Naar de inhoud

toen

akke.beakke.be

Archief

VANDAAG jaren terug 22 mei

22 mei Johan Maurits Verminnen (Wemmel, 22 mei 1951) is een Belgische liedjesschrijver en zanger. Zijn bekendste liedjes zijn waarschijnlijk Ieder met zijn vlag (1970), Laat me nu toch niet alleen (1973), Brussel (1976), Oostende in the rain (1978), In de Rue des Bouchers (1979), 'k Voel me goed (1981), Mooie dagen (1986), Paulien (1990) en De tet van Koekelberg (2007). Verminnen werd geboren als jongste in een gezin van vijf kinderen en groeide op in Wemmel, net ten noorden van Brussel. Hij volgde secundair onderwijs aan het Sint-Pieterscollege in Jette. In 2004 schreef hij een boek over zijn moeder: Prinses van het Pajottenland, in 2006 verscheen van zijn hand het boek De laatste boot, en in 2007 Van Brussel naar de Wereld (in het kader van zijn nieuwe theatertournee). Deze drie boeken werden vergezeld van een speciaal opgenomen cd. Al van jongs af aan wilde Verminnen zanger worden. Eerste ruimere bekendheid verwierf hij dankzij een televisie-optreden in het programma "Ontdek de ster" in 1969, en zijn eerste plaat verscheen in 1971. In zijn beginjaren werkte hij nauw samen met Will Tura en Raymond Van het Groenewoud. Zijn debuutsingle was Ieder met Zijn Vlag ('70). De toeristische rue des Bouchers in Brussel, thema van één van Verminnens bekendste liedjes Vaak is Brussel het thema of de inspiratiebron van Verminnens chansons, een stad waar hij zich nauw mee verbonden voelt. Een van zijn bekendste liedjes en tegelijk een klassieker op feest- en dansgelegenheden, is In de Rue des Bouchers uit 1979 (in het Nederlands Beenhouwersstraat, de bekendste horecastraat in het centrum van Brussel). Nochtans is dit nummer minder representatief voor Verminnens werk (het is in het Brussels dialect gezongen en heeft een volks, feestelijk ritme). Andere bekende liedjes van hem zijn Laat Me Nu Toch Niet Alleen (1973), 'k Voel Me Goed (1981), Mooie Dagen (1989). Het is in Vlaanderen minder bekend dat Verminnen ook heel wat Franstalige liederen opnam en daardoor ook in de Franstalige wereld enige bekendheid geniet. Verminnen heeft zich ingespannen voor een aangepast economisch en juridisch statuut voor kunstenaars en richtte in 1992 mee de belangenvereniging Zamu voor zangers en muzikanten op. Tussen 2007 en 2014 is Verminnen gedelegeerd bestuurder van de Nederlandstalige vleugel van auteursrechtenvereniging Sabam, waar hij sinds 1998 al in de raad van bestuur zat.[1] In 2014 werd hij voorzitter van de raad van bestuur van de vereniging.[2] In 2016 kondigde hij zijn afscheid uit deze functie aan. Verminnen trouwde in 1986 met fotomodel Catherine Mattelaer, en een jaar later werd hun dochter Pauline geboren, waaraan hij een gelijknamig lied wijdde (1987). Tegenwoordig woont Verminnen in Hansbeke, een deelgemeente van Nevele. In 1991 zong hij "Sorry Dat Ik Besta", een lied over homoseksualiteit van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. De opname was onderdeel van het televisieprogramma "Een nieuwe jas", een hommage aan de tachtigjarige Annie M.G. Schmidt



2148476-b5cbb0da035113f30934fcc6fe56b055.JPG

2148476-b98db657e32cc942579f65818f28e038.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:32 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 22 mei

22 mei De brand in de Innovation was een ramp die, in de namiddag van 22 mei 1967, het Brusselse filiaal van de Belgische grootwarenhuisketen Innovation (nu Galeria Inno) trof. Er vielen 251 doden en 62 gewonden (aanvankelijk had de brandweer 323 doden en 150 gewonden geteld). Er waren naar schatting 800 aanwezigen. Het warenhuis was gevestigd in een doolhof van verschillende gebouwen. Vooral in het zelfbedieningsrestaurant, aan de achterzijde, hadden veel mensen pas laat in de gaten dat er brand was. Zij konden geen kant uit toen het vuur hen bereikte. Ook in de andere gebouwen beseften velen niet wat er aan de hand was, doordat het brandalarm op hetzelfde tijdstip afging als de bel die dagelijks het middageten van het personeel aankondigde. De brand werd rond 13u20 opgemerkt door een verkoopster in een kleine opslag voor kinderkledij op de eerste verdieping. Toen de brandweer aankwam, had het vuur de centrale koker al bereikt, waar het extra zuurstof kreeg. Mensen sprongen uit de ramen, terwijl brandweer en omwonenden hen probeerden te redden door dekens te spannen en ladders te plaatsen. Eén man overleefde een sprong van de derde verdieping zonder noemenswaardige verwondingen. Rond 15u15 stortte een gedeelte van de winkel in. Ondanks uitgebreid onderzoek is de oorzaak van de brand onbekend. Eerst werd gedacht aan brandstichting door extreem-linksemilitanten; in de Innovation was net een Amerikaanse week bezig, en door de Vietnamoorlog was er veel anti-Amerikaans protest. Bewijs van kwade opzet is echter nooit gevonden. Volgens recent onderzoek ontstak een tl-lamp ontvlambaar gas dat zich in de valse plafonds opgestapeld had. In elk geval was het warenhuis geenszins brandveilig: de blusinstallatie was ontoereikend, de architectuur (een soort amfitheater rondom een centrale ruimte met trappenhuis) droeg bij tot een snelle vuurontwikkeling, de nooduitgangen waren niet allemaal geopend, sommige nooduitgangen waren aangebracht voor de sier (voor ramen en blinde muren). Vijf jaar na de brand kreeg België een zeer strenge wetgeving voor brandveiligheid in winkels. Innovation opende in 1970 op dezelfde plaats een nieuw warenhuis. Op de begraafplaats van Brussel in Evere staat een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de brand.



2148475-3818035fb4d7c28d800c968c3939add1.JPG

2148475-85008b07d18517c77abe7f8149080084.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:30 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 22 mei

22 mei
Hergé, pseudoniem van Georges Prosper Remi Remi (Etterbeek, 22 mei 1907 – Sint-LambrechtsWoluwe, 3 maart 1983), was een Belgisch striptekenaar en scenarist van stripverhalen, die vooral bekend is als schepper van De avonturen van Kuifje. Remi was zeventien jaar toen hij zijn pseudoniem Hergé bedacht. Hij gebruikte er de initialen van zijn achterstevoren geschreven naam Georges Remi voor. Op de lagere school was het voor hem namelijk al normaal om vanaf de eerste klas als Remi Georges te worden aangesproken. Op zijn schoolschriften prijkten eveneens de namen in die volgorde en als hij zelf zijn initialen zette, schreef hij ze neer als R.G. Daaruit ontstond zijn schuilnaam Hergé. Op zijn Frans klinkt dat als erzjee, want de begin-h is in die taal vrijwel niet hoorbaar. In december 1924 publiceerde hij voor het eerst onder dit pseudoniem. Hergé is, naast Vandersteen, Franquin en Goscinny, een van de grote scheppers van de Europese humoristische avonturenstrip van de 20e eeuw. Zijn bekendste creatie is Kuifje, een jonge reporter die over de hele wereld avonturen beleeft. Kenmerkend voor deze wereldberoemde stripreeks is het humanistische karakter en de heldere tekenstijl, de zogenaamde klare lijn. In sommige gevallen worden gebouwen naar de werkelijkheid getekend of bijna naar de werkelijkheid en zijn een aantal verhalen deels ontleend aan in het echt gebeurde voorvallen. Ook wemelt het van de satirische verwijzingen naar de (politieke) geschiedenis van de 20e eeuw. Voor De Blauwe Lotus werd Hergé geïnspireerd door het beruchte Mantsjoerije-incident, dat leidde tot de Tweede Chinees-Japanse Oorlog die in 1934 begon. Het verhaal De scepter van Ottokar heeft de Anschluss van Oostenrijk als overduidelijke inspiratiebron. En De zaak Zonnebloem is een portret over de gevoeligheden van de Koude Oorlog. Georges Remi groeide op in Etterbeek, een toen al verstedelijkte gemeente van de Brusselse agglomeratie. Zijn ouders, de Waal Alexis Remi (1882-1970) - van wie weleens beweerd wordt dat hij mogelijk een buitenechtelijke zoon van koning Leopold II is - en de Vlaamse Élisabeth Dufour (1882-1946), behoorden tot de middenklasse en leefden in een voor die tijd betrekkelijke luxe. In 1912 werd een tweede zoon geboren, Paul Remi. Remi's lagereschooltijd viel goeddeels samen met de Eerste Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Brussel. Van Duitse soldaten die gelegerd waren in de Etterbeekse kazernes maakte hij, in de kantlijnen van zijn schoolschriftjes, onbeholpen tekeningen. Tekenen leek al vroeg in zijn bloed te zitten. Maar het zou nog tot 1925 duren voor hij zijn eerste echte beeldverhaal publiceerde: een tekstloos stripje over een wielrenner met bandenpech. Hergé was toen al actief lid van de katholieke scouting waarvoor hij ook talrijke tekeningen maakte, onder andere in Le boy scout. In dat blad en in andere scoutingbladen publiceerde hij vanaf 1926 het stripfeuilleton Totor, P.L. van de Meikevers. In 1927 ging Hergé werken op de abonnementenafdeling van het dagblad Le Vingtième Siècle, de spreekbuis van het francofone, conservatieve, rooms-katholieke en anti-communistische establishment. Hij vond het er dusdanig saai dat hij vervroegd in militaire dienst ging. Nadat hij afzwaaide begon hij in januari 1929 in de donderdagse jeugdbijlage Le Petit Vingtième van de krant Le Vingtième Siècle aan het allereerste avontuur van Kuifje: Les Aventures de Tintin, reporter du Petit "Vingtième", au pays des Soviets (De avonturen van Kuifje, reporter van de Kleine "Twintigste", in het land van de Sovjets). In 1930 begon Hergé aan de strip De guitenstreken van Kwik en Flupke, eveneens in hetzelfde blad. Tot aan zijn dood in 1983 verschenen 23 albums met de avonturen van Kuifje, zijn hond Bobbie en bijfiguren als kapitein Haddock, professor Zonnebloem en de detectives Jansen en Janssen. Postuum werd het onvoltooide Kuifje en de Alfa-kunst uitgegeven. Hergé tekende de strips in eerste instantie helemaal zelf, maar in 1943 riep hij de hulp in van Edgar P. Jacobs. In 1950 startte hij de fameuze Studios Hergé. Bekende medewerkers als Bob De Moor en Jacques Martin namen hem veel werk uit handen en hielden zich onder andere bezig
met het tekenen van achtergronden en het hertekenen van de oude albums. Naast Kuifje werkte Hergé aan andere strips, zoals Leo en Lea, Jo, Suus en Jokko en De guitenstreken van Kwik en Flupke, waarvan van de laatste tot 1955 355 verhalen en een tekenfilmserie verschenen. In juni 2009 opende in Louvain-la-Neuve het Hergé-museum rond het leven en werk van de striptekenaar. Dit museum kwam er door de inzet van Hergés tweede vrouw en voormalige medewerkster in zijn studio, Fanny Vlamynck. De Blauwe Lotus is een beslissend album in het leven van Hergé en in de ontwikkeling van Kuifje. Dit was het eerste avontuur waarvoor Hergé nauwgezet onderzoek deed naar de wereld waarin zijn verhalen zich afspeelden. Daarvóór verzon hij auto's, schepen en gebouwen vaak zelf en maakte hij culturen en volken tot stereotypen. Juist door deze stereotypen wordt Hergé nog weleens van racisme beticht.[Zo werd in 2007 het album Kuifje in Afrika door de Britse Raad voor Gelijkheid als 'racistisch' bestempeld. Omstreeks diezelfde tijd eiste een Congolees student in Brussel (vergeefs) een verbod op het album. Hergé, en na zijn overlijden ook de woordvoerders van zijn Studio, hebben altijd volgehouden dat de stereotiepe typeringen in vooral de vroege Kuifje-albums louter een weerspiegeling zijn van de visie in die tijd in heel Europa op de rest van de wereld. Een andere 'gevoelige' titel is De geheimzinnige ster. Amerikanen waren de boeven in dit avontuur dat verscheen in het dagblad Le Soir onder het toeziend oog van de Duitse bezetter. De schurk was een gewetenloze joodse oliemagnaat met de naam Blumenstein. Omdat Hergé tijdens de oorlog publiceerde in deze Duitsgezinde krant werd hem collaboratie met de nazi's in de schoenen geschoven. Na de bevrijding van Brussel op 3 september 1944 werd hij door verschillende verzetsgroepen tot vier keer toe opgepakt en weer vrijgelaten. Vanwege het publiceren in Le Soir wordt hem na de oorlog een tijdelijk beroepsverbod opgelegd. Tijdens de ondervragingen verbleef hij één nacht in een cel. Tot september 1946 mochten De avonturen van Kuifje in geen enkele krant worden gepubliceerd. Dat Hergé tijdens zijn verdere leven bloot bleef staan aan kritiek heeft zeker ook te maken met zijn omgang met de Belgische fascistenleider Léon Degrelle. Feit is echter dat Hergé zich nimmer hardop heeft uitgesproken over dit soort zaken en dat bijvoorbeeld een vooroorlogs album als De scepter van Ottokar toch vooral kan worden gelezen als een anti-fascistische parabel. Voluit luidt de echte naam van Hergé: Georges Prosper Remi Remi. De Nederlandse publicist Huib van Opstal wees er in zijn biografie op dat door het verkeerd lezen van de geboorteakte de identieke naam veelvuldig wordt genegeerd. Hergé huwde in 1932 met Germaine Kieckens (1906-1995), van wie hij op 28 maart 1977 scheidde. Twee maanden later huwde hij op 20 mei met Fanny Vlamynck (geboren in 1934), die hij al kende sinds ze in 1955 als inkleurster bij hem was komen werken. Al vanaf toen hielden ze er een geheime relatie op na. In 1960 ging hij met Fanny samenwonen. Kieckens wilde echter van geen echtscheiding weten en Hergé had zonder haar instemming geen wettelijke mogelijkheid daartoe. Pas toen de wet werd aangepast, kreeg Hergé de mogelijkheid om de echtscheiding aan te vragen. De geestelijke vader van Kuifje had geen kinderen. Volgens zijn biograaf Pierre Assouline niet alleen omdat hij onvruchtbaar was, maar ook "omdat hij niet van kinderen hield". Assouline refereert aan een adoptie van een zeven- of achtjarige wees door de tekenaar en zijn toenmalige vrouw, eind jaren veertig: "Maar omdat hij (Hergé) deze nieuwe aanwezigheid en de beroering die dit in zijn dagelijkse leven met zich meebracht, niet kon verdragen, gaf hij het na twee weken terug …"Tussen 1947 en 1949 leed Hergé wegens de hoge werkdruk aan een depressie.Aan zijn secretaris en vriend Marcel Dehaye schreef hij dat hij Kuifje beu is. Hergé leed aan het eind van zijn leven aan osteomyelofibrose. Dat was ook de doodsoorzaak. Zijn testament bestond slechts uit één enkele zin, namelijk dat zijn tweede vrouw de enige erfgename was. In interviews gaf hij te kennen dat zijn creatie Kuifje niet mocht voortgezet worden na zijn dood. Hij zei dat iemand anders het misschien beter of slechter zou doen, maar dat hij zichzelf als de enige zag die Kuifje op papier tot leven kon wekken. Zijn weduwe besloot die wens te respecteren. Hergé ligt begraven op de Begraafplaats van Dieweg in Uk



2148474-3906cc1d260e36ea9f0534ad0d9002fb.JPG

2148474-713599aad1899c2959b5cc15fa4380a1.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:28 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 22 mei

22 mei Charles Aznavour, pseudoniem van Chahnour Varinag Aznavourian (Armeens: Շահնուր ), ( ՎաղինակԱզնավուրյան Parijs, 22 mei 1924) is een Franse zanger, liedjesschrijver en acteur van Armeense afkomst. Aznavour werd geboren als zoon van Armeense immigranten. Op negenjarige leeftijd begon hij met acteren en dansen. In de jaren veertig vormde hij samen met Pierre Roche een muzikaal duo en spoedig koos hij de podiumnaam Aznavour. Op jonge leeftijd introduceerden zijn artistieke ouders hem in de wereld van het theater. Zijn grote doorbraak kwam toen de zangeres Édith Piaf hem hoorde zingen en hem op tournee meenam door Frankrijk en de Verenigde Staten. Daarna ging de reis naar Quebec, waar het grote succes hem wachtte: veertig weken lang mocht hij in enkele clubs spelen, met elf shows per week. In 1953 brak Charles, beïnvloed door Piaf, met Roche. Aznavour trouwde drie keer. Zijn huidige echtgenote is de meer dan 20 jaar jongere Zweedse Ulla Thorsell, met wie hij in 1967 trouwde. Zij wonen zes maanden per jaar in Zuid-Frankrijk en de rest van het jaar in Zwitserland, tegenwoordig in Saint-Sulpice, waar ze in 2012 een nieuw huis lieten bouwen. In 2002 speelde Aznavour in de film Ararat, waarin hij Edward Saroyan, een filmregisseur, speelde. In december 2008 werd hem het Armeens staatsburgerschap toegekend en in 2009 werd hij ambassadeur van Armenië in Zwitserland. Hij gaf op 3 maart 2018 op 93-jarige leeftijd een concert in een uitverkocht AFAS Live. Aznavour wordt vaak omschreven als de 'Frank Sinatra van Frankrijk'. Bijna al zijn liederen gaan over de liefde. Hij heeft meer dan duizend liederen en musicals geschreven en hij componeerde veelal zelf de muziek en hij bracht meer dan honderd albums uit en speelde in zestig films. Aznavour zingt in vijf talen en is in het buitenland een van de bekendste Franse zangers. Hij heeft opgetreden in de prestigieuze Carnegie Hall en andere belangrijke zalen in de wereld. In 1955 won Aznavour de Kristallen Ster voor beste Franse mannelijke acteur. In 1993 werd hij benoemd tot Buitengewoon Ambassadeur van de republiek Armenië. Vier jaar later werd hij (vanwege "buitengewone verdiensten") Officier in het Franse Legioen van Eer. In 1996 werd Aznavour toegevoegd aan de Songwriters Hall of Fame. Op 16 november 2015 werd hij benoemd tot commandeur in de Belgische Kroonorde door minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders. In 2017 kreeg hij een ster op de Hollywood Walk of Fame.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:27 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 21 mei

21 mei
Renette Pauline (Renée) Soutendijk (Den Haag, 21 mei 1957) is een Nederlands actrice. Soutendijk ambieerde gymnastiek op olympisch niveau te gaan doen, maar op aanraden van een dansleraar ging ze naar de Academie voor Podiumvorming. Hierna speelde zij in theaterproducties, onder andere bij de Theaterunie. Ook speelde ze in het stuk De grote liefde van regisseur Ger Thijs. Soutendijk debuteerde op televisie in de serie Dagboek van een herdershond en speelde sindsdien in een groot aantal Nederlandse, Duitse en Amerikaanse films, televisiefilms en -series. Soutendijk is getrouwd met regisseur Thed Lenssen. Zij hebben twee kinderen, onder meer Caro, die eveneens actrice is en samen met haar moeder in Meiden van De Wit speelde.



2148191-f506db83c212225f44886549339d7fe0.JPG

2148191-2b813c8a2d6adc5bc88f78e1831695b4.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:00 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 21 mei

21 mei Arnaud Charles Ernest Hintjens (Oostende, 21 mei 1949), beter bekend onder zijn artiestennaam Arno, is een Belgischerockzanger, die liedjes vertolkt vooral in het Frans, soms in het Engels, Nederlands en sporadisch ook in het Oostends dialect. Arno koos aanvankelijk voor het beroep van kok, maar was in zijn jonge jaren vooral geïnteresseerd in muziek. Vooral uit Engeland geïmporteerde bluesplaten inspireerden hem. Als mondharmonicaspeler werkte hij samen met muzikanten uit de Oostendse rockscene vooraleer hij rond 1970 in zijn eerste "echte" groep belandde, Freckleface, geleid door zanger/bassist Paul Vandecasteele en gitarist Paul Decoutere. Arno zong destijds sporadisch en beperkte zich meestal tot solo's op de mondharmonica. Freckleface maakte een plaat met uitgesponnen bluesrocknummers, maar had op het podium meer succes dan in de platenwinkel. In 1972 gingen Arno en Decoutere verder als duo onder de naam Tjens Couter. De groep wisselde bluesnummers af met uitstapjes richting tango en reggae. Na de debuutplaat "Who Cares" groeide Tjens Couter van een duo naar een kwintet en werd de muzikale koers verlegd naar pubrock. Een tweede album volgde. In 1978 waren Arno en Decoutere te zien in de film Le concert d'un homme seul. Pas in 1980 kwam de grote doorbraak met de groep T.C. Matic, een groep die aanvankelijk voor 80 procent dezelfde samenstelling had als Tjens Couter. De groep maakte vier albums, ging op tournee door Europa en had een paar hits, waaronder Oh la la la. Ook Que pasa en Putain, putain zijn uitgegroeid tot klassiekers, die steevast deel uitmaken van Arno's liveset.[bron?] Zes jaar later hield T.C. Matic het voor bekeken. Arno besloot het solo te wagen. Hij bracht in 1986 zijn solodebuut uit onder de titel Arno. Forget the Cold Sweat is daarvan een bescheiden hit geweest. Op dit nummer zingt onder anderen ook Kaz Lux mee. Arno ging voor dit album dan wel solo, hij kon toch nog een beroep doen op verscheidene ex-TC Matic leden. Serge Feys, die ook vele andere Arno cd's zou produceren, trad op als producent en als toetsenist (keyboards). Ook gitarist Jean-Marie Aerts was van de partij, en zou nog jaren deel blijven uitmaken van Arno's vaste begeleidingsband. In het geheel was Arno een behoorlijke cd, met veel funk en blues invloeden en vooral Engelstalige teksten. Ook op zijn volgende albums zou Arno soms in het Frans zingen, maar het Engels was duidelijk prominenter aanwezig. (Franse nummers zouden pas een overwicht krijgen vanaf het in 1995 verschenen Arno à la Française.) Terwijl Arno op zijn gelijknamige debuutalbum duidelijk nog wat een eigen gezicht aan het zoeken was (twee volledige instrumentals en twee haast instrumentale nummers), trad hij met Charlatan veel zelfverzekerder naar buiten. Nummers als Bathroom Singer, het snoeiharde Black Doll en de Jacques Brel-cover Le Bon Dieu werden live favorieten. Ook in de cinema was Arno een gevraagd typeschrijver. Vóór alle unplugged-trends belichaamde hij samen met Roland in 1990-1991 de pure rock in het zijproject Charles et les Lulus. Ook zijn levensstijl werd er niet minder rock-'n'-roll op. In 1992 coverde hij de Adamo-hit Les filles du bord de mer. Zijn doorbraak bij het bredere
publiek ging verder met zijn vierde album Idiots Savants, dat goed ontvangen werd door de pers. Het album haalde gemakkelijk goud. In 1995 kwam Arno à la Française uit. Eén cover springt er op dat album uit, namelijk Comme à Ostende van Leo Ferré. Met deze geheel Franstalige plaat brak hij definitief door in Frankrijk. Franse chansons zijn vanaf dat moment een even belangrijk bestanddeel van zijn muziek als rock, tango en blues. Samen met Jan Decleir speelde hij in 1995 de rol van de homoseksuele redder Harry in de film Camping Cosmos (1996) van Jan Bucquoy die zich te Westende afspeelt. In 1997 bracht Arno voor het eerst een album uit in de Verenigde Staten. Het was een compilatie, in combinatie met de registratie van een live-concert. In 1999 werd Arno vijftig jaar. Hij bracht zijn zesde soloalbum uit, dat meteen ook zijn 23ste album is onder diverse namen en formaties. Een 'best of' kwam uit in 2000. In 2002 kwam Arno Charles Ernest uit, een referentie naar zijn grootvader; in 2004 volgde French Bazaar. Eind september 2004 startte Arno zijn nieuwe solotoer met onder andere twee concerten in Vietnam. Zijn voornaamste muzikale partners door de jaren heen zijn de gitaristen Jean-Marie Aerts (ook in T.C. Matic) en Geoffrey Burton, Rudy Cloet (drummer) en de toetsenisten Ad Cominotto en Serge Feys (eveneens ex-T.C. Matic). Op 1 oktober 2006 organiseerde hij samen met Tom Barman en Sioen de 0110-concerten. Zijn volgende album, Jus de Box, verscheen in januari 2007. In de zomer van 2009 was hij de centrale gast muziek op Theater aan Zee. In 2015 vertolkte hij het personage "Alain" in de film Préjudice Op de Pop Poll van het Vlaamse televisieblad Humo werd hij een aantal keer bekroond in de categorieën "Zanger van het Jaar" en "Beste Interview". In 2002 ontving Arno de Franse onderscheiding van Ridder in de Kunsten en Letteren (Ordre des Arts et des Lettres). Eind 2005 werd Arno genomineerd voor de titel De Grootste Belg. Hij eindigde op nr. 34 in de Vlaamse versie en op nr. 83 in de Waalse versie. In 2010 zong hij samen met Ray Davies het lied "Moments". Tijdens een interview zei Davies: "I heard some of Arno's music and thought this would be an ideal song for him to interpret with me. My French is appalling but Arno's English is superb, so I devised a way we could sing it together. I think it works really well." In Bornem kreeg hij een permanent aandenken langs de SIM-route. In 2012 werd hij opgenomen in de Radio 2-eregalerij voor een leven vol muziek.



2148190-d5c30592953cbff5df2ccef1953d5959.JPG

2148190-1ccfa351cea73e3336dbaf8c1193ccdd.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 08:58 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 20 mei

20 mei Een spijkerbroek, ook wel jeans, is een broek die meestal van een blauwe, sterke, gekeperde katoenen stof (denim oftewel spijkerstof) wordt gemaakt, met een soort klinknagels die de zakken verstevigen. Jacob Davis kreeg op 22 mei 1875 een Chinees octrooi op deze bevestigingswijze.In 1847 emigreerde Levi Strauss naar de Verenigde Staten. Daar maakte hij stevige broeken voor de goudzoekers in Californië, van zeildoek. Deze broeken vielen erg in de smaak bij de goudzoekers, omdat deze steviger waren dan de gebruikelijke broeken. Toen Strauss door zijn voorraad zeildoek heen was, stapte hij over op een sterke katoensoort, genaamd 'Serge de Nîmes' (keper uit Nîmes). Deze naam verbasterde al snel tot denim. De broeken hadden echter een probleem met de plekken waar veel spanning op staat: vooral de broekzakken scheurden nog weleens uit. In 1872 kwam de kleermaker Jacob Davis met een oplossing hiervoor: klinknagels. Strauss liet zich overhalen, en gebruikte de klinknagels om de hoeken van de broekzakken te verstevigen. In 1872 vroeg Davis octrooi aan op deze werkwijze, toe te kennen aan hemzelf en Levi Strauss & Company. Het patent werd op 20 mei 1873 toegekend. De broeken die op deze manier gemaakt werden, de taille overalls, hadden een achterzak met het Arcuate Stitching Design, bretels, en een horlogezakje. De taille overalls werden tot 1920 alleen in San Francisco geproduceerd. In 1920 volgde uitbreiding naar Frankfort (Indiana). In 1965 werden de eerste fabrieken van Levi Strauss & Co. in Europa en Azië gebouwd. De stof van spijkerbroeken wordt geweven met een schering die indigo gekleurd is, terwijl de draden van de inslag wit zijn. De blauwe verfsoort die werd gebruikt, heette in het Frans "bleu de Gênes" (vertaald vanuit het Italiaanse "blu di Genova", dus eigenlijk "Genuees blauw"). Het "bleu de Gênes" werd verbasterd tot het huidige "bluejeans", ofwel jeans. Standaard heeft een spijkerbroek vijf zakken, twee aan de achterzijde, en twee steekzakken aan de voorzijde. Aan de rechtervoorzijde zit een klein zakje, waar men vroeger een zakhorloge in bewaarde. Omdat het zakhorloge te veel te lijden had in een gewone steekzak, werd dit kleine zakje daar speciaal voor op de spijkerbroek aangebracht. Daarnaast zitten er ook riemlussen op een spijkerbroek. Ook zitten er 6 rivets (metalen klinknagels die voor de versteviging op de jeans zitten om scheuren te voorkomen, zoals op de riemlussen en de hoeken van de zakken) op. In de Tweede Wereldoorlog droegen Amerikaanse soldaten een aangepast model van de taille-overall. Hierdoor raakte de broek van denim bekend in Europa. In 1959 werden de eerste exemplaren naar Europa geëxporteerd. In 1960 kwam de term "spijkerbroek" of "jeans" in zwang. De jeansbroek wordt sindsdien zowel door heren als door dames veel gedragen. Jeans werden bekend doordat John Wayne ze in cowboyfilms droeg. Andere bekende jeansdragers waren Elvis Presley, James Dean en Marilyn Monroe. De opbouw van de jeans is al wel enkele malen gewijzigd. Zo heeft men bijvoorbeeld in de Eerste Wereldoorlog de ijzeren knoopjes ter hoogte van de jeanszak verwijderd van de broek wegens besparingen. Tegenwoordig bestaan er zowel jeans mét, als zonder die knoopjes. Jeans hadden een ruig imago. In de jaren zestig werden jeans vooral gedragen door zogenaamde nozems. Die stonden ook wel bekend als 'zondaars in spijkerbroek'.
Langzaam is de jeans steeds meer ingeburgerd. Tegenwoordig maken ook de grote modemerken zoals Armani en Versace spijkerbroeken. In Nederland werd de spijkerbroek pas populair in de jaren vijftig van de vorige eeuw. In eerste instantie werd de stof alleen gebruikt in werkkleding. De Alkmaarse winkel Vetwas een van de eerste die spijkerbroeken verkocht.[3] De eigenaar werd succesvol door te verkopen vanuit een busje waarmee hij langs bedrijven reed. Ook De Rode Winkelin Utrecht begon al vroeg met het verkopen van spijkerbroeken als werkkleding. De populariteit van de spijkerbroek steeg sterk in de jaren zestig. Het kledingstuk werd een protestsymbool voor hippies en een vast onderdeel van de garderobe van nozems. [3] De spijkerbroek was geen werkkleding meer, wat werd ondersteund door reclamecampagnes die lieten zien dat denim een unieke stof is die naar het lichaam vormt. Sinds de jaren tachtig zijn Nederlandse jeansmerken ontstaan. Scotch & Soda werd in 1985 opgericht, hoewel het merk pas succesvol werd na een overname in 2001.] In 1989 werd G-Star opgericht, in 1992 Chasin’ en in 1993 Gsus. Ook ontstonden winkelketens als Score Jeans en Open32. In 2000 deed de non-profit organisatie Solidaridad onderzoek naar de katoenindustrie in Peru dat slechte werkomstandigheden en vervuiling aan het licht bracht. De daaropvolgende behoefte aan duurzaam geproduceerde spijkerbroeken leidde tot de oprichting van Kuyichi in 2001. In 2003 werd het merk Blue Blood gelanceerd, dat inmiddels failliet is, en in 2008 Denham



2147909-f3b8c81fe65a7e2f81628bab99813168.JPG

2147909-acdd3548a0a8679cdcb2df23fd695c8a.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:04 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 20 mei

20 mei John Robert (Joe) Cocker (Sheffield, 20 mei 1944 – Crawford (Colorado), 22 december 2014) was een Engelse blueszanger Cocker zat al in kleine bands in zijn geboortestad Sheffield toen hij vijftien jaar oud was. Hij verscheen voor het eerst op de Amerikaanse televisie in 1969, in de Ed Sullivan Show. I'll Cry Instead, Cockers eerste single, was een cover van The Beatles. Hij had een eerste bescheiden hitje in Engeland in 1964 met Marjorine. Zijn eerste grote hit, zijn tweede Beatlescover, verscheen in het najaar van 1968: With a Little Help from My Friends, een eigen versie van een van de nummers op het conceptalbum Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band. Kort daarna, in de zomer van 1969, deed zijn verschijning op de Woodstock Music & Art Fair zijn populariteit nog verder stijgen. Andere vroege hits, uit het begin van de jaren zeventig, waren Cry me a river, High time we went en Feelin' Alright. In die periode begonnen zijn problemen met drugs en alcohol, maar hij maakte een comeback in de jaren tachtig. Hij had grote hits met You are so beautiful, Up where we belong en Unchain my heart, waardoor hij een nieuw publiek aan zich bond. Cocker coverde meer liedjes, bekend werden onder andere zijn versies van The Letter (van The Box Tops), van Feelin' Alright(van Traffic) en van Summer in the City (van The Lovin' Spoonful). Hij blies ook nieuw leven in het Randy Newman-liedje You Can Leave Your Hat On, dat werd gebruikt in de erotische film 9½ Weeks. Hij was beroemd om zijn opvallende, rauwe stemgeluid en een spastische gestiek. Cocker overleed 22 december 2014 op 70-jarige leeftijd in zijn huis in Colorado aan de gevolgen van longkanker.



2147908-1460fa79d94451d93b2a155c1dab631d.JPG

2147908-dde9bff3d08168e3d5e3701fe5274089.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:02 Reageer op dit bericht

VANDAAG jaren terug 20 mei

20 mei Frank Boudewijn de Groot (Batavia, 20 mei 1944) is een Nederlands zanger, songwriter, muziekproducent en acteur De Groot werd op 20 mei 1944 geboren in een Japans interneringskamp in Batavia (tegenwoordig Jakarta, Indonesië), voormalig Nederlands-Indië. Zijn moeder, Sophie Elisabeth Saueressig, overleed in juni 1945 in het Japanse interneringskamp Tjideng.Na de oorlog, in 1946, keerde het gezin terug naar Nederland, waar de kinderen, Boudewijn, zijn broer en zijn zus, in verschillende gezinnen werden ondergebracht, zodat zijn vader kon terugkeren naar Indië. Zo kwam De Groot terecht in het gezin van een tante in Haarlem. In 1951 keerde De Groots vader voorgoed terug uit Indië, waarna hij in Nederland hertrouwde. Het gezin werd herenigd in 1952 en vestigde zich in de César Francklaan te Heemstede. Hier maakte hij kennis met Lennaert Nijgh, die in dezelfde straat kwam wonen en vriendschap sloot met De Groots jongere stiefbroer Dirk. Beiden zaten ook op de Crayenesterschool, maar veel contact hadden de twee niet, daar De Groot een klas hoger zat dan Nijgh. Na de lagere school ging De Groot naar de HBS op het Coornhert Lyceum in Haarlem. Hij had ondertussen gitaar leren spelen en maakte op school indruk met liedjes van Jaap Fischer en Jacques Brel. In de vriendengroep, die hij opbouwde op het lyceum, dook ook Nijgh weer op, die weliswaar op een andere school zat, maar voornamelijk optrok met leerlingen van het Coornhert Lyceum. De Groot en Nijgh waren beiden geïnteresseerd in film en samen maakten zij in hun examenjaar, 1962, met enkele andere vrienden, een 8mm-filmpje getiteld Feestje bouwen, waarin Boudewijn onder andere een tweetal liedjes ten gehore bracht. Hierna schreven ze zich in voor de filmacademie, waar zij beiden werden toegelaten. Tijdens een van de huisvertoningen van De Groot en Nijghs filmpje, zag nieuwslezer Ed Lautenslager de opname. Hij was met name onder de indruk van de liedjes van De Groot en spoorde deze aan meer liedjes te schrijven, die hij dan aan een relatie bij Phonogram Records zou aanbieden. De Groot nam Nijgh in de arm als tekstschrijver, waarop het duo enkele nummers schreef. Op 14 mei 1964 toog De Groot, met zijn akoestische gitaar, naar de Phonogram Studio's in Hilversum om een aantal nummers op te nemen. De nummers Strand, Sexuele voorlichting, Élégie Prenatale en Referein voor... werden op single uitgebracht, maar bereikten de hitlijsten niet. De platen werden uitgebracht onder het Decca-label en leverden Boudewijn zijn eerste televisieoptreden in Kaberet Kroniek van Wim Ibo. Hierop schreef De Groot zich in voor het talentenprogramma Nieuwe oogst. Hier kreeg hij een hoge waardering van de vakjury, die het nummer Élégie Prenatale roemde om zijn gedurfdheid, iets wat het publiek minder bleek te kunnen waarderen. Uiteindelijk ging André van Duin er met de hoofdprijs vandoor, voor zijn bandparodienummer. De Groots eerste twee singles werden, samen met De morgen en Delirium opnieuw uitgegeven op een ep, die de titel Boudewijn de Groot meekreeg. Ook deze plaat bereikte de hitlijsten niet.
Op 9 september 1964 trouwde De Groot met Anneke Versteeg en op 27 december werd zijn eerste zoon geboren, Marcel de Groot. Om bij te verdienen nam De Groot een baantje bij De Bijenkorf in Amsterdam en presenteerde hij, onder het pseudoniem Marcel Oversteege, een jazzprogramma bij Radio Veronica. Om een doorbraak te forceren stelde producer Tony Vos voor enkele covers op te nemen. Eerst werd besloten de folktraditonalNoordzee op te nemen met een strijkersarrangement. Dit leverde niet het verwachte succes op. Hierna kwam Vos op de proppen met A young girl of sixteen van Noel Harrison, dat op zijn beurt weer een beatbewerking was van Une enfant, een chanson door Charles Aznavour geschreven voor Édith Piaf. Het nummer, Een meisje van 16, bereikte begin 1966 nummer 23 van de Top 40. Op de B-kant prijkte De eeuwige soldaat, een vertaling van het protestlied Universal Soldier, van Buffy Sainte-Marie, dat bekend was geworden in de versie van Donovan. Toen Een meisje van 16 aansloeg, werd besloten in allerijl een album uit te brengen. Op het album Boudewijn de Groot, dat eind 1965 verscheen, prijkten vijf nummers van de hand van Nijgh/De Groot. De overige zeven nummers waren covers van andere singersongwriters, die flirtten met beatmuziek als The Kinks, Simon and Garfunkel, Bob Dylan en Donovan, waarvan hij twee nummers opnam. In 1966 werd het nummer Welterusten Meneer de President op single uitgebracht. Het nummer, dat een aanklacht aan het adres van Lyndon B. Johnson was tegen de Vietnamoorlog, bereikte dat jaar de negende positie in de Top 40, waarmee De Groot zijn naam definitief vestigde. In 1966 werd de opvolger van Boudewijn de Groot, Voor de overlevenden, als elpee en fotoboek uitgebracht. Naast De Groot, Nijgh en Vos werd ook arrangeur Bert Paige toegevoegd aan het team. Op de plaat schreef Nijgh zijn jeugdjaren van zich af, met nummers als Voor de overlevenden, Testament en Verdronken vlinder en schreef hij een cyclus liefdesliedjes voor een zekere Joke. De elpee kreeg een gouden en een platina plaat toegewezen en werd bekroond met een Edison. Als eerste single werd Ken je dat land uitgebracht, dat in de lijn lag van de eerdere protestsingles. De single bereikte de hitlijsten echter niet. Als tweede single volgde het carnavaleske Het Land van Maas en Waal, dat in 1967 De Groots eerste, en tot nog toe enige, nummer 1-hit werd. Het nummer werd onder de naam The Land At Rainbow's End ook uitgebracht in Engeland (met Baldwin the Great als artiestennaam), waar er een paar honderd van verkocht werden. Hierna bracht Decca een single uit van het nummer Onder ons, dat niet op het album terechtgekomen was. Onder invloed van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band van The Beatles wilden Nijgh en De Groot een ultieme hippieplaat maken. Het resultaat werd Picknick, waarop geëxperimenteerd werd met psychedelische teksten en muziek. De plaat werd enthousiast ontvangen en opnieuw bekroond met een Edison, een gouden en een platina plaat. Als eerste single werd het titelnummer Picknick uitgebracht, als tweede single het duet Prikkebeen, dat De Groot opnam met Elly Nieman. Dit nummer bereikte begin 1968 de negende plaats van de Top 40. Hierna volgde de single Waterdrager, een nieuw nummer dat niet op het album stond, aangevuld met B-kant Als de rook om je hoofd is verdwenen.
De Groot en Nijgh begonnen ondertussen steeds vaker voor andere artiesten te schrijven, waaronder Adèle Bloemendaal en Liesbeth List. Met Picknick had De Groot de grenzen van de nederpop al een eind verlegd. Zijn nieuwe project moest dat nogmaals doen. De Groot onderbrak de samenwerking met Nijgh en zette met Lucien Duzee, een vriend van de filmacademie, een filmisch verhaal op de plaat. Daarbij werd geëxperimenteerd met synthesizers, geluidseffecten en exotische instrumenten. De Groot werkte ervoor samen met gitarist Eelco Gelling van Cuby + Blizzards. Het verhaal, dat de titel Heksensabbath kreeg, ging over een heksenbijeenkomsten greep terug op vele oude mythologische namen en begrippen. Nacht en ontij bevatte twee nummers: Babylon en Heksensabbath. Dat laatste nummer, van ruim 25 minuten, werd in tweeën geknipt en verdeeld over beide kanten. Bij het album werd een fotoboek gevoegd. Bij de eerste persing werd ook nog een bonussingle van de rocknummers Wie kan mij nog vertellen en Aeneas nu meegeleverd, die in dezelfde sessies waren opgenomen. Ondertussen toerde De Groot met zijn gitaar door het land, maar leek steeds meer in conflict te komen met het publiek, dat het geluid van de plaat verwachtte, in plaats van de akoestische versies van De Groot zelf. Ontevreden met het leven dat hij leidde, trok hij zich terug in een oude boerderij in Dwingeloo. De Groot vond dat het tijd was voor een nieuwe stap in zijn carrière. Hij plande een serie afscheidsconcerten, met de beatband Names and Faces als begeleidingsband, en richtte een band op onder de naam The Tower, met de bedoeling daarmee Engelstalig materiaal op te nemen. De band bestond naast De Groot uit Eelco Gelling van Cuby + Blizzards op gitaar, Jan Hollestelle op basgitaar, Jay Baar van Q65 op drums en Herman Deinum op toetsen, die allen als sessiemuzikanten al te horen waren geweest op Nacht en ontij. Hun eerste single, In your life, bereikte begin 1969 de 20e plaats in de Top 40. Op de hoes stonden Hans Jansen (toetsen), Eelco Gelling, Jan Hollestelle, Cees Kranenburg jr. (drums) en De Groot afgebeeld. Samen met Simon Vinkenoog schreef De Groot nog een Engelstalige single, genaamd Captain Decker. Ook die werd uitgebracht onder de naam The Tower. Dit keer bestond de band naast De Groot en Gelling uit John Schuursma en Willem Schoone uit The Rob Hoeke Rhythm & Blues Group op gitaar en basgitaar, Hans Jansen op hammondorgelen piano en Cees Kranenburg van The Jumping Jewels op drums. Deze tweede single bereikte de hitlijsten niet, waarop De Groot en Gelling hun samenwerking beëindigden. De Groot zei het Engelstalige genre echter niet meteen vaarwel. Samen met Rick van der Linden van Ekseption begon hij een nieuw project, dat de naam Session kreeg. De single die het duo uitbracht, heette Moonstruck en had op de B-kant het nummer Ballad of a Minstrel. Het nummer kwam niet in de hitparade terecht, waarna het project weer werd ontbonden en De Groot het, samen met Lennaert Nijgh, weer eens in het Nederlands probeerde met de single Nachtwacht. Ondertussen had Decca het 'afscheid van Boudewijn de Groot' aangegrepen om diens debuutplaat opnieuw uit te brengen onder de titel Apocalyps, plus een verzamelalbum met zijn grootste hits onder de titel Vijf jaar hits, alsook om een aantal
oude nummers op single uit te geven. Zo kwam het nummer Als de rook om je hoofd is verdwenen, in 1972, na vijf jaar, alsnog op eigen kracht in de Top 40 terecht. Na Vijf jaar hits bracht de platenmaatschappij ook Dubbel, twee uit, waarmee het oeuvre van De Groot gecomplementeerd kon worden. De Groot zelf was ondertussen steeds vaker achter de knoppen in de studio te vinden, waar Phonogram hem, in afwachting van nieuw materiaal, producer had gemaakt van onder anderen Leon de Graaff, Kraaijeveld, Oscar Benton, Breakaway, Diana Vredenberg, Mini & Maxi en Don Rosenbaum. Na een korte periode achter de productietafel, nam De Groot weer contact op met Nijgh en werden er plannen gemaakt voor een nieuwe plaat. Bert Paige en Tony Vos werden weer opgetrommeld en Ruud Engelander werd als extra tekstschrijver toegevoegd aan het team. Het resultaat kreeg de titel Hoe sterk is de eenzame fietser. De eerste single "Jimmy", genoemd naar zijn jongste zoon, bereikte de zesde plaats van de Top 40, zijn opvolger "Tante Julia" kwam niet verder dan de tipparade. De plaat werd bekroond met een Edison, een gouden en een platina plaat. Ondertussen speelde De Groot ook gitaar in de Amsterdamse rockband Tigers On Vaseline, waarmee hij twee singles uitbrengt. Phonogram bracht na het succes van de plaat een nieuw verzamelalbum uit: Boudewijn de Groot - Grootste hits. Na de succesvolle comeback werd De Groot gevraagd om samen met Nijgh ook de carrière van Rob de Nijs uit een dal te trekken. Nijgh schreef teksten, die door De Groot op muziek werden gezet en werden gearrangeerd door Bert Paige. De Groot was vervolgens als producer verantwoordelijk voor het eindresultaat. Zo maakten zij in deze periode de plaat In de uren van de middag, met daarop de hits Jan Klaassen de trompetter en Dag zuster Ursula, maar bijvoorbeeld ook een oude versie van Boudewijns latere succesnummer Avond. Later volgden hits als Malle Babbe, Mireille en Hé, speelman. In 1974 produceerde De Groot de eerste single van Henny Vrienten, die werd uitgebracht onder de naam Ruby Carmichael en deed hij producties voor Conny Vink en CCC Inc.. Ook nam hij een carnavalsversie op van Tante Julia samen met Nico Haak en de single Ik ben ik met een tekst van Ruud Engelander. In 1975 gooide De Groot het weer over een andere boeg, door de productie van zijn nieuwe plaat in eigen hand te houden. Hij schreef zijn teksten met René Daalder. Het resultaat was een zeer persoonlijke plaat met kleine arrangementen, onder de titel Waar ik woon en wie ik ben, waarop De Groot onder meer zingt over zijn moeder in NederlandsIndië en over de tol van de roem. De plaat werd gemixt in de Verenigde Staten en bevat bijdragen van Ernst Jansz en Hans Hollestelle. Na het verschijnen van de plaat reisde De Groot opnieuw naar Amerika, om hier enkele weken in Hollywood door te brengen en te werken aan nieuw, Engelstalig, materiaal. Na productieproblemen kwam hij met twee onklare nummers terug. Na zijn terugkomst ging hij op tour door Nederland en België, met in zijn begeleidingsband onder andere Vrienten en Ernst Jansz, die later verantwoordelijk zouden worden voor de successen van Doe Maar. Hierna stortte hij zich weer op zijn producerscarrière. Eerst kwam de elpee Kijken hoe het morgen wordt van De Nijs, waarop De Groot verantwoordelijk was voor bijna alle nummers
en de teksten verzorgd werden door onder anderen Lennaert Nijgh en Ruud Engelander. Hierna richtte hij zich op de elpee Accent op Thérèse van Thérèse Steinmetz en Iemand die van je houdt van Willeke Alberti. Ook maakt hij voor het project Zing je moerstaal van de Boekenweek 1976 het nummer Kinderballade op een tekst van Gerrit Komrij. Hierna ging hij weer terug naar Amerika om een cursus arrangeren te volgen en bleef ditmaal ongeveer een jaar weg. In zijn afwezigheid bracht de platenmaatschappij wederom een verzamelalbum uit onder de naam Het beste van Boudewijn de Groot. Toen hij in 1979 terugkeerde naar Nederland ondernam hij een uitgebreide tour door Nederland en België en nam vervolgens het album Van een afstand op. Op het album, dat begin 1980 verscheen, stonden weer enkele klassieke De Groot/Nijgh-nummers, zoals Tip van de sluier, dat op single werd uitgebracht en gebruikt werd in de gelijknamige film van studiegenoot Frans Bromet, maar ook teksten van Ruud Engelander, René Daalder, Herman Pieter de Boer en Ernst Jansz. Op het laatste nummer liet hij zich bijstaan door zonen Marcel en Jim en op de voorkant van de plaat is dochter Caya te zien. In de zomer van 1980 keerde hij opnieuw terug naar Hollywood, om de cursus arrangeren af te ronden en zich verder te bekwamen in het schrijven van filmmuziek. In 1981 kwam hij even terug om een intensieve tournee te doen door Nederland en België. Opnames van deze tournee werden op elpee uitgebracht onder de titel Concert. In 1982 keerde De Groot voorgoed terug uit Amerika. Een nieuwe uitdaging lonkte toen hij door Phonogram Duitsland gevraagd werd een Duitstalige elpee op te nemen. Enkele oude nummers werden, vertaald, opnieuw gearrangeerd en in het Duits opgenomen, onder de titel Bo de Groot. De verwachtingen waren hoog gespannen, maar na slechte promotie van Phonogram in Duitsland stierf het project, na het verschijnen van het album, een stille dood. Ondertussen scoorde Hans de Booij een grote hit met Annabel, een nummer dat was blijven liggen bij de opnames van Van een afstand. De Groot had intussen, in Amerika, gewerkt aan teksten voor zijn nieuwe project, waarvoor hij zich liet inspireren door de futuristische wereld van Blade Runner. In 1984 verscheen de plaat Maalstroom, die een heel ander, killer, geluid liet horen dan men van De Groot gewend was. Alle nummers waren van zijn hand, op Vlucht in de werkelijkheid na, waarvan de tekst van de hand van Nijgh was en Code waarvan de muziek van Vrienten kwam. De Groot had de plaat zelf geproduceerd en gearrangeerd. De plaat maakte weinig indruk en bleef halverwege de hitlijsten hangen. Na het mislukken van het Maalstroom-project liet De Groot de popmuziek achter zich. Hij ging literaire thrillers en detectives vertalen, onder andere een aantal boeken van Stephen King en Scott Turow en stelde voor de IKON een televisieserie samen over verschillende stromingen in de Nederlandse popmuziek. Ook ging hij samenwerken met Pim de la Parra, met wie hij op de filmacademie gezeten had, waarvoor hij enkele filmsoundtracks produceerde en de hoofdrol speelde in diens film Let the music dance. Daarnaast schreef hij de muziek van twee films van Paul Ruven en produceerde hij platen van The Shooting Party, Bram Vermeulen, Stef Bos en Rowwen Hèze. In 1991 ging hij een nieuwe muzikale uitdaging aan, toen hij gevraagd werd om de rol van Anton Tsjechov op zich te nemen in de musical Tsjechov van Robert Long en Dimitri
Frenkel Frank. In 1992 verscheen een opname van de musical op cd. Tot 1993 stond De Groot in de theaters met Tsjechov. In 1993 had De Groot in het huis van Nijgh een ontmoeting met diens ex-vrouw Anja Bak. De twee kregen een relatie en trouwden in 1995. Datzelfde jaar werd hij gevraagd voor de rol van Otto Frank in een toneelbewerking van het dagboek van Anne Frank. Begin jaren 90 herstelden Nijgh en De Groot hun vriendschap. Ondertussen werd het oude materiaal van De Groot herontdekt door een jongere generatie. Deejay Jan Douwe Kroeske nam hierop het initiatief om in 1995 een tributealbum uit te geven, waarop diverse artiesten nummers van De Groot speelden. Het animo voor de plaat was overweldigend en artiesten en bands als The Scene, Arno, Tröckener Kecks, Bettie Serveert, DaryllAnn, Rowwen Hèze, dEUS, Hallo Venray, De Dijk en de Nits namen een nummer op van De Groot. Aan het eind van het album stond een verborgen nummer, dat van de hand van De Groot zelf was: Een wonderkind van 50. Het nummer was een hernieuwde samenwerking tussen De Groot en Nijgh en bleek een voorproefje te zijn voor een nieuw album. In 1995 produceerde De Groot de cd Manen kweken van zijn zoon Marcel de Groot. In 1996 verscheen De Groots nieuwe plaat onder de titel Een nieuwe herfst. De teksten waren voornamelijk van Nijgh, maar er waren ook teksten van Ruud Engelander, Herman Pieter de Boer en Harm Schepers. Op de plaat staan naast een serie nieuwe nummers ook nummers die hij voor anderen geschreven had; dit mede doordat de tekstschrijvers niet aan de vraag voor nieuwe teksten konden voldoen. Zo staan op dit album Kijken hoe het morgen wordt en Avond, die eerder werden opgenomen door De Nijs en Annabel en Vrolijke violen, die eerder werden opgenomen door De Booy. Ook maakte De Groot gebruik van oude teksten van Nijgh aangezien deze slechts met moeite aan nieuwe teksten toekwam. De plaat werd opgenomen met onder anderen Ernst Jansz, Jan Hendriks en Jan de Hont, en werd gearrangeerd en geproduceerd door Jakob Klaasse. Het orkestrale geluid van de plaat deed weer denken aan het oude werk van De Groot, en de plaat werd bekroond met een gouden plaat. Hetzelfde jaar deed De Groot een serie optredens met het Metropole Orkest onder leiding van Dick Bakker. Hij speelde hier een aantal van zijn hits en liet zich daarbij bijstaan door collega's als Jan Rot, Fay Lovsky, dochter Caya, Elly Nieman en Hans Hollestelle. Ook deed Ernst Jansz mee. Hetzelfde jaar was De Groot de eregast tijdens Nekka-Nacht van de Flanders Expo in Gent, waarbij diverse artiesten een hommage aan hem brachten. Ook verscheen er een oeuvrebox onder de titel Wonderkind aan het Strand, waarvan een dubbel-cdversie, met een verzameling succesnummers, en een 4 cd-boxversie, met daarop divers bonusmateriaal als de Engelstalige singles en een bijgevoegd boek, uitkwamen. Ook besteedde de NCRV in het programma Classic albums aandacht aan het album Voor de overlevenden, waarop de plaat in geremixte versie werd uitgegeven. Later volgde ook Picknick. Hierop ging De Groot op tour met de band waarmee hij het album had opgenomen. De tour duurde al met al zo'n twee jaar en voerde De Groot langs de meeste grote concertzalen in Nederland en België. Aan het eind van de tour werd er een live
dubbelalbum uitgebracht onder de titel Een hele tour waarop zowel het concert met het Metropole Orkest in de Amsterdamse Paradiso, als een bandconcert in de Gentse Vooruit stonden. In 1997 kwam de single Avond uit. Deze single wordt gezien als de grootste hit van Boudewijn de Groot. In 2005 kwam het lied, na een oproep van Radio 2 diskjockeys om eens op een ander nummer dan het tot dan toe heersende Bohemian Rhapsody van Queen te stemmen, voor het eerst op nummer 1 in de Nederlandse Top 2000. In 1998 werd De Groot beloond met een Edison voor zijn totale oeuvre en in 1999 werd hij, samen met Nijgh, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 2000 kreeg hij, als eerste artiest, de Radio 2 Zendtijdprijs toegekend. Tijdens het eraan verbonden Gala van het Nederlandse Lied bracht een keur van artiesten, waaronder Acda en De Munnik, Gé Reinders en De Nijs, een ode aan De Groots oeuvre in Schouwburg Orpheus. Tevens verscheen er een dvd met opnames van Hele tour onder de titel Tour. Hierna ging De Groot terug de theaters in, waar hij zijn rol van Tsjechov herhaalde. In 2001 speelde hij de rol van verteller in de musical Rocky over the Rainbow, die mede is geschreven door De Groots zoon Jim. In 2002 ging De Groot opnieuw met eigen werk op tournee. De band bestond voor het grootste gedeelte uit dezelfde muzikanten, met enkele kleine veranderingen. Zo werd Jakob Klaasse vervangen door Åke Danielson en de bassist Peter van Straten door Lené te Voortwis. De tour kreeg de naam Andere tijden mee. Voor het eerst in zes jaar werd er nieuw materiaal uitgeprobeerd, waaronder een aantal nummers die De Groot eerder schreef voor De Nijs en enkele teksten van Freek de Jonge. Een voorproefje werd gegeven met de mini-cd Andere tour, waarop de eerste resultaten te horen waren. Ondertussen werkte De Groot aan een album, dat enkel teksten van Nijgh zou bevatten. Deze bleek grote moeite te hebben om met nieuwe teksten op de proppen te komen. Eind dat jaar, op 28 november 2002, overleed Nijgh op 57-jarige leeftijd na een kort ziekbed. In 2003 hield De Groot een korte tour met het Limburgs Symfonie Orkest. In 2004 verscheen dan toch het nieuwe album, onder de titel Het eiland in de verte. De Groot mocht voor het album gebruikmaken van de archieven van Nijgh en had, kort voor diens dood, een aantal nieuwe teksten van hem gekregen. Andere teksten waren van de hand van Freek de Jonge, Jan Rot en Marcel Verreck. Datzelfde jaar vierde De Groot zijn tiende studioalbum, zijn 40-jarig artiestenjubileum en zijn 60e verjaardag. Dit vierde hij met een concertreeks onder de titel Eeuwige jeugd. De band had dezelfde samenstelling als de Andere Tijden-tour. Op 11 juli 2004 werd De Groot gelauwerd tijdens het slotconcert van de Vlaamse feestdag in Brussel, waarbij diverse Vlaamse artiesten een nummer van De Groot ten gehore brachten. Eind van het jaar trad hij wederom op met het Metropole Orkest (in theater Carré). Dat concert werd live uitgezonden op Radio 2. Ook kreeg hij een rol in de VRT-serie Flikken, waarin hij de Nederlandse rechercheur Robert Nieuwmanspeelde. Dat jaar eindigde hij ook op nr. 82 tijdens de verkiezing van De grootste Nederlander. Op 27 november 2005 bracht De Groot in De Philharmonie in Haarlem een zes uur durende hommage aan Nijgh, door alle 76 liedjes die ze samen gemaakt hadden in
chronologische volgorde te spelen. Datzelfde jaar werd de dvd van de Eeuwige Jeugd jubileumtouruitgebracht en een cd/dvd van een optreden uit 2003 in de Ancienne Belgique in Brussel onder de titel Een avond in Brussel live. In 2006 ondernam De Groot opnieuw een tour met het Limburgs Symfonie Orkest en was hij een van de zangers op de Soundtrack van de Nacht van Vrienten, waarvoor hij het nummer Het jagen voorbij inbracht. In 2006 werd het idee geboren om weer een kleine plaat te maken, met de band, zonder verdere orkestratie. Deze plaat werd opgenomen in Nederland en afgemixt in Nashville. De teksten op de plaat zijn afkomstig van De Groot zelf, Nijgh, Jack Poels, Freek de Jonge en Willem Wilmink. Op 19 januari 2007 werd de cd uitgebracht onder de titel Lage Landen. De plaat kwam op 3 februari op 1 binnen in de albumlijsten, iets wat niet meer gebeurd was sinds Hoe sterk is de eenzame fietser. Op 26 maart 2007 kreeg hij een gouden plaat bij de latenight-talkshow Pauw & Witteman.[2] Na de plaat volgde een concertreeks waarvan de TROS op 27 oktober een registratie uitzond en de dvd Lage Landen: Tour 2007 verscheen. Op 3 oktober maakte De Groot bekend dat hij een sabbatical zou nemen in 2008, om tot rust te komen van het vele toeren. In september 2009 verscheen een 12 cd-box onder de titel Boudewijn de Groot – Complete studioalbums & curiosa. In datzelfde jaar startte de tour 'Wilde Jaren', die liep tot het begin van 2010. De band kreeg een vernieuwde samenstelling: In het seizoen 2012/2013 kondigde Boudewijn zijn laatste grote tournee aan, getiteld Vaarwel, misschien tot ziens. "Muziek zal er altijd zijn, zingen zal ik blijven doen tot het niet meer kan. Dus vaarwel, maar we zien elkaar hopelijk nog weleens terug, u en ik," schreef Boudewijn in het programmaboekje voor de tour[3]. Een nieuw album werd daarbij niet uitgesloten. Wegens groot succes werd de tour in het seizoen 2013-2014 verlengd, met als allerlaatste datum 14 mei 2014. Op die dag speelde Boudewijn in de Philharmonie in zijn thuisstad Haarlem, op de dag af 50 jaar na zijn eerste plaatopname, op 14 mei 1964 in de Phonogram-studio's in Hilversum. De band bestond uit Boudewijn de Groot, die de zang en akoestische gitaar voor zijn rekening nam, Ernst Jansz of Nick Bult, die elkaar achter de vleugel per tourdeel afwisselden, Jan Hendriks of Marcel de Groot, die elkaar ook per tourdeel als gitarist afwisselden, Monique Lansdorp als violiste, Bert Embrechts als basgitarist en Åke Danielson als toetsenist. In 2015 werd aan hem de Buma Lifetime Achievement Award toegekend. Op 17 april 2015 verscheen het album, Achter glas, dat op 25 april binnenkwam op nummer 1 in de Album Top 100. Daarnaast kwam de zanger met plannen om in 2016 op tournee te gaan met Henny Vrienten en George Kooymans onder de naam Vreemde Kostgangers. Na afloop van de tournee verschijnt in februari 2017 van het trio een album. In juni 2015 kondigde De Groot een korte tournee aan, getiteld Achter Glas, na de positieve reacties van fans op de site van De Groot. Het repertoire van de tournee, die liep van januari tot eind mei 2016, bestond uit de nummers van de nieuwe plaat, aangevuld met onbekendere nummers uit het oude repertoire. De zanger werd bijgestaan door drie muzikanten. Sinds 2016 speelt Boudewijn de Groot niet meer solo, maar treedt hij op met Henny Vrienten en George Kooijmans als de band Vreemde Kostgangers. In die naam zijn de eerste letters van deze 3 muzikanten verwerkt.



2147907-86af8c03e6273b547be33960707e19ee.JPG

2147907-aeb5e969d8a44300b9d3da560d47eb55.JPG
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rami om 09:01 Reageer op dit bericht

Meer van toen

↑ Terug naar de berichten