Naar de inhoud

toen

akke.beakke.be

Archief

vandaag jaren terug 11 aug 1948 jan palach

11 aug 1948 Jan Palach (Všetaty, 11 augustus 1948 – Praag, 19 januari 1969) was een Tsjecho-Slowaakse student die zichzelf op 16 januari 1969 in Praag in brand stak uit protest tegen de bezetting van TsjechoSlowakije door de Warschaupacttroepen als antwoord op de Praagse Lente van 1968 en vanwege het gebrek aan democratie in zijn land. Palach werd naar het ziekenhuis afgevoerd met ernstige brandwonden (85 procent verbrand) en overleed drie dagen later in het ziekenhuis. Nog op de dag van zijn dood, 19 januari, trokken 200.000 mensen naar het Václavské Náměstí (Wenceslasplein) om hem te herdenken. Op 24 januari, de dag van zijn begrafenis, was er in heel het land officieus 1 minuut stilte en ruim 10.000 burgers woonden zijn uitvaart bij. Palach probeerde met zijn actie een statement te maken tegen het stalinistische regime van die tijd. Hij had van tevoren brieven geschreven naar de regering waarin hij onder andere opheffing van censuur en propaganda eiste. Hij sprak namens een groep mensen die bereid waren zichzelf op te offeren voor hun eisen. Naar voorbeeld van kerkhervormer Jan Hus wilde hij 'de waarheid laten zegevieren' door zichzelf in brand te steken. Nadat hij deze brieven geschreven had ging hij naar het Wenceslasplein en stak zichzelf in brand. De regering was niet blij met de actie van Palach en verdraaide de reden van de zelfverbranding. Ook verdenken sommige mensen de regering ervan een einde aan het leven van de zwaargewonde Palach te hebben gemaakt, maar bewijzen hiervoor zijn er niet. De begrafenis van Palach liep uit op een grote demonstratie tegen de bezetting. Een maand later (op 25 februari 1969) stak een andere student, Jan Zajíc, zich in brand op het Wenceslasplein. Uiteindelijk staken in totaal tien personen zichzelf in brand uit protest tegen het stalinisme. Palach is, als eerste van hen, het bekendst geworden. Op het Praagse Wenceslasplein is een plaquette van de beeldhouwer Olbram Zoubek ter nagedachtenis van Palach en Zajíc opgericht. Ook is er in Praag een plein naar Palach genoemd, het Jan Palachplein onderwerp.



2168924-ebfde1c14e1317e8438fce8e2642cfa6.JPG

2168924-87fe35c025445fe09a1e3b263d220f4b.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:10 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 11 aug 1934 alcatraz

11 aug 1934 Op 11 augustus 1934 wordt Alcatraz in gebruik genomen. Het ligt op een eiland in de haven van San Francisco en doet tot 1963 dienst als gevangenis. De beroemdste gevangene was Al Capone. Er zijn verschillende ontsnappingspogingen geweest, maar officieel is het nooit iemand gelukt om te ontsnappen. Er waren echter drie mannen, Frank Morris en de broers John en Clarence Anglin, die op 11 juni 1962 ontsnapten in een opblaasbaar vlot gemaakt van aan elkaar gelijmde regenjassen. Van deze ontsnappingspoging is een film gemaakt: 'Escape from Alcatraz'. Nog geen jaar na de ontsnapping is op 21 maart 1963 Alcatraz officieel gesloten. Nu is Alcatraz een nationaal park. Alcatraz is een eiland in de Baai van San Francisco. Van 1934 tot 1963 was het in gebruik als zwaar beveiligde gevangenis. 1576 gevangenen hebben het eiland als standplaats gehad. De beroemdste gevangene was Alphonse "Al" Capone. Voordien was op het eiland een militair fort (1850-1907) en daarna (vanaf 1907-1933) was er een militaire gevangenis gevestigd. Tegenwoordig is het eiland een beschermd gebied en een National Historic Landmark, beheerd door de National Park Service De naam Alcatraz werd aan het eiland gegeven door Juan Manuel de Ayala, de eerste Spanjaard die het eiland ontdekte, in 1775. Hij bracht de baai van San Francisco in kaart, en noemde het eiland "La Isla de los Alcatraces," wat te vertalen is als "het eiland van de jan-van-genten."[1] [2] [3] [4] [5] [6] Het woord alcatraz, wat in het Spaans "jan-van-gent" betekent, komt oorspronkelijk uit het Arabisch: القطرس al-qaṭrās, wat albatros betekent.[7] Het United States Census Bureau definieert het eiland als Block 1067, Block Group 1, Census Tract 179.02 van San Francisco County, Californië.[8] De oudste bekende eigenaar van Alcatraz is Julian Workman, die het eiland in juni 1846 kreeg van de Mexicaanse gouverneur Pio Pico. Workman bouwde op het eiland een vuurtoren. Later in 1846 kocht John Charles Frémont, leider van de Republiek Californië en militair gouverneur van Californië, het eiland voor 5000 dollar uit naam van de Amerikaanse overheid.[9] [10] [11] Fremont had verwacht dat hij een grote compensatie zou krijgen van de overheid omdat hij voor hen het eiland had gekocht, maar hij kreeg uiteindelijk niets. Hij en zijn nakomelingen spanden nog tot de jaren 90 van de 19e eeuw rechtszaken aan in de hoop toch geld te krijgen, maar zonder succes.[10] [12]
Nadat Californië in Amerikaanse handen was gekomen en de Californische goldrushbegon, startte de United States Army een onderzoek naar de mogelijkheden om van Alcatraz een militaire vestiging te maken. In 1850 gaf president Millard Fillmore in nasleep van de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog officieel het bevel om van Alcatraz een militaire vestiging te maken.[12] In 1853 werd onder toezicht van Zealous B. Towerbegonnen met het bouwen van een militair fort. Het werk duurde tot 1858. Tegen het einde van dat jaar werd het eerste garnizoen van ongeveer 200 soldaten op het eiland gevestigd. Toen in 1861 de Amerikaanse Burgeroorlog uitbrak, werd het eiland geschikt gemaakt om als strijdlocatie te dienen. Alcatraz had destijds 85 kanonnen, maar vanwege gebrek aan manschappen kon maar een klein deel hiervan tegelijkertijd worden ingezet. In praktijk hoefde er nooit vanaf het eiland te worden geschoten als offensief. Wel werden op het eiland krijgsgevangenen opgesloten.[13] Na de oorlog concludeerde het leger dat het fort en de bewapening van Alcatraz achterhaald waren door de vorderingen op het gebied van militaire technologie. Tussen 1870 en 1876 werden verschillende plannen uitgewerkt om het eiland te moderniseren, maar deze werden nooit voltooid. [14] In plaats daarvan werd besloten Alcatraz een nieuwe bestemming te geven. In plaats van voor kustverdediging, zou het voortaan voor detentie worden gebruikt. De beslissing om van Alcatraz een gevangenis te maken kwam vanwege de afgelegen ligging en de sterke stromingen in de baai, die het zo goed als onmogelijk zouden maken om te ontsnappen. Nog voordat het eiland officieel een gevangenis werd, werd het al gebruikt voor opsluiting. In 1867 werd reeds een bakstenen gevangenishuis gebouwd op het eiland, zodat het eiland vanaf 1868 al dienst kon doen als militaire gevangenis. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog en vooral tijdens de SpaansAmerikaanse Oorlog zaten er veel militaire gevangenen op het eiland. Op 21 maart 1907 werd Alcatraz officieel door de Amerikaanse overheid ingesteld als militaire gevangenis. In 1909 begonnen de werkzaamheden om het eiland van militair fort om te bouwen tot gevangenis. Er kwamen celblokken, die grotendeels waren ontworpen door Reuben Turner. In 1912
waren de werkzaamheden voltooid. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zaten in de gevangenis onder andere dienstweigeraars, onder wie Philip Grosser. In de nasleep van de Aardbeving van San Francisco in 1906 werden ook tijdelijk niet-militaire gevangenen naar Alcatraz gebracht voor bewaring. Op 12 oktober 1933 kwam de gevangenis in handen van de United States Department of Justice, en werd het een federale gevangenis. De gevangenis had een zeer streng regime. In de beginjaren was het zelfs niet toegestaan om onderling te praten. Nadat er door middel van het doorspoelen van het toilet een primitieve communicatie op gang kwam is het spreekverbod opgeheven. Tijdens de 29 jaar dat Alcatraz in gebruik was als federale gevangenis, zaten er enkele bekende criminelen opgesloten, onder wie Al Capone, Robert Franklin Stroud, Machine Gun Kelly, James J. Bulger en Alvin Karpis (die langer in Alcatraz zat dan elke andere gevangene). Er zijn verschillende ontsnappingspogingen gedaan, maar officieel is het nooit iemand gelukt om te ontsnappen. In totaal waren er 36 gevangenen betrokken bij 14 ontsnappingspogingen. Daarvan werden er 23 weer gearresteerd, zes doodgeschoten en twee zijn vermoedelijk verdronken. De gewelddadigste uitbraakpoging vond plaats op 2 mei 1946 en leidde tot de Slag om Alcatraz.
Op 11 juni 1962 zou er echter toch een succesvolle ontsnapping plaats hebben gevonden. Frank Morris en de broers John en Clarence Anglin ontsnapten volgens de verhalen op een opblaasbaar vlot gemaakt van aan elkaar gelijmde regenjassen. Frank Morris, de leider van de groep, had een bijzonder hoog IQ, en wellicht hebben ze het getij van de San Francisco Bay gebruikt om te ontsnappen. Enkele van hun spullen zijn teruggevonden op Angel Island, maar sommigen gaan ervan uit dat ze bij de Golden Gate Bridge aan land zijn gegaan en hun spullen via het getij naar Angel Island hebben laten drijven om de politie op een dwaalspoor te zetten. Van de mannen heeft niemand meer iets vernomen. Men is ervan uitgegaan dat ze verdronken waren, maar dat is nooit bewezen. Van deze ontsnappingspoging is in 1979 een film gemaakt: Escape from Alcatraz. Nog geen jaar na de ontsnapping werd op 21 maart 1963 Alcatraz officieel gesloten.[15]
In 1969 bezette een groep van indianen de rots in de baai. Ze verbleven 2 jaar lang op het eiland, en trachtten op deze wijze hun eis voor een Indiaans Cultureel Centrum kracht bij te zetten. Deze groep verloor in de ogen van de gemeenschap hun geloofwaardigheid door de hoeveelheid van beschadigingen, zoals graffiti, vandalisme en een brand die het huis van de oppasser van de vuurtoren verwoestte. In juni 1971 verwijderden Federal Marshalls de indianen van het eiland. Sinds 1972 is Alcatraz een van de vele nationale parken onder beheer van de National Park Service en sinds 1973 is het eiland opengesteld voor publiek. Op Alcatraz staat de oudste nog werkende vuurtoren van de Amerikaanse westkust. In 2003 probeerden de presentatoren van het programma MythBusters, Adam Savage en Jamie Hyneman, of de beroemde ontsnapping van Morris en de gebroeders Anglin inderdaad kon zijn uitgevoerd. Het lukte hen om op een vlot van regenjassen van Alcatraz naar de wal te varen. Daarmee werd dan ook aangetoond dat het mogelijk was om uit de gevangenis te ontsnappen. Verder is illusionist David Copperfield ooit als stunt uit de gevangenis ontsnapt. Ook heeft het programma Ghost Hunters een aflevering gemaakt van Alcatraz. In deze aflevering wordt onderzocht of er paranormale activiteiten op het eiland plaatsvinden. Uiteindelijk meenden ze veel 'bewijs' te hebben gevonden, voornamelijk geluidsopnamen, en concludeerden ze dat er paranormale activiteiten plaats zouden vinden op Alcatraz.
Alcatraz heeft de bijnaam "The Rock". De speelfilm The Rock speelt zich af op Alcatraz. Hierbij moet er in Alcatraz ingebroken worden. De film Escape from Alcatraz gaat over de ontsnapping van 3 criminelen vanaf Alcatraz. Andere films over Alcatraz zijn King of Alcatraz, Half Past Dead, Point Blank, Murder in the first en The Birdman of Alcatraz. In 2011 werd de eerste aflevering van de tv-serie Alcatraz uitgezonden, een fictief verhaal over het einde van Alcatraz. In de serie is de gevangenis niet gesloten, maar zijn alle gevangenen verdwenen en is dat geheim gehouden.



2168922-1b4a636f97575f3af1461effbbe3a0c1.JPG

2168922-c48b93aa840adb9377304bddb0388b37.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:07 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 10 aug 1909 leo gender

10 aug 1909 Clarence Leonidas Fender (Anaheim (California), 10 augustus 1909 – Fullerton (California), 21 maart 1991) was een Amerikaans ontwerper (met Duitse roots) en producent van elektrische gitaren. Eerst richtte hij het bedrijf Fender op en naderhand G&L en Music Man. Hij wordt beschouwd als iemand die een grote invloed had op de ontwikkeling van de elektrische gitaar, en tevens als de uitvinder van de elektrische basgitaar. De man die een revolutie teweegbracht in de gitaarbouw, heeft echter zelf nooit één van deze instrumenten leren bespelen.[1] Fender begon in 1932 als radioreparateur en leverde ook versterkers aan muzikanten. Onder zijn klanten waren steelgitaristendie klaagden over de werking van elektrische opnemers. Fender startte toen zelf met de bouw van deze gitaren en vanaf 1944experimenteerde hij met de bouw van elektrische gitaren. In 1946 stichtte hij Fender Electric Instruments Co. In 1955 liep hij een infectieziekte op die hem jaren last bezorgde. Begin jaren zestig dacht hij dat hij niet meer lang te leven had. Hij stopte met werken en besloot zijn fabriek te verkopen. In 1965 werd zijn bedrijf overgenomen door CBS. Een arts wist Fender echter van zijn kwaal te verlossen. Hij kreeg een baan als ontwerper-adviseur bij CBSFender, maar verliet het bedrijf na korte tijd in 1970wegens onenigheid over de te volgen koers. In 1972 richtte hij samen met Forrest White een nieuw bedrijf op. Omdat Fender zijn eigen naam niet meer mocht gebruiken, nu hij die aan CBS had verkocht, werd het nieuwe bedrijf Music Man genoemd. In 1980 werd Music Man verkocht en richtte Fender samen met George Fullerton G&L op dat zijn nieuwe ontwerpen produceerde. De naam stond voor "George & Leo". De eerste echte elektrische Fender-gitaar was de Esquire uit 1950. Al gauw werd de naam gewijzigd in Broadcaster. Gretschmaakte echter bezwaar tegen deze naam omdat het een reeks drumstellen verkocht onder de naam BroadKaster. Fender wijzigde de naam toen in Telecaster. In 1951 volgde de Precision Bass, als alternatief voor de contrabas die door Fender spottend hondenhok werd genoemd. In 1954 volgde de Stratocaster. Later kwamen nog vele andere modellen uit - waaronder de Fender Jazz Bass - maar die waren veel minder succesvol dan deze drie, die in belangrijke mate het geluid van de popmuziek hebben bepaald en dat tegenwoordig nog steeds doen. Oude Fenderinstrumenten worden soms als pre-CBS aangeduid, het gaat in dit geval om instrumenten van voor de CBS-overname. Daarnaast fabriceerde Fender ook akoestische gitaren, en versterkers.



2168582-ef3c374b93e5987f8afe8b6f08120fae.JPG

2168582-07f360485d8e2ac96e247dbc85203d02.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:23 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 10 aug 1947 ian anderson

10 aug 1947 Ian Scott Anderson (Dunfermline, 10 augustus 1947) is een Schots zanger, multiinstrumentalist, songwriter en boegbeeld van de Britse progressieve rockband Jethro Tull. Vooral zijn podiumact heeft een cultstatus bereikt: fluitend als een ooievaar staande op één been in middeleeuwse Schotse kledij inclusief braguette, baard en een wilde bos haar. Als een manische minstreel met uitpuilende ogen beent de zanger over het podium: hijgend, schreeuwend, jodelend. De bos haar is in de loop der tijd overigens verruild voor een bandana. Anderson is geboren in het Schotse Dunfirmline als zoon van James en Irene Anderson, waar zijn vader aan het hoofd stond van zijn familiebedrijf RSA Boiler Fluid Company. Anderson heeft twee oudere broers - Robin (1930) en Alistair (1935). Na drie jaar verhuisden ze naar de hoofdstad Edinburgh, een invloed die zijn leven lang door zal klinken. Hij ging als kind naar de Roseburn Primary School. In 1959 verhuisden hij met zijn ouders en twee oudere broers naar Blackpool in Engeland, waar Anderson eerst de Blackpool grammar school voltooide en vervolgens van 1964 tot 1967 op het Blackpool College of Art heeft gezeten. Veel van zijn werk dat aan de periode in Blackpool refereert suggereert een turbulente opvoeding. Als tiener had Anderson een baantje als verkoopassistent in een Lewis'-winkel in Blackpool, daarna als verkoper in een kiosk. Later zei hij dat het lezen van Melody Makeren de New Musical Express tijdens de lunchpauze hem inspireerde om in een band te gaan spelen. Dat leidde ertoe dat hij in 1963 The Blades oprichtte met schoolkameraden: Barriemore Barlow op de drums, John Evan op keyboards, Jeffrey Hammond-Hammond op bas en Michael Stephens op gitaar. In deze soul- en bluesband was Anderson de zanger en speelde hij elektrische gitaar en mondharmonica. De nummers Up The 'Pool en Big Dipper die Anderson later in zijn carrière heeft geschreven verwijzen naar dit Blackpool, dat vaak als thuisbasis van Jethro Tull wordt beschouwd. In 1965 was de groep geëvolueerd tot The John Evan Band, met een grotere line-up inclusief brasssectie. Deze band probeerde voet aan de grond te krijgen in Londen, maar toen dat niet snel lukte vertrokken veel bandleden gedesillusioneerd en berooid terug naar Blackpool. Anderson woonde op dat moment in Luton. Daar ontmoette hij drummer Clive Bunker en gitarist Mick Abrahams van de bluesband McGregor's Engine, en samen met hen en Glenn Cornick uit The John Evan Band richtte hij in 1967 een nieuwe band op. Na meerdere namen werd dit in 1968 'Jethro Tull', de naam die ze toevallig hadden toen ze een residentie kregen in de Marquee Club. Ongeveer rond die periode kreeg Anderson zijn eerste dwarsfluit; hij ruilde zijn elektrische gitaar, die hij op zijn beurt van Lemmy Kilmister had overgenomen, in een muziekwinkel tegen een dwarsfluit omdat hij naar eigen zeggen toch nooit zo goed kon worden als Eric Clapton. Tijdens deze turbulente periode leerde hij zichzelf het instrument eigen maken. Het bleek de start van een lange carrière als voorman en personificatie van Jethro Tull. Anderson schreef de teksten van alle nummers, en daarnaast ook bijna alle composities van Jethro Tull. Door zijn zeer opvallende verschijning zet hij de rest van de band in de schaduw, wat voor sommige exbandleden ook de reden is geweest te vertrekken. In de film Armageddon uit 1998 legt het personage Oscar aan een NASA-psycholoog uit waarom hij zo kwaad wordt "wanneer mensen denken dat Jethro Tull gewoon een lid van de band is."
Hij noemt zichzelf de "un-plugged guy in a medium to heavy rockband", aangezien hij voornamelijk dwarsfluit en akoestische gitaar speelt, en daarnaast basuri, mondharmonica en mandoline. "Mijn rol in het leven was altijd om een akoestische muzikant te zijn, maar de afgelopen 38 jaar heb ik nogal lawaaiige vrienden!"
Min of meer bewust kiest Anderson ervoor om in de slipstream van de popwereld te blijven. Een beetje in de luwte maar altijd aanwezig zou de band volgens hem artistiek op de been houden. Over het algemeen krijgt de band in het algemeen en Anderson in het bijzonder door de jaren heen vaak overweldigend goede kritieken. Hij staat bekend als een excentriekeling, topmuzikant en heeft typisch Britse humor. Anderson laat via zijn teksten al weten dat hij een taalalchemist is, en doet daar verbaal tijdens zijn concerten nog een schepje bovenop. Zijn teksten worden over het algemeen hoog gewaardeerd, en bevatten veel culturele en taalkundige aspecten. Thema's die frequent met veel cynisme worden bezongen zijn God en religie, geschiedenis, 'country life', met regelmatig absurdistische, humoristische of maatschappijkritische elementen. Anderson kreeg hiervoor in 2006 een eredoctoraat in de literatuur ter erkenning van zijn bijdrage aan de pop- en rockmuziek van de Heriot-Watt Universiteit van Edinburgh, en in 2011 nog een van de Abertay Universiteit uit Dundee. Eerder kreeg Anderson een Ivor Novello Award voor zijn hele muzikale carrière en oeuvre. In 2008 werd hij door koningin Elizabeth benoemd tot Member of the Order of the British Empire Anderson heeft nooit openheid gegeven over zijn financiële situatie, maar hij is zeker een man in bonus en behoort tot de rijkste muzikanten. In 1985 werd bekend dat Jethro Tull al ₤100 miljoen had gegenereerd. De albumverkopen behoren tot de top van de muziekindustrie met meer dan 60 miljoen stuks, en het jaarlijkse aantal concerten dat hij geeft is al ruim 40 jaar rond de 100. Hij investeert zijn geld in inventieve en opmerkelijke projecten. Zo bouwde en verkocht hij in de jaren 70 en 80 muziekstudio's in Engeland, bedacht daarnaast de mobiele studio in 1975 - een muziekstudio gebouwd in een vrachtwagen die bands mee konden nemen op tournee. Hij bedacht Tullavision in 1976: grote videoschermen naast het podium tijdens concerten in stadions zoals tegenwoordig bij veel festivals de gewoonte is. Hij richtte Strathaird op in 1978: één van 's werelds eerste en grootste zalmkwekerijen toen deze industrietak nog in de kinderschoenen stond, en hij investeerde tegelijkertijd in negen andere kwekerijen. Uiteindelijk had hij naast Strathaird 42 zalmkwekerijen, een visverwerkingfabriek met 400 medewerkers, en ook verschillende vee- en landbouwbedrijven verspreid over Engeland en Schotland. In 1997 werd hij uitgeroepen tot Schots zakenman van het jaar. In 2001 verkocht Anderson aandelen van zijn bedrijf Strathaird aan de Macrae Food Group, en trok zich terug uit een actieve rol in veel van zijn bedrijven. Tegenwoordig is hij eigenaar van de Ian Anderson Group of Companies, waaronder Salamander & Son en Calliandra Productions. Hij is eigenaar van Rock Show, het bedrijf dat de Britse radiozender Planet Rock beheert.
Ian Anderson wordt verantwoordelijk gehouden voor de introductie van de dwarsfluit als prominent soloinstrument in de rockmuziek. Hij speelt echter ook akoestische gitaar, mandoline en mondharmonica op het podium. Hij mag zeker multi-instrumentalist genoemd worden, daar hij live en op albums 27 verschillende instrumenten speelt. Opvallend is dat de rockband een voorman heeft die bijna alleen akoestische instrumenten bespeelt. Anderson is lid van de British Flute Society, en is op het terrein van instrumentbeheersing een virtuoze autodidact. Hij kan zeker noten lezen, maar niet naar noten spelen. Hij speelt alles op gehoor. Tijdens het spelen 'beluistert' hij de volgende noten razendsnel in zijn hoofd, en speelt ze dan zonder na te denken. Speel- en toontechnisch doet hij niet onder voor geschoolde fluitisten. Als geen ander beheerst Anderson de dwarsfluit als rockend solo-instrument. Want Anderson fluit niet alleen fenomenaal - soms met één hand - maar hij maakt opmerkelijk veel gebruik van de flatterzungetechniek, en combineert zijn fluitspel met vocale klanken: zingen, spreken, knorren, niezen, hoesten, huilen en jodelen, het liefst allen door elkaar.
Anderson woont sinds 1994 in Braydon Hall op een 18e-eeuws landgoed in Minety, Wiltshire van 160 hectare en heeft daarvoor vijf vaste stafleden. Het huis uit 1753 beslaat drie verdiepingen heeft 11 slaapkamers, 15 toiletten, een helikopterplatform, een opnamestudio en een binnenzwembad uit de jaren 80 met naastgelegen bubbelbad, sauna, solarium en gym. "Ik geloof dat de vorige eigenaar £750.000 spendeerde aan het zwembad, en ik haat het. Ik haat water en ik haat zwemmen. Vooral de muurschildering haat ik. Ik denk dat het Toscane moet voorstellen, maar ik weet het niet zeker. Het is zo walgelijk, zo gigantisch zielig, dat ik heb besloten het te behouden." Op het terrein staan nog vijf andere huizen, die hij gebruikt als gastenverblijven. Het landgoed herbergt ook Anderson's private muziekstudio, boomgaarden, Victoriaanse kassen en Anderson heeft 30.000 eiken en essen geplant als renovatie van de oude bossen. Ook heeft hij een tweede huis in Montreux, Zwitserland, waar hij de buurman van Phil Collins is. Eerder woonde hij nabij het meer van Genève, in Londen, het 16e-eeuwse Victoriaanse landhuis met 11 slaapkamers op zijn Pophleys Estate van 250 hectare in Radnage, Buckinghamshire en het Kilmarie House op zijn landgoed Strathaird van 6120 hectare te Skye. Hij was van 1970 tot 1974 getrouwd met Jennie Franks (zij is medeauteur van het nummer Aqualung). In 1976 trouwde hij met Shona Learoyd. Ze hebben twee kinderen: zoon James Duncan werkt voor zijn vader, onder andere als geluidstechnicus, en zijn dochter Gael Clutterbuck (getrouwd met acteur Andrew Lincoln) werkt in de muziek- en film-/tv-industrie en is personal manager van Coldplay en Chris Martin. Anderson is voorvechter van de bescherming van wilde katachtigen, onder andere bij de vereniging Wild About Cats. Hij zet zich met name in voor de Andeskat. Hij is zelf eigenaar van een aantal huiskatten, waaronder Bengalen, en schreef meerdere nummer over katten. Hobby's zijn onder andere het verzamelen van Rolex-horloges en Leica-camera's, schilderen, en het kweken en cultiveren van verschillende soorten chilipepers. Hij werkt mee - door onder andere zijn aanwezigheid in reclamespotjes van de stichting Spotlight Health - aan de bekendheid van de aandoening diep-veneuze trombose waar hij zelf een overlever van is. Hij steunt Bikers Against Drunk Driving, aangezien hij zelf een fervent off-road motorrijder is. Hij heeft echter nooit autorijlessen gehad, en dus ook geen autorijbewijs. Anderson is DJ voor de Britse radiozender Planet Rock met eigen radioshows zoals Under The Influence en The Lyricists, elke zondagavond van 7 tot 9 [1]. In 2008 kwam deze zender in de financiële problemen en dreigde faillissement, waarop het werd gekocht door Anderson, samen met Malcolm Bluemel, Tony Iommi, Gary Moore, en Fish.
Naast Jethro Tull heeft Anderson nog vijf soloalbums gemaakt, en heeft hij twee soloprojecten waarmee hij optreedt: Ian Anderson Plays The Orchestral Jethro Tull(optredens van Anderson en band zonder Martin Barre, waarbij hij met een symfonieorkest de muziek van Jethro Tull en zijn soloalbums speelt) en Rubbing Elbows With Ian Anderson (semi-akoestische optredens met band zonder Martin Barre; een mix van muziek, talkshow en een cabaretachtige theatervorm). Op initiatief van Leslie Mandoki is de allstar groep Soulmates samengesteld. Deze formatie treedt sinds 1993 een paar keer per jaar op - vaak ook in televisieshows - met name in Duitsland en heeft enkele albums uitgebracht. De sterren die meedoen in dit project zijn naast Ian Anderson onder andere Bobby Kimball (Toto), Chris Thompson(Manfred Mann's Earth Band), Jack Bruce (Cream), Jon Lord (Deep Purple), Steve Lukather (Toto), Eric Burdon (The Animals), Gary Brooker (Procol Harum), en Peter Frampton.
Anderson heeft in de loop der jaren op veel albums van andere artiesten gespeeld als gastmuzikant, onder andere bij Blackmore's Night, Brian Protheroe, Clive Bunker, Fairport Convention, Honeymoon Suite, Jackie Linton, James Taylor Quartet, Maartin Allcock, Maddy Prior, Magellan, Men Without Hats, Peter Green, Roy Harper, SAS Band, Steeleye Span, The Six & Violence, Tinkara, Toto, Uriah Heep, Vyktoria Pratt Keating, Wendy MaHarry en Willy Porter.
In april 2006 haalde Anderson in zijn thuisland het nieuws omdat hij samen met Bono (U2) en Paul McCartney de wens uitsprak om de Europese auteurswet te herzien. Op dit moment geldt dat de eigendomsrechten op muziek vijftig jaar zijn en dat het daarna openbaar is. Dat terwijl soortgelijke auteursrechtwetgeving in de VS 95 jaar en de meeste andere landen ook zestig jaar of langer is. Zijn belangrijkste argumenten (vrij vertaald; voor het complete betoog, zie: [2]): De muziekindustrie brengt hoge risico's met zich mee, want veel platen zullen nooit rendabel worden. Platenmaatschappijen gebruiken een substantieel gedeelte van hun inkomen uit succesvolle muziek uit het verleden om te investeren in nieuwe muzikanten, om zodoende hen een kans te kunnen geven. Een langere auteursrechtenbescherming zal garant staan voor deze investeringen. Ik ben erg bezorgd over het lot van minder-gefortuneerde en minder-succesvolle (studio)muzikanten; dat zij niet langer een inkomen van hun muziek uit het verleden krijgen. Dat zal een heel groot probleem voor hen worden van wie het huidige inkomen nog steeds dat geld van die vroege opnames is. Waarom zouden we misschien moeten toezien dat zij op hun oude dag hun energie- of doktersrekeningen niet kunnen betalen, terwijl hun Amerikaanse collega's wel hun inkomen behouden? Het is tegenstrijdig dat mijn werk als songwriter (de teksten en composities) levenslang plus zeventig jaar beschermd is, maar de muziekuitvoering zelf slechts vijftig jaar.



2168580-b59bbb08730751c48750ed0fee231b42.JPG

2168580-fc522c893fe6a512004f8e4d5b0563d5.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:19 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 10 aug 1897 asprine

10 aug 1897 Ontdekking aspirine. Op 10 augustus 1897 beschrijft de Duitse chemicus Felix Hoffmann in zijn laboratoriumdagboek hoe hij het voorheen onstabiele en maagonvriendelijke acetylsalicylzuur in chemisch zuivere, bewaarbare en inneembare vorm heeft samengesteld. Het effect van deze stof was al bekend bij Hippocrates, die het uit de schors van wilgen haalde. Kruidenvrouwen in de Middeleeuwen vonden dezelfde stof in de moerasspirea, de spirea ulceria. Hoffmanns werkgever de chemische fabriek Bayer brengt in 1899 de aspirine op de markt. Het wereldverbruik wordt vandaag de dag geschat op vijftigduizend ton per jaar of 1.3 miljard tabletten per dag. Acetylsalicylzuur is een medicijn dat pijnstillend, koortsverlagend en ontstekingsremmend werkt. Het middel was onder de merknaam Aspirine, of merkloos als acetylsalicylzuur (ook wel acetosal) voor de opkomst van paracetamol de meest gebruikte pijnstiller. Acetylsalicylzuur wordt tegenwoordig in lage dosering zeer veel voorgeschreven ter voorkoming van beroerten en hartinfarcten.
Reeds omstreeks 2000 voor Christus gebruikten de Assyriërs wilgenbladeren voor de behandeling van pijnlijke gewrichten. Geschriften van rond 1550 voor Christus tonen aan dat ook de oude Egyptenaren een brouwsel van wilgenbladeren gebruikten tegen pijn en ontstekingen. Hippocrates propageerde eveneens het gebruik van wilgenbastextract. Dit extract heeft echter geen pijnstillend effect, smaakt bijzonder bitter en ligt slecht op de maag. De werkzame stof in het extract is salicine. Een stof die verwant is aan salicine treft men onder andere ook aan in moerasspirea. Salicine, of salicylzuur werkt koortsverlagend, maar heeft geen pijnstillend effect. Het pijnstillende effect van acetyl-salicylzuur is volledig gebaseerd op de acetylgroep, die synthetisch wordt toegevoegd. Het koortsverlagende effect van het salicylzuur liet mensen zich beter voelen, maar was niet pijnstillend. In 1763 beschreef de Engelse predikant Edmund Stone de pijnstillende en koortsverlagende werking van extracten van de wilgenbast. In 1825 probeerde Francesco Fontana in Italië het extract te zuiveren, evenals Johann Andreas Buchner die hetzelfde in 1828 probeerde. Het was echter de Fransman Henri Leroux die in 1829 als eerste de werkzame stof salicine, uit het extract in zuivere vorm isoleerde. De Italiaanse onderzoeker Raffaele Piria ontdekte in 1838 dat salicine een glycoside, een soort suikerverbinding, was. Hij wist het suikerachtige gedeelte van het salicine af te splitsen en verkreeg op die manier voor het eerst salicylzuur. In 1859 wist de Duitser Kolbe de chemische structuur van salicylzuur te achterhalen en het zelf ook te synthetiseren. In de daaropvolgende jaren werd gewerkt aan het op industriële schaal produceren van salicylzuur. In 1874 lukte dat voor slechts een tiende van de prijs van het wilgenextract. Strikt (chemisch) genomen was dit commerciële product geen salicylzuur maar natriumsalicylaat.[1] Al snel werd duidelijk dat het bitter smakende middel schadelijk was voor de maag.[2] Teneinde de nadelige eigenschappen van salicylzuur te verminderen, ging men op zoek naar chemische varianten van salicylzuur. Salicylzuur bestaat uit een fenolgroep, ofwel een benzeenring met een hydroxylgroep, en een carboxylgroep. De carboxylgroep was eerder al eens vervangen door een amide. Een alternatieve methode is om iets aan de fenolgroep te veranderen. Charles Frédéric Gerhardt acetyleerde in 1853 de fenolgroep en verkreeg zo voor het eerst acetylsalicylzuur. De stof was onzuiver en instabiel; in die tijd had men er geen interesse in.[1]
Gerhardts uitvinding werd herontdekt en doorontwikkeld tot een toepasbaar medicijn in de vorm van acetylsalicylzuur in het laboratorium van de Duitse farmaceutische fabrikant Bayer te Elberfeld. De merknaam Aspirine, oorspronkelijk in het Duits Aspirin, is afgeleid van Spirsäure. Dit is een oude Duitse naam voor salicylzuur met het voorvoegsel A dat voor acetyl staat omdat het geacetyleerd salicylzuur betrof. Samengevoegd en verkort werd dit "Aspirin".[2] Over de wijze waarop acetylsalicylzuur bij Bayer is ontwikkeld, bestaan twee lezingen. Was het door Felix Hoffmann of Arthur Eichengrün? Geconcludeerd mag worden dat de rol van beide heren onontbeerlijk was.
Lange tijd werd de ontdekking van acetylsalicylzuur algemeen toegeschreven aan Felix Hoffmann, een medewerker van Bayer, die na zijn diensturen een pijnstillend middel gezocht zou hebben voor zijn zwaar reumatische vader. Door systematisch te werk te gaan zou hij hebben gezocht naar een nieuwe verbinding om het middel beter verteerbaar te maken. In 1897 zou hij de oplossing van het probleem hebben herontdekt in de acetylering van het salicylzuur. Op 10 augustus 1897 zou hij in zijn laboratoriumdagboek hebben beschreven hoe hij het acetylsalicylzuur in chemisch zuivere en bewaarbare vorm had samengesteld. In samenwerking met de arts Heinrich Dreser zou hij de nieuwe stof uitgebreid hebben getest op dieren. In 1899 kwam het middel in poedervorm op de markt. Een jaar later waren er de gedoseerde tabletten. Uit onderzoek van de labjournaals bij Bayer blijkt echter dat de werkelijke ontdekker van acetylsalicylzuur Arthur Eichengrün was, die onderzoek deed naar betere pijnstillers. Felix Hoffmann werkte als laboratorium-assistent onder diens leiding. Vanwege Eichengrüns joodse achtergrond werd hij door de nazi’s uit de annalen geschrapt en werd het verhaal van de reumatische vader bedacht. In 1949 publiceerde Eichengrün een artikel waarin hij de uitvinding van acetylsalicylzuur claimde. Deze claim werd bevestigd na onderzoek van Walter Sneader van de universiteit van Glasgow in 1999.[3] De vraag wie de werkelijke ontdekker van acetylsalicylzuur is, bleef echter controversieel. Bayer weersprak in een persbericht de bevindingen van Sneader. Een apotheker uit het Australische Melbourne, George Nicholas, probeerde in 1914 acetylsalicylzuur te maken. Hij kon dit doen omdat het patent op acetylsalicylzuur niet in Australië gold. De eerste pogingen waren onsuccesvol, omdat zijn product onzuiver was. Met de hulp van H.W. Smith lukte het in 1915 om hun acetylsalicylzuur te zuiveren, zodat het voldeed aan de eisen van de Britse Farmacopee. Aanvankelijk als Nicholas Aspirin op de markt gebracht, werd de naam al snel veranderd in Aspro. Het middel werd een succes. De pijnstillende (analgetische), koortsverlagende (anti-pyretische) en ontstekingsremmende (antiinflammatoire) werking zijn gebaseerd op de remming van het enzym cyclo-oxygenase. Pijn wordt veroorzaakt door chemische stoffen die vrijkomen na beschadiging van weefsels en cellen. Zowel de beschadigde cellen als onbeschadigde cellen in de onmiddellijke nabijheid van de weefselschade geven, onder invloed van onder andere cytokinen en mitogenen, dergelijke stoffen af, zoals bradykinine, histamine, kalium- en waterstofionen. Deze stoffen werken op zenuwuiteinden in, die daardoor elektrische signalen naar de hersenen sturen die vervolgens als pijn worden geïnterpreteerd. Autacoïden die in dit proces een belangrijke rol spelen zijn prostaglandinen. Prostaglandinen veroorzaken zelf geen pijn, maar verergeren de door de andere chemische stoffen veroorzaakte pijn. Daarnaast spelen ze een zeer belangrijke rol bij vele fysiologische processen in het lichaam. Prostaglandine wordt geproduceerd in cellen en werkt alleen in de buurt waar het geproduceerd is en wordt dan afgebroken. Het stimuleert, naast verergeren van de pijnreactie, ook het optreden van ontstekingsreacties en zorgt voor het ontstaan van koorts. In lichaamscellen speelt het enzym cyclo-oxygenase (COX) een essentiële rol in het maken van prostaglandine. Cyclo-oxygenase katalyseert de omzetting van arachidonzuurnaar prostaglandine. Acetylsalicylzuur remt de werking van cyclo-oxygenase waardoor er minder of geen prostaglandine meer ontstaat. Daardoor verdwijnt een groot gedeelte van de pijn, zakt de koorts en worden ontstekingsreacties geremd. Acetylsalicylzuur is dus een inhibitor: een stof die de activiteit van een eiwit remt of stopt, in dit geval die van COX. Daarnaast spelen prostaglandinen ook nog een rol in bij de normale celfunctie. De prostaglandine die door COX-1 ontstaat werkt in de normale celprocessen als boodschapper. De prostaglandine die werkt bij beschadiging en die een rol speelt in het pijnsignaal, wordt gemaakt door COX-2. COX-1 kan als het niet functioneert maagbloedingen veroorzaken, doordat prostaglandinen een beschermende werking op de maagwand hebben. Er is sinds een aantal jaren een aantal andere geneesmiddelen op de markt die selectieve COX-2-remmers zijn.
Hoewel acetylsalicylzuur nog steeds populair is geven medici tegenwoordig de voorkeur aan het voorschrijven van paracetamol wanneer een eenvoudige pijnstiller geïndiceerd is. Acetylsalicylzuur is niet alleen een analgeticum of pijnstillend middel, maar heeft tevens een onomkeerbaar effect op de bloedplaatjes. Het belemmert deze om samen te klonteren en is daarmee een trombocytenaggregatieremmer. Hierdoor vermindert het stelpend vermogen van het bloed bij bloedvatbeschadiging. Het effect treedt al op na 1/4 acetylsalicylzuurtablet van 500mg en houdt aan tot de uitgeschakelde bloedplaatjes (na ongeveer een week) allemaal zijn vervangen. Voor dit laatste effect wordt het middel tegenwoordig in een lage dosis zeer veel voorgeschreven aan mensen die eerder een beroerte (dosis van 30-80 mg) of hartinfarct (dosis van 80 mg) hebben gehad; het vermindert de kans op herhaling met circa 40%. Voorheen werd 30 mg veel gekozen door neurologen, omdat dit voldoende bescherming gaf voor neurologische klachten. De laatste jaren is men echter nagenoeg volledig in de neurologie opgeschoven naar de 80 mg dosis die in de cardiologie gebruikelijk is, omdat daarmee ook een beschermend effect op het hart is naast de reductie van het cerebrovasculaire risico. Omdat in de neurologie eigenlijk een combinatie van dipyridamol + acetylsalicylzuur + (vaak) een maagbeschermernodig was voor optimale preventie en omdat het Nederlandse beleid afweek van het Europese beleid, kiest de arts bij een CVA of TIA steeds vaker voor het opstarten van de trombocytenaggregatieremmer clopidogrel in plaats van de eerder genoemde combinatie van 3 middelen. Vaak wordt ook het calciumzout van acetylsalicylzuur voorgeschreven, carbasalaatcalcium, omdat men oorspronkelijk dacht dat carbasalaatcalcium wat minder bezwaarlijk voor de maagwand zou zijn dan acetylsalicylzuur. Uit onderzoek is inmiddels gebleken dat maagbloedingen net zo vaak voorkomen bij carbasalaatcalcium als bij acetylsalicylzuur [4] [5] . Carbasalaatcalcium moet in het lichaam gesplitst worden in calcium en in acetylsalicylzuur voordat het werkzaam is. Hierdoor komt 100 mg carbasalaatcalcium overeen met 80 mg acetylsalicylzuur. In 2008 zagen de registratieautoriteiten zich genoodzaakt te waarschuwen voor de interactie tussen ibuprofen en laag gedoseerd acetylsalicylzuur. Ibuprofen heeft als enige NSAID een unieke wisselwerking met laaggedoseerd acetylsalicylzuur. Ibuprofen verhindert de beschermende werking van acetylsalicylzuur op hart en bloedvaten.[ Op het gebied van de kanker-preventie liggen er mogelijk toepassingen voor acetylsalicylzuur, aangezien deze tumorvorming tegengaat. Het dagelijks innemen van een lage dosis acetylsalicylzuur gedurende ten minste 5 jaar zou de kans op tumoren in slokdarm en darmstelsel met twee derde doen afnemen.[7] Uit onderzoek blijkt dat het dagelijks gebruik van een lage dosis acetylsalicylzuur een positief effect heeft op de levensduur van patiënten met kanker in het spijsverteringskanaal.[8] Naar het schijnt heeft acetylsalicylzuur ook een positieve werking tegen zwangerschaps-, darm-, hart- en vaatziekten. Het eerder beweerde positieve effect van acetylsalicylzuur op de ziekte van Alzheimer kon na onderzoek niet gevonden worden.[9] Een combinatie van acetylsalicylzuur en Metoclopramide onder de merknaam Migrafin wordt gebruikt bij de behandeling van migraine. Acetylsalicylzuur is vrij sterk maagprikkelend. Bij gebruik kunnen maagklachten en zelfs maagbloedingen ontstaan. Acetylsalicylzuur heeft vooral in hoge doseringen ernstige bijwerkingen. Naast de al genoemde maagbloedingen kunnen ook oorsuizen en doofheid optreden. Gebruik bij zwangerschap, borstvoeding [10] en toediening aan baby's en zeer jonge kinderen (syndroom van Reye) wordt afgeraden. Bij kinderen tot 16 jaar heeft de keuze voor een andere analgetica (pijnstiller) dan acetylsalicylzuur de voorkeur, bijvoorbeeld paracetamol. Maximaal 5-21% van de astma-patiënten heeft een acetylsalicylzuurovergevoeligheid.[11] Inname kan dan leiden tot rode plekken op de huid en jeuken, loopneus en natte ogen, en in meer zeldzame gevallen een astma-aanval. Astmapatiënten die weten dat ze overgevoelig zijn voor acetylsalicylzuur zullen geen acetylsalicylzuur, of cyclo-oxygenase-remmers gebruiken.



2168575-f124eeaea21d7f7a8e9c5b61e40c7b3a.JPG

2168575-e9cc387bf851fa89c5679da7a13436ac.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:15 Reageer op dit bericht

Meer van toen

↑ Terug naar de berichten