Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

" E Vloms keuningske " - Gaston Durnez

" E Vloms keuningske "

Door Gaston Durnez uit De Standaard van 8/03/1992.

Leo Picard was een babbelgrage kollega, die zijn beschouwingen graag met een anekdote opsmukte. In de jaren vijftig heb ik de Standaard-journalist en historicus van de Vlaamse Beweging meer dan eens horen vertellen hoe hij na de Eerste Wereldoorlog Felix Timmermans ontmoette.
Het moet ergens op een perron geweest zijn, waar zij samen naar een trein stonden te wachten, misschien in Nederland, waar zij beiden als vluchtelingen verbleven. Picard, die een der eerste Aktivisten was geweest sprak met "de Fee" over de mislukking van het flamingantische avontuur in de jaren 14-18. Timmermans vond het spijtig.

"Veel trok hij zich niet aan van politieke teorieën en konstrukties "mor, zei hij, "e Vloms keuningske, da zou 'k toch geren gezien hebben!"
Picard heeft het indertijd in een van zijn kronieken "Van week tot week" in De Standaard verwerkt. Later, in 1972, vertelde hij de anekdote aan prof. Lode Wils, die ze in zijn boek over het Aktivisme citeerde. Zij illustreert de gesteltenis waarin Felix Timmermans deelnam aan de aktie van een groep Vlaamsgezinden die Duitse hulp wilden aanvaarden om de gemeenschapsproblemen in België op te lossen.
De jonge letterkundige toonde zich voorstander van de "bestuurlijke scheiding", zoals men toen federalisme noemde, en zelfs van de Vlaamse zelfstandigheid of die moest gerealiseerd worden in relatie met noordelijke of oostelijke buren, scheen hem minder te interesseren.
Maar als een romanticus droomde hij van wat volgens hem onuitgesproken leefde in elke Vlaming: "Het Koninkrijk der Vlaming! En dan is iedereen onze vriend!" Met die uitroep besloot hij op 8 december 1915 een krantenartikel.

2442897-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg

Dat Felix Timmermans aktief deelgenomen heeft aan het Aktivisme, is algemeen bekend, maar totnogtoe weinig of niet bestudeerd. Allerlei gevoeligheden zullen dat belet hebben. Driekwarteeuw na de feiten heeft het naar hem genoemde studiegenootschap de leemte willen vullen. Een aantal beschikbare bronnen en getuigenissen werd onderzocht, terwijl geschriften van de Goede Fee in dat licht werden gelezen. Het resultaat vindt u in het pas verschenen negentiende jaarboek van de vereniging: Timmermans en het Aktivisme.
Samensteller is Marc Somers, die men kent als wetenschappelijk medewerker van het Archief en Museum van het Vlaams Kultuurleven. Mede dank zij Daniël Vanacker kan hij een paar primeurtjes opdienen, die het boek sterke literair-historische waarde geven.

Daniël Vanacker, onze goede kollega op De Gentenaar, is de auteur van het verleden jaar verschenen baanbrekende werk over Het Aktivistisch Avontuur. Voor dat prachtige boek op albumformaat met talrijke foto's, kon hij als eerste de archieven inkijken van de Raad van Vlaanderen.
Die Raad was een soort van aktivistenparlement dat op het einde van de oorlog erg voortvarend de zelfstandigheid van Vlaanderen uitriep, overigens tegen de zin van de Duitse bezetter. Felix Timmermans heeft aan zijn vergaderingen deelgenomen.

In het FTG-jaarboek publiceert Vanacker nu een heldere synteze van dit "avontuur" en situeert daarin de groep radikale jonge intellektuelen uit Lier die van in het begin een serieuze rol speelden.
Tot die groep behoorde o.m. de later als schilder bekend geworden ingenieur Reimond Kimpe en de letterkundige Anton Thiry de jeugdvriend met wie Felix Timmermans zijn eerste boek heeft geschreven, de Begijnhofsproken.

"Als de ezel krijgt verstand..."
Het onderwerp wordt naar de Netestad opengetrokken door Marc Somers die o.m. aan de hand van een plaatselijk personderzoek de ontwikkeling van de aktivistischc beweging in Lier zelf beschrijft. Felix Timmermans deed onmiddellijk mee. Dat was niet verwonderlijk. Al voor de oorlog had hij zich als een overtuigde flamingant gemanifesteerd en lang voor de Waalse socialistische leider Jules Destrée had hij in een artikel betoogd: Er zijn geen Belgen!

Uit de oorlogsjaren zijn verscheidene teksten van hem bekend (en Somers kon er nu nog een paar onbekende bijvoegen) waarin hij zijn geestdrift uitspreekt voor wat hij een nieuwe tijd acht. Het zwaartepunt van zijn engagement lag evenwel niet op het politieke en journalistieke vlak. Timmermans was geen teoreticus. Hij nam de leiding op zich van Volksopbeuring, een organizatie die zich bezighield met allerlei sociale hulp. Dit optreden, mede gericht tegen het franskiljonse monopolie terzake, heeft goede resultaten gekend. "In dit opzicht is het aktivisme in Lier niet een maat voor niets geweest", zegt Somers.

2442897-7770add308fa17188d9aa75db019ad4a.jpg

Vanzelfsprekend komt Boudewijn ter sprake, de lange fabel waarin Timmermans toen een eigen navolging van de Reinaert leverde. Het is het enige werk waarin de schrijver zich rechtstreeks met een aktueel flamingantisch tema heeft beziggehouden. En het is een van de zeer weinige literaire werken over het Vlaams-nationalisme in het algemeen en het Aktivisme in het biezonder die, artistiek gezien, vrij goed stand hebben gehouden.
Hoofdfiguur in het gedicht is niet de sluwe vos, maar de brave ezel Boudewijn, zinnebeeld voor het verknechte Vlaamse volk. De fabel toont ons hoe het wereldlijk en geestelijk gezag in België de Vlaamse ezel onderdrukt, hem wel wil gebruiken om de aanvallende (Duitse) vijand te verslaan, hem daarvoor zelfs wil huldigen, maar geen rechten wil geven. Het duurt zolang tot Boudewijn zich verzet en op zijn beurt de anderen voor schut zet. Want: "Als de ezel krijgt verstand, / komt er roering in het land "...

Ignaas Dom, de Vlaamse priester die in Duitsland werkzaam is en daar de bezieler werd van een Timmermans Gesellschaft, schrijft over de intrigerende vraag, waarom Boudewijn een der weinige niet vertaalde werken van de Lierse Meester is gebleven. Het antwoord ligt in het feit dat de Duitse uitgever Kippenberg, in tegenstelling tot wat thans in Vlaanderen door sommigen wordt geloofd, zich als uitgever niets aantrok van Duitse en Vlaamse politiek, maar zakelijk en literair dacht. Dom vond in Weimar dokumenten die zijn tesis staven.

De pionier van de Timmermans-studie in Vlaanderen, José de Ceulaer, snijdt in zijn bijdrage een ander belangwekkend onderwerp aan: de verhouding van de schrijver tot zijn "Grootnederlandse" kollega Wies Moens. Timmermans, zo betoogt hij, bleef Nederland altijd dankbaar voor het onthaal dat hij daar genoot.
Hij beschouwde "de Hollanders" als familieleden, "van dezelfde deeg, maar anders gebakken". Timmermans was en bleef heel zijn leven "een overtuigd Vlaams-nationalist, bij wie het welzijn van zijn volk primeerde", maar na het aktivistisch avontuur onthield hij zich van "spekulaties omtrent staatsvormen en -grenzen. (...) Hij was iemand die konflikten schuwde en zich telkens over toenaderingspogingen verheugde."

*************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 14:42 Reageer op dit bericht

Sint Gommarus - Felix Timmermans

Sint Gommarus

Door Felix Timmermans uit Ons Volk ontwaakt 1921

Dinsdag 11 October laatstleden was het het feest van den Heiligen Gommarus, patroon tot Lier, het stedeken van waar uit ik Vlaanderen, als door een open venster heb gezien, leeren kennen en liefhebben. Daar wordt hij aanroepen voor de breukziekte, en ook voor den goeden gang tusschen man en vrouw. Nu heb ik in mijn rommelkas naar een printje van hem gezocht, een oud, gekleurd houtsneedje, waar hij opstaat lang en mager, geel van gezicht, met een mond als een gebarsten kers, de knieën bloot boven de stalen laarzen, en bezig zijnde een staf in den grond te steken, die een fontein verwekt.
Ik heb het printje gevonden, en lijk een boek, waarin enkele uren een roos heeft gelegen, bij het openslaan, later, nog iets van den geur geeft der bloem die hij bewaarde, zoo is met dit plaatje te bezien, zijn leven als een schoone verbeelding dien dag door mijn geest gewandeld.
Ik kan mij Gommarus niet anders voorstellen, dan met blauwe oogen. waarvan de pupillen te veel onder het onderste ooglid zinken, zoodat hij vaak schijnt te hebben.
En als het u belieft wil ik gaarne volgens ik het mij voorstel de gemoedelijke legende van dezen Heiligen man vertellen, die dapper was in de wapenen aan het hof van Pepijn de Korte, en later een schoone bloem van heiligheid is gestorven.

Hij was krachtig, mager, met spieren hard als palmhout, met een even taaie, geduldige gelatenheid en doorzopen van een ingebakken heimwee voor de mystiek; en toch nog mensch genoeg om week te worden, en rapper zijn bloed te voelen ronken, wanneer de liefde hem aanraakte. Voelen opzwellen van minne had hij zich, als hij in de donkere kapel van Pepijn de Korte, waar mis gezongen werd, de edele nichte van den graaf, de slangen-schoone Grimmelda, zag bidden in de schemering der gouden mozaïeken gewelven, waarop de heiligen dier dagen stijf en laag stonden, met bruin gelaat en witte baloogen waarin de pupillen donkerden als gaten.
En mee ontroerd door de primitieve muziek, den wierook en het licht der kaarsen, was een oogsluitende zoetheid over hem gekomen en begon zijn hart pijn te doen van liefde.

2440054-032b2cc936860b03048302d991c3498f.jpg

Pepijn, die kort was van gestalte en even kort van daad, vroeg in die dagen aan zijne ridders of zij mee oprukken wilden naar de Pyreneeën om de zwarte benden der Sarasenen te verslaan, die naar het zoete Frankrijk drongen. Toen voelde Gommarus de eerste beproeving van zijn leven en de sterkte van de liefde, maar trouw aan zijn meester en aan O. L. Vrouwe onder wiens hoede en voor wiens roem hij streed, staalde hij zijn wil; hij trok mee naar het zuiden om de heidenen te bekeeren of te dooden. Hij droeg in zich de helle vonk van Grimmelda haar zwerte oogen, en in het handvest van zijn zwaard stak een klisken haar van O. L. Vrouwe. Dit waren hem twee goede troosten.

Als zij weg waren was hij blijde, mystieker van geboorte die hij was, dat hij meest naar de stem van God had geluisterd dan naar het muziek van haar oogen. Mocht zijn zwaard hem behouden, dan zou hij zich aan de liefde geven. « Maar », bad hij, « laat Gij o God gebeuren wat 't beste is voor mijne zaligheid, » En daarom vocht hij lijk een duivel tegen die mannen die zwarter zijn dan de nacht.
Zijn zwaard draaide als een molenwiek, 't houwde koppen af lijk korenaren, hakte lijven door dat de twee helften der Goud beharnaste moorenlijven langs weerskanten van de paarden vielen. Zijn koperen baard was rood van 't bloed, en zijn zwaard was als een roode vlam die den dood slingerde onder de Arabieren.

Als de avond blauw tusschen de harde rotsen kwam, en de hoogste toppen nog bloosden van de reeds in de zee gevallen zon, blies Gommarus de zege op zijn elpenbeenen horen. Nu was zijn leven beslist en als hij na dagen lange reizen weerom kwam aan het hof waar de vreugdewijn over de tafel liep, vroeg hij de liefde der schoone Crimmelda, die spijts haar slangenlenigheid flink gebouwd was, en zwart haar droeg, met blauwen schijn, lijk de raven van Wotan. Pepijn de Korte sloeg hem Heer van 't land van Rijen, gaf hem verlof om naar zijn streek te gaan en de Bisschop van Kamerijk deed hun den trouwring aan de vingeren. En na een schoone feest trok hij met zijn gade, op wagens gezeten, door ossen getrokken, en omringd van monniken en krijgers naar de landen zijner geboorte. Onderwegen bezochten zij te Nijvel het graf van hare tante Begga, die in geur van heiligheid gestorven was, en Gommarus bad den Heer om zijn vrouw gelijk van waarde en heiligheid aan de H. Begga te maken.

Eindelijk kwamen zij aan de Nethe, waarboven veel reizigers vlogen, en hij herkende het kasteeltje waar hij geboren was. In deze eeuwige stilte van wouden, in dit met mos en klimop begroeid kasteeltje, in die schemerige hallen, die de ziel deed nijgen, ging hunne liefde openbloeien, als een stille witte bloem, bedauwd niet de werken van het geloof en het gebed.
Maar de eerste dagen reeds, neep Gommarus in zijn beenen om te weten of hij wel droomde. Gommarus had een dikke keel van verdriet en een holle maag van ontgoocheling. Want zijn vrouw was nu ook van ziel en inborst een slange gelijk. Koppig, hoogmoedig, een hart als hout of kurk, en onvatbaar voor de kleerte van het geloof. Toen de varkensherder die geen neus had, met naar zijn varkens aarde te gooien, per abuis haar blauw-fluweelen kleed geraakte, sloeg ze hem zelve met een zweepken zoo hevig, of zijn neusloos gelaat in messen was gevallen. En Gommarus, die zacht was als een schaap! De monnik, die aan 't kasteel was, had schoon Gommarus, die niet geletterd was, door de lezing van Sint-Augustinus' belijdenissen, in vervoering te brengen; Grimmelda viel in slaap en snorkte mannelijk. Door de verhalen van bedevaarders en hofmaarschalken had zij een heimwee gekregen om in de wulpsche weelde en de hofdrukte van Byzantium te leven, en zij praamde, tergde en sarde hem om hem van uit deze zalig-stille oorden te lokken naar het Oosten.

2440054-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg    2440054-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg

Gommarus bad in de kapel, offerde veel ponden waslicht en liet missen in de kloosters doen, niet zoozeer om de wegen die naar zijn zaligheid liepen effener te maken, als om zijne vrouw te verharden voor de zonde, zoodat zij worden zou een schelpe gelijk die parelt van liefde en caritas.
Maar het beterde niet, ware er maar een kind gekomen, waardoor zooveel ijdelheid wordt gebroken en zooveel weekheid boven welt! Toen rumoerde ineens weer de oorlog; de Arabieren in Spanjen, de Longobarden in Italië en de Sassen achter den Rijn rukten weer aan, het land en het geloof bedreigend. Daar zag Gommarus een teeken in, hij moest zijn offer brengen, hij moest boete doen om zijn vrouw naar hoogere devotiën te brengen. En hij ging.

Negen jaren is hij weggebleven en toen hij weerkwam was het koper van zijn baard, geworden wit als rijp, maar zijn hart was glanzend goud van geluk en verlangen, want in de wassen brieven, die hij tijdens den krijg van zijn vrouw ontvangen had, zag hij de gewenschte verandering. God had hem verhoord, zijn vrouw was een vaas van vroomheid en goedertierenheden !
Maar 't was of zijn hart uit zijn borst wierd gestompt als hij na negen jaren de velden zag, waar, in plaats van wiegende, zeverende ossen, menschen kaal geschoren als slaven, de ploegen en de wagens trokken.
De mare van zijn komst liep hem vooruit, men kuste zijn mantel, men omhelsde zijn knieën, en nu hoorde hij hoe zijne vrouw hem schijnheilig met haar wassen brieven bedrogen had, het volk uitgeperst, gesard, bestolen, gekerkerd en gemarteld. En hij zag haar weer, in plaats van blauw-mager van goddelijke liefde, dik en kwabberig met haar op haar kin. Als verzengd van verontwaardiging riep hij haar toe, dat zij met droefheid overladen moest worden, dat alleen kon heil nog brengen.

Gommarus gaf dan om het volk te bevredigen in den boogoord bij Fakkellicht een groot feest, waar felbeboterde gebraden door tweehonderd menschen wierden gegeten.
Maar nog had Gommarus geen walg voor haar, spijts hare dikte, bezat ze nog altijd de verleidende slangenschoonheid der oogen, die hem naar haar toetrokken om van hare minne te genieten. Maar hij wilde haar zien in 't licht der barmhartigheid, en lijk men water wil drinken, waar vuil inligt, en het water eerst van dit vuil wil zuiveren, zoo nam hij voor, om dit te verkrijgen, eene bedevaart te doen naar Rome, naar de graven van den Heiligen Petrus en Paulus.
Hij was nog geen dag weg, 't was in de lente, in de Mei als de boomen in de bloem staan, als de hemel hem zijn ware roeping wees. Zij hadden hunne, tenten in een boogoord opgesteld, en nu was er een soldaat die een schoonen appelboom had omgekapt om zich te vermaken. Een dikke pachter kwam zijnen nood en gramschap aan Gommarus vertellen, en Gommarus beloofde hem in eere te herstellen. Nu was het nacht, de maan scheen als een zilveren schotel in den reinen Meinacht, en Gommarus zette eigenhandig, terwijl de anderen sliepen, den boom weer op elkaar, bond er zijnen gordelriem rond, en zie de boom bloeide weer weelderig blank, geurig in den maneschijn.
Toen verscheen er een duif van goud vuur die met een schoone stem hem aansprak; dat hij niet naar Rome moest gaan, want dat God overal tegenwoordig was, maar dat hij op Nievesdonck een kapelleken moest timmeren en daar zich terug trekken in den geest Jezus Christus.

2440054-4a47a0db6e60853dedfcfdf08a5ca249.png

Gommarus dankte met een heerlijk gebed,en alle lust, alle aantrekking naar zijn vrouw viel lijk de blaren van de boomen, voor altijd. Nu kende hij zijn roeping, die was niet bij de vrouw, maar op de schitterende hoogten van den geest. En hij deed het. Nu hij afwezig was, en in dit houten kappelleken, van zijn ziel een brandende tulp maakte, begon zijn vrouw eerst fijn de slang te spelen.
Zoo op een zomerdag dat de Nethe uitgedroogd was van de hitte en de werklieden die 't koren maaiden stikten van den dorst, en zij uit den waterput van ’t kasteeltje geen water mochten nemen, kwam Gommarus daar juist voorbij. De landlieden vroegen hem, die boomen kon doen aaneengroeien, een sloksken drank, dat hun geweigerd wierd door zijne vrouw, en Gommarus stak zijnen wandelstaf in den drogen grond, en daar spoot omhoog een straal van koel en helder water, waaronder het volk hun handen en hoeden hield en al zoo zich laafde uitermaten.

Denzelfden dag kreeg de vrouw brandende buikpijn en heete longen, en 't water dat zij dronk was als olie op het vuur. Gommarus wierd bij haar geroepen, hij genas; haar, als goede die hij was, maar zij bleef toch niet lang meer in 't leven. In den winter als zij over de toegevroren Nethe liep, zakte zij door het ijs, een ijsschol sneed haar hoofd van den romp, en haren kop danste voort op het blanke ijs, vergiffenis roepend voor al het kwaad van heel haar leven.
En Gommarus wierd oud van dagen, hij deed nog vele wonderen en toen hij in hoogen ouderdom den Heiligen Rumoldus van Mechelen ontmoette, en terwijl zij over den hemel spraken, groeiden bloem en blad aan hunne wandelstokken die zij in den grond hadden gestoken.

Hij stierf als hij tachtig jaar had bereikt,op zijn kasteeltje, waar hij was ziek gevallen tijdens een bezoek aan zijne moeie, die daar nu woonde. De bloedverwanten, de bisschop en al de edelen van den lande kwamen naar zijn uitvaart. De mis was uit, de put was gegraven in de kapel, de bisschop las de laatste gebeden, en de grafmaker hield reeds de spade gereed, toen er een vrouw kwam binnengesneld, die in herhaalde nachtelijke visioenen een stem had gehoord, die haar boodschapte, dat zij aan den Bisschop moest zeggen, dat Gommarus in zijn kapelleken te Nivesdonck wou begraven worden. Als zij 't verteld had voor het open graf wierd zij geloofd, en men probeerde het lijk op een der snekken te leggen, die op de Nethe lagen (want de edelen van langs de Nethe waren op snekken gekomen, terwille dat de wegen overstroomd waren) maar nu kost men nog niet met twintig man de kist opheffen, die was als aan den grond gevezen !

De Bisschop meende er reeds een teeken in te zien dat de vrouw dwazen praat had verteld, toen de neuslooze varkensherder naar voren kwam, en lijk een pluimken de kist ophief en ze naar de eerste snekke droeg.
En zie ineens schoot de snekke van onder, tegen stroom op, zonder roeier of roerman, in de richting van Nivesdonck ! De Bisschop en de andere, monniken en edelen, haastten zich vlug op de andere snekken, deden de roeiers zwoegen" en zweeten, en met moeite kon de kleurige stoet van snekken, waarop kaarslicht brandde, gewierookt wierd en psalmen gezongen, de snekke volgen waarop het geurige lijk van Sint Gommarus lag. Ginder heel ver dreef hij voort en de zon stak door een holleken van den gesloten hemel een zonnepriem en volgde mee het schip, de kist als met goud licht verlichtend.

2440054-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

En begraven wierd Gommarus in zijn houten bidplaats, die stond op een der vele eilandekes van de Nethe, en daar er later uit alle steden bedevaarten naar wierden gedaan, en er commercie wierd gevoerd, ontstonden er weldra rond het kapelleken eenige hutten, dan huizen, en zoo ontstond Lier, de stad van Rietland, waar men nog alle jaren dezen gemoedelijken heilige in eere en hulde herdenkt, de fonteine bezoekt en men zijn beenderen, de kop is in Frankrijk, in eene schoone processie ronddraagt, zooals men dat nog verleden Zondag heeft gedaan.

******************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 15:24 Reageer op dit bericht

Timmermans ter ere, een selectie uit zijn picturaal werk - G. Carpentier-Lebeer

Felix Timmermans (Lier 1886-1947)
Timmermans ter ere, een selektie uit zijn picturaal werk

Door G. Carpentier-Lebeer – uit de catalogus van een tentoonstelling te Lier op 14 februari 1986

"... Wij mogen met vader mee naar de zaterdagse markt. Ik zie ons nog zitten aan 't aloude rederijkershuis 'Den Eycken Boom' en vader schetst en tekent: het marktkraam van de slager, een varkenskoopman, een boerin met eieren, biggetjes in een mand stro, alles wat hij ziet op de drukke markt..."

Lia Timmermans


Felix Timmermans: een begrip in de Vlaamse letterkunde. Hij is een veelgelezen auteur. Als plastisch kunstenaar echter is hij minder bekend. Nochtans zijn beide domeinen noodzakelijk om Timmermans ten volle te waarderen. Zijn boeken en zijn beeldend oeuvre ademen een zelfde geest uit, spelen voortdurend op elkaar in, niet pleonastisch maar oorspronkelijk. Het is aan te bevelen zijn literatuur door te nemen om het plastisch werk te vatten en omgekeerd.

Precies honderd jaar geleden - op 5 juli 1886 - werd Leopoldus Maximilianus Felix Timmermans geboren als dertiende kind van een Lierse kanthandelaar. Een gelukkige, kommerloze jeugd is de dankbare inspiratiebron gebleven voor heel zijn oeuvre. Zijn levenslustige vader was verantwoordelijk voor een niet al te strenge opvoeding. Zoals Felix Timmermans zelf meermaals getuigde, deed zijn vader niets liever dan vertellen: oude traditionele volksverhalen geprojekteerd in de tijd van het ogenblik. Deze sappige verteltrant is zoon Felix uiteraard niet vreemd gebleven. De school - waar hij geen al te beste resultaten behaalde (hij was zelfs slecht in opstel!) - verliet hij in 1901 op vijftienjarige leeftijd, vermoedelijk grotendeels uit gemakzucht.
De jonge Timmermans hielp zijn vader mee in de zaak maar volgde ondertussen wel avondlessen glasraam schilderen aan de Lierse akademie. Van jongsaf aan deed hij niets liever dan tekenen. Hij toonde ook meer aanleg voor tekenen dan voor schrijven. Wat hij onder ogen kreeg tekende hij na in zijn verbeelding of in werkelijkheid. Als kind heeft hij verscheidene tekenprijzen behaald. Ook de schilderkunst trok toen reeds zijn belangstelling. Bovendien had hij het voorbeeld van zijn oudste broer Ernest die kunstschilder was.

Toen droomde hij er nog van zelf ooit schilder te worden. Hij plande om zich in te schrijven aan de Akademie voor Schone Kunsten te Antwerpen maar heeft dit - zo zei hij zelf - bij gebrek aan volharding (het vroege opstaan lag hem niet!) niet waargemaakt. Hij is hier later dikwijls op teruggekomen. Als plastisch kunstenaar heeft hij zich steeds onzeker gevoeld omdat hij des te meer besefte dat een goede stielkennis, die hij niet bezat, noodzakelijk was. Hij had het geduld en de discipline niet om zich toe te leggen op een bepaalde techniek. Begrijpelijk daarom dat hij een voorliefde behield voor de eenvoudige tekening. Timmermans heeft heel zijn leven door veel en graag getekend en geschilderd. Maar het schrijven bleef nochtans zijn hoofdbezigheid, niettegenstaande het hem méér moeite en tijd vroeg. Ooit heeft hij zelf een duidelijk illustrerende metafoor gegeven: "Schrijven is te biechten gaan, schilderen te communie". Van schrijven heeft hij zijn beroep gemaakt.

Zijn literair werk behelst verscheidene genres: romans, kortverhalen, gedichten, toneelstukken. Hij heeft meegewerkt aan verzamelwerk, periodieken en gelegenheidsuitgaven. Ook heeft hij meer dan eens over plastische kunst geschreven, naar aanleiding van de ene of de andere tentoonstelling.
Hij heeft zijn schildersopvattingen zelfs tweemaal in een geromanceerde biografie weerspiegeld: Pieter Bruegel, zoo heb ik U uit Uwe werken geroken (1928) en Adriaan Brouwer (1948). Zijn literatuur geniet wereldfaam en veel van zijn boeken werden in verschillende talen vertaald.

Aanvankelijk schreef hij a la Conscience om nadien in vervoering te geraken voor het werk van Streuvels en Gezelle. Dat was in de periode vóór 1911, toen hij als jonge snaak gemakkelijk beïnvloedbaar was. In die jaren zijn de vriendschapsbanden gegroeid met zijn streekgenoten de musicus Renaat Veremans, de architekt-kunstschilder Flor Van Reeth en nog later de kunstschilder Oscar Van Rompay.

2428036-7770add308fa17188d9aa75db019ad4a.jpg   2428036-255b0d7aee6ac506b957f9674626fc18.jpg

Zij vulden menige dagen op het Lierse begijnhof met gedachtenwisselingen over letterkundigen en kunstenaars die ze bewonderden. Felix Timmermans had verering voor het werk van o.m. E. Claes, G. Gezelle, S. Streuvels, M. Gysen, A. Vermeylen, W. Moens, W. Kloos, A. Demedts, e.a. Op plastisch gebied genoten hoofdzakelijk P. Brueghel, de Vlaamse Primitieven, Fra Angelico, P.P. Rubens zijn belangstelling. Hij hield van een zuivere schilderkunst. Van de Modernen kregen de symbolisten aandacht.
Hij onderhield losse kontakten met kunstenaars in binnen- en buitenland (J. Ensor, A. Pieck, A. Saverys, A. Servaes, J. Toorop, I. Opsomer, e.a.) maar uiteindelijk volgde hij het kunstgebeuren niet zo van dichtbij.
Na enkele dichtbundels en kortverhalen in zwaarmoedige trant, brak hij definitief door met de roman Pallieter, na een teosofisch-spiritistische bevlieging en een zware ziekte geschreven tussen 1911 en 1914, uitgegeven in 1916 bij Van Kampen en Zoon in Amsterdam. Hierin was de zo typisch epikuristische levensfilosofie totaal nieuw en oorspronkelijk voor zijn omgeving. Pallieter was de eerste van een lange reeks suksesnummers waaronder de voornaamste:
                                Het kindeken Jezus in Vlaanderen (1917),
                                De zeer schoone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen (1918),
                                Boudewijn (1919),
                                Anna-Marie (1921),
                                Uit mijn rommelkas (1922),
                                Den pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt (1923),
                                Schoon Lier (1925),
                                De harp van Sint Franciscus (1932),
                                Boerenpsalm (1935),
                                Ik zag Caecilia komen (1938),
                                Adagio (1947), e.a.

2428036-e7ab3e0cecbf8ef4da090e5e369e2498.jpg    2428036-3f280b8492827b1a251f24fb879ad7b4.jpg    2428036-6c390e85c2f27edb32d475ec71162a1f.jpg

De bekendste toneelstukken (meestal bewerkingen van eigen proza) zijn Mijnheer Pirroen (1923) en En waar de ster bleef stille staan (1925). Pallieter, geschreven op de vooravond van de oorlog, zou zijn leven een andere wending geven. Na de oprichting van een eigen kantzaak in Lier samen met zijn vrouw Marieke Janssens (met wie hij in 1912 gehuwd was), had hij van 1914 tot 1918 slechts een snoepwinkeltje als broodwinning. Tegen 1918 kwam hij in Nederland terecht -Pallieter had ook daar het nodige gehoor gevonden - en Felix Timmermans werd gevraagd zijn boek aan het publiek voor te stellen. Ook andere redenen - hij was een verwoed flamingant en aktivist - hadden hem in Nederland gebracht. Vanaf dan hield hij menige voordracht over zijn literair werk, zowel in binnen- als buitenland (vnl. Nederland, Duitsland, Zwitserland). Deze spreekbeurten waren talrijk genoeg om in zijn onderhoud te kunnen voorzien, zodat Timmermans voortaan zijn tijd kon besteden aan schrijven én aan tekenen en schilderen. Want dat had hij tussendoor nooit opgegeven.

Tegen 1920 was Timmermans terug naar Lier kunnen komen. Hij had toen reeds vele tekeningen gemaakt en in Nederland was hij zelfs aan een paar olies begonnen die hij dan hier heeft afgewerkt. Op plastisch gebied heeft Felix Timmermans allerlei technieken bedreven op doek, hout, papier of karton: tekening, gekleurde tekening, olieverf, brandglasontwerp, lito, ets, hout- en linosnede. De grafische werken zijn eerder probeersels gebleven: de techniek lag hem niet.
Timmermans' oeuvre is zeer levendig, er gebeurt altijd iets. Zowel in zijn boeken als in zijn kunstwerken heeft hij aandacht voor het eenvoudige. De motieven blijven doorgaans dezelfde. De schrijver inspireert de schilder en omgekeerd. Vooreerst drukt hij een sterke gevoelsverbondenheid uit met zijn eigen volk en zijn streek, het Neteland. Alles wordt geprojekteerd op eigen bodem; zo is bijvoorbeeld De vlucht naar Egypte geschilderd tegen de achtergrond van een Kempisch winterlandschap, Jozef en Maria zijn arme mensen uit de streek. Doorheen zijn kunst typeert Timmermans zijn volk met zijn zeden en gewoonten, zijn religie en devotie, zijn legenden, zijn vreugde en verdriet, zijn werk in het land en op het dorp.

Al wat Lier en omstreken is vindt weerklank in zijn werk. Ook impressies van de vele reizen die hij voor zijn voordrachten ondernam, komen aan bod. Volkskunst en devotie genieten zijn voorkeur. Hij was zelf een vroom man, die van jongsaf een verering toonde voor Maria en Sint Franciscus. Bedevaarten en processies zijn geliefkoosde onderwerpen. Typische volkse feesten worden in beeld gebracht, meer dan eens. De aanbidding van de koningen en De druivendragers of Terug uit het land van belofte zijn onderwerpen die meermaals worden uitgebeeld.
Dit laatste schilderij is een mooie illustratie van zijn belangstelling voor de volkskunst (uithangborden, beschilderde potterie, oude volksprenten, enz.): het motief is afkomstig van een halfverheven gevelversiering van een herberg in de Begijnhofstraat. Een syntese van wat Timmermans schrijft en voorstelt - meestal een zonnige wereld - toont Lierke-Plezierke, brandglasontwerp voor de ingang van een Lierse herberg: een folkloristische stoet met Lier en omgeving als onderwerp. Dergelijke genretaferelen zijn typerend voor Felix Timmermans. Voorts treffen wij landschappen aan, stillevens, marines, portretten van vrienden, volkstypen en boerenkoppen- Het is meestal werk van klein formaat. In tegenstelling tot een boek moest een tekening of schilderij vlug klaar zijn; hij werkte zelden in het klad. Timmermans spreekt duidelijke, voor iedereen vatbare taal. De stijl is herkenbaar en soms gewild stereotiep.

De zware omtreklijnen en de gevulde kleurvlakken herinneren aan zijn geliefde glasraamtechniek. Hij vertelt expressief en spreekt tot het gemoed. Zowel literatuur als beeldende kunst zijn narratief en lyrisch.
De komposities zijn intuïtief en hij houdt van gedurfde kleuren, ook van de zwart-witkleur. Want Felix Timmermans was bovenal een groot tekenaar. Zijn tekeningen hebben een pittig, eenvoudig lineair karakter en getuigen van een gezonde humor. Hij tekende met pen, krijt, potlood, penseel, stift. Ontelbare schetsen heeft hij gemaakt, briefhoofden, ex-librissen, spijskaarten, huwelijks- en geboorteaankondigingen, heiligenprentjes, reis- en wandelimpressies.
Heel wat akademieleden werden geportretteerd tijdens de vergaderingen van de Koninklijke Vlaamse Akademie, waarvan hij na korresponderend ook effektief lid was geworden. Een voortreffelijk illustrator was hij ook. Hij verluchtte de meeste van zijn boeken met pentekeningen (tussentekstplaatjes en lettervignetten); het eerste was Pallieter. Ook het werk van andere auteurs heeft hij geïllustreerd, o.m. van E. Claes, E. Van der Hallen, H. Van Tichelen, Th. Bogaerts, F. Verschoren, Lia Timmermans, A. Van de Velde, e.a.

2428036-d8f8dedc0591f3b913dbcdf0fdea2687.jpg

Elke tekening is een miniatuurverhaaltje. Hij kleurde ook graag zijn prenten, met pastel, gouache of akwarel. Hier moeten ook de bekende Pallieterkalenders vermeld worden, die tussen 1926 en 1933 werden uitgegeven bij De Sikkel in Antwerpen en bij Querido in Amsterdam. Het zijn kleurtekeningen, nu eens over de geschiedenis van de maanden dan weer over de stad Lier, de folkloristische en godsdienstige feesten, het leven van Sint Franciscus, en de zogenaamde verhalenkalender, waarbij twaalf volkstypen met een verhaaltje worden voorgesteld.
Tot het eind van zijn leven bleef Timmermans tekenen en schilderen. Proza schrijven ging niet meer, dichten wel. Hij is gedurende vele jaren hartlijder geweest, een ziekte waaraan hij ten slotte bezweken is op 24 januari 1947. Felix Timmermans' plastisch werk kent uiteindelijk weinig evolutie, valt niet onder te verdelen in welomlijnde periodes - hij heeft ook niet dikwijls zijn werken gedateerd. Ook is hij niet in een bepaalde strekking onder te brengen. Hij was vooral een schitterend tekenaar, die vele technieken beheerste.

Zijn schilderkunst is niet exuberant, in de eerste plaats niet voor hemzelf. Het resultaat was voor Timmermans minder belangrijk dan het schilderen zelf. Schilderen en tekenen was een bezieling voor hem. Samen met de Timmermanskenner José De Ceulaer, later nog bevestigd door zijn vriend Oscar Van Rompay, mag gezegd worden dat Felix Timmermans een echte "zondagschilder" was in de letterlijke betekenis van het woord. Hij schilderde en tekende louter voor zijn plezier. Dit typische zondagsgevoel - doen wat je graag doet - is een boodschap doorheen heel zijn plastische kunst terug te vinden. Felix Timmermans heeft zelf ooit gezegd dat zijn werk een "zondag is voor het oog".
Heel zijn oeuvre, letterkundig en plastisch, staat in dienst van de gemeenschap. Het is geheel doordrongen van een diepe levensvreugde. De meningen over de betekenis en de waarde van het werk van Felix Timmermans zijn verdeeld. Dat ludieke, narratieve, natuur gebondene wordt niet overal evenzeer geapprecieerd.
Het is alleszins oorspronkelijk, kende geen voorlopers of navolgers.
Het getuigt van een perfekte harmonie tussen literatuur en beeldende kunst. Met zovelen kunnen wij hier besluiten dat Felix Timmermans "een schilder was met het woord, een verteller met het penseel".

***************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 11:50 Reageer op dit bericht

Bij de heilige Anna klinkt hardrock-muziek - Frans van Schoonderwalt

Bij de heilige Anna klinkt hardrock-muziek

Door Frans van Schoonderwalt uit de Volkskrant van 21/10/1995.

Lierke Plezierke was de onvergankelijke bijnaam die de schrijver Felix Timmermans voor zijn geboortestad bedacht.
Hij schreef er ook een ode aan. Maar dat geïdealiseerde Lier beslaat al lang niet meer. Wel huizen in het imposante Begijnhof nog steeds de heiligen.


In de dagen van de Fe heetten de cafés De Eenhoorn, de Biekorf, ’t Lieve Vrouwken of In 't Kruis.
Tegenwoordig dragen ze namen als Retro 2000, Kinnebaba, Falstaff en Orientexpress. Of gewoon De Lier.
Wat op beduidend minder fantasie wijst dan een restaurant datzich De Gekrulde Zinnen noemt. De Moedige Vissers klinkt ook nog wel aardig. Bij nader inzien blijken zij echter geen bier te tappen, maar rondvaarten op de Kleine Nete te organiseren. Lier ligt 'waar de drie kronkelende Nethen een zilveren knoop leggen'. Waar 'plots het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant zich scheidt van 't mijmerend, magere Kempenland'. Lierke Plezierke was de onvergankelijke bijnaam die Felix Timmermans voor zijn geboortestad bedacht.

Hij schreef er ook een jubelende ode aan. Schoon Lier.
Na lezing gingen velen met begeerte in het hart op zoek naar deze 'droom van Vermeer', gelegen in een arcadisch land, in Pallieterland, waar het volk mals, los en joviaal is en God looft 'met een stuk spek in de mond'.
Hun zoeken was vergeefs. Ze vonden Lier, maar ze vonden niet het Lier van Timmermans. En zeker niet het geïdealiseerde, dichterlijke Lier uit de jeugd vanTimmermans, dat na de eeuwwisseling in steeds sneller tempo afbrokkelde. Verdwenen zijn al lang de stadspoorten - op de Gevangenenpoort na -, verdwenen de water- en windmolens, de mosselschuit en de stoomtram en de begijntjes. In puin viel de Cornelistoren, opgeblazen werd de St Janstoren. En de uitspanning In Sint-Gummarus verhuisde naar het openluchtmuseum in Bokrijk.

2425642-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg    2425642-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg  2425642-4a47a0db6e60853dedfcfdf08a5ca249.png

Maar op de Grote Markt dansen de glazen met het zurige Caves-bier nog altijd op de cafétafeltjes terwijl in de verte de Gummarustoren oproept voor het Lof. 'De herberg nevens de kerk. Het heimwee naar de Hemel en een dronk op het leven', dat Lier heeft de tijd doorstaan, net als het indrukwekkende Begijnhof, een der mooiste van België.
Op 5 juli 1886, tegen elf uur 's avonds, werd Felix (Fé) Timmermans geboren, als dertiende kind. 'Voor mij bleef er geen plaats meer in het trouwboekje, en daarom schreef men mij dan maar op de omslag.'
In de Stadswandeling Timmermanspad van de VVV Lier wordt het geboortehuis verzwegen en gemeden. Terecht. Van alle betoverende jeugdherinneringen die Timmermans zijn hele leven meezeulde (èn beschreef), is er op Kartuizersvest 5 geen enkele nog tot leven te roepen.
Taverne De Lier bestaat overwegend uit ramen, Maespils-reclame en een uithangbord. Prozaïscher kan het niet.
Hij woonde er op een balworp afstand van de Grote Markt, 'die moeite doet om zo groot te zijn als die van Sint-Niklaas, maar er niet in gelukt'. Op dit soort markten heeft Vlaanderen patent. Ze zijn gevuld met 'juweelschrijnige huizen', oude gildepanden met gotische en barokke gevels, met monumentale trappen en ornamentale versieringen.

Zo ook Lier. Omdat het hedenochtend markt is, vertroebelt opwaaiend tentzeil af en toe ons uitzicht. Maar boven het grauw van de vele kramen steken de gevels hun blinkende koppen op, fris geboend als komen ze net uit het zaterdagse bad. En in hun midden koesteren ze het rococo stadhuis, 'de hersenpan van de stad' en het gotieke Belfort, die 'zijn ronde spits in de lucht angelt'.
Een hand volstappen is het slechts naar het Felix Timmermansplein, geplakt tegen de boorden van de Kleine Nete. Een plein is het eigenlijk niet. Het is eerder een verbrede straat, met treurwilgen en veel stoep. Met een herberg die St Gummarus heet, en een restaurant dat zich De Fortuin noemt en in een schitterend zeventiende-eeuws stapelhuis zetelt, met groene en roodwitte luiken. Op de hoek staat een Madonna met kind achter glas. Net als ten tijde van Timmermans bloeit er in elke straat een vroom-vereerd O.L. Vrouwbeeld, dat vaak 'als een stenen postuurken in een smal nisken staat.

Deze opgesmukte Madonna is Onze Lieve Vrouw van Bescherming en elf jaar geleden 'in praal heropgericht door het ware broederschap der ijverige geburen'. Van veel hogere leeftijd is het miraculeuze Mariabeeld naast de Begijnhofpoort, maar te controleren valt dit niet. De nis is op slot, maar evenzeer leeg Het 'honingzoete beeld uit Holland langs de baren der zee, hier aangespoeld en in onze stad gevaren', het beeld dat Timmermans inspireerde tot de novelle Onze Lieve Vrouw der Vissen, is absent. Boven de poort kijkt de heilige Begga als de onschuld zelve.

In dit Begijnhof sleet Felix Timmermans een groot deel van zijn leven. Hij ontving er vrienden als Stefan Zweig en lsidoor Opsomer, wandelde er rond met zijn vier kinderen, schilderde en schreef er boeken als De zeer schone uren van juffrouw Symforosa. Hoezeer het Begijnhof een inspiratiebron kon zijn, ontdekte al vóór hem Tony Bergmann, een andere schrijverszoon van Lier, wiens uit koper en marmer opgetrokken standbeeld (uit 1897) de Lierse Stadsvest overziet.
Aan zo'n standbeeld is Timmermans blijkbaar nog niet toe. Hij moet het voorlopig stellen met uit hout gesneden wegwijzers die van Anton Pieck afkomstig lijken. Naar Pallieterland verwijzen een huifkar, een hond en een paard dat aan Palmbier doet denken, naar de door bomen overschaduwde Timmermansvest verwijst een in negentiendeeeuwse dracht gestoken echtpaar. De gedachte aan Anton Pieck is trouwens zo gek nog niet, want het verhaal wil dat diens houtsneden van het Begijnhof Timmermans weer inspireerden tot Schoon Lier.

In de amandelboon van Lier, zoals Timmermans het Begijnhof karakteriseerde, ruikt het vooral naar het verleden. Naar kanten gordijntjes ('Het Lierse kant wordt fel begeerd in andere landen'), geschrobde kasseitjes, kaarsvet en boenwas. Daar zit, tegen de zijgevel van de kerk, een Ecce Homo opgesloten achter dik traliewerk, een Christus die de kinderen Timmermans danig schrik aanjoeg. Begrijpelijk. Het uitgemergelde beeld is besmeurd als een mijnwerker. Een rood lampje legt er een mystiek licht over, de spinnenwebben tussen de tralies vervolmaken het lugubere tafereel.
In dit Begijnhof huizen nog steeds de heiligen. Sint Romualdus, de heilige Sura, de heilige Cornélius.

Den verdroencken Franciscus woont in de Symforosastraat op nummer 1. Zijn buurman is Sint Bernardus, schuin tegenover hem huist de heilige Dominicus. In het grotere huis op nummer 5 woont uiteraard de heilige Familie. Vanachter de deur bij de heilige Anna klinkt hardrock-muziek.
Om de hoek ligt het Hellestraatje waar Timmermans en zijn vrienden zich ooit aan spiritisme waagden en daarom door de pastoor de deur werden gewezen. Dat moet in huize Ruusbroec zijn geweest, tegenover het ijzeren hekwerk van nummer 4, een lief, wit huisje waar de tuinman Martinus uit Juffrouw Symforosa woonde. Op dinsdag- en donderdagmiddag is het te bezichtigen, volgens een bordje op het hek.
Waar het Hellestraatje met een haakse bocht overgaat in de imponerende Grachtkant, ligt wat weggefrommeld in de hoek 't Soete Naemken. Qua omvang blijft het ver achter bij de majestueuze huizenrij, die deze straat ter rechter zijde markeert. Bergmann liet er Bertha uit Ernest Staes wonen, Timmermans werkte er korte tijd alvorens te verhuizen naar het andere einde, naar St Gummarus.

2425642-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg

Dochter Lia herinnert zich 'een voorhuis met een gevel in rode baksteen, en witte banden erdoor. Door het ronde groene deurtje kwam men in een grote hal, waar de blauwe tegels altijd klammig bleven'. De groene deur is tot op het bot ontveld, de tegels zijn uit de hal gelicht, de gevel gaat schuil achter bouwsteigers. Fase drie van een grootscheepse restauratie.

Lia Timmermans: 'Links van de inkom lagen de twee ruime, lage kamers waar vader schreef en schilderde.' Die kamers zijn nu volledig (maar tijdelijk) ontkleed. Alleen wat plafondversieringen zijn gespaard. We kunnen dwars door het karkas kijken, tot op een piepklein achterplaatsje.
En nog verder, tot op de Netedijk waar eens de begijntjes in het gras hun wasgoed bleekten.
Felix Timmermans - in 1912 getrouwd met Marieke Janssens - verhuisde in 1926 naar De Heyderstraat 30. De straat is afgespannen door de smalle, spitse Kluizekerk. Ge kunt niet anders dan in die kerk terechtkomen. Maar t is niet waar, rechts ernevens is een smal straatje, dat naar de Look voert.'
Het gezichtsbedrog werkt nog steeds. Vanaf de stoep van nummer 30 is het net alsof de straat het voorportaal van de kerk binnentrekt. 'Hier werkte en overleed Felix Timmermans, 1886-1947' liet de Vlaamse Toeristenbond in 1957 op de bladderende gevel aanbrengen.
Het is een eerbiedwaardig huis van drie verdiepingen, met witte luiken, en lage balustrades voor de ramen, in een omgeving die vooral rust ademt. Timmermans had hier heel Lier binnen handbereik.

Zoals de imposante Sint-Gummaruskerk, 'in leverworstkoleur, dragend een gezellige peperbusmuts waarboven een koperen haan draait en een kruis peinst', en met een interieur (glas-in-loodramen, oksaal, beelden) dat alleen al een tocht naar Lier rechtvaardigt. Zoals de stokoude Sint-Pieter en Pauluskapel uit de dertiende eeuw, 'het 'ei waar Lier is uitgebroed', ' 't moederken van de stad, met het rhumatisme in haar leden'.
Café Pallieter ligt op het Zimmerplein, met uitzicht op de dertien wijzerplaten van de Zimmertoren. Wanneer het hele of halve uur slaat, komt er leven in de vier figuren die de jaargetijden symboliseren en door Timmermans werden getekend. In de toren zelf hangt een foto waarop Timmermans naast de geniale uitvinderen horlogemaker Louis Zimmer staat. Een gedrongen man in een winterjas, een hoed op het hoofd, om de mond een ietwat ironisch lachje. Een notabel, voor wie niet beter weet.

Zwieriger, veel meer de levenskunstenaar, de vader van Pallieter, is hij op de foto's en schilderijen in het Timmermans-Opsomerhuis, het museum aan de Nete waarmee Lier zijn talloze kunstenaars eert.
Daar hangt ook het huizeke van verlangen, het veelkleurige, primitieve schilderij dat hij voor zijn zoon Gommair maakte.
Het verbeeldt het Vlaamse leven, gezien door de ogen van een kleine jongen en die van Felix Timmermans.
Een poes voor het raam, een brevierende pastoor. een rokende schoorsteen, een kraai op het dak, een grazende geit.
Pastoor noch geit komen we tegen. Wel op de Stadsvest twee grazende lama's. Van een petieterig circus.

*****************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

En als de Ster bleef stille staan... - J.J. Vürtheim Gzn

En als de Ster bleef stille staan...

Uit De Kunst, algemeen geïllustreerd en artistiek weekblad  -  jrg nr 17  -  14/02/1925

Door  J.J. Vürtheim Gzn. - Gedramatiseerd door Eduard Veterman en Felix Timmermans.

Ten tooneele gebracht onder leiding van Cor v. d. Lugt-Melsert.
Door de N. V. Vereenigd Rotterdamsch Hofstad Tooneel voor het eerst opgevoerd in den Koninklijken Schouwburg te 's-Gravenhage, op Donderdag 5 Februari 1925.

                                Personen:
                                Maria                                                        Rie Gilhuys
                                Josef                                                          Eduard Palmers
                                Het Kindeke Groot                                    Annie v. d. Lugt Melsert-v. Ees
                                Suskewiet, schaapherder                           Cor v. d. Lugt Melsert
                                Pitje Vogel, palingvisscher                       Hans van Ees
                                Schrobberbeeck, bedelaar                         Anton Roemer
                                Den Duivel                                                Jacques Reule
                                Burgemeester                                            Piet Bron
                                Koster                                                       C. Dommelshuizen
                                O. L. V. van Zeven Smarten                      Annie v.d. Lugt Melsert-v. Ees
                                O. L. V. van de Stilte                                Rie Gilhuys
                                O. L. V. van Zoeten Troost.                      Joekie Broedelet
                                Polien, de waardin                                    Juliette Roos
                                Boerin                                                       Mien Landheer-Tels
                                Vrouw                                                       Ans v. d. Naaten
                                1ste Boer                                                   C. Dommelshuizen
                                2de Boer                                                    Jan van der Linden
                                3de Boer                                                    Eduard Palmers
                                Jesus                                                          Eduard Palmers


Nadat eerst in het Kerstnummer van het katholieke weekblad "De Nieuwe Eeuw" reeds een uitvoerig fragment uit dit moderne mirakelspel verschenen was, vertelde Felix Timmermans in eene mededeeling aan de pers hoe het verhaal ontstaan is. Wij publiceerden dit relaas in ons vorige nummer en konden er met een enkel woord van gewag maken dat er voor de eerste opvoering zeer veel belangstelling was geweest, doch het was te laat om toen ook nog onze beschouwing over stuk en spel op te nemen- Iets wat wij zeer zeker betreuren ! Nog heet van de naald stonden onze indrukken — vooral wat den inhoud van het stuk aangaat — ontegenzeggelijk veel sterker onder de bekoring van het devote, het realistische, het drastische, het mysterieuze, dat het geheel en de drie hoofdpersonen in het bijzonder bezielt en vervult. Thans, nu de eerste scherpe indrukken vervaagd en bezonken zijn, staan wij er sceptischer tegenover en is het vooral het te kinderlijke, het al te gewild naïeve en het onwaarschijnlijke in deze kerstvertelling, dat niet nalaat zijn invloed op ons uit te oefenen.

Timmermans heeft getracht een voorbeeld te geven van een legende, welke tot werkelijk innerlijk dramatisch spel moest leiden. In hoeverre hij er in geslaagd mag heeten zijn doel te hebben bereikt, valt moeilijk te beslissen. Wel kan echter gezegd worden, dat de opvoering van dit mirakelspel, met de vertooning van St. Joanne door het gezelschap van Verkade en Verbeek, tot de grootste gebeurtenissen van dit seizoen gerekend mogen worden. De handelingen zijn verdeeld over drie Kerstmissen in drie jaar. De manke schaapherder Suskewiet, de palingvisscher Pitje Vogel en de bedelaar Schrobberbeeck, bijeen in de herberg "Het Zeemeerminneke" van de waardin Polien, komen gedrieën tot de overtuiging dat het bezit van het aardsche slijk een allereerste vereischte is om een gezond menschenkind de noodige glaasjes "vitriool" te verschaffen. De nood maakt hen vindingrijk : zij zullen zich vermommen en bij de boeren voor Drie Koningen gaan spelen.

Drie vagebonden, drie drankzuchtigen, doch in het diepst van hun ziel: drie geloovigen, geraken in den Kerstnacht in de sneeuw verdwaald, komen onder den indruk der machtige natuur, met de witte sneeuwvelden en de schitterende stenen, geraken door de daarvan uitgaande kracht uit hun dagelijksche sfeer, verleeren plotseling hun vloeken en zwetsen, gevoelen een kinderlijken angst voor spookfiguren als de "zwarte madam", zinken op de knieën neder en prevelen het sinds lang door hen vergeten "Onze Vader." Dan, bij het opstaan, ontwaren zij een woonwagen. Josef treedt hen tegemoet. Binnen zit de Maagd Maria met het kindeke Jezus. "Wat wenscht gij ? " vraagt Josef hun, ende minst schuchtere verklaart: "Wij zijn verdwaald."

"Dan moet gij hier zijn" is het symbolische antwoord.

2425078-b36955a63eec84cc4ac7c186df6dd643.jpg

Begaan met het lot dier arme menschen, die volgens Josef slechts "van de vreugde leven", schenken zij hun alles weg wat zij dien nacht bijeen gebedeld hebben. Even arm als den dag tevoren staan zij daar weer. De woonwagen is even plotseling verdwenen als gekomen. "Dat was nou sustie", filosofeert de zwerver. Suskewiet gaat naar zijn schaapskooi, Pitje Vogel zoekt zijn zolder weer op, Schrobberbeeck moet zijn bed spreiden onder den blooten hemel. Volgende maal zullen zij het beter doen!

Suskewiet is de eerste die tot inkeer komt, hij is het wonderlijk visioen in de sneeuw trouw gebleven. Het was geen "sustie", hij verlangt nog slechts naar God. Wel wil hij volgende maal weer mee doen, als zijn kameraden nogmaals voor Drie Koningen zullen gaan spelen, en hij heeft daar zelfs opnieuw een draaiende ster voor gemaakt, doch alleen op die voorwaarde, dat zij alles wat zij bijeen bedelen aan de armen zullen wegschenken. De geachte confrères zijn voor dit voorstel natuurlijk niet te vinden en besluiten de zaak voor gezamenlijke rekening te continueeren. Suskewiet wordt ernstig ziek, het is Kerstnacht, lang zal hij niet meer te leven hebben, hij is reeds bediend.
Zijn ziel is gereinigd, de wereld en zich zelf heeft hij voor goed verloren. Dan verschijnt hem het Kindeke Groot, dat hem aan de hand langzaam meeneemt uit het aardsche leven en hem binnenvoert in het paradijs, waar de boomen eeuwig in bloesem staan.

Pitje Vogel en Schrobbenbeeck hebben wederom bij de boeren hun liedjes gezongen. Hun ontvangsten zijn echter heel wat geringer dan het vorige jaar. Dat komt omdat Suskewiet er niet bij was met zijn draaiende ster. Spijtig tellen zij hun opgehaalde centimes na.
Dan verschijnt hun de duivel. Wie bij hem in dienst wil treden zal zich in weelde kunnen baden en zooveel "vitriool" drinken als hij maar lust, en wat voor dat alles verlangd wordt zijn slechts enkele kleine diensten. Pitje Vogel gaat het contract met hem aan : hij verkoopt hem zijn ziel.
Wederom, voor de derde maal, is het Kerstnacht. De angst heeft Pitje Vogel wanhopig gemaakt. Overal ligt het geld voor het grijpen. Vaten jenever staan in zijn kamer. Hij taalt er niet meer na. Op het laatste oogenblik snelt hij naar buiten, door den duivel achtervolgd, en valt neer voor het beeld van Onze Lieve Vrouwe van Zeven Smarten. Zijn diep en oprecht berouw doet haar met den duivel een zwaren strijd aanbinden, maar het geloof overwint en Pitje Vogel is gered ; hij kan na Suskewiet binnengaan. Doch dit oponthoud is voor deze Lieve Vrouwe, die zich juist opmaakte om het feest van haren zoon te gaan bijwonen, de oorzaak dat zij te laat zal komen. Haar voeten begeven haar en het is de alleen overgebleven Schrobbenbeeck, wiens ziel — volgens zijn eigen verklaringen — zoo zwart is als zijn voeten, die haar in zijn armen er heen moet dragen om tijdig aanwezig te zijn.

Wij willen niet opnieuw den strijd aanvaarden met de grove mentaliteit van het publiek, om, bij een stuk als het onderhavige, na elke scène met een geheel uit het kader vallend Indianen-lawaai van zijn goedkeuring blijk te geven. Dat een overgroot deel vaak in een wel wat al te uitbundig gegiechel uitbrak, is echter verklaarbaar, daar het wel is aan te nemen dat hunne educatie nu eenmaal niet op een zeer hoog peil staat en hun geest er niet op ingesteld is, dat zij een stuk als dit kunnen beheerschen en aanvoelen.

2425078-e459231869143bc2309228e82b8963fd.jpg

Een schouwburg-bezoekend deftig Hagenaar is nog niet synoniem met ontwikkeld belangstellende. Men moet zich nu eenmaal maar vergenoegen met de wetenschap, dat velen eerst sedert kort óf schouwburg-bezoeker, óf deftig, óf Hagenaar, óf óók wel alle drie zijn geworden; doch het ligt ook vaak aan Felix Timmermans zelf, dat de stilte nog al eens zoo onaangenaam werd verstoord. Een plastische vergelijking van Schrobbenbeeck, als boven gememoreerd, de wijze waarop men hem het "Vader Ons" laat bidden, moeten noodzakelijk een uiting van hilariteit verwekken. Zulke "geintjes" vallen op, het wondermooie dat wij hier zoo vaak te zien kregen gaat voorbij!

Want naast het imposante spel van alle medewerkers zonder onderscheid, kwam de kunst van den decorateur Frans van der Kooy hier ten volle tot haar recht. De scène met den woonwagen en later ook de verheerlijking van Christus aan het kruis waren schitterende staaltjes van zijn geweldig kunnen.
Het herberg-interieur, de sneeuwvlakte, de kamer in het huis van den duivel, de woning van Suskewiet, het kapelletje van Onze Lieve Vrouwe van Zeven Smarten waren evenveel bewijzen van zijn meesterlijke beheersching van zijn vak. Alleen viel het te betreuren, dat, in de scène met den woonwagen, de zich daarin bevindende lamp zulk een schel licht uitwierp, dat het moeite kostte er in te zien ; wellicht kan door verplaatsing hieraan worden tegemoet gekomen. De aankleeding was bijzonder geslaagd, de frissche kleuren der costumes weerspiegelden de vele en groote zorgen, welke hieraan besteed waren. Vooral het beeld van O. L. V. van Zeven Smarten in het kapelletje was een kunstwerkje op zichzelf en het viel dan ook dubbel te betreuren, dat het wiegelende schelroode lampje deze kleuren-harmonie zoo wreedaardig kwam verstoren. Zou hier nog niet op een of andere wijze in te voorzien zijn ?

Het overtalrijke publiek bracht aan het slot den heer Van der Lugt Melsert een langdurig applaus, hetwelk ten slotte tot een ovatie aangroeide. De eenvoudige Felix Timmermans liet zich evenmin als Eduard Veterman verleiden om uit zijn loge voor het voetlicht neer te dalen. Het zou hun zeer zeker niet ten kwade zijn geduid: de hier gebrachte hulde was méér dan een uiting van beleefdheid!

******************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Felix Timmermans, de Liersche Breughel - Caty Verbeek

Felix Timmermans, de "Liersche Breughel".

Door Caty Verbeek uit de Haagsche Dameskroniek van 16/05/1931.

't Was lang geleden, dat ik mijn Waalwijksche vrienden bezocht had; de groote stad met al haar afwisseling en vermaken hield me te zeer gevangen, dan dat ik er toe kon komen om af te zakken naar het "Beneden-Moerdijksche".
Toen kwam er wéér een invitatie, die ditmaal onweerstaanbaar werd gemaakt door het "P.S", dat luidde:
"Je kunt niet weigeren, want we arrangeerden een tochtje naar hier, waar Felix Timmermans ons wacht".
Toevallig had ik onlangs gehoord, dat Felix van "Schoon-Lier" niet makkelijk te bereiken was voor bezoekers en dat menigeen, die naar hier kwam om hem te spreken, vriendelijk doch beslist door zijn secretaris werd afgewezen.
Ik greep dus deze gelegenheid om den "schrijver-schilder" een bezoek te kunnen brengen en nog wel in het gezelschap van zijn intiemen vriend, den schilder Theo van Delft, met beide handen aan.
Zoo kwam het, dat we met een vroolijk gezelschap naar hier reden, dwars door de Belgische Kempen, waar hei en sparrenbosch elkaar afwisselen en een geheel ander lentebeeld bieden dan dat, waaraan wij in noordelijker streken gewend zijn.

In de auto begon ik me vast te oriënteeren op mijn toekomstig slachtoffer en hoorde Van Delft uit over zijn vriend. Zoo wist ik, vóór we in Lier aankwamen al, dat Timmermans een joviaal, hartelijk mensch is, die door zijn vrienden om zijn geestigheid en gezelligheid graag wordt gezien.
Het was aan den schilder te merken, dat het onderwerp van ons gesprek prettige herinneringen deed wakker roepen en toen ik verder vroeg, vertelde hij me:
"Het zijn altijd vroolijke dagen als Fé in Waalwijk logeert. De heele vriendenkring verzamelt zich dan in mijn atelier en ofschoon we ons telkens voornemen het niet te laat te maken, blijven we meestal toch tot diep in den nacht of liever "vroeg in den ochtend" samen.

"Is Felix eenmaal aan het vertellen, dan denkt niemand meer aan opstappen en nog veel minder als hij, uitgedoscht in een of ander fantastisch, kleurig gewaad, zich voor de piano zet of zijn luit neemt en zichzelf dan begeleidt bij het zingen van gevoelige Fransche en Vlaamsche liedjes. Lees "Anne-Marie" maar eens aandachtig en zie of je onder den vriendenclub, de "Dolfijnen" geen bekende Waalwijkers vindt. "Om je op weg te helpen, wil ik je wel al vast vertellen, dat "Mijnheer Pirroen" de man is, die ons nu veilig naar Lier loodst!"
Toen vroeg ik onzen gids, in zijn kwaliteit van schilder, mij zijn meening over Timmermans' schilderstuk te zeggen. Begrijpelijkerwijs vond hij het nog al lastig me daar zoo maar in eens op te antwoorden; wèl vertelde hij me hoe ieder getroffen wordt door een zekere primitiviteit, die sterk aan Pieter Breughel doet denken en dat Timmermans zeer veel gevoel voor kleur heeft.
Later, bij Timmermans thuis, waren we in de gelegenheid enkele schilderstukken te bewonderen onder anderen "de Drie Koningen" uit "Als de ster bleef stille staan."

Veel later dan in onze bedoeling lag, kwamen we in Lier, wat ten deele te wijten was aan enkele malen verkeerd rijden. Wat misten we op deze buitenwegen de goede zorgen waarmee A.N.W.B. en K.N.A.C. ons omringen!
We werden direct getroffen door de stille schoonheid van het oude stadje, waar verrassend mooie antieke gebouwen en kerken het ons geenszins deden betreuren, dat we het laatste eind van onzen tocht te voet moesten afleggen, daar de wagen tijdelijk dienst weigerde.
We waren eenigszins teleurgesteld, dat de zwierige Fé in zoo 'n dood nuchtere straat bleek te wonen, zoodra we echter in de vestibule kwamen, die vol hing met mooie schilderwerken, steeg de stemming weer.
Het was een weelde van kleuren, in de eerste plaats werken van Timmermans zelf, verder verschillende stukken van bekende schilders met een vriendelijke opdracht aan hun confrater.

Isidoor Opsomer, de beroemde Liersche schilder, ontbrak natuurlijk niet, evenmin als Jan Toorop, die in zijn fijn, puntig schrift het aquarel opdroeg aan zijn vrienden: "Felix en Marietje Timmermans".
Toen den Fe me naar Toorop's werk zag kijken, zei hij: " 'n Plezanten kerel", waaruit ik concludeerde, dat hun vriendschap nog dateerde uit den tijd, dat de vroolijke, zonnige Toorop nog niet gekweld werd door de smarten, de hem de laatste jaren het leven ondraaglijk maakten.

2425023-e14000909515946b23bdb865f7ea7895.jpg       2425023-157511c83d33f6b0bf981927c7b4b237.jpg

Toen we eindelijk in de kamer beland waren, vonden we het niets jammer, dat Timmermans ons even alleen liet om "in den kelder" te gaan duiken. We hadden daardoor gelegenheid om op ons gemak de verschillende doeken, die bijzonder goed uitkwamen op het zacht gele behang, eens te bewonderen. Allereerst werden we getroffen door het goed gelijkend portret van Timmermans, geschilderd door Van Delft, dat de aanleiding werd tot hun vriendschap.
Verder hing hier het origineel van het bekende "De drie koningen" en een portret van Felix' vrouw door den Belg Claessens.
We dronken een glas port met onzen gastheer "op de kennismaking" en toen gaf het gezelschap me een kansje om den schrijver te interviewen door eens naar de auto, die met "Mijnheer Pirroen" op de markt achter gebleven was, te gaan kijken. Zoo waren de groote Lierenaar en ik plotseling aan elkaar overgelaten en zooals dat dan gewoonlijk gaat, wisten we niet hoe te beginnen.

"Drink eens, dan gaat het vanzelf gemakkelijker," noodde de gastheer, nadat hij nog eens ingeschonken had.
En toen stak ik van wal met de vraag, hoe en wanneer Timmermans zich bewust geworden was van zijn roeping als schrijver. "Ik heb eigenlijk nooit anders gedaan al vóór ik schrijven kon, maakte ik verhalen en vooral ook gedichten. Als ik over de Begijnevest liep, kwamen de gedachten op mij afgestormd en later gaf ik ze vasten vorm.
"Dat werk uit mijn prille jeugd heb ik later veranderd en bijgewerkt, waardoor het mijns inziens aan frischheid verloren heeft. Het is toen verschenen onder den titel van "Door de dagen", als uitgave van de courant "Lier vooruit", die het als nieuwjaarsgeschenk voor de abonne's bestemde. In den handel is het nooit geweest en dat is nu niet bepaald een groot verlies te noemen.
"Maar ofschoon ik al erg jong schreef, was mijn illusie toch om een groot schilder te worden; ik bezocht dan ook de kunstacademie te Lier. Ik had een onbegrensden eerbied voor Rubens en Van Dijck en hun voorbeeld zweepte mijn eerzucht op. Toen kwam er, ik zal dertien jaar geweest zijn een gelegenheid om naar Antwerpen te gaan en daar zag ik schilderijen van deze twee groote meesters. Het was een ontgoocheling voor me, alles was me te grootsch. Daarentegen maakte het werk van Pieter Breughel een onvergetelijken indruk op me, nooit heb ik er me weer van kunnen losmaken.

"De onopgesmukte vertellingen, waarmee mijn vader en moeder me in mijn jeugd bezighielden en het vaak primitieve werk van den vroeg-renaissancist Breughel, hebben hun stempel gedrukt op mijn werk en vooral mijn schilderingen zijn sterk onder den invloed van Breughel.
Men noemt me hier niet voor niets "de Liersche Breughel".
"U sprak zooeven over uw vader, die zijn kinderen zoo aangenaam bezig hield met vertellen. Was hij ook kunstenaar?" "Ofschoon dichterlijk van natuur, was hij koopman en werkte hard om te voorzien in de behoeften van zijn groote gezin. We waren met z'n veertienen. Ik was het overschotje, de dertiende; voor mij was al geen plaats meer in het trouwboekje en werd ik achterop geschreven.

 2425023-819acebd592d61453226304d8a0210a1.jpg

"Zelf heb ik vier kinderen, drie meisjes en een jongen. Nadat het driemaal een meisje was, eindelijk een jongen, een Gommarus! We hebben er wel lang op gewacht, sinds 1912 zijn we al getrouwd!"
Ondertusschen zocht Timmermans in zijn portefeuille en toonde me een origineele aankondiging van de geboorte van zijn zoon, die ik met zijn goedvinden inpikte voor "de Dameskroniek".
Daarna bracht ik den schrijver weer op zijn loopbaan en vroeg hem hoe het kwam, dat hij in plaats van schilderen ging schrijven. Dat heeft zeker zoo moeten zijn, want mijn groote liefde is en blijft nog steeds de schilderkunst. Het is mijn voornaamste ontspanning. Ik schrijf bovendien verre van gemakkelijk. Denkt u eens aan, ik schrijf de dingen soms tien, twaalf keer over, vóór ze er staan zooals ik wel zou willen.
"Vier jaar werkte ik aan "Pallieter", 't telkens weer overschrijvend. Het manuscript woog ten slotte vijf kilogram.
Al twintig jaar draag ik het idee in mij om een boek te schrijven over den Heiligen Franciscus. Al jaren bestudeer ik het onderwerp en schrijf aan het boek. Enkele jaren terug dacht ik, dat ik het voleindigd had, maar...... nog ben ik er aan bezig. "Bij mij groeit een boek o zoo langzaam.

"Eerst schrijf ik mijn ideeën op, daarna ga ik het verbeteren door het telkens over te schrijven.
"Misschien interesseert het u ook te weten, dat ik zeer systematisch werk. ’s Ochtends zet ik me aan mijn schrijftafel, trek als het ware mijn vizier open en…. begin te werken.
Die regelmaat is noodzakelijk, daar ik van nature gemakzuchtig ben.
Zeldzaam komt het voor, dat een plotselinge impulsie naar mijn schrijftafel drijft.
"Na den middag wandel ik graag langs de Nethe of schilder wat. Helaas raken mijn liefhebberijen nogal eens in de verdrukking door het drukke leven dat ik leid. Veel ben ik weg, naar Holland, Duitschland, Zwitserland en ook Polen en Lithauen, waar men mij uitnoodigt voor het houden van spreekbeurten.

"Maar ik zou u nog verder vertellen over mijn jeugd. Ik schreef toen graag treurspelen. Een ervan had de respectable lengte van 72000 verzen en had zeven bedrijven. Ik zond het naar Hugo Verriest ter keuring. Na maanden kwam het terug met de woorden "te lang". Ik heb het toen omgewerkt in proza en verkort tot op 2 bedrijven.
"Toen kreeg ik een geweldige behoefte aan mystiek en doordat een vriend van me, die zijn opleiding te Brussel genoot en een groot bewonderaar was van de occulte wetenschappen, in Lier terugkeerde, geraakte ik verzeild in een oceaan van "-ismen", spiritisme, theosophisme, enz. Het werd geen gelukkige tijd voor me, het streed alles te veel tegen mijn temperament in. Het feit, dat ik in die vier jaar geen scheppend werk verrichtte, spreekt voor zich.

"Een zware ziekte, die me op den rand van het graf bracht, veroorzaakte een algeheele omkeer. Toen ik zag, dat mijn omgeving aan mijn behoud twijfelde, werd ik aangegrepen door een razenden levenshonger; ik kreeg een kinderlijke blijheid om al het mooie, dat de natuur ons schenkt. Ik ging het beschrijven, maar daarmee kwam het verlangen om midden in die heerlijke natuur een vreugdefiguur te plaatsen, die alles zou mee genieten en zoo ontstond "Pallieter".
Het gezelschap was intusschen teruggekeerd en het gesprek kwam op "lectuur". Het bleek, dat Timmermans graag leest, maar bij hem gaat de "inhoud" van het boek boven de litteraire waarde.
"Het boek moet me meenemen, wil ik het graag lezen. Marie Rilke, Karel van de Woestijne en dan De Coster met zijn onvergelijkelijke "Uylespieghel", dat lees ik duizendmaal liever dan bijvoorbeeld Sinclair Lewis' bekroonde "Babbitt".

Ik wist, dat Timmermans een atelier ophet oude Begijnenhof had en vroeg hem ernaar. Bereidwillig bood hij ons aan om er even heen te loopen. Nauwelijks buiten, werden we "gefilmd" door enkele Amerikanen, die van de gelegenheid gebruik maakten om den "heiligen Fé" te nemen. Hoe ze aan dien naam komen? Die is populair in Lier en dankt zijn ontstaan aan den overdreven eerbied, waarmee vooral vreemdelingen, den beroemden inwoner van dit stadje omringen. Er moeten er zelfs zijn, die langs zijn huis komend, den hoed afnemen, zooals dat in katholieke streken gedaan wordt als men een kerk of een kruisbeeld passeert.

Lier bezit een van de mooiste Begijnhoven uit Vlaanderen en het is te begrijpen, dat de rust en vrede die hier heerschen, vele kunstenaars trekken. Timmermans heeft een eenvoudig atelier in een van die schilderachtige huisjes; een tafel om aan te schrijven, zijn schildergerei en aan den muur wat schilderijen.
Toen hij even naar boven was om iets te halen, vertelde de huisbewaarster ons, dat Timmermans toch "zoo'n goeien mensch en huurlink was". Ze betreurde het, dat hij de laatste jaren zoo weinig meer op zijn atelier kwam, bijna altijd thuis werkte. De vreemdelingen hadden het al in de gaten, ze lieten het hofje, dat vroeger zoo druk bezocht werd,nu links liggen. "En weet u al, dat ze een nieuw kienneke gekocht hebben, een Pallieterken?", informeerde ze, niet zonder trots.
Na een wandeling over het prachtige Begijnenhof brachten we onzen gastheer weer thuis, onderweg vroeg ik hem nog of we binnen afzienbaren tijd nieuw werk van hem te zien zouden krijgen.
"U weet, dat ik mijn "Franciscus" nu spoedig de wereld hoop in te sturen en dan wil ik u ook wel verraden, dat ik met Veterman in gesprek ben voor het schrijven van een nieuw tooneelspel, een klucht ditmaal.
Probeert u maar niet om naam en inhoud te vernemen, hoe handig u het ook aanlegt, ik vertel het toch niet, ik ben véél te bang,dat er nog veranderingen komen.

Toen we afscheid genomen hadden bleef Timmermans ons nog nazwaaien, zijn donkere kuif warrelde in den wind; zijn gezicht werd overtrokken door een vriendelijken glimlach.

2425023-1ecfc789f62a3e0f3b435dd0dc889e26.jpg     2425023-53702f3119eb30a665a07b772bbfc7f4.jpg     2425023-0baa751afe4088cd5eaa4bd14ce43dc2.jpg

Nog eens, voor het laatst omziend, dacht ik eraan, hoe de enkele woorden, die hij in mijn album schreef, een juisten kijk gaven op zijn jovialiteit en zijn levensopvatting.
Het versje eindigde met de volgende regels, waarvan de laatste in al hun eenvoud, een waardevolle levensles inhouden.

                                                        Als gij nog eens komt in deze streek,
                                                        Doe me dan een plezier
                                                        En komt dan ook te Lier.
                                                        Eet zonne
                                                        's Levens grootste wonne.

******************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 22:53 Reageer op dit bericht

Het afscheid van Felix Timmermans - Redactie

Het afscheid van Felix Timmermans
"Adagio", een bundel ontroerende verzen

Redactie van De Maasbode op 21/08/1947

In zijn boekje "Uit mijn rommelkas", bekende Felix Timmermans, dat hij met gedichten debuteerde. Hij schreef daar: "Onder deknaam Polleken van Mher verscheen mijn eerste boekje, getiteld "Door de dagen".
Het waren kleine gedichtjes, berijmde schilderijkens, erg onder den invloed van den voortreffelijker! Karel Omer de Laey.

Week voor week in het jaar 1903 waren die gedichtjes in een lokaal kunstblaadje verschenen en de uitgever van het blad verzamelde ze in een boekje, dat bij met Nieuwjaar 1907 aan de abonnenten ten geschenke gaf".
Helaas heb ik nimmer dit boekje onder ogen gehad. Ik had graag deze gedichtjes leren kennen, maar het bundeltje is zeer zeldzaam. Toen ik tijdens mijn laatste bezoek aan Timmermans, op een koude Decemberdag in 1938, hem er naar vroeg, glimlachte hij en zei, dat het "jeugdzonden"' waren en dat hij geen dichter was.
Ik protesteerde, wijzend op zijn toen kort geleden verschenen boekje: "Ik zag Cecilia komen", die schone liefdeszang in proza. Hoe dan ook, ik kreeg het boekje niet te zien. Men kan zich echter voorstellen, hoe deze "schilderijkens" waren, vooral daar Timmermans zelf zijn voorbeeld aanwees, een voorbeeld, dat hem in zijn jeugd zeer sterk aangelokt moet hebben, doch dat — daar de eenvoud van de Laey al te persoonlijk was — zeker tot slaafse navolging heeft verleid.

Het is tragisch, dat thans, precies veertig: jaar na dit debuut, weer een bundel verzen van Timmermans verschijnt, die als een afscheid van de verleden jaar overleden auteur moet gelden.
Vermoedelijk hebben niet veel bewonderaars van Timmermans grote verwachtingen gehad, toen de bundel "Adagio" werd aangekondigd en het zal mij vergeven worden, dat ook ik meer met piëteit dan met hooggespannen verwachtingen de bundel opensloeg om...... reeds na lezing van het eerste vers verrast te zijn, verrassing, die spoedig plaats maakte voor ontroering en bewondering.
De verzen van Timmermans passen in geen enkele litteraire stroming. Ze zijn vooruitstrevend noch ouderwets, doch kort en goed wat poëzie beoogt te zijn: schoon en ontroerend.
Ze brengen geen vernieuwing (wel verrijking!) van de Vlaamse dichtkunst, maar zonder twijfel had dit bundeltje een vernieuwing of keerpunt kunnen betekenen in Timmermans' eigen oeuvre, hoewel deze vernieuwing zich geleidelijk voltrokken heeft: de dichter zong reeds in het prozalied "Ik zag Cecilia komen" en zijn geluid was reeds vertraagd tot een adagio in het gedragen boek "Boerenpsalm".

2424301-db3a17f7bcac837ecc1fe2bc630a5473.jpg

Timmermans heeft zijn hart in deze verzen uitgestort, spontaan en zonder enig voorbehoud.

Des te opmerkelijker is het, dat enige van deze verzen technisch zeer sterk zijn, bijvoorbeeld het sonnet, waarmede de bundel opent. De woordkeus herinnert aan de prozaïst Timmermans, ook de beelden (bijv.: "De tijd is een schaar in 's Heeren hand"), maar ze zijn verstild, verdiept en verfijnd.

Naar inhoud zijn deze verzen tere natuurbeschrijvingen, zielestemmingen en — alsof de dichter een voorgevoel had van zijn vroege dood — treurnis om het komend afscheid, dat hij echter moedig en volkomen rustig tegemoet ziet, dat hij zich zekerheden heeft verworven, waarbij al het aardse verbleekt tot niets, want "het is gedaan met al die ijdle dingen" en

                                       ......nu komt de wintertijd.
                                       Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
                                       Ik ben bereid.

Hij heeft de handen gevouwen tot een deemoedig en ontroerend gebed:

                                       O mocht mijn ziele hoog en zuiver branden
                                       zoals de maan thans neerblinkt op het dal,
                                       wanneer ik uit de nauwe banden
                                       des levens, naar de landen
                                       van Uw Belofte stijgen zal.

Uit deze verzen kan men niet begrijpen doch vermoeden, wat de dichter geleden heeft voor hij zó schrijven kon, voor de "Boerenpsalm" een "Boerengebed" kon worden, dat eindigt:

                                       Heer, laat ons elkander helpen,
                                       Gij, die 't stroo niet hebt miskend,
                                       geef mij 't zaad, ik geef de tarwe
                                       voor Uw Heilig Sacrament.

Men heeft Timmermans wel eens verweten, dat hij in zijn boeken concessies deed ter wille van zijn groot publiek, maar thans belijdt hij in alle eenvoud, dat hij zijn woorden slechts zou willen gebruiken om een "glinsterende schaal van het puurste maaksel" te gieten,

                                       ......waarin ik Uwen eeuwigen naam
                                       met al zijn diepte en schoonheid saam
                                       zou kunnen laten vlieten......

Dit is geen pose, dit is een van de kostbaarste "verworvenheden", waarmede het leven een sterveling kan begiftigen en waaraan het bestaan zijn diepste betekenis verleent. Geen pose, inderdaad, want misschien is juist de oprechtheid in deze verzen van Timmermans het meest indrukwekkend en...... smartelijk, de oprechtheid, die hem doet zeggen:

                                       De Profundus, uit de gronden
                                       van mijn arme, donkre ziel,
                                       spijts vervuld van kwaad en zonde,
                                       en ik immer keer op keer
                                       in het booze weder viel,
                                       roep ik toch op U, o Heer!
                                       'k Zocht U achter d' hemelrondten
                                       in der sterren harmonij,
                                       in profeten, in 't doorgronden
                                       en in ’t zoeken
                                       wat de boeken
                                       en de wijzen ons verkonden.
                                       'k Zocht U altijd buiten mij,
                                       tot het leven mij verwondde,
                                       en ik U, o zaalge stonde,
                                       in mij zelven heb gevonden!

Moge dit boekje in veler handen komen. Men behoeft geen onverstaanbaarheid te vrezen, want Timmermans uit zich in deze verzen even klaar en duidelijk als hij het immer in zijn proza heeft gedaan. Hij doet het ook even schoon of nóg schoner en in ieder geval: ontroerender.
Niemand zal zich aan deze ontroering kunnen onttrekken en het is te hopen, dat ook niemand zal nalaten om, na lezing van deze verzen van inkeer en belijdenis, dankbaar een gebed voor de zielerust van de ons te vroeg ontvallen Vlaamse schrijver te storten.

*************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 15:09 Reageer op dit bericht

De Poëzie van Felix Timmermans - De Nieuwe Gazet 09/08/1947

De Poëzie van Felix Timmermans

Redactie van De Nieuwe Gids 9/08/1947.

                                                            De blaadren rijzen door den stuggen nevel 
                                                            er zijn geen klanken meer, er is geen lied,
                                                            slechts in het dorre riet een vroom geprevel...
                                                            Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet
                                                            Want wij zijn arm. en knagen aan 't Verleden,
                                                            en spelen met de kaarten van verdriet.
                                                            Het schoonste sprookje stelt ons niet tevreden,
                                                            en door den nevel lokt de toekomst niet
                                                            Het leven vlood en d' asch blijft in onz' handen,
                                                            't verlangen stijgt om mede te vergaan.
                                                            Doch in den weemoed blijft één lichtje branden,
                                                            het licht dat w' in den zomer overslaan,
                                                            waarvoor wij slechts, tot onze schâ en schande,
                                                            rondom den wintertijd om olie gaan.

Even voor en na Felix Timmermans' verscheiden bracht het maandschrift Dietse Warande en Belfort enkele gedichten van zijn hand, die onmiddellijk verrasten door hun grote bekoorlijkheid. Een paar ervan hebben al hun weerklank gevonden en zingen ons reeds vertrouwd in de oren : zo deze twee strofen die zo ik mij niet vergis op Timmermans' doodsprentje stonden afgedrukt :
                                                            De kern van alle dingen
                                                            Is stil en eindeloos.
                                                            Alleen de dingen zingen
                                                            Ons lied is kort en broos.

                                                            En donker zingt mijn bloed,
                                                            van heimwee zwaar doorwogen.
                                                            Ik zeil langs regenbogen
                                                            Gods stilte tegenmoet.

Dit is Timmermans' testament en de kern van wat hij nog zeggen wilde aan het eind van een leven dat gewijd was aan de schoonheid van de «dingen». Misschien heeft de schrijver van Pallieter er al zijn dagen naar gehaakt om eens, in zulk een vorm, het heimwee der ziel uit te zingen naar het rustpunt, dat stil is en eindeloos en waar de vrede is die de Psalmist zich afsmeekte in zijn Quis dabit mihi pennas sicut columbae ut volabo et requiescam. (Wie zal mij vleugels geven als een duif om weg te vliegen en tot rust te komen.)


Het lijkt een paradoxaal verschijnsel dat onze twee schrijvers, die de schoonheid van het wisselvallige het kinderlijkst hebben liefgehad, het onvermengdst hun verlangen hebben uitgesproken naar de reinheid van het Zijn, waarin de glans der verscheidenheid is opgeheven: Guido Gezelle en Felix Timmermans.
Gezelle was stellig een gróter dichter, en «Ego Flos» is een veel krachtiger vers dan «De kern van alle dingen», maar men voelt onmiddellijk de gelijkaardigheid van beider verhouding tot het Eeuwige. Paradoxaal moet deze verhouding lijken buiten de inspiratie van een in wezen christelijk geloof, dat wij in zijn zuivere staat welhaast alleen nog bij enkele middeleeuwers aantreffen: een geloof dat tussen het tijdelijke en het eeuwige althans in zoverre geen kloof ziet, dat het eerste, als symbool van het laatste en als zodanig aanvaardbaar wordt beschouwd. (Voor zulk een geloof is de zonde alleen een objectief gegeven : en inderdaad, noch in Gezelle's noch in Timmermans' werk leeft de zonde als scheppend element, zoals zij leeft in het werk van sommige moderne christenen.)

2423815-3cb1e1a30a99dbe54ad7ad2c2e9e5289.png      2423815-3fb2db6cccf4a23383383394b28b2b31.jpg

Dat de zo even geciteerde strofen de kern vormen van Timmermans' levenseinde, blijkt uit het bundeltje dat bij Van Kampen en Zoon te Amsterdam verschenen is onder de titel Adagio en waarin een dertigtal gedichten verzameld zijn die in 1945-46 werden geschreven. Het is uitsluitend religieuze poëzie. Zoals de prozaschrijver van Schendel aan het slot van zijn leven naar de versvorm greep om het land te verheerlijken dat heel zijn werk heeft geconditioneerd, zo heeft de prozaschrijver Timmermans vóór het einde de behoefte gevoeld om « in maat en getal » zijn verdriet en zijn heimwee vast te leggen. Eigenaardige behoefte, om het ook nog eens op deze wijze te doen, een behoefte blijkbaar zo oud en zo onuitroeibaar als de mens zelf.

Bij Timmermans lijkt het wel of voor het laatste en het diepste wat hij zeggen wilde het proza niet sacraal genoeg was: een behoefte aan wijding door het « definitieve » woord waarvan de poëzie dwingender dan het proza de illusie schijnt te wekken; meteen belijdt de schrijver ook zijn onmacht om de laatste formule uit te spreken :

                                                            « Ik weet het niet, ik vind geen naam,
                                                            ik krijg het met geen woorden saâm
                                                            wat er nu omgaat in mijn ziele.
                                                            Is het soms blijdschap? Is ’t verdriet?
                                                            of allebei? En ook weer niet...
                                                            Ik kan slechts zwijgend knielen. »

Het is ook, zoals uit de structuur van dit gedicht zelf blijkt, een onmacht om het vers volkomen meester te worden. Timmermans is, en dit is de grote zwakheid van Adagio, als dichter te kortademig. Zijn vers bekoort door zijn direktheid, maar er mist de veerkracht die regel na regel onverzwakt aaneen moet binden.

Van iemand die zijn leven lang de ruimte van het proza te zijner beschikking heeft gehad kan men moeilijk verwachten dat hij zich met volkomen gemak beweegt op het scherpe lemmet van het korte lyrische gedicht, vooral dan wanneer hij dit gedicht juist gebruiken wil om er het aller intiemste van zijn wezen — het verlangen naar woordenloosheid en gestalteloosheid — in neer te leggen !

« Het is teveel wat ik verlang, de woorden breken. »

2423815-2aa744861ce013505d74e1d9a1b75fc3.jpg

                                                                                                                     Adagio tekst in het Litouws

Als men aan dit bezwaar nog dit van een zekere zoeterigheid toevoegt die af en toe Adagio ontsiert (« ik heb ineens zo'n schoon verdriet »...) en die wel inhaerent lijkt aan Timmerman's wezen, dan is daarmee, geloof ik, het voornaamste tegen dit bundeltje ingebracht.

Voor de rest is het altijd Timmermans, d.w.z. vol verrassende vimaar vooral, in zijn beste ogenblikken, van een eenvoud en een zuisies, vol vondsten en associaties, verheid en afgeronde versje :

                                                            « O mocht   mijn  ziele zuiver branden
                                                            zooals de maan thans neerblinkt in het dal,
                                                            wanneer ik uit de nauwe wanden
                                                            des levens, naar de landen
                                                            van Uw Belofte stijgen zal. »

Dit is zo zuiver, zo net geformuleerd dat er van het gevaar van een goedkope religiositeit, dat inderdaad ook hier af en toe Timmermans bedreigt, geen sprake meer kan zijn. Het is een beeld, dat men aanvaardt, en dit tenslotte het enige resultaat dat de dichter, met betrekking tot zijn lezers, te bereiken heeft.
Zelfs waar de vormen van het geloof, dat Timmermans bezielt, ons minder vertrouwd zijn en zover van het menselijke afstaan dat zij ons op zichzelf niet vermogen te boeien, dwingt de schrijver ons zijn visie te aanvaarden, omdat hij er zo zuiver gestalte aan geeft.
Ik denk hier aan de enkele heiligengedichten die in Adagio voorkomen, dat op Sint Sebastiaan bijvoorbeeld, waarin de auteur, met een naïviteit waarvoor men tot Justus de Harduijn moet teruggrijpen, de martelingen vanzijn heilige beschrijft. Deze martelingen zijn zo lieftallig, de pijlen van de beulen vliegen zo aanminnig; « als vogelen » op de gefolterde toe, dat wij geen ogenblik denkenaan de pijn, die de man kan hebben doorstaan.

Maar het gedicht is, binnen zijn grenzen en met zijn eigen wetten, zeer zuiver afgewerkt. Het is geen « grote » poëzie, het is wellicht niet eens poëzie in de stricte zin van het woord, maar die men om hun charme toch een plaatsje gunt onder de bibelots. Meer dan een paar hebben wij er niet van doen, en daartoe blijft het in Adagio dan ook beperkt.
Als tegenhanger tot dit laatste soort citeer ik hier ten slotte een lyrisch vers waarin, meer dan in de andere van het bundeltje, de « rijke » Timmersmans aanwezig is, met al zijn liefde voor de aarde en zijn geloof in de hemel, en daarom misschien zo vol van toon, zo wijd van visie en zo krachtig van rhythme:

                                                            God rolt de zonnen door zijnhanden
                                                            zooals de boer bet zaad,
                                                            de ruimte kent geen randen
                                                            en eindloos staat
                                                            de sterrentuin te branden.

                                                            Als dauwdrop aan der aarde bloeme
                                                            weerspiegel ik het al.
                                                            Ik hoor de spheren zoemen.
                                                            Gansch 't sterrendal
                                                            probeert Uw naam te noemen.

                                                            't Geheim blijft tot de nacht behoren,
                                                            waarin ik ben ontstaan,
                                                            tot, opgeslorpt in schijn verloren
                                                            in 't licht vergaan
                                                            in U ik word herboren !

*************

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 22:05 Reageer op dit bericht

Uniek dat auteur alles van zijn werk heeft bewaard - Frans Keijsper

Ingrid van de Wijer ordende werkkamer van Felix Timmermans
'Uniek dat auteur alles van zijn werk heeft bewaard'

Door Frans Keijsper uit de Haarlems Courant van 5/06/1986

Leuven / Antwerpen. — "Uniek is niet dat een auteur zijn werk bewaard heeft, uniek is wèl dat een auteur alles van zijn werk bewaard heeft. Het belangrijkste van de onuitgegeven werken van Felix Timmermans zijn zijn dagboeken. Die heb ik er uitgehaald om ze uit te geven in mijn publikatie over Felix Timmermans, met uitvoerige annotaties." Aldus dr. Ingrid van de Wijer uit Leuven, die de afgelopen jaren als assistente aan de afdeling Nederlandse literatuur van de Katholieke Universiteit van Leuven het enorme archief van de Vlaamse schrijver Felix Timmermans (1886-1947) heeft onderzocht.

Op 4 juli, de vooravond van Felix' geboortedag honderd jaar geleden, verschijnt Ingrids studie Al mijn dagen, dagboeken en archief van Felix Timmermans bij Den Gulden Engel (Antwerpen).
Deze bevat onbekend materiaal en nooit eerder van Timmermans gepubliceerde foto's, alsmede reprodukties van schilderijen, waarvan deze kunstenaar in zijn dagboeken melding maakt. In het archief ontdekte Ingrid de Wijer gedichten uit 1902. Wat in het archief ontbreekt is er door anderen uit gehaald, blijkt uit haar woorden.

"Het eerste dagboek dat bewaard is gebleven dateert uit 1919 toen Timmermans na de Eerste Wereldoorlog naar Den Haag, Scheveningen uitgeweken was en daar bijna een jaar heeft verbleven. Dat dagboek is volgens mij het interessantste wegens zijn kontakten.
Hij ontmoette er de belangrijke Nederlandse schrijvers, de halve Vlaamse beweging die ook naar Nederland was uitgeweken; hij noteerde dat hij met bepaalde romans bezig was als Annemarie en hoe dat verliep.
Hij leerde Anton Pieck kennen en ging naar letterkundige vergaderingen van Willem Kloos."

De grootvader van Ingrid van de Wijer, prof. dr. ridder H.J. van de Wijer, was in 1944, toen België al was bevrijd, voorzitter van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde.
Hij steunde Felix Timmermans nadat deze met de Belgische autoriteiten en anderen, die hem van collaboratie beschuldigden, moeilijkheden kreeg.

2423363-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

"Zes jaar geleden was ik op zoek naar een promotie-onderwerp. Ik was assistente aan de afdeling Nederlandse literatuur van de Katholieke Universiteit van Leuven. Er bestond, had ik eens gelezen, een manuscript van vijf kilo papier van Pallieter van Felix Timmermans dat anders was dan uiteindelijk gedrukt is. Ik heb toen kontakt op genomen met Felix' oudste dochter Lia Timmermans, die in Oostende woont. Haar had ik in een brief gevraagd of ik een vergelijking mocht maken van dat oorspronkelijke manuscript met de uitgave. Ze heeft toen gezocht, maar het bleek onvindbaar. Misschien is het ooit meegenomen of weggegeven. Toen heb ik een ander onderwerp gekozen: tekst-edities."
Daarop promoveerde zij in 1983. Ingrid van de Wijer kreeg opnieuw kontakt met de familie. Deze vroeg naar aanleiding van haar promotie of zij nu als assistente aan de KU Leuven onderzoek wilde doen naar de archieven van de manuscripten die zich op dat moment nog onaangeroerd in de werkkamer van het huis van Felix Timmermans op de eerste verdieping aan De Heyderstraat 30 aan het Begijnhof in Lier bevonden. Het was het laatste huis waar bij sedert 1926 gewoond had.

"Die waren nog nooit vrijgegeven en de familie zocht iemand die daar op een wetenschappelijke manier een studie van wilde maken. Dus een ietwat andere aanpak dan tot nu toe was gebeurd. Felix Timmermans heeft daar een massa manuscripten, papieren, briefomslagen met notities, kleine velletjes papier, boeken, cahiers, alle mogelijke mappen bewaard.
Hij was daar blijkbaar al heel vroeg mee begonnen, want in een van zijn eerste boeken, Uit mijn rommelkast, zegt hij al in 1919 dat als hij in zijn kamer (toen een andere) een van de laden van de kasten opentrekt daarin vele herinneringen, manuscripten, dagboeken liggen.
'Daar liggen al mijn dagen', zei Felix Timmermans, wat uiteindelijk de titel is geworden van het onderhavige boek. Toen hield hij kennelijk al alles bij en gooide nooit iets weg.
"Ik denk niet dat hij het heeft bijgehouden omdat hij zichzelf zo belangrijk vond. Hij heeft het gedaan, omdat het een stuk van zich zelf was. Dat maakte hem eigenlijk ook, al die papiertjes. Hij las, herlas, schreef en schreef opnieuw. Hij zei: 'Het gaat allemaal zo gemakkelijk niet als boterperen eten'.
Het archief is een wemeling van varianten van teksten, die uiteindelijk al dan niet gepubliceerd zijn. Van zijn Boerenpsalm bijvoorbeeld zijn alleen al zijn verschillende manuscripten bewaard die hij telkens weer op de map noemt 'definitief manuscript'. Zo’n definitief handschrift is dat dus zelden.Wanneer men die verschillende fasen naast elkaar legt is uiteindelijk iets anders gedrukt dan 'definitieve versie' staat.

"Ik heb van de vier kinderen Timmermans: Lia, Clara, Tonet en Gommaar de toelating gekregen om alles wat daar in die werkkamer lag mee te nemen en te kopiëren. Van de stukken waarvan ik meende dat ze de interessantste waren heb ik foto's gemaakt, zodat het gehele archief nu bewaard is in kopie of in foto-vorm.
Het gaat om ongeveer tienduizend fotokopieën, dat zijn zes- a zevenduizend vellen manuscript.
"Daar zit werkelijk alles in, je kunt uit het archief de ontstaansgeschiedenis van een boek halen.
Ik ben een jaar bezig geweest om alles eerst op orde te brengen. Van die Boerenpsalm bijvoorbeeld lag alles verspreid. Van werken zijn dus de verschillende stadia bewaard gebleven. Een inval, soms een tekeningetje over hoe een personage eruit moet zien. Dan begon Felix Timmermans te schrijven.

In verdere manuscripten worden het algemene lijnen, onderverdelingen van de hoofdstukken. Eventueel een schetsje ertussen: 'zie kladje' of 'zie portefeuille. Dus met verwijzingen naar andere plaatsen van zijn werkkamer waar hij het vervolg moest halen van teksten. Als al die manuscripten bij elkaar worden gelegd geeft dat een ongelooflijk beeld hoe Felix Timmermans te werk is gegaan."
Deze Vlaamse schrijver veranderde zijn teksten ook nog nadat ervan reeds een voorpublikatie was verschenen. Tot op de drukproeven van het uiteindelijke werk. "Het vloeide Timmermans niet zomaar uit de pen, hij heeft er op gewerkt. Er zijn brieven bewaard gebleven, bijvoorbeeld met Pieter Bruegel, waarin hij zegt: 'Die of die zaken ken ik nog niet zo goed, kunt u mij niet een boek sturen dat ik niet in de bibliotheek kan vinden, of weet u wanneer dit of dat gebeurd is'.
"Er werden dus andere mensen bij betrokken. In één van zijn dagboeken staat dat hij zijn vrouw 's avonds in bed voorleest van hetgeen hij die dag geschreven heeft en dat er een aantal zaken niet blijkt te kloppen.

Hij heeft ook vele andere auteurs gekontakteerd of gezien. In zijn dagboeken van 1919 — als hij in Nederland verblijft — is hij voortdurend op de literaire bijeenkomsten van Willem Kloos. Ontmoet er Emants, Boutens. Daar wordt, hoewel het niet letterlijk in de dagboeken staat, over eigen werk gepraat.
Ergens zegt Timmermans dat een vriend van hem, Thiry, met een van zijn ideeën is gaan lopen en een roman schrijft die op zijn manier verloopt. En hij neemt zich voor aan anderen nooit meer iets over zijn werk te vertellen.

"Ik heb het materiaal uit het archief in drie categorieën onderverdeeld. In de eerste bevindt zich alles qua manuscript wat te maken heeft met werk dat Timmermans gepubliceerd heeft in boekvorm, in totaal 55 werken, die alfabetisch geordend zijn. Ook de bestaande bibliografie van Felix Timmermans, zoals die vastgelegd is door Hilda van Assche en Richard Baeyens (opgenomen in Felix Timmermans, mens, schrijver, schilder, tekenaar, uitgave Mercatorfonds, 1972).
"De tweede grote inventaris van het archief uit de werkkamer bevat manuscripten, die niet in boekvorm zijn verschenen. Zoals voorwoorden van Timmermans in werken van anderen, huldereden, toespraken, welke chronologisch zijn geordend. En een derde afdeling bevat manuscripten in verband met onuitgegeven werk.
Het is niet de bedoeling om straks alles uit te geven wat tot nu toe niet is verschenen, maar er is toch wel een aantal zaken dat de moeite waard is. Vooral het jonge werk, waarvan heel veel bewaard is. Waarschijnlijk omdat hij op dat moment nog geen naam had.

2423363-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg       2423363-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg

Toen hij bekend was, vooral na 1916 wegens de verschijning van Pallieter, heeft hij alles kunnen publiceren wat hij wilde. Ik denk dat het tegen Timmermans' eigen wil zou zijn als daarvan wat uitgegeven werd. Dus als we nog iets daarvan zouden willen uitgeven, dan moet het dat vroege werk zijn.
"Daar zijn onder meer nog twee toneelstukken. Het ene heet Miskend. Daarmee heeft Timmermans ooit meegedaan aan een wedstrijd voor toneelauteurs. Het is een handschrift, bewaard in een bruin cahier, waarop staat: 'Miskend, tooneelspel in een bedrijf. Met dat manuscript heeft hij dus meegedaan om een prijs te krijgen. Hij zegt ergens in zijn correspondentie, hij is miskend en heeft dus geen prijs gekregen.
Het tweede heet De Zending, treurspel in een bedrijf, ooit vermeld bij José de Ceulaer (die diverse publikaties over Timmermans heeft gedaan.

"Een beetje een tegenhanger van het Haagse dagboek is dat uit 1924 / 25. Het speelt zich af in Lier: de mensen, kunstenaars, vrienden, zijn huis en familie uit die plaats. Een andere sfeer komt daar aan bod.
De Ceulaer heeft het begin en einde ervan wel gesignaleerd, maar het is nooit uitgegeven.
Wat daartussen komt is zelfs niet gesignaleerd. Dat lag op een andere plaats in zijn kamer."
Dat 'ontbrekende' dagboekmateriaal blijkt te zijn gebruikt als stof voor zijn boek Naar waar de appelsienen groeien, waarvoor hij toentertijd een reis naar Italië had gemaakt.
Er is ooit in 1930 een dagboek geweest, waarin hij schrijft over zijn stijl die hij probeert te zoeken. Het gaat dan om zijn schilderkunstige werk. Maar dit boek is inmiddels spoorloos.

2423363-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

"Er is ooit een vierde dagboek geweest, waaraan Lia Timmermans refereert in haar boek Mijn vader. Ook dit blijkt nergens meer te vinden. Het moet aan het einde van Felix Timmermans' leven zijn geweest, middenjaren '40. "Tussen die drie dagboeken vermeld ik de literaire dagboeken. Vóór alle andere het literaire dagboek Pallieter in Holland dat helemaal aansluit bij het dagboek van 1919. In 1918 was hij namelijk begonnen onder die titel stukjes te publiceren in het dagblad Het Vaderland. Het laatste stukje dat daarin verschijnt komt net voor in zijn persoonlijke dagboek van 1919."
Dan is er nog één literair dagboek van 1939, Minneke Poes, dat Timmermans geschreven heeft na een verblijf van een half jaar in Bouwel, Kempenland. Daar had Timmermans met zijn familie zijn intrek genomen in een villa uit rouw voor het verlies van zijn schoonmoeder die 27 jaar bij hen had ingewoond.

"In de voetnoten, die uitvoerig en wetenschappelijk zijn, verduidelijk ik alle personen en realia die in de dagboeken vermeld worden. Daarvoor heb ik een groot aantal archieven in Nederland en België bezocht.
Ik heb geprobeerd al de personen die hij vermeldt te identificeren en er nog iets meer over te zeggen dan louter wie ze zijn. Ze te situeren binnen de kontekst van het belang dat ze voor Timmermans hebben gehad.
Ik hoop dat het boek ook in de kleine lettertjes leesbaar is.
"Misschien minder literair, maar zeker van cultuur-historische waarde zijn zijn gedichten die hij heeft geschreven toen hij heel jong was, uit 1902, dus van vóór 1904 toen hij begon te publiceren.

Bottende Loverkens, een aantal heel impressionistische, romantische korte versjes, die hijzelf in het schrift waarin hij ze genoteerd had, is gaan bewerken. Zaken die hij volledig doorstreept, er zijn tientallen, honderden bladzijden waarop staat, 'niet, niet, niet'.
Dus 'niet behouden, wel opnemen', 'te retoucheren'. Lijsten van de feesten van het jaar die hij gebruikte voor zijn boeken." Losse tekeningen zijn niet (meer) in het archief gevonden.
"Wel tekeningen die tussen de teksten door staan. Daar zijn soms prachtige bij."

Voorts zijn er onder meer massa's notities over verhalen en dergelijke die verder nimmer zijn uitgewerkt. In een schrift vond Ingrid van de Wijer overigens wel prozastukken, schetsen en gedachten, korte herinneringen, voldoende om een nieuw boek mee te vullen.
"Ik vraag me overigens af of we verhalen zouden mogen uitgeven die Timmermans zelf de moeite niet vond. Mijn indruk over die verhalen is overigens dat ze zeker niet slecht zijn. Je voelt dat ze van iemand zijn die nog niet het niveau van de werkelijke Timmermans heeft bereikt.
Cultuur-historisch zou het echter alleszins de moeite van het uitgeven waard zijn."

Al mijn dagen. Dagboeken, en archief Felix Timmermans. Door dr. Ingrid van de Wijer. Met een voorwoord van Anton Pieck. Uitgeverij Den Gulden Engel (Antwerpen). Hierbij verschenen ook een heruitgave van Felix Timmermans Adagio. Meditaties Herman-Emiel Mertens alsmede Mijn vader door Lia Timmermans.

**********

Al mijn dagen (gecensureerd)

Boven de titel «Al mijn dagen» staat Dr. Ingrid Van de Wijer als auteur vermeld. Als kleindochter van wijlen Ridder Professor H.-J. Van de Wijer is ze ook Jonkvrouw. De dagen waar het over gaat, zijn echter niet haar eigen etmalen, maar die van Felix Timmermans. En dat zijn er heel wat meer dan ze aan de voorbereiding van de uitgave heeft opgeofferd tussen december 1983, toen de «Erven» Timmermans hun archief voor het eerst (N.B. eindelijk!) en eenmalig (N.B. waarom?) voor haar hebben geopend, en 15 februari van dit jaar.
Timmermans moest nu maar eens op een «strikt wetenschappelijke manier» — ik citeer Lia Timmermans — worden aangepakt. En dus werd er een «sic» (tussen vierkante haakjes) geplaatst achter de vele spelfouten die Felix in zijn dagboeken heeft gemaakt, en werd de uitgave rijkelijk van jonkvrouwelijke voetnoten voorzien.

Haar jeugdige ijver heeft niet verhinderd, dat de Jonkvrouw met haar voetnoten wel eens slippertjes maakte. De zwaarste misstap zette ze op p. 204, waar L Van Boeckel ter sprake komt. De voetnoot begint met de verklaring dat de «Belgische (sic!) kunstsmid» een autodidakt was. Bij het einde van de voetnoot is hij doctor en een «vernuftige Cornelis de Bie-kenner» geworden. Jammer genoeg — bij manier van spreken — is er in Lier meer dan één Lodewijk Van Boeckel geweest: de kunstsmid en een naamgenoot, Dr. In de Germaanse filologie (zoals Ingrid), die op een proefschrift over de Lierse rederijker Cornelis De Bie promoveerde.
Natuurlijk staat het niet strikt wetenschappelijk vast dat die tweede Van Boeckel in het dagboek van Felix Timmermans werd bedoeld, maar nog veel minder dan de kunstsmid op 18 augustus 1925 bij Felix Timmermans op bezoek kwam.
Overigens kan enige verbeeldingskracht de wetenschap niet altijd schaden. Zomin als de «wetenschap» zelf, dat de tweede Van Boeckel de eerste editie van «Schemeringen van de dood» in de spelling-Kollewijn heeft omgezet en nog andere geschriften van Felix Timmermans heeft gecorrigeerd.
En wat mag Dr. Ingrid ertoe gebracht hebben op dezelfde bladzijde nog een Lierse schoenmaker, Alfons Frans Verschoren, van zijn leest weg te halen om in hem «Sus Verschoren» te herkennen?
Was de schrijver Frans Verschoren, vriend van Felix Timmermans haar dan totaal onbekend ?

«Al mijn dagen» bestaat uit twee delen: een deel met de «dagboeken» van Felix Timmermans en een ander met de «archiefstukken». Bij de «dagboeken» worden ook fragmenten — waarom enkel fragmenten ? — van «Naar waar de appelsienen groeien» en «Minneke Poes» ondergebracht. De eigenlijke, niet-literaire dagboekaantekeningen werden grotendeels, sommige nochtans slechts fragmentarisch, in de Jaarboeken van het Felix Timmermans-genootschap gepubliceerd. De aantekeningen van 18 juni tot 18 december 1919 werden in het Jaarboek 1981 («Pallieter in Holland») fragmentarisch opgenomen onder de titel: "Het Scheveningse dagboek". Ze werden immers in Scheveningen geschreven.

Blijkbaar heeft Dr. Ingrid het echter wetenschappelijker geacht voor de «volledige » publikatie ervan de term «Haags dagboek» te gebruiken. Maar zo volledig is het nu ook weer niet, want de censuur heeft ingegrepen.
Uit de aantekeningen van 23 juni werden enkele zinnen geschrapt. Voetnoot 39 daarbij zegt: «Op verzoek van de Erven Timmermans werd hier in de editie een passus om zijn persoonlijk karakter weggelaten».
Dan kan uiteraard allerlei vermoedens wekken. Nochtans is die weggelaten passus helemaal niet zo «persoonlijk» en zeker niet intiem. In die dagen werd in Versailles over het «Vredesverdrag» onderhandeld.
En daarover heeft Felix Timmermans in 8 regels zijn «persoonlijke» mening geschreven.
De mening van de naar Nederland gevluchte activist Felix Timmermans.

2423363-bc1a91427556c2bc438a966b440544c8.jpg

Na 67 jaar vonden de Erven Timmermans — juister gezegd: vond de Erfdochter Lia Timmermans — het nog altijd niet opportuun die mening openbaar te maken! De «first lady» van de Timmermans-clan , die ook al eens als «hofdame» van de koningin mocht optreden, blijft immers hardnekkig weigeren zich te herinneren en, zo mogelijk, zelfs eraan herinnerd te worden, dat haar vader activist is geweest.
In de nieuwe druk van «Mijn vader» (ook uitgegeven door «Den Gulden Engel») staat nog altijd te lezen, dat haar vader in Nederland zoveel voordrachten moest geven, «dat hij besloot een tijdje in Holland te blijven wonen» ! Zij liet hem daarvoor «weken achtereen te Rotterdam in een hotel wonen».
De werkelijkheid is lichtjes anders. Op 9 november 1918 had hij in Nederland nog nooit een voordracht gehouden. Die dag vertrok hij met zijn activistische vrienden Fred Bogaerts, Reimond Kimpe, Antoon Thiry en Lambert Stevens uit Lier naar «veiliger oorden»: Amsterdam, daarna Rijswijk, dan Den Haag, uiteindelijk Scheveningen. Meer details daarover zijn reeds lang bekend en kunnen ook in «Al mijn dagen» worden teruggevonden.

In de herinneringen aan haar vader is er bij Lia Timmermans ook een totale «black-out» i.v.m. W.O. II en de repressie. Ingrid van de Wijer brengt die periode wel even ter sprake. Zij schrijft o. m: «Een schrijver die in 1936 nog als meest geliefde auteur uit een Duits referendum kwam, had alle schijn van collaboratie met de bezetter tegen zich. Als het zelfs nu nog, vier decennia later nodig wordt geacht programma's in de eter te versturen, die desnoods op basis van een vertekende weergave van de feiten willen bewijzen dat de Vlaming steeds een verrader moet zijn geweest, kan het dan verwonderen dat in een rechtsloze repressieperiode zovele Vlamingen machteloze getuigen of onschuldige slachtoffers werden? Velen zullen zich herinneren dat een hoogstaande kulturele waardering alleen al meer dan voldoende was om een edel man te vellen en in hem een exponent te treffen van het Katolieke Vlaanderen dat men eens en voorgoed wenste uit te schakelen».
Uit «Al mijn dagen» komt geen onbekende Timmermans naar voren. Zijn dagboeken bevestigen enkel dat hij een opvallend bescheiden man was, die niet gemakkelijk tevreden was over zichzelf en heel hard gewerkt heeft aan zijn boeken. Dat laatste kan je ook afleiden uit de vele manuscripten die in het tweede deel van het boek werden gereproduceerd en het interessantste deel ervan vormen.
Ik mag tot slot niet nalaten Mark Leytens te feliciteren voor de grafische vormgeving en de drukker-uitgever voor de uiterlijke en uitzonderlijke zorg die aan de prestigieuze uitgave werd besteed.
Blijkbaar heeft de censuur daarin niet ingegrepen.

WIBO (José De Ceulaer)

2423363-76aa6df1a60db6ac3b460708bd189c5c.jpg 2423363-8266e4bfeda1bd42d8f9794eb4ea0a13.png

                                                Ingrid van de Wijer


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 22:28 Reageer op dit bericht

De fijne nostalgie van Felix Timmermans - Rigoberto Cordero y Léon

De fijne nostalgie van Felix Timmermans

Rigoberto Cordero y León

Een artikel uit Ecuador van 19 januari 1969

(in de vertaling van de tekst, met dank aan Philip Vermoortel, zijn de 2 gedichten overgenomen zoals Felix Timmermans ze heeft neergeschreven.)

2423191-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Met een uiterst delicaat gevoel voor doorzicht kiest Felix Timmermans een beeld, wikt en weegt het even in gedachten om het dan perfect te hertalen in de tijdeloze woorden van een vers. Hij kijkt naar het beeld, maar staat niet stil bij beschouwingen - de filters van het denken - die het beeld zouden kunnen vervormen: hij neemt het zoals het is in de werkelijke wereld, trillend van leven, maar evenzeer zoals het ook te vinden is in de droomwereld die de eigen, diepe belevenis van de Dichter zelf is…


Het is alsof een beeld zich op een volstrekt natuurlijke manier aan Felix Timmermans opdringt, bijna zoals het beeld van de hemel dat zich weerspiegelt in het water en erin doordringt, terwijl het toch de hemel blijft en tegelijk een zinnelijk zinken van de hemel in het water is… In het water verdiept het beeld zich eenvoudigweg, en raakt doordrenkt van schoonheid…

De beelden van Felix Timmermans getuigen van grote poëtische finesse, en juist daarom van diepe poëtische nostalgie… Hij richt zijn poëtische blik op de wereld, hij kijkt met de diep-zuivere blik van de dichter naar wat buiten hem om gebeurt en legt die beelden vast zonder nodeloze vertroebelingen die ze enkel maar zouden vervormen: wat hij bekijkt gaat behoren tot wat blijft, de wereld van de creatie, en die beelden blijft hij met bewondering bekijken, inderdaad, maar dan enkel om er de poëtische kant van te vinden, het poëtische gehalte van de realiteit dat in een vers gegoten wordt…

De Herfst, nostalgisch seizoen vol nuances die vreemd verbonden zijn met het afnemen van zon en licht, krijgt bij Felix Timmermans een bijzonder nostalgische dimensie… De Dichter ziet tekenen van de herfst in wat hem omgeeft, in het verstrijken van de tijd wat tot uiting komt in schakeringen van stervend licht, in kleine details die misschien meer dan het hoge gelige zonlicht de ziel van de Herfst zelf vertolken... Maar vanuit de realiteit van wat hem omgeeft, verzinkt de Dichter in zichzelf, vol van de vreemde lichtschakeringen van de Herfst, en vindt in zijn eigen hart de Herfst verfraaid in heimwee, de vreemde zinnelijke schoonheid van de innerlijke Herfst… De beelden glijden zijn ziel binnen tot in zijn meest intieme zelf om het verlangen te verwoorden dat vanuit de werkelijke wereld de delicate Herfst van zijn ziel overspoelt…

                                                            DE HERFST BLAAST OP DEN HOREN
                                                            De Herfst blaast op den horen,
                                                            en 't wierookt in het hout;
                                                            de vruchten gloren.
                                                            De stilten weven gobelijnen
                                                            van gouddraad over 't woud,
                                                            met reeën, die verbaasd verschijnen
                                                            uit varens en frambozehout,
                                                            en sierlijk weer verdwijnen...
                                                            De schoonheid droomt van boom tot boom,
                                                            doch alle schoonheid zal verkwijnen,
                                                            want alle schoonheid is slechts droom,
                                                            maar Gij zijt d' Eeuwigheid!
                                                            Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
                                                            en zegen ook zijn vruchten!
                                                            Een ganzendriehoek in de luchten.
                                                            Nu komt de wintertijd.
                                                            Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
                                                            Ik ben bereid.

Felix Timmermans weet de effecten van mist uiterst delicaat te schetsen.

De bladeren die opstijgen in de mist nemen vreemde gestalten aan, ze lijken betoverd, het zijn benevelde droombeelden… En wanneer de mist de bladeren in vreemde spookachtige vormen hult, is dat voor hem het juiste moment om in zijn ziel een andere mist te ontwaren… In zijn intieme mist bouwt of reconstrueert hij het verleden in het aanmaken van een vuur dat enkel in de winter aangewakkerd wordt…

                                                            DE BLAADREN RIJZEN DOOR DEN STUGGEN NEVEL
                                                            Ik hou van nevel bij de val der blaadren;
                                                            het stemt tot weemoed om ik weet niet wat.
                                                            Verlangen en betreuren glimmen mat,
                                                             het hart zwijgt loom in 't struikgewas der aadren.

                                                             Dit is de stilte, die 't geluk laat naadren,
                                                             het ver geluk, dat iets van God bevat,
                                                             maar telkens als een zeepbel openspat
                                                             bij al 't gedruis, dat wij in ons vergaadren.

                                                             Nu 't stil is, wordt mijn ziel de zeekinkhoren
                                                             waarin ik God, die door de Heemlen bruist,
                                                             beluister, en Zijn hoog bestaan kan horen!

                                                             O broos geluk, dat in mijn ziele suist,
                                                             en uit wat stilte en weemoed wordt geboren,
                                                             maar door dit hart straks weer zo snel verhuist.

Bij Felix Timmermans is het beeld van een fundamenteel poëtische en nostalgische finesse… Wanneer hij het beeld poëtisch bekijkt, stijgt hij op of daalt hij af naar zijn ziel om er op een hartstochtelijke manier de wezenlijke nostalgie van de ware Dichter te voelen…

2423191-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg        2423191-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg



Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten