Naar de inhoud

Felix Timmermans

Vlaamse schrijver, dichter en schilder * 1886 - 1947 *
akke.beakke.be

Archief

Lier gegroet, nog duizend pluimen op uw hoed - Willem Hartering

Lier Gegroet, nog duizend pluimen op uw hoed!

Door Willem Hartering – 14/11/1981

Madam Timmermans, een hoogbejaard, klein dametje, komt in de brede gang van haar witte huis in lier kijken naar de meneer uit Holland die slinks is binnengeloodst door een goede kennis, want ze ontvangt geen mensen meer. Negenentachtig jaar is nu Marieke, aan wie de gevierde Vlaamse schrijver 65 jaar geleden zijn wereldsucces 'Pallieter' opdroeg, het verhaal van de grote levensgenieter, wiens lief Marieke heette.
"Felix! Maar ja!" roept ze met een stralende, blijde glans in haar bruine ogen, "ja, die zat lang te denken bij het schrijven en aan zijn pijpken te smoren. Dan riep hij: Ja, zo moet het! Zo is het goed! En dan schreef hij het op.
Zeker, hij las mij wel voor wat hij geschreven had en een enkele keer zei ik wel eens: "zoudt ge niet beter...
En jawel, dan veranderde hij het."
Ze toont schilderijen van haar man en pentekeningen, waarmee hij zijn boeken illustreerde, samengebracht in grote lijsten, want de beeldende kunst nam een grote plaats in bij Felix Timmermans.
Timmermans, één van de grote zonen van Lier, is al 34 jaar dood, maar Marieke leeft op een ontroerende wijze op bij de herinnering aan de man die schreef:

"Marieke leunde over de haag, en zag en luisterde den donkeren nacht in, naar waar een vuur brandde en doedelgepijp  ronkte. Daar wist zij haren man Pallieter, want zo iets was van hem.
Daar wist zij hem, dien zij groot en sterk liefhad... Maar ze wist dat hij haar ook liefhad en misschien denkend was aan haar, terwijl hij die nachtelijke muziek bijwoonde.
Ja, dat voelde ze, dat maakte haar zalig en dronken, en zij had thans op zijn borst willen rusten en in slaap vallen, gesust door vrome,   aandoenlijke muziek, "O, dagenmelker!" zuchtte ze van ongekenden wellust en ze bleef staan luisteren naar de doedelzakken "...

2422510-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Dochter Lia vertelt in haar boek "Mijn Vader" hoe die twee aan elkaar zijn gekomen.
"Tegen dat 'Pallieter' bijna af was leerde vader Mama kennen. Op de markt in Lier stond er altijd gedurende den zomer een kiosk, waar 's zondagavonds muziek werd gespeeld, nu nog. Vóór den anderen oorlog wandelden dan de jonge meisjes er rond on de éne richting, en de jonge mannen in de andere richting.
Als Papa dan de grote bruine ogen van moeder zag, nam hij zijn hoed af en groette. Dat was in dien tijd van veel betekenis, en enkele maanden daarna waren ze getrouwd."

Schoon Lier
Ik heb deze week een dag rondgelopen in Lier, een parel van een oude Vlaamse stad tien kilometer ten oosten van Antwerpen, en overal ben ik Felix Timmermans tegengekomen.
Op pleinen, kaden en straten, die hij zo beeldend heeft beschreven in 'Schoon lier', in hofjes, bij heiligenbeelden, in kroegen en in de herinnering van de mensen.
"Ik weet nog zeer goed hoe Timmermans door de stad liep, een stevige, corpulente man, die gaarne een praatje maakte met de geburen," zegt de heer Karel Roofthooft die 24 jaar lang gemeentesecretaris van Lier is geweest en een Belgische gemeentesecretaris is meer dan een halve burgemeester.
"Goedenmorgen, meneer de secretaris, alles goed, meneer de secretaris," zeggen voortdurend passerende Lierenaars als hij mij rondvoert door de gemoedelijke, kalme stad in het grijze novemberlicht.

Zonneklopper
"Timmermans wandelde en praatte. Hij was in de café's geen tafelspringer, geen man die grote feesten maakte. Met eten was dat anders. Hij at graag veel van een gewone pot. Kreeft en kaviaar waren aan hem niet besteed. En... hij was een zonneklopper: hij ging gaarne buiten de stad aan de Nethe een pijpken liggen smoren in het gras en dan gingen zijn gedachten aan het malen en ontstonden zijn verhalen."

Van dat luieren in het gras, dat geen echt luieren was, maar een middel om het moeilijke schrijfproces op gang te brengen, zien we fraaie foto's in het Timmermans-Opsomerhuis, een gezellig museum met krakende eikenhouten vloeren, gewijd aan Lierse kunstenaars: Timmermans met een majestueuze buik zit als de verpersoonlijking van het vette Vlaamse leven in het gras met zijn kinderen om zich heen.
Natuurlijk zijn er ook zijn boeken in tientallen talen, tot in het Litauws en Japans toe.
En er staat zijn werktafel: een eenvoudig houten tafeltje met een kleedje, een schrijfmap met dansende nymfen op de omslag en een tabakspot; verder zijn zwarte hoed met brede rand en zijn wandelstok.
Een stilleven, dat bewijst, dat een schrijver niet veel meer nodig heeft dan een pen en een stuk papier.
Alleen... hij moet wel wat te vertellen hebben.

2422510-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg     2422510-032b2cc936860b03048302d991c3498f.jpg       2422510-18e2999891374a475d0687ca9f989d83.jpg

Fantasie
En dat had Timmermans.
Zijn dochter: "Onze Pa kon alles vol aandacht bezien en dadelijk schoot hem een vergelijking of beeldspraak te binnen. Hij had een buitengewone fantasie. Als de bladen geel schitterden in de herfstzon, zegde hij:
’t Is goud dat van de bomen drijft"...
Over windmolens "zij zwaaien hun armen als vreugdige kinderen"...
Hij moest op de één of andere manier uiting geven aan zijn bewondering en op een keer zegde hij het aan de vrienden: "Mannen, ik ga een boek schrijven!"
Hij kocht perkamenten bladen, twee ronde pennen, twee verschillende kleuren inkt om de beginletters mee te versieren, en schreef elken dag over de natuur, zoals hij ze dien dag gezien had.
Maar na enkele dagen wist hij niet meer wat te schrijven: het weer was altijd hetzelfde gebleven.
Dat kon hij geen heel jaar lang volhouden, er was iets aan te kort: een mens! "
Toen deed Pallieter zijn intrede als eerste van een lange reeks Timmermans-figuren: Pieter Bruegel, Leontientje met haar ongelukkige liefde, Juffrouw Symforosa, het verliefde begijntje, boer Wortel die ondanks alle tegenslag toch een psalm zingt, Vettigen Teen die een zilveren lievevrouwenbeeldje steelt en daaraan sterft.

Begijnhof
Het beeld, dat Timmermans tot dat verhaal inspireerde, staat in een nis achter glas met een heel rijm erbij naast de ingang van het begijnhof, het is "uit Holland langs de baren der zee, hier aangespoeld en in onze stad gevaren".
In het begijnhof zelf, één van de mooiste van heel Vlaanderen, met hobbelige straatjes, kleine witte huisjes, muurtjes, poortjes en tuintjes, een oase van rust, waart ook "den Fé" nog rond. De huisjes hebben namen als " 't Piepenholleken" en " 't Soete Naemken" en een straatje heet "Hemdsmouwken".
Hier woonde Timmermans' begijntje Symforosa en in het Hellestraatje de simpele hovenier Martienus in wie zij, ondanks haar grote schroom, een echtgenoot zag, maar die daar niets van begreep en kloosterbroeder werd.

In de kerk van het begijnhof, een voorbeeld van Vlaamse barok, speelt iemand op het orgel en het allerlaatste Zusterken Begijn dat nog over is, een 81-jarig wijfje, roept naar boven dat hij moet ophouden, want het is twaalf uren en ze moet de klok luiden. Dan pakt deze laatst overgeblevene van die eindeloze rij zedige vrouwtjes die eeuwenlang de hof hebben bevolkt, een dun touw, dat in de donkere hoogte verdwijnt, en luidt, met buigende bewegingen van haar ronde lichaam, een ijl klinkend belletje.

Portret
Felix Timmermans vind je zelfs in het stadhuis, "de hersenpan van de stad", zoals hij het noemt in zijn lyrische beschrijving 'Schoon Lier'. Daar hangt een levensgroot portret ten voeten uit van Felix, de buik vooruit, de duimen in de armsgaten van zijn vest, gemaakt door zijn vriend, de schilder baron Isidoor Opsomer, krachtig Vlaams expressionist, wiens werk ook te zien is in het Timmermans-Opsomerhuis.
En in een café aan de Grote Markt, waar vier gezette madammen een middag winkelen onderbreken om met smaak gigantische Dames Blanches te verorberen (grote coupes met ijs, warme chocolade en veel slagroom) kijkt weer Felix Timmemans toe. Niet alleen als gebrandschilderd portret met een lichtje erachter, maar ook van buiten.

2422510-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

Staartster
Door het raam, boven de draaimolens, schiettenten en eetkramen van een van de talrijke kermissen die op gezette tijden op de Grote Markt worden gehouden, zien we de slanke stadhuistoren, door Timmermans uitgetekend en beschreven als "de silhouet van een uitgesneden lans, de dunne, lenige belforttoren.
Een dwalende staartster is op de spits blijven haperen en wijst nu de winden aan".
Zo beschreef Felix de toren uit 1369, die hij zijn leven lang al kende, fris en vol fantasie alsof het een nieuwstadsbeeld voor hem was.

Hij had daar zelf een verklaring voor: "Zulk een stad en land helpt de verbeelding... Een land dat inspiratie in den dichter giet... Gegroet, O Lier, gegroet, gegroet Lierke Plezierke. Nog duizend pluimen op uw hoed!"

*************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 14:40 Reageer op dit bericht

De Timmermans-tegeltjes - Ward Poppe en Philip Vermoortel

De Timmermans-tegeltjes en KSA Noordzeegouw

Jan Cocle (1924-2019) was van 1960 tot 1962 gouwproost van KSA Noordzeegouw (West-Vlaanderen). Om ‘de kas te spijzen’ verzonnen jeugdbewegingen allerlei acties zoals WC-papier of lucifers verkopen, maar Jan Cocle, die Lia Timmermans kende, kwam op het idee om tegeltjes te verkopen met tekeningen van Felix Timmermans. Ze werden niet speciaal voor KSA gemaakt, maar bestonden al, en de gouwproost besloot om daarin te investeren. De verkoop werd echter geen succes.

Gelukkig was de toenmalige leverancier van KSA-hemden, de Firma Celesta uit Wevelgem, bereid om als betaalmiddel 1.400 Timmermans-steentjes te accepteren met de bedoeling om ze tegen 70 BEF (± 1,80 euro) per stuk te verkopen, wat 98.000 BEF moest opbrengen. Maar ook dat viel tegen, wellicht mede omdat 70 BEF toentertijd veel geld was. Op een koele morgen stonden de 1.400 tegeltjes terug in de poort van het secretariaat van KSA-Noordzeegouw in de Leenstraat 50 in Roeselare. De leverancier wilde zijn rekening toch liever betaald zien in klinkende munt. Dat heeft zelfs tot een rechtszaak geleid waarover in een vonnis van 19 november 1964 uitspraak is gedaan in het nadeel van KSA.

2421027-f19c9085129709ee14d013be869df69b.png     2421027-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg

                                                                                        (De vier tegeltjes tegen de muur geplakt)

In 1963-1964 verhuisde de gouwleiding van de Leenstraat 50 naar het Centrum Licht en Ruimte in de Oostnieuwkerksesteenweg 51, eveneens in Roeselare. De leiding had toen wel andere zorgen dan de tegeltjes van Timmermans, die bovendien verpakt waren in loodzware dozen die ook verhuisd moesten worden. Op den duur werden de steentjes een blok aan het been in plaats van een kans om de kas te vullen. Ze verdwenen in de kelders van Centrum Licht en Ruimte en hoe vaker ze verplaatst werden, des te minder bleven er over want ze wilden ook al eens breken. Waterschade deed de dozen waarin ze verpakt waren ook al geen goed.
In maart 1997 werd de archiefgroep van KSA Noordzeegouw opgericht onder de naam ‘Altijd jarig’. De enige nog overblijvende doos steentjes is toen geïnventariseerd. Ik heb meer dan tien jaar geleden drie tegeltjes vastgelijmd in het torengebouw van KSA-heem Monsalvaet in Heuvelland. Een vierde tegeltje werd mij in 2018 bezorgd door toenmalig gouwleider Pol Vandenbulcke en dat heb ik naast de vorige drie eveneens stevig vastgeplakt zodat ze daar nu alle vier te bewonderen zijn.

Ward Poppe
Gewezen Gouwsecretaris KSA Noordzeegouw en gewezen voorzitter vzw K.S.A-heem Monsalvaet


In het jaar 1964 trad Guido Gielen aan als gouwleider van KSA Noordzeegouw. Hij was mijn leraar Latijn in het Onze-Lieve-Vrouwecollege in Assebroek, waar ik van 1968 tot 1974 school heb gelopen. In mijn tweede of derde humaniorajaar vroeg Guido Gielen me of ik ‘zijn’ tegeltjes wilde verkopen. Ik zie me nog vooraan staan in de studiezaal vanwaar ik, gewapend met een loodzware zware houten koffer vol Timmermans-steentjes, mijn medeleerlingen ervan probeerde te overtuigen om allemaal minstens eentje te kopen. Het is me nog gelukt ook. Voor zover ik me herinner, heb ik ze allemaal verkocht, niet alleen op school, maar ook daarbuiten.

2421027-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

Ik had vier verschillende tegeltjes in de aanbieding: boom met kapelletje, landschap met maan en zon, Ave Maria en een à la Santa Maria van Columbus. Blauwe tekeningen op een witte achtergrond, formaat 9 x 9 centimeter. Precies dezelfde als de vier die Ward Poppe in Monsalvaet heeft vereeuwigd. Ze hebben bij ons thuis altijd in de keuken op de schouw gestaan. Twee zijn eraf gevallen en in tweeën gebroken. Mijn moeder heeft ze geplakt en onder alle vier een reepje vilt gelijmd zodat ze niet meer konden wegglijden zoals op deze foto te zien is.

Hoeveel ik van Guido Gielen voor een tegeltje moest vragen, weet ik niet meer. Ward Poppe vermoedt dat de opbrengst bestemd was voor het ‘kamp Tirol’, een kamp voor de leerlingen van het Onze-Lieve-Vrouwecollege dat georganiseerd werd door KSA-gouwleider Gielen. De leiding bestond uit enkele leraars, maar vooral uit KSA-leiders. Dat Gielen op die manier de vakantiekampen van zijn eigen KSA beconcurreerde, werd hem door de leiding van Noordzeegouw niet in dank afgenomen.

Op 10 mei 2018 heb ik met vrienden en collega’s een uitstap georganiseerd naar Lier, waar Walter Sluydts, vrijwilliger in het stadsarchief en Timmermans-fan, ons op een onvergetelijke manier heeft rondgeleid. Ik had vooraf geïnformeerd bij Mon Van den heuvel, eveneens vrijwilliger in het stadsarchief en een nog groter Timmermans-fan, of hij in zijn archieven de vier tegeltjes van mijn moeder had. Hij had ze niet. Ik wel. Maar twee ervan waren, zoals gezegd, gebroken. Gelukkig was Astrid Hooyberg, archivaris van de archiefgroep ‘Altijd jarig’, bereid om mijn vier tegels te ruilen tegen vier ongeschonden exemplaren uit de enige overgebleven doos. Die heb ik op 10 mei 2018 na de rondleiding in Lier geschonken aan de Timmermans-enthousiastelingen Mon en Walter en ze waren er erg mee in hun nopjes.

Het Timmermans-archief bleek nog vijf andere tegeltjes te bezitten met daarop: een kruik bier, een drinkebroer, druiven, twee molentjes en een torenhaan met kruis. De collectie was nu compleet. Althans, dat dachten wij. Maar op 2 augustus 2021 liet Jan Schroven, ook een fervent bewonderaar van Timmermans, mij weten dat hij een tiende tegeltje had met twee fluitspelers en een half zichtbaar kapelletje. Mon Van den heuvel merkte echter meteen op dat het tiende tegeltje niet ondertekend was met de initiaal van Timmermans waarin zowel een T als een F te herkennen zijn. Het tiende tegeltje heeft alleen de F. Bovendien is de stijl van de tekening niet die van Timmermans. We mogen dus met vrij grote zekerheid aannemen dat we hier niet te maken hebben met een authentieke Timmermans-tekening. Hieronder een uitsnede van beide initialen.

2421027-032b2cc936860b03048302d991c3498f.jpg

Maar Mon Van den heuvel heeft nog meer ontdekt. De in het Frans schrijvende Vlaamse schrijfster Marie Gevers (1883-1975) geeft in 1929 haar Almanach perpétuel des Jeux d’enfants. Chansons de Marie Gevers uit. Het boekje bevat voor elke maand een vers over een populair kinderspel. In 1936 verschijnt een Nederlandse vertaling en in 1938 een Duitse. Timmermans heeft er de illustraties voor getekend. Voor de maand juni maakte hij ‘De fluitspelers’, een tekening met twee fluit spelende kinderen. De tekening op het tegeltje is een slechte kopie daarvan, gemaakt door een (tot nu toe) onbekende hand. Hieronder het origineel en de kopie.

2421027-d0096ec6c83575373e3a21d129ff8fef.jpg

Naast de negen blauw-witte tegeltjes van 9 x 9 die met zekerheid van de hand van Timmermans zijn, bestaan er, zo liet Jan Schroven mij nog weten, minstens drie tegels van 15 x 15 centimeter met daarop, in paarse tint, een molen, een kaarsenaansteker en een kraai. Op de achterzijde van die tegels staat ‘Royal Sphinx Maastricht’. Op 3 augustus heeft Mon Van den heuvel daaraan toegevoegd dat hij een veelkleurige tegel heeft van 24 x 12 centimeter met het motto ‘En toch’. Dat zijn in totaal veertien tegels met tekeningen van de Fé, waarvan één met een kopie door een onbekende.

Bij de voorbereiding van de rondleiding in mei 2018 heb ik voor het eerst opgemerkt dat op de keerzijde van de 9 x 9-tegeltjes gestempeld was ‘Copyright G. Timmermans’. Dat kan niemand anders zijn dan Gommaar Timmermans, de enige zoon van Felix. Mon Van den heuvel heeft het hem gevraagd en hij blijkt inderdaad de opdrachtgever te zijn geweest.

Zo zijn de Lierse tegeltjes die door Felix Timmermans getekend en door zijn zoon Gommaar geproduceerd werden, via een ijverige aalmoezenier en een teleurgestelde leverancier in een Assebroeks college terechtgekomen, alwaar ze verkocht zijn om een jongerenkamp te bekostigen in Tirol. Als de Fé dat nog had kunnen beleven, hij zou er een spannend verhaal van hebben gemaakt.

Philip Vermoortel - (Bonds)leider van KSA Sint-Trudo (Assebroek) van 1971 tot 1983
Augustus 2021

Alle tegeltjes die in deze bijdrage ter sprake zijn gekomen

2421027-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg



Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 11:18 Reageer op dit bericht

Pallieter wint het van Wortel - Gaston Durnez

Pallieter wint het van Wortel.

Door Gaston Durnez uit De Standaard.

Was Boerenpsalm het beste werk van Felix Timmermans? De diskussie zal wel weer geopend worden, nu het Davidsfonds een nieuwe druk brengt en Roland Verhavert zijn film gaat voorstellen. Voor mij was het een welkome gelegenheid om de roman, na jaren, nog eens te lezen. Ik heb er veel genoegen aan beleefd.
De lektuur vloog vooruit. Maar mijn oordeel heeft zij niet veranderd.
Voor mij is Boerenpsalm een der beste boeken van de grote Lierenaar. Zijn Meesterwerk echter blijft Pallieter.

De levensblije dagenmelker uit het Neteland haalt het bij mij op zijn dramatische streekgenoot Boer Wortel, omdat hij om te beginnen origineler is. Pallieter had geen model, hij sprong te voorschijn uit een feestelijke verbeelding en groeide tot een paradijselijk zinnebeeld dank zij het toverstokje van de Goede Fee, dat wil zeggen: dank zij de overdonderende kleurenpracht van zijn taal. Een serie anekdoten en natuurimpressies werd moeiteloos tot een myte omgevormd, zo zinnelijk beroerend dat het nog lang zal duren eer haar aantrekkingskracht zal verbleken. Hoe sterk de Boerenpsalm ook weerklinkt, tegen de geluidsgolven van het Pallieteriaanse levenslied kan hij niet op.
Zijn herkomst is zeker niet zo origineel en men voelt (ik voel) in het boek nog altijd iets van de kunstmatige konstruktie.

2422229-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg      2422229-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg

Timmermans wilde met de in 1935 verschenen roman een antwoord geven op de kritiek die zijn jongste boeken niet goed had onthaald. Pijp en toebak en De Krabbekoker waren inderdaad, in al hun charmante "koleurigheid", verhalen uit de onderste lade. Boerenpsalm moest ze in één slag doen vergeten en tonen dat de kunstenaar ver van uitgeschreven was. Dat is dan ook gebeurd.
Timmermans koos een onderwerp uit de traditionele Vlaamse heimatkunst, maar verhief het meteen boven dat niveau door van zijn hoofdfiguur opnieuw een symbool te maken. Dat deed hij, zonder zijn eigen aksent te verliezen, in een meer direkte stijl dan vroeger, een stijl die aansloot bij de toen opgeld makende Nieuwe Zakelijkheid.
Zijn bewonderaars, die aan het twijfelen waren geraakt, juichten dolgelukkig, en ook vele anderen erkenden dat de Fee, na een Nieuwe Adam, nu een Nieuwe Adem had gevonden.

"Synteze van boerenromans"
De geschiedenis van de boer met de veelbetekenende naam Wortel is eenvoudig. In de ik-persoon vertelt hij zijn alledaagse leven van kleine landman (in de magere omgeving van Lier, op het einde van de negentiende eeuw). Dat leven is een voortdurend gevecht met de grond, die hij pacht van "het kasteel", zowel als een gevecht met tegenslagen en met het eigen temperament.
Veel vreugde valt daarbij niet te rapen, evenmin in zijn gezin.
Zijn religieuze natuur, aangevreten door oeroud bijgeloof, helpt hem (soms) om recht te blijven. Toch vindt hij nog reden genoeg om, "op harpen en snaren", de lof te zingen van zijn land en zijn God. Die lyriek staat wel ver van de sfeer in de verhalen van Buysse of Streuvels. die zowat in dezelfde tijd zijn gesitueerd.
Het verschil is natuurlijk, dat Timmermans, ondanks de realiteit van decor en omstandigheden, geen realistische boer ten tonele heeft gevoerd.

Dat heeft de literaire kritiek toen goed begrepen. Filip de Pillecyn en Urbain van de Voorde spraken over "een synthetische boer". Een der beste bijdragen las men in De Standaard van 21 september 1935. Daarin typeerde Van de Voorde de roman als een "synthese van alle boerenromans, maar bijna geheel los van dit tot vervelens toe beoefende genre". Wortel kwam hem voor "als een soort landelijke half-god uit de grijze voortijd".
Op die hooggestemde bijdrage kwam de week nadien een antwoord van iemand die geen literator was maar een historicus en die het landelijke leven zeer goed kende: Dr. Jan Lindemans. Boerenpsalm, zo zegde hij, "is schitterend van kleed doch al te veel van de inhoud is onlogisch, onecht en gaat. aan onze ziel voorbij".
Voor de nuchtere buitenmens Lindemans was de roman duidelijk door een stadsmens geschreven.
Het zinnebeeld herkende hij niet.

Over de vernieuwde stijl van Timmermans is ook heel wat te doen geweest. Daarover bezorgde de volkskundige Jack Verstappen ons een interessant getuigenis van Raymond Kimpe, een schilderende ingenieur en jeugdvriend van Timmermans, die na de Eerste Wereldoorlog naar Zeeuws-Vlaanderen was uitgeweken om de aktivistenjacht te ontlopen. Kimpe ging er terecht prat op, dat hij indertijd mee aan de wieg van Pallieter had gestaan. Ook voor Boerenpsalm heeft hij een inspirerende rol gespeeld. "Ik was het die hem de stoot ertoe gaf", zo vertelde hij aan Verstappen. "Ik meende, dat de Fee het schrijven al te gemakkelijk opvatte.
Ik ontwaarde geen grootheid meer in zijn werken. Het was mij te uitsluitend anekdotisch geworden, ik had toen pas Sjolokov's De stille Don gelezen en dit boek had me biezonder aangegrepen.
Ik schreef de Fee nadrukkelijk dat hij Sjolokov lezen moest. Hij las het en het is de aanleiding geworden tot veruit het beste werk dat ooit door de Fee werd geschapen".

2422229-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Wie De Stille Don kent, zal daar misschien verbaasd bij opkijken. Heeft die bloedige (en kommunistische) roman uit de tijd van de Russische revolutie Timmermans werkelijk beïnvloed?
Er komen "landelijke" passages in voor, maar het zal wel de snelle stijl zijn die de Lierenaar heeft bekoord.
Een andere, meer voor de hand liggende verwijzing vindt men bij Gerard Walschap. Bij het herlezen van zijn roman Trouwen uit 1933 zag ik daarin een duidelijk spoor naar Boerenpsalm vertrekken.
Zoekend naar bevestiging van die indruk las ik de Gesprekken met Walschap die Albert Westerlinck in 1969 publiceerde. En daarin staat het zwart op wit: "...zonder hoogmoed en valse nederigheid, moet ik u zeggen dat ik Boerenpsalm altijd als een navolging van mijn werk heb beschouwd". Walschap zag dat geenszins als een plagiaat of als een "vermindering" van Timmermans. "Het boek is niet zijn beste werk, zoals wel eens beweerd wordt, maar wel het beste bewijs van zijn vakmanschap".

Er is nog iets dat men af en toe over Boerenpsalm hoort zeggen: het boek zou een uiting van de "bloed en bodem-teorie" zijn. Urbain van de Voorde heeft daar in 1935 al iets op geantwoord. Het werk, zo zegde hij, is "een teken van de tijd, nu de boer weer in het centrum der belangstelling wordt gerukt door de politiek van het "terug naar het land", door de nationaal-socialistische romantiek van "bloed en bodem ".
Maar ook zonder deze hedendaagse ideologie kon Timmermans dit boek geschreven hebben; het ligt geheel in zijn lijn." Kenners wijzen het verband tussen het boek en de teorie af.

Om de goede reden dat Timmermans' werk gewoon in de Vlaamse traditie wortelt. Zij voegen er aan toe, dat de Duitse vertaling van het boek in de jaren dertig en veertig veel minder bijval oogstte dan zijn vorige, mindere werken.
Een grote oorzaak zal wel zijn, dat het voor nazi's veel te godsdienstig van aard was.

**************

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door Mon om 11:16 Reageer op dit bericht

Het spekbuikige Brabant en het magere Kempen land - Marcel Pira

Tussen het spekbuikige Brabant en het magere Kempen land

Door Marcel Pira uit straal van 6 maart1986.

De gezaghebbende Timmermanskenner bij uitstek, lic. José De Ceulaer, medestichter en voorzitter van het Felix Timmermans-genootschap, heeft rake bladzijden over de auteur geschreven. In de reeks "Ontmoetingen" (1) schrijft hij: "De pogingen om het Vlaamse volkskarakter te bepalen hebben ertoe geleid de Vlaming 'mystiek en zinnelijk' te noemen, een terminologie die door Felix Timmermans zélf bij voorkeur werd gebruikt. Men is nochtans geneigd een onderscheid te maken tussen de bewoners van het vroegere graafschap Vlaanderen en die van het voormalige hertogdom Brabant, en in die laatste volksgroep pleegt men op geologische grondslag een onderscheid te maken tussen de bewoners van 'het spekbuikige, overvloedhoornige Brabant' en die van het 'mijmerend, magere Kempen land' (2). 
Welnu, de grens tussen de vruchtbare Brabantse kleistreek en de magere Kempense zandgrond loopt juist doorheen het grondgebied van Lier, waar Felix Timmermans werd geboren...

In zijn werk is er soms een merkwaardige en soms verrassende harmonie tussen die twee elementen, die doorgaans nochtans als tegenstrijdig worden beschouwd. We zouden het met zijn eigen woorden eenvoudiger kunnen uitdrukken: bij hem staat de herberg naast de kerk, hij looft God met een stuk spek in zijn mond.

En wat belangrijk is: die harmonie was geen literaire pose, ze groeide uit zijn natuur, uit zijn wezensaard."
Bekend is zijn definitie van de mystiek: "Mystiek is een geheimzinnig en geheim leven waarin God meewerkt".
Ook Bruegel schreef hij een zachte tragiek en een vroom geloof toe: "O, gij lacher, spotter, mystieke, triestige, tragische, wijze en triomfante mens" (3) . En over de menselijke gebreken schrijft hij in zijn Adriaan Brouwerroman: "Onze gebreken zijn een deel van onze kracht"

2422037-799bad5a3b514f096e69bbc4a7896cd9.jpg         2422037-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

PALLIETER
We zijn gaan praten te Oostende met zijn oudste dochter Lia. Een urenlang gesprek in een fijnzinnig interieur waarin de herinneringen aan de auteur de woorden glans en maat geven. Lia Timmermans heeft in 1951"Mijn vader" gepubliceerd, een eerlijke levensverkenning die een bestseller werd en de waarde blijft behouden van een document. Het boek heeft mythevorming rond Timmermans de pas afgesneden. Als rechtstreekse getuige en met een vertelkunst als een appel die niet ver van de boom valt, heeft ze het leven van haar vader tot ware dimensies herleid. Hierdoor kan men de aard en de bedoeling van zijn werk beter begrijpen.

Neem Pallieter als voorbeeld. Wat wilde Timmermans met die figuur bereiken? Lia Timmermans: "Hij moest op een of andere manier uiting geven aan zijn bewondering en op een keer zegde hij aan de vrienden: "Mannen, ik ga een boek schrijven!". Hij kocht perkamenten bladen, twee ronde pennen, twee verschillende kleuren inkt om er de beginletters mee te versieren, en schreef elke dag over de natuur, zoals hij ze die dag gezien had.
Maar na enkele dagen wist hij niet meer wat te schrijven, het weer was altijd hetzelfde gebleven. Dat kon hij geen jaar lang volhouden, er was iets aan te kort: een mens! Een mens, die dat alles bewondert en zo door de natuur gaat, die alles aanvaardt, goed weer, slecht weer, zon, regen en sneeuw.
Bij alles wat vader nu zag, verbeeldde hij zich die mens erbij. Hij zag hem door het bos wandelen, aan de Nethe zitten, op het ijs schaatsen, door de regen lopen, door een beek waden, God loven en danken in Zijn natuur.

Onze pa kende echter niemand die zo was en hij zelf zeker niet, Hij verzon dan Pallieter. Toen hij het boek aan Pastoor Verriest liet lezen, riep deze enthousiast uit: "Dit is een nieuw geluid in onze Vlaamse letteren. Maar", zegde hij, "Pallieter zélf kan ik mij niet voorstellen".
"Heel goed, antwoordde vader, zo moet het zijn. Pallieter is niet die met zijn bruin haar of die met zijn blond haar of die grote of die kleine; hij is een verlangen om te bewonderen."
Het boek was rap bedacht, maar onze pa heeft er lang aan geschreven. Van alles over het land en het veld, het groeien en bloeien van bomen en gewassen, wilde hij het fijne te weten komen. Overal vroeg hij inlichtingen en schreef die dan op. Ook later ging hij veel naar de buiten en sprak met de boeren, van wie hij er veel van dichtbij en intiem leerde kennen.
Op de lange duur wist hij al even goed als de buitenmensen wanneer het weder gunstig was voor de klaver, welk het beste moment was om peekens te zaaien, of dit jaar de patatten zouden lukken en of de oogst niet zou gaan schieten op het land.

En reeds van in die tijd is het begin te vinden van hetgeen jaren in hem zou groeien en later Boerenpsalm zou worden (4). Ook het landschap is helemaal uitgedacht. Op een keer kwam er een heer naar Lier. Hij had Pallieter gelezen en wilde die heerlijke natuur en die eeuwige Begijnenbossen nu toch ook eens zien.
Nadat hij een hele dag langs de Nethe had gewandeld, en slechts hier en daar enkele bomen had zien staan, kwam hij naar vader en vroeg, een beetje uit zijn humeur: "Waar zijn nu die eeuwige bossen waar ge in uw boek van spreekt?" Papa kon niet anders dan antwoorden: "Ik weet het ook niet". Enkele dagen nadat het boek af was, brak de oorlog uit. Willem Kloos was al eerder geestdriftig geworden en liet er fragmenten van publiceren in zijn maandschrift "De nieuwe Gids". Het boek veroverde de wereld. Er werden vertalingen gepubliceerd in het Duits, het Engels, het Frans, het Tsjechisch, het Roemeens, het Sloveens, het Pools, het Italiaans, het Deens, het Fins, het Serbisch, het Esperanto en andere talen. Het veroverde een stevige plaats in de Europese letterkunde. Timmermans zelf vermoedde er niets van.

De oorlog woedde. Na de oorlog werd hij bestormd om overal voordrachten te komen geven. Vooral in Holland. Lia hierover: "En dan verschoten zij, schreef onze pa zelf, als zij met mij kennis maakten en riepen ontgoocheld uit: Zijt gij Pallieter? Ik had u twee koppen groter verwacht, met blozender kaken en een lachender gezicht, meer Uilenspiegelachtig, olijker, uitbundiger en joelender.
Men is ontgoocheld omdat ik geen Pallieterfiguur ben, zo stil ben en zelden geestdriftig word; dat ik meer naar binnen dan naar buiten leeft, niet te paard rijd, geen waaghals ben, niet op de buiten woon en de bomen van verrukking niet omhels."

BLIJHEID BRENGEN
Lia Timmermans heeft in geschriften en toespraken de gedachtenis aan haar vader opgeroepen om ze naar waarheid te laten leven voor het nageslacht. Toen het groots opgezette Timmermansboek onder impuls van Maurits Naessens werd gepubliceerd door het Mercatorfonds, heeft ze de krachtlijnen geschetst langs waar leven en werk van Felix Timmermans zich bewogen om het goede, het schone en het ware in dit leven te dienen.
"Dat juist is misschien wel het schoonste wat vader van zichzelf gegeven heeft: het meedelen der grootste vreugden in het leven. In een bijna kinderlijk-overmoedige brief, die hij op vijftienjarige leeftijd aan z’n ouders schreef, stelde hij zich tot levensdoel zijn medemensen meer blijheid te brengen en "de wereld op te klaren".
Heel zijn leven is hij trouw gebleven aan dit ideaal. Dat was alleen mogelijk door de kracht van zijn persoonlijkheid, die vooral gebaseerd was op zijn oorspronkelijkheid en nog meer op zijn goedheid.
"Het enige doel in ons leven" — zo schreef hij later— "is: goed zijn".
Zijn weemoed, zijn droefheid, zijn twijfels, moeilijkheden en zijn grote angst, hield hij zoveel mogelijk voor zich alleen. Slechts de blijheid trachtte hij mede te delen.

2011177-8cda81fc7ad906927144235dda5fdf15.jpg

Hij vermocht dit door de stille kracht van zijn persoonlijkheid. Zijn "présencè" was zó groot dat iedereen, die bij hem was, zich gelukkig voelde. Door het talent van zijn dichter- en schrijverschap, kon hij ook de lezers van zijn boeken gelukkig maken. De overweldigende vreugde om de schoonheid van het leven en de natuur; de vreugde om de bewondering van de hele schepping, waarin de Almachtige uitstraalt, heeft hij, als een hoorn van overvloed, uitgestort in zijn "Pallieter".

De vreugde der innerlijke rust en der stille kracht, die het geloof schenkt, bloeit open voor ons in "De Pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt". De mystieke blijdschap van de ziel in haar opgang tot God, heeft hij uitgezongen in "De Harp van Sint Franciscus".
De vreugde om de aanvaarding van het leven; de niet nader te bepalen tevredenheid van de dagelijkse arbeid; van de dankbaarheid om de overwinning in de moeilijke levensstrijd wordt ons meegedeeld door boer Wortel in „Boerenpsalm". Het onverklaarbare geluk van de offerende liefde; van het zichzelf wegschenken, glanst in al zijn vrouwenfiguren, zoals Symforosa, Cecilia, Veronica, Leontientje, Fien, de vrouw van Wortel en vele anderen. De niet mee te delen, tintelende vreugde van het schilderen; van de scheppingsdrift; van de zekerheid een levenswerk te hebben volbracht, heeft hij tóch geschilderd in "Pieter Bruegel" en "Adriaan Brouwer".
De broze vreugde om de hoop; de kleine lieve dingen in het leven; om de vriendschap, de moed, het vertrouwen, verlicht al de figuren uit zijn vertellingen; de eenvoudige, simpele mensen, de arme mensen, waarover en waarvoor hij met zoveel liefde geschreven heeft.

Hij heeft de armoede niet sympathiek voorgesteld, maar wél de arme mensen. Hij heeft ze niet opstandig gemaakt en bitter. Hij heeft er nooit om gelachen, maar hij heeft hun humorvolle lach niet gesmoord en hun kinderlijke hoop niet gedood. Hij heeft hen de blijheid gegeven van hun eigen milde humor en hen verlicht met de lamp van hun eigen geloof.
Op het einde van zijn leven heeft vader, spijts ziekte en verdriet, een onuitsprekelijk geluk gekend; een geluk dat niet meer van deze aarde was, in het benaderen van God.

Zelfs deze — zo innig-persoonlijke vreugde — heeft hij willen meedelen, waar hij schrijft in Adagio:

                                                              'k Zou van mijn woorden, van mijn taal,
                                                     een glinsterende schaal
                                                     van 't puurste maaksel willen gieten,
                                                     waarin ik Uwen eeuwgen naam
                                                     met al zijn diept' en schoonheid saam
                                                     zou kunnen laten vlieten
                                                     en Hem, als kostelijken wijn,
                                                     aan andren doen genieten.

Het is misschien om deze vreugden — deze zo moeilijk mee te delen vreugden — die hij ons tóch geschonken heeft, dat wij hem het dankbaarst zijn. "Het is misschien om zijn gelukkigmakende boeken — schrijft de Zwitserse essayist Siegfried Streicher — dat men Timmermans méér liefheeft dan bewondert."

INSPIRATIE
In het leven van Felix Timmermans wemelt het van prettige anecdoten. De schrijver, de dichter, de voordrachtgever, de schilder, het bezoek thuis, ze kenden allemaal wederwaardigheden en verwikkelingen.
Een ervan liet me een sterke indruk na.

De drie vrienden Van Reeth, Veremans en Timmermans huldigden elk jaar in Lier de lente in en wel op Goede Vrijdag. Een gelegenheid om te spreken over architectuur, muziek, schilderkunst en letterkunde.
's Morgens wandelden ze in de stad, bezochten een kerk en het Begijnhof.
's Middags werden de goede-vrijdag-pruimen-vlaaien opgediend zo groot als een wiel.
Op een bepaalde Goede Vrijdag gingen zij uitzonderlijk de richting van Emblehem op. Daar bewoonde een zuster van Timmermans een landhuis. Men kon er ver zien over heel de vallei van de Nethe tot Nazareth.
En er was een wijnkelder met uitgelezen merken.

2422037-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Ze zagen de deur van de Allierse kapel openstaan en gingen een knie buigen. Alles blonk er en er hing de geur van stoofcarbonades, want tegen de kapel is het huizeke van de kosteres aangebouwd en haar keuken moet tegelijkertijd voor sacristie dienen. Timmermans vroeg Veremans iets te willen spelen op het harmonium. Hij deed het en Felix kwam plots diep onder de indruk van het gebeuren. Toen de drie vrienden buiten kwamen bleven ze zwijgen.
Toen sprak Timmermans: "Flor, René, van deze Goede Vrijdag, van dees uur moet er iets overblijven.
Dat landschap over de Nethe, het huis van ons Fien met die wijn, de kapel, die muziek hier, daar moet iets uit groeien". Het werd "De Pastoor uit den Bloeyenden Wijngaerdt", Veremans componeerde daarop een Sint-Franciscusmis en Van Reeth ontwierp zijn Heilige Geestkerk.

ZIEKEN EN KINDEREN
Felix Timmermans heeft het geluk beleefd de roem te mogen smaken. Maar hij was er tegen bestand. Zijn benen konden die weelde dragen.
Hij ontving de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Letterkunde 1918-1920.
In 1925 werd hij corresponderend, in 1933 werkend lid van de Koninklijke Academie van Taal- en Letterkunde.
Hij was mede-oprichter van De Pelgrim en de eerste voorzitter van de Scriptores Catholici.
In 1942 ontving hij de begeerde Rembrandt-prijs.

Slagen onder de gordel tijdens de repressie hebben hem niet gespaard.
Dat was het lot van menig kunstenaar: Vlaams en katholiek volstonden.
Hij kon zijn vijanden vergeven. Hij bad veel. Hij hield van Onze Lieve Vrouw. Zijn innigste feest was Sinksen. Als men hem iets kwam vragen, won zijn hart het altijd van zijn verstand.
Hij ontving de vernederden en de armen. Hij luisterde naar hun noden, gaf hen goede raad. Zieken en kinderen waren hem heilig. Hij was een goed mensenkenner. Hij geloofde in wat hij schreef.

Stierf haast ongemerkt in een winternacht toen alle gevaar voor een nieuwe hartcrisis voorbij scheen.
Diezelfde dag had hij nog een Engels haantje in de sneeuw getekend.
Ik vertelde aan Lia Timmermans hoe ik tijdens mijn studententijd uit Boerenpsalm en Brouwer had voorgedragen in gevangenissen en in cafés te Molenbeek tijdens de kerstnacht, tot het stil werd. En hoe we dertig later op d'Hoef van Herman Hens te Peulis hetzelfde deden voor wie luisteren kon naar die onsterfelijke ziel in het werk van haar vader. Zijn woorden die beklijven.

"Dat is zijn erfenis", sprak ze ontroerd. Mijn vader schreef: "De goedheid moet zijn als de dag, als water dat alles vult. Zoals water de vorm aanneemt waar men het indoet, zo moet de goedheid u in alle gebieden vullen."
Honderd jaar geleden en zó nabij.

(1)José De Ceulaer - Felix Timmermans - "Ontmoetingen" nr. 9 - Desclée De Brouwer 1967 – 55 blz.
(2)De cursieve tekst is van Timmermans, in "Schoon Lier", 1925 - blz. 9.
(3) "Feestgroet aan Peter Bruegel", uitgesproken bij de herdenkingsplechtigheden te Brussel op 31 mei 1924.
4)Boerenpsalm (1935) wordt beschouwd als zijn meesterwerk.

Lia Timmermans, de oudste dochter van Felix Timmermans, leeft tussen de nagelaten creativiteit van haar vader. Ze is licenciaat in de kunstgeschiedenis en oudheidkunde. Ze ontving de Prijs van de Vlaamse Provincies voor eigen publicaties: kinderboeken. Ze ontving eveneens de Prijs van de Provincies Antwerpen en West-Vlaanderen en de Prijs van de Scriptores Catholici.
Ze vertaalde de sprookjes van koningin Fabiola. Ze verwierf naam met luisterspelen en korte verhalen en met "Mijn vader", het levensverhaal van Felix Timmermans.

*************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 22:05 Reageer op dit bericht

Profiel van Felix Timmermans - Etienne De Ryck

Profiel van Leopold Maximiliaan Felix Timmermans

door Etienne DE RYCK - 1972

Vijfentwintig jaar gelegen overleed te Lier, Felix Timmermans, een der meest gelezen Vlaamse auteurs.
Maar het volk blijft hem lezen en de herdrukken van zijn talrijke werken volgen elkaar op, evenals tientallen vertalingen.
Nog maar pas, in de loop van 1970, werden weer drie van zijn werken vertaald in 't Roemeens, in 't Tsjechisch en in 't Duits.
Ter gelegenheid van de vijfentwintigste verjaardag van zijn dood, is het wellicht goed nog eens de figuur van deze grote Vlaamse auteur in herinnering te brengen.

2421180-418d2f1c0940d86048da4b4d9faeecaf.jpg

Want alles wat aan het leven raakt van een kunstenaar als Felix Timmermans, is ons uiterst dierbaar en het bewaren waard, omdat alles van die mens behoort tot onze Vlaamse rijkdom.
We bewaren toch allemaal zeer liefdevol tot de kleinste gedachtenissen van degenen die ons eenmaal duurbaar waren - de pijp van grootvader, de breinaalden van grootmoeder - en in de avond van ons leven kijken we met ontroering naar al deze nietige dingen, die ons uit de diepte van het verleden nog eens de klank laten horen van hun welvertrouwde stem.
Uit de schatkamer van dit verleden putten we vaak onze volste en reinste vreugde, want de herinnering aan een ding is nog mooier dan het ding zelf.

De pijp van grootvader, de breinaalden van grootmoeder, bij Timmermans zijn het al zijn boeken, van zijn onrustwekkende "Schemeringen in de dood" tot zijn innig "Adagio", al zijn geschriften, tekeningen, schilderijen, kaartjes en brieven aan zijn vrienden.
Dat alles maakt de erfenis uit van Felix Timmermans aan heel zijn volk, waarop het met trots in lengte van jaren kan neerzien. Uit deze grote rijkdom hebben we geput om meer in het bijzonder de persoonlijkheid van de auteur in profiel te brengen.

Lier, het oud stadje, met zijn witte gevels en blozende daken, met zijn vesten, waarop houten windmolens wenken, ligt juist op die plek, waar de drie Nethen hun loop tot één zilveren strik te samen binden.
Te Noord-Oosten rekken zich de zwijgende dennenbossen over de stille Kempen uit. Het is het land van de eenzaamheid en van de deemoed; een ingetogen, arme streek; maar een hoopvol geloof verstroost het hart van zijn eenvoudige en verlegen mensen. Het is het land der abdijen.
Te Zuiden wiegen de malse Brabantse velden met hun rijke oogst. Hier is het leven uitbundig en zijn de kerken overladen met lustig gekrul. Ook hier looft men God, maar met een stuk spek in de mond.
Het is het land van Rubens.
En langs de Westerkant probeert men op allerlei manieren zo rap mogelijk in Antwerpen te zijn. Mystiek en zinnelijkheid mengelen zich in Lier bijeen, en meer dan ergens anders vindt men hier dit verdeelde hart: de herberg nevens de kerk. Het heimwee naar de hemel en een dronk op het leven.

Zo beschreef hijzelf het stadje waar hij geboren werd. De Fee is altijd een echte Lierenaar gebleven en er is niemand in Lier die meer van zijn stadje hield dan hij.
Soms dacht hij er wel eens aan uit Lier te vertrekken en te Antwerpen te gaan wonen om enige dagen nadien weer van gedacht te veranderen, zeggend dat hij er niet weg kon : het was er te schoon!
Alles in Lier hield hem vast. De straatjes, de vesten, bijzonder de Begijnenvest met daarachter het stille Begijnhof, de St. Gummaruskerk . en vooral ook de mensen.
Daar waren typen onder die ge in een ander stadje niet vond.
Als vrienden bij hem een bezoek brachten, dan werd eerst Lier bezocht.
Langs het stadhuis naar de Zimmertoren en het Begijnhof en langs de vest naar het pesthuis.
En dan maar vertellen, want hij was fier op zijn stad.

2421180-1216526d29eac4d5c654d896d2dab74f.jpg        2421180-cc3f87581c2eb0c954f8de134b3c40c6.jpg

Ik was het dertiende kind van veertien, zo gaat hij verder, ik was een overschotje. Voor mij bleef er geen plaats meer in het trouwboekje en daarom schreef men mij dan maar op de omslag. In elk geval ik was er, daar kwam het voor mij op aan.

Zijn moeder, die van het Noord-Oosten van Lier kwam, gaf hem een eenvoudige, stille inborst en van zijn vader, de uitbundige Brabander, kreeg hij een humoristische geest en een levensblijheid, die de Fee bijzonder eigen zou worden.
Van alle twee zijn ouders hield Felix. Van zijn moeder, die hij bewonderde voor de zorg en het werk dat ze had voor die resel kinderen en die intussen toch nog de tijd vond om haar kantwinkeltje te doen floreren, en evenveel van zijn stoere vader, die met boerinnenkantenmutsen de buiten opging, van dorp tot dorp, gekleed als een boer, met lange blauwe kiel, rode halsdoek en een hoge zijde muts op het hoofd.

Want van een mijnheer, zo zegt de Fee, willen de boerinnen niet kopen, dan zijn ze bedrogen en daarom kleedde hij zich in boer en dan waren ze niet bedrogen.

Voor zijn vader had Timmermans toch 'n boontje, omdat hij zo grappig kon vertellen, en altijd iets nieuws meebracht als hij van de buiten kwam. Hij bracht eens vijfduizend meikevers mee en op een andere keer russische rapen - En dat waren geen gewone rapen, neen.

Deze rapen, vertelt Timmermans, waren in appelsienenpapierkens gewikkeld, en vader had ze gekregen van russische jagers op de grenzen van Holland. Zij hadden de vorm, de kleur en de reuk van onze rapen, maar de smaak was russisch. Ik was er zo fier over dat ik 's anderendaags t wee van die rapen mee naar school nam en mijn vrienden vonden ze nog veel russischer dan ik zelf.


En alsof hij over zijn vader niet uitgepraat geraakte, vertelde hij verder :

Vader leerde ons oude volksliederen, en speelde 's Zondags voor ons met een klein poppentheater, met houten poppekens van één cent: Faust, de Leeuw van Vlaanderen, Genoveva van Brabant, O. L. Vrouw Hemelvaart en andere dingen.
Doch weldra speelde ik met mijn vrienden die stukken zelf, gewoonlijk op een zolder of in een karrekot.
Ik ben dikwijls Faust geweest, Marino-Marinelli, Blauwbaard en zelf Jezus. Doch met deze rol eindige mijn toneelspelersloopbaan. Wij speelden het lijden van Ons Heer in het wagenkot van een hovenier. Inkom één cent. Al de wagenbanken waren vol bezet.
Ik stelde Jezus voor, had een witte slaapjapon aan en een lange krulpruik op, die mijn broer nog in de feeststoet van St. Gummarus gedragen had. Het kruis bestond uit twee latten van een spekkist.
Mijn jongste zuster deed de rol van Veronica. Zij had een handdoek bij, waarop ik met rode inkt een Jezushoofd had getekend. Een andere zuster, omdat zij lang haar droeg, speelde Maria-Magdalena.
Het dochterke van de hovenier moest de engel zijn, anders mochten wij dat daar niet spelen. Zij droeg haar eerste communiekleed, en de kelk die zij mij in het Hofken van Oliveten moest aanbieden, was een bierglas met zilverpapier beplakt. Het spel begon.

Als het schof dat uit twee aaneengedriegde voorschoten bestond, openging, zat ik daar geknield tussen twee bloempotten. De engel verscheen. Ik zei wat ik te zeggen had, maar de engel zei: «En toch Felix zult gij dit glas uitdrinken». Plots daarop kwam Judas op, veel te vroeg — Hij was in een brede mantel gehuld — had twee soldaten bij, die elk een broodmes en een knuppel droegen.
Pas had Judas mij een kus gegeven, pas had ik geroepen : «Gij komt veel te vroeg» of een der soldaten gaf mij met zijn knuppel zo 'n hevige slag op het hoofd, dat ik het uitschreeuwde van de pijn, de pruik woedend op de grond sloeg en wenend naar huis liep : «Moeder, moeder, 'z hebben mij geslagen», terwijl de kinderen hun cent terug moesten hebben.

2421180-e869f408c639455ff88a42f723411499.jpg

Op school was Timmermans een slechte leerling ; meestal was hij één der laatsten. Meer zin had hij in kwajongensstreken, zoals hij er zelf enkele vertelde in zijn werk. Overal moest hij bij zijn. Vandaag zit hij in de herberg "In 't Sneppeken", morgen bij de schoenmaker, die in 't leger van Leopold de Tweede had gediend, overmorgen bij de hovenier, die president was van een hele hoop vennootschappen als de repenclub, de toneelmaatschappij, de fanfare en daarbij nog tentoonstellingen en Vlaamse kermissen inrichtte, of dan weer bij nonkel Rik. Al die mensen hebben iets betekend voor Timmermans en later zou hij ze in zijn werk typeren op de manier die hem zo eigen was.
Alles uit het Evangelie zag hij in Lier gebeuren of in de omgeving er van. En later, als hij vernam dat het allemaal in Palestina gebeurd was dan speet hem dit geweldig.
Al heel vroeg begon hij boeken te lezen :

Pas kon ik lezen, of ik snakte er naar ook boeken naar de bibliotheek te gaan halen. Daar heb ik mij jaren van tegengehouden. Ik moest het trappeken op van een oud huis, en ik wist dat men moeilijk boeken aan kinderen uitleende. Op een zondag waagde ik het toch. Het rook er naar ajuinsoep.
Een heer met bakkebaarden bezag mij misprijzend en stopte mij een vuil boek in de hand : «Op weg naar Frankrijk» van Jules Verne. Toen ik buiten kwam met een boek onder de arm, beefde ik van ontroering.
Ik had een boek onder de arm. Ik was lezer van de bibliotheek. Ik voelde mij ineens geen kind meer.

Maar de zin voor het tekenen zat hem nog vroeger in het bloed, en de lust tot de verf was bij hem veel ouder dan deze tot schrijven :

Ik tekende al heel vroeg de wondere kantbloemen na, en verzon er nieuwe.
Van jongsaf dacht ik er aan een kunstschilder te worden. Geen papier of lege plek of er stond seffens een manneken op, een molen of een bloem, een vogel of een hond. Eens deed mijn broeder Ernest mij uit een illustratie afschilderen : «een verlaten kanon, waar rondom bloemen en korenaren groeien, en waarop een vogel dapper zit te zingen — die afbeelding heette : «Vrede». Aan een reiziger, die bij ons perels en tulle kwam verkopen, heb ik ze verkocht voor twee frank. Ik straalde als een koning.

Het is zelfs algemeen geweten, dat Timmermans met veel meer soepelheid de tekenpen hanteerde dan de schrijfpen. In die zin drukte hij zich eens uit :

Schrijven is te biechten gaan, tekenen is te communie gaan.

Men noemde Felix Timmermans een dichter, een toneelschrijver, een verteller, een romancier, een schilder, een aquarellist, een pentekenaar, een boekkunstenaar, een pastelschilder, een graveur, een etser, een hout- en linosnijder, want hij was een ware hoorn van overvloed.
Van al deze benamingen schijnt de combinatie tekenaar - verteller nog de beste, met dan nog het accent op het eerste lid van de samenstelling.
Hij tekende met een verbazend gemak. Meestal ontstond de schets bijna even vlug als in de geest. Daarom wordt van hem terecht gezegd dat hij vooral een schilder was met de pen, en dat hij met een toets en een veeg wist te beschrijven, zoals geen ander dat kon.

En als we in zijn werken bladeren dn worden we echt getroffen door de tekeningen ; als mannekensbladeren houden ze de tekst gevangen. Terwijl we de prentjes bekijken, herleeft het verhaal. En vooraleer we het boek dichtklappen, valt ons bijzonder het sluitstukje op; hij tekende er in vele varianten : het woordje "Gedaan" op een wimpel, een mand met fruit, een uitgedoofde pijp, een lantaarn met opgebrand kaarsje, een blad dat van een boom valt , een treurwilg met graf, een torenwachter met lantaarn, een druivenplukker, een misdienaar die de kaars uitdooft, een afvarend zeilschip, enz...

Welk een overvloed van krabbels bracht hij niet mee van zijn talrijke reizen ! Met vlugge hand wist hij het tere of het krachtige van een landschap vast te leggen ; het forsige van boerengestalten, het vrome van bedevaartgangers, het picturale van steden en dorpen.
Sommige schetsen hebben het karakter van een glasraam : zij wortelen in de geest van de gothiek die hij zo zeer waardeerde. Dan weer treffen we uitingen van het volksleven aan, vol handeling en gebeuren.
Hij besefte dat een werk moet sprankelen van uitbundige levensblijheid.
Het feestelijke naast het godsdienstige speelt een hoofdrol bij hem : de herberg naast de kerk.
De typische processies en boerenkermissen zijn levendig en stralen van kleur. Zijn schilderkunst, zoals zijn schrijfkunst is door en door Vlaams zoals hijzelf was. Als hij bij een zijner vrienden een dagje wenste door te brengen, kondigde hij zijn komst aan op de hem eigen manier. Zo schreef hij bijvoorbeeld eens

Beste, wij komen met de vapeur en gaan met U naar de mis. Wij zullen met gevijven zijn.
Veel hartelijks, Uw Felix Timmermans.

En ter illustratie tekende hij daarbij een boer op zijn 's Zondags.
Veel hield hij van de hei en van de bossen en van heel Gods lieve natuur, van de blakende zon tot de bedauwde spinnewebben, van de vervroren waterkens en van de besneeuwde kerktorens, moeder natuur in nachtgewaad en de kerktorens met hun witte slaapmuts op.
Zo schreef hij.
Hij was vol belangstelling voor het landleven ; hij wilde er alles van weten. Het was geen zeldzaamheid dat hij een boer op zijn veld uitvroeg wanneer deze plant of die vrucht geplant of gezaaid werd. De antwoorden werden nadien zorgvuldig en zeer nuchter, ontdaan van alle literatuur, opgetekend.
Niets bleef onopgemerkt : ieder keurig,  sappig gezegde uit de volksmond werd door hem aangetekend.
Maar van de regen hield hij niet. Daar had hij een hartsgrondige hekel aan zo klaagde hij dan.

Regen, regen, het is nog al iets met dit opneemvoddenweer, nog te nat om met de kaarten te spelen.

Leef gaarne. Dat zei hij tegen iedereen. En deze woorden zijn als de synthese van heel Timmermans.
Leef gaarne. Geniet van al het schone dat God U biedt. En hij gunde iedereen een plaats onder Gods lieve zon.
Vele mensen hielden TIMMERMANS voor een echte "Pallieter", iemand die voor niets schrik had.
En nochtans, niemand was minder Pallieteriaans dan hij. Wel wenste hij het te zijn, iemand zonder vaar noch vrees, in gedurig jubelende levensvreugde. Maar voor een echte Pallieter was hij in wezen te schuchter van natuur,  stil en dromerig en vooral in-goed. Soms gebeurde het wel dat hij plots een aandrang kreeg om zelf eens een scène uit Pallieter te beleven.

Hij was een goede vriend van de nederige mensen, Er zou in zijn geburen geen enkel jubilé doorgaan zonder dat hij van het Comité was. Men moest in die dagen op hem geen beroep doen voor lezingen of voordrachten, eender waar - in binnen- of buitenland - men kreeg hem dan niet weg.
Hij zou toch geen enkele vergadering willen overslaan. Het was dan zijn groot plezier versjes te schrijven van enige regels die moesten aangeplakt worden aan de ramen der geburen van de jubilarissen. Kostuums tekenen voor de stoet, medehelpen aan de palatie, dit alles was in die dagen zijn werk en daar had hij zijn vreugd in. Geen enkel kunstenaar heeft altijd zo dicht bij zijn volk gestaan als hij. Hoe gemeend en echt luidt de laatste zin van de opdracht aan het slot van " De Harp van St. Franciscus":

Aan enige simpele mensen uit onze straat, ter ere van St. Franciscus.

Als hij op reis was, en dat gebeurde dikwijls, naar Nederland, Duitsland, Zwitserland, enz... waar hij ontelbare voordrachten gaf, ging er geen dag voorbij zonder dat hij zijn vrouw en elk van zijn kinderen schreef.
Zij moesten steeds weten, waar hij was en dat hij aan hen dacht.

Voor Marieke enkele regels, ze wist dat haar Fee, zoals alle schrijvers, geen lange brievenschrijver was; de kinderen kregen prentbriefkaarten voor hun collectie. Op deze kaarten slechts een handtekening : dit kostte minder port. Niettegenstaande zulke reizen behoorlijk honoraria opbrachten en hij sinds het verschijnen van "Pallieter" geen geldzorgen meer had, was hij zeer zuinig. Hij was een zorgzame huisvader, want wie als kind de armoede gekend heeft, weet later het bezit van geld te waarderen. Zonder gierig te zijn, was hij daarin ook een echte Vlaming.

2421180-0be2ca44369ad08decb421c3e3ab7c69.jpg        2421180-6e8423ee293428f8a48a214117d2030a.jpg

Van elke reis bracht hij een souvenir mee, Hij moest niet zoals zijn vader meikevers vangen of rapen in appelsienpapierkens wikkelen om zijn kinderen plezier te doen, maar het speelgoed dat hij uitzocht moest bij prijs zijn en gemakkelijk om mee te nemen.
Voor Marieke, zijn vrouw, was niets te duur en voor zijn talrijke familieleden werden bij een juwelier borstspelden, armbanden en andere snuisterijen in 't groot gekocht. Het moest op iets lijken en zijn familie plezier doen, maar het mocht toch ook niet te duur zijn.
De schrijver van "Pallieter" waardeerde een goed voorziene tafel, een welriekende sigaar en een pot geurig gerstenbier. Nochtans verkoos hij krachtige, gewone kost boven fijne hapjes. Later verplichtte een hartkwaal hem een streng dieet te volgen dat nochtans meer dan eens overtreden werd.
Felix Timmermans was ook een grote kindervriend. Een intieme vriend van hem, Berten Verbeelen schreef :

Bijzonder Veerle, ons jongste meisje was zijn lieveling. Daarmee kuierde hij de hof rond in een speelgoedkruiwagentje; en zowel Felix als de kleine hadden een reuzepret. En dan ging hij vertellen.
Een groot blad papier — want Felix kon voor kinderen niet vertellen zonder tekenen — gekleurde potloden en de vertelling begon. Een paar lijntjes in V-vorm kwamen op het papier.
Wat is dat ? ... een vlieg. Daaronder een zwarte bol aangebracht. Wat is dat ? Een bol. Klonk het bij de kinderen in koor. Neen, lachte Felix, de neus van een hond. En intussen was er al een ganse hond bij die neus getoverd. Dan kwam er een petje... met een boer er onder... en die boer heeft een pijpke in de mond... zie hij rookt... en hij heeft een koord in de hand. Wat zal hij er mee voorttrekken ? ... Een hond ... Neen, neen, een verkske. En het verkske verscheen met zijn lange snuit en zijn kruistaartje.
Dan kwamen er nog : een schipke met de vijf kinderen er in, een paradijsvogel met vele schone pluimen, een mollig engeltje, en nog, en nog, tot het hele blad vol stond.

Zo amuseerde Felix Timmermans, de wereldvermaarde Vlaamse schrijver, de kinderen en zichzelf.

De eerste kou laat zich voelen en ik maak er een gedicht op.

Zo schreef hij aan een andere vriend :

                                                            Wilgen krommen in de mist;
                                                            paddestoelen staan gegist
                                                            in bespinnewebde kruiden.
                                                            Verre dorsvlegelgeluiden
                                                            en een vogel die raar lacht
                                                            is het enige dat tracht
                                                            hier wat leven bij te zetten.

                                                            Maar dat kan toch niet beletten
                                                            dat het hart maar zuchten blijft.
                                                            't Land is tot een zucht verstijfd,
                                                            en de zon schijnt toch zo slap,
                                                            en de avond komt zo rap
                                                            met een geur van rotte rapen.
                                                            Laat ons heden vroeg gaan slapen.

In de intimiteit sprak Timmermans bij voorkeur plat Liers, zoals hij het zelf zo schilderachtig te pas bracht in zijn "Pallieter" en nog in andere verhalen, die hij in zijn geboortestadje liet afspelen.
Wie het geluk had met Timmermans zelf over kunst te praten, geraakte onvermijdelijk aanstonds onder de onweerstaanbare bekoring van zijn grote openhartigheid, van zijn onvergetelijke eenvoud, van zijn onmiskenbare oprechtheid en vooral van zijn nederige bescheidenheid.
Afgunst kende hij blijkbaar helemaal niet. En aan kwaadsprekerij had hij een broertje dood.
Kunstschilder Oscar Van Rompaey getuigde van hem :

Twee en twintig jaar lang ging er om zeggens geen dag voorbij zonder dat ik bij hem thuis binnenliep en nooit herinner ik mij één enkel verkeerd of slecht woord over iemand uit zijn mond gehoord te hebben.

Want Timmermans was goed en mild van natuur. Dat was trouwens de basis van zijn verbeelding en van zijn kunst. Mens en kunstenaar waren bij hem zoals bij de besten van alle tijden, niet te scheiden.
Van toen "Pallieter" verscheen, heeft hij zijn lezers hier en in het buitenland bekoord door zijn menselijke liefde en de glans van zijn edel en kinderlijk gemoed.
Sedert 1944 leed Timmermans aan een zware hartziekte.

"Ik ben ziek aan 't hart, 't is mij onmogelijk te komen".

Dat was in january 1944. En dan enkele dagen later

"Ik heb het weer aan het hart en ga langzaam als achter een "processie".

En in juli 1944 :

"Ik moet braaf zijn, veertien dagen plat liggen om dat hartje "op zijn plooi te brengen — ik mag nu en dan wat opzitten".

Maar het hart zou hem niet meer met rust laten. De levensblije Felix zou nog wel de zon kunnen zien, maar alleen nog van uit zijn bed of van achter 't venster van zijn ziekenkamer. De laatste maanden was hij voortdurend onderhevig aan crisissen. De minste beweging, de minste gemoedsaandoening deed hem pijn. Hij moest rusten ...

Felix Timmermans zou heel zacht in de armen van zijn jongste dochter Tonet voor altijd ter ruste gaan op 24 januari 1947, nu negenendertig jaar geleden.
In 't zwart geklede peekes hebben hem bij zijn begrafenis uitgeleide gedaan ; vrouwen uit de volksbuurt volgden al wenend. Schoner erewacht had men hem niet kunnen geven.
De naar hart en ziel eenvoudige man werd door eenvoudige, kleine mensen ten grave geleid en beweend.
Het waren die mensen die hij liefhad, die hij uittekende, schilderde en beschreef, van wie hij het ruwe bolster openbrak om hun schone ziel te laten glinsteren.

Vertaald in circa vijfentwintig talen vond Timmermans een lezerspubliek in de gehele wereld.
In de reeks werken van Timmermans zullen ons blijven verheugen "Pallieter", "De zeer schoone uren van Juffrouw Symforosa Begijntje", "Boerenpsalm", de korte vertellingen en het toneelwerk dat nog steeds de planken houdt.

"Waarom kan Timmermans vir ons as voorbeeld dien ?"

vraagt de Zuid-Afrikaner CM. Van den Heever zich af.

Waarom is hy 'n uitsonderingsfiguur in die letterkunde ? Die antwoord hierop sal ons dadelijk vind as ons, na al die swaar, psigologiese werk van menige gevierde Europese skryver, die boeke van Timmermans lees.  Onmiddeelik word ons verbeelding ligter en blymoediger en leer ons weer om met die oë van 'n kind na die wondere van kleur, vorm en karakteristieke trekke om ons te kyk. Timmermans werk nie met 'n pen nie, maar met 'n penseel. Alles wat hy teken, kan ons dadelik sien".

Leopold Maximiliaan Felix Timmermans verliet deze wereld op 24 januari 1947, maar zijn werk blijft onder ons, onsterfelijk. Van deze Vlaamse Europeaan getuigde Maxime Deswarte, Professor aan de Universiteit te Rijsel :

"Il a été héraut de Ia Flandre et des incomparables richesses de son peuple et de son art".

***********

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Lia Timmermans - zo was mijn vader - Manu Adriaens

Lia Timmermans
"Zo was mijn vader : streng voor zichzelf maar mild voor de anderen "

Door Manu Adriaens – 1/12/1990

Lia Timmermans, de dochter van de schrijver van "En waar de sterre bleef stille staan " is zeventig jaar en woont al heel lang in Oostende. "Dat komt door mijn huwelijk", zegt ze. "Ik ben met een Aspeslagh getrouwd.
Eerst hebben we nog twee jaar in Lier gewoond, maar uiteindelijk zijn we naar de kust verhuisd. Mijn man zat in de scheepvaart, vandaar. Dat was een totaal andere wereld voor mij, zodat ik wel wat aanpassingsverschijnselen heb gehad. Met het zeevolk heb ik altijd goed kunnen opschieten, maar wat ik hier het meest mis, is de overgang van de seizoenen. Of je nu in maart dan wel in oktober langs het strand wandelt, dat blijft hetzelfde, je merkt de veranderingen in de natuur niet. En constant dat water aanschouwen, soms maakt het me wat melancholiek."
Een gesprek over haar vader Felix Timmermans en het toneelstuk dat Theater 't Fonteintje in deze periode op de planken brengt.

Lia Timmermans: "In 1986 was het Felix Timmermans-jaar, toen hebben we enorm veel opvoeringen bijgewoond van "En waar de sterre bleef stille staan In één bepaalde week zagen we zelfs vijf voorstellingen. Los daarvan creëerden vorig jaar leerlingen van het Onze-Lieve-Vrouwcollege in Assebroek een stuk op basis van teksten uit verschillende boeken van mijn vader. Heel eigenaardig, met slechts een minimum aan verkleding. Ik had dergelijk toneel nog nooit meegemaakt, maar ik vond het wel prachtig."

2421022-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg

Als je al zoveel keren "En waar de sterre bleef stille staan" hebt zien opvoeren, merk je-dan nog telkens verschillen?
Lia Timmermans: "Absoluut. Beauvoorde heeft het bijvoorbeeld schitterend gedaan. En in Stene werd vooral de rol van Schrobberbeek subliem vertolkt. Wat ik nu ga zeggen, zal wellicht vreemd klinken, maar het gerenommeerd Mechels Miniatuur Theater — dat het stuk elk jaar met Kerstmis op de affiche zet — vind ik het niét goed doen. Daar zoeken ze het veel te ver. 
Het moet een volksstuk blijven, hè. Daarom ontroert het me meer als het gewone volk — een amateurvereniging — het brengt dan wanneer beroepsacteurs het kunstmatig opkloppen. In het stuk beleven eenvoudige mensen het mirakel, hou het dus dan ook eenvoudig. "

Je vader heeft in zijn jeugd de drie hoofdpersonages persoonlijk gekend?
Lia Timmermans: "Twee van de drie heeft hij gekend, het derde personage heeft hij erbij verzonnen.
Wanneer hij met vriendjes verkleed als Driekoningen ging zingen, kwamen ze vaak twee volwassenen tegen die hetzelfde deden. Die hielden van jenever en de kinderen moesten voor hen op de vlucht slaan, want ze vormden concurrentie. Van één persoon heeft mijn vader een palingvisser gemaakt, omdat er in die tijd in Lier nu eenmaal veel palingvissers waren. Nu is er geen paling meer, denk ik, laat staan palingvissers."

Hoe was de jeugd van je vader? Vertelde hij daar vaak over?
Lia Timmermans: "Oh ja! Hij was de dertiende van veertien kinderen. In het begin hadden ze het niet breed bij hem thuis, tot het geluk opeens doorbrak. Dat is een verhaal apart. Mijn grootvader was een handelaar in kant. Op zekere dag zat hij in Brussel, en daar ontmoette hij een man uit Tsjechoslowakije die hem vertelde dat zijn portefeuille gestolen was en dat hij geen geld meer had om naar zijn land terug te keren.
Mijn grootvader hielp hem en de Tsjech beloofde hem een wagon parels toe te sturen. Hij hield zijn woord. Aanvankelijk wist het gezin van mijn vader niet wat met die grote hoeveelheid parels aan te vangen, tot een van zijn oudere zussen voorstelde : "Laten we handtassen met parels erop gaan maken". Heel de familie heeft zich toen in die branche gestort en is er rijk mee geworden. Trouwens, een achterneef van me die met een Tsjechische is getrouwd, is nu nog steeds de invoerder van die parels."

Van wie erfde je vader zijn schrijftalent?
Lia Timmermans: "Hij zei vaak dat zijn vader, mijn grootvader dus, een goede verteller was. Maar om dan nog te kunnen schrijven... Zijn familie vond het overigens maar niks, dat schrijven. Zeker geen volwaardig beroep."

Het stuk speelt rond Kerstmis. Kwam je vader uit een gelovig milieu ?
Lia Timmermans: "Mijn grootmoeder was heel godvruchtig en vroom, al had ze zo haar eigen manier om dat geloof te beleven. Ze ging bijvoorbeeld steeds naar het lof, maar anderzijds zei ze : "Zolang de pastoors niet op de preekstoel openlijk verkondigen dat kinderarbeid doodzonde is en de kinderen verder laten slaven, komt er bij mij geen pastoor binnen." Ze was heel sociaal voelend.
Haar huis zat altijd vol, iedereen kwam er binnen, iedereen, behalve de pastoor dus."

En je vader ? Was ook hij vroom ?
Lia Timmermans: "Mijn vader is geleidelijk steeds godvruchtiger worden. Als je "Pallieter" leest en dat met "Adagio" vergelijkt, merk je een grote evolutie. Wat in het stuk "En waar de sterre bleef stille staan " vooral opvalt, is zijn zachtheid in het beoordelen van de mensen rond zich. De zwakke mensen, uiteindelijk.
Door de warmte die er van hem uitging, kon hij ze echt moed geven. Hij was joviaal in de omgang, humoristisch ook, maar in zijn humor nooit scherp of obsceen. Hij verstond vooral de kunst om van die kleine momenten, een uur geluk, intens te genieten. Soms was hij weliswaar stil en weemoedig, maar dat liet hij zelden tegenover buitenstaanders blijken."

Met welk van de drie karakters in het stuk voel jij je hel meest verwant ?
Lia Timmermans: "Schrobberbeek vind ik de sympathiekste. Pitjevogel is ongetwijfeld de plezantste, maar aan Schrobberbeek is nog iets kinderlijks, iets kwetsbaars, hij meent het goed, hij is menselijk.
Pitjevogel, de luimige, wordt gemakkelijk verleid, waarna hij spijt heeft en er niet meer uit raakt. En Suskewiet, dat is de godvruchtigheid zelve natuurlijk, die opeens van de wereld verdwijnt, een uitzonderingspositie eigenlijk. Daarom moet deze laatste rol sterk worden gespeeld, anders dreigt ze flauw over te komen.
Ach, de drie figuren zijn evenveel symbolen, hè."

Het bijgeloof neemt een niet onbelangrijke plaats in het stuk in.
Lia Timmermans: "Bijgeloof is iets van alle tijden. Dat tiert vandaag de dag nog even welig : kijk maar eens naar al die sekten en goeroes, of hoe mensen veelvuldig kaartlegsters raadplegen en een amulet bij zich dragen. Vroeger was dat bijgeloof alleen iets primitiever, overgewaaid uit de middeleeuwen. Mijn vader hechtte daar natuurlijk helemaal géén geloof aan, maar hij had begrip voor het feit dat anderen dat wél deden.
De moeder van mijn moeder, die bij ons inwoonde, was ook bijgelovig. In haar ogen was dat echter geen bijgeloof, voor haar waren dergelijke zaken gewoon remedies.
Met tandpijn bijvoorbeeld trokken de mensen naar een tovenaar, die zijn duim op die tand legde en de pijn vervolgens op een boom overzette, ondertussen allerlei mysterieuze woorden prevelend.
Zo ging het er in een klein stadje als Lier toe, wat moet dat dan niet op het platteland zijn geweest! "

Niet alleen het bijgeloof was groot, ook het drankgebruik.
Lia Timmermans: "Wat wil je, het was het enige dat de mensen hadden om wat troost in te zoeken. Mijn vader kon van een goed glas wijn genieten, maar ik heb hem nooit dronken gezien. Als hij iemand wél dronken zag, vond hij ook dat menselijk. Zo was mijn vader : streng voor zichzelf maar mild voor de anderen.
Dat is het beeld dat ik voor eeuwig van hem meedraag. Een beminnenswaardige man zoals je er nog weinig vindt. Aangenaam, met de gave om te relativeren, zelden kwaad."

Kom, kom, hij zal ook wel een mindere kant hebben gehad.
Lia Timmermans: "Misschien was hij wel té zacht en té goed, waarmee ik bedoel dat men er soms misbruik van maakte. Iemand zei hem eens : "Er zijn maar twee soorten mensen in de wereld: degenen die foppen en degenen die gefopt worden. "Waarop mijn vader antwoordde : "Mocht dat inderdaad zo zijn, dan wil ik graag bij de laatste categorie behoren. "Zie je, dat typeerde hem."

Kom je naar een voorstelling in Wijnendale kijken?
Lia Timmermans: "Graag. Jullie toneelvereniging heet 't Fonteintje ? Ik ben daar nog water gaan halen in de tijd dat iedereen de kwaliteit ervan roemde. En de dochter van de boswachter van Wijnendale is "au pair" meisje geweest bij mijn zus die in Londen woonde.
Ik ben trouwens door die boswachter ooit uit het bos van Wijnendale weggejaagd.
Ja, de wereld is klein, meneer."

2421022-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

*******

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 22:45 Reageer op dit bericht

Felix Timmermans in Waalwijk - Arthur Lens

Felix Timmermans in Waalwijk.

Door Artur Lens

In het raadhuis van Waalwijk, op de grens van Noord-Brabant en Holland, werd onze aandacht getrokken op een tegeltableau van de patroonheiligen van schoenmakers en leerlooiers St. Crispinus en St. Crispinianus, ontworpen door niemand minder dan Felix Timmermans.
De gebroeders Crispinus en Crispinianus, voortgesproten uit een voorname Romeinse familie, vluchtten onder de vervolging van Diocletiaan naar Soissons in Frankrijk, leerden daar het schoenmakersvak en maakten kosteloos schoenen voor de armen. Omdat ze langs deze weg in contact kwamen met de heidense bevolking en er menigeen bekeerden tot het Christendom, werden ze door de Romeinse prefect Rictiovarus op talloze wijzen gemarteld.

Maar omdat ze op geen enkele manier te bewegen waren afstand te doen van hun geloof, werden ze met een molensteen om de hals in de Aisne geworpen, op wonderlijke wijze van de verdrinkingsdood gered en uiteindelijk met het zwaard onthoofd. Dat is zowat de kern van de legende rond de twee patroonheiligen van onze middeleeuwse schoenmakers- en huidevettersgilden.

Rond deze beide heilige ambachtslieden heeft de folklore ook haar werk verricht. J. van Lennep en J. Ter Gouw hebben in hun "De Uithangtekens in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd" aandacht besteed aan deze heiligen. Ze vertellen ons dat de heiligen geen leer hoefden te kopen, omdat de engelen dat brachten waarom zij dan ook de armen de schoenen voor niet gaven.
Een andere overlevering zegt ronduit dat Crispijn het leer stal. In een Duitse versie is vermeld : "Crispinus machte den Armen die Schuh, und stahl das Leder auch dazu."

Dit zou echter op een misverstand berusten. Daar men het Oudmiddelduits verkeerd interpreteerde en dat "stalt" hier "steilte" beduidt, wat in feite wil zeggen dat hij het leer erbij gaf.
Wat er ook van zij, in Waalwijk bestond er een grote verering voor deze heiligen, daar de lederindustrie er een van de voornaamste bronnen van inkomsten was. Vandaar ook dat aan de inkom van het raadhuis een koe en een os liggend zijn afgebeeld. Deze dieren, vrij sober gehouwen uit zandsteen door Lambertus Zijl uit Bussum, flankeren de granieten trappen van de bordes als symbolen van de lederindustrie en de veeteelt.

Toen op 1 januari 1922 de gemeenten Waalwijk, Baardwijk en Besoyen werden verenigd tot de nieuwe gemeente Waalwijk, was het toenmalig raadhuis veel te klein geworden en namen de plannen voor een nieuw gebouw vastere vormen aan. Aan enkele architecten werd de opdracht gegeven een ontwerp voor een nieuw raadhuis te maken.

2421086-f3ccdd27d2000e3f9255a7e3e2c48800.jpg    2421086-156005c5baf40ff51a327f1c34f2975b.jpg

Bij raadsbesluit van 30 januari 1931 werd bouwmeester Alexander Jacobus Kropholler (A'dam 1881 - Wassenaar 1973) als ontwerper aangenomen. Op 19 juli werd de eerste steen gelegd en op 22 oktober 1932 werd het raadhuis officieel geopend. Het metselwerk van de gevels is uitgevoerd in een groot formaat handgevormde baksteen en er is veelvuldig gebruik gemaakt van natuursteen. De hoofdgevel bestaat uit een trapgevel.

Het monumentale karakter van het raadhuis komt ook sterk naar voren in het trappenhuis. Het gebruik van mooie natuurlijke materialen accentueert het stoere lijnenspel. Een zacht strijklicht door de gebrandschilderde ramen is mede sfeerbepalend. De deurpartij naar de raadzaal laat duidelijk zien hoe alle ambachtelijke aspecten van het gebouw zijn gebruikt. Krophollers realisatie is het bewijs van deskundigheid en goed gevoel voor schoonheid.
Voor de versiering van het raadhuis deed de architect een beroep op verschillende vooraanstaande Nederlandse kunstenaars en op Felix Timmermans.
A. Kropholler had het gedenkteken voor Pieter Breugel ontworpen, dat op 9 oktober 1926 in de gemeente Breugel werd onthuld. Breugel was een onderdeel van de gemeente Son en Breugel, gelegen ten noord-oosten van Eindhoven.
Felix Timmermans was lid van het feestcomité en hield er een toespraak.
Bij de voorbereiding van de feestelijkheden hadden ze elkaar leren kennen.

Gefascineerd door Timmermans' tekeningen, stond de bouwmeester erop dat de Fé de opdracht kreeg tot het maken van een tegeltableau, voorstellend St. Crispijn en St. Crispinianus, om geplaatst te worden in een nis van het nieuwe raadhuis. Maar ook Timmermans koesterde grote belangstelling voor Krophollers werk. Het "tableau" werd vervaardigd in de tegelfabriek "De Sphinx" te Maastricht in Regouttegels en had als afmetingen 96 x 65 cm.

Voor het ontwerpen van dit prachtig tegelwerk heeft Timmermans afgezien van de traditionele martelaarswerktuigen van deze heiligen zoals molensteen en de priemen of elzen die onder hun nagels werden gestoken. Als attributen gaf hij St. Crispinus een schoenmakershamer en een schoen in de handen en St. Crispinianus een palm als symbool van het martelaarschap en een "bul" als verwijzing naar het Evangelie.

Links onder staan de initialen van Timmermans, maar deze zijn geheel overbodig daar het een typisch Timmermansgewrocht is.
Het gemeentebestuur van Waalwijk was zeer opgetogen over het geleverde werk en liet op 14 mei Timmermans weten : "Wij zeggen U dank voor de moeite en zorg, welke U zich hebt willen getroosten en menen, mede in overleg met architect Kropholler, als waardering voor de door U geleverde arbeid en als vergoeding van de door U gemaakte onkosten voor de beschikbaarstelling van het tableau, U een bedrag van 200 gulden te moeten doen toekomen."
Met zijn schrijven van 26 mei 1932 verklaarde Timmermans zich akkoord met deze vergoeding.

Meer nog, de burgemeester en wethouders van Waalwijk vroegen Timmermans naar Waalwijk te komen om een bespreking te houden over het eventueel uitvoeren van schilderwerk in de trouwzaal (Waalwijk, 2 juni 1932).
Of Timmermans op deze uitnodiging is ingegaan en over de aard van het schilderwerk is ons echter niets bekend.
Bij de officiële opening van het nieuwe gemeentehuis was Felix Timmermans, samen met Dr. Henri Polak, letterkundige te Laren ; Dirk Coster, letterkundige te den Haag ; D. Hannema, directeur van het museum Boymans te Rotterdam; en W. Feldkamp, kunstcriticus te Amsterdam, uitgenodigd.

Op deze uitnodiging liet Timmermans de burgemeester en wethouders weten : "Met dank voor Uw geëerde uitnodiging, deel ik U met spijt mede dat ik niet zal kunnen aanwezig zijn bij de opening van het nieuwe Raadhuis. Ik moet op reis naar het buitenland. Met bijzondere hoogachting groet U, Felix Timmermans."

********************

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Ronald

23/10/1947-19/07/2021

2417088-8c7c50fd98f33965b284362e4a719669.jpg

2425742-0a3ab1acba303fc01226b4bd7dd5f790.jpg

2417088-12910b1816472e845d1b004faac711bb.jpg    2417088-aa026e5ae869922e66a64795dc2d6bae.jpg

2425740-0c511f53ab79b55fc7197392a209c6e3.jpg

Job Deckers van Schoon Lier overleden op 73-jarige leeftijd

Job Deckers is vorige week op 73 jarige leeftijd overleden. Deckers was in de ruime Lierse regio bekend als zaakvoerder van het boekenantiquariaat Schoon Lier in de Florent Van Cauwenberghstraat.

Chris Van Rompaey

Ronald ‘Job’ Deckers groeide op in Elsdonk (Wilrijk) en verhuisde daarna naar Berchem. Hij werkte achtereenvolgens bij Makro en bij een Nederlandse firma die vliegtuigonderdelen maakt. “Maar dat was mijn ding niet. Ik was met andere zaken bezig: met manuscripten, met boeken, met muziek. Dat artistieke zit trouwens zowat in de hele familie. In 1979 heb ik dan beslist om met een boekenwinkel te beginnen”, zei Job Deckers in 2012 in deze krant.

“Dat mijn antiquariaat Schoon Lier zou heten, was vooraf een uitgemaakte zaak. Ik heb sinds 1957 immers iets met Felix Timmermans. Dat jaar bezocht ik met mijn vader Lier. Op de Grote Markt werd toen het wagenspel En waar de ster bleef stille staan opgevoerd, gebaseerd op een werk van Timmermans. Dat maakte zo’n indruk op mij dat ik kort nadien zelf met de fiets naar Lier kwam gereden, op zoek naar Timmermans. Wist ik veel dat hij tien jaar eerder overleden was.”

Tienduizend boeken

Toen Schoon Lier in 1979 opende, sloeg de winkel meteen aan. Ook toen Deckers de winkel in 2012 sloot, kwamen er nog altijd klanten van heinde en verre, zelfs uit Nederland en Duitsland, tussen de boeken snuffelen. Tienduizend waren het er ongeveer en ze leken chaotisch door elkaar te liggen. Maar dat bezorgde Schoon Lier net zijn charme. Gelukkig wist Job Deckers haast blindelings welk boek op welk rek stond.

Enkele maanden voor de sluiting zei Job Deckers: “Wat er precies met Schoon Lier zal gebeuren, weet ik nog niet. Er zijn drie mogelijkheden. Ofwel neemt iemand de zaak over en blijft Schoon Lier bestaan. Ofwel neemt een jongere collega de boeken over en verkoop ik het pand uit 1880 apart. Ofwel hou ik uitverkoop.” Er is nooit een andere winkel gekomen en het pand staat nog altijd leeg.

2425740-897190f1adf1a18defbc47f93a04395a.jpg

Job Deckers in zijn boekenwinkel in 2012. — Foto: © Joren De Weerdt

Innemend en joviaal

Mon Van den heuvel, nog zo’n liefhebber van Felix Timmermans, kende Job Deckers heel goed. “Ik stapte zowat om de twee dagen zijn winkel binnen en werkte met hem als vrijwilliger samen in het stadsarchief van Lier. Job was heel innemend, joviaal, een zachte mens. Het had zijn eigen mening, maar met Job kon je geen ruzie maken.
Zijn overlijden is een groot verlies.”
Mon: Jarenlang een of meerdere bezoeken, per week, aan Schoon Lier mogen brengen. Daar kunnen praten over onderwerpen die ons beiden meer dan normaal zeer goed lagen. De geschiedenis van Lier en de plaatselijke activiteiten gingen door de revue van belangstelling. Mijn eigen bibliotheek over Felix Timmermans is voor een groot gedeelte in Schoon Lier tot bij mij gekomen.
Met dank aan "de Job".

Van morgen bericht gekregen van het heengaan van een persoonlijke vriend. Een prachtig mens.
Job het gaat je goed op de andere bladzijde van het boek die nu is afgesloten.



Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door Mon om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Felix Timmermans

↑ Terug naar de berichten