
Smakelijk !!!
Lang geleden toen onze triptiek geschilderd werd (eind 15de eeuw) was brood voor iedereen het voedsel bij uitstek. Een dagloner moest het merendeel van zijn dagelijkse calorieën opdoen uit roggebrood. De burger at brood van al of niet gebuilde tarwe, ook van masteluin (mengsel van rogge en tarwe). Alleen het fijnere brood was met biergist bereid; andere soorten moesten het met zuurdesem stellen. In vele gezinnen bakte men zelf, maar bijvoorbeeld in Leuven ging men meer brood kopen bij de bakker of bij de boeren op de weekmarkt. De broodjes waren eerder klein en hun gewicht varieerde in functie van de graanprijs.
![]() |
Op de feesttafels van de welgestelden verscheen ook meer verfijnd gebak: gele eiertaarten, witte kaastaarten en soms rijst- of amandeltaarten. Peperkoek was blijkbaar een meer verspreide lekkernij, die speciaal op kermissen te verkrijgen was en die op de feestdagen aan de gelovigen na de communie uitgedeeld werd.
Op de tafel van de gegoeden verscheen nogal wat vlees en vis.
Velen kweekten zelf varkens en schapen, uitzonderlijk geiten en bij de grotere huizen trof men wel eens koestallen aan.
Vers vlees was echter vrij duur en de meesten moesten het stellen met het in november ingezouten vlees van eigen slachting of gekocht bij beenhouwers in de stad.
In feite waren alleen de rijkeren vleeseters terwijl het menu van de arbeiders meestal vegetarisch was en het vlees dat deze laatsten soms wel eens onder de tand kregen was dan in hoofdzaak afkomstig van zelfgekweekte varkens of schapen of van kramen op de markten waar vlees werd verkocht dat bedorven was en afkomstig van zieke slachtdieren.
De burger kocht zijn vers of gezouten rund-, lams- en varkensvlees van de vleeshouwers in de vleeshalle in de stad. Er werd zelfs gebraden en gekookt vlees te koop gesteld.
Voor de feestschotels beschikte men over braadvarkentjes en vleespasteien, vaak opgediend in een deegomhulsel. Pensen schenen ook voor de gewone man een bereikbare lekkernij geweest te zijn. Een bijzonder Leuvens gerecht waren hersenen en choesels (de alvleesklier van het rund). Opvallend is ook dat vele varkens, gekweekt in de eikebossen van Henegouwen en in kudde naar de Brabantse markten gedreven, bijzonder magere beestjes moeten geweest zijn. Daarom was vet spek een luxeartikel dat uitsluitend gebruikt werd voor het larderen van wild.
Allerlei wildsoorten en gevogelte vulden de keuze op de feesttafels van de rijken aan. Vermelden wij hieronder de kapoenen (vetgemeste gesneden hanen), parelhoenders, duiven, fazanten, sneppen, pluvieren en zelfs zwanen en pauwen. Pas in de zestiende eeuw zal de kalkoen vanuit Amerika op de Europese tafels belanden.
De gewone man kon wel wat kippen en konijnen kweken, en het stond in Brabant iedereen vrij op klein wild en vogels te jagen met netten, strikken en lijm.
Het wel bijzondere hoge vleesverbruik der burgerij is des te frappanter daar door de strenge vastenvoorschriften van de Kerk het aantal vleesloze dagen vrij hoog lag. Vele vleeshouwers verkochten daarom ook vis. In de stadsgrachten en de soms kunstmatig aangelegde vijvers rond Leuven werd intensief vis gekweekt, ook de rivieren waren nog rijk aan vis.
Paling, karpers en snoeken, eventueel verwerkt tot pasteien, waren hoofdzakelijk een lekkernij voor de hogere klasse. De groenvis of zoetwatervis was op verre na niet voldoende voor de stedelijke behoeften. Het trage vervoer bracht ook met zich mee dat de aangevoerde “verse” zeevis vaak geen goede geur had, deze werd dan ook hoofdzakelijk ingezouten verkocht. Kabeljauw, schol, tong en zalm waren vooral voor de gegoeden bestemd en men kon ook nog abberdaan, stokvis en steur kopen. De dagelijkse vis was de haring, vers, gezouten of gedroogd. Hij werd zelfs, evenals mosselen, langs de straat vrij verkocht. De haring werd slechts uitzonderlijk gebakken; normaal werd hij gekookt opgediend met een sausje van azijn en look.
Onder het vastenverbod vielen ook de zuivelproducten. In perioden van hongersnood werd hiervoor wel dispensatie verleend. Eieren waren in de handel vrij duur, maar de hogere klassen verbruikten er grote hoeveelheden van, niet alleen als eierkoeken, maar eveneens in de bereiding van allerlei gerechten. Tevens moet het melkverbruik bij hen vrij hoog gelegen hebben in de vorm van melksoep en pappen. Een echte “boter”-ham was daarentegen ook bij hen zeldzamer. Wanneer men boter at, was het als een soort toespijs net als kaas.
Bij het bereiden en braden van gerechten gebruikte men uit raapzaad geperste olie en soms liesmout.
In de late middeleeuwen was de keuze aan groenten uiterst beperkt. Aardappelen ontbraken natuurlijk volledig. De potagie ( petuis in het Leuvens dialect) moest de grote honger stillen.
Het was een soort van stamppot van erwten, eventueel bonen, waarin op niet-vastendagen bij de gegoeden ook wat liesvet was gemengd. Naargelang het seizoen werden er ook wortelen, prei, kolen, rapen, rapen- en bietenbladeren, enz. aan toegevoegd. Op de betere tafels werden ook wel slagerechten opgediend; echte sla, gekookte rode biet, raapstelen, jonge gebleekte hopscheuten werden gegeten met olie en azijn.
(uit “Dirk Bouts en zijn tijd” – tentoonstelling 1975)













