Stadsarchief Antwerpen, Schepenregisters, SR 132 (1507), f°22 r-23r
22 juli 1507
<C(osten) (van) Halmale / J(an) (vander) Elst>
Henrick van Mechelen, Godevaert vander Dilft, Henrick / van Brouhezen en(de) Jan van Brouhezen, als naeste vriende / en(de) mage ende geleverde mombo(er)en metten rechte / van Franchoeysen, Lijsbetten, Claren en(de) Cecilien, wett(igen) kind(er)en / Pauwels van Mechelen wijlen, daer moeder af is jouffr(ouwe) / Marie van Brouhezen, welke kind(er)en zij hier inne vervi(n)gen (et)c(etera), /
bekenden en(de) verliden dat zij, navolgende der huwelicxsscher / vorwaerden tusschen den voers(crevene) Pauwelse van Mechelen en(de) / der voers(crevenre) Marien van Brouhezen tand(er)en tijden gemaect, / vander voers(crevene) kind(er)en wegen sculdich zijn van gerechter / wettiger schult, der voers(crevenre) jouffr(ouwen) Marien van Brouhezen / tsiaers erflick vierentwintich ponde gr(ote) Br(abants) p(ro)(ut) (com)(munite)r, dand(os) / alle jare natalis, en(de) van natalis p(ro)x(im)o over een jaer / dein(de) dierste rente daer af te gevene en(de) tAntwerpen te / betalene los en(de) vry van allen schote, lote, beden, settingen / en(de) oick van allen diensten ons gened(igs) he(er)en, en(de) allen / and(er)en oncosten dier op comen mochten.
Un(de) oblig(ave)ru(n)t: / een hoeve met huysingen, hovi(n)gen, lande, beemde, (con)t(inentiis) / et p(er)t(inentiis), geheeten tGoet ten Blaeuwensteene, gestaen ende / gelegen bynnen der prochien van Conticke in diversen / parcheelen, gelijck Willem Vuesels die nu ter tijt in / gerechter hu(er)en en(de) laetscapen besittende en(de) gebruyken(de) / is, en(de) gelijck men die te leene houdende is van / onsen gened(igen) he(er)e, ende voordane alle der voers(crevene) // kind(er)e and(er)e goede ru(er)ende en(de) onru(er)ende (et)c(etera).
Salvo / dat zij ?? q(ui)tabu(n)t ad pl(acitu)m ten iiij malen en(de) altijt / elken pe(n)ninck met xvj (penninger) en(de) met verschen(ender) renten. / Des zalmen dat een half jaer te vo(er)en seggen / alsmen dafquitinge zal willen doen.
Ende is te / wetene dat dese erfrente toecoempt vut zaken / van alsulken erfgoeden als de voers(crevene) Pauwels by(n)nen / zinen levene vander voers(crevenre) jouffr(ouwen) Marien huwelickx / goet vercocht heeft, de welke hij sculdich was / wedero(m)me aen te leggene, dat hij nyet gedaen / en hadde, na inhout vander clauselen inder voers(crevene) / huwelicxscher vorwaerden begrepen luyden(de) aldus: / “Ten lesten zoe is in desen wetteliken huwelike / ondersproken: oft gebuerde dat de voers(crevene) Pauwels / der voers(crevenre) jouffr(ouwen) Marien goeden oft e(e)nich van / dien vercochte, veranderde oft verthierde in / e(e)niger mani(er)en, dat Pauwels voerg(enoemd) alsdan / inde stede van dien vercochte goeden wedero(m)me / by(n)nen lants coopen zal alsoe vele renten / als hij goets van dien goeden vercocht zal hebben, / die staen zullen oick als oude stockgoeden der / zelver jouffr(ouwen) Marien en(de) ter natu(er)en dat die / zelve goede stonden doen zij die aen hem brachte.”
Mede quam vo(er)e ons de voers(crevene) jouffr(ouwe) Marie van / Brouhezen cu(m) tut(ore) ende bekende dat zij metter / voers(crevenre) assignatien en(de) bewisinge te vreden was, / gelovende in goeden trouwen dat zij den voers(crevene) / hu(er)en kind(er)en hier in boven, daer af ne(m)mermeer / meer aenspreken, heysschen noch moeyen en zal, / in geesteliken oft wercliken rechte, bij hueren zelven / oft bij iemende anders, van hu(er)en wegen in gheenre / mani(er)en. Sond(er) arg(elist). /
<(andere hand) ?Docuit? de feudo et hoc ex / relatu Joh(ann)is de Elst> /
xxij d(ie) julii ???leeu u/
De voers(crevene) mombo(er)en inden name als boven gaven / ter stont over en(de) bewijsden, {vander voirs(crevene) kind(er)en wegen} jouffr(ouwen) Marien van / Brouhezen, in betalinge van hu(er)er duwarien, / huer bijden voers(crevenen) Pauwelsen hu(er)en man in tract(er)en / van hu(er)en huwelike, toegeseet en(de) geloeft alsoe / langhe als de voers(crevene) jouffr(ouwe) Marie leven zal / en(de) nyet lang(er)e, en(de) dat opte conditien na / bescreven:
- ierst: een opperhuys metten bogaerde, / hofgrachten, weyden en(de) duyfhuyse, gelijck de / voers(crevene) Pauwels dat beseten heeft,
- it(em): noch een / hoeve met huysingen, hovi(n)gen, lande, beemde et / p(er)t(inentiis)
gestaen ende gelegen al deen bijden anderen / te Hallaer, onder de prochie van Heyst, gelijc Michiel / de Roeck die in laetscapen besittende en(de) geb[r]uyken(de) is. // Welke hoeve jaerlicx gelden(de) is, boven den co(m)m(er)e daer / uutgaende - xij (ponde) x (schellinge) gr(ote) Br(abants). ?Dr(oech)? op. Alsoe langhe ? / als zij met alle den rechte (et)c(etera).
Met conditien ende / vorwaerden hier inne ondersproken, en(de) ierst aengaende / der resten vander voers(crevenre) jouffr(rouwen) Marien duowarien, / gedragen(de) vj (ponde) v (schellinge) gr(ote) Br(abants) tsiaers, die moeten de / voers(crevene) hu(er)e kind(er)en jaerlicx uutreycken en(de) betalen / uut hu(er)en and(er)en goeden die zij behouden(de) bliven.
It(em) is / oick vorwaerde: waert dat de voers(crevene) hoeve {jaerlicx} myn oft meer / goude, dan die nu opten dach van huyden gelden(de) is / dat die schade en(de) bate de voers(crevene) jouffr(ouwe) Marie te / huerwaerd(er)e) behouden zal. Des moet zij altijt den co(m)mere / uuten voers(crevene) goeden gaende, jaerlicx gelden en(de) betalen, en(de) / de huysinghe houden in goeden custb(ar)en gerecke op hu(er)en cost.
It(em) waert zake dat de voers(crevene) jouff(rouwe) Marie huwelick / dade, dat dan de voers(crevene) Franchoeys hu(er)e zone, in dien hij / leven(de) ware, oft de mombo(er)en van zinen zust(er)en, tvoers(crevene) / opperhuys metten hoeven zelen moegen aenveerden / op dat zij willen. Behoudelic dat zij alsdan, der voers(crevenre) / jouffr(ouwen) Marien zelen moeten bewijsen en(de) assign(er)en, / op and(er)e goede, vaste, benoemde pande, vo(er)e hu(er)e duwarie, / xviij (ponde) xv (schellinge) gr(ote) Br(abants) tsiaers, eer zij vanden voers(crevene) goeden / scheyden zal.
Ende in zoe verre de voerg(eseyde) Franchoeys, tot / e(e)nigen state quame, het zij gheestelick oft weerlick, dat / in dien gevalle de voers(crevene) jouffr(ouwe) Marie oick afstant zal / moeten doen vanden voers(crevene) goeden, behoudelic der bewijsingen / van hu(er)er duwarien als vo(er)e.
Mede quam vo(er)e ons de voers(crevene) / jouffr(ouwe ) Marie van Brouhezen cu(m) tut(ore) ende bekende dat zij / metter voers(crevenre) assignatien van huerder duwarien wel te / vreden was, geloven(de) ut sup(ra) /
xxija d(ie) julij sub sigillo opidj u/