Naar de inhoud

toen

akke.beakke.be

Archief

VANDAAG jaren terug 17 juli 1959 apen

17 juli 1959 Op 17 juli 1959 vindt de Britse paleontologe Mary Leakey de tot dan toe oudst bekende, menselijke schedel, de Australopithecus boisei, (+/- 1,8 miljoen jaar oud) in Tanzania. Louis en Mary Leakey werkten 28 jaar in de Olduvai-kloof, op zoek naar overblijfselen van tussenvormen tussen mens en aap. Door de jaren heen waren al op verschillende plaatsen in Zuid-Afrika resten van de Australopithecus ('zuideraap') gevonden. In de Olduvai-kloof worden resten van een mensachtige met een iets andere kaakvorm gevonden: de Australopithecus Boisei (Notenkrakermens). De schedelinhoud is rond 600 cc, wat dit type dichter bij de apen dan bij de mens plaatst, die een schedelinhoud van zo'n 1250-1500 cc heeft. Ondanks zijn kleine herseninhoud zou hij op grond van zijn kaakvorm en werktuiggebruik een voorloper van de moderne mens kunnen zijn geweest.



2163291-ad3b9cb8144fec532ecb287a47257681.JPG

2163291-299b6f9eb92d8df5dbaaea8f5ea638c2.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:51 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 16 juli 1964 indurain

16 juli 1964 Miguel Indurain Larraya (Villava, 16 juli 1964) is een voormalig Spaans wielrenner. Hij was de vierde wielrenner, na de Fransen Jacques Anquetil en Bernard Hinault en de Belg Eddy Merckx, die erin slaagde vijf maal de Ronde van Frankrijk te winnen. Hij deed dit bovendien als eerste renner zonder onderbreking. Indurain behaalde deze prestatie in de jaren 1991 tot en met 1995. Miguel Indurain begon zijn professionele wielercarrière in 1984 bij de Reynolds-ploeg. In 1985 reed hij zijn eerste Tour en was hij enkele dagen leider in de Ronde van Spanje. Hij eindigde als eerste in de Tour de l'Avenir in 1986. De daaropvolgende jaren reed hij vooral als meesterknecht van zijn ploeggenoot Pedro Delgado. In 1989 werd Indurain de eerste Spanjaard die Parijs-Nice op zijn naam schreef en won hij zijn eerste etappe in de Ronde van Frankrijk. Vanaf dat moment kwam zijn carrière in een stroomversnelling. In 1990 won hij onder andere de Clásica San Sebastián en had al de gele trui in Frankrijk kunnen pakken, ware het niet dat hij op kopman Delgado moest wachten. In 1991 won hij zijn eerste Tour de France door de gele trui na een aanval in de Pyreneeën te veroveren en ook nog twee tijdritten te winnen. Hij eindigde dat jaar ook als tweede in de Ronde van Spanje en won brons op de Wereldkampioenschappenop de weg. In 1992 schreef Indurain zowel de Giro als de Tour op zijn naam, een prestatie die hij het jaar daarna zou herhalen. Daarmee was hij de eerste renner die La Double (Giro én Tour in één seizoen) tweemaal achter elkaar wist te winnen. Verder werd hij in 1992 kampioen van Spanje op de weg en won hij zilver op het WK van 1993 na Lance Armstrong. Het werelduurrecord verbeterde Indurain in 1994, al raakte hij dat korte tijd later kwijt aan Tony Rominger. Dat jaar eindigde hij weer als eerste in de Tour, maar moest het in de Giro afleggen tegen de Rus Jevgeni Berzin. In 1995 won Indurain zijn vijfde en laatste Tour. In Duitama, Colombia werd hij wereldkampioen tijdrijden en eindigde in de wegwedstrijd tweede achter zijn landgenoot Abraham Olano. In 1996 kwam er een einde aan zijn zegereeks in de Tour de France. Tijdens een ingekorte bergetappe van deze Tour kon hij de voorste renners niet meer bijhouden. Dit kostte hem de zesde Tourzege. In het algemeen klassement zou hij als 11e eindigen. Voorts moest Indurain in de Ronde van Spanje van dat jaar voortijdig afstappen. Hij zou de Vuelta nooit winnen. Wel won hij dat jaar nog de Dauphiné Libéré en Olympisch goud op de individuele tijdrit. In 1997 stopte Miguel Indurain met professioneel wielrennen, na bijna 15 jaar in het profpeloton te hebben rondgereden. Miguel Indurain is geëerd met een eigen wielerwedstrijd, de Gran Premio Miguel Indurain. Zijn broer Prudencio Indurain heeft hem sinds 1991 in zijn profcarrière bijgestaan



2162927-e5f0f5de160159cf042e2803240b1804.JPG

2162927-d7c80d1765e5ee2e8aff8b2f0e348375.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:05 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 16 juli 1951 troonafstand

16 juli 1951 Leopold Filips Karel Albert Meinrad Hubertus Maria Miguel (Brussel, 3 november 1901 - SintLambrechts-Woluwe, 25 september 1983) regeerde als koning der Belgen van 1934, na de dood van zijn vader koning Albert I van België, tot 1951, toen hij na de koningskwestie troonsafstand deed ten gunste van de kroonprins, zijn oudste zoon Boudewijn. De Belgische verkiezingen 1950 van 4 juni leverden de CVP een absolute meerderheid, waarmee ze een homogene CVP-regering-Duvieusart I vormde. Op 20 juli 1950 stelde het parlement het einde vast van de onmogelijkheid tot regeren van Leopold III. Dit betekende het einde van het regentschap, en twee dagen later landde de koning in België, met de bedoeling zijn koninklijke functies weer op te nemen. Dit leidde bijna tot een burgeroorlog, met betogingen, stakingen en geweld.[10] Te Grâce-Berleur schoot de rijkswacht drie betogers dood en een vierde stierf nadien. De tegenstanders van Leopold kondigden een mars op Brussel aan voor 1 en 2 augustus.
Daarop besloot Leopold III, na zware politieke druk van de regering-Duvieusart I en in de onmogelijkheid om iemand te vinden die een nieuwe regering wilde vormen die hem zou ondersteunen, de macht over te dragen aan zijn oudste zoon Boudewijn en op termijn af te treden en het koningschap aan zijn zoon te laten. Met de wet van 10 augustus 1950 werd de "koninklijke prins" Boudewijn tot plaatsvervanger van zijn vader aangesteld en op 11 augustus legde hij de eed af. Tijdens deze plechtigheid werd de kreet 'Vive la république' geroepen, waarvoor algemeen de communist Julien Lahaut verantwoordelijk werd geacht. Julien Lahaut werd op 18 augustus in zijn woning te Seraing doodgeschoten door vier Leopoldisten onder leiding van François Goossens met schuilnaam "Adolphe". Een jaar later, op 16 juli 1951 tekende Leopold zijn troonsafstand en de volgende dag werd Boudewijn beëdigd als vijfde koning der Belgen. Leopold III was daarmee de eerste Belgische vorst die abdiceerde.



2162926-703131a6d9c58fa82053ce634416f153.JPG

2162926-afe18f41546c0282d1cc679791a4a47a.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:04 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 16 juli 1945 atoombom

Op 16 juli 1945 vindt bij Alamogordo in New Mexico (VS) de ontploffing van de eerste (test)atoombom plaats in het kader van het Manhattanproject. De geheime operatie waarmee de VS tijdens WO II de atoombom ontwikkelt staat onder leiding van Robert Oppenheimer. Het eerste kernwapen dat in oorlogstijd wordt ingezet is de uraniumbom Little Boy, op 6 augustus 1945 boven de Japanse stad Hiroshima. Er worden 80.000 mensen gedood. Op 9 augustus 1945 wordt Nagasaki aangevallen met een plutoniumbom: Fat Man. Er vallen daar 40.000 doden. Na de vernietiging van de Japanse steden verafschuwt Oppenheimer de dodelijke kracht van atoomwapens. Een kernwapen (ook wel kernbom, atoombom of atoomwapen) is een type wapen dat gebruikmaakt van de energie die is opgeslagen in atoomkernen om een ontploffing te veroorzaken, in tegenstelling tot conventionele explosieven, die ontploffen door chemische reacties, waarbij de atoomkernen onveranderd blijven. Een kernkop is het eigenlijke kernwapen in een kernraket. De term kernbom wordt soms gereserveerd voor overige kernwapens, zoals die welke bedoeld zijn om door een bommenwerper (waaronder een daartoe uitgerust jachtvliegtuig) te worden afgeworpen, en voor kernexplosieven die als proef worden gedetoneerd, maar niet direct geschikt zijn als wapen. De termen met "atoom" gelden als minder toepasselijk en min of meer verouderd, en worden daarom vaak alleen in een historische context gebruikt, en/of, daarmee samenhangend, alleen voor pure kernsplijtwapens. Hoewel alle kernwapens gebaseerd zijn op het in korte tijd ontketenen van kernreacties, is er een aantal soorten te onderscheiden. Er wordt een onderscheid gemaakt naar werkingsmechanisme tussen kernwapens die uitsluitend gebruikmaken van kernsplijting in een nucleaire kettingreactie (met uranium of plutonium, ook wel Abom genoemd) en kernwapens die ook gebruikmaken van kernfusie(waterstofbom, Hbom of thermonucleair wapen genoemd). Naar soort van voorziene inzet kan men onderscheid maken tussen een strategisch kernwapen en een tactisch kernwapen. Strategische kernwapens zijn ontworpen voor inzet op verafgelegen strategische doelen. Zij worden bij het doel gebracht met een intercontinentale raket (vanuit een strategische raket-onderzeeboot, uit een raketsilo of een mobiele installatie op het land) of een bommenwerper. Tactische kernwapens zijn bedoeld voor gebruik op het slagveld, en kunnen gebruikt worden in bijvoorbeeld een dieptebom, raket (waaronder kruisraket), artillerie, landmijn, of torpedo. In januari 2009 bezaten acht landen in totaal ruim 23.300 kernwapens. Bij een kernsplijtwapen is de gebruikte splijtstof verrijkt uranium of plutonium. Deze bevat een subkritische configuratie van splijtstof die bij detonatie "geassembleerd" wordt tot een superkritische, zodat deze explodeert. Deze "assemblage" bestaat uit het bij elkaar brengen van gedeelten (kanonmethode) of de verhoging van de dichtheid door samenpersing (implosiemethode). Naargelang de splijtstof en de wijze van het superkritisch maken daarvan zijn er drie typen kernsplijtwapen: uraniumbom met kanonmethode uraniumbom met implosiemethode plutoniumbom (met altijd de implosiemethode In een uraniumbom is de werkzame splijtstof uranium-235. Na reactie van een atoomkern van deze isotoop met een vrij neutron ontstaat 236U, dat direct uiteenvalt, waarbij, naast een grote hoeveelheid energie, ook enige neutronen vrijkomen, die weer kunnen reageren met andere 235Ukernen. Benodigd is hoogverrijkt uranium, dat wil zeggen, uranium waarin de isotoop U-235 in veel grotere hoeveelheden voorkomt dan in natuurlijk uranium. In een plutoniumbom gebruikt men sommige isotopen van het element plutonium, dat verkregen wordt door in een kernreactor een andere natuurlijke uraniumisotoop 238U aan neutronen bloot te stellen. Het superkritisch maken van de splijtstof kan op twee manieren. De ene manier is de kanonmethode: het inschieten van een subkritische hoeveelheid splijtstof in een andere subkritische hoeveelheid. Deze methode is alleen mogelijk met uranium. Bij plutonium zou de kettingreactie namelijk te vroeg op gang komen en daardoor uiteindelijk veel minder krachtig zijn (predetonatie, fizzle), namelijk zodra het
afgeschoten gedeelte voldoende dicht bij het doel is om samen een kritische massa te vormen. Dit komt doordat in plutonium meer spontane kernsplijtingen voorkomen, die het proces starten. De andere methode is de implosie: een subkritische massa wordt door een conventionele explosie van explosief materiaal dat om die massa heen is geplaatst sterk samengedrukt waardoor het neutronenrendement toeneemt en de massa superkritisch wordt. Door het aanbrengen van een neutronenreflector om de bom heen (eventueel ook dienend om de bom langer bij elkaar te houden) wordt de kritische massa extra verlaagd zodat minder splijtstof nodig is, of de bom krachtiger wordt. De efficiëntie en het succes van de reactie hangen in dit type bom in hoge mate af van de gelijkmatigheid waarmee de conventionele comprimerende ontploffing plaatsvindt. Hiervoor is een groot aantal zeer nauwkeurige elektrische ontstekers (detonators) met exact gelijke en bekende vertragingstijden nodig en springstoffen van nauwkeurig bepaalde vorm en explosieve eigenschappen. Zie ook de beschrijving bij Fat Man. Als eerste trap van een meertrapswapen (zie onder) is en wordt alleen de implosiemethode toegepast. Technologisch geavanceerde staten gebruiken ook als ze eventueel (nog) pure kernsplijtwapens hebben, voor zover bekend alleen (nog) de implosiemethode.
De snelheid van de vrijgekomen neutronen is in de orde van grootte van 10.000 km/s, en de af te leggen afstand tot een nieuwe kernreactie wordt veroorzaakt in de orde van grootte van 10 cm. Een "generatie" duurt dus ongeveer 10 ns (10 nanoseconde, ook een shake genoemd), en binnen 1 μs (1 microseconde, 100 shakes) stopt de kettingreactie. Het aantal kernreacties stijgt in het begin van deze microseconde exponentieel, maar de configuratie van de splijtstof verandert door de vrijgekomen energie zeer snel door smelten en verdampen van de splijtstof en zijn omhulling, waardoor de reactie stopt. De efficiëntie van het kernwapen kan worden uitgedrukt als percentage van de aanwezige splijtbare kernen dat ook daadwerkelijk splijt. Bij een extreem efficiënt kernwapen zouden de kernreacties pas wezenlijk afgeremd worden door het opraken van de splijtstof. Bij een fizzle (mislukte kernexplosie) stoppen de kernreacties al als maar een zeer klein deel van de splijtstof gespleten is. Bij een realistisch kernsplijtwapen is de efficiëntie maximaal 20 tot 40%. Het zo hoog mogelijk maken van de efficiëntie en daarmee gerelateerd het zo lang mogelijk bij elkaar houden van de splijtstof in superkritische toestand is een van de belangrijkste technische problemen bij het ontwerp van een kernsplijtwapen. De eerste kernsplijtwapens hadden een rendement van slechts 2%. Door inzet van beryllium als neutronenreflector en door het inspuiten van een paar gram deuterium of tritium in het te splijten materiaal (bij de zo geïnduceerde kernfusie komen ook geschikte neutronenvrij) wordt in modernere kernsplijtwapens (meestal als eerste trap van een meertrapswapen, zie hieronder) een veel hoger rendement (in de orde van 20%) gehaald, wat bij een meertrapswapen niet zozeer nuttig is voor het in absolute zin vergroten van de explosieve kracht (want daarvoor is er de tweede trap), maar meer omdat er dan minder splijtstof nodig is voor het in werking stellen van de tweede trap. Een boosted kernsplijtwapen (boosted fission weapon) is een tussenvorm tussen een kernsplijtwapen en een kernfusiewapen. Er vindt wel kernfusie plaats, met behulp van deuterium en tritium, maar niet in een kettingreactie. De kernfusie levert (naast een relatief zeer beperkte hoeveelheid extra energie uit de kernfusie zelf) wel extra neutronen die ervoor zorgen dat een groter deel van het kernsplijtingsmateriaal daadwerkelijk splijt. Ook de eerste trap van een meertrapswapen is vaak boosted. De details van het ontwerp van kernfusiewapens zijn militair geheim, maar de grote lijn is voor zover bekend als volgt. In een thermonucleair wapen (waterstofbom) zijn er dicht bij elkaar in een gemeenschappelijke omhulling een eerste trap en een aparte capsule met de tweede trap. De eerste trap is een (vaak boosted) kernsplijtbom. De gemeenschappelijke omhulling en de buitenkant van de tweede trap,
beide van een element met een hoog atoomnummer, laten geen röntgenstraling door. De ruimte tussen de gemeenschappelijke omhulling en de eerste en tweede trap is gevuld met een speciaal, mysterieus licht materiaal dat in ieder geval röntgenstraling goed doorlaat. Dit tussentrapsmateriaal wordt wel aangeduid met de codenaam Fogbank.[2] Door de zeer hoge temperatuur produceert de eerste trap bij detonatie als warmtestraling intense röntgenstraling. De gemeenschappelijke omhulling zorgt voor een soort reflectie van de röntgenstraling, in die zin dat deze zeer heet wordt en zelf inwaarts röntgenstraling als warmtestraling gaat uitzenden. Alle röntgenstraling zorgt voor intense verhitting vanaf de buitenkant van de tweede trap, die zorgt voor implosie daarvan. Dit wordt stralingsimplosie genoemd, maar de grootste kracht is niet direct de kracht van de straling, maar de kracht van het uiteenvallen van de omhulling van de tweede trap, een soort explosie van die omhulling, met als inwaartse kracht mede de reactiekracht van de uitwaartse kracht. In de tweede trap vindt kernfusie plaats, van waterstofisotopen zoals deuterium (2H) en tritium (3H) tot zwaardere elementen, maar is ook nog een spark plug van splijtstof. Onderscheiden worden een splijting-fusiewapen en een splijting-fusie-splijtingwapen. In het laatste geval veroorzaakt de kernfusie op zijn beurt ook weer veel kernsplijting, van aan de bom toegevoegd natuurlijk of verarmd uranium; dit geeft veel extra radioactiviteit. Nog een variant is een splijting-fusiefusiewapen, met drie aparte trappen (theoretisch kunnen er ook nog meer zijn). De kernfusie in een waterstofbom is niet hetzelfde proces dat de zon doet stralen: daar wordt het gewone protium (1H) gefuseerd in de proton-protoncyclus. Dat proces is te traag voor een bom. De exacte configuratie van een waterstofbom is nog steeds geheim, hoewel op grond van in de loop der decennia uitgelekte gegevens inmiddels tamelijk goed bekend is hoe een dergelijke bom in elkaar zit (het Teller-Ulam-ontwerp). Een neutronenbom is een splijting-fusiewapen dat vooral veel neutronenstraling genereert, en relatief weinig explosieve kracht heeft Bij moderne thermonucleaire wapens kan de explosieve kracht vaak kort voor gebruik tussen een minimum en een maximum ingesteld worden. Een van de mogelijkheden om de explosieve kracht te beperken kan daarbij zijn het buiten werking stellen van het fusiestadium, waardoor het effectief een kernsplijtwapen wordt. De explosieve kracht daarvan kan ook beperkt worden, onder meer door het bovengenoemde boosten buiten werking te stellen.
Een salted kernwapen, waaronder een kobaltbom, is een hypothetisch een- of meertraps kernwapen dat ontworpen is om jarenlang veel radioactiviteit te veroorzaken in het getroffen gebied of zelfs wereldwijd. Een kobaltbom zou bijvoorbeeld een omhulling van Kobalt-59 hebben dat door de neutronen wordt omgezet in Kobalt-60 met een halfwaardetijd van ruim 5 jaar (lang genoeg voor jarenlange radioactiviteit, en kort genoeg voor een hoge intensiteit). De explosie van een kernwapen heeft onmiddellijke gevolgen: de hittestraling (ongeveer 4000 °C) die gebouwen in brand zet, en bij mensen brandwonden veroorzaakt of hen soms zelfs volledig laat verdampen in enkele seconden; het ontstaan van een luchtdrukgolf, krachtiger en langduriger dan van een gewone bom; en de neutronen- en gammastraling, die op organismen, waaronder de mens, een dodelijk effect kunnen hebben, afhankelijk van de opgelopen dosis na een termijn van minuten tot weken. Een kernexplosie veroorzaakt een elektromagnetische puls, die op het menselijk lichaam geen uitwerking heeft, maar tot op grote afstand van de ontploffing alle elektrische apparatuur doet uitvallen. Op wat langere termijn (uren tot dagen) veroorzaakt een bovengrondse kernexplosie ook een fallout die tot op grote afstand van de explosie de omgeving radioactief maakt. De straling (zowel direct als indirect) zorgt ook als de ontvangen dosis niet dodelijk was in de loop van jaren en tientallen jaren na de blootstelling voor een verhoogde kans op kanker of afwijkingen in het nageslacht.
De radioactiviteit op de plaats van de ontploffing neemt zeer snel af. Wanneer een kernwapen in de lucht is ontploft zal de omgeving al snel weer "schoon" zijn. Het kostte de Amerikanen enige dagen na de ontploffingen in Hiroshima moeite om nog verhoogde radioactiviteit op de grond te meten. De gevolgen van de fall-out, in het ernstigste geval binden radioactieve deeltjes van de bom zich aan stof uit de grond, zijn bijzonder gevaarlijk maar ook deze effecten nemen snel af.[3] De schade veroorzaakt door een kernexplosie hangt in grote mate af van de sterkte van het wapen en de hoogte waarop het wapen ontploft. Een kernwapen wordt vaak aan een parachute afgeworpen om te garanderen dat de bom op de juiste hoogte ontploft. Ook reflectie van de schokgolf door heuvels heeft een groot effect op de schade aan bebouwing. De "kracht" van een kernbom (natuurkundig geen kracht maar de energie-opbrengst; in het Engels yield) wordt uitgedrukt in TNT-equivalent (ongeveer de massa van de springstof TNT die nodig zou zijn om een even grote energie te laten vrijkomen). De bom die boven Hiroshima werd afgeworpen had een energie-opbrengst van 15 kilotonTNT-equivalent. Later werden kernwapens met een veel grotere energie-opbrengst ontwikkeld. Hiervoor wordt de megaton gebruikt om deze aan te duiden. De zwaarste bom die ooit werd getest, de Tsar Bomba, had een energie-opbrengst van 50 megaton, dus 50 000 000 ton TNT (dus 50 000 000 000 kilo), door een loden schil, in plaats van de originele Uranium schil, die de explosieve kracht dempte (en de fallout verminderde). De geschatte potentiële energie-opbrengst van de Tsar Bomba bedroeg 100 megaton. Bij een kernsplijtwapen komt ruim 80% van de energie vrij in de vorm van kinetische energie van de splijtingsproducten, een kleine 15% in de vorm neutronen, bètastraling(door radioactief verval van splijtingsproducten in de loop van de tijd) en gammastraling (direct, en door radioactief verval van splijtingsproducten in de loop van de tijd), en 5% in de vorm van neutrino's (die nauwelijks interactie hebben met andere materie, hun effect is vooral dat de overige percentages samen minder dan 100% zijn). De explosieve kracht in de zin van de intensiteit van de drukgolf is niet zonder meer evenredig met deze energie, en is bijvoorbeeld bij een neutronenbom kleiner De eerste kernsplijtingsbommen werden gemaakt in de Verenigde Staten, waar in 1939 een project (het Manhattanproject) was gestart om een atoombom te ontwikkelen en om voldoende splijtbaar materiaal te produceren voor een bom. Het Los Alamos-laboratorium, of Project Y, werd begin 1943 voor slechts één doel opgezet: een atoombom ontwerpen en bouwen. Amerikaanse wetenschappers haastten zich om de kracht van het atoom te ontsluiten. Er werd gevreesd dat ook nazi-Duitsland aan een kernbom werkte. Dit was inderdaad zo, maar hun project is, hoewel er aanzetten toe waren gedaan, nooit goed van de grond gekomen. De eerste testontploffing (met de Trinity, een plutoniumbom) vond op 16 juli 1945 om 5:29:45 plaats in de woestijn van New Mexico. De explosieve kracht bedroeg 20 tot 22 kiloton. In het team dat de bom ontwierp werkten de allerbeste wetenschappers, onder wie veel die ook bij een groter publiek bekend raakten, zoals Robert Oppenheimer, Richard Feynman, John von Neumann, Murray GellMann en Edward Teller. Behalve deze kern van geniale wis- en natuurkundigen was het Manhattanproject ook een enorme industriële onderneming; de benodigde opwerkingsfabrieken en de investeringen daarvoor waren kolossaal. In het Verenigd Koninkrijk, Nazi-Duitsland, Rusland, Frankrijk en Japan werd na 1938 onderzoek gedaan naar kernenergie en kernwapens. Geen van deze landen heeft het onderzoek van de Verenigde Staten kunnen bijbenen. Nederland verzamelde al voor de oorlog uranium voor onderzoek, voornamelijk omdat alle landen uranium tot "strategisch materiaal" verklaarden en de in- en uitvoer streng gingen controleren. De Nederlandse uraniumvoorraad werd tijdens de oorlog voor de bezetter verborgen gehouden.
Er is twee keer een kernwapen daadwerkelijk in een oorlog gebruikt, beide tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1945, door de Verenigde Staten tegen Japan. Gezien de toenmalige stand van de techniek waren het beide pure kernsplijtwapens en werden ze beide afgeworpen met een bommenwerper. Wel werd toen al in beide een verschillende splijtstof gebruikt en een verschillende methode van superkritisch maken daarvan. Het eerste, Little Boy, was een uraniumbom met kanonmethode; deze methode was wegens gebrek aan uranium, en wegens het vertrouwen dat de bom zou werken, nooit getest. De bom werd door de Verenigde Staten op 6 augustus 1945 boven de Japanse stad Hiroshima tot ontploffing gebracht. Het vliegtuig waarmee de bom naar Hiroshima werd gevlogen heette Enola Gay. De bom had een explosieve kracht die equivalent was aan ongeveer 15 kiloton TNT en maakte 78.000 directe slachtoffers. Door de naeffecten als gevolg van de ioniserende straling liep het dodental uiteindelijk op tot ongeveer 140.000 eind 1945. Op 9 augustus 1945 werd Nagasaki aangevallen met een plutoniumbom: Fat Man. De explosieve kracht van deze tweede bom was groter (21 kiloton). Er vielen 27.000 directe doden. Dat waren er minder dan bij de eerste bom, doordat de bom wegens te veel bewolking niet boven het oorspronkelijk geplande punt was afgeworpen. Het dodental in deze stad liep uiteindelijk op tot zeker 70.000 eind 1945. Bij beide explosies kwam ook een grote hoeveelheid radioactiviteit vrij, die nog tot lang na de Tweede Wereldoorlog stralingsziekten veroorzaakte, waardoor vele doden zijn gevallen. Volgens opgave van de Japanse autoriteiten, die ook de slachtoffers registreerden die jaren later vielen door bijvoorbeeld kanker als gevolg van straling, kostten de bommen aan totaal ruim 240.000 mensen het leven.
In de jaren 50, 60 en 70 zijn er plannen geweest kernexplosies te gebruiken voor niet-militaire doeleinden, zoals het graven van kanalen, het opblazen van rotsen enz. Vanwege de grote hoeveelheid ioniserende straling die bij een kernexplosie vrijkomt wordt dit tegenwoordig niet meer waarschijnlijk geacht.
Er zijn, vooral in de jaren 60 en 70, nog ruim 2000 kernproeven gedaan. In 1951 was de Greenhouse Item de eerste boosted kernsplijtbom. De energie-opbrengst van 45 kT was het dubbele van wat deze naar schatting zonder boosting zou zijn geweest. De waterstofbom heeft een nog veel grotere vernietigende kracht. Bovendien komt bij de ontploffing van een kernwapen veel radioactiviteit vrij in de vorm van directe ioniserende straling, maar ook in de vorm van langlevende isotopen die zeer schadelijk voor de gezondheid zijn. Dit zijn de redenen dat de beide supermogendheden, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, bij de wapenwedloop tijdens de Koude Oorlog wel veel kernwapens produceerden, maar afzagen van het voeren van een directe oorlog. Dit noemt men de afschrikkende werking van kernwapens (in het Engels: mutually assured destruction). Volgens voorstanders van kernwapens is door deze dreiging het gevaar van een grote oorlog sterk verminderd. Anderen vrezen echter dat er ooit een kernoorlog uitbreekt, met de vernietiging van de mensheid tot gevolg. Een vuile bom (Engels: dirty bomb) is een wapen dat voor zijn explosie niet van kernsplitsing of -fusie gebruikmaakt, maar met behulp van een conventioneel explosief een hoeveelheid radioactief materiaal verspreidt; strikt genomen wordt hier dan niet over een kernwapen gesproken maar over een radiologisch wapen. Omdat een vuile bom veel eenvoudiger te construeren is dan een echt kernwapen wordt vooral van dit wapen gevreesd dat het door terroristen gebruikt zou kunnen worden



2162925-acd99c7fd0c22071b26bf8aef62e38b4.JPG

2162925-0039d225fd8e55970749d397dd4c7eb1.JPG

2162925-2cd6fa55f4e21806fa13993df5d7949c.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:02 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 15 juli 1997 versace

15 juli 1997 Gianni Versace (Reggio Calabria, 2 december 1946 – Miami, 15 juli 1997) was een Italiaans modeontwerper. Gianni Versace groeide samen met zijn oudere broer Santo en jongere zus Donatella op bij zijn vader en moeder Francesca, die kleermaakster was. Een oudere zus, Tina, overleed op haar twaalfde aan een tetanusbesmetting.[ Als kind hielp Gianni zijn moeder bij het uitzoeken van edelstenen en goud vlechtwerk voor borduursels en op een gegeven moment verkocht zijn moeder in haar couturehuis ook Gianni's ontwerpen. In 1972 kreeg Versace bij Fiori Fiorentini in Lucca de kans een breiwerkcollectie te ontwerpen en hij trok hiermee de aandacht van Donatella Girombelli die besloot hem aan te nemen als huisontwerper van modehuis Genny and Callaghan. Als freelancer werkte Gianni vervolgens voor verschillende labels: De Parisi, Genny, Callaghan, Alma en Complice waar hij in 1974 leer- en suèdecollecties verzorgde. In 1978 tekende Versace een eerste eigen collectie en opende met zijn oudere broer Santo een boetiek aan de Via della Spiga te Milaan, waar ook andere modelabels werden verkocht. Hiermee was de oprichting van het modehuis Versace een feit. In 1979 trok zijn eerste losse maar elegante mannenmodelijn enkele bekende klanten, zoals Woody Allen, Bruce Springsteen en Andy Warhol, maar ook zijn vrouwenlijn met jungleprints kreeg datzelfde jaar al grote belangstelling. Opmerkelijke collecties in deze jaren waren de lederen en rijbroeken, een combinatie van leer en zijde in 1982 en gebreid metaal, achthoekige stalen ringetjes verwerkt tot zeemeerminnenjurken in 1984. Vanaf 1982 tekende Versace naast de reguliere collecties ook voor ballet, toneel en ander voorstellingen. Na een geroemde kostumering van het ballet "Josephlegende" van Richard Strauss voor de Scala van Milaan, ontwierp hij onder andere voor Maurice Béjart, William Forsythe, Elton John, de Mailänder Scala, het New York City Ballet en de San Francisco Opera. In 1985 nam Versace Instante over, met als doel ook een jonger en minder gefortuneerd publiek aan te spreken. Een jaar later, in 1986 werd hij onderscheiden als Commendatore Ordine al Merito della Repubblica Italiana door de Italiaanse president Francesco Cossiga. Hij ontving de Grande Médaille de Vermeil de la ville de Paris uit handen van burgemeester van Parijs Jacques Chirac. Gianni lanceerde in 1989 de nevenlijn Versus die door zijn jongere zus Donatella Versace was geproduceerd. In 1994 had de groep wereldwijd een veertigtal winkels, maar de verovering van Noord-Amerika via Versus zou pas bereikt worden nadat het label zich op verschillende New Yorkse designershows ging profileren en de groep 8% van de direct sales besteedde aan promotie. Dit aandeel zou overigens vanaf 1997 weer drastisch worden verlaagd Op 15 juli 1997 werd Gianni Versace vermoord voor zijn huis in Florida door de seriemoordenaar Andrew Cunanan. Gianni was het vijfde dodelijke slachtoffer van de seriemoordenaar. Gianni Versace liet zijn partner Antonio D'Amico achter, met wie hij sinds 1982 een relatie had. Op de begrafenis verschenen vele bekende personen en popsterren, onder wie prinses Diana en Elton John, die zijn album The Big Picture (1997) aan de vermoorde couturier opdroeg. Gianni Versace is begraven op zijn landgoed aan het Comomeer. Gianni Versace stond bekend om zijn absurde uitgaven. Toen hij een show organiseerde in Miami wilde hij niet dat zijn modellen zich zouden storten in het nachtleven van Miami, en bouwde daarom zijn huis om tot bar/discotheek/hotel. Hij nodigde al zijn modellen uit en deze verbleven in zijn woning gedurende de fashion week. Tijdens deze week deed hij meer extreme uitgaven. Hij liet het strand voor zijn huis bekleden met hoogpolig Versace tapijt zodat zijn modellen niet met hun voeten in het zand hoefden te
lopen en trok dit tapijt door tot 10m de zee in. Ook het stadscentrum van Miami werd met honderden vierkante kilometers [bron?] (naadloos) tapijt bekleed gedurende zijn



2162728-2b3d56178db1c7cec3778c28a9c4c1ba.JPG

2162728-9f750a79a3f9676b3852846dac8e9e2f.JPG

2162728-9ef02bed8b9df907d67486d642d5d25c.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:54 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 15 juli 1909 video/cd

15 juli 1909 Hendrik Casimir Nederlands natuurkundige. Oud-directeur van het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven (Ontwikkeling videorecorder en de CD.) Hendrik Brugt Gerhard (Henk) Casimir (Den Haag, 15 juli 1909 – Heeze, 4 mei 2000) was een Nederlandse theoretisch natuurkundige. Hij is bekend vanwege zijn twee-fluïdamodel voor supergeleiding (met Cor Gorter), het Casimir-effect (met Dirk Polder, 1948) en de Casimiroperator in de kwantummechanica. Hij was een invloedrijk bestuurder van Philips. Casimir was de zoon van de opvoedkundige en wijsgeer Rommert Casimir [1] (1877-1957) en de onderwijzeres Teunezien Dina Borgman (1882-1962). Samen met twee zussen groeide Hendrik op in Den Haag. Hij doorliep het Nederlandsch Lyceum, waar zijn vader rector was. Op zestienjarige leeftijd slaagde hij voor het eindexamen hbs-b en behaalde het jaar daarop het diploma gymnasium-alfa. Hij studeerde theoretische natuurkunde bij Paul Ehrenfest aan de Rijksuniversiteit Leiden (1926-1929) en bij Niels Bohr aan de Universiteit van Kopenhagen (1929-1930). In 1930 deed hij doctoraalexamen en in 1931 – hij was toen 21 jaar – promoveerde hij bij Ehrenfest op het proefschrift Rotation of a Rigid Body in Quantum Mechanics over de kwantummechanicavan een draaiend lichaam en de rotaties van moleculen. Hierbij introduceerde hij een nieuwe wiskundige grootheid in de groepentheorie, de Casimiroperator.
Na zijn promotie werd hij in september 1932, als opvolger van Rudolf Peierls, de assistent van Wolfgang Pauli aan de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) in Zürich. Peierls had de positie drie jaar vervuld en de bedoeling was dat Casimir even lang zou aanblijven. Echter, op dringend verzoek van Ehrenfest keerde hij in 1933 terug naar Leiden. De reden werd al snel duidelijk - kort na Casimirs terugkomst benam Ehrenfest zichzelf en zijn geestelijk gehandicapte zoon van het leven, iets waar hij al geruime tijd mee liep. Tot de komst van Hendrik Kramers als diens opvolger werd Casimir belast met de leiding van de afdeling theoretische natuurkunde. Van 1932 tot 1942 werkte Casimir als medewerker aan de Rijksuniversiteit Leiden. Kort voor de Duitse bezetting, in april 1939, werd hij wegens het Leids Universiteits Fonds benoemd tot bijzonder hoogleraar. Hij hield zich vooral bezig met elektromagnetische straling. Na de sluiting van de universiteit door de bezetter in 1942 trad hij in dienst bij het Philips Natuurkundig Laboratorium (NatLab) in Eindhoven. Nadat in de herfst van 1944 het zuiden van Nederland was bevrijd werd na overleg met het militaire gezag en met instemming van de Nederlandse regering in ballingschap in Eindhoven de Tijdelijke Academie opgericht. Casimir die hierbij betrokken was werd benoemd tot rector magnificus.[2] Direct na de oorlog, in 1946, werd hij benoemd tot een van de drie directeuren die de leiding van Gilles Holst overnamen. Desondanks kon hij zich nog bezighouden met fundamenteel onderzoek en ontdekte onder andere het naar hem vernoemde Casimir-effect. Van 1956 tot 1972 had hij als lid van de raad van bestuur de leiding over alle researchactiviteiten van Philips. Op 11 oktober 1933 trad Casimir in het huwelijk met Josina Maria Jonker (1911-2011), een natuurkundige die werkzaam was op het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Uit dit huwelijk werden een zoon en vier dochters geboren. Samen met Cor Gorter ontwikkelde Casimir begin jaren 1930 het zogeheten twee-vloeistoffenmodel (twee-fluïdamodel), een fenomenologische theorie waarmee ze trachtten het verschijnsel supergeleiding – het weerstandloos geleiden van een elektrische stroom bij zeer lage temperaturen – te verklaren.[ Op basis van de thermodynamica en de wetten van Maxwell werden elektronen in een supergeleider beschouwd als een mengsel van twee vloeistoffen. De eerste was 'normaal' en verantwoordelijk voor de weerstand en entropie; de tweede was 'supergeleidend' en had geen weerstand en geen entropie. Hoewel het model niets zei over de aard van supergeleiding, kon Casimir er verschillende thermodynamische resultaten uit afleiden. Later gebruikte Casimir de cryofaciliteiten van het Kamerlingh Onnes Laboratorium in Leiden om de effecten van onder meer paramagnetisme te bestuderen bij temperaturen nabij het absolute nulpunt.
In 1948 voorspelde Casimir met Dirk Polder op theoretische gronden het Casimir-effect. Hij voorspelde dat twee ongeladen parallelle metalen platen, die in een vacuüm zeer dicht bij elkaar worden geplaatst, elkaar aantrekken.[ ] De platen gedragen zich als spiegels voor elektromagnetische golven. In 1958 werd zijn vermoeden door Hans Sparnaay experimenteel getest. De gevonden resultaten waren niet in strijd met de theorie, maar kampten met grote meetfouten. In 1997 werd een nauwkeurigere meting uitgevoerd en werd zijn effect experimenteel bevestigd. Het Casimir-effect is van grote invloed op de mechanische eigenschappen van microstructuren, zoals MEMS (micro-electromechanical systems) en NEMS (nano-electromechanical systems). Latere experimenten met twee nauwkeurig naar elkaar toe bewegende metalen platen, waarvan één metalen plaat op kamertemperatuur is en de andere een hogere temperatuur heeft, hebben aangetoond dat naargelang de afstand kleiner wordt gemaakt een steeds betere warmteoverdracht ontstaat. Wanneer de afstand kleiner wordt dan de golflengte van de infraroodstraling, neemt de warmteoverdracht weer af. Indien er daarna fysiek contact tussen de platen plaatsvindt, neemt de warmteoverdracht weer toe. Prof. H.B.G.Casimir bleef tot op hoge leeftijd actief: in 1999 publiceerde hij zijn laatste artikel.
Hij was president van de Vereniging van Europese Natuurkundigen, lid en eerste president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, buitenland lid van de US National Academy of Engineering (NAE), de Britse Royal Society en andere toonaangevende natuurkundige organisaties. Na zijn pensionering werd hij president van de European Physical Society (EPS). Hij kreeg een tiental eredoctoraten en erelidmaatschappen en verscheidene Nederlandse en buitenlandse onderscheidingen. In 1985 ontving hij de Matteucci Medal De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Nordrhein-Westfälische Akademie der Wissenschaften und der Künste stelden in 1997 het Hendrik Casimir-Karl Ziegler Onderzoekstipendium in met als doel de bevordering van de samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse wetenschapsbeoefening door het uitwisselen van jonge veelbelovende onderzoekers.



2162726-04f743e50bceb124ea1f7202bbb32a1c.JPG

2162726-aeb73e68733ac5b7221e6360360d2222.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:49 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 15 juli 1862 vet

15 juli 1869 Op 15 juli 1869 verkrijgt de Franse voedselchemicus Hippolyte Mège-Mouriés patent op de productie van margarine. Napoleon III gaf opdracht een 'vervangmiddel voor boter' te zoeken. Margarine blijkt van grote waarde omdat het, in tegenstelling tot boter, een lang houdbare bron van vetten is. In de loop van de jaren wordt er veel gesleuteld aan het product. In 1902 kijgt Wilhelm Normann patent op zijn methode om vloeibare oliën om te zetten in vaste vetten (harden). Het dierlijk vet kan daarmee vervangen worden door plantaardige oliën. Recent zijn door Unilever plantensterolen aan margarine toegevoegd (in Becel Pro activ), waardoor de opname van cholesterol in het bloed verminderd wordt. Margarine is de benaming die in zwang kwam voor een vervangingsproduct voor boter. Deze kunstboter is in 1869 uitgevonden door de Franse scheikundige Hippolyte Mège-Mouriès. Deze onderzocht hoe de melkproductie in de koe tot stand komt. Daarbij kwam hij tot de conclusie dat de koe haar eigen lichaamsvet afgeeft in de melk. De oorspronkelijke margarine werd dan ook uit rundvet, afgeroomde melk, en gesnipperde koeienuiers vervaardigd. De al langer bestaande benaming margarine voor een glanzende vetachtige substantie ging op dit samengesteld product over. Napoleon III had opdracht gegeven een broodsmeersel te ontwikkelen dat zijn soldaten op een veldtocht in hun ransel konden meenemen zonder dat het, zoals boter, snel bedierf. In 1869 was er een bruikbaar resultaat. Maar doordat een jaar later de Frans-Duitse Oorlog uitbrak, was men niet in staat om margarine op een fabrieksmatige schaal te produceren. Het was de Nederlander Antoon Jurgens die in 1871 in Oss de eerste margarinefabriek ter wereld opzette. Hij werd nagevolgd door Simon van den Bergh, die in 1872 een soortgelijke fabriek opende, eveneens te Oss. Beide concurrenten stonden aan de basis van wat later het concern Unilever zou worden. In Noord-Brabant kwamen de eerste tien jaar diverse concurrenten en collegabedrijven van Jurgens. De firma Johan Jurgens & Zn te Oss (1871), J.M. Verschure & Zonen te Oosterhout (1875) en Prinzen & Van Glabbeek te Helmond (1876) waren door familiebanden met Antoon Jurgens verbonden en deelden in de kennis en grondstoffenstroom. Daarnaast kwamen diverse 'outsider'bedrijven als de firma A. Bluijssen in Asten die in 1879 met een margarinefabriek begon. Deze firma maakte een onstuimige ontwikkeling door en telde uiteindelijk 144 eigen winkels waarin zij naast boter, textiel en koloniale waren ook margarine aan de consument aanboden in Nederland, België en Groot-Brittannië. Het bedrijf ging failliet in 1907.
Margarine bleek van onschatbare waarde doordat het, in tegenstelling tot boter, niet na verloop van tijd ging schiften en dus een lang houdbare bron van vetten was. De goede houdbaarheid was onder meer van belang bij gebruik door het leger, doordat het product makkelijk meegenomen kon worden op veldtocht. Over de bereidingswijze, de octrooien van Mège Mouriès en de basisingrediënten ontstond een hele octrooistrijd die vooral op de belangrijkste markt, Groot-Brittannië werd uitgevochten. De Nederlandse producenten, Jurgens voorop, gebruikten hun eigen procedés die nogal afweken van de basisreceptuur van Mège Mouriès. Zo werd geen gebruik gemaakt van koeienuiers en was zogeheten oleomargarine het belangrijkste ingrediënt naast een bescheiden deel natuurboter. Om de witte substantie te kleuren, werd door fabrikanten aangeklopt bij Lodewijk van der Grinten, die enige jaren daarvoor het boterkleursel had uitgevonden.
Door de jaren heen werd steeds meer bekend over gezonde voeding. In 1902 kreeg Wilhelm Normann patent op zijn methode om vloeibare oliën om te zetten in vaste vetten (harden). Het dierlijk vet kon daarmee vervangen worden door plantaardige oliën. Door meer kennis werd het mogelijk om de van nature in plantaardige oliën voorkomende goede onverzadigde vetten te verwerken en het aandeel verzadigd vet te verlagen. Hierdoor werd margarine zachter en smeerbaarder. In de reclame voor margarine wordt smeerbaar vet steeds aangeduid als gezond vet. In wetenschappelijke zin is dat nooit bewezen.
In de eenentwintigste eeuw worden alle margarines gemaakt van plantaardige oliën. Deze oliën worden gewonnen uit onder andere zonnebloemen, maïs, koolzaad en palmvruchten. Een verhardingsproces maakt het mogelijk om onverzadigde vetten om te zetten tot verzadigde vetten. Wanneer dit proces partieel, onvolledig, wordt uitgevoerd veranderen onverzadigde vetten van de zogenaamde cis-vorm in de trans-variant. In 1956 verscheen in het medische tijdschrift The Lancet een artikel van H.M. Sinclair waarin werd gesteld dat de transvetten die bij het harden van margarine ontstaan, schadelijk zouden zijn voor de bloedsomloop.[1] Die transvetten werden door Unilever al in 1962 uit de dieetmargarine Becel verwijderd. Het duurde echter nog tot 1990 voor de voedingsindustrie na onderzoek van Mensink en Katan de gezondheidheidsnadelen van transvetten erkende en actie ondernam.] In een uitgave van de Erasmus Universiteit uit 2011 wordt het aantal doden dat in het verleden in Nederland viel door het gebruik van transvetten in alleen al margarine op 1000-2000 per jaar becijferd. De naam is afgeleid van het Griekse woord margarites, dat parel betekent. Dit vanwege de parelachtige glans die het smeersel in het begin had. In de Nederlandstalige gebieden werd het product aanvankelijk kunstboter genoemd. Margarine is zo gewoon geworden als vervanger voor boter, dat men vaak boter zegt als margarine wordt bedoeld. Soms spreekt men zelfs van roomboter of echte boter om uitdrukkelijk aan te geven dat men boter bedoelt en geen margarine.



2162725-33a3a6bf21eb4b53545228747fe15bbd.JPG

2162725-b39e5c82991e37e8d070382996d86f16.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:48 Reageer op dit bericht

Meer van toen

↑ Terug naar de berichten