Naar de inhoud

'PATATI PATATA

seniorennet.beseniorennet.be

Feel good in TITI's elektronisch kletscafé waar het leven gezien wordt door een Oiljsterse vrouwenbril...en feel je niet good, dan retour à domicile!

Archief

Zoektocht tussen demonen



Wellustelingen....

episode...

65...


 

Die late namiddag, na mijn uitzonderlijk lang bezoek aan mijn ouders, toefde ik alweer tot valavond in de villa. Dat zonderling geworden grafhuis vol spoken.

Ze waarden er rond, die flemende, aanbiddende, zingende, zalvende, lovende en kruiperige dwaasspoken.  Ze zaten verscholen in de muf-bestofte hoeken, waar schapulieren, paternosters, snoeren en bedevaartssouvenirs bengelden. Ze giechelden me toe vanop de bidbanken, doorheen de glazen stolpen, tussen de zware, vergulde bijbels, waarvoor binnenkort misschien antiquairs zouden vechten. Ze fluisterden gedempt met bidlippen uit missalen en relikwieën allerhande. Ze kropen uit de kelken. Klommen op monstranzen.

 

Ze waren een wereld op zichzelf. Bedreigend en belachelijk terzelfdertijd. Ik bleef er verstomd naar staren. Saters, een Jeroen Bosch waardig. Dat Francis hier nooit op gereageerd had? Dat hij zijn moeder had toegelaten er dagelijks in te leven!

Hij had Gerda destijds een hysterica genoemd. Een veel te klein woord voor die extreme fobie. Deze kamer getuigde van waanzin, van pure krankzinnigheid. Jaren geleden had ik  de inrichting ervan reeds zo bespottelijk stom en pijnlijk belachelijk gevonden. Zelfs als normaal aanvaard dat Gerda slaapmiddelen moest gebruiken. Om rust te vinden tussen die sinistere decoratie had een mens inderdaad meer dan een sterk roesmiddel nodig.

 

Het deed me kokhalzen. Vooral dat bed. Nooit eerder gezien. Kwam dat ook uit haar ouderlijke woning? Een echt nonnenbed.  Smal, hoog, totaal versleten beddengoed erop. Eronder een geaderde stenen nachtpot. De sponde versierd - nou ja, versierd!- met lange palmtakken en witte geknoopte koorden. Ik stikte. De ramen moesten open.

 

Buiten donderde het. Gerda had me blijkbaar vanuit haar hemel gezien. Ik had haar gebedsoord onteerd. Ze protesteerde.

Ik begon systematisch haar kapel te doorzoeken. De politie had dit vóór mij natuurlijk zorgvuldiger gedaan. Ik echter wist wat er precies moest gezocht worden. Ik kamde alles uit. Zangboeken, gebedenboeken. Keek tussen de bijbels. Doorzocht laden van linnen- en kleerkast, nachtkastjes. Keerde zelfs het versleten matras om. Het stonk, was vol met bruinige kringen. Gerda, zo kieskeurig, zo overdreven hygiënisch in  keuken en badkamer, sliep op een oud, doorlegen matras bevlekt met nonnenzeik, miljaar!

 

Ik keek aandachtig in elke doos. In  schoenendozen. In oude hoedendozen, niets. Geen schriftjes, Helemaal niets.

Ik zag in een waas mijn schoondochter. Themis met puitenogen. Ijzig en vulgair. Wrekend en vonnissend uit het niets te voorschijn tredend. Hoorde haar sissen:

‘Je zal ze niet vinden, jij , al weet je dat ze bestaan, die dagboeken! Want ik heb ze! Gerda gaf ze mij als bewijs na die aanrijding. Ja, ik breng jou voor het gerecht, Max Cijnens, welke schande dit voor je zoon en vooral voor mezelf ook inhoudt. Hangen zal je, moordenaar!’

Hoorde ik een schelle, echoënde spotlach? Sloeg mijn verbeelding  helemaal op hol? Ik vermande me. Kermit verdween. De kamer werd opnieuw een sombere kapel. Zonder demonen. Zonder enig geheim prijs te geven.

 

Als ik morgen opnieuw kwam zoeken? In de kamer, die Francis vroeger had betrokken? In de logeerkamer, op de twee zolders, in de keuken? Maar wat als ik terug met lege handen dit huis verliet. Wat als de schriftjes werkelijk verdwenen waren? Wat als ze in het bezit van Pat bleken? Er keerde iets om in mijn binnenste.

Natuurlijk zou ik zwijgen tegenover Marianne. Ik mocht haar niet met mijn onrust besmetten. Ik moest doorbijten. Hardnekkig en geduldig blijven zoeken. Dag na dag.



Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

Hongerende lippen

Wellustelingen....

episode...

64...

 

Wat ik ook zei, mijn argumenten hielpen niet. Dit stomme interview raakte Marianne nog dieper dan ze wou toegeven. Het bleef eigenlijk ook wat in mij nazinderen, ondanks mijn luchtig afwimpelen.


Ik kende die rakkers door en door. Was er zelf ook eentje geweest! Wat hing er de volgende dagen nog allemaal boven mijn hoofd? Indien ze weet kregen van Marianne, dan was het hek van de dam en zou er pas gesmuld worden!

Ik betaalde de rekening. Marianne moest naar kantoor. We zwegen in de wagen. Voor ons was zwijgen soms duidelijker dan spreken. Ik verdrong alle narigheden.


Ik wou me nog slechts vastklampen aan de gedachte, dat ik van nu af aan bij mijn vrouw kon zijn als heer des huizes. Dat ik van vandaag en alle volgende dagen, weken, maanden en jaren altijd bij haar zou zijn. Wij reden de parking van Darcy op. Ik had iets met die parking. Ik hield van het oerlelijke graffiti, een prettig decor voor een bekend intermezzo. Ik hoefde er niet op te wachten. Het kwam er meteen: Marianne in haar weelderigste overgave!


Haar zoveelste heruitgave van onze eerste kus. Heel teder, alsof onze lippen mekaar nauwelijks beroerden. Seconden en seconden lang. Dan crescendo tempo. Tot die jubelende explosie van twee brandende monden, twee hongerende tongen, die vochten, sneuvelden en herleefden.

Ons meesterschap bekroond met een voldane en wellustige onderdanigheid. Dankbaarheid. Liefde.

‘Kun jij kussen!’ zei ik zachtjes, bewonderend.

‘Correctie! Kunnen wij kussen, lieverd!’ verbeterde ze, verleidelijk monkelend, en  overompelde me opnieuw.


Dit wordt voor ons beslist nooit een gewoonte, hoe vaak ook, wist ik. Een gewoonte laat immers niet elke keer dat zalig geluksgevoel na.

“Vòòr ik naar de villa rijd, ga ik eerst bij mijn ouders langs. ’t Is al vijf dagen geleden dat ze me gezien hebben. Moeder maakt zich onmiddelllijk zorgen. Trouwens ik wil zelf vertellen wat er gebeurd is, stel dat ze een of andere krant onder  ogen krijgen.’

‘Vergeet niet aan de verantwoordelijke te vragen de eerstvolgende dagen alle kranten en magazines ver van je ouders te houden. Geen opgeklopte sensatie voor die oude sukkels. Weet je, lieverd, ik kijk er echt naar uit om over enkele maanden met je ouders kennis te maken. Denk je dat ze me zullen accepteren? Misschien nemen ze het me kwalijk dat…’

‘Je kwalijk nemen dat ik van je hou? Jij, mijn bron van geluk! Kindje toch, mijn moeder zal je zo dankbaar zijn. Bij elk afscheid  vraagt ze naar jou. Vader blijft in de kamer, maar moeder loopt met mij mee tot aan de wagen. Dan wil ze alles weten. Waar we gegeten hebben. Welke jurken je draagt. Welke bloemen ik je heb gestuurd. Je favoriete crèmekleurige handtas, die heeft zij uitgekozen en de bijhorende zijden foulard. Ze was in alle staten. Gans de Louisalaan hebben we gedaan. Haar benen mochten dan vierentachtig zijn, haar ogen schitterenden als van een twintiger. Je had haar aan het werk moeten zien in die winkel! Zo kieskeurig! Ik heb daar op z’n minst anderhalf uur op een stoeltje gezeten en zij maar ratelen over de elegantie van haar knappe schoondochter, over de mode die zij soms zo ordinair vindt. Mijn moeder heeft geen Röntgenogen, maar echografische ogen. Elk deeltje van mij wordt telkens weer gescand, de kleinste storing gededecteerd. Mijn moeder is gewoon fantastisch, Marianne. Ik verlang er zo naar je te kunnen voorstellen. Tot straks, lieveling, werk je niet te pletter. Morgen komt er nog een dag.’



Wordt vervolgd


 

Reageer op dit bericht

Allemaal kletskonten

Wellustelingen....

episode...

63...


Ik dronk het glas fruitsap leeg, wenkte de kelner. Inmiddels had Marianne de krant opengeslagen en ik hoorde haar op fluistertoon, wat jachtig en boos lezen:

‘Adrienne Uytterbroeck, buurvrouw en boezemvriendin van het slachtoffer, is zwaar geschokt door dit drama. Ook zij begrijpt echt niet  hoe een dergelijke laffe moord in de zo stille en rustige laan kon plaatsvinden! Mevrouw Uytterbroeck, evenals andere bewoners, zijn ervan overtuigd dat deze daad verband houdt met de golf van inbraken de voorbije drie maanden. De schrik zit er bij de omwonenden goed in. Het slachtoffer stond bekend als een warme, fijngevoelige en vooral diepgelovige dame, ten zeerste bekommerd om het lot van bejaarden en zieken in de parochie. Max Cijnens, echtgenoot van het slachtoffer en hoofdredacteur van “Jool’s”, was uitgerekend die avond blijven overnachten in een Brussels hotel. Omwille van een late vergadering op de krant. Volgens onze bronnen werd de heer Cijnens echter omstreeks middernacht nog gesignaleerd in een nachtclub aan de Adolphe Maxlaan.

Ook zou hij eergisteren bij aankomst aan zijn woning meteen door de federale recherche zijn opgeleid voor verder verhoor. Bij het ter perse gaan werd de aanhouding van Max Cijnens niet bevestigd, doch ook niet ontkend. Het onderzoek zal de eerstvolgende uren meer duidelijkheid moeten brengen.’

Mevrouw Uytterbroeck verklaarde dat Max Cijnens in de omgeving bekend staat als een hoffelijke, doch weinig spraakzame man, die uitsluitend leeft voor zijn werk. Ze vermoedt dat de relatie tussen de echtgenoten daardoor zeer bekoeld was, vooral de laatste jaren. Ze verklaarde ons o.m.:

 

‘Gerda, mijn vriendin, dacht dat er iets anders aan de hand was. Enfin ze dacht dat niet, ze was er zeker van. Ze had er de bewijzen voor, zei ze, en haar schoondochter ook. Maar meer zeg ik daar niet over, meneer, ik weet wanneer ik moet zwijgen, God is mijn getuige. Daarbij, het is al erg genoeg zo. Maar ik mag wel zeggen dat Gerda, niet wilde scheiden. Haar man wou dat wel, maar Gerda zei altijd ‘over mijn lijk’. Nu is het zover, hé, meneer. Ze is nu een lijk. God hebbe haar ziel. Maar ik ben zo goed als zeker dat Max daar voor niets tussen zit. Neen, zoiets, een moord, nee dat zie ik niet. Langs een andere kant, al ziet ge een mens, ge kent hem  niet en een woord te veel is vlug gevallen, nietwaar? Van het ene komt het andere.’

 

‘Marianne, hou op, ik verdraag die prietpraat niet!’

Ik hoorde en zag Adrienne op de drempel van haar afbladderend huis ‘Groene Rust” staan. Met borstel en stofdoek. Op eender welk uur van de dag stond Adrienne op uitkijk, te doen alsof met haar stofdoek. Een voorbijganger, een auto, niets of niemand ontsnapte aan haar haviksogen. Bij regenweer een schim achter de gordijnen. Adrienne zag en wist alles. Haar parochiale ziekenzorg was een dekmantel om bij iedereen binnen te dringen. Kwestie van de weetjes van de ene over te brengen als nieuws voor anderen.

De weetjes van haar boezemvriendin stonden nu in de krant. Profijtig gekozen woorden, uitgesproken met  haar  bijna onhoorbaar fluisterende  kerkstem en er zorg voor dragend niks verkeerds te zeggen en toch alles te onthullen. Gerda in duplicaat. Uitgerekend in dit sensatieblad!

 

Marianne was ontzettend verontwaardigd:

‘Max, dit kan je niet zo laten. Je gaat daar toch iets tegen doen, hoop ik?’

‘Maar kindje toch! Nog een drietal dagen en geen haan die er nog over  kraait. Dat is de tol die je man moet dragen door zijn functie. Voor de concurrentie ben ik momenteel een beetje bekende, maa  vooral beruchte Vlaming, een BV-er. Ik sta nu volop in de belanstelling. De lezers willen meer en dat soort kranten zorgt ervoor, dat zij zo goed mogelijk ingewijd worden in de duistere kanten van mijn leven. Wie interesseert er zich  voor dat ik alle dagen mijn kippen voeder, mijn belastingen stipt betaal en geen zware voet heb? Vandaag worden we bejubeld, morgen gevierendeeld en geradbraakt. De mensen hebben blijkbaar zoiets nodig om zin te geven aan hun leven en hun gesprekken te kruiden. Dus blijven ze die onzin kopen.

Bij Gerda was zingeving religie, bij de andere bloemkolen kweken en bij die jongens hier en hun publiek is dat mijn oersaai echtelijk leven uitspitten. Wachtkamers van huisdokters liggen vol met die prullaria. Neem de gesprekken bij dameskappers en in de patisseries. Denk je dat de wereldproblemen daar aan bod komen? Soudan?  Kernafval? Zelfs het hilarische Brussel-Halle-Vilvoorde, dat toch al ruim dertig jaar één grote politieke klucht is? Nee, geen ideale disgestief tussen roomsoezen en javannais.

Laat morgen een verzwegen kind van Boudewijn uit een of andere adellijke kast vallen. Dagen nachtwerk geblazen bij ons en elders, geloof me. Trouwens, Laken wordt opnieuw te kakken gezet, door de buitenechtelijke dochter van de koning. Ze heeft verdorie gelijk dat ze het hypocriete gedoe aan de kaak stelt. Albert heeft  het lef niet  om te zeggen ‘Et alors!’. Het Hof zal zwijgen in alle talen. Doen ze altijd als ze niets kunnen weerleggen.

 

Om en bij de dertig jaar geleden, in de periode van hun echtelijke moeilijkheden, werden door ons foto’s gepubliceerd. Dolce Paola aan het dollen met haar vriendje, de zogenaamde compte de Mun. Ik meen mij te herinneren dat het ergens  op Sardinië was. Een halfmiljoen oude franken hebben wij toen betaald voor die prinselijke tongkussen. Twaalfduizendvijfhonderd euro! Laken heeft nooit gereageerd.

Toen ik correspondent van Bildzeitung was en braafjes verslag uitbracht over overstromingen rond de streek van Ruisbroek, waar Boudewijn en zijn gezelschap werden bekogeld met modder en aardkluiten, zijn de poppen echter aan het dansen gegaan, ja! Bildzeitung, ook sensatiegericht,  veranderde de kluiten in stenen en blokletterde: “Steine für den  Belgischen König!”. Resultaat: bericht onjuist, dus reactie van het Hof en ik kop van Jut. 

Weet je, Marianne, de kletskont, de commère van weleer, haar domein was de straat. Wel die  goeie ouwe babbelkous is grotendeels vervangen door dit soort publicaties, hun domein is de wereld en Vlaanderen in het bijzonder. Niets meer en niets minder!’


Wordt vervolgd


1 reactie Reageer op dit bericht

Herboren worden en toch...

Wellustelingen....

episode...

62...


 

Ik werd een andere man toen ik een halfuurtje later bij Marianne kwam. Ik maakte mezelf wijs dat zij en ik ons als herboren waanden en we reden naar Les Arcades. Marianne genoot van de moules Saint Tropez,  de lamsfilets en de geflambeerde flensjes. We gekscheerden. Raakten licht beneveld. We wilden vergeten. Tomeloos opgaan in de roes.

 

Ook later in de hotelkamer, met de open ramen op de lawaaierige doorgang van de Koninginnegalerij. Onze naakte drift uitschreeuwend en alle paradijzen veroverend zoals die allereerste keer bij Céline, op mijn verjaardag.

We wilden echter te veel. De gewone spontaniteit ontbrak. Net alsof we het mariannen en maxen verleerd hadden! Twee stuntelige debutanten waren we. Overdreven passioneel doend met het besef dat er dubbel bedrog werd gepleegd. Om de smart en de angst te verbergen.

Marianne had  haar werkuren geswitcht en we sliepen tot tien uur. We voelden ons, ondanks alle wriemelende en verpestende beslommeringen, rustiger. Vonden onze glimlach terug en gingen ontbijten op het terras van de Mokafé, verderop in de galerij.

 

Youssouf bracht ons de Nederlandstalige kranten. Marianne’s blik viel meteen op een loktitel van een populair sensatieblad.

“Potverdomme! Die hypocriete kaloten, moet je horen , Max!’

Ik had haar nog nooit zo verontwaardigd horen tieren. Ze bonkte met de vuist op de zitbank en Moka, de grijsgestreepte, luie huiskater sprong blazend  weg. De stem van Marianne sneed als een gescherpt mes:

‘ Moord op mevrouw Cijnens blijft mysterie! Gaat echtgenoot-journalist wel vrij uit? Lees het exclusief interview met boezemvriendin van slachtoffer op pagina drie! Dat is straf! Waar halen ze het vandaan?’

‘Och, die pulpkrant!’

Ik schokschouderde erom. Die jongens kende ik wel. Nieuws brengen in een opgejutte, ronkende en kleurrijke verpakking. Sensatiebubbels. Zoveel mogelijk bedrukt papier verkopen om de laagste gevoelens te bevredigen. Tja, de pot moest  de ketel niets verwijten. Ik had er destijds met “De Klapper” ook vlijtig aan meegewerkt, al was het  mij meer te doen geweest om gossip uit film- en showwereld.

 

Dat de concurrenten van onze uitgeverij nu de hoofdredacteur van een blad, dat hen jaren van jaloersheid had doen knarsetanden, met dankbare graagte op de korrel namen, was zo logisch als wat. Met beleefde modder gooien, maar eerst de handschoenen aan.

‘Ik wil dat flauw gezever niet horen, schat, kom we gaan door!’

Wordt vervolgd


1 reactie Reageer op dit bericht

Schatten rond de bedstee

Wellustelingen....

episode...

61...


‘Wanneer zie ik je, venteke?’

‘Mocht het alleen van mij afhangen, dan kwam ik meteen naar jou toe en ging nooit meer weg, schat.’

Ze reageerde niet, vroeg abrupt:

‘Iets gevonden, Max?’

‘Nee…Marianne, luister, ik ben doodop. Niks geslapen, nog niks gegeten. Ik zit onder stof en webben. Ik voel me vies, vuil. Ik wil in bad en dan een stevig maal. Naar de Queen Anne ga ik niet meer. Naar dat hotel aan de basiliek evenmin. In dit kot blijf ik evenmin, so what baby?’

 

Ik had het kort, wellicht wat te scherp-snijdend gevraagd. Ze weifelde even en zei dan zachtjes:

‘Oké, ik heb het begrepen. Neem mee wat voorlopig nodig is. Ik verwacht je over een tweetal uurtjes. De stevige maaltijd zal op tafel staan. Is mijn maatje eindelijk tevreden?’

‘Zoetje, ik wil echt niet dat jij je nu uitslooft voor mij. Trek iets leuks aan. Ik kom je oppikken. Zet mijn spullen af en dan we gaan uit eten. We hebben het beiden echt nodig eens onder normale mensen te zijn. Ik wil menselijke warmte en gezelligheid. Ik bel nu meteen naar Les Arcades, in ‘t Beenhouwersstraatje. Wees gerust geen toeristische plekpleister. Sylvia en Danny da’s daar één brok hartelijkheid en de keuken valt meer dan mee. Wordt het te laat, geen probleem. We kunnen er zeker blijven overnachten. Hun hotelletje is vlak naast en ik breng je ’s morgens naar kantoor. Tot straks, je t’aime!’

 

Ik douchte haastig. Rende naar mijn kamer. Greep een en ander bijeen. Kieperde alles in een reistas en sjokte naar beneden. De terrasdeur en keukendeur op nachtslot en weg. Minute papillon!  Wat wou denkduiveltje dit keer? Wie zijn we vergeten? vroeg hij.  Stan en Laurel! Vooruit, de tuin in, eieren rapen en beestjes voederen. Bied je excuses aan, kippen hebben vriendschap nodig of ze leggen niet meer!

 

Regenmantel aan, revolver en kogels in de diepe zakken (mocht ik zeker niet vergeten!) en de tuin in. De eerste doffe tonen van de Brabançonne! Wie nu weer? Marianne toch niet om te zeggen dat het feest uiteindelijk niet doorging!

‘Saepe pax periculosior bello fuit!’

Serge! Die onnozelaar!

‘Arme vriend, vaak was vrede gevaarlijker dan oorlog. Hoe gaat het met jou, Max? Heb je je evenwicht al wat teruggevonden? ’

‘Ik heb geen tijd en ik val om van vermoeidheid.’

‘Ik ben reeds een hele dag in gedachten bij jou, mijn vriend. Ik kom pas terug van de politie. Ik heb er Madeleine en Adrienne heen gereden. Ze zijn net als ik ondervraagd.’

‘Serge, maak het kort. Ik moet weg…’

‘Ja, Francis verwacht je. Hij heeft vernomen dat Gerda’s stoffelijke resten maandag worden vrijgegeven. Hij gaat je dus bellen over de plechtige teraardebesteling. Luister, waarde vriend, ik wil je nog iets zeggen…’

‘Kan het wat vlugger, ja?’

‘Max, verbreek de verbinding niet. Scheep me ook niet af. Ik sprak met inspecteur Vloesberghe.’

‘En jij hebt die man heel wat kunnen vertellen!’ schampte ik  boosaardig.


‘Nuttige zaken, Max, echt nuttige zaken.  Je kan me misschien niet lijden, maar ik ben geen charlatan en nog minder een schijnheilige. Volgens wat Francis me zegde, zou het mogelijk zijn dat een en ander uit Gerda’s kamer werd ontvreemd.’

‘Kerkbazaar!’

‘Vergis je niet, waarde vriend. Je beseft het misschien niet. In Gerda’s kamer is een fortuin verzameld!’


De antieke bidstoelen, de kerkboeken uit de veertiende eeuw, de gouden en zilveren monstransen, de wassen madonna’s onder stolp, de polychrome heiligenbeelden! Serge wist er verdorie  meer van dan ik!

‘De “kamerende” zielenherder, weer iets nieuws!’

‘Spectemur agendo, Max, beoordeel ons naar onze daden. Die kamer was een bezinningsoord voor onze gebedsgroep. Vooral Adrienne heeft aan de inspecteur een vrij behoorlijke beschrijving van de inboedel kunnen geven. Niet alles, maar toch heel wat. Wij blijven er allen bij, dat een of andere bende de woning is binnengedrongen. Ondanks mijn vele waarschuwingen bleef die brave Gerda geloven aan de innerlijke goedheid van elke mens… Max, ik wil het in feite hebben over de teraardebestelling van Gerda, wij moeten…’

‘Serge, wij moeten juist niets. Valt er iets te regelen, doe het dan met Francis. Oké? Salut.’


Eindelijk van die kwal verlost! Een fortuin  aan kerkbazaar op haar kamer? Francis had daar beslist ook geen idee van. Als iemand het kon weten, dan was het die pastoor en niemand anders. Ik moest dringend de verzekeringsmakelaar contacteren, de raad van Vloesberghe opvolgen, de troep van Gerda en andere waardevolle voorwerpen laten opslaan.

Onbewoonde villa’s nodigen  uit tot inbraak.

 

Ben je gek, riep denkduiveltje. Die gasten van de belastingen weten je ook wonen, hoor! Nooit gehoord van een aangifte nalatenschap!  Het kan goed zijn dat die witte brigade een gedetailleerde plaatsbeschrijving heeft opgesteld. Wat als de belastingen het in hun hoofd krijgen om te neuzen in die dossiers? Overleg eerst met je zoon. Hij is gewiekst genoeg. Weet hij het niet, dat hij zijn netwerken optrommelt. Morgen overleg met hem. En nu, hop, naar Marianne.


Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

De zoektocht

Wellustelingen....

episode...

60...


Het huis stond er zoals ik het nooit tevoren had willen zien. Beeld uit een mistiggrijze waternevel. Zo op het eerst zicht al jaren onbewoond. Koud. Ongezellig. Afstotend. Potdicht. Stilte alom. Niet eens een verre nieuwgierige burenblik. Een spookhuis. Nooit het mijne geweest. Een graf van een huis.

 

Ik ging onzeker naar binnen. Als kwam ik niet in een bekende ommuurde veiligheid, maar op vijandig gebied. Met hier en daar loerende flikken. Er was natuurlijk niemand.

 

Mijn ogen gingen direct naar de trap. Dààr had ze gelegen. Waren er nog bloedsporen, andere sporen? Hadden ze een krijttekening van het corpus aangebracht, zoals in een film steeds ziet?

Trek het je verdomme niet aan, suggereerde denkduiveltje. Ik hoop dat je tenminste weet waarvoor je gekomen bent! Vooruit eerst naar boven! Kledij en ondergoed, sokken niet vergeten, scheergerief, tandenborstel, aftershave en je shampoo tegen schilfers. Je kleerborstel! Nee, Marianne heeft dat niet. Jonge vrouwen gebruiken meestal zo’n kleefspullen en jij gaat je daar blauw aan ergeren. Komaan,  automatische piloot inschakelen en dan wegwezen. Nee, stop, vriend, eerst zoeken. Goed zoeken!

 

Ik trok mijn klamme overjas uit en daalde meteen af naar de kelder, de rommelkelder. Daar, in de uiterste webbenhoek, tussen een drietal oude tuinstoelen, een manke tafel en een kleurloos versleten zonnescherm stond vaders gereedschapskist. Een ruime, houten, logge bak. Proppensvol met allerhande oud en nutteloos alaam. Ik wist zelfs niet of er iets uit verdwenen was.

Nerveus maakte ik de kist leeg. De browning FN lag er nog, helemaal onderaan. Eerst zorgvuldig verpakt in grauw papier en daarna in een beschermende vilten doek, het doosje met kogels erbij. Dàt had de politie dus over het hoofd gezien! Ik nam de browning en de kogels mee.  Gooide de kist daarop weer vol en startte nauwgezet mijn verder kelderonderzoek.

 

Vastbesloten het huis van onder tot boven onder de loep te nemen. Gerda’s schriftjes moesten ergens liggen. Die zekerheid had ik voor honderd procent. Maar waar?

Ik zag twee grote ijzeren reiskoffers, die nooit voor enige vakantie hadden gediend. Ze waren nog door Francis gevuld met tekenboeken, stripverhalen, schoolagenda’s, cursussen, stapels statistieken, fotoalbums van de Vanbesiens, schoolrapporten en eindwerken.

Heel die bestofte rimram doornemen vergde ruim twee volle uren en bracht niets op. Het deed me wel mijmeren over een tijd dat ik hoopte mijn zoon, op wie ik destijds zo trots was geweest, nog eens te kunnen waarderen als mijn evenbeeld.

Ik was hem stilaan kwijtgeraakt. Voornamelijk door Gerda’s toedoen. Nu bleef Pat tussen hem en mij. Pat, met al haar heimelijke gifpijlen naar mij, de schuld en de boete die ze me blijvend wou opleggen.

 

Ik kreeg het opnieuw moeilijk, doorzocht niettemin de drie overige kleinere kelderruimten, vond niets en klom vermoeid de trap op, onder het stof en de spinnendraden.

Genoeg voor vandaag. Dit huis was immers nog altijd het mijne. Ik kon morgen en overmorgen verder rustig de tijd nemen om voort te zoeken. Ik had een fles St. Estephe meegenomen. Ontkurkte ze, nam een stevig glas en belde Marianne.


Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

Tweede ondervraging

Wellustelingen....

episode...

58...

Ik reed weg om elf uur. Het motregende. Een motregen die dra overging in een bestendige, kille neerslag. Ondanks het telefoontje van mijn vrouw daalde mijn stemming onder nul toen ik bij het politiegebouw parkeerde. Een huid van leer was ik, een in boeien geslagen geest, die allesbehalve normaal functionneerde. De mokerslagen kwamen evenwel terug: de dagboeken, de revolver, de uitspraken van Pat. Van haar hing zoveel af…en van Francis! Wat als Vloesberghe merkte -en dat merkte zo’n ervaren man zeker- dat ik een kwelnacht achter de rug had? Dat ik misschien iets te verbergen had? Dat ik opeens ontzettend nerveus, bang, paniekerig geworden was?

Inspecteur Vloesberghe ontving me zeker niet koel, eerder minzaam, correct.

 

‘Dag, meneer Cijnens, gaat u toch zitten. Niet zo’n beste nacht gehad, zo te zien? U mag uw huis betreden, onze mensen zijn klaar. Wat het vrijgeven van het lichaam van uw echtgenote betreft, daar heb ik nog geen uitsluitsel over. Ik vermoed begin volgende week.”

Ik vroeg benepen, trachtte kalm te spreken:

‘Inspecteur, zijn  uw mensen …hebben uw mensen al enig spoor gevonden?’

‘Het onderzoek is  pas gestart, meneer Cijnens, u moet geduld hebben’

‘Het wapen, inspecteur, …mag ik alstublieft weten wat er precies met Gerda is gebeurd?’

‘Schedelfractuur, aangebracht door een stomp, zwaar voorwerp en een tweede fractuur aan de schedel. Doordat het slachtoffer vermoedelijk van de trap is geduwd of gevallen. Afgaande op de rigor mortis hebben de feiten zich voorgedaan tussen acht en twaalf uur. Vertel eens, meneer Cijnens, hebt u dinsdagochtend vòòr uw vertrek naar kantoor, een woordenwisseling gehad met uw echtgenote?’

‘Ik zag haar ’s morgens vrijwel nooit. We ontbeten nooit samen.Gerda ging altijd naar de vroegmis. Vóór zij terugkwam, was ik al weg naar de redactie. In de weekends trok ze zich terug in haar kapel. Wij liepen elkaar zo weinig mogelijk voor de voeten.’

 

‘Haar kapel? U bedoelt haar kamer, meneer Cijnens?’

‘U hebt die toch gezien? Bij mij is het op z’n minst al vijftien jaar geleden geleden. Na haar galblaasoperatie. Die kamer stond toen al overvol. Je kon er amper in bewegen. Heiligen beelden, zelfs onder haar bed. Bidbanken, kerkstoelen, wassen beelden onder stolpen. Allemaal onverkochte exemplaren uit de winkel van haar ouders en veel legaten van haar familie. Niemand mocht in die kamer. Niet eens de poetsvrouw . Alleen haar bidgenoten en mijn zoon uiteraard.’

‘Beschikt u over foto’s van de kunstvoorwerpen in die kamer?’

‘Geen idee, nee. Tenware dat Francis…Nee, ik denk het niet.’

 

‘Hoe is de verhouding met uw zoon, meneer Cijnens?’

‘Goed. Bijzonder goed zou ik zeggen.’

‘En met uw schoondochter?’

Plots was ik op mijn hoede. Kwamen nu de strikvragen? Zou hij de schriftjes te berde brengen? Werd ik binnen het kwartier naar een cel gebracht?

Ik slikte moeizaam, bracht niettemin toch een perfect gelukte, ontspannen glimlach rond de mond en gaf eerlijk toe:

‘Met Pat heb ik nooit goed kunnen opschieten, meneer Vloesberghe. Geen makkie en natuurlijk schandalig ontzet over mijn relatie met een veel jongere vrouw. Pat is ervan overtuigd dat mijn vriendin alleen mijn geld op het oog heeft.’

 

‘Ik heb met haar al gesproken. Zo, het kan dat we u nog nodig  hebben. Ik weet u wel te bereiken. U kan beschikken, meneer Cijnens.”

‘Inspecteur, voor de goede gang van zaken, dit nog: na de begrafenis zal ik bij mevrouw Dries, mijn vriendin, intrekken. Mijn huis is…ik moet overleg plegen met mijn zoon, maar dat huis, neen, ik kan daar niet langer wonen.’

Vloesberghe knikte en noteerde iets op de documenten. Ik liep naar de deur.

‘Meneer Cijnens, momentje nog…’

Daar gaan wij! Columbo in Wemmel, altijd op het allerlaatste ogenblik de allerlaatste maar beslissende vraag. Ik verstijfde maar denkduiveltje kalmeerde me: doe niet onnozel, vriend. Een type van zo’n kaliber vergelijken met een Amerikaanse  tv-kierewiet!

‘…ik raad u echt aan om een en ander van de inboedel in bewaring te geven vooraleer u bij mevrouw Dries intrekt. En absoluut de kunstvoorwerpen laten fotograferen en zeer duidelijk omschrijven. Uw makelaar kan u daarbij adviseren.’

 

God, mijn Heer, heb dank, heb duizendmaal dank, zou Gerda zeggen. Ik hoorde het haar roepen vanuit haar hemel bij een bord rijstpap. Dat was dan opgelost! Geen dagboeken gevonden, geen revolver! Voorlopig blijkbaar niets bezwarends tegen mij ontdekt! Wat zouden ze ook! Er was niets tegen mij te vinden. Ik had nergens enige schuld aan. Ik moest alleen Pat vòòr zijn

 

Ik belde Marianne. Deed het relaas van het verhoor. Ze slaakte keer op keer een zucht van opluchting.

‘God zij dank, sorry voor die uitdrukking, Max’, zei ze ‘maar er valt me een zware steen van het hart. De dagboeken en die revolver… Jongen, jongen, hadden ze die gevonden!’

‘En ze zijn er nog, dat weet ik zeker. Ik moet ze vinden lieveke. Ik ben onderweg naar het huis. Ik bel je straks nog. Daag! Kusje.’

‘En nu naar de villa’, zei ik resoluut tegen mezelf, ‘mijn zoekactie start!’



Wordt  vervolgd


Reageer op dit bericht

Blijvende angst

Wellustelingen....

episode...

59...


 

 

MIJN ANGST

 

 

 Ik hield halt bij een taveerne. Sanitaire stop eerder en gulzige dorst naar schuimend abdijbier. Ik wou tevens Francis bellen.

Hij was de vorige avond laat ontboden. Pat had er vanmorgen om negen uur moeten zijn. Hij grijnsde dat zijn vrouw paniekeerde tot en met. Net een bange wezel. Kalmeerpillen moeten slikken. Gedaan grote mond!  Ze dacht dat Vloesberghe ook haar zou verdenken. Zij bezat immers een sleutel en er was geen slot geforceerd. Dus…! Helemaal over haar toeren.

‘Ondanks al de miserie deed het deugd haar zo te zien, pa.”

Tiens, zijn vrouw totaal van de kaart en Francis had binnenpretjes!

 

Kalmer en ernstiger ging hij verder:

‘Pa, je weet die magistraat, enfin een clubgenoot van mij, uiteraard mag niets lekken uit het onderzoek, maar omdat het om mijn moeder gaat… Wel ze denken aan iemand uit de directe omgeving. Vloesberghe sluit echt niemand uit. Ook familie niet, terwijl onze alibi’s nochtans kloppen als een bus, denk ik toch!’

Het moordwapen was nog niet gevonden, ging hij verder, wel hadden ze een en ander meegenomen.

Ik hield mijn hart vast en wou weten wat ze precies hadden meegenomen.

Francis wist het niet:

 

‘Ze zijn nog steeds bezig met buurtbewoners en  vriendinnen van ma te ondervragen. Tot de melkboer en de postbode toe. Ik moet stoppen, pa. Ik hoor geroffel boven. Pat ligt al een paar uur in bed met barstende hoofdpijn. De naweeën van de ondervraging. Ik heb haar vanmorgen nochtans duidelijk gezegd: wees kalm, antwoord kort en precies op al de vragen. Zeg niets méér!’

Dat “niets meer” bleef hangen. Werd even een drukkende hand rond mijn hals.

 

Wat bedoelde Francis? Mocht ik het beschouwen als een van zijn onderduims dubbelzinnige vingerwijzingen? Me doen inzien dat hij wèl op de hoogte was van de dagboeken, maar Pat op het hart had gedrukt haar mond te houden? Wou hij me schrik aanjagen?

 

Nee, ik stelde me alleen wat voor. Domme inbeelding, natuurlijk. Misschien geloofde Pat niet eens aan het bestaan van die dagboeken. Had ze die nooit gezien en veronderstelde dat Gerda, in een wrekende driftbui, het haar zomaar  op de mouw had gespeld.

Ik vroeg, gespeeld koel:

‘Zou er wat gestolen zijn?’

‘Vloesberghe is met mij vannacht naar de villa gereden. De mensen van het labo waren er nog. Ik denk niet dat er iets verdwenen is, maar ja, er staat zo waanzinnig veel in de kamer van ma. Een of twee stukken minder, geen mens die het merkt. Ik heb hem verwezen naar Madeleine en vooral Adrienne. Ze zaten daar soms uren samen te bidden of whatever. Er was wel wanorde in de kamer. Enkele laden opengetrokken. De kleerkast  open en wat papieren op het parket. Kan zowel door de belager als door ma gedaan zijn.”

‘Ik blijf erbij dat het die bende moet zijn geweest, Francis.Een of ander smoesje en Gerda zal die gasten binnen gelaten hebben, goedgelovig als ze was.’

 

Francis wou weten of ik die namiddag nog naar de redactie ging. Als er iets was dat me nu hartgrondig tegenstond, dan was het wel de redactie. Maar hoe dan ook, morgen of  begin volgende week, moest ik erheen. Ik wou met de raad van bestuur gaan praten en met Gerard van personeelszaken: pensioen aanvragen en al mijn verlofdagen opnemen (en dat waren er een heel pak!). Vooral trachten een minnelijke schikking te bekomen. Simonne zou dit nu misschien met veel plezier in overweging nemen. En dan salut en de kost! Max de hoofdredacteur was verleden tijd.

Ik, eens de stoere, steeds zelfverzekerde criticaster en betweter; nu een bange zwalper, verpest door vragen met klemmende antwoorden. Schuldig zonder echt schuldig te zijn, gekweld door zelflast.

Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

De droom

Wellustelingen....

episode...

57...


Zij stond voor mij, in de opening van de terrasdeur. De vleermuismouwen van haar zwarte lange jurk wapperend in de wind. De felroodgelakte wijsvinger van haar knokige hand bezwerend in de hoogte:

 ‘De sloor is tweemaal vermoord. De eerste keer  was voor haar de ergste keer. Ik wist het van die dagboeken. Ma had het mij verteld. ‘Als er iets me mij gebeurt,’ zei ze,’ zorg dat ze nadien in de juiste handen komen.’ Jij zwijn, je hebt haar leven meer dan kapot gemaakt. Daar ga je voor boeten. Ik zweer het op haar hoofd. Francis kan me niet tegenhouden. Iedereen, hoor je, iedereen  zal het weten. En overal waar je je poten nog zet, zal ik zorgen dat ze je met de vinger wijzen. Ploert, misdadiger, ’t Is te hopen dat de ogen van haar dáár  tijdig  opengaan.’

 

Marianne zat stijf-deftig in mijn chesterfieldzetel. Deemoedig met gebogen hoofd.

‘Het kan je eveneens overkomen, meisje. Nog enkele jaren, als het nieuwe eraf is, volgt jouw beurt. Hij kan dan eentje zoeken van achttien, vijftien of nog jonger. Een kind verkrachten  komt zeker nog op zijn palmares!’

Pat had er jaren op gewacht, nu triomfeerde ze. Ze was duidelijk buiten zichzelf van woede.

 

Francis liep er bij als een witte geestesverschijning. Zijn ogen staalhard. Vol afschuw en dan weer intriest. Hij zei telkens opnieuw, verdrietig en  gesmoord:

‘Pa, dit moeten meemaken! Ik wil het niet aannemen. Maar het staat zwart op wit. Ik weet niet hoe het met ons verder moet.’

Marianne met een blik vol misprijzen, betraand, helemaal van streek:

‘Ik kan me niet voorstellen, Max, dat uitgerekend iemand zoals jij dit heeft gedaan!’

Ze herhaalde die woorden keer op keer. Zweeg plots. Hoofschuddend, de rest van haar gedachten  begravend. Keek weg van mij als wou ze mijn beeld voor immer verdringen.

‘Niet doen, mijn alles, niet doen. Iedereen maar jij niet…jij nooit’’, huilde ik rauw, opbrandend van ellende.

 

De telefoon op het nachttafeltje rinkelde onophoudend:

’Goede morgen, meneer Cijnens. Het is half negen. Ontbijt wordt geserveerd in de  Felicien Rops-zaal, eerste verdieping.’

Ontbijt? Half negen? Ik was klam van het zweet. Beukende hoofdpijn en maagzuur. De brabançonne op mijn gsm:

‘Heeft mijn venteke wat kunnen rusten?’

 

Die heerlijke, warme, bedwelmende stem van mijn Marianne. Mijn geweldige vrouw, mijn godenkind, mijn beste medicijn. Alleen haar stem en alle ballast, alle vragen, alle zorgen vielen van mij af. Vooral de bittere herinnering aan die afschuwelijke nachtmerrie.

1 reactie Reageer op dit bericht

Obsessies


Wellustelingen....

episode...

56...



Haar maatje kon de slaap  niet vatten.

Die dagboeken, altijd maar die dagboeken. Het werd echt een obsessie! Morgenvroeg eerst Francis opbellen  Hij had voldoende contacten bij de magistratuur. Een ervaren raadsman aanduiden kon bijgevolg geen probleem zijn. Hij zal willen weten waarom! Op die vraag zou ik het antwoord uiteraard schuldig moeten blijven. Want wat als Francis hoorde van de dagboeken? Via Pat of Vloesberghe ! Via zijn clubvriend-magistraat! De raad van Marianne opvolgen moest ik. Voet bij stek houden dat het een vuige leugen van Gerda was. Liegen om mijn eigen vel te redden, vooral om mijn zoon niet te verliezen?

 

Definitief misschien! Ik was altijd open en oprecht tegenover hem geweest. Als er iemand is, die weet dat zijn vader geen leugenaar is, dan toch Francis zeker! Er was zijn moeder door mijn zogezegd toedoen destijds helemaal niets overkomen. Ze kon daarover vertellen en schrijven wat ze wou. Basta!

 

Gerda overdreef altijd en in alle toonaarden, fenomenaal zelfs en met één welbepaald doel: mij pesten. Maar liegen deed Gerda nooit opzettelijk. Ook dat wist Francis. Anderzijds, het regende hevig die avond en die schoft van een pastoor had er een handje van weg om zijn oude, versteende zielenpoten alles en nog wat wijs te maken.

Niemand wist precies wat er in zijn kerk ’s avonds gebeurde. Denkduiveltje had het me die bewuste avond eveneens gesuggereerd: ’t zou hem niks verbazen dat die kwezels daar voodoo-popjes naaien. Spelden prikken in mijn hoofd en teelballen en in Marianne’s borsten en snoezepoezeke. Als het in Haïti en op de Caraïben werkt, waarom hier dan niet? Onder ons gezegd, vriend, je hebt de voorbije weken al enkele keren geslapjanust! Met dat volk weet je maar nooit en met zo’n weer rijd je liever wat trager. Gas terugnemen. Nu! Let op met je gemanoeuvreer.

 

Natuurlijk is het zo gebeurd: ik plots in de war, de aandacht verslapt en een verkeerde stuurbeweging, slechts één. Ach, ik moest mezelf niets wijsmaken. In een vlaag van domheid, verzopen van afkeer en wilde haat, had ik Gerda die bewuste avond werkelijk  willen doodrijden.

Zomaar een demonische flits was het geweest. Dezelfde flits, die juridisch omschreven wordt als “zinsverbijstering of psychisch emotioneel totaal ontredderd, zodat de dader zich in die minuten geen rekenschap geeft van wat hij doet”. Diezelfde flits, die reeds duizenden mannen vóór mij, verstandige zelfs rustige mensen, jaren in de cel had doen belanden.

 

Had ik niet op het allerlaatste moment het stuur omgegooid, Gerda was niet te ontwijken geweest. Misschien niet gedood, maar toch zwaar gewond. Gehandicapt voor het leven. De bedoeling was er geweest. Ik verscheen daarom hoe dan ook voor mijn rechters.

 Dat zou erger zijn dan een cel. Vrij in een ontwijkende, zwijgende, beschuldigende kleine wereld. De wereld van Francis, Pat en mezelf. En ja, ook van Marianne.

Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

Meer van 'PATATI PATATA

↑ Terug naar de berichten