Jan, heer van Rotselaar (en Vorselaar), verhuurt de Oude Tiende van Heyst, die hij zelf te leen houdt van de Heer van Heyst. 1410
Stadsarchief Leuven, schepenbankregisters, SAL 7711, fo 410 v
19 mei 1410
Item joncher Jan here van Rotselair, in jegewordicheiden der scepenen etcetera, / heeft gegeven ende bekent dat hi gegeven heeft Henrike vander Paelt, van / Haeght, ende Laureyce van Haeght, van Werchter, dOude Thiende / van Heyst, gelijc de vorscreven joncher Jan de vorscreven thiende bynnen den / dorpe van Heyst houdende es, te houden ende te hebben van Sente / Jans misse Baptisten naest comende tot enen termine van acht jaren / lang, deen nae dander daer nae sonder middel volghende, dats tewee de / twee yerste jare op hondert ende sessendertich guldenen Hollansche / ende dander sess leste jare vanden vorscreven termine op hondert ende vijftich / Hollansche gulden, van goude goit ende gheve, of de werde daer af in / anderen goeden guldenen gelde, deen helicht te Groetvastelavont ende / dander helicht te Chinxenen, te betalen {den vorscreven joncher Janne, Janne den Ridder sinen rentmeester / ende Henrike vanderHeyden sinen drossate, ocht den enen,} alle jare den vorscreven termine duerende / ende telken termine als vervolghde schout. Ende oec vorwarde: soe ware / de vorscreven Henric vander Paelt ende Laureyns bynnen den vorscreven termine / inden vorscreven thiende enighe scade name van gemeynen orloghe of / van tempeeste, dat de vorscreven joncher Jan den vorscreven Henricke ende Laureyce / daer af rastoer doen sal ende sculdich es te doene, gelijc ander heren hoeren / pachteners ende thiendeners aldaer boven ende beneden / van geliken saken doen selen. Pynnoc, Johanne Borchoven. Maij xix.

