
Opzoekingen...
Meer dan 500 jaar geleden, de hertogen van Brabant, de Bourgondische hofhouding (Filips de Goede, Karel de Stoute) en … de Vlaamse Primitieven.
1400 tot 1500, een eeuw van rijke edellieden, ambachtslui, kunstenaars, metselaars, steenhouwers, schilders, edelsmeden, wapenmakers, wijnhandelaars, garen- en bandverkopers, lakenhandelaars, apothekers (allen meesters, welgestelden uit de wereld van arbeid en handel) en arme sukkelaars.
Vooral de Bourgondische Staten, waaronder religieuze en burgerlijke instellingen bezorgden het voornaamste deel van klanten aan de kunstenaars. Kerken en broederschappen kochten graag kunstwerken.
“Sint-Elooi als edelsmid” van schilder Petrus Christus was een bestelling van de edelsmeden van Antwerpen en de “Sint-Sebastiaan” van Memling werd gemaakt voor rekening van de Brusselse gilde van de boogschutters. De “Triptiek van Sint-Erasmus” van Dieric Bouts was bestemd voor het broederschap van het Heilig sacrament dat zetelde in de Sint-Pieterskerk van Leuven. Hetzelfde geldt ook voor zijn “Drieluik van het Laatste Avondmaal”.
![]() |
![]() |
"St-Sebastiaan" (Memling) "St-Erasmus" (Bouts)
De aankoop van kunstvoorwerpen was niet altijd bestemd voor persoonlijk gebruik. Een groot deel ging naar de kerken. Dit wordt verklaard door een eenvoudig samengaan van vroomheid en familiale trots. Vanaf het einde van de 13de eeuw verschijnen in kerken, die tot dan toe slechts kapellen hadden rond hun koor, ook kapellen van families in de zijbeuken van het kerkschip. Deze worden talrijker in de 14de en de 15de eeuw.
De schenkers dachten ook dat hoe prachtiger hun kapel was, hoe meer ze zou bijdragen tot het prestige van hun geslacht. Zo wordt het belang dat in de Bourgondische wereld aan de kunstwerken werd gehecht, voor een groot deel verklaard door de bezorgdheid voor het sociaal prestige. Het bezit van kunstwerken en een kapel in de kerk is nodig als men zijn rang wil behouden. Anderzijds werden de relaties tussen de kunstenaar en zijn mecenas overheerst door conventies die een vrije dialoog belemmerden. Wanneer het ging om een religieus onderwerp, dan was het de schilder niet toegestaan om het volgens zijn eigen fantasie of die van zijn klant te behandelen, want de kerk wou alles vermijden wat aanleiding kon geven tot een verkeerde interpretatie van het geloof. Zo werd “ Het Laatste Avondmaal” van Bouts gecontroleerd door professoren in de theologie van de universiteit van Leuven.
![]() |
"Laatste Avondmaal" (Dieric Bouts)
Deze dwang hield bovendien niet op bij de drempel der kerken. Wanneer het gemeentebestuur van Leuven besliste één der zalen van het stadhuis met een schilderij te versieren, was het niet Dieric Bouts die “Het oordeel van keizer Otto” koos, maar een geestelijke die door de magistraten werd geraadpleegd. Nog andere soorten dwang drukten op de kunst, de kleuren bezaten een symbolische betekenis, de aanwezigheid van een dier, een bloem of een ander voorwerp op het schilderij werd niet aan de fantasie van de schilder overgelaten. In het nederige decor van de Geboorte komt men vaak een mooie zuil tegen. Dit ongewone element had als doel eraan te herinneren dat, volgens de traditie, Maria het kind rechtop had gebaard.
De schilders poogden zich niet van deze dwang te bevrijden. Bovendien was hun mentaliteit heel anders dan deze die sinds de romantiek in de kunstenaarswereld heerst.
Zij waren geen individualisten. Zoals men weet deden ze nauwelijks de moeite hun werken te identificeren (dit is dan ook nu, ons probleem met de anonieme schilder van onze triptiek).
De meest gerenommeerden onder hen gedroegen zich als leiders van de groep, terwijl ze het werk deelden met hun medewerkers, waardoor trouwens de problemen van toeschrijving zo moeilijk kunnen worden opgelost.
Men mag ook niet vergeten dat de mensen die aan de 15de eeuw zijn roem verleenden, door hun tijdgenoten niet werden beschouwd als super-kunstenaars maar als ambachtslieden. Ze gedroegen zich trouwens zelf als anbachtslieden door nederige taken aan te nemen. Allen versierden zij vaandels, muren, wapenschilden. Een Van der Goes vervaardigde uithangborden die de hutten van de aflatenpredikers versierden. Gerard David schaamde zich niet om het hek en de luiken te herschilderen van het huis waar de Bruggelingen Maximiliaan Van Oostenrijk hadden opgesloten.
Niettegenstaande het feit dat de persoonlijkheid van de kunstenaar werd gehinderd, verdwijnt ze toch niet helemaal. Een Van Eyck of een Van der Weyden, een Memling of een Van der Goes, die van dezelfde gegevens uitgingen, hebben toch hun eigen totaal verschillende werelden opgebouwd.
De Bourgondische staat is sinds lang verdwenen, maar de meesters der Vlaamse Primitieven van de 15de eeuw hadden hun werken niet kunnen uitvoeren, als deze niet hadden beantwoord aan de smaak van hun tijdgenoten en als ze niet hadden geprofiteerd van hun aanmoedigingen en hun bestellingen. Men mag niet vergeten dat de schilders hun meesterwerken slechts hebben kunnen realiseren dank zij de atmosfeer van weelde en schoonheid waarin de hertogen van Bourgondië en hun dienaars leefden.
Elke stad had ook een eigen officiële schilder. Zo zijn Van der Weyden en Van der Stockt de officiële schilders van de stad Brussel geweest, Dieric Bouts was die van Leuven en andere kunstenaars vervulden overeenkomstige functies in Brugge, Gent en Ieper.
![]() |
![]() |
Tijdens onze opzoekingen, waarbij we de straat door het venster op het rechter paneel van onze triptiek, als de huidige Bergstraat met achteraan de toren van het stadhuis te Brussel denken te herkennen, vonden we dichtbij, aan de St-Goedelekathedraal, in de “Heilige Drievuldigheidstraat”, de huidige Markiesstraat, een gasthof, genaamd “De Heilige Drievuldigheid”, waar jonge schilders verbleven die samen werkten met Van der Weyden, wiens atelier zich eveneens in dezelfde omgeving bevond. Eén der uithangborden aan de huizen rechts van de straat zou zelfs duiden op een winkel met schildersgerief, borstels en verven. Dat er dicht bij de Bergstraat een groot Dominicanenklooster was en dat men in de straat, op het rechterpaneel van de triptiek, een wandelende Dominicaan kan zien terwijl de geestelijke op het linker paneel van de triptiek eveneens een Dominicaan blijkt te zijn,
(toeval of niet, misschien komen we ooit wel meer te weten).













