - Roger Vlemings

Job Deckers en de lokroep van Schoon Lier.
Job laat de Fé, Streuvels en Bomans leven

Door Roger Vlemings uit Ons Lier van 27/10/2006

Ooit schreef hij twee boeken. Zijn historische verhaal en detectiveroman haalden de boekenplanken niet. Hij vond een uitgever maar liet uiteindelijk de droomboot in de veilige haven. Hoe dat kan? 'Schroom", zegt de auteur. "Het gevoel dat het misschien niet goed genoeg was." Twee uur praten met Job Deckers van het boekenantiquariaat Schoon Lier in de Florent Van Cauwenberghstraat laten ons achter met de overpeinzing dat wie zoveel kennis van zaken etaleert als het gaat om oude en moderne letteren, illustraties, geschiedenis, klassieke muziek - kortom, cultuur groot gewaaierd - zelf best iets aan het papier mag toevertrouwen. Nu is Job kunstenaar op zijn manier: de uitmuntende kenner op zoektocht naar waardevolle boeken, en tussen zijn veroverde meesterwerken de onuitputtelijke bron van wijsheid tijdens de gesprekken met de klanten. We ontmoeten de man in zijn winkel en gaan er zelf op ontdekking. Later trekken we naar Het Moment aan de Grote Markt. Van tien tot twaalf wordt het rondom onze tafel stil.

De man Job spreekt, gedreven, overtuigend. Het artistieke zit in de genen.
Eduard Dujardin was zijn overgrootvader langs vaders zijde. "Een vriend en de vaste illustrator van Hendrik Conscience." Hubert Melis was zijn overgrootvader langs moeders zijde. "De maker van een bewerking van Reinaert De Vos."
Grootoom Herman Deckers was samen met Felix Timmermans, Renaat Veremans en Gerard Walschap oprichter van de Vlaams-katholieke kunstenaarsvereniging De Pelgrim.

      2453493-897190f1adf1a18defbc47f93a04395a.jpg         2453493-aa026e5ae869922e66a64795dc2d6bae.jpg

Echtgenote Veerle Spruyt maakt glasramen en schildert. "Geen grotere stimulator dan zij toen ik in 1979 mijn winkel in Lier startte. Ze ging mee op zoek naar de oude boeken die ik voor de klanten zo graag in mijn zaak had uitgestald."
Job Deckers is een uitermate gepassioneerd man. Zijn fascinatie voor Felix Timmermans was voor een geboren Antwerpenaar uitzonderlijk. "Felix Timmermans, Isidoor Opsomer, Fred Bogaerts, het zijn namen die mij al heel vroeg aanspraken. En dan was er het Begijnhof, een van de vele parels binnen een weergaloos mooi oud stadje. Lier heeft mij betoverd".

Hij is van '47, naar eigen zeggen een prima wijnjaar. Job Deckers en vrouwe Veerle Spruyt hebben twee jongens. Raf, de oudste, is filmregisseur. Karel, de jongste, is architect. Na een paar koffie's moeten we Job zijn Timmermans-hoofdstuk laten afronden. Hij weet alles over de Fé.
Meer nog dan zijn geschreven werken bewondert hij de man als graficus. Job kan zijn gelijk halen bij de kunstenaar zelf, die ooit verklaarde dat schrijven voor hem een opgave betekende, terwijl tekenen een waar plezier was Job zoekt de allergrootsten van de Vlaamse letteren allemaal in een ver verleden.
"Stijn Streuvels beheerste heel de twintigste eeuw. Hij is een blijver.

De universitairen die voor Letteren kiezen, kunnen nog steeds niet aan hem voorbij. Streuvels wist dat vorm en inhoud van een boek één moesten zijn: goed geschreven met mooie illustraties en band, met oog voor lettertypes, voor de bladspiegel. Dat zijn de werken die mij het meest na aan het hart liggen, prachtige uitgaves, eerste drukken.
Ik heb een passie voor het betere boek. Ik wil dat de sfeer en het aanbod uniek zijn. Stap mijn winkel binnen en je bent met vakantie, in het gezelschap van meer dan tienduizend titels.

Zat je als kind al met je neus in de boeken?
Ik was tien toen ik op de Grote Markt tijdens een open wagenspel 'En waar de Sterre bleef stille staan' van Felix Timmermans zag opvoeren. Ik was compleet van de kaart. De indruk was onvergetelijk.
Later fietste ik van Edegem naar Lier met de bedoeling er ergens Timmermans tegen het lijf te lopen. Ik wou de man zien, horen. Ik wist niet dat hij toen al tien jaar dood was, wel dat ik ooit naar deze prachtige stad zou terugkeren.

Richtte 'de Sterre' nog ravage aan?
Op mijn twaalfde had ik al toneelstukken en scenario's voor poppenkast geschreven. Mijn oom had een kasteel in Bekkevoort en tijdens het seizoen van de fruitpluk voerde ik daar met neven en nichten die stukken op.
Heel de buurt kwam erop af. Algemene inkom: een halve frank. Heerlijke tijden. Als jonge gast had ik een eigen bibliotheek. Ik leende boeken uit aan vrienden en buren.
Je was 32 toen je 27 jaar geleden naar Lier kwam om er je boekenantiquariaat op te richten en uit te bouwen.
Je had meteen een mooi uithangbord. 'Schoon Lier', naar een boek van de Fé. De familie Timmermans gaf mij daar destijds de toestemming voor. Mooier kon toch niet?

Naast het grotere werk heb je het wat lager ingeschatte aanbod?
Zoals de strips. De prijzen voor oude strips zijn abnormaal de hoogte ingegaan, te hoog voor een antiquariaat.
Mensen houden het nu vaak bij dingen als FC De Kampioenen, Kiekeboe en Urbanus. Weinig opvolging dus.

Jeugdboeken zijn voor jou een hoofdstuk apart.
Ik hou er heel veel van. Jammer dat illustratoren van jeugdboeken in Vlaanderen onderbelicht zijn. In Nederland is er op dat vlak een traditie sinds de vorige eeuw. De illustraties van mensen als Arthur Rakham, Tjeerd Bottema, Rie Cramer en Kay Nielsen zijn bijzonder mooi en in kennerskringen buitengewoon gewaardeerd.

Waar haal jij je boeken?
Privé, bij mensen thuis en op veilingen in Antwerpen, Brussel en Utrecht. Het is vaak opboksen tegen de Nederlanders.

Over Nederlanders gesproken. Heb je daar ook favorieten?
Laat me het dan eens niet over de klassiekers hebben. De absolute nummer één: Godfried Bomans. Op het vlak van humor kenden onze noorderburen hun gelijke niet.
Toon Hermans zag ik in de Arenberg-schouwburg. Wim Sonneveld... grote klasse.
Ooit was er eens een verbaal steekspel tussen Sonneveld en Bomans. Briljant, zeker van Bomans' kant. Van hem heb ik alles wat ooit op plaat is verschenen.
Ferdinand Bordewijk en Arthur van Schendel liggen overigens ook in de bovenste lade.

Nu we toch even afdwalen, Vlamingen?
In de grappige sector? Vandaag vind ik Wim Helsen de beste. En die Antwerpenaar met Engelse roots, Alex Agnew. Niet vergeten, de man met de typetjes, Chris Van Den Durpel. Laat die in Engeland geboren worden en het is een absolute topper. Zoals die Kamiel Spiessens creëerde en neerzette, hoed af.

Kan je met al je ontzag voor auteurs als Timmermans, Streuvels en Claus applaus produceren voor Herman Brusselmans en anderen?
Natuurlijk. Brusselmans wordt nu beter begrepen dan in zijn beginperiode, toen hij vooral lezers van beneden de dertig aansprak. Dimitri Verhulst bijvoorbeeld is een knap auteur. Ach, het gaat met auteurs net als met zangers en zangeressen. Het aanbod is groot en het is ondoenbaar om voor de vuist weg te zeggen: goed, beter, best.
Ik hou van Ella Fitzgerald, Louis Armstrong en Miles Davis, maar net zo goed van Gilbert Bécaud.

Muziek, Kamiel Spiessens zou zeggen 'Tizzen obby'.
Ik ben al meer dan 40 jaar koorzanger, bariton. Op ons repertoire staat onder andere de Matthäus Passion van Bach. In Schoten en Berchem brachten we onder leiding van Michael Scheck de Matthäus Passion van Telemann, een tijdgenoot van Bach. Liefst van al deed ik mee aan de koorweken in Lummen.
Van negen tot negen het atelier in en daarna gezellig samenzijn, fantastisch.

Waarvan ben je nog lid?
Ik schreef artikels voor Zilveren Verpozingen, een tijdschrift opgericht voor de Felix Timmermanskring.
Ik verdiepte mij in de grafische bronnen in het werk van de Fé.
Ik ben bestuurslid van het Timmermansgenootschap en stelde er het jaarboek 2005 samen.
Verder ben ik ondervoorzitter van het Liers Genootschap voor Geschiedenis.
Daar redigeer ik De Lierse Jaarkrans op het vlak van tradities, gewoonten en feesten. Een verkenning van de stad Lier en haar inwoners. Ondertussen heb ik mijn eigen uitgeverij 'Festina Lente': 'Haast u langzaam'.
In 1907 gaf Timmermans zijn eerste dichtbundel uit 'Door de Dagen'. Dat heb ik heruitgegeven in een doosje op 150 exemplaren. Van Louis Paul Boon bracht ik Radioactief op de markt. Teksten die hij op de radio verzorgde.

Een behoorlijke tijd bezig en nu op weg naar afbouwen?
Helemaal niet. Er verandert natuurlijk veel door de media. Ik zal niet ontkennen dat de boekenmensen momenteel op gegist bestek varen, het is zoeken welke kant uit. Maar een minderheid zal altijd blijven kiezen voor kwaliteit. Zij moeten mij kunnen blijven vinden.

Verlies je ooit je geduld als je in je winkel een boekenliefhebber aan de hand hebt, die van het woordje beslissen een mens-erger-je-niet spelletje maakt?
Neen, ik ben een geduldig man die graag met de mensen praat. (De enige stille pauze in het hele gesprek).
Tja, soms, in zeer uitzonderlijke gevallen, hoop ik wel eens dat zulke klanten na verloop van tijd naar de goede kant kantelen.

Die van de aankoop, mogen we aannemen?
Nee, dat ze kiezen voor kwaliteit en de waan van de dag achter zich laten.

*******

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 11:47 Reageer op dit bericht

En waar de ster bleef stille staan - Felix Timmermans

En waar de ster bleef stille staan.

Redactie – uit de Zondagsvriend 18de jaargang nr. 51 van 21/12/1950.

De "Driekoningen-tryptiek" van Felix Timmermans behoort tot de allermooiste kerstlegenden van Vlaanderen.
In samenwerking met Edward Veterman door de schrijver omgewerkt tot een toneelspel onder de titel "En waar de sterre bleef stille staan..." is het ontroerend verhaal van Pitje Vogel,  Suskewiet en Schrobberbeek talloze malen opgevoerd en heeft het, vertaald, ook in het buitenland grote successen gekend. Men vindt hier immers in kort bestek de belangrijkste karakteristieken verenigd van wat men zo graag de typisch Vlaamse volksaard van de mannekensbladen en de poesjenellenkelders pleegt te noemen, en die, in die Timmermansiaanse idealisering, een zo gewild export-artikel is gebleken. Wij laten het aan de high-brow-kritiek over, de opportuniteit van deze export te betwisten en te beweren, dat het buitenland zich hierdoor een totaal vals beeld van Vlaanderen heeft gevormd. Dit beeld kan eenzijdig zijn, verfraaid en, naar het woord van de schrijver over "Het Kindeke Jezus in Vlaanderen" zelf,  "met wat letterkunde in groot genoegen omsierd"; vals is het echter niet - goddank niet.

Ons zijn de oubollige figuren uit dit bonte prentenboek lief. Hun kinderlijke vroomheid, met veel menselijke zwakheid en duister bijgeloof vermengd, spreekt tot gevoel, en hun armoede, die nog niet de grote ellende van de moderne stadsparia is, heeft haar oude schilderachtigheid bewaard.
Het is goed, af en toe nog eens te verwijlen in dit Vlaanderen van ons hart, waar nog plaats overblijft voor zwervende driekoningen. De illustraties bij onze kleine navertelling zijn niets anders dan toneeltjes uit de "Drie-Koningen-Tryptiek", die voor poppenspel werd aangepast en nu jaarlijks in de Kersttijd te Basel wordt opgevoerd. Het beroemde "Basler Marionettten Theater", dat met zijn hoogstaande programma's en artistiek verantwoorde realisaties in Zwitserland het poppenspel in ere heeft hersteld, kon in het kader van de kerstsfeer geen betere stukje vinden dan dit werk van Felix Timmermans. De voorstellingen zijn een traditie geworden, die voor veel inwoners van de Zwitserse grensstad onafscheidbaar met Kerstmis is vergroeid.
Suskewiet, de mystieke verdroomde herder, Pitje Vogel, de Nethevisser die vloeken kan dat de ruiten rinkelen, en Schrobberbeek, de bedelaar, die zijn handen maar niet van de kippen der boeren kan afhouden, zijn voor ons oude bekenden geworden. Maar ook symbolische figuren, waar iedereen een deel van zijn eigen gebreken en verzuchtingen in erkent.


In het "zeemeerminneke", bij de dikke Polien Pap, bedelen de bedelaar, de herder en de visser om alstublieft nog één borreltje jenever. Buiten vriest het dat het kraakt, en de drie sukkelaars hun handen en voeten zijn bijna afgevroren. Maar de vette waarom is niet meer te vermurwen ; sinds lang is er geen plaats meer op de kerfstok van die kale klanten, en hoe zullen zij ooit kunnen betalen ?
Maar zij hebben een gedacht: over acht dagen is het Kerstmis. Waarom zouden zij er niet op uit trekken als zingende drie koningen ? Geen gewone voddenbalen, gelijk er rond die tijd zovelen rondzwerven, nee, echte koninklijke koningen, met een hoge hoed op – Suskewiet heeft er nog ene, van in de tijd dat hij eens peter is geweest - met lange purperen mantels, en met een ster, die schittert en die draaien kan boven op haar hoge stok. Dat zien de boeren gaarne, daar krijgen zij de tranen van in hun ogen, en daar tasten hun handen voor in hunne portemonnee. Suskewiet zal de ster maken, Pitje Vogel zal zingen, en Schrobberbeeck zal zijn schoonste bedelaarsgezichten trekken. en Polien, die aan hun schulden denkt, wenst hun veel succes.


De Nethevallei ligt dik toegesneeuwd, en weer vriest het, zoals het slechts in lang voorbije winters vriezen kon. Door de stilte klinkt het uit drie schorre, wijfelende en verroeste kelen :

                                                               Wij zijn de drie Koningen met hun Ster.
                                                               Wij komen gereezen van zo ver.
                                                               Wij gingen en zochten overal,
                                                               Over berg en over dalen.
                                                               En waar de ster bleef stille staan,
                                                               Zijn we alle drie binnen gegaan.

2449811-13a5df507738b10895183377af05fbf5.jpg

Zij komen door de sneeuw gestapt, met blikken kronen en bonte gewaden, met zware vermoeide benen en rode tintelende neuzen, en met een bezaatse, die uitpuilt van de rondgehaalde buit. Het is een goede dag geweest.

Zij kregen peperkoek, varkensvlees,  een hollandse kaas, appelen, hespenknoken, daarbij nog een heleboel geld, genoeg om een kruik van de sterkste jenever te kopen, die Polien Pap in haren kelder heeft.
Nu naar ' t Zeemeerminneke, en leve het spek met de eieren, de vrolijke dans en de warme ronde kachel!
Maar waar loopt de weg almeteens naartoe? Of liever waar is de weg nu eigenlijk gebleven ? En laten hun stappen nu geen sporen meer in de sneeuw ? Overal, zo ver ge zien kunt,  is de sneeuw maagdelijk wit, en de Nethe is zowaar zelf ook verdwenen. De Drie Koningen worden bang.
Laat ons bidden mannen fluistert Suskewiet, dan kan ons niets kwaads overkomen. Zij knielen in de sneeuw en beginnen Vaderonzen en Weesgegroeten te bidden. Pitje Vogel hommelt zo maar wat mee, want hij vergat zijn gebeden sedert zijn eerste communie.

En terwijl ze daar alle drie geknield zitten, straalt plots een zwak lichtje op uit de donkerte , en het komt dichter en dichter op hen af. Met een zucht van verlichting zien ze eindelijk dat het uit een kleine armelijke woonwagen naar buiten schijnt, die daar moeizaam door de dikke sneeuw komt aangereden. Een ezeltje trekt hem geduldig voort, en uit het schoorsteentje kronkelt een dun streepje rook in de ijle vrieslucht.
Of die daar binnen misschien de weg niet weten? Pitje Vogel gaat kloppen, een oude man met grijze baard komt open doen, en toen zijn ze alle drie binnen gegaan ...

Wanneer de Drie Koningen wat later weer, uit het wagentje komen, en hun weg hebben voortgezet, is hun bezaatse leeg en spreken zij niet meer van het "Zeemeerminneke". Zwijgend stappen zij naar huis, zonder peperkoek, zonder appelen, zonder hespenknoken en tarwebrood. Al wat zij rondhaalden hebben ze aan de oude man gegeven, en aan de wonderschone jonge vrouw die bij hem was, voor het kindje, dat nog geen uur tevoren op de wereld was gekomen.
Die mensen waren nog armer dan zij, maar de oude had glimlachend gezegd, dat zij leefden van de vreugde.
Van de vreugde! Ja, dat had hij gezegd! En terwijl zij haar kindje de borst gaf had de jonge vrouw zachtjes iets gemurmeld van : de Drie Koningen, de Heilige Drie Koningen, juist zoals vroeger...
En zij begrijpen er niets van, maar in het naar huis gaan voelen de drie vrienden, al hebben zij honger en kou en al zijn hun zakken weer leeg, zich de gelukkigste mensen van de wereld.

Weer is het Kerstavond.
Maar dit jaar zal Suskewiet niet mee gaan met zijn vrienden, om van hoeve tot hoeve te gaan zingen, en rijke buit te oogsten. Want hij is ziek, zeer ziek. De mensen zeggen dat hij gek is op de koop toe; beweert hij niet, verleden jaar de Heilige Familie in een foorwagen gezien te hebben?
En nu kan hij niet mee, dit jaar . Hij zou er toch zo graag weer zijn op uit getrokken, met zijn mooie ster, om voor de armen nog veel meer rond te halen. Voor de armen ? spotten Schrobberbeek en Pitje Vogel die hem komen bezoeken. Zijn wij dan zelf niet arm genoeg ? Mogen wij niet ééns op het jaar onzen buik vol eten ?
Maar zo wil Suskewiet het niet hebben. Als zijn vrienden het zo opnemen vindt hij het al niet erg meer dat hij thuis moet blijven. Zij krijgen niet eens zijn ster mee. Wat denken zij wel, de ster waarmee zij voorig jaar het Kindeken Jesus hebben gezien nu gaan gebruiken om zonde te kunnen doen, te brassen en te gaan zuipen?
Nog liever breekt hij ze in stukken!

2449811-695e528238cdb895808e6e9b7df9df48.jpg

Pitje Vogel wil den doktoor gaan halen. Ja Suske, zegt hij, ge hebt het lelijk zitten,  jongen. Het is waar, Suskewiet is heel erg ziek. Als zijn kameraden weg zijn begint hij vreselijk te hoesten. Goed dat hij zijn ster nog heeft? zo is hij toch niet helemaal alleen in deze Kerstnacht. Hoe schoon kan hij ze laten draaien,  en hoe schittert ze, kijk, het is als was hij reeds in den hemel.

Wablief, riep daar iemand ?
Suskewiet ! Binnen !

Het is een kindeke, dat binnen komt, een klein mooi wondermooi kindeke, dat hem tegenlacht. Het wordt er licht van in het donkere hutteke. Kent ge me niet ? vraagt het kindje. Ja, natuurlijk kent hij het Kindeke Jezus. Hoe lief van het Kindeke, naar hem te komen omdat hij er zelf niet naartoe kon gaan.
Maar nu voelt hij zich opeens veel beter, ja, hij is waarachtig helemaal genezen! Hij zou willen meegaan, naar de groene beemden daarginder, met al zijn schaapkes, mag hij ? Zeker, zegt het Kindeke, met al uw schaapkes. Houd mijn hand maar goed vast. En breng uw ster ook mee. Kom! Wij gaan…
Toen Schrobberbeek 's anderendaags nog eens naar de herder kwam zien, vond hij zijn lichaam in een geur van rozen op het stro uitgestrekt, en uit zijn bleek gelaat scheen een licht te stralen.
Diezelfde nacht dat Suskewiet naar de hemel is heeft Pitje Vogel zijn ziel aan de duivel verkocht.
Hij was met Schrobberbeek gaan zingen, maar de buit was ditmaal maar mager geweest.
Drie Koningen me tweeën dat ging niet, en zij hadden niet eens een ster bij.
De boeren hadden hen uitgelachen. Drie centen en één brood was al wat zij rond gehaald hadden.
En toen zij dan tegen middernacht ontgoocheld huiswaarts stapten, waren zij een oude man in het zwart tegengekomen, die hen vroeg,  of zij niet voor zijn deur wilden komen zingen. Hij zou hen twintig frank geven! Schrobberbeek was op de loop geslagen al roepend de duivel !  de duivel !

Maar Pitje Vogel wou niet bekennen, dat hij bang was. Hij had met de duivel een heel gesprek gehad. Diens voorstel was verleidelijk genoeg : zo veel geld hij verteren kon, alle dagen wijn en jenever, lekkernijen, een warme kachel en een vrouw op de koop toe. En hij moest zijn ziel niet eens voor altijd verkopen.
Hij kon een proefcontract krijgen, omdat hij het was, voor één jaar en zeven dagen.
Beviel het hem niet, dan kon hij het altijd nog opzeggen, mits een termijn van zes maanden voor de vervaldag. Al wat hij in ruil voor dat lekker leven moest doen, was zorgen dat hij alle dagen een hoofdstuk uit "De Zwarte Ambrosius" las, en dat hij speekte als hij op een kruisweg kwam. Meer niet. Wie zou dat nu niet aannemen ?
Maar sindsdien voelde hij zich, ondanks al zijn nieuwe rijkdommen, de ongelukkigste mens van de wereld.
Voor de derde maal luiden de klokken de Kerstnacht in.
Schrobberbeek is met zijn lantaarn op weg naar de Nachtmis. Dit jaar komt er van Drie -Koningen-spelen helemaal niets meer in huis. Hij schiet immers nog maar alleen over. Suskewiet is in den hemel, en Pitje Vogel, ja, die zit in de hel, of 't scheelt niet veel.
Ik ga hem toch eens goeden dag zeggen, besluit Schrobberbeek, ik kan hem in passant wat olie voor mijn lantaarn vragen.
Hij treft de arme rijke Pitje Vogel schrikkend en bevend over zijn geld, dat hij aan 't tellen is. In de kamer daarnaast slaapt zijn vrouw, die een staart heeft gelijk een schorpioen, en die, fluistert Pitje Vogel, niemand anders is dan de duivel zelf in vrouwengedaante. De sukkelaar is nu aan haar gebonden voor twee jaar en veertien dagen, want na de eerste zes maanden heeft hij vergeten zijn contract op te zeggen, dat vanzelf werd verlengd. En hij zou zo gaarne mee naar de Nachtmis gaan, maar hij kan het woord zelfs niet over de lippen krijgen.

Als hij het wil uitspreken krijgt hij een brandende pijn in gans zijn mond. Hij mag nog alleen vloeken, vloeken dat de ruiten ervan rinkelen, zoals hij vroeger zo fier was te doen in het Zeemeerminneke. O, nu is hij er niet fier meer op, en kon hij nu maar bidden.
En de jenever, die hij met het vat in zijn kelder laat rollen, smaakt naar solfer en petroleum.
Ja, hij is de ongelukkigste mens van de wereld.
En als Schrobberbeek vertrokken is en de duivel Pitje Vogel weer verleiden wil, vlucht deze in wanhoop het huis uit. Dat mag hij niet, want volgens het contract moest hij altijd na zonsondergang binnen blijven. Al de duivelen der hel zitten hem achterna. Hij loopt en loopt. Waar zal hij redding vinden ? In de gewijde nacht luiden de klokken.

Langs de besneeuwde veldwegen haasten de vrome zielen zich naar de nachtmis. In 't voorbijgaan groeten zij naar oude Vlaamse gewoonten de vele Lieve Vrouwkes die in de kapellekens tronen. Als echter Schrobberbeek komt voorbij gestapt, die weer te laat gaat komen, ziet hij dat al de kapellekens ledig zijn. Waar zijn de Lievevrouwkens nu gebleven ? Gestolen misschien denkt de kippendief. Hoe kan hij weten, dat in de Kerstnacht al de Lievevrouwkens op de Waterberg samen komen om met hun heilige zoon de geboorte te herdenken ? Toch voelt hij, dat er iets wonderlijks gebeurt deze nacht, en hij denkt aan zijn donker geweten. Zie, weer een ledig boomkapelleke. 't Is dat van het Lievevrouwke van Zoeten Troost - en hier nog al een, dat van 't Lieve vrouwke van Gedurigen Bijstand. Waar zijn zij toch allemaal naartoe ? Er is geen mens meer buiten, iedereen is reeds in de kerk, de klokken zij stilgevallen, en het is huiverig stil in de klare vriesnacht.
Here God, laat er toch weer niets gebeuren. Maar daar komt het reeds op hem af, het nieuwe wonder, met kleine vlugge stapjes door de sneeuw, klein als een pop, een pop met een mantel en een kroon, en met zeven zwaarden in de borst. Schrobberbeek staat te beven als een riet. Het is in zijn benen geslagen, en hij kan geen voet verzetten. Het is het Onze Lieve Vrouwken van de Zeven Weeën, die haar kapelleken wat verder heeft, die op hem toekomt.

Wat zegt zij? Zij heeft een fijne, lieve stem, die bedroefd en opgewekt klinkt tegelijk. Zij vraagt hem, of hij haar niet dragen wil, want zij moet nog tot helemaal ginder op de Waterberg, en zij is zo klein, en zij zal zeker te laat komen. Zij werd opgehouden door een arme man, die daar juist voor haar kapelleken was komen bidden, en die in zo grote nood verkeerde, dat zij hem eerst geholpen had. Kijk, hier ligt hij, wijst het Lievevrouwke nog geknield voor mijn kapelleken. Hij rust nu. Zie, hoe gelukzalig hij lacht in zijn stoppelbaard.
Maar, schrikt Schrobberbeek, 't is Pitje Vogel, een oude vriend van mij. Is hij dood?
Zijn zielke leeft, zegt het Lievevrouwke, en het zal eeuwig leven, want zijn berouw is groot geweest.
Wat een geluk, zucht de bedelaar, wat een geluk...
En ik, Lievevrouwke, ik zou u mogen dragen ? Ik, die een geweten heb dat nog zwarter is dan mijn voeten ?
Ik zal uwe ziel bestralen, zegt het Lievevrouwke, dat zij blinkt en zuiver wordt als peerlemoer.
O,  zegt Schrobberbeek, dan is alles goed.

2449811-448d6f23a65deb9723bad66ebddea646.png             2449811-48c54cf6922ce5df5e8772791bafecd1.png

En terwijl hij met het Lievevrouwken van Zeven Weeën op zijn schouders de berg beklimt voelt hij zich lichter en lichter worden. Hoger en hoger klimt hij. Het is een lange tocht. Maar boven op de top staan Pitje Vogel en Suskewiet reeds op hem te wachten. En Suskewiet laat zijn schone ster draaien, dat heel de hemel er van schittert, en voor al de Lieveouwkens zingen zij gedrieen te zamen :

                                                 Wij zijn de Drie Koningen met hun ster
                                                 Wij komen gerezen van zo ver.
                                                 Wij gingen en zochten overal,
                                                 Over berg en over dalen.
                                                 En waar de ster bleef stille staan
                                                 Zijn wij alle drie binnen gegaan.

En zo is het voor de derde maal Kerstmis geworden.

*************************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 23:28 Reageer op dit bericht

De Fé herleeft in Lier - Paul Depondt en Pierre De Moor

De Fé herleeft in Lier

Door Paul Depondt en Pierre De Moor uit informatieblad van Lier – 1986.

Als nooit tevoren zal dit jaar Lierke Plezierke, het stadje van de vlaaien en het Caves-bier, zijn naam eer aan doen. Wie dit jaar de «Poort der Kempen» opent, duikelt rechtstreeks in Pallieterland.
Precies honderd jaar geleden zal het zijn, dat op 5 juli Felix Timmermans, de Fé, in de stad der schapekoppen werd geboren. Als geen ander heeft de schrijver van Pallieter, Boerenpsalm en Adriaan Brouwer, die tot ver over de grenzen bekendheid geniet, zich door het volkse leven van zijn stad laten inspireren.

In niet minder dan zevenentwintig talen is Timmermans een literair begrip geworden.

LIER 1986, dat is een tochtje waard. Jo Cooymans, de secretaris van het Timmermans-comité dat een hele reeks manifestaties op touw heeft gezet, geeft er ons een voorproefje van. Op 18 april  wordt in het Timmermans-Opsomerhuis een retrospectieve tentoonstelling van het literair en grafisch oeuvre van Felix Timmermans georganiseerd. Het betreft een thematische tentoonstelling, die belooft uniek te worden omdat de kinderen van de schrijver er hun volle medewerking aan verlenen en uit hun privé-bezit foto's, olieverfschilderijen, aquarellen en tekeningen ter beschikking hebben gesteld.
Nooit zal zoveel plastisch werk van Felix uitgestald zijn geweest. Timmermans heeft immers altijd veel gevoel voor het plastische gehad. Toen hij op veertienjarige leeftijd van de school afscheid nam — hij had de reputatie een slechte leerling te zijn — volgde hij avondlessen aan de Lierse tekenschool.
Maar ook in die branche heeft de schrijver van Pallieter zich aan zijn held gespiegeld.

Hij voelde er wel voor om na de Lierse Tekenschool dag-lessen te volgen aan de Antwerpse Academie, maar toen hij vernam dat hij daarvoor elke dag heel vroeg zou moeten opstaan, zag hij van die plannen af en verkoos hij thuis te blijven, waar hij zijn ouders in de kantzaak van dienst kon zijn.
Jo Cooymans, die tevens stadsbibliothecaris is, toont ons trots de kasten waar het verzameld werk van Timmermans, de oudste edities, de merkwaardigste vertalingen (tot in het Japans) worden bewaard.
Boven op de kast staart ons zwaar het borstbeeld van de schrijver aan, die als een waakhond zijn domein heeft afgebakend. Na 1986 zal Timmermans het stadsbeeld meer dan ooit beheersen: op 25 mei wordt aan de Netelaan het Pallieterbeeld van Jan Keustermans onthuld, een sobere en originele sculptuur, waarin de held verheerlijkt wordt die eens een boom had willen zijn om die volle davering van het ontwakende aardeleven door zijn lijf te voelen gaan.

LIER, dat is toch Timmermans, je ontmoet hem overal. De heer Roofhooft, voorzitter van de plaatselijke VVV en bezieler van het Zimmer-comité, troont ons mee naar het Zimmerplein, genaamd naar de maker van het astronomisch wonder dat door Lodewijk Zimmer in 1930 aan zijn geboortestad geschonken werd. De symbolische figuren van de jubelklok, die in de gevel is aangebracht, zijn door Felix Timmermans getekend. Zij stellen in de vorm van kind, jongeling, volwassen man en grijsaard, de jaargetijden voor.
In de onmiddellijke buurt bots je op de Gevangenenpoort die in 1375 werd opgericht. Als je bij die poort de Begijnhofstraat inslaat valt je oog op het opschrift van herberg Het belofte land dat zo dikwijls in Timmermans tekeningen en schilderijen werd verwerkt. Weinig verder word je opgenomen in de serene sfeer van het Begijnhof, één der schoonste van het land.
Het lijkt op een miniatuurstadie, dat je binnengaat langs een monumentale renaissance-toegangspoort.

2443364-7770add308fa17188d9aa75db019ad4a.jpg

Timmermans is heel zijn leven door begijnhoven gefascineerd geweest. In 1907 maakte hij met zijn vriend Flor van Reeth zelfs een begijnhovenreis, tijdens welke de twee niet minder dan zeventien Vlaamse begijnhoven in het Vlaamse land bezochten. Het was de tijd van de grote artistieke belangstelling voor de villes mortes, die bij Timmermans vooral werd gestimuleerd door zijn Franstalige vriend Victor Remouchamps, een Liers dichter van de groep Jeune Belgique. Aan die inspiratie heeft men één van Timmermans mooiste novelles te danken, De zeer schone uren van Juffrouw Symforosa, begijntje, waarin juffrouw Symforosa, die verliefd is op broeder Martienus, haar verdriet verwerkt tot gelouterd geluk. Maar zo sereen is het er in het begijnhof niet altijd aan toegegaan.
Een tijdlang is Timmermans onder invloed van de erudiete kunstschilder Raymond De la Haye van occultistische en astrologische buitenissigheden bezeten geweest, bij zoverre dat een groepje kunstenaars dat onder leiding van Timmermans in het Liers begijnhof vergaderde, door de pastoor aan de deur werd gezet omdat de artiesten er spiritistische séances hadden georganiseerd.

Realistischer ging de Lierenaar in eigen produktie te werk, en daaraan is een heel mooie anekdote verbonden. In 1907 was Timmermans begonnen aan een tragedie die Holdijn heette. Het spektakel speelde zich af in de elfde eeuw. Hij stuurde het stuk in voor een toneelwedstrijd voor de stad Antwerpen, maar kreeg het terug met de opmerking dat in de elfde eeuw het kaartspel nog niet in gebruik was.

Timmermans behield het kaartspel, maar schrapte de eeuw.

Door het kleine poortje aan de Grachtkant verlaten wij het begijnhof en stappen langs de Netedijk naar het Pallieterland, waar zich in de uitgestrekte bossen huize De Reinaert, de woning van Pallieter, zou bevonden hebben. Hier genoot in de verbeelding van de schrijver Pallieter van het leven, samen met zijn vriend Fransoo, de molenaar, die naar het beeld van schilder Valerius De Saedeleer getekend is.
Timmermans werkte graag naar levende modellen, Lierse typen, die overigens ook de schrijvers Anton Bergmann (Ernest Staas, advokaat) en Domien Sleeckx (Tybaerts en Cie) hebben geïnspireerd. Dat stadje moet men zich voorstellen als een oord zonder proletariaat, waar kant- en schoennijverheid door thuiswerk in stand werd gehouden.
Het was een stadje van burgers en winkeliers, kleer- en schoenmakers, slagers, bakkers en herbergiers, waar iedereen, iedereen bij naam en toenaam kende. Bij die mensen heeft Timmermans zijn oor te luisteren gelegd, hun taal heeft hij op straat geleerd, het sappige Liers, dat Timmermans volkomen beheerste.

Wanneer men de Nete verder tot aan het « Saske » volgt en voor de brug rechts afdraait, richting Begijnvest, komen wij doorheen het Spui, een sluisgebouw uit 1508, en vervolgens langsheen de Kardinaal Cardijnlaan in de De Heyderstraat. Daar herinnert een gedenkplaat eraan dat hier Felix Timmermans gewoond heeft en gestorven is, zoals zovelen van zijn romanfiguren: Anne-Marie, die aan haar liefde ten onder gaat, Suskewiet uit En waar de sterre bleef stille staan, die als een arme derde koning door het Jezuskind het rijk der hemelen wordt binnengeleid.

Wie van Lier houdt, kan zich nauwelijks beter laten gidsen dan door Timmermans zelf. In samenwerking met de Standaard-uitgeverij verschijnt in samenwerking met het herdenkingscomite een speciale editie van het boek Schoon Lier. Behalve een gewone, verschijnt ook een rijkelijk geïllustreerde luxe-editie op nauwelijks honderd exemplaren. Ze wordt gedrukt op speciaal papier en in een lederen band en beperkte genummerde oplage uitgegeven. Bibliofielen mogen op geen blauwtje kijken.

**************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 16:05 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten