Naar de inhoud

toen

akke.beakke.be

Archief

vandaag jaren terug 14 aug 1941 david crosby

14 aug 1941 David Van Cortlandt Crosby (Los Angeles, 14 augustus 1941) is een Amerikaans gitarist en singersongwriter. Hij maakte van 1965 tot 1968 deel uit van de folkrockgroep The Byrds en vormde daarna met Stephen Stills (van Buffalo Springfield) en Graham Nash (van The Hollies) de supergroep Crosby, Stills & Nash. Neil Young (ook van Buffalo Springfield) sloot zich bij hen aan toen ze op het Woodstockfestival optraden. David Crosby is de zoon van cameraman Floyd Delafield Crosby en Aliph Van Cortland Whitehead, die in 1940 met elkaar trouwden. Hun huwelijk hield twintig jaar lang stand, waarna Crosby's vader met de in Californië geboren scriptgirl Betty Cormack trouwde.[3] [4] Sindsdien werden hij en zijn vier jaar oudere broer, Ethan Crosby, opgevoed door hun biologische moeder.[3] Door het succes van zijn vader, wiens camerawerk voor de dramafilm Tabu: A Story of the South Seas in 1931 bekroond werd met een Academy Award,[5] werd de jonge Crosby opgescheept met een grote prestatiedruk en hij voelde zich ondergewaardeerd. Crosby was een driftige kwajongen die nauwelijks geïnteresseerd was in school en zich geregeld schuldig maakte aan inbraak.[6] Toen hij in Santa Barbara (Californië) naar high school ging, werkte Crosby in een koffiehuis. Naast de afwas en het afnemen van tafels mocht hij soms, tot ongenoegen van zijn vader,[6] mee zingen bij de optredens aldaar.[7] Als tiener vormde hij in 1958 met zijn broer een folkduo onder de naam Ethan & David.[4] [8] Het tweetal trad op in koffiehuizen; in 1960 speelden ze een keer met Cass Elliot (later van The Mamas and the Papas).[9] In een poging zijn vader een plezier te doen, schreef Crosby zich in 1960 in op de theaterschool Pasadena Playhouse. Al gauw stopte hij met zijn opleiding en ging hij naar Los Angeles, waar hij bluesgitaar speelde in een nachtclub genaamd The Unicorn.[6] In het begin van de jaren zestig reisde Crosby (in zijn Jaguar uit 1943)[9] naar New York, waar hij onder meer in Gerde's Folk City (een baantje dat hij via folkzanger Bob Gibson kreeg)[10] en Café Wha? optrad.[11] In 1961, kort nadat Crosby was verhuisd, ontfermde Fred Neil zich over hem.
He showed me where to eat, where not to go, how to roll a proper joint, where to get guitar strings... He taught me a sizable chunk of what music was about, and even more about the whys and wherefores of being a musician. He was a hero to me.
Na in 1962 kortstondig met Terry Collier te hebben opgetreden, vormde hij een folkgroep met Ethan Crosby, Bob Ingram en Mike Clough. Daarna trad hij op met Clem Floyd. Na enkele concerten voegde Lydia Wood zich bij dit tweetal. Een professionele carrière in de muziek begon voor Crosby in 1963, toen hij op verzoek van Les Baxter de Balladeers oprichtte met Ethan (indertijd Chip genoemd), Ingram en Clough.[13] Dit kwartet nam een aantal liedjes op, waarvan vijf op de compilatie Jack Linkletter Presents a Folk Festival werden uitgebracht.[8] Hij keerde in 1963 terug naar Los Angeles.[6] Hij werd ontdekt door beginnend muziekproducent Jim Dickson, die in het najaar van 1963 een paar liedjes met hem opnam.[14]
Crosby (rechts) in 1965 tijdens een opnamesessie van The Byrds, met links producent Terry Melcher en Gene Clark. Zie The Byrds voor het hoofdartikel over dit onderwerp. Crosby bezocht een optreden van Jim McGuinn in het folkcafé de Troubadour te Los Angeles en de twee raakten bevriend. Met Gene Clark vormden ze in 1963 de band The Jet Set. Ze namen een aantal demo's op met Dickson,[15] die voor hen een platencontract regelde met Elektra Records. Platenbaas Jac Holzman was ontevreden over de naam Jet Set en doopte de groep om tot The Beefeaters. Op 7 oktober 1964 werd hun liedje "Please Let Me Love You" als eerste single uitgebracht. [15] [16] Aanvankelijk speelde Crosby basgitaar in deze groep,[17] maar hij schakelde over op de gitaar toen Chris Hillman zich in het voorjaar van 1964 samen met drummer Michael Clarke bij hen aansloot.[
Ze wijzigden hun naam in augustus 1964 naar The Byrds en oefenden onder Dicksons leiding enkele maanden in de World-Pacific Studios.[17] Hun tweede single, het in mei 1965 door Columbia Records uitgegeven "Mr. Tambourine Man", werd zowel in de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk een nummer één-hit. Afgezien van McGuinn hadden de overige bandleden nog nauwelijks ervaring met elektrische instrumenten en zij werden daarom bij de opnamen van "Mr. Tambourine Man" vervangen door sessiemuzikanten, onder wie drummer Hal Blaine en bassist Larry Knechtel.[18] The Byrds waren bekend vanwege het gitaarspel van McGuinn (op zijn 12-snarige gitaar) en de harmonieuze zangpartijen. Het meeste werk van The Byrds bestond uit coversen door Clark geschreven liedjes. McGuinn had de leiding in de groep, maar in de loop der tijd — vooral na Clarks vertrek in het voorjaar van 1966[19] — vervulde Crosby een steeds prominentere rol.[20] Er was veel spanning tussen Crosby en McGuinn:[21]
There was always a rub between me and David. He had to be on top, and this rivalry often turned ugly in the studio. [...] The tension hurt the Byrds terribly. We'd be searching for material and fights would break out. They got physical, and David was often at the center of them.
De spanningen verergerden op het Monterey Pop Festival. The Byrds speelden op 17 juni 1967 op dat festival en Crosby maakte van de gelegenheid gebruik om zijn opvattingen over de geloofwaardigheid van het eindrapport van de Commissie-Warren en over de voordelen van lsd te uiten. De volgende dag trad Crosby met Buffalo Springfield op. Neil Young had deze band tijdelijk verlaten en Stephen Stills vroeg daarom Crosby om hem te vervangen. Deze gebeurtenissen leidden tot veel ergernis bij McGuinn.[22] Tijdens de opnamen van het album The Notorious Byrd Brothers, in oktober 1967, werd het door Crosby geschreven liedje "Triad" door de andere bandleden afgewezen. Ze namen het wel op, maar wilden niet dat het op het album zou komen. Crosby was hier zeer ontstemd over en liep tijdens de opnamen van "Goin' Back" zonder iets te zeggen de studio uit. Later werd hij door McGuinn en Hillman uit de band gezet.[23] [24] In 1973 kwamen The Byrds nog één maal bij elkaar in de originele vijfkoppige bezetting om het album "Byrds" op te nemen. Dit reüniealbum werd door Crosby geproduceerd en draagt duidelijk het muzikale stempel van David Crosby.
Na zijn periode bij The Byrds vertrok de ontgoochelde Crosby naar Florida om een zeilboot (een schoenergenaamd 'The Mayan')[25] te kopen. Hij woonde erop en was van plan om een wereldreis te maken.[26] In november 1967 bezocht hij een optreden van Joni Mitchell in 'The Gaslight South', in Miami.[27] [28] De twee trokken nadien veel met elkaar op en hadden ook even een relatie. Crosby besloot toch niet de wereld rond te reizen, maar verhuisde met Mitchell naar Los Angeles. Mitchell sloot een platencontract met Reprise Records en mocht een album opnemen, maar alleen als iemand die bekend was met het folkrockgenre de productie voor zijn rekening zou nemen. Crosby 'produceerde' haar debuutalbum, Song to a Seagull, dat in 1968 in de Sunset Sound-studio's werd opgenomen. Tegelijkertijd werkte Buffalo Springfield daar aan hun derde en laatste album: Last time around. Stills speelde op Mitchells album gitaar en basgitaar.[27] Crosby en Stills richtten in 1968 Crosby, Stills & Nash (CSN) op met de Britse muzikant Graham Nash (van The Hollies). Het is onduidelijk waar deze groep gevormd werd: volgens Crosby en Nash speelden ze voor het eerst samen in de woonkamer van Mitchell, maar volgens Stills gebeurde dit tijdens een feestje in het huis van Mama Cass. In de zomer van 1968 namen ze in de Wally Heider Studios te San Francisco hun gelijknamige debuutalbum op, dat op 29 mei 1969 door Atlantic Records werd uitgegeven. Crosby schreef drie van de liedjes: "Guinnevere", "Wooden ships" en "Long time gone". Het drumspel werd verzorgd door Dallas Taylor, die indertijd met Crosby en Stills in een huis van Peter Tork (van The Monkees) woonde.[29] CSN bereikte met Crosby, Stills & Nash de zesde plaats in de Amerikaanse hitlijst en won een Grammy Award als beste nieuwkomer. Tijdens de opnamen van hun tweede album, getiteld Déjà Vu, sloot Young zich bij hen aan. In augustus 1969 speelden Crosby, Stills, Nash & Young (CSNY) op het Woodstock-festival.[2] Een vriendin van
Crosby, Christine Hinton, verongelukte op 30 september 1969 in de buurt van hun woning in Novato toen ze in zijn Volkswagen-busje naar de dierenarts reed.[30] Door deze gebeurtenis raakte Crosby depressief.[25]
Ook is hij onder andere te horen op Harvest, het succesvolste soloalbum van Neil Young uit 1972. In de vaak complexe, herkenbare harmonieën van zijn gezelschappen neemt hij doorgaans de bovenstem voor zijn rekening. Zijn stem is rauw en schel en vaak zet hij zijn kopstem op. In 1985 zat hij negen maanden opgesloten in Texas wegens drugsbezit,[31] maar in hoger beroep werd hij vrijgelaten. Een aantal jaren later moest hij, mogelijkerwijs mede door zijn drankgebruik, een levertransplantatie ondergaan.[31] Op 6 maart 1987 werd hij in New York opgepakt wegens wapenen drugsbezit. Hij had bagage achtergelaten in een hotel. Nadat een hotelmedewerker bij een poging de eigenaar te achterhalen een 45-kaliber wapen, een mes en marihuana vond, werd hij opgepakt. Om Melissa Etheridge en haar lesbische partner aan een kind te helpen heeft David Crosby sperma afgestaan.[31] Hij heeft nog een zoon, James Raymond, die gelijk bij de geboorte ter adoptie afgestaan werd, maar met wie hij herenigd is. Samen met hem en Jeff Pevar vormde hij een band, Crosby, Pevar en Raymond. Ook treedt hij nog steeds met Stephen Stills en Graham Nash op, maar meestal alleen met Nash. Crosby (en Nash) zijn te zien op de dvd Remember That Night van David Gilmour. Naast meezingen met onder andere Shine On You Crazy Diamond brengen ze, samen met Gilmour, ook hun eigen nummer Find the cost of freedom ten gehore. Om het privé-eigendom in stand te houden, zullen de rijken zelfs niet aarzelen om de neutronenbom in te zetten.



2169638-c09276c108cdfde922468ee0d2e7613a.JPG

2169638-416b862d8783f72238b77f5062372a2c.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:13 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 13 aug 1949 jef rademakers

13 aug 1949 Josephus Anthonius Johannes Louis Gerardus (Jef) Rademakers (Roosendaal, 13 augustus 1949) is een Nederlandse tv-regisseur, producent, tekstschrijver en bedenker van een aantal formats. Hij groeide op in het rooms-katholieke gezin van Toon Rademakers en Jo Nollen, die een winkel uitbaatten. Na zijn studies aan de Universiteit van Amsterdam werd hij daar wetenschappelijk medewerker en schreef hij televisiekritieken voor de Haagse Post.
Vanaf 1975 maakte hij zijn eerste radioprogramma's, waarna de televisie volgde. In 1978 bracht hij zijn eerste televisieprogramma, de Geloof, hoop en liefde show, gepresenteerd door Wim Neijman. Met zijn eigen productiehuis Dutch Dream Productions produceerde hij later Klasgenoten, gepresenteerd door Koos Postema en de voor die tijd (1987) spraakmakende PinUp Club. In de jaren '90 trok hij zich terug uit de televisiewereld en vestigde zich in het Belgische Brasschaat
Jef Rademakers is ook een verzamelaar van schilderijen van Nederlandse en Belgische romantische schilders uit de periode van 1806tot 1870, die ondergebracht zijn in de Rademakers Collectie. In het najaar 2010 opende in het Hermitage een tentoonstelling van de collectie. De tentoonstelling was daarna ook te bezichtigen in het Gemeentemuseum Den Haag [1] , Museum M te Leuven en in het Haus Koekkoek te Kleef.



2169383-0c90ae33aa499cef2e218ce91df50534.JPG

2169383-f0e79636c4df19cb9612e33e821ea95a.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:26 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 13 aug alfred krupp

13 aug 1907 Alfried Felix Alwyn Krupp von Bohlen und Halbach (13 augustus 1907 - 30 juli 1967), vaak aangeduid als Alfried Krupp ,[1] was een industrieel, een concurrent in Olympische jachtraces en een lid van de familie Krupp , dat prominent aanwezig was in de Duitse industrie sinds het begin van de 19e eeuw. Hij werd na de Tweede Wereldoorlog veroordeeld voor misdaden tegen de menselijkheid vanwege de manier waarop hij zijn fabrieken bestuurde; diende drie jaar in de gevangenis en kreeg gratie. Het familiebedrijf, formeel bekend als Friedrich Krupp AG Hoesch-Krupp , was een belangrijke leverancier van wapens en materieel voor het naziregime en de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog . In 1943 werd Krupp de enige eigenaar van het bedrijf, naar aanleiding van de Lex Krupp ("Krupp Law"), afgekondigd door Adolf Hitler . De inzet van slavenarbeid doorKrupp in oorlogstijd resulteerde in de ' Krupp-rechtszaak ' van 1947-1948, waarna hij drie jaar in de gevangenis diende. Op bevel van Alfried Krupp, na zijn overlijden in 1967, ging de zeggenschap over het bedrijf van Krupp over op de filantropische organisatie Alfried Krupp von Bohlen und Halbach . Krupp's moeder, Bertha Krupp , erfde het bedrijf in 1902 op 16-jarige leeftijd toen haar vader, Friedrich Krupp , zelfmoord pleegde nadat hij was uitgebannen. [2] In oktober 1906 trouwde Bertha met de vader van Alfried, Gustav von Bohlen und Halbach , een Duitse diplomaat en lid van de adel in een lutherse ceremonie, die vervolgens de Krupp-naam aan hem toevoegde met toestemming van keizer Wilhelm II . [3] Alfried werd bijna een jaar later geboren. Alfried Krupp volgde het gymnasium, waarna hij in de werkplaats van het Krupp-bedrijf trainde en metallurgie studeerde aan technische universiteiten in München , Berlijn en Aken . Het bedrijf profiteerde aanzienlijk van de Duitse re-bewapening van de jaren 1920 en 1930. Gustav Krupp von Bohlen und Halbach, ondanks zijn aanvankelijke oppositie tegen de nazi-partij , maakte belangrijke persoonlijke donaties aan hem vóór de verkiezingen van 1933 , omdat hij voordelen zag voor het bedrijf in het militarisme van de nazi's en hun verzet tegen onafhankelijke vakbonden . Vanaf 1931 was Alfried een ondersteunend lid van de SS ( förderndes Mitglied der SS ). Hij was lid van het Nationaal Socialistische Vliegerskorps , waar hij de rang van Standartenführer bereikte en vanaf 1938 was hij lid van de nazi-partij. In 1937 werd Krupp - net als zijn vader - benoemd tot militair economisch leider ( Wehrwirtschaftsführer ). Hij was ook een plaatsvervanger van zijn vader in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van bestuur van het Adolf Hitler Fonds van de Duitse handel en industrie ( Adolf-Hitler-Spende der deutschen Wirtschaft ). Krupp ontving een Diplomingenieur (Master of Engineering) van de Aachener Technische Hochschule in 1934, met de goedkeuring van een proefschrift over het smelten van staal in vacuums . Tijdens de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 nam Krupp deel aan acht meter klasse zeilen en won een bronzen medaille . [4] [5] In hetzelfde jaar, na een financiële opleiding bij de Dresdner Bank te hebben gevolgd, werd Krupp lid van het familiebedrijf. In het volgende jaar trouwde hij met Anneliese Lampert, geboren Bahr (1909-1998); hun zoon, Arndt , werd geboren in 1938. Zijn familie keurde af en hun druk kan de echtscheiding hebben beïnvloed die kort daarop volgde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam de winst van het bedrijf toe en kreeg het de controle over fabrieken in het door Duitsland bezette Europa . Alfried werd actiever in het controleren van het bedrijf omdat de gezondheid van zijn vader afnam. Hij werd de facto hoofd van het bedrijf in 1941 toen Gustav Krupp een beroerte kreeg . Onder Alfried gebruikte het bedrijf slavenarbeid geleverd door het naziregime en werd daardoor ook betrokken bij de Holocaust , door Joodse gevangenen toe te wijzen uit concentratiekampen om in veel van hun fabrieken te werken. [6] Zelfs toen het leger suggereerde dat veiligheidsredenen dicteerden dat werk zou moeten worden uitgevoerd door vrije Duitse arbeiders, drong Alfried aan op het gebruik van slaven. [7] Hij verving officieel zijn vader als hoofd van het familiebedrijf onder de Lex Krupp ('Krupp-wet'), op 12 november 1943 door Adolf Hitler afgekondigd, die de gebruikelijke erfrechtwetten naast zich neerlegde en de firma Krupp als een familiebedrijf behield. Onder deze wet voegde Alfried de Krupp-naam formeel
toe aan de zijne. Hij werd ook benoemd tot Reichsminister für Rüstung und Kriegsproduktion ("Minister voor bewapening en oorlogsproductie"). De eigendomsoverdracht was een gebaar van dankbaarheid van Hitler en zou een van de weinige belangrijke nazi-wetten zijn die de val van het regime overleefde. Tijdens de oorlog was Alfried Krupp verantwoordelijk voor de overdracht van fabrieken in de bezette gebieden naar het Duitse Rijk. Hij ontving het War Merit Cross , Second en First Class. Krupp werkte nauw samen met de SS , die de concentratiekampen bestuurde waaruit slavenarbeid werd verkregen. In een brief van 7 september 1943 schreef hij: "Wat betreft de samenwerking van ons technisch bureau in Breslau , kan ik alleen maar zeggen dat tussen dat kantoor en Auschwitz het beste begrip bestaat en voor de toekomst is gegarandeerd." Volgens een van zijn eigen werknemers, zelfs als het duidelijk was dat de oorlog verloren was gegaan: "Krupp achtte het een plicht om 520 joodse meisjes te maken, sommigen nauwelijks meer dan kinderen, werk onder de meest wrede omstandigheden in het hart van de bezorgdheid, in Essen . " [8]
Na de oorlog onderzocht de geallieerde militaire regering de tewerkstelling van slavenarbeiders door Krupp. Hij werd veroordeeld voor misdaden tegen de menselijkheid en veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf en het verbeuren van alle eigendommen. Na drie jaar heeft John J. McCloy , de Amerikaanse Hoge Commissaris voor Duitsland, echter geregeld dat Krupp gratie krijgt en dat de verbeurdverklaring van zijn eigendom wordt teruggedraaid. Krupp's tweede huwelijk op 19 mei 1952 met Vera Hossenfeld (1909-1967), net na zijn vrijlating uit de Landsberg-gevangenis , eindigde in een schandaal [ benodigde opheldering ] en een dure nederzetting in 1957. [ nodig citaat ] Voorafgaand aan de dood van Krupp door longkanker, werkte zijn assistent, Berthold Beitz , om de controle over het bedrijf over te dragen aan een Stiftung (stichting), genaamd de Alfried Krupp von Bohlen und Halbach Foundation , te worden gecontroleerd door drie leden van een raad van toezicht, waaronder Hermann Josef Abs , van de voormalige Deutsch-Asiatische Bank AG en Deutsche Bank AG . In deze overeenkomst gaf de zoon en erfgenaam van Krupp, Arndt , elke aanspraak op de zaken van zijn vader op en moest een bescheiden contant bedrag worden betaald, in jaarlijkse termijnen, tot zijn eigen dood.



2169381-c4fae93a934571d4539e8446389e3223.JPG

2169381-1358ddf5eb1a0527141c98860b210331.JPG
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rami om 09:22 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 13 aug 1926 fidel castro

13 aug 1926 Fidel Alejandro Castro Ruz ( audio) (Birán, 13 augustus 1926 – Havana, 25 november 2016) was een Cubaanse revolutionair en politicus, die de functie van minister-president van Cuba uitoefende van 1959 tot 1976, en vervolgens president was van 1976 tot 2008. Hij diende ook als eerste secretaris van de Communistische Partij van Cuba vanaf de stichting van de partij in 1961 tot 2011. Castro was politiek gezien een marxist-leninist. Onder zijn regering werd de republiek Cuba omgevormd tot een communistische staat, waarbij de industrie en de bedrijven werden genationaliseerd en er socialistische hervormingen werden gedaan op alle gebieden van de samenleving. Op internationaal vlak diende hij ook als secretaris-generaal van de Beweging van NietGebonden Landen van 1979 tot 1983. Na een mislukte gewapende aanval op de Moncadakazerne in 1953 zat Castro een jaar in de gevangenis en verbleef hij vervolgens in ballingschap in Mexico. Met behulp van zijn broer Raúl Castro en Che Guevara verzamelde hij een groep van Cubaanse revolutionairen: de Beweging van de 26ste juli. Nadat Castro en zijn broer in Cuba teruggekeerd waren, nam hij een belangrijke rol in de Cubaanse Revolutie in. Hij leidde een succesvolle guerrillaoorlog tegen Batista's troepen, die zelf op de vlucht sloeg en in 1959 in ballingschap ging. Castro werd vervolgens opperbevelhebber van de strijdkrachten en kort daarna premier. Zijn betrokkenheid bij de omverwerping van Batista, evenals de vermoedelijke relatie met de Sovjet Premier Nikita Chroesjtsjov, alarmeerde de Verenigde Staten waarna de CIA een mislukte invasie in de Varkensbaai in 1961 organiseerde om zijn regering omver te werpen. Daarna heeft men verschillende pogingen gedaan om hem te vermoorden en hebben de VS een economische blokkade van Cuba ingesteld. Om deze bedreiging tegen te gaan, smeedde Castro een alliantie met de Sovjet-Unie en kon de SovjetUnie nucleaire wapens opslaan op het eiland, wat leidde tot de Cubaanse rakettencrisis in 1962. Castro nam vervolgens het marxisme-leninisme over als zijn leidende ideologie en in 1961 riep hij het socialistische karakter uit van de Cubaanse Revolutie. In 1965 werd hij de eerste secretaris van de nieuw opgerichte communistische partij. Daarna leidde hij de transformatie van Cuba in een socialistische republiek door nationalisering van de industrie en de invoering van gratis universele gezondheidszorg en onderwijs. In 1976 werd hij voorzitter van de Raad van State en van de Raad van Ministers. Na de ineenstorting van de belangrijkste bondgenoot van Cuba, de Sovjet-Unie, in 1991 beleefde Cuba de economische "Speciale Periode". In 2006 werd Cuba lid van de Bolivariaanse Alliantie voor Amerika en sloot hij economische en politieke allianties met andere landen in de Latijns-Amerikaanse Draai naar Links. Door zijn zwakke gezondheid droeg Fidel Castro in 2006 zijn taken over aan zijn broer en vicepresident Raúl Castro, die werd gekozen tot president toen Fidel was afgetreden in 2008. Castro overleed op 25 november 2016 om 22.29 uur op 90-jarige leeftijd. Zijn overlijden werd enkele uren daarna door de Cubaanse staatstelevisie bekendgemaakt. Castro werd geboren in de Cubaanse provincie Oriente, tegenwoordig onderdeel van de provincie Holguín, op een suikerplantage als derde kind van een welgestelde boer, Ángel Castro y Argiz, een Spaanse immigrant die door hard werken in de suikerindustrie rijkdom had verworven, en Lina Ruz González, een bediende. Hij heeft twee broers, Ramón en Raúl en drie zusters: Angela, Juanita en Emma.[4] Hij kreeg zijn opleiding aan jezuïetenscholen, waaronder het Colegio Belen in Havana. In 1945 ging hij rechten studeren aan de universiteit van Havana, waar hij in 1950 afstudeerde. Castro raakte tijdens zijn studie betrokken bij linkse anti-imperialistische bewegingen. Hij verbond zich zelf met de gewapende opstanden tegen de rechtse regeringen in de Dominicaanse Republiek en Colombia en trok de conclusie dat de door de VS gesteunde Cubaanse president Fulgencio Batista, die alom werd gezien als een dictator, moest worden omvergeworpen.
Tussen 1950 en 1952 werkte hij op een klein advocatenkantoor. Het was zijn bedoeling om voor de Partido Ortodoxo, die sociale hervormingen nastreefde, mee te doen aan de parlementsverkiezingen van 1952, maar die werden afgelast na de geslaagde staatsgreep van generaal Fulgencio Batista tegen de regering van Carlos Prío Socarrás. Castro daagde Batista voor de rechter vanwege schending van de grondwet, maar dit liep op niets uit.
Daarop organiseerde Castro een gewapende aanval op de Moncadakazerne in Santiago de Cuba, de op een na grootste stad van Cuba en de provinciehoofdplaats van Oriente, op 26 juli 1953. Meer dan tachtig van zijn mannen kwamen om het leven en hijzelf werd gevangengenomen. Een rechtbank veroordeelde hem tot vijftien jaar cel. Onderdeel van zijn slotpleidooi was "La historia me absolverá" ("De geschiedenis zal mij vrijspreken"), een rede waarin hij zijn daden verdedigde en zijn politieke standpunten uitlegde. Als gevolg van een generaal pardon kwam hij in mei 1955 vrij, waarna hij in ballingschap ging in Mexicoen de Verenigde Staten. In Mexico zijn Castro en de zijnen enige tijd gearresteerd geweest, maar na interventie van president Adolfo López Mateos en Fernando Gutiérrez Barrios werden zij al snel vrijgelaten. Samen met een aantal andere ballingen vormde hij de Revolutionaire Beweging van de 26ste juli en keerde hij terug naar Cuba. Bij de eerste aanval, op 2 december 1956 in Oriente, overleefden slechts twaalf van de 82 revolutionairen, onder wie zijn broer Raúl Castro, Che Guevara en Camilo Cienfuegos. Ze trokken zich terug in de bergen van de Sierra Maestra, van waaruit ze een guerrillaoorlogbegonnen tegen het bewind van Batista. De beweging kreeg steun onder de bevolking en breidde zich uit tot zo'n 800 man. Hoewel numeriek zwaar in de minderheid behaalde zij een aantal indrukwekkende overwinningen, gedeeltelijk omdat soldaten van Batista zich vaak massaal overgaven of deserteerden. Op 1 januari 1959 ontvluchtte Batista Cuba en nam de beweging Havana in. Castro werd op 16 februari 1959 premier van Cuba en op 3 december 1976 president.
Op 17 april 1961 bevorderde en steunde de CIA de invasie van 1300 à 1400 Cubaanse ballingen op Bahía Cochinos (de invasie in de Varkensbaai). Deze invasie had het doel het socialistische bewind onder Fidel Castro omver te werpen, en een volksopstand tegen Castro te ontketenen. De strijd werd al na drie dagen beslist in het voordeel van de Cubaanse staat. De ballingen leden een zware nederlaag: van het 1300 man sterke invasieleger werden er 90 gedood en 1189 gevangengenomen. Twee schepen van de Amerikaanse Marine werden door de Cubaanse luchtmacht tot zinken gebracht, en negen ballingen werden ter plekke terechtgesteld. Castro, persoonlijk aanwezig op het slagveld, verwierf meer aanzien onder de Cubanen.
De spanningen tussen Castro en de Verenigde Staten liepen hoog op tijdens de Cubaanse raketcrisis van 1962, die de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie bijna tot een confrontatie brachten. Chroesjtsjov kwam op het idee raketten in Cuba te plaatsen als afschrikking tegen een nieuwe invasie van de Verenigde Staten. Dit zou een gepaste reactie zijn op het plaatsen van Amerikaanse raketten in Turkije. Met Cuba werd overeengekomen om Sovjet R-12 MRBM-raketten op Cubaans grondgebied op te stellen. Op 15 oktober 1962 werd de bouw hiervan opgemerkt door Amerikaanse Lockheed U-2verkenningsvliegtuigen.
De Verenigde Staten bestempelde de opstelling van Sovjetkernwapens 90 mijl ten zuiden van Amerika als een "agressieve daad" en een bedreiging voor de veiligheid van de Verenigde Staten. Op 22 oktober 1962 kwam de zogeheten Cubacrisis in volle openbaarheid toen president John F. Kennedy van de Verenigde Staten een felle rede hield waarin hij de ontmanteling eiste van alle Sovjetraketbases op Cuba en een blokkade aankondigde op militaire goederen naar dit eiland. In een persoonlijke brief aan Chroesjtsjov op 27 oktober 1962 spoorde Castro Chroesjtsjov aan om bij een invasie van Cuba als eerste kernwapens te gebruiken. Dit werd door Chroesjtsjov verworpen, maar toch waren Sovjetbevelhebbers in Cuba gemachtigd om tactische kernwapens te gebruiken. Twee dagen later werd de blokkade van kracht. Zondag 28 oktober bleek een keerpunt in de crisis, toen Radio Moskou bekendmaakte dat de Sovjet-Unie gevolg zou geven aan de eis van de Verenigde Staten. Deze toegeving kwam er na een lange briefwisseling tussen Chroesjtsjov en Kennedy, waarin tot de afbraak van de raketbases in Cuba werd besloten, maar ook de terugtrekking van de Jupiterraketten gericht op de Sovjet-Unie in Italië en Turkije - dit Amerikaanse aandeel werd niet in de openbaarheid gebracht. Achteraf bleek deze week het gevaarlijkste moment te zijn geweest in de Koude Oorlog: de dreiging van een atoomoorlog was toen zeer reëel want beide leiders zaten met hun vinger aan de knop. De positie van Castro werd door de crisis versterkt: de VS zouden geen invasie van Cuba meer steunen. Castro leverde geregeld kritiek op de Amerikaanse politiek, zoals het embargo tegen Cuba en de vele bemoeienissen van de VS met de politiek (inclusief de vele invasies) van Latijns-Amerikaanse landen. Verder was hij tegen het innemen van de Cubaanse economie door Amerikaanse multinationals, [bron?] tegen de belabberde gezondheidszorg in de VS, en het feit dat Cubaanse ballingen in Amerika niet het recht hebben hun familieleden in Cuba te bezoeken. Tijdens de Koude Oorlog werden vele geheime en dodelijke aanvallen tegen Cuba uitgevoerd, om zo het land (en zijn regering) te verzwakken. In 1971 smokkelden anti-castristen die financieel gesteund werden door de CIA, een varkensgriepvirus Cuba in.[5] De helft van de Cubaanse varkensstapel moest ingeënt worden om de ziekte te beperken. De Cubacrisis van oktober 1962 liep goed af, maar in de jaren daarna ondersteunde de CIA niettemin verscheidene plannen om Castro te liquideren. Paus Johannes XXIII excommuniceerde Castro op 3 januari 1962, in de ijdele hoop de katholieke Cubanen tegen hem op te zetten. Castro zelf had het katholicisme al eerder afgezworen. De Cubaanse regering nationaliseerde bedrijven, confisqueerde bezittingen van buitenlanders en vaardigde wetten uit die de arbeiders steunden. Vele Cubanen ontvluchtten hun land, onder meer naar Miami. Castro was een omstreden leider. Hij werd door zijn aanhangers geprezen als een voorvechter van anti-imperialisme, humanisme, milieuactivisme en 's werelds armen en werd bewonderd voor het leiden van het verzet tegen het imperialisme. Critici beschuldigden hem er echter van een dictator te zijn die meerdere mensenrechten schond. Hij heeft een belangrijke invloed gehad op de politiek van een aantal andere wereldleiders, zoals Nelson Mandela, Hugo Chávez en Evo Morales. Sinds het bewind van Castro hebben ongeveer één miljoen Cubanen hun land verlaten om politieke of economische redenen. Velen hiervan bevinden zich nu in Miami ("Klein Havana"). Deze economisch sterke groep is een belangrijke Amerikaanse lobbygroep, die invloed uitoefent op de CubaansAmerikaanse relaties. Vanuit Bermuda ondersteunt ook de rumproducent Bacardi allerlei acties tegen het Cubaanse bewind. Het familiebedrijf zou onder meer onrechtstreeks financiële steun hebben verleend aan de totstandkoming van de Wet Helms-Burton uit 1996, die de voortzetting van het embargo van de Verenigde Staten tegen Cuba regelt.
In 2003 schatte het Amerikaanse tijdschrift Forbes het fortuin van Castro op "minstens 110 miljoen dollar".[6] In 2004 werd het op 150 miljoen geschat,[7] in 2005 550 miljoen dollar,[8] en voor 2006 werd het reeds op 900 miljoen dollar geschat, hoewel die cijfers in twijfel worden getrokken[9] vanwege de vele (vaak onzinnige) veronderstellingen waarop de berekeningen gebaseerd zijn. Fidel Castro zelf heeft gezegd dat hij per direct zal aftreden als Forbes één enkele dollar van dat "fortuin" kan bewijzen Op 1 augustus 2006 werd bekendgemaakt dat Castro zijn bevoegdheden tijdelijk aan zijn broer Raúl heeft overgedragen. Castro leed aan inwendige bloedingen en is aan zijn darmen geopereerd. Het was de eerste keer dat hij de leiding van het land aan een ander toevertrouwde. De vijf jaar jongere Raúl Castro werd op 24 februari 2008 tot president verkozen. Op 15 augustus werden beelden getoond waarbij Castro al aan de beterende hand is. Hij kreeg een schilderij aangeboden en Chávez zat aan zijn ziekbed, terwijl Castro aan het woord is. Castro liet op 20 januari 2007 aan de Venezolaanse president Hugo Chávez, zijn naaste bondgenoot, de boodschap overbrengen dat hij voor zijn leven vecht. Op 25 augustus 2007 ontkende Chavéz tijdens een publieke toespraak hardnekkige geruchten dat Castro zou zijn overleden. Op 22 september 2007 gaf Castro een interview aan de Cubaanse televisie, waardoor deze geruchten ontkracht werden. In 2010 sprak hij opnieuw het parlement toe.[10]
Op 12 oktober 1948 trouwde Fidel Castro met zijn eerste vrouw Mirta Diaz-Balart. Zij kregen een zoon: Fidel Ángel Castro Díaz-Balart (1949-2018). Zes jaar later scheidde Castro in 1955 van Diaz-Balart. Tegenwoordig woont Diaz-Balart in Madrid en is hertrouwd. In de jaren daarna heeft Castro zeven kinderen verwekt bij drie andere vrouwen. Dalia Soto del Valle, een minnares van Castro, baarde vijf zonen: Antonio, Alejandro, Angel, Alexis en Alex. Een andere zoon, Jorge Angel Castro, is geboren in de jaren 50, zijn moeder is onbekend. Zijn enige dochter, Alina Fernández, is ook in de jaren 50 geboren, haar moeder is Natalia Revuelta. Met Natalia heeft Castro tijdens zijn eerste huwelijk een affaire gehad. Vermomd als een Spaanse toeriste ontvluchtte Alina in 1993 Cuba en vroeg politiek asiel aan in de Verenigde Staten. Zij was een fel tegenstandster van haar vader en zijn bewind



2169378-5a4c332e12b506958d7c18006e92178c.JPG

2169378-09def48d45fdb0294f6303684372a53a.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:19 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 13 aug 1966 jorgen rayman

13 aug 1966 Jörgen Henri Raymann (Amsterdam, 13 augustus 1966) is een NederlandsSurinaams cabaretier/stand-upcomedian, zanger, acteur en presentator. Alhoewel Jörgen Raymann werd geboren in Nederland groeide hij op in Suriname. In Nederland studeerde hij economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij was daar lid van de interfacultaire cabaretgroep. Na de studie ging hij terug naar Suriname. Daar runde hij een tijdje zijn eigen restaurant, waar hij per maand meerdere keren diners voor cabaretiers verzorgde. Sinds 1999 is Raymann actief op de Nederlandse televisie. Hij presenteerde het televisieprogramma Zo:Raymann (eerder bekend als Raymann is Laat) en The Comedy Factory bij de NPS en later de NTR. Ook treedt hij op in het theater. Sinds 2005 is Raymann ambassadeur van Unicef, evenals Trijntje Oosterhuis, Edwin Evers, Sipke Jan Bousema, Monique van de Ven en Paul van Vliet. In 2007 startte hij het project Verder leren dan je neus lang is, naar aanleiding van de verhoging van de leerplichtige leeftijd tot 18 jaar. Raymann is lid van het comité van aanbeveling van de Stichting Kunstwerken Leo Glans. Op 21 augustus 2012 werd hij door vredesorganisatie IKV Pax Christi benoemd tot Minister van Vrede. Theater Tek mi fa mi de orie venetiaan Na so mi de 2 op 5400 (samen met Norman Van Geerke) Kotabra (de oversteek) (1998) samen met Fra Fra Sound Mi Kondre Tru Ay Man, ’t is Jörgen Raymann (1999) Even Slikken (2000) Slaaf of niet verslaafd (2002) In Holland staat mijn Huis (2004) Nummer 13866 (2006 tot eind juni 2007) Familyman (2008) Frede (2010) Twee-eiig (2015) samen met Brainpower Un de ete (2016) in Suriname Televisie Raymann praat laat (vanaf 1999 op de Surinaamse televisie) The Comedy Factory (1999 - 2006) Raymann is Laat (2001 - 2010) zo:RAYMANN (2011 - 2014) De avond van de smaak (eenmalig) The Passion (2013) - verteller Dat ding van Tante Es (2015) BAAS Raymann (sinds oktober 2015) The Roast of Gordon (2016) De roastmaster / presentator De Kleine Lettertjes (2017) It Takes 2 (2018) Radio Ask Me Anything (vanaf 2016) bij BNR Nieuwsradio Films Erik of het klein insectenboek (film) (2004), als hommel
Cars (2006), als Ramone (stem) Takel en het spooklicht (2006), als Ramone (stem) Kung Fu Panda (2008), als Master Monkey (stem) Kung Fu Panda 2 (2011), als Master Monkey (stem) Cars 2 (2011), als Ramone (stem) Heksen bestaan niet (2014), als vader van Katie Bon Bini Holland (2015), als priester Kung Fu Panda 3 (2016), als Master Monkey (stem) The Angry Birds Movie (2016), als Judge Peckinpah (stem) Tuintje in mijn hart (2017), als oude indiaan Cars 3 (2017), Ramone (stem) Boeken Raymann zoekt raad (2017)



2169376-e5f423b9572cb9447c7bad8641b4ba0e.JPG

2169376-a24dee15c37bb254191e752cdb6721c0.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:15 Reageer op dit bericht

Meer van toen

↑ Terug naar de berichten