
Dendrochronologie
Dendrochronologische studie van de Triptiek van de Heilige Drievuldigheid
bewaard in de Sint-Servatiuskerk in Berg (Kampenhout) [1]
door Pascale FRAITURE (Eerste assistente – Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.)
Introductie
Dendrochronologie is de wetenschap die de groeiringen van bomen bestudeert, die in onze streken jaarlijks door bepaalde bomen worden gevormd (eik, den, spar …). De datering van houten objecten neemt een belangrijke plaats in onder de talrijke toepassingen van deze discipline. De precisie waarmee een datum kan bepaald worden – in de beste gevallen op een jaar na – maakt deze techniek zo belangrijk.
Dendrochronologie maakt het mogelijk houten structuren te dateren afkomstig van archeologische opgravingen (palen, resten van boten…), oude monumenten (dakkappen, vakwerkstructuren…) en kunstwerken (geschilderde panelen, beelden, muziekinstrumenten…).
Algemene principes
Ieder jaar produceert een boom net onder de schors een laag hout die men een groeiring noemt (fig.2). De dikte van de ringen varieert in functie van factoren die de groei van de boom beïnvloeden, waaronder de belangrijkste het klimaat is: om het simpelweg te zeggen, in een goed jaar (bv. met voldoende regen) zal veel hout geproduceerd worden en dus ook een brede ring, terwijl dit in een slecht jaar een smalle ring zal opleveren. Daar het klimaat van het ene jaar op het andere varieert, zijn de breedtes van de opeenvolgende jaarringen van een boom verschillend.
Bovendien, de bomen van een zelfde soort reageren op vergelijkbare wijze op de klimaatvoorwaarden die binnen een gegeven geografische zone dezelfde zijn.
De breedte van de opeenvolgde groeiringen van hout zijn dus eigen aan:
- de periode waarin de boom leefde (het klimaat verandert van jaar tot jaar);
- de regio waarin de boom leefde (het klimaat varieert van streek tot streek).
Hoe dateren?
De dendrochronologische analyse van een kunstwerk vergt geen monstername in tegenstelling tot de studie van gebouwen of archeologische resten. De groeiringen zijn onmiddellijk leesbaar op het kopse vlak van de planken van de houten dragers van schilderijen, na de ontmanteling van het kader (fig.1).
![]() |
Fig. 1. Bovenste smalle zijde van het rechterluik (schaal 1/2 mm).
De opmeting van de groeiringreeksen wordt uitgevoerd met behulp van digitale macrofotografie, gestandaardiseerd op een halve millimeterschaal (fig.1). De groeiringen worden vervolgens gemeten op computerscherm met gespecialiseerde software.[2]
Daarna worden de dendrochronologische reeksen, met behulp van een computer,[3] vergeleken met een gegevensbank die een collectie van absoluut gedateerde chronologieën inhoudt, opgesteld per soort en per regio. Het bepalen van de juiste positie van een te dateren hout op deze referentiechronologieën geeft de periode aan waarin de boom leefde.
Dergelijke referentiechronologieën worden verkregen door opeenvolgende overlappingen te zoeken tussen groeiringpatronen. Daarbij wordt vertrokken van het groeiringpatroon van levende bomen waaraan steeds ouder hout uit monumenten en archeologische sites wordt gekoppeld.
Nauwkeurigheid van de datering
![]() |
[7] Fraiture P., 2007. Les supports de peintures en bois dans les anciens Pays-Bas méridionaux de 1450 à 1650: analyses dendrochronologiques et archéologiques, Thèse de doctorat, Université de Liège, 3 vol., 447p., 347 p. et 491 fig. (onuitgegeven).
[8] Fraiture P., 2007.
Fig. 2. Schema van de dwarsdoorsnede van een eikenstam:
- de verschillende delen van het hout: merg (kern), kernhout, spinthout en mergstralen (en schors rond de stam);
- de opeenvolging van de jaarlijkse groeiringen; de oudste omringt het merg en de recentste werd aan de rand van de stam gevormd, net onder de schors;
- de verschillende oriëntaties bij het verzagen in planken (in het rood); vol kwartiers, kwartiers en vals kwartiers;
- de verschillende, mogelijke situaties die de interpretatie van de datum voor velling van de boom kunnen beïnvloeden (in het blauw): plank met volledig spint (A), plank met een gedeelte van het spint (B), planken zonder spint (in het geval C ontbreekt enkel het spint; in het geval D ontbreken het spint en enkele ringen van het kernhout)
1. Als aan het te dateren hout nog schors hangt dan is de laatste groeiring van de boom nog aanwezig (fig.2-A). In dit geval dateert de dendrochronologie de velling van de boom op een jaar na (bv. jaar van de laatst gemeten ring: 1551 à velling in 1551).
2. Als het te dateren hout nog een gedeelte van het spinthout heeft bewaard (fig.2-B), dan kunnen we het ontbrekende aantal spinthoutringen schatten. De dendrochronologie dateert de velling op enkele jaren na (bv. jaar van de laatst gemeten ring: 1817 à schatting van de velling tussen 1818 en 1828).
3. Als het spinthout volledig is verwijderd, is het mogelijk het verloren gegaan deel van het hout te kwantificeren (fig.2-C of D). De dendrochronologie geeft dan de vroegst mogelijke datum vanaf dewelke de boom kan geveld zijn. Deze datum komt overeen met de laatst gemeten ring waaraan het minimum aantal ringen wordt toegevoegd die het spinthout zou moeten omvatten (bv. jaar van de laatst gemeten ring: 1400; minimaal spinthout: 9 ringen à velling na 1409).
Dendrochronologische studie van de Triptiek van de Heilige Drievuldigheid
Het middenpaneel van de triptiek is samengesteld met zeven verticale eikenhouten planken; elk luik bestaat uit telkens drie planken. Op geen enkel element is de kern en het spinthout bewaard gebleven. Deze delen neigen tot vervorming en/of tot rotting. De groeiringreeksen worden dus ontdaan van de eerste en laatste groeiringen van de bo(o)m(en).
De kwaliteit van de verkregen synchronisaties bevestigt dat de planken van drie verschillende eikenbomen afkomstig zijn: twee eiken hebben ieder zes planken opgeleverd en de derde slechts één. De groeiringreeksen afgeleid van een zelfde boom werden in hun huidige positie samengebracht om het representatieve dendrochronologisch gemiddelde van dit individu te berekenen.
De drie dendrochronologische gemiddelden werden daarna met absoluut gedateerde referentiechronologieën uit onze databank vergeleken met een datering als doel. Telkens werd een betrouwbaar resultaat bekomen: de meest recente groeiringen werden respectievelijk gevormd in 1439, 1451 en 1454.
De chronologieën die de groeiringreeksen dateren dekken de regio’s rond de Baltische zee wat betekent dat de eiken uit deze grote geografische zone afkomstig zijn, zoals dit het geval is voor het overgrote deel van de Vlaamse ‘houten’ kunstvoorwerpen uit de XIVe tot XVIIe eeuw. Dit hout, komende uit de grote, natuurlijke wouden verspreid langs de rivieren, werd tot in de Baltische havens gevlot en uitgevoerd via de Hanzesteden en daarna de Hollandse handelaars. De Baltische eik die in grote hoeveelheden en aan een lage prijs beschikbaar was, had mechanische kwaliteiten die bijzonder aangewezen waren om kwaliteitsplanken te zagen (smalle, regelmatige ringen, rechte draad…).
Daar op geen enkele plank van de Triptiek een spoor van het spint[4] bestaat, is het onmogelijk de ontbrekende hoeveelheid kernhout[5] te bepalen die bij het verzagen in planken is verdwenen (fig.2-C of D), en is het ook uitgesloten te achterhalen hoeveel jaren er liggen tussen de vorming van de laatst gemeten ring voor elke boom en de werkelijke datum van zijn velling. Het dendrochronologisch resultaat stemt dus overeen met een terminus post quem voor de velling van elke eik, het is te zeggen de vroegst mogelijke datum vanaf dewelke hij kon omgezaagd worden, en niet het exacte jaar van de velling.
Statistische studies uitgevoerd op groeiringreeksen van eikenbomen afkomstig uit het Noorden van Polen hebben aangetoond dat deze tussen de 9 en 36 spintringen[6] bevatten. Een minimum van 9 ringen, overeenstemmend met 9 jaar, mag dus aan de datum van de laatst gemeten ring van elke boom worden toegevoegd om de vroegst mogelijke veldatum voor de eik te situeren: 1448 voor de boom waarvan de laatste groeiring werd gevormd in 1439, 1460 voor diegene gedateerd op 1451 en 1463 voor de boom met als meest recente groeiring in 1454.
Het interval dat verloopt tussen het vellen en het gebruik van het hout in paneelvorm moet eveneens in beschouwing worden genomen. Dit omvat de tijdspanne nodig voor het vierkant zagen van de stam, het vervoer van het hout, het kwartiers zagen en nadien in planken zagen, de droging, het ineenzetten en de constructie van de triptiek. Voor de periode tussen het eind van de 15de tot het begin van de 17de eeuw opperen historische en archeologische studies slechts enkele maanden te tellen[7]. Talrijke dendrochronologische studies vermelden nochtans een consequent interval tussen de resultaten en de geschatte of gekende datum van uitvoer[8]. Men mag dus geen enkele veralgemening hieromtrent aanvaarden. Bij gevolg geeft onze studie de datum 1463 als terminus post quem voor het ineenzetten van de dragers van de triptiek, resultaat verkregen op basis van de meest recentste ring van het geheel (1454).
Besluit
Het dendrochronologisch onderzoek van de drie luiken van de Triptiek van de Heilige Drievuldigheid bevestigt de homogeniteit van het geheel vermits planken afkomstig van dezelfde boom in verschillende panelen geïntegreerd zijn. Uit drie afzonderlijke eikenbomen werden dertien planken gezaagd en geïntegreerd in de drie luiken; alle zijn afkomstig uit de omgeving van de Baltische zee. De meeste recente ring uit het geheel dateert van 1454. Daar het spinthout niet bewaard bleef, stellen wij als terminus post quem voor de velling 1463 voor. De dendrochronologische analyse situeert het samenstellen van de dragers ten vroegste in het laatste trimester van de 15 eeuw.
[1] Ik bedank van harte mijn collega Kristof Haneca (VIOE) voor het zorgvuldig nalezen en verbeteren van de Nederlandse tekst.
[2] Lambert G.-N., 2006. Dendrochronologie, histoire et archéologie, modélisation du temps. Le logiciel Dendron II et le projet Historic Oaks, thèse de doctorat (Habilitation à Diriger les Recherches), Université de Franche-Comté, 2 vol., 151 p. et 206p. (onuitgegeven).
[3] De vergelijkingen tussen de te dateren reeksen en de referentiechronologieën worden uitgevoerd met behulp van de software DendronII. Lambert G.-N., 2006.
[4] Het spint bevindt zich aan de rand van de stam, net onder de schors – het omvat de recentste groeiringen en het levende hout van de boom – waarlangs het sap van de wortels tot in de takken stijgt, het is dus rijk aan voedzame bestanddelen en gevoelig aan biologische degradatie (fig.2).
[5] Het kernhout is het biologisch inactieve deel van het hout. Een ring wordt in het spint gevormd; na enkele jaren wordt hij tot kernhout omgevormd (fig.2).
[6] EcksteinD., WaznyT., BauchJ. & KleinP., 1986. New Evidence for the Dendrochronological Dating of Netherlandish Paintings, in Nature, 320, p. 465-466.
































