Woordenlijst Nr 7: Eetwaren Maaltijden
Aavunteetn: avondeten Agtursmaksju: nasmaakjeAndjoeënsoepu: ajuinsoep
Artgukokt: hard gekookt (ei bijvoorbeeld)
Asperzjusoepu: aspergesoepAzien: azijnBangket: banketBestu butur: hoeveboterBinspeeln: binnenspelenBlomu: bloemBoeërubrooöt: boerenbroodBoeërubutur: boter gekarnd in de boerderijBoeërukost: boerenkostBoögvuliengu: alle mogelijke eetwarenBooönusoepu: bonensoep
Booön in tomatusowsu: bonen in tomatensaus
Botram: boterham
Boerukoolu: boerenkool
Broön: braden
Brooön: broden
Brooöt: brood
Brooötpudienk: broodpudding
Bruunbrooöt: bruinbrood
Bureidiengu: bereiding
Busjhuutu: beschuit
Butur: boter
Buturkoeku: boterkoe
Buturstuutu: boterham gesmeerd met boter
Buvooöroödiengu: bevoorrading
Buzienkn: bezinken
Dagsjhutul: dagschotel
Deeëgwoörn: deegwaren
Deurbakn: doorbakken
Dikudeëvur: die veel eet
Disiïr: dessert
Ditn en datn: dadels
Dopn: nat maken (boterham of suikerklontje in koffie)
Doru van u neij: eierdooier
Eetboör: eetbaar
Eetn lik u dikudeëvur: (te) goed kunnen eten
Eetn voe ju naavunt: het avondeten tot zich nemen
Eetn voe ju noeënu: het middagmaal tot zich nemen
Eetn voe ju nugtunt: het morgenmaal tot zich nemen
Eetnstiet: etenstijd
Eetnseuru: etensuur
Eetuluku woöru: eetwaar
Eetwoöru: eetwaar
Erwitsoepu: erwtensoep
Freetn: vreten
Fretn: vreten
Frietn: frieten
Gaptjus: hapjes
Geeëtukoös: geitenkaas
Gloözn putatn: glazen, slechte aardappelen
Goelasjsoepu: goulashsoep
Gukokt of gurokt: gekookt of gerookt
Groeënsulsoepu: groentesoep
Gubakn putatn: gebakken aardappelen
Gukoktu putatn: natuuraardappelen
Gustamtu putatn = puree
Gukokt ij: gekookt ei
Guroktu noörienk: gerookte haring
Gusmuisdu putatn: puree, gestampte aardappelen
Iïnsjhienkun: inschenken
Iju botn sloön: binnenspelen
Joegoert: youghourt
Ju boög vuln: zeer veel en gulzig eten
Kasju: korstje
Kastu van u brooöt: korst van een brood => van kastn groejn dur gastn: men moet ook de korsten van het brood opeten,
Kerumeëk: karnemelk
Kerupap: pap van karnemelk
Kieëkusoepu: kiekensoep
Klak: goeie schep
Kmeugunt: ik lust het
Koös: kaas
Koedu plaa: koude schotel
Koekustuutn: rozijnenbrood
Koekustuutu: boterham van krentenbrood
Koeviîr: eetgerief, vork, lepel en mes
Kompot: zoete moes van gekookt fruit en suiker Fr compote
Krebu bietn: armoedig eten
Kriftusoepu: kreeftensoep
Kruumul: kruimel
Kriïm frisj: slagroom
Kroetong: dobbelsteentje broodkruimel gebakken in boter Fr croûton
Legtur ju kop bie: eet dan niet als je niet wil
Loötn anbran: laten aanbranden
Maaltiet: maaltijd
Maseedwan: mengeling van klein gesneden groenten of fruit Fr macédoine
Mostoört: mosterd
Mu beër grolt: ik heb honger
Neutu van sjhoödu: muskaatnoot
Noëenuteetn: middagmaal
Nugtunteetn: morgenmaal
Nutjus: noten
Oetbakn: oudbakken
Oengur: honger
Oengur en lik u peërd: grote honger hebben
Oengur lieën: honger lijden
Omuletu: omelet
Omuroeërn: omroeren
Oörmumensjhunkost: goedkope, te sobere maaltijd
Orduüvru: voorgerecht Fr hors d’oeuvre
Panukoekn: pannenkoeken
Patatn ofpeurn: aardappelen afgieten
Pateetju: gebakje
Peën fraänsi: Frans brood Fr pain français
Peërdoogu: spiegelei
Piestolee: klein broodje Fr pistolet
Plaa: schotel
Platu koös: platte kaas
Pompoeënsoepu: pompoensoep
Potsuukur: bloemsuiker, poedersuiker, cassonade
Poteetn: warme maaltijd, middagmaal
Pretsoepu: poreisoep
Putatn: aardappelen
Putatn met du peelu: pelaardappelen
Puudubiln: kikvorsbillen
Reegiemn: diëten
Ries: rijst
Ristorang: restaurant
Rooökools me sosiesn: rode kolen met worst
Roomsoepu: roomsoep
Santwiesju: sandwiche
Savoojkoolu: savooikool
Sieroopu: siroop
Sjapuluuru: paneelmeel Fr chapelure
Sjhelu (espu of koös): schijf hesp of kaas
Sjheln: schillen (aardappel, appel, …)
Sjhuum van sjheetu: opgeklopt eiwit
Sjokoo: chocoladepasta
Sjoklakafju: chocolademelk
Smaksju: smaakje
Smeëkn: smelten
Smeërkoös: smeerkaas
Smeërn: smeren
Smekn: geluid maken bij het eten
Smeuzun: pletten (aardappelen bvb)
Smoefloöru: die graag eet
Smoet: reuzel, smout
Smoetstuutu: boterham gesmeerd met smout
Soepu: soep => erwitsoepu,
Soepukieëkn: soepkieken
Soepuvleeës: soepvlees
Soetasu: ondertas Fr sous-tasse
Sowsu: saus
Spagitie: spaghetti
Stoemp: hutsepot
Stoofkarbonaadn: stoofkarbonaden
Sturtn: morsen
Stuutu: boterham
Stuutudoozu: doos voor/met boterhammen
Stuutu brein: boterham smeren
Stuutu me koanfuteuru: boterham met konfituur
Stuutun smeërn: boterhammen smeren
Suukur: suiker
Teetn is greeët: het eten is klaar
Tis van lekmuliptju: het is lekker
Toespiezu: beleg op brood
Toet an du rebn: het is degelijke kost
Tomatusoepu: tomatensoep
U klak majoneizu: een grote lepel of vork mayonnaise
U sjhelutju koös: schijfje kaas
U stiksju koös: een stukje kaas
Up du goözu: op het gasvuur
Up u kleeën viertju: op een klein vuurtje
Upwarmn: opwarmen
Utsupot: hutspot
Uutoengurn: uithongeren
Ves: vers
Vesjgeit: versheid
Vetu dermus: vettu darmen
Veuguls zoendur kop: vogels zonder kop, blinde vinken
Vissoepu: vissoep
Vissowsu: vissaus
Voeëdiengu: voeding
Voetsul: voedsel
Voetsulbureidiengu: voedeselbereiding
Voetsulvurgiftugiengu: voedselvergiftiging
Voetsulvurwerkiengu: voedselverwerking
Vooörguregt: voorgerecht
Vooörroöt: voorraad
Vooörroötkasu: voorraadkast
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vooörvurwarmiengu:voorverwarming
Vuliengu: (op)vulsel
Vuroengurn: verhongeren
Vurteërn: verteren
Vurzeurn: verzuren
Witloofsoepu: witloofsoep
Workulsoepu: wortelsoep
Zatu: tas, kom (koffie)
Zeeëm: honing
Zerpu: zure (smaak)
Zeur: zuur
Zogtugukokt: zachtgekookt
Zoeëtu: zoet
Zoet: zout
Zoetmienu: zoutmijn

