Koekje?

Koekje?
Het jongetje op de koektrommel
Nu toch al weer zo’n maand of twee ga ik elke zaterdag trouw naar de quiz in het Han Snel Restaurant in Ubud. Naast algemene kennisvragen zijn er ook audio-, video- en fotovragen. Ons team, mijn twee buurmannen en ik, heet ‘Cempaka’ wat frangipani(boom) betekent in het Indonesisch of in het Balinees, dat ben ik even kwijt. De laatste sessie deden we het erg slecht. De audioronde ging over opera, de fotovragen waren vlaggen en de videoronde draaide rond Amerikaanse talkshow hosts. Allemaal dingen waar geen enkel lid van het Cempakateam kaas van had gegeten. We werden dan ook laatste. De zaterdag daarvoor was het wel ons dagje. In de audioronde kregen we tien fragmenten uit Beatlesnummers te horen en moesten we de titels opschrijven. We konden alle drie zowat alle nummers haast letterlijk meezingen. De titels waren dan ook geen probleem en we scoorden 9/10. Toen de quizmaster bekendmaakte dat het Cempakateam “… an amazing 9 out of 10!” had gescoord kreeg ik een flashback.
Het was 1960 en ik zat in het eerste leerjaar bij mevrouw Verpooten. Ergens op het einde van het schooljaar moeten we voor het eerst een dictee hebben gehad. De volgende dag had mevrouw Verpooten de verbeterde dictees weer bij en had die op een stapeltje voor zich op het bureau liggen. Ze zei: ‘Er is één jongetje dat geen enkele fout heeft gemaakt in het dictee,’ en haalde toen een rond koekblik uit een lade van haar bureau. Ze liet ons het deksel zien. Er stond een blond jongetje op. ‘… en hij lijkt precies op dit jongetje’ ging ze verder. Ik weet nog dat ik toen dacht: ‘Wat een gelukzak, geen fouten en dan lijkt hij ook nog op dat jongetje, what are the odds?’ Dat dacht ik natuurlijk niet letterlijk, ik kende toen trouwens nog geen Engels, maar dat was de strekking van mijn gedachten. ‘En wie weet er wie dat jongetje is?’ vroeg mevrouw Verpooten toen. Iedereen keek een beetje om zich heen, afwegend wie het zou kunnen zijn. ‘Het is Dirkske Weemaes’, zei ze toen.
In een eerste opwelling wilde ik kijken waar die nou weer zat maar dat duurde maar een fractie van een seconde. Dan: ‘Ik zal het wel verkeerd gehoord hebben’. Maar neen, alle blikken, die van de lerares incluis, waren op mij gericht. Ze begon toen iets te zeggen dat ik niet eens meer hoorde, zittend op mijn wolk en met een gevoel van ongeloof, blijdschap en trots. De blikken van mijn vriendjes: verrassing, bewondering, wat afgunst misschien.
Ik moet een beetje dromerig voor me uit hebben zitten kijken want mijn teamgenoten riepen me tot de orde. De volgende vragenronde kwam eraan.
Zo helder waren de beelden, zo authentiek de gevoelens, na 50 jaar.
Onvoorstelbaar.
Compromis "à la Belge"...
L'armée belge vient de s'apercevoir que son stock de munitions a dangereusement baissé. A la suite d'une erreur dans la procédure d'achat, aucune commande n'a été faite pour regarnir les bandoulières.
Un général fit le calcul : d'ici 2012, chaque soldat n'a plus droit qu'à quatre cartouches. Ce n'est pas trop grave pour les piou-pious stationnés en Belgique : on n'en est pas encore à tirer sur la foule (quoique ça ne saurait tarder vu le climat délétère, mais avec un peu de bonne volonté on peut attendre 2012).
Mais pour ceux qui combattent en Afghanistan, c'est un peu plus ennuyeux.
On nomma donc une commission qui trouva la parade suivante : au lieu de tirer, nos héroïques soldats crieraient 'pan-pan', ce qui terroriserait les Talibans et les mettrait en débandade.
Oui mais... Crieraient-ils 'pan-pan' en français ou en flamand ? Grave question.
Les Flamands de la commission firent une proposition : on crierait en néerlandais les jours impairs et en français les jours pairs. Chacun se félicita de cette solution équilibrée jusqu'à ce qu'un Wallon futé décèle le piège horrible : dans une année normale, il y a deux jours impairs de plus que de jours pairs.
On se crêpa le chignon toute la nuit et enfin au petit jour, on convint qu'un coefficient correcteur serait appliqué en début août afin de balancer les jours manquants : on crierait en français un jour impair le nombre de minutes suffisantes pour corriger l'injustice.
Mais la proposition de la commission fut rejetée par le ministre des Armées.
Car si les Talibans n'attaquaient que les jours pairs, et ils en seraient bien capables, ces affreux, alors on crierait plus en français qu'en néerlandais, car enfin, on ne peut demander à nos soldats de crier en l'absence de l'ennemi. Et tout l'équilibre linguistique serait compromis.
Une autre commission proposa de compter le temps réel des escarmouches.
Le coefficient correcteur serait alors appliqué semaine après semaine en fonction des cris réellement poussés. Bien sûr, il faudrait adjoindre à chaque unité un contrôleur linguistique qui, légèrement en arrière de l'action, chronométrerait les événements.
Cette fois-ci, c'est le ministre des Finances (un abominable francophone) qui refusa : le coût de ces contrôleurs linguistiques serait trop élevé et en tout cas n'est pas budgété. La presse fustigea le ministre qui refusait une dépense pourtant tout à fait justifiée pour faire régner la paix linguistique.
Ce fut un fonctionnaire sous-payé qui trouva l'oeuf de Colomb.
Le premier 'pan' serait en néerlandais, le second en français. Ainsi la parité serait tout à fait respectée.
Et il en fut ainsi.
La tactique se révéla payante car il paraît que tous les Talibans de la zone belge sont morts de rire.
Julian & Sophia
Het oorspronkelijke plan was om naar een optreden te gaan van de Balinese gitarist Balawan in het Bunuté restaurant in Ubud. Vaak speelt die daar op vrijdagavond, deze week jammer genoeg niet. We kozen dan maar voor Cinta Grill. Er vlak naast is de ‘Laughing Buddha Bar’ waar er ook vaak live muziek is.
We arriveerden in Cinta Grill om kwart na zeven. Een poging om de 2 mojito’s voor de prijs van één te krijgen mislukte jammerlijk. Happy Hour was tot 19:00 en daar hielp geen lievemoederen aan. Thomas ging voor de Nasi Goreng die daar erg lekker is, Liesje nam een eerder mager uitgevallen Caesar Salad (zonder kip!) en ik bestelde een Cobb Salad (blue cheese, avocado, spekjes, ei, kip en sla natuurlijk: lekker). Thomas en Liesje hadden zich, na onze fles saké bij Minami de vorige dag, voorgenomen om er een alcoholvrije avond van te maken. Ik bestelde toch maar een Bintang kecil om het af te leren.
Tijdens het eten viel me de hele tijd een man op, alleen aan een tafeltje een eindje verder, een sprekende reïncarnatie van Pim Fortuyn. Als zoete wraak voor de ons geweigerde mojito’s besloten we bij de buren ons dessert te bestellen.
Zal ze leren.
We vonden een plaatsje op de verdieping met een goed zicht op de artiest die zou gaan spelen. Een echt sixties sfeertje met mensen op lage sofa’s en poefs. Liesje en Thomas bestelden een chocoladegebakje met vanille ijs en bijzonder gezond uitziende drankjes waarvan ik de ingrediënten vergeten ben. Ik hield het op een Classic Margarita. We raakten in gesprek met Australische mensen in afwachting van het optreden.
Met drie kwartier vertraging begon Adrian Adioetomo aan zijn soloset. Een hoogst ongewone ervaring. Een ietwat ielig mannetje in jeans en een mouwloos T-shirt, flinke tattoo op de arm. Alleen zijn hoofd was niet rock ‘n roll. Trek de man pak & das aan en hij kan doorgaan voor een boekhouder of een bankbediende. Hij speelde Delta Slide Blues met een flinke scheut Jimi Hendrix en af en toe een vleugje Clapton.![]()
Toen ik na m’n derde Margarita beneden een vermomde Julian Assange meende te zien zitten met aan zijn zijde een jonge Sophia Loren besloot ik onze chauffeur Dewa te bellen. We waren ruim voor middernacht thuis.
Morgen ga ik quizzen bij Han Snel en de jongeren gaan de Kecak Dance bekijken in Uluwatu en geroosterde vis eten op het strand in Jimbaran.
Het kan niet elke dag Woodstock zijn.
Dat gaat ook gauw vervelen.
Niemendalletjes
I ♥ U
Twee waterjuffers kwamen me in mijn kantoortje een nieuw jaar vol liefde toewensen.
Ik kies ervoor om dat te geloven in ieder geval.
Two damselflies came to my office to wish me a new year filled with love.
That is what I choose to believe anyway.
Avro
TripWOW!
Merci beaucoup
Ik wil niet alleen doodgaan‘… het is een Turk Sjaak, geloof me nou maar.’
‘ Dat kan best wezen Mop, maar daarom hoef je toch nog niet zo luid te praten. Trouwens, er zijn een boel Turkse Nederlanders en die begrijpen heus wel wat je zegt.’
Deze Turk nipte nog een keer aan zijn Bintang en las, hoogst geïnteresseerd, verder zijn krantje.
‘… en toen ze dan zei dat Moppie helemaal scheef liep en de hele tijd voor de keukendeur lag te miauwen kreeg ik een krop in mijn keel Sjakie…’
‘Die kat is ook al oud meid. Hoe lang hebben we haar al wel niet? Jaartje of 10? Nou, doe dat maar maal zeven hoor.’
‘Dat is voor honden Sjaak, maal zeven. Afijn, ik zei dus tegen haar, ik zei: ‘Ga jij nou met haar naar de dokter meissie. Straks gaat ze nog in haar uppie dood terwijl wij hier gezellig op Bali in het zonnetje zitten.’ Ik mag er niet aan denken Sjaak, dat Moppie zo ellendig in haar eentje zou liggen te creperen. Dat is toch het ergste wat er is, alleen doodgaan?’
‘Dat is zo meid. Zal ik nog een Bintankje doen?’
‘Doe mij maar een zoet wit wijntje dan.’
Sjaak sommeerde een Balinees geklede kelner.
‘Have you also a sweet white wine Jan?’ vroeg hij.
Dat bleek niet zo te zijn dus werden het, na enig overleg, toch maar twee kleine Bintangs, het lokale Heineken. ‘Now, doewa bintangs kecil then Jan’ bestelde Sjaak.
‘Waarom noem je hem nou de hele tijd Jan. Ken je hem misschien van thuis in de kroeg?’ vroeg Mop, met een vleugje ironie in haar stem.
‘Nee, zo heet ie gewoon. Vond ik ook al een rare naam voor een Balinees maar iedereen noemt hem zo, hierzo.’
Ik moest toch even glimlachen achter mijn krantje. Sjaak had dat heel goed gehoord. Zijn collega’s noemen Wayan inderdaad Yan.
Ze nam een slokje bier en keek Sjaak een tijdje zwijgend aan.
‘Ik hoop maar dat ik als eerste ga Sjaak’, zei ze.
‘Waar naartoe meid?’ antwoordde Sjaak terwijl hij, zo onopvallend mogelijk, een schaars geklede toeriste nastaarde.
‘Dood, Sjakie, dood. dat ik als eerste doodga. ik wil niet alleen doodgaan. Dat jij als eerste zou komen te gaan. En ik zou alleen achterblijven en dan wegkwijnen in zo’n rusthuis, op zo’n klein kamertje… Ik mag er niet aan denken of ik ga janken Sjaak.’
Sjaak was weer heel snel bij de les.
‘Schei nou toch uit Mop! We zijn met vakantie, het zonnetje schijnt. Hou nou toch eens op met die rare praatjes.’
‘En als ik dan als eerste zou gaan, wat zou jij dan doen Sjakie?’
Sjaak besefte, ondanks zijn rijtje Bintangs, dat dit een gevaarlijke vraag was.
Na een bedachtzame slok antwoordde hij:
‘Ik zou hier op Bali een huisje kopen denk ik, en vaak terugdenken aan de mooie momenten die we hier hebben gehad’.
‘Ach Sjakie..’, fluisterde ze, en keek mijmerend uit over de rijstvelden.
Sjaak glimlachte en keek over haar schouder heen naar wiegende heupen in een wel erg klein uitgevallen bikinibroekje.
Dirk
Villa Sabandari - Ubud, Bali
Alarm
Dromen over Afrika
foto: Flamboyant
Een combinatie van factoren deed mij de afgelopen weken vaak, in gedachten, teruggaan naar 1977. Dat is 33 jaar geleden maar zo voelt het niet. Het lijkt nog niet zo lang geleden. Niet abnormaal wanneer je een dagje ouder wordt schijnt het, maar het verrast me toch steeds opnieuw.
Nu we een jaar in Bali zijn, vond ik het tijd worden om ons sociale zekerheidsstatuut aan te passen aan de nieuwe situatie.
De ‘Dienst Overzeese Sociale Zekerheid’ (DOSZ) stuurde me allerhande formulieren via e-mail die ik dan kon inscannen en terugmailen, na ze behoorlijk te hebben ingevuld welteverstaan. Hierbij bleef het niet; dat zou te mooi en te efficiënt geweest zijn. Neen, de originelen moesten ook nog per post worden opgestuurd naar Brussel. Een aantal weken later kreeg ik een bericht van DOSZ met de vraag of ik vroeger nog bij hen bijdragen had betaald. Ik antwoordde ontkennend. ‘Of ik dat wel zeker wist’, vroeg een vriendelijke mevrouw per kerende mail. ‘Of ik niet ooit, misschien lang geleden, had gewerkt in het buitenland voor een NGO?’ Toen ging er een belletje rinkelen en liet ik weten dat ik, in een grijs verleden, tussen 1977 en 1979 mijn burgerdienst had gedaan in Opper-Volta, het huidige Burkina Faso in West-Afrika. De mevrouw zei dat ik dan toch degene was die bij hen een dossier had. Het ‘Algemeen Bestuur Ontwikkelingssamenwerking’ (ABOS) had twee jaar voor mij premies gestort bij DOSZ. Het zal wel geen vetpot zijn maar het deed toch plezier. Het verzoende me ook weer even met het functioneren van de administratie.
En dan was er dat meisje van 15 uit Gistel die begin mei overleed aan hersenvliesontsteking. Opnieuw een flashback. Ditmaal naar een klein kamertje in een gebouw in de brousse van Burkina Faso. Achter een paar rieten matten, een groen ijzeren bed met een dunne metalen stang op iedere hoek en daaraan een muskietennet. Het was warm in die kamer, zelfs wanneer je geen koorts had. De zon scheen onbarmhartig op het golfplaten dak en het zuchtje wind kwam linea recta uit de Sahara en bracht geen verkoeling. ‘C’est le palud’, zei pater Boinot, die naast Professeur de Français et Latin, ook infirmier was. Palud is kort voor ‘paludisme’, malaria dus. Daar hadden wel meer van de die oude knarren (mijn collegae in de school waar ik les gaf) af en toe last van. Die woonden dan ook al tientallen jaren in Afrika. Ik voelde me al een aantal dagen niet lekker, moe, overal pijn en wat koortsig. Nivaquinepillen nemen, veel water drinken en rusten was het advies. Dagen heb ik daar gelegen met steeds hoger oplopende koorts, barstende hoofdpijn en pijn in spieren en gewrichten. De nonnetjes brachten me soms wat soep of rijst met saus en wat water. De pilletjes werden op een bepaald moment vervangen door inspuitingen met Flavoquine, een ander middel tegen malaria. ‘Stilstaan!’, zei Boinot, ‘dan voel je er niks van’. Maar ik kon niet stilstaan. Ik daverde verdomme van de koorts! En elke avond kwamen ze me roepen voor het eten. Zonder twijfel het adagium indachtig ‘Il faut manger l’Afrique, sinon l’Afrique te mange’. Ik mocht niet aan eten denken. Kon geen hap door de keel krijgen. Afrika was bezig me een kopje kleiner te maken, daar was ik zeker van. In mijn koortsdromen zag ik mijn plaatsje, op het kerkhof van Tionkuy, naast de Franse ontwikkelingswerker, waarvan de naam me nu ontsnapt, maar die werkte in het ‘Centre Agricole Rurale’ en die jammer genoeg de windrichting verkeerd had ingeschat bij het besproeien van de gewassen met een uiterst giftig insecticide. Een houten bordje met zijn naam, geboorte- en sterfdatum erop. Dat was het. Op een bepaald moment voelde ik me zo slecht dat het me ook helemaal niets meer kon schelen. Er was geen emotie, geen angst, alleen apathie. Toen mijn nek begon te verkrampen en mijn hoofd wat naar achter trok en ik ook kramp in mijn onderkaak kreeg, begon Boinot toch stilaan zijn diagnose in vraag te stellen. Ik moest me dan maar aankleden en wat toiletspullen bij elkaar zoeken want ze zouden me naar de dichtstbijzijnde stad met een ziekenhuis brengen. In een ambulance zal u denken? Neen, in een Citroën 2pk van net na de oorlog, eigendom van de directeur van de school waar ik les gaf, le Père Nouaille-Degorce, het prototype van de missionaris compleet met witte baard, gekleed in gandoura en op sandalen. De afstand tussen Tionkuy en Nouna was misschien 50 km maar we deden daar uren over. De weg was dan ook niet geasfalteerd maar bestond uit aangestampte, rode aarde met om de haverklap diepe putten en uitgesleten ribbels, net golfplaten, die het onmogelijk maakten om sneller dan tegen een slakkengangetje te rijden. Nouaille was bekend om zijn herstellingen aan motoren allerhande. De meest gebruikte materialen bij die herstellingen waren elastiekjes en ijzerdraad. In mijn koortsnevels was ik steeds weer op zoek naar de volgende baobabboom (zie foto), in de verte, langs de kant van de weg. Daar zou ik naartoe moeten zien te komen als die duivelse 2pk het eindelijk zou begeven. Naar de schaduw, gewoon liggen en wachten.
Na, wat een eeuwigheid leek, arriveerden we in de missiepost van Nouna. Weer een snikheet kamertje met een zelfde soort bed en een even muf ruikend muskietennet. Boven de 40° koorts, 2 weken bijna niets gegeten en zo verward als een junk, werd me uitgelegd waar het ziekenhuis was en kreeg ik een mobylette om er naar toe te rijden. ‘L’Afrique c’est pour les costauds’. De vriendelijke Zwitserse dokter herinner ik me, die heel snel de diagnose ‘méningite’, hersenvliesontsteking stelde, en een jonge, blanke non in het wit die me een pijnlijke injectie in de bil gaf, en dat het pijn deed wanneer ik daarna met mijn mobylette door al die verdomde putten terug reed naar de missiepost en dan liggen en proberen te slapen en die verdomde ezels met hun keihard gebalk en de metalen velg waarop de paters constant sloegen omdat ze geen kerkklok hadden en de vruchten van de flamboyant die klepperden en klepperden tot je er gek van werd en de cicaden die allemaal tegelijk begonnen te zoemen en dan weer gelijk stopten en de gecko’s die naar elkaar ‘gecko, gecko, geckooooo!’ riepen soms 5 - soms 7 - soms 10 keer en mijn hart dat met zijn koortsig gebons het dak van het muskietennet boven me ritmisch deed bewegen, en nog zoveel meer. Airco? Vergeet het. Een roestige ventilator, hoog aan het plafond maar die deed het niet. Lakens die lichtrood zagen van het fijne laterietstof dat door alle hoeken en gaten de kamer binnenkwam. En dan het langzame genezen. De eerste nacht weer doorslapen, die eerste douche, opnieuw ‘s avonds buiten eten met de anderen, weer normaal kunnen denken en lopen. Ik was er weer.
En dan was er Vangheluwe en pater M. Pas jaren later, tijdens een reünie met een aantal van mijn, in Europa en Canada wonende ex-leerlingen, hoorde ik dat M. zich vergreep aan de jongens van de school. M. waarmee we haast elke avond, bij het licht van een petroleumlamp Bravolta bier dronken uit halve liter flessen en kaart speelden tot we omvielen van de slaap. M. die 2 jaar mijn haar (dat had ik toen nog ja) knipte. Ik zat op een ijzeren stoel, met een handdoek over mijn schouders in de mangoplantage, achter onze kamers. M. die ik wel eens hand in hand zag lopen met sommige jongens maar dat is in Afrika de gewoonste zaak van de wereld, dus daar stond ik maar niet bij stil. M. die, naar ik later hoorde, door de zijn orde naar Frankrijk werd gestuurd, toen het allemaal wat te erg werd. M. die het, zoals Vangheluwe, blijkbaar aankon om een dubbelleven te leiden. Hij was nota bene biechtvader en raadsman van een aantal jongens op die school. Ik begrijp niet dat ik tijdens die 2 jaar niets gezien of gemerkt heb terwijl we met z’n tienen, geïsoleerd van de buitenwereld, samenleefden. En Jef Geeraerts in Congo en de sabel van Boudewijn.
Ik droomde weer over Afrika, in het Frans, zoals toen.
Nu op Bali hoor ik weer de geluiden van de tropen en voel de warmte van de evenaarszon. Maar we zijn 33 jaar verder en de omstandigheden zijn wat anders. En dat is een gigantisch understatement.
Dirk
No-nonsense
St Andrew's Cross Spider in de bloemen achter het zwembad.
Dirk in Villa Sabandari
Tina's Taken
Een leuke verrassing!
Politiek
Joy en Chanel Ne5
Een van de aangenaamste aspecten van het leven in de tropen zijn de warme avonden en nachten.
De temperatuur in Bali daalt zelden onder de 25°C.
Wanneer de avondlucht daarenboven geparfumeerd is met heerlijke aroma’s, dan is gewoon buiten zitten al een belevenis.
Na enig opzoekingswerk kwam ik te weten dat de belangrijkste ingrediënten van de twee best verkopende parfums ter wereld, gemaakt worden van bloemen uit de Indo-Maleisische regio. De temperatuur, bodem, hoogte en regenval in Ubud blijken dan ook nog eens ideaal te zijn voor de optimale groei en bloemvorming van de twee bomen die deze bloemen voortbrengen.
Chanel N°5, het meeste succesvolle parfum ter wereld, is gecomponeerd in 1921. Elke 30 seconden zou er ergens ter wereld een flesje van worden verkocht. Een van de basisingrediënten is een olie, gedistilleeerd uit de bloemen van de Cananga Odorata of ylang ylang boom.
Die boom groeit tot 5 meter per jaar en kan een hoogte van 20 meter bereiken. Per jaar geeft een volwassen boom een opbrengst van circa 100 kg aan heerlijk ruikende, geelgroene bloemen. Om de oogst te vergemakkelijken wordt de hoogte door snoeien beperkt tot 3 meter. Ik heb twee kleine exemplaren van net geen meter geplant. Een bij het pad naar de kamers en een andere naast het zwembad.
Nummer twee op de ranglijst is het parfum ‘Joy’ van het huis Jean Patou.
Het werd gecreëerd door Henri Alméras in 1935. De bloem van de Michelia Champaca zou aan de basis liggen van de heerlijke geur. De bloemen zijn oranje van kleur. Er bestaat ook een witte variante. De bloemen worden gebruikt in tempelceremoniën of gedragen in het haar door de vrouwen. Vaak worden ze ook, drijvend in een platte schaal met water, gebruikt om een kamer te parfumeren. De bladeren zijn voedsel voor de zijdeworm. De boom wordt in Java gebruikt voor herbebossing van sterk geërodeerde gronden.
Onze tuin is twee exemplaren rijk, elk circa twee meter hoog. De boom kan tot 50 meter hoog worden en groeit ongeveer 2 meter per jaar. Vanzelfsprekend zullen we ook deze exemplaren door snoei in toom trachten te houden.
Bij een avondlijke wandeling door de tuin of tijdens het zwemmen onder de sterrenhemel gratis genieten van de twee meest verkochte parfums ter wereld: alleen in Villa Sabandari.
Vertel het verder.
Dirk
Villa Sabandari - boetiek hotel in de rijstvelden
NieuwjaarJe mag tot einde Januari een gelukkig Nieuwjaar wensen meen ik me te herinneren.
Dus bij deze: aan alle lezers van deze blog een gelukkig, succesvol en vooral een gezond 2010 toegewenst!
Zelf heb ik het nooit zo nauw genomen met data. Driekoningen wordt gevierd op 6 januari. Dat heeft me er nooit van weerhouden om met de voorbereidingen van start te gaan ergens tussen Kerstmis en Nieuwjaar. Er moesten drie kronen geknipt worden uit karton en bedekt met een laagje zilverpapier. Een weckfles moest worden voorzien van een handvat en beplakt met zilveren of gouden sterretjes. Die kocht je toen niet bij de Blokker in een pakje van vijftig, maar moest je zelf uitknippen. Daar gingen toch ook gauw een paar uurtjes in zitten. Wat kaarsvet op de bodem laten smelten en een stompje kaars erin vastzetten en we hadden onze lantaarn. De planning voorzag natuurlijk een paar reserve stompjes, dat spreekt vanzelf. We droegen om beurt de lantaarn om onze verkleumde vingers weer wat op te warmen want het kon flink koud zijn begin januari en van al dat zingen werden je handen heus niet warm. Jongens, wat hebben wij kou geleden tijdens die zangexpedities!
Er moesten mantels komen voor de koningen natuurlijk. Gelukkig was onze moeder wereldklasse met naald en draad en veranderde ze dat blauw geblokt tafelkleed en dat stuk gebloemd gordijn in gewaden van brokaat en hermelijn. Enfin, dat vonden wij toch.
De jaren dat vader's hulp werd ingeroepen bij het maken van de ster kon die ook echt draaien boven op de bezemsteel en dit dankzij een ingenieus mechanisme waarop hij (dachten wij) wel het patent moest hebben. Je trok aan een touwtje en de, met goudpapier beplakte, kartonnen ster begon te draaien tot verbazing van onze toehoorders. Dat leverde dan, naast de obligate koekjes of snoepjes toch algauw een extra muntje van een frank of (halleluja!) een stuk van 5 frank op.
Sinaasappels hadden we niet graag. Veel volume en gewicht dat je de hele tijd maar liep mee te zeulen. Snel opeten die handel.
Het belangrijkste attribuut was natuurlijk het blikje. Dat was vaak een potje van Kwatta chocopasta want daar zat een deksel op dat goed sloot en waarin je bovenaan een gleufje kon maken. Ook ons geldblikje werd gewikkeld in zilverpapier natuurlijk. De kunst bestond er nu in om tijdens het zingen van:
Draai keeuninge, draai keeuninge, geft maai ne nieven (h)oed. Menenouwen is verslee-eete, ons moeder magget nie wee-eete. Ons vader hévet geld, oep de rooster geteld.
discreet maar met nadruk en gevoel voor timing met het blikje te schudden. Voor we thuis vertrokken hadden we er al enkele één frank muntjes ingestoken. Anders heeft in het begin van de avond dat schudden niet veel effect natuurlijk. De mensen konden dan makkelijk denken dat je het gewoon koud had.
Het gerinkel van de centjes was een subtiele indicatie naar ons publiek toe dat we geen neen zouden zeggen tegen een beperkte hoeveelheid letterkoekjes of van die ronde met gekleurde suiker erop, maar dat het ons eigenlijk te doen was om de pecuniën. Als we dan weer eens, na een doorleefde uitvoering van bovenstaand lied, beloond werden met zo'n zielig bruin muntje van 50 of (godbetert!) 20 centiemen dan zongen we op weg naar het volgende huis: Hoewg huis, leejg huis, der zit een gierige pin in huis. Kwestie van onze frustratie en ontgoocheling even te ventileren en weer met een serene gelaatsuitdrukking bij het volgende huis aan te komen voor een nieuw vokaal hoogstandje.
Teneinde deze unieke opportuniteit om wat bij te verdienen maximaal te benutten, beperkten we ons natuurlijk niet tot 6 januari. Neen, soms starten we al op 4 januari en gingen dan tot 7 januari door. Dat gaf toch, na opmaken van de eindbalans een omzet die 2.5 tot 3 keer hoger lag dan de losers die alleen op 6 januari gingen zingen. Natuurlijk werd er wel eens deur voor je neus dicht geslagen wanneer je te vroeg of te laat aanbelde, maar dat namen we dan maar op de koop toe.
Onze omzet lag sowieso hoger omdat we in de voorbereidende fase (tussen kerst en Nieuwjaar weet u wel), onze zangroutes optimaliseerden. Geen straten met vrijstaande huizen en lange oprijlanen: de meeropbrengst woog niet op tegen het tijdverlies. Geen winkels want daar had je de kans dat ze je lieten wachten tot een klant bediend was. Neen, rijwoningen in een degelijke buurt zodat je al op de bel van de buren kon drukken wanneer de vrouw des huizes nog op zoek was naar haar portemonnee. Drie stappen zijwaarts en je kon opnieuw zingen.
Er zat ook een logica in de te volgen route zodat we op het einde van de avond weer bij ons huis aankwamen. In die vier dagen werkten we een soort spinnewebpatroon af rond huize Weemaes en de buit groeide met de dag.
Thuis, de schmink nog op onze gezichten, werden de tassen omgekeerd op de tafel en het geld geteld. We voelden ons telkens weer de koning te rijk.
Dirk Weemaes vanuit Villa Sabandari - boutique hotel Bali
Bliksemafleider
Een blad in de rivier