Naar de inhoud

'PATATI PATATA

seniorennet.beseniorennet.be

Feel good in TITI's elektronisch kletscafé waar het leven gezien wordt door een Oiljsterse vrouwenbril...en feel je niet good, dan retour à domicile!

Archief

Wellustelingen....

episode...

118...


Ik hoorde niets meer. Was me alleen bewust van mijn laatste doel en schoof spookachtig de kerk binnen.

 

Ik had gehoopt op meer volk. Een veertigtal mensen. De familie vooraan, twee lege rijen stoelen en daarachter vrienden en kennissen. Allen op hun dorpsbest. Straks wachtte hen het  overdadig tafelen, het bier, de   wijn, de cola’s,  de Rennietabletjes, de breugeliaanse tafel na middernacht, de disk-jockey en Lotti en Tura afgewisseld met hip-hop en de kuskensdans

 

Grijs en dik, oud en jong gaan  de dansvloer bestormen wanneer het iets zuiders wordt. Broekspijpen opgerold, dikke konten draaiend, vetkussens hobbelend, gewrichten krakend, zakdoeken zweetwissend van voorhoofden, hals en  van tussen de borsten. Er zal gebruld worden om de flauwe en gortige grollen van de geattitreerde moppentapper. Er zullen luchtjes worden geschept om te boeren, wind te laten of te braken. Een Vlaams huwelijksfeest op z’n best.

 

De zombie, traagjes over de rode loper stappend, verstoorde alles. Nieuwgrierige blikken en vragende ogen. Ik voelde ze prikken. Wat moest ik daar? De meesten kenden me niet. Gemompel. Ik naderde het bruispaar.  De opperste rechter zou straffen en gestraft worden. Het vonnis over Serge. En over mezelf. De twee zangers zwegen, de muziek eveneens.

Daar stond hij! Serge! Gloriërend tegenover het bruidspaar. Zijn holle woorden kwamen me bijna uitnodigend tegen. Eerst zacht, dan juichend aanzwellend, met warme tremolo’s. Een tweevoudig moordenaar op z’n priestersbest:

 

‘Dat de God van Israël u verenigt en Hij zij met u. Dat Hij  zich over dit jonge paar ontfermt en maak, Heer, dat zij u loven…’

Hij zag me eerst niet. Het bruidspaar genoot zijn aandacht. Hij leek in godvruchtige huwelijkstrance.

‘Sam, aanzie je vrouw als een weelderige wijnstok aan de muren van jullie huis, jullie kinderen als olijfvruchten rondom julie tafel…’

Pas nu merkte hij me op.

 

Ik schreed langzaam vooruit. Een nootlottige geest, een buiten zichzelf getreden medium, vreemd, mysterieus. Ik zag Serge verstijven. Toch trachtte hij beheerst te blijven. Zijn stem leek zelfs vaster te klinken. Zegevierender. Het jonge paar en hun familie hingen aan zijn lippen:

“Alleluja, alleluja, de Heer verlene u bijstand uit zijn heiligdom.’

 

Hij staarde me nu pas doordringend aan. Nog even bedaard en gewoon alsof ik er niet was. Meer en meer ogen vestigen zich op mij. Ik voelde hun blikken. Wie was dat? Wat doet die man hier. Die verfomfaaide, schichtige figuur in regenjas. De indringer. De misverstoorder. Waarom trad hij in slow motion op het jonge paar toe?

Niemand bewoog. Nieuwsgierigheid werd prikkelender. Ze keken allemaal toe. De ene geërgerd en verbaasd. De andere verveeld of onverschillig. Maar allen heimelijk weetgierig.

Serge stoorde zich blijkbaar niet aan mij. Hij deed kalm verder. Een man van plicht. Hij herinnerde de jonge mensen aan hun verplichtingen tegenover elkaar en begon het evangelie volgens de Heilige Mattheus te lezen.

Maar al die tijd wist Serge het. Hij wist dat ik hier voor hem zou verschijnen. Tijdens zijn laatste, allerlaatste huwelijksinzegening. Slordig, verteerd van verdriet, wanhoop, ellende en diep haat, zo zou ik naar hem toekomen. Zo verwachtte hij me écht. Afgestroopt van wraakzucht, pijn en bloedhonger. Levensmoe om wat hij me had aangedaan. Zijn rechter en beul, Ik, Max Cijnens.


Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

Eindbestemming: huwelijksmis

Wellustelingen....

episode...

117...


Ik werd wakker. Had een tweetal uren geslapen. Hoopte gedroomd te hebben. Maar op hetzelfde ogenblik zag ik Marianne op de zetel. Dood. Wraakeisend.

 

Mijn lichaan deed verschrikkelijk pijn. Krampen spanden mijn kuiten op alsof ze uit elkaar gingen springen. Ik moest helder nadenken. Handelen. Kordaat en zonder medelijden handelen.

De felle klaarheid van de dag door het brede raam leek een mistige sluier van de voorbije nacht. In mijn kurkdroge mond had ik de smaak van bloed. Neen. Ik wou niets weten. Niets voelen. Zelfs geen haat. Geen wraak. Geen laatste vonnis, nu. En toch. Die dwang van dat onbewuste. Die wil om te straffen…

Ik sukkelde uit de zetel. Wankelde naar Marianne toe. Keek naar haar grauwgeworden gelaat, dat nu voor altijd in mijn brein zou gegrift blijven. Hoestte schor. Zwijmelde de hal in.

Ik was geen mens meer. Geen robot. Niet eens een schim. Ik was veranderd in de onzichtbare, roofzuchtige, meedogenloze wreker. Gehoorzamend aan een tegennatuurlijke dwang. Bereid alle hinderpalen uit te weg te ruimen. Doorgaan ad fundum. Voorbij de laatste grens. Om mijn vrouw. Mijn Marianne.

Ik trok werktuigelijk de regenjas aan. Voelde de Browning in mijn zak. Stapte in de wagen en reed weg.

 

De huwelijksmis door de moordenaar moest nu al aan de gang zijn. Laat de schoft, met zijn heimelijke bakkes, maar voor het jonge bruidspaar staan, wenste ik. Met al zijn gezalfde zegeningen en vrome wensen. Met zijn beminnelijkste glimlach van beschermende en begrijpende herder. Pastoor Serge! Een aanfluiting van alle menselijkheid!

Ik hoopte dat de helft van het dorp zou aanwezig zijn. Ik rekende op een jubelende Hochzeitmesse met passsende orgelmuziek als glorie van een nieuwe band tussen man en vrouw. Een ode aan  Liefde en Voorspoed, aan Toekomst en Gelukzaligheid. Triomf voor het edele leven. Domper op macht en dood.

 

Er was inderdaad muziek. Orgelmuziek vulde het dorpsplein. De grauwheid was uit de lucht. De kilheid niet. Er vielen nog zeldzame regentranen. Ik had echter geen tranen meer. Ik was werktuig, computergestuurd. Gehoorzamend aan die dwang, die dwang…

Ik parkeerde de Audi op het dorpsplein tussen de andere wagens. Ik zag het roze schriftje van Gerda op het dashbord liggen. Ik vermoedde dat ik de andere twee bij Francis had laten liggen. Niet meer aan gedacht na zijn verhaal over Pat en Valerie. Wat met dit exemplaar? Versnipperen? Geen tijd meer. Zag het postkantoor en kreeg een ingeving. Eefje, mijn vertrouwelinge! En het enige privé-adres dat ik van gans het team kende. Want haar adres was immers dat van mijn ouderlijk huis. Scheurde een blaadje uit mijn notaboekje en schreef:

“Eefje,

Dit is een dagboek van mijn overleden echtgenote. Bijzonder belangrijk!  Houd het zorgvuldig bij. Wat je morgen ook verneemt, dit schriftje mag niet in handen komen van de politie. Zeker niet in handen van mijn zoon.  Bedankt voor zoveel en vooral om deze laatste wens van mij in te willigen .

Max”

De bediende in het postkantoor had duidelijk problemen met de computer. Een jonge collega kwam helpen. Ik werd ongeduldig. Trommelde met de vingers op de loketplank.

‘Een secondje, meneer, hij heeft voor de zoveelste keer zijn loten’, spotlachte hij, ‘een goed gerief zo’n computer, maar ’t moet werken.’

 

Het meisje naast hem keek me wat verschrikt aan. Maakte ik zo’n verwilderde indruk? De ironische opmerkingen van haar norse, bijna-einde-loopbaan-collega misschien? Hij overhandigde me eindelijk de gewatteerde omslag. Frankeerde de zending. Rekende af en grapte nog wat.



Wordt vervolgd



Reageer op dit bericht

Oog om oog...

Wellustelingen....

episode...

116...


Kon het dat die ploert van een Serge zo redeneerde? Zo monsterachtig vals speelde en er stoicijns kalm bij bleef? Zou Vloesberghe morgen in die val trappen? Morgen!? Nee straks! Dat mocht niet. Dat kon toch niet! Ik had uren bij mijn zoon gezeten. Telde zijn getuigenis? Ja toch! Pat was er ook bij. Wanneer was zij naar bed gegaan? Na het telefoontje van Marianne. Hoelang erna, een halfuur, een uur? Geen idee. Francis zou het weten. Functioneerde zijn aangeboren tijdsinstinct nog na de ruzies met Pat? Na de ontlading van zijn emoties over Valerie?  

 

Serge, die doortrapte kazuifelschurk, de in het nauw gedreven, sluwe gokker, had tijd zat gehad om deze nacht alles tot in de puntjes uit te kienen. Mijn bankkaart! Ik had getankt met mijn bankkaart in Keerbergen, vlakbij de villa van mijn zoon. Ik heb ook Gerda’s schriftjes.

De smeerlap moet en zal bekennen. Kon mij niks doen!

 

Mijn hoofd tolde. Ik huiverde, leed. Ik wou Marianne’s lot delen. Zonder haar was er voortaan geen lucht, geen zon, geen licht, geen leven meer mogelijk. Marianne, mijn vrouw, mijn godenkind, mijn begin en einde, mijn wederalles, dat nu niets, niets meer was.

Ik moest nogmaals de politie oproepen. Jacht maken op haar moordenaar. Straf of wraak brachten me haar echter niet terug. Zonder mijn Marianne bleef er slechts leegte. Een diepe, versmachtende leegte. Een leegte, waarin alleen plaats was voor smart en pijn.  Ik kon  het niet verdragen.

Leeggelopen miserie was ik. Een blijvende nachtmerrie. Voor altijd.

 

Ik goot een te grote cognac naar binnen. Fataal op een nuchtere maag. Het kwam er meteen weer uit. Nam een hete douche. Zeepte en schrobde me als gek. Kon Marianne’s dood niet van mijn lichaam sproeien

Ik ging tegenover haar zitten in de andere zetel. Roerloos. Volkomen apatisch. Hoelang weet ik niet. Maar plots wist ik héél goed wat te doen.

Maar zou ik…kon ik… ik was toch niet zo’n ondier als die smeerlap van een pastoor?

Naar de politie gaan, nu meteen? Neen, ik moest zelf réchter zijn…Beul zoals Serge beul voor Marianne was geweest… Marianne,mijn vrouw. Mijne enige alles.


Wordt vervolgd



1 reactie Reageer op dit bericht

Een satanisch brein bekokstooft...

Wellustelingen....

episode...

115...


Een schande voor jou, meneer de journalist, de grote vlek op je bourgeois-blazoen. Laat de jury maar ontzet zijn over alles wat zich in die mooie villa van jou afspeelde. Laat de epistels van die chaotische, zieke geest maar voorlezen. Laat vooral je zoon meegenieten. Nou ja, genieten…

De klap op de vuurpijl! Ken je die al? Het animeerverleden van je grietje, natuurlijk. De notarisstory met alles erop en eraan. Alle bewijzen heb ik. Ook de getuigen als het moet. De industrieel zonder naam en de rest. Wie gelooft dat het om verzindsels gaat? Toch geloofwaardig als ik de jury vertel dat jouw Marianne mij ontboden had gisteravond?  

 

Je zat in Keerbergen. Moneytalk?! Marianne wist dat je de eerste twee uurtjes na haar telefoontje niet terug zou zijn. Ze had het gat vrij, zoals dat heet. Letterlijk en figuurlijk!   Zie je de pers al likkebaarden. Ronkende titels: Gewezen entraineuse en liefje van hoofdredakteur tracht priester te verleiden!

En dan de cruciale vraag van de Voorzitter van de rechtbank:

‘Waarom hebt u ook uw minnares vermoord, meneer Cijnens?’

 

Het is allemaal zo klaar als een klontje: omdat je eindelijk en héél duidelijk inzag, dat zij niets meer was dan een geldzuchtige sloerie. Poen, jouw poen daarom was het haar toe doen. Het zal, wanneer ik in de getuigenbank sta, niet eens nodig zijn een hint te geven. De conclusies van de magistraten en vooral van de jury staan dan al goed vast.

 

Ach, wees maar niet bang voor mij, Max. Met uitzondering van de notaris wordt, als puntje bij paaltje komt, zoals het hoort door een goede zielenherder, teruggegrepen naar het biechtgeheim.

Een kleine insinuatie mischien! Nou ja, we zien wel. Meng schande en extreme jaloezie, wat krijg je? Ravages, toch? Hoe je weet kreeg van die notarisaffaire? Mijn plicht als huisvriend om je tegen het onheil dat Marianne heette, te beschermen. Je op het juiste pad terugbrengen, zeker toen je bij haar definitief wou intrekken. Logisch toch?

Na de dood van Gerda heb ik jou toch enkele keren gebeld? Getracht je dit telefonisch uit te leggen. Je ook willen bijstaan omdat ik toen perfect raadde wie Gerda had omgebracht. Je trachten te overhalen om alles aan de politie op te biechten.

Vloesberghe kan die gesprekjes gemakkelijk retraceren hoor. Onderschat de flikken niet!  Ze vangen er zelfs de wespen van de beroepsrenners mee. Bovendien hebben Bette en haar dochter je nerveuze, eigenaardige manier van doen, gisteren in het portaal, beslist opgemerkt, toen jij me ongevraagd kwam opzoeken.

Het kruisbeeld als moordwapen? Vindingrijk, buitengewoon vindingrijk van mij, al zeg ik het zelf. Gerda heeft er mij twee jaar geleden  eentje cadeau gedaan. Eigenlijk een niemendalletje. Ligt in een of andere lade in de pastorij. Schoondochter Pat was er razend om. Adrienne had, zoals gewoonlijk, bewust haar mond voorbijgepraat. Gerda had echter zomaar geen erfstukken weggeven. Zeker niet aan de kerk, vond je schoondochter. Je gaf Pat toen zelfs gelijk. Gerda beschreef me dit incident in geuren en kleuren. Die schoondochter van jou, zo’n hetze voor één onnozel kruisbeeld! Terwijl de kamer van haar schoonmoeder er belachelijk vol mee stond!

 

Het moordwapen van Gerda is niet ontdekt, kan nooit ontdekt worden. Het staat immers nog altijd te glimmen op het altaar, het zogenaamde geschenk van twee jaar geleden, weet je.

Het tweede exemplaar ligt nu in jouw kelder, met jouw vingerafdrukken erop. Zelfs het alziende oog van Adrienne, had van dit stel geen weet, toen ze op vraag van de politie trachtte na te gaan wat er allemaal ontbrak in de slaapkamer. Kon niet. Alleen jij en je zoon weten waar die  typische kruisbeelden zich bevonden.  

Natuurlijk zal het laboteam  aan de hand van het kelderexemplaar de foto’s van Gerda’s verwondingen, met een ander oog bekijken. Onder het mom van je immens verdriet heb je zelfs alle mogelijke sporen om zeep gebracht. Alles verlegd. Zelfs het lijk. Had ik nog een fout begaan, dan heb jij die ongedaan gemaakt. Hoe dan ook, bedankt! Geef toe: echt stom! Iemand met jouw capaciteiten moet toch beter weten? Een gedreven en ervaren inspecteur heeft daar beslist onmiddellijk een eigen  mening over.  Tja, Max,  dat wordt op z’n minst 25 à 30 jaar brommen voor jou. Een pastoraal bezoek van mij,  nu en dan, zal je voorzeker op prijs stellen. De Heer zij met u!


Wordt vervolgd



Reageer op dit bericht

Zelfkwelling

Wellustelingen....

episode...

114...


Proficiat, maar je verstand komt wat laat, nietwaar. Vier uren te laat, raasde denkduiveltje. Kijk, wat je gedaan hebt. Trek je ogen open, stuk ongeluk. Alle kaarsen en brillen volstaan voor jou niet, uilskuiken. Betweterige rotzak. Meneer heeft geen politie nodig. Meneer voelt zich de opperste rechter. Wat meneer zelf doet, doet hij beter. Het resultaat ligt daar. De tweede keer al! Bij Gerda  was er de vakbond en bij ons bieke, de euforie van Sherlock Holmes.Weet je wat je voortaan kunt doen? Zwierig mijn kloten kussen. Trek je plan, je hoort me nooit meer. Ik ben dood. Eveneens ja. Voortaan kan je stikken. Ook jij, kompaan van de duivel, moordenaarshulpje, jij arrogante hufter, jij geattitreerd shitschrijvertje, jij miserabel  zielepoot. Je bent eveneens dood.

 

Ja, ik had Serge geholpen. Mijn afwezigheid had hem een handje toegestoken. Hem zelfs vrij spel gegeven. Rien ne va plus. Zijn gok was meer dan geslaagd. Bracht hem alle winst op. De schurk zou nu misschien wel slapen, meer dan gerust slapen zelfs. Had hij de dagboeken niet, dan verkneukelde hij zich bij de gedachte dat mijn leven zinloos was. Amen en uit. Zonder Marianne. Ik zag zijn vette buik op en neergaan door de binnenpretjes.

 

Hij wist verdomd goed hoe ik jankend en vloekend van razernij en onmacht, die verafschuwde crucifix zou vastgrijpen en er als een woesteling mee te keer  gaan. Overal, tegen de muur, tegen de trap.

Die crucifix! Natuurlijk! Op de antieke bruidschatskist. Onder de vensterbank van Francis’ kamer. Twee identieke kruisbeelden. Loodzwaar. Ze flankeerden immers zijn verzameling matchboxes. Kruisbeeldenralleys mee gehouden en de jongen vaak laten winnen. Ik herinnerde me plots  de bronzen stukken tot in het kleinste detail. 

Gerda had de kamer van onze zoon, bij mijn weten, intact gelaten na zijn huwelijk. Dus had Serge de kamer van de Francis eveneens doorzocht. Met een beeld zijn moeder omgebracht en het andere meegenomen. Aanvankelijk met de bedoeling het te versjacheren. Tot zijn duivels brein er ander garen mee spon.

 

Francis zou de crucifix in de kelder beslist herkennen. Aan Vloesberghe vertellen dat  beide stukken op zijn jongenskamer hadden gestaan. Een prijkte op het altaar. Kon een geschenk van Gerda zijn aan haar dierbare vriend. Adrienne had eveneens enkele beelden gekregen, was trouwens ook in een van haar dagboeken te lezen. Het tweede beeld droeg mijn vingerafdrukken en Marianne was ermee gedood. De smeerlap wou er mij opnieuw inluizen.

 

Goed gezien, doe maar verder, Max, hoorde ik Serge grijnzen. Je hebt inderdaad je eigen vonnis getekend, vriend. Jouw vingerafdrukken prijken op het beeld, natuurlijk denk je er niet aan die weg te wissen. Je zwalpt in pijn, verdriet en onmacht. Zelfbeklag en beslist zelfverwijt. Je had toch beter moeten weten, vriend? Zie je mij juichen? Maagdelijker dan de onbevlekte ontvangenis ben ik. Door jou gezuiverd van elke verdachtmaking.

 

Het kleinste kind weet dat Gerda ziekelijk jaloers was. Een hysterica, niet mijn woorden, die van je zoon. Weet ik van je schoondochter en die heb ik meer dan op mijn hand hoor. Met de hulp van een gewiekste advocaat, zal Pat mij op alle domeinen bijtreden. Zeker weten. Een kleine rondvraag in de buurt en de brave dutsen bevestigen, dat ik wekelijks twee tot drie keer je vrouw bezocht. Pastorale steun verlenen, heet dat. Vloesberghe en zijn team beseffen dat er bij Gerda meer dan een vijs goed los zat. De slaapkamer, zeg, een kluif voor gerechtpsychiaters. Ziekelijk jaloers en seksueel meer dan gefrusteerd. Ook door jou. Waanvoorstellingen had ze. Meer nog, schizofrenie: Gerda met de drie gezichten. Buitenshuis de zachte, eerbiedwaardige, hulpvaardige mevrouw Cijnens, in haar slaapkamer de fanatieke non Gerda en tegenover mij de geobsedeerde, geile hoer Marianne.




 
Reageer op dit bericht

Dwaze gedachten

Wellustelingen....

episode...

113...


Was hij zo behept door de dwang om Gerda’s dagboeken meteen terug te vinden, dat hij de grootste en domste gok van zijn leven had gewaagd? Fifty, fifty. Alle winst of alle verlies!

 

Ik probeerde het me min of meer voor de geest te halen. Had ik de deur voor hem geopend in plaats van Marianne, dan zou zijn flemende stem, bevend van schuld, onderdanig gemompeld hebben:

‘Max, laten we meteen naar de politie gaan… Ik kan Gods zwaard niet langer afweren… Ik moet gestraft worden. Hier is het moordwapen…’

 

Wat zou hij er dan nog meer bij verteld hebben? Wat zou hij, plots beseffend dat niks nog enige zin had, nog uitgehaald hebben? Zo’n monster was tot alles in staat.

Maar Marianne en ik niet ik had de deur opengemaakt. De bel van de voordeur was overal meer dan duidelijk hoorbaar, het geluid irriteerde me vaak, want vrij schel. Niet schel genoeg om de diepe slaap van Marianne te storen. Een loeiende brandweerauto kon zelfs haar namiddagdutje niet onderbreken.

 

Slaapdronken mischien? Dacht ze dat ik mijn huissleutel vergeten was? De garagepoort niet in het springslot? Was ze al een paar keer vergeten, wist ik. De volhouten kantelpoort was voor haar immers te zwaa , om met de nodige kracht het springslot bovenaan te laten klikken. Bovendien klemden de metalen geleiders op een tweetal plaatsen. Dit moest ik meteen checken. Alle mogelijkheden nagaan hoe de schoft was binnengedrongen. Mijn vrouw kon het niet meer ophelderen.

 

Eerst voor jou zorgen, lieveling. Jij gaat altijd voor. Nu meer dan ooit. Nu kan ik het aan. Misschien. Kom, mijn alles.

Ik droeg heel moeizaam, uiterst behoedzaam mijn godenkind naar boven. Mijn levensloos goddelijk kind. Legde haar lichaam op de driezit in het salon. Slaapkussen onder haar hoofd. In een van de laden vond ik een  grote witte tafelnap, nog in orginele verpakking. Spreidde die over mijn kleintje, liet de schouders wat vrij. In sprookjes volstaat dan slechts een kus…Verdomme! Godverdomme!

 

Wat maakte mijn verhaal en commentaar tegenover mijn zoon zo onontbeerlijk, dat ik nog weg moest van mijn vrouw? Waarom mijn kleintje achterlaten, wetende dat de schoft op vrije voeten liep? Onbekwame, onbezonnen, egoïstische dwaas die ik was. Mijn leven, mijn hoop, mijn verlangen, mijn geluk , het beste van mezelf, lag daar op de driezit, niet slapend, bewegingsloos, dood.

DOOD! EVENEENS VERMOORD!



Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

De gok van Serge



Wellustelingen....

episode...

112...


Naderhand, toen de hyena in mij enigszins tot rust kwam en ik, nog in hallucinogene mist, logisch trachtte te denken, stonden de naakte feiten ontnuchterend helder voor mij. Marianne was dood.

 

Ik kon niets meer doen. Niemand kon haar noch mij helpen. De dader kende ik! Daar lag zijn moordwapen en merkteken. Waar had ik dat ding nog gezien? Het kwam me vaag bekend voor. Op het altaar, uiteraard, de schoft had het me aangewezen. Nee, niet alleen daar. Waar dan? In Gerda’s kamer had ik in jaren geen voet gezet. Vanwaar die vage herkenning?

Een kwalijke, doordingende geur hing in de kelder. De geur van uitwerpselen. Zou Marianne? Ik moest haar wassen. Dat prachtige lichaam mocht niet bedorven worden. Ik stond recht. 

 

Niet Marianne, maar ik stonk. Mijn broek, mijn kousen, alles doordrenkt. Drek alom. Foert. Mijn stank zou haar lijfje niet bezoedelen en mezelf kon het geen reet schelen. Mij kon überhaupt niets meer schelen.

Alle leven gleed eveneens uit mijn lichaam. Alleen mijn hart, mijn longen, ja, die functioneerden robotmatig. Ook mijn hersenen deden het nog. Nadenken, Max, nadenken.

 

Marianne had me gebeld rond negen uur. Omstreeks kwart voor twee was ik weggereden bij Francis, had getankt in Keerbergen, dus rond twintig voor drie thuis gekomen. Daartussen moet het gebeurd zijn. Hoe die schoft was binnengeraakt, hoe hij wist dat ik niet thuis was, waarom Marianne nog na negen uur de deur opende en wat er zich binnenshuis had afgespeeld, zou ik nooit te weten komen.

 

Wat had hij haar wijsgemaakt? Had hij zijn ontschuldigste makser opgezet? Want in veinzen, liegen en mensen om de tuin leidden was Serge een grootmeester. Onovertrefbaar.

Marianne wist dat hij een ploert was.

Hij zal daarom misschien meteen met volle kracht hebben toegeslagen, haar nog zwijmelend de keldertrap afgegooid.

Waarom zo laat de deur openen, Marianne? Zou hij nadien in de hal op mij hebben gewacht? Moest ik zijn derde slachtoffer worden? Maar ik kwam niet. Toen dat in zijn satanisch brein doordrong, moet hij hard en schokkend van opluchting gelachten hebben. Zijn bloeddorst gelest op een manier die hijzelf niet voor mogelijk hield. Snel handelen nu. Crucifix schoon vegen. Geen vingerafdrukken nalaten. Zich zo snel mogelijk uit de voeten maken.

 

Stel dat ik in mijn villa overnachtte, al had Francis aan hem het tegendeel verteld. Serge wist verdomd goed dat ik er nooit meer de nacht zou doorbrengen. De villa was vol van morbide herinneringen. Marianne betekende mijn nieuw begin.  Maar waar was ik dan?

 

Natuurlijk besefte hij dat ik elk moment kon verschijnen. Bij het gejaagd verlaten van het huis, was hem dan, als in een aureool van gregoriaanse muziek, een beeld verschenen. Ja, dat beeld moet die schoft gezien hebben: ook mij ombrengen! Want ik had allicht de politie nog niet verwittigd. Was dat gebeurd, dan zou hij stellig al geklist zijn. Hij wou en zou de dagboeken vinden. Hij moest ze hebben. Zich indekken met onschuld en onweten. Een gok als een andere.


Zelfs als Vloesbeghe reeds op de hoogte was gesteld door mij, meende Serge nog tijd te hebben om zijn plan uit te voeren.

Wat was er dan verder in dat waanzinnig hoofd van hem omgegaan?

Ik trachtte het me voor te stellen…


Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

Gebroken blik



Wellustelingen....

episode...

111...


Niet in de hal, niet slapend op de driezit in het salon, zeker niet in de woonkamer of keuken. Toch niet gevallen in de tuin?

Een vochtige tocht deed me rillen. Ergens stond een deur of raaam open. De kelderdeur klapte dicht door de wind buiten. Marianne in de kelder!  Ik rukte de deur opende, schakelde het licht aan.

‘Marianne!’

Daar lag ze.

Onderaan de trap. Half ineengekrompen. Roerloos.Ik werd puimsteen. Ijskoud opbrandend van geschokt ongeloof werd ik. Kon niet meer ademen. Mijn benen voelden als totaal verlamd aan. En mijn varicen waren nog niet helemaal op hun effen. Verdomme, Max, kom tot jezelf. Handel, man! Ze moet geholpen worden! Een dokter! Nee, die speciale interventie ziekenwagen, met dokters erbij. Zou ze nog ademenen?

Ik dook de trappen af. Voelde haar pols. Geen polslsag of nauwelijks? Haar hoofd en gezicht bebloed. Opengesperde ogen. Ademde ze? Was ze in shock? Ze leek er erg aan toe. Dra raakte ze onderkoeld op de kelderstenen in haar nachtkleedje. Niet nadenken, handelen. Iedere minuut was levensreddend. Mijn vrouw moet geholpen worden. Ik mocht haar niet verliezen. De MUG! De MUG bellen en direct naar Jette. Naar het AZ.

Dan zag ik het!

Ongeveer op een meter afstand van Marianne’s linkervoet. Het bronzen crucifix. Gerda’s crucifix. Serge! Het kruisbeeld. Zijn moordwapen. Haar dood. Onze dood.

MARIANNE! MARIANNE!

Smeerlap, mijn vrouw. Waarom mijn vrouw? Ik greep brullend het bronzen crucifix en slingerde het tegen de keldermuur.

Marianne was dood. Vermoord. De liefde van mijn leven, het meest waardevolle stuk van mijn bestaan was niet meer te redden.

Ik braakte. Had het gevoel al mijn schroeiende ingewanden uit te kotsen. Schreeuwend. Huilend als een zwaargewonde wolf. Een gemarteld dier. Creperend van pijn.


Een breedgapende wonde aan haar achterhoofd.  Gestold bloed tussen haar prachtig blauwzwart haar.  Pas nu zag ik in de  doodsangst in haar opengesperde ogen. Ongeloof en wanhoop verpletterden me. Het besef vooral dat alles, haar leven, ons leven, ons voor goed ontnomen was. Haar gebroken blik vertelde het. 

Ik sloot haar ogen.


Verwilderd snikkend, verwrongen van afschuw, knielde ik naast haar neer. Nam haar teder in de armen. Kuste haar ogen, voorhoofd, de halfgeopende nog steeds prachtige lippen. Proefde de zilte smaak van mijn tranen, nu vermengd met haar bloed.

Ik likte haar gezichtje schoon. Had ik vroeger nog gedaan, het zou voortaan nooit meer kunnen. Dronk haar bloed. Wou alles van haar in mij opnemen. Het kon nu nog.

Ik jammerde in razende machteloosheid om dat prachtige haar met bloed doordrenkt, dat dra een vreemde substantie zou worden die niet bij haar hoorde. Ik greep haar hand, kuste elke vinger en  hield haar handpalm tegen mijn wang. Streel me lieveling, streel me toch. Nu, draag ik je naar boven. Mijn kindje  hoort niet zo il en vreemd te liggen. Kom, zoetje.

Ik trachtte haar slap lichaam op te nemen. Naar boven brengen zou me moeilijk lukken. Geen kracht meer in de armen. Daar! De hoezen met de spullen van de tuinzetels. Ik legde haar behoedzaam op de kussens alsof die haar dood zouden verzachten, ontkennen, wegnemen. Mijn roosje, tussen de zonnebloemen op het canvas.

Ik knoopte haar ponnetje dicht. Kuste haar opnieuw, steeds weer, overal. Ging zijlings naast haar liggen. Aaide voorzichtig haar wang. Draaide haar lokken rond de vingers. Snikte.

Ik had haar nog zoveel te vertellen. Over Francis, die onze hulp nodig had en over zijn Valerie. Over het roodkopje dat zij ons zou schenken. Het kind, dat ik jou niet kon geven, komt er, lieveling. Via een ommetje, maar het komt er. Oma en opa! Stel je voor. Wat hou ik toch van jou, mijn bieke, zo veel meer dan toen ik vanavond wegreed.

 

Ik streelde haar hoofdje. Mijn vingers plakten aan de breuklijnen van de verwondingen. Heftig zoog ik haar bloed op. Haar allerlaatste beetje leven opdrinken bracht mij in een staat van algehele chaotische zelfdood. Toen greep ik de crucifix en begon er tierend en brullend weer mee te hameren, tegen de muren, op de vloer. Totaal verdwaasd van woede, ellende, opstandigheid, haat en wraakzucht.

Ik was geen mens meer. Alleen nog een wild gevaarlijk beest. Bloeddorstiger dan haar moordenaar. 


Wordt vervolgd


Reageer op dit bericht

Zo gegeerde rust



Wellustelingen....

episode...

110...


 

Ik ging voorzichtig naar boven.

Maakte zelfs het licht niet aan. Ik wist dat Marianne vermoeid was. Wist ook dat ze dan even vast sliep als een notoire zuiplap na tien Duvels. In de badkamer trok ik mijn pyjama aan. Daarna tanden poetsen, een plasje en ik slofte naar bed.

 

Marianne sliep altijd in aardedonker. Wou de zware overgordijnen hermetisch dicht.  Verdroeg niet eens het groenachtig schijnsel van de digitale klok. Duisternis en slaap vormden een onscheidbare eenheid. De perfecte harmonie nodig voor geest en lichaam, beweerde ze.

Op de tast schoof ik naast haar. Zocht de warmte van haar lichaam. Draaide me voorzichtig lepelend naar haar toe. Niets! Verbazing. Leegte! Koelte op haar plaats. Ze was er niet!

Ik veerde recht. Trok aan de schakelaar. Zag een leeg bed. Haar hoofdkussen nauwelijks ingedrukt. Het onderlaken lichtjes gerimpeld. Zij had dus wel in bed gelegen.

Maar waar was zij nu?

 

Een onzekere machteloosheid beving me. Een drukkende zweem van paniek. Niet wetend wat te doen en toch de verlamde wil om te handelen. Ik kon me echter nauwelijks bewegen. Dat besef van plots helemaal versteend zijn had me al overvallen. Nu brandde er angst bij. Almaar koortsige, groeiende angst. Een stortvloed aan vragen. Ik moest weten. Moest zoeken.

In de badkamer lagen haar slipje, panty, bh en trui. Zelfs haar pantoffels.

 

‘Marianne! Marianne!’

 

Ik schakelde alle lichten aan op de overloop. Liep naar de kamer van haar vader, de kleine logeerkamer van Jenneke. De grote en kleine zolder. Niemand natuurlijk.


‘Marianne, Marianne!’


Ik schreeuwde haar naam zo luid ik kon:

‘Marianne! Hoor je mij? Marianne, alsjeblief antwoord!’

Het huis bewaarde zijn stilte. In de garage stond haar wagen. Ze was dus niet weggereden. Waarom zou ze ?  In haar nachtponnetje  nog!Aan de muur haar grote shoppingbag, onder het prikbord. Ze had haar weekend-aankopen al genoteerd.

 

‘Marianne!’

Reageer op dit bericht

Wat zal het vandaag worden?



Gisteren 20u30

 

“Goeie arbiter, die Fransman!

Daar zie, geef af naar rechts. Naar rechts zeg ik, domoor!

Allez Fellaini, hoe is dat mogelijk. Zoiets verkopen ze voor 20 miljoen!

Stijnen, zever niet de ref staat er met zijn neus op, gij gestepee!

Die zwarte kan geen bal houden. Zie dat af, zie dat af!

Maar Sonck toch replikeer niet, onnozelaar, die arbiter is echt niet van gisteren.

Ja, jongen, drie keer rollen en blijven liggen. Voilà, wat heb ik gezegd.

Veteranenvoetbal, niks van fut!

Yes, yes, yes, dat is’t Sonckske, dat is’t jongen. Bie, komt naar de herhaling zijn. Dat is spelen! Wijsvingers de hoogte in en nu met buikje draaien!’

 

Nadien kwam er nog ahoertgeroep voor een betwistbare penalty, waren er tribune hansworsten en hun carotiers, blinden en strijkijzers met jeanettentackles, bloemzak Vercauteren altijd onderuitgezakt naast de vroegere valse trage uit de Limburg, nu salontrainer en een of ander Sutterke dat nog veel te kort kwam. Veel chance maar niets van fut die van ons. Maar de Turken waren geen haar beter…


Voetbal een proletarische happening? Altijd ten huize Titipoes.

 

Eergisteren 20u10

 

Terzake. Vadderke en Cools oog in oog met meisje Van Wanten. Duiding heet dat. Duiding van wat? Van bilhoge splitten en bijgestifte scheermeslippen? Sedert enkele VTM pipo’s onze nationale zender bemannen, ligt de verwildering, vervuiling zeg maar, wel heel nabij. In Zwitserland worden miljarden gespendeerd om een mini big bang te produceren  bij middel van een  cyclotron om zo de mysteries van de materie en van het universum trachten op te lossen. Peeters staat op scherp met het dictaat van De Wever, een “gestolen” GSM legt een bom onder onze veiligheidsdiensten, de productiestop van isotopen bezorgt tal van kankerpatiënten meer dan slaaploze nachten wat duidt Canvas… Miss Rolmops: ex-naaktje op de Nederlandse zenders, ex-foefje van prins Woefwoef, ex-VTMformat, ex-diva voor aso’s, ex zoveel.

 

Eigenlijk een hoop zieligheid. Zieligheid die nu een boel perrewetten komt maken tegen de Van Thillo’s. De fut zit er nog in maar de rek raakt er uit. Dat heb je als je tegen de vijftig aanleunt en al je inhoud in je vormen zit.


Het Van Wanten mens volgde destijds op de Hollandse zenders Xaviera D’Hollander op, die enig vlotgebekte hoerenkastmadam vol ouderwetse bevlogenheid. Oostendse Iris werd Wendy en ze werd geholpen om te weten hoe ze van wanten moest weten. Profileerde zichzelf met graagte als vleselijk brokje ontspanning voor Jan en Mieke. Vlinderde gesponserd door de boekskens van Pontius naar Pilatus, is oma van een ukje dat ouder is dan een van haar laatkomertjes, liet zich door VTM een halve gare aannaaien die haar commercieel bezwangerde en kijk…het mens is boos, heel boos. De lawaaizucht rond haar privéleven pikt ze niet langer, toch niet van een bepaald boekse…


“En, meneer De Vadder ik doe dit niet voor geld hoor! Wel om een aanzet te geven voor alle BV’s die zich belaagd en belazerd weten door de boekskens. Geld komt eventueel in een tweede fase.”

 

Van Wanten weet perfect waar het schoentje knelt. Haar gekweel is niet langer van deze tijd. Naar het schijnt zit het coachen van haar carrière haar Franske nog minder mee. Wendy en haar spagaat: té jong voor optredens in bejaardentehuizen (overwegend in handen van Caritasinstellingen bovendien…) en te gedemodeerd voor zaaloptredens of openingen van nieuwe zaken.

Er zijn trouwens ernstige kapers op de mediakust….Hot Marijke, het piepje met de zweepjes; kettingen en tepelklemmen, beweert een federale minister onder haar vaste clientele te hebben. Van de salons van Hertoginnedal naar de SM-vertrekken van een jonge domina, met wit evaatje aan kruipend op de knietjes, ontblote kont en plumeau in de mond…rarara. Als het van de boekskens afhangt komen we dat beslist na torenhoge oplagecijfers wel te weten.

Geef toe, beste lezer, 't is wat anders dan dan de dikke vis met borrelnootjes die ons al anderhalf jaar wordt door het strot geduwd  of handjesklappen met Samson en Gert, zelfs de  vuistdikke porei en  windhanen van Jean-Luc vallen in het niets met wat die frivole kippetje via de boekskens gaat serveren.






Reageer op dit bericht

Meer van 'PATATI PATATA

↑ Terug naar de berichten