Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
akke.beakke.be

Woordenlijst Nr 20: Religie

Aaänbidn: aanbidden
Aalmoezunieër: aalmoezenier
Aartsbisjhop: aartsbisschop
Abdieë: abdij
Absoluusju: absolutie
Adrilugun: Allerheiligen
Alurzieëln: Allerzielen
Asjhukruusju: assenkruisje (op Aswoensdag)
Asjhuwoeënsdag: Assenwoensdag
Avukoöt van du duuvul: advocaat van de duivel
Bazuliek: basiliek
Beeduvoört: bedevaart
Biebul: bijbel
Biegtu: biecht
Biegtukot: biechtstoel
Biegtustoeël: biechtstoel
Biegtvoödru: biechtvader
Bieguloof: bijgeloof
Bieguloovug: bijgelovig
Bloeëtprosesju: bloedprocessie
Boediest: aanhanger boeddhisme
Bruvier: brevier
Bugraaviengu: begrafenis
Bugraaviengsdieënst: begrafenisdienst
Buregtn: het H.Oliesel toedienen
Busjhermuliengu: beschermelinge
Daaguliksjhuzoendu: dagelijkse zonde
Delu: de hel
Doogmesu: de hoogmis
Dooökistu: doodkist
Dooökotju: huisje op kerkhof
Dooöstriet: doodstrijd
Dooötzoendu: doodzonde
Dooprugiestur: doopregister
Doopulienk: dopeling
Doopvoentu: doopvont
Dopsul: doopsel
Driekeuniengn: driekoningen
Eeëstu komuunju: eerste communie
Eemul: hemel
Eemulvoörtdag: Hemelvaartsdag
Elu: hel
Erfzoendu: erfzonde
Geuzu: ongelovige
Goeju vriedag: goede vrijdag
Goeju weeku: goede week
Gotsdieënst: godsdienst
Gudopt: gedoopt
Guloftu: gelofte
Guvormt: gevormd (Vormsel ontvangen)
Iengul: engel
Iengulbuwoördur: engelbewaarder
Ienguloör: engelhaar
Iesijliegun: ijsheiligen
Ijlug oliesul; heilig oliesel
Ijlugvurkloöriengu: heiligverklaring
Joodu: Jood
Ju kapu oovr daagu smietn: uit de kerk treden
Kalootu: katholiek
Kapelu: kapel
Kapu: kap (van een kloosterzuster)
Kanuuniek: kanunnik
Kapuloön: kapelaan
Kardienaal: kardinaal
Katukismuus: catechismus
Kazuuvul: kazuifel
Keësu: kaars
Keësuroeët: kaarsvet
Kerkof: kerkhof
Kerkudeurn: kerkdeuren
Kerkuluk: kerkelijk (gehuwd, begraven)
Kerkumuziek: kerkmuziek
Kerkutoru: kerktoren
Kesboom: kerstboom
Kestag: kerstdag
Kestumesu: mis in de kerstnacht
Klokn luwn: klokken luiden
Klooöstru: klooster
Klooösturordu: kloosterorde
Koönsukroösju: consecratie
Komuunju: communie
Kostru: koster
Kruusweg: kruisweg
Krieptu: crypte
Kruusju: kruisje
Kruusteeëkn: kruisteken
Kruusweg: kruisweg
Leezn: bidden
Luuwn: luiden (de klokken)
Martuldooöt: marteldood
Martulgank: martelgang
Martuln: martelen
Martuloöru: martelaar
Masuür: zuster                                  Fr ma soeur
Mesu: H.Mis
Mesudieëndur: misdienaar
Mieraakul: mirakel
Moönsinjuür: monseigneur
Mosliem: moslim
Mosliemikstreemiest: moslimextremist
Neemul (du): de hemel
Nunusjhoolu: zuster- of nonnenschool
Oendurpastru: onderpastoor
Oeënzu neeëru: onze heer
Oeënzu nirtju: Onze-Lieve-Heer
Oeënzu voödur: Onze Vader
Oeënzu vrowtju: Onze-Lieve-Vrouw
Ofrandu: offerande
Ofsjheurn: afscheuren (een geloof verlaten)
Ofurblok: offerblok
Oksaal: oksaal
Ooftdoek: hoofddoek
Ooftzoendu: hoofdzonde
Oöfvastn: halfvasten
Oogmesu: hoogmis
Ostie: hostie
Paapu: paap, rooms katholiek
Palmuzundag: Palmzondag
Paradies: paradijs
Parogju: parochie
Pastru: pastoor
Peenieteënsju: penitentie
Pieloörubietur: pilarenbijter, die veel in de kerk zit
Poösjhn: Pasen
Poöspligt: paasplicht
Poöturnostur: paternoster
Pows: paus
Preekn: prediken
Prikstoeël: preekgestoelte
Prosesju: processie
Protustant: protestant
Rilukwieë: relikwie
Roepiengu: roeping
Sakrament: sacrament
Sakriestieë: Sacristie
Seelieboöt: celibaat
Sienksjhn: Sinksen
Simunoörie: seminarie
Sintupieëtur: Sint-Pieter
Sirmoeën: sermoen
Sjhapuulier: schapulier
Sjhepiengu: schepping
Slotklooöstur: slotklooster
Slotnunu: slotzuster
Stoeëltjusgelt: wat voor een stoel in de kerk moet betaald worden
Tieën guboodun (du): de tien geboden
Tjeevu: iemand van de chtistelijke volkspartij (CD&V)
Trown voe du kerku: trouwplechtigheid in de kerk
Vaaguvieër: vagevuur
Vastun: vasten
Vastuntiet: vastentijd
Vatiekoön: vaticaan
Voentu: vont
Voentusmet: zegt men van iemand die zich gedraagt zoals zijn peter of meter
Vroegmesu: vroegmis
Vurgeeviengu: vergeving (van de zonden)
Vurgifunisu: vergiffenis
Vurlosiengu: verlossing
Vuriezn: verrijzen
Vursjhieniengu: verschijning (van OLV)
Werk van bermertugijt: werk van barmhartigheid
Wierook: wierook
Wiewoötru: wijwater
Wiewoöturvat: Vat voor gewijd water (aan ingang kerk)
Woendur: wonder
Zaalugvurkloöriengu: zaligverklaring
Zantju: bidprentje
Zet eur kapu oovur daagu gusmeetn: ze is uitgetreden als geestelijke
Zoendu: zonde
Zundagsmesu: mis op zondag
Zundagsrust: zondagsrust

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Tlatstu nieëws oovur Bertn en Juultn

Ju kent zu giedur nu stilutjusan we, zeekr, uuzu blowu Bertn en zu boeëzumvrieënt Juultn?
Zu kwaamn reegulmoötig tugoöru u pientju drienkn in undur stamkafee in Lombardieë, mo da ku nu nie mi. Worom? Wienu datur gubeurt is du veeërtieënstun oktoobru in Midulkerku e Bertn zodoönug gupakt aan zu nertu datun nie mie buutn komt. Datu blowu giengn vurlieëzun, dat aatn nog kun pijzun mo daan zu gieng vurpleturt wordun! Zu vrowu vurtelt datun bleeëk wiert en da zu pijsdu datun u nataksju gieng kriegn.
Juultn was nateurluk bliedu da zien kleur zooön klienkunt suukses kostu aaln, mo naat tog ook we kompasju me zu moöt Bertn. Net em tuus goön buzoekn voer em beetersjhap tu weënsjhun mo volguns dat sjhient wastur gin trooöstun an. Da KaaVeeOO ut nie goeët doet int foetbal en dat du triïnur nu zeëvu uut zu nijgn weggugoön is, da det em ook gin deugt gudoön.

Nis nu we tieduluk zu moöt kwiet, mo voe du restu lat Juultn du moeët nie zakn. Zien favorietn, du Liestu Dudekur en du kluub van Brugu doent alutweeë stief goeët, da toet em deugt.
Otn nog u ki not stamkafee goöt, zieët iedureeën da zu pientju em nie smakt lik andurs. Nu bluuft ook noojt nie langu mi. Nu mist zu moöt Bertn, dadis zeekr.
Nu werkt iïn zu nof of nu go me zu vieloo gon rieën. Nu go bievooörbeelt u ki gon kiekn oeveru dat stoöt me tvurlegun van du tram no du kustboönu. Gotn dadooöjt van zu leevun guwent wordn datur gin tram mi deur torp riet? Tgo roöru doeën, wi! Mo ja, nu pakt ie tog nooöjt du tram en ot moestu nooödug zien, kutn nog asan eeën van du veelu otobuuzn neemn die goön stopn in Momartru. Ju wit wel da Dekur, al zwaanzun zeekru, guzeit et datn van torpplingsju utwa gieng maakn lik du plas duu tirtru, tpling op u neuvultju in paries. Mo ja woö zoe ju al die sjhildurs moetn goön aaln en nu kut tog nie van iedur uus u kafeetju maakn wo dajook kut eetn. Ot mo guzelug is! Me veelu groeën en tog we tirasjus wo daju up ju gumak u pientju kut drienkn.

Ot du tram weg is got ut u pluzieër zien van eeën van de sjieku promunaadn tu gubruukn: du Zeeëloönu of de Niepooörtloönu. Voeëtgangurs en vieloos gon in dun eemul zien, toet in Niepooört nie me moeëtn uppasn voe du tram!

Mo nu wit ie ook da mu mo gon kun ooördeeëln odalus ofguwerkt is.

 

Vertaling

Jullie kennen ze nu stilaan wel, zeker, onze blauwe Bertn en zijn boezemvriend Juultn?
Ze kwamen regelmatig bijeen om een pint te drinken in hun stamcafé in Lombardsijde, maar dat kan nu niet meer. Waarom? Wat gebeurd is de veertiende oktober in Middelkerke heeft Bertn zodanig aangegrepen aan zijn hart en nu komt hij niet meer buiten. Dat de blauwe zouden verliezen dat had hij nog kunnen denken maar dat ze zouden verpletterd worden! Zijn vrouw vertelt dat hij bleek werd en dat ze dacht dat hij een aanval zou krijgen.
Juultn was natuurlijk blij dat zijn kleur zo’n klinkend succes kon behalen, maar hij had toch ook wel medelijden met zijn maat Bertn. Hij is hem thuis gaan bezoeken om hem beterschap te wensen maar naar het schijnt was er geen troosten aan. Dat KV Oostende het niet goed doet in de voetbal en dat de trainer nu zelf weggegaan is, dat heeft hem ook geen deugd gedaan.

Hij is nu wel tijdelijk zijn maat kwijt, maar toch laat Juultn de moed niet zakken. Zijn favorieten, de lijst Dedecker en de club van Brugge doen het allebei zeer goed, dat doet hem deugd. Als hij nog een keer naar het stamcafé gaat, ziet iedereen dat zijn pintje hem niet smaakt zoals gewoonlijk. Hij blijft ook nooit niet lang meer. Hij mist zijn maat Bertn, dat is zeker.
Hij werkt nu in zijn tuin of hij rijdt met de fiets. Hij gaat bijvoorbeeld eens kijken hoever het staat met het verleggen van de tram naar de kustbaan. Zal hij dat ooit van zijn leven gewoon worden dat er geen tram meer door het dorp rijdt? ’t Zal raar doen, hoor! Maar ja, hij pakt toch nooit de tram en mocht het nodig zijn, dan kan hij nog altijd één van de vele bussen nemen die zullen stoppen in Montmartre.
Je weet wel dat Dedecker, al zwanzen zeker, gezegd heeft dat hij van het dorpspleintje iets ging maken zoals ‘Place du Tertre’, het plein op de heuvel, in Parijs.
Maar ja, waar zouden ze al die schilders moeten halen en hij kan toch niet van ieder huis een cafétje maken waar je ook kunt eten. Als het maar gezellig is! Met veel groen en toch wel terrasjes waar je op je gemak een pintje kan drinken.

Als de tram weg is, zal het een plezier zijn om één van die chique promenades te gebruiken, de Zeelaan of de Nieuwpoortlaan. Voetgangers en fietsers zullen in de hemel zijn, tot in Nieuwpoort niet meer moeten opletten voor de tram.
Maar hij weet ook dat we maar kunnen oordelen als alles afgewerkt is.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 19: Huisgerief Keukengerief Meubelen Slaapgerief

Aparoöt: apparaat
Bakn: bakken
Baskuulu: weegschaal
Basing: kuip
Batkuupu: badkuip
Bedu: bed
Bedugoeët: beddegoed
Bedulaakn: bedlaken
Beduspreeë: bedsprei
Beekur: beker
Beeltbuuzu: beeldbuis
Beezum: bezem
Benu: grote mand
Bleeëkn: bleken (de was)
Blikwoötru: bleekwater
Bloempot: bloempot
Boeëdulliestu: boedellijst
Boeëdulsjhidiengu: boedelscheiding
Boekukasu: boekenkast
Brieëvunbusu: brievenbus
Broomes: broodmes
Broön: braden  => ik broön, ik bradu, gubroön
Brooötmes: broodmes
Brooötplanku: broodplank
Brooötrooöstur: broodroosterBroöpanu: braadpan
Bumeubuln: bemeubelen
Bustek: bestek
Bustul: borstel
Buufetkasu: buffetkast
Buufetstoovu: kookfornuis
Buuroo: bureau       Fr bureau
Buuroolampu: bureellamp
Buuroostoeël: bureaustoel
Buuzustoovu: Leuvense stoof
Dampukapu: dampenkap
Deeëgrolu: deegrol
Dieëpvrieëzur: diepvries
Dievang: divan
Doeksju: doekje
Doesju: douche
Doozunoopundoeëndur: dozenopener
Draprieë: draperie, gordijn
Drienkbeekur: drinkbeker
Driswaar: opbergmeubel      Fr dressoir
Droogkasu: droogkast
Du vuulu wastu uutangn: de vuile was uithangen
Dwil: dweil
Eërt : haard
Feu kontienuu: kachel    Fr feu continu
Fluuwienu: kussensloop
Fotuj: zetel              Fr   fauteuil
Friegoo: ijskast
Frietpot: pot om frieten in te bakken
Fruutpersu : fruitpers
Fursjetu: vork           Fr fourchette
Gazetubak : gazettenbak
Goözu: gas
Goözukroönu: gaskraan
Goözuvieër: gasvuur
Gordien: gordijnen
Gordienu: gordijn
Greit gudoön: klaargemaakt (eten)
Grooötu kuustu: grote kuis
Ieskasu: ijskast
Kafjumeuln: koffiemolen
Kafjukanu: koffiekan
Kakstoeël: kinderstoeltje
Kanapee: slaapbank            Fr  canapé
Kasu: kast
Keënki: olielamp
Kiendurbedu: bedje voor een kind maar ook bed waarin een kind gebaard wordt
Kitu: kan, emmer
Kleeërkasu: keerkast
Kloksju: klokje
Kobujaagru: lange borstel
Koeviïrs: bestek                 Fr couverts
Kompjoeëtur: computer
Koödru: kader
Koödurs: kaders
Koolkitu: koolemmer
Korkutrekur: kurkentrekker
Kruuku: kruik
Kruumuldieëf: kruimeldief
Kuuswuuf: kuisvrouw
Lampadiïru: staande lamp                Fr lampadaire
Lampu: lamp
Lavaboo : lavabo
Leeplu: lepel
Luustur : luster
Matrasu: matras
Matu: mat
Meëkkanu: melkkan
Miekroogoöf: microgolf
Mooör: warmwaterketel
Mostoörtpot: mosterdpot
Munoözju: huishouden             Fr ménage
Neërt (u): een haard
Neutukraakur: notenkraker
Noofkusn (u): een hoofdkussen/kopkussen
Oentruumiengu: ontruiming
Ofruumn: afruimen
Ofwasmasjienu: afwasmachine
Oofkusn: hoofdkussen
Oopuneërt: open haard
Oörbustul: haarborstel
Oovurgordien: overgordijnen
Oovurgordienu: overgordijn
Orloozju: uurwerk     Fr horloge
Paksju: pakje
Paravang: kamerscherm                Fr paravent
Pasuviet: roerzeef               Fr passe vite
Patatumesju: aardappelmesje
Patatusjheldurtju: mes om aardappelen te schillen, aardappelmesje
Peepurvatju: pepervaatje
Pispot: oud gebruik om een kleine behoefte in de slaapkamer te doen
Sjoözju: deken
Stroojzak: strozak
Plantu: plant
Portretukoödru: kader voor foto’s
Posteuru: beeld(je)
Prieëzu: stopcontact       Fr prise de courant
Radiejateur : radiator, chauffageelement    Fr radiateur
Rolu: rol
Rusoorbak: waarop de matras gelegd wordt
Saladieru: slakom             Fr saladière
Salongtaaful ; salontafel
Sarzu: deken
Seulu: emmer
Sjhabu: legplank
Sjheurbustul: schuurborstel
Sjhild(u)rieë : schilderij
Sjhoeblienk: schoensmeer
Sjhoebustul: schoenborstel
Sjhoedoozu: schoenendoos
Sjhoetrekur: schoentrekker
Sjhof: lade
Sjhutuldoek: schotelvod
Sjhutulmasjienu: schotelmachinu
Sjhutuls wasjhun: afwassen
Sjhuumspoön: schuimspaan
Sjhuuvu: schuif
Sjofaazju: verwarming                                Fr chauffage
Sjofaazjukeetlu: chauffageketel
Sluünsu: vod
Speegul: spiegel
Spoeënsu: spons
Stoöndu kloku: staande klok
Stoeël: stoel
Stofsluünsu: stofdoek
Stofzuugur: stofzuiger
Stoovu: kachel
Stuutudoozu: boterhammendoos
Suüfurdoozu: stekjesdoos
Suüfurs: stekjes
Taaful: tafel
Taafulkleeët: tafelkleed
Taboeritu: krukje                       Fr tabouret
Talooöru: teljoor
Tapiet: tapijt
Tasu: tas
Tiluviezju: televisie
Toolu: tafelbedekking              Fr toile
Tregtur: trechter
Trekur: aftrekker
Tvuulblek en tzwientju: het vuilblik en het handborsteltje
Twalet: toilet
Upblienkn: opblinken
Upruumiengu: opruiming
Upruumn: opruimen
Upzet: opzet, schikking van gerief in huis
Uusoedn: huishouden
Vaagubustul: veegborstel
Vaksju: vakje
Vlieëguvangur: vliegenvanger
Voözu: vaas
Voeëtbanksju: voetbankje
Voeëtmatu: voetmat
Vurlotu broödpanu: braadpan met afgesleten email
Vurlugtiengu: verluchting
Vurziep: vergiet
Vuulbak: vuilbak
Vuulblek: vuilblik
Waafuliezur: wafelijzer
Waskeërn: wasmachine
Wasmasjienu: wasmachine
Wasspeln: wasspelden
Wasspelu: wasspeld
Wastu: was
Woöturbedu: waterbed
Woöturkroönu: waterkraan
Woötursteeën: aanrecht of pompbak
Zaksju: zakje
Zeetlu: zetel
Ziftu: zeef
Ziftn: zeven
Zipzop: zeepsop
Zoetvatju: zoutvaatje
Zwientju: handborsteltje

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 18: Fruit en groenten

Abriekoozn: abrikozen
Abriekoozu: abrikoos
Andievju: andijvie
Andjoeën: ajuin
Andjoeëns: ajuinen
Aplu: appel
Apuloöru: appelaar
Artiesjokn; artisjokken
Aspirzjus: asperges
Banan: bananen
Bananu: banaan
Bananuboom: bananenboom
Bananupeelu: bananenschil
Bananusjhelu: bananenschil
Beeëtu: biet
Bijur: bes
Blomkooln: bloemkolen
Blomkoolu: bloemkool
Booön: bonen
Booön in tomatusowsu: bonen in tomatensaus
Booönu: boon
Braambijurs: braambessen
Brokolie: broccoli
Daaduls: dadels
Ditn en datn: dadels
Druuvn: druiven
Druuvu: druif
Druuvutju: druifje
Erweetn: erwten
Erweetu: erwt
Fiegn: vijgen
Fiegn agtr poösjhn: vijgen na Pasen
Fiegu: vijg
Fiegublat: vijgenblad
Fieguboom: vijgenboom
Frambooözu: framboos
Freezn of friïzn: aardbeien
Fruut: fruit
Groëenu koolu: groene kool
Groeënsul(s): groente(n)
Jantju rut: worm in appel of peer
Kapurtjus: kappertjes
Keeëstu: pit (van een vrucht)
Keëzn: kersen
Keëzu: kers
Kiewie: kiwi
Kleemantien: clementines
Knolsildrieë: knolselder
Koerzjitu: courgette
Kokosneutu: kokosnoot
Kools: kolen
Koönservn: conserven
Komkomur(s): komkommer(s)
Krieëkn: krieken
Krop salaa: krop salade
Limoeën: limoen
Look: knoflook
Majies: maïs
Mandarienu: mandarijn
Muloeënu: meloen
Niktarienu: nectarine
Neutu: noot
Olievn: olijven
Olievu: olijf
Oguurkn: augurken
Oobirzjienu: aubergine
Padustoeln: paddestoelen
Paprieka: paprika
Patatn: aardappelen
Peërn: peren
Peëru: peer
Peëruloöru: perelaar
Pisjn: perziken
Pisju: perzik
Pompoeën: pompoenen
Pompoeënu: pompoen
Pompulmoeëzu: pompelmoes
Pret: prei
Pruumn: pruimen
Pruumu: pruim
Purselu: peterselie
Raapu: raap
Radiezu: radijs
Robarbu : rabarber
Roo beeëtn: rode bieten
Rooökoolu: rode kool
Rooökools: rode kolen
Rozienu: rozijn
Salaa: sla, salade
Savoojkoolu: savooikool
Seenapul: sinaasappel
Seenapulpeelu: sinaasappelschil
Seenapulzop: sinaasappelsap
Sietroeën : citroenen
Sietroeënu : citroen
Sietroeënuzop : citroensap
Sildrieë: selder
Sjalotu: sjalot
Sjampienjongs: champignons
Sjhorsuneeëln: schorseneren
Sjiekongs: witloof
Sniebooön: snijbonen
Sniebooönu : snijboon
Spienoözju: spinazie
Spruutn: spruiten
Steekubijur: stekelbes, kruisbes
Suüfurblomu: zwavelbloem
Tomatn: tomaten
Tomatu: tomaat
Tusjhunterwu: maïs
Tuutufruut: mengeling van gedroogde groenten
U staalu pret: een bundel prei
Venkul: venkel
Ves: vers
Vesjgeit: versheid
Witloof: witloof
Witu booön: witte bonen
Woöturkers: waterkers
Workul: wortel
Zjunievurs: jenevers
Zo plat lik u fiegu: zo plat als een vijg

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 17: Dranken Dronkenschap

Alkol: alcohol
Akolgubruuk: alcoholgebruik
Alkolmisbruuk: alcoholmisbruik
Alkolvrie: alcoholvrij
Alkolvurslaaviengu: alcoholverslaving
An du toog ang: aan de toog hangen
Avukoöt: advokaat (drank)
Baarkruku: barkruk
Bak bieër: bak bier
Busjwipst: lichtjes dronken
Biedong: bidon
Bieër: bier
Bieër uut du flesjhu : bier uit de fles
Bieër van tvat: bier getapt uit vat
Bieër van du streeku: streekbier
Bieërbuuk: bierbuik
Bieërflesjhu: bierfles
Bieërkroönu: tapkraan
Bieêrsjhuum: bierschuim
Bieërtunu: bierton
Bieërvurbruuk: bierverbruik
Bluuvnang: lang in een café blijven in plaats van huiswaarts te keren
Boemuln: boemelen, van het ene café naar het andere
Botul: fles
Botuln: bottelen, vullen van fles
Bronwoötur: bronwater
Buneevult: beneveld
Buturmeëk: botermelk
Buzoopn: bezopen
Deekanteern: rode wijn van bezinksel scheiden door overgieten in karaf    Fr décanter
Deur du neuzu zien: zat zijn
Deur du noeënu voln: blijven plakken over de middag
Diezjistief: spijsverteringsbevorderend drankje                 Fr digestif
Djien: gin
Drankgubruuk: drankgebruik
Drankmisbruuk: drankmisbruik
Dranksju: drankje
Drienkn: drinken
Drienk(u)busu: drinkbus
Drienkwoötur: drinkwater
Droenku: dronken, zat
Droenku guzijt is nugtur gupijst: dronken gezeid is nuchter gepeinsd
Du zoeëtu niïnvol: de zoete inval
Dust: dorst
Flambeern: ontbranden van sterke dranken voor afwerking van bepaalde gerechten     Fr flamber
Flasjhu of flesjhu: fles
Flesjhu wien (u): een fles wijn
Fluutjusbieër: bier van slechte kwaliteit
Fruutsap: fruitsap
Gesturt: gemorst
Gin dust: geen dorst
Gistiengu: gisting
Goerdu: drinkbus                Fr gourde
Groötu dust: grote dorst
Hopu: hop
I ju leëzu gieëtn: gulzig en veel drinken
Iestee: ijsthee
In du droöj zitn: aan het uitgaan zijn
Int zop zitn: bezig zijn met zich te bedrinken
Joegoert: yoghurt
Kafju: koffie
Kamielutee: kamillethee
Kantienu: kantine
Kloöru wien sjhienkun: klare wijn schenken, duidelijke taal spreken
Korksmaaku: kurksmaak (van wijn)
Kortndrank: sterke drank
Kriku: zwaar bedronken
Kroöntjuswoötur: kraantjeswater
Lampetn: zwaar drinken
Leeggoeët: leeggoed
Liekeuru: likeur
Liemonatju: limonadetje
Moeëtn bloözun: moeten blazen (bij alhocoholcontrole)
Nie mi weetn van wufur progju daj ziet: erg dronken zijn
Nie mir op ju beeën kun stoön: niet meer op zijn benen kunnen staan van dronkenschap
Nis bluuvn plakn: hij is (te) lang op café gebleven
Nis boovn zu teewoötru: hij is boven zijn theewater, hij heeft te veel gedronken
Oendur iïnvloeët: bewegingen en handelingen beïnvloed door drankgebruik
Oendrienkboör: ondrinkbaar
Pekur: iemand die graag lang in de cafés blijft hangen
Pekn: blijven hangen in café
Piels: pils
Pientu of Pientju: pint
Pilil: pale ale
Plat woötur: plat water, niet bruisend
Poepuloeëru: verschrikkelijk dronken
Poestur: cognac in een tas koffie
Portoo: porto
Promielu: promille (in het bloed)
Pulu: container voor drank
Rusepsju: receptie
Ruum: rum
Santee!: Gezondheid!                   Fr Santé
Sjambreern: op kamertemperatuur brengen van rode wijn     Fr chambrer
Sjampanju: champagne
Sjheel van du dust: scheel van de dorst
Sjhuum: schuim (op een pint)
Sjoklakafju: chocomelk
Sjoklameëk: chocolademelk
Sloksju: slokje
Soeboks: bierviltje
Sterku drank: drank met hoog alcoholgehalte
Stoet: stout (bier)
Streekbieër: streekbier
Stroentzat: zeer zat
Stroojn beeën en: strooien benen hebben, moeilijk op zijn benen kunnen staan (door de drank)
Sturtn: morsen
Taafulbieër: tafelbier
Taafulwien: tafelwijn
Tee: thee
Teusju sietru/woötru: een slokje limonade/water
Toernee: rondje
Toernee zjeeneeral: rondje voor iedereen in ’t café
Trapiest: trappist
Trekteern: een rondje geven
Tu dieëpu int glas kiekn: te diep in het glas kijken, te veel drinken
U botul wien: een fles wijn
U fleshu wien: een fles wijn
U koötur en: een kater hebben
U pientu tapn: een pint tappen
U pientju up en: een pint op hebben, iets gedronken hebben
U staptju in du weërelt zetn: eens goed uitgaan
U stik i ju klooötn: zat zijn
U stik i ju kraagen: zat zijn, een stuk in zijn kraag hebben
U vlamunt stik i ju voeëtn en: een vlammend stuk in je voeten hebben
U vliegu in ju noogn: te veel gedronken hebben
Utwieën oendur taaful drienkn: iemand onder tafel drinken, dronken voeren
Uutdrienkn: uitdrinken
Uutkriegn: uitkrijgen
Uutsjhienkn: uitschenken
Uutzuupn: uitzuipen
Votka: vodka
Vuldoeën: vol doen
Vulgietn: vol gieten
Vulsjhienkun: vol schenken
Vurfrisjhiengu: verfrissing
Vurgeevn van du dust: heel grote dorst
Wieskie: whisky
Woötur bie du wien doeën: water bij de wijn doen
Woöturtju: een glas water
Wien: wijn
Woö datu brouwur is, moet du bakur nie zien: iemand die drinkt moet niet eten
Zjatu kafju (u): een tas koffie
Zjunievur: jenever
Zo droenku lik u kanong: zo zat als een kanon
Zuupn: zuipen
Zuupn lik u tempulier: overmatig drinken

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 16: Relaties Verwijten tussen personen eventueel met geweld

Aaän zu flasjhu: hij heeft het zitten
Aaänveërtboör: aanvaardbaar
Aaänroön: aanraden
Aaänsluutiengu: aansluiting

Agtur tgat klapn: roddelen
Agturaaln: achterhalen
Akooört: akkoord
Akuwerie: ruzie
Al moestn du kroöjn tuutbriengn: de waarheid komt wel ooit aan het licht
Alu bitjus eëpn: hoe klein ook het voordeel, het helpt vooruit
Aleeënu: alleen
Altroösju: ontroering
Altugoöru: allemaal samen
Ambras zoekn: ruzie zoeken
Ambrasseerun: omhelzen
Ambuteerun: lastig vallen      Fr embêter
An du lisu loopn: aan de leiband lopen, niet zelfstandig een beslissing kunnen nemen, maar het laten afhangen van een ander
Andunoölsbrieng: kapot maken
Andrieng: aandringen
Anduudn: aanduiden
Aniemoösju: animatie
Antoedn: onthouden
Art teegn oeënzogtu: hard tegen hard
Babultju (u) sloan: een babbeltje slaan
Baturn: vechten
Beetur u goeju gubeur dan u veru vrieënd: beter een goeie buur dan een verre vriend
Bie du buk doeën: bedriegen
Bie du buk guzet wordn: bedrogen worden
Bie zu pietju pakn: beetnemen
Biedroöjn: bijdraaien
Biejeeënbrieng: bijeenbrengen
Biejeeëndrievn: bijeendrijven
Biejeeënoedn: bijeenhouden
Biejeeënraapn: bijeenrapen
Biejeeënkomn: bijeenkomen
Biejeeënzoekn: bijeenzoeken
Biekomn: bijkomen
Bielegn: bijleggen (een ruzie)
Biezien: bijzijn
Binloötn: binnenlaten
Blamot gusleegn: murw geslagen
Boeërubudrog: boerenbedrog
Boeëzumvrieënd: boezemvriend
Boent: bond
Boovnoörms: bovenarms (ruzie)
Boözug: bazig
Budroogn wordn datu doom uut ju nooörn komt: bedrogen worden dat de damp uit je oren komt
Bugleidn: begeleiden
Bugleidiengu: begeleiding
Bugoestn: goesting doen krijgen
Bugroeëtn: begroeten
Bukentmaakiengu: bekendmaking
Bukentunisu: bekentenis
Bukomn: bekomen (van een hevige emotie)
Bukrooöniengu: bekroning
Bukukuln: verwennen
Buloeërn: beloeren
Buloftu: belofte
Bulooöniengu: beloning
Buluusturn: beluisteren
Bumiduln: bemiddelen
Bumoejn: bemoeien
Bunoödeeëln: benadelen
Bunoödriengu: benadering
Bunoödurn: benaderen
Buooördeeëliengu: beoordeling
Buooördeeëln: beoordelen
Burispiengu: berisping
Busjheetn komisju: iets wat je niet graag doet maar waarvoor men je in ‘t gat gestoken heeft
Busjhermiengu: bescherming
Busjhutiengu: beschutting
Busluupn: besluipen
Bustriediengu: bestrijding
Butastiengu: betasting
Butoovriengu: betovering
Butrapn: betrappen
Bututuln: in de watten leggen, bederven
Buutnsluutn: buitensluiten
Buutnstoöndur: buitenstaander
Buveilugiengu: beveiliging
Buvolugeit: bevalligheid
Buvooördeeëliengu: bevoordeling
Buzoekeuru: bezoekuur
Buzoekreegliengu: bezoekregeling
Buzoektiet: bezoektijd
Buzwoör: bezwaar
Das bie toör gugreepn: dat is bij het haar gegrepen
Deuren: doorhebben
Deurusteekn: verwijten
Deuruvurteln: doorvertellen
Deuruvurbien: doorverbinden
Deurzieën: doorzien
Dinu doeën: flauw doen
Djok (u): een duw, stoot
Droef: stout
Du daavur up ju lief: de daver op het lijf, zeer bang zijn
Du kerku int midn oedn: de kerk in ’t midden houden, bemiddelen
Du nuul van tspil zien: tenslotte het slachtoffer zijn
Du zot oedn met utwieën: iemand voor de gek houden
Duts: slachtoffer, benadeelde
Dwieng: dwingen
Eekulen anutwieën: een hekel aan iemand hebben
Eëk zu goestu: elk zijn goesting
Eësnspoeëliengu: hersenspoeling
Ej gie da guglooft?: hebt gij dat geloofd?
Eën gie gulooft dadu? En gij gelooft dat?
Ertulik: hartelijkFarsu: grap
Feezln: vezelen, fluisteren
Fiegn agtur poösjhun: vijgen na Pasen, iets wat te laat komt
Flak in zu noönzigtu: vlak in zijn gezicht
Gin klooötn weërt zien: voor niets deugen
Go vors: ga weg
Got magt weetn: niemand zal het ooit weten
Gotvurmielu djuu: vloek
Greëtn: de zot houden, uitlachen, spotten
Guburtu: gebuurte
Gunaakn: aanraken
Guriengult: om de tuin geleid, geklopt in een rechtstreeks duel (vb bij voetbal)
Gutoesjeert: geraaktIn kwestju zien: ruzie hebben
In kenisu zien: vrijen, iemand leren kennen
In stokn komn: ruzie krijgen
In toendurstu sjhof lign: in de onderste lade liggen, zegt men van iemand die niet bemind/gerespecteerd wordt
In utwieën zu raapn gusjheetn en: iemand kwaad op jou gemaakt hebben
In zu raapn gusjheetn: een slechte beurt maken
Jeun: gunnenJu duumtju driïn vetn: leedvermaak hebben
Ju ka su kusun: je kunt mijn kl.... kussen
Ju manieërn oedn: je goed gedragen
Ju moet dovooörn van u peërd geetn en: je moet daar zot voor zijn
Ju moe froöj zien: je moet braaf zijn
Ju moe ju muulu oedn: je moet je mond houden
Ju noarienk brat nie: je haring braadt niet, je krijgt niet gedaan wat je wenst
Ju zie gie zeekru up ju kop gustuukt?: jij bent zeker gek geworden?
Kadoo en kadootju: geschenk en geschenkje
Kapootu: condoom
Katju mien, katju weeru: weervraak, oog om oog, tand om tand
Katjuporu: lichte duw of tik
Katenoent: kat en hond, die steeds ruzie maken
Kbraakn vaju: ik heb genoeg van je
Kbraakn vaju muulu tu zieën: ik wil je niet zo vaak meer zien
Kekgoöjn: giechelen, zotte praat verkopen
Ken dromu gudoön: ik heb het opzettelijk gedaan
Kendur nie omu gudoön: ik deed het niet opzettelijk
Kent a mu rekul: ik heb pech, het lot valt op mij
Keunuklooötn: klungelen, knoeien, prutsen, vitten
Klaagurs eën gin nooöt mo gift du bofurs u brooöt: klagers hebben geen nood maar geef de stoefers een brood
Klintjus zien nie gumakt om in du grooöte under gat tu kiekn: kleine mensen spelen ook een rol en zijn niet onderdanig
Klooötn: kloten, pesten, plagen
Kgloovn da nie: ik geloof dat niet
Kmeugn ier dooötvoln ot gi woar is: ik mag hier doodvallen als ik lieg
Knegtubraku: meisje dat zot is van de jongens
Koentukraafs: tegendraads
Koetnaaänsju: gesprek
Komeern: roddelen
Komeeruklaps: praat van een roddelaar(ster)
Kompanieë: gezelschap            Fr  compagnie
Kompasju en: medelijden hebben                       Fr compassion
Kompensoösju: tegenprestatie            Fr compensation
Kul: zever
Kust mu botn: kust mijn kl…. wat je doet of zegt interesseert me niet
Kwoöt spreekn: roddelen
Kzien da braakndu beu: ik ben dat erg beu
Let mor up datur nieëtnt teegn ju kop woöjt: pas maar op dat er niets tegen jouw hoofd waait, zegt men tegen iemand die te zot of
          uitbundig doet
Lieëgn dajt zeëvu glooft: zeer hard liegen
Litkoörtu: lidkaart
Lop no du moönu: loop naar de maan
Mangkieërn: ontbreken                              Fr manquer
Mangkument: wat ontbreekt                        Fr manquement
Medulankgat: tegen de zin
Meeluusturn: meeluisteren
Meemaakn: meemaken
Met du groovu bustul durdeuru goön: zeer grondig opkuisen
Met du poepurs zitn: angst hebben
Misjeun: misgunnen
Misvurstoön: misverstaan
Miszieën: miszien
Moeëdurtjusdag: moederdag
Moeëtn: moeten
Moötugun: matigen
Moptju: mop, grap

Mu nooörn eën gutuut: mijn oren hebben getuit, er werd over mij gesproken, meestal kwaad
Mukoör (me): met elkaar
Muulupeëru: muilpeer, oorveeg
Net em of eur iïnguzwoögn: hij loopt hoog op met hem of haar
Net u piek up mu: hij heeft iets tegen mij
Nie koentroörju zien: best meevallen                   Fr contraire
Nieëtn of nieks tu pieëpn en: niets te zeggen hebben
Nis/zis nie op zu/eur muulutju guvoln: hij of zij heeft altijd een antwoord klaar
Noar in du butur (u): een haar in de boterNondudjuu: vloek                                            Fr nom de dieu
Nu mieëk vaaän zu neuzu: hij reclameerde
Oedjantgas: houd je klaar, er komt iets op je af
Oedu ki ju klepu: houd eens je mond
Oedu ki ju kwebul: houd eens je mond
Oedu ki ju moent: hou eens je mond
Oedu ki ju muulu: hou eens je mond
Oedu koejn uut du gragt aaln: oude koeien uit de sloot halen
Oendurandlieng: onderhandelingen
Oenduroeënsju: onderonsje
Oengurstaakiengu: hongerstaking
Oentkopliengu: ontkoppeling
Oentmoeëtiengu: ontmoeting
Oentwiekn: ontwijken
Oet du zot me ju metu: spot met iemand anders
Ofdwieng: afdwingen
Ofgoön: afgaan, gezichtsverlies lijden
Ofluusturn: afluisteren
Ofmatn: afmatten
Oframuln: aframmelen
Ofreekn: afrekenen
Ofsjhrikn: afschrikken
Ofsloön: afslaan
Ofsnoepn: afsnoepen
Ofspreekn: afspreken
Oftroevn: aftroeven
Ofweërn: afweren
Ofzegn: afzeggen
Okoözjen van u twadu: ergens de kans toe krijgen                     Fr occasion
Omaaliengu: omhaling
Omugoön: omgaan
Oogagtiengu: hoogachting
Oogoedn: hooghouden
Oovurkomstu: bezoek
Op zu steru kriegn: op zijn kop krijgen
Opdriengn: opdringen
Ortn: luisteren
Ort u ki: hoor eens
Osjublieëf: alstublieft
Ovanduln: afhandelen
Ovreeënkomn: overeenkomen
Palufun: in de watten leggen, overdreven troosten, strelen, knuffelen
Peërduvroet: zeer kwaad
Peëruls smietn voe du zwieëns: goede raad geven aan mensen die daar evenwel niets van horen willen
Pies in du wient: beteuterd, bedrogen zonder resultaat
Proöt teegn du vaak: praat tegen de vaak
Ramuliengu: pak slaag, rammeling
Rasiesmu: racisme
Rienguln: beetnemen, ringeloren, de baas over spelen
Riesjhu: risico                         Fr risque
Riesjhieërn: proberen op het gevaar af
Riesjhieërluk: risicovol
Ripuutoösju: goede naam                Fr  réputation
Rukomandee: aangetekende zending               Fr recommandé
Ruloösju: relatie, verhouding
Rutuln: reclameren, van zijn neus maken
Rut(tu)liengu: schelding
Ruuzju maakn: ruziemaken
Saamnwerkiengu: samenwerking
Saluu: groet, gegroet                                         Fr salut
Saluuweerun: groeten                       Fr saluer
Siefa: slag in het gezicht
Sjhein van utwadu lik u noent van zu stroent: iets zorgeloos achterlaten
Sjheër ju weg: maak dat je wegkomt
Sjheëvu sjhatsu rieën: zijn partner bedriegen
Sjheur ju puustu: ga weg
Sjhop i ju nol (u): een trap in jouw achterste
Slag om sliengur: gevecht om elkaar om het even waar te raken
Sneuvu: steek onder water
Spaniengu: spanning
Spekujoodu: spekjood, jood die zich niet aan de Joodse regels houdt
Spuugn: spuwen
Stik stroent (u): misprijzende uitdrukking voor iemand die hooghartig is
Stopt u ki me zaagn: stop eens met zagen
Stribuln: tegenwerken
Tgat sjhooönen: zijn kans zien/hebben
Tgot a ju neuzu zien: reken er maar niet op dat je krijgt wat je wenst
Tietbomu: tijdbom
Tilufong: telefoon
Tis stilu woö dat nooöjt u ki woöjt: het is stil waar het nooit eens waait
Tis u vuul stik stroent: ’t is een hoovaardige
Tis weël bustit: verdiende loon
Tisof: ze zijn uit elkaar
Titsn: plagen
Tnie kun aaln: het niet kunnen halen, niet tegen iemand op kunnen
Toefuliengu: pak slaag
Toeloötiengu: toelating
Toetan: afblaffen
Toet nieët in: er is niets aan
Toopu: samen
Top zu buuk meugn sjhrievn: er niet meer op mogen rekenen
Trekn op utwieën: gelijken op iemand
Troeëtuliengu: rammeling
Trutsuln: treuzelen
Truukn van du fooöru: listen van de foor
Truut in paksjus: zever
Tstoön boomn in du weg: kinderen die niet mogen horen wat volwassenen vertellen
Tugoöru: samen
Tugoöru me mukoör: allemaal tezamen
Tugoörubluuvn: samenblijven
Tugoörudoeën: samendoen
Tugoörukomn: samenkomen
Twistriet: tweestrijd
Tzien klaps teegn du vaak: tevergeefs
Tzotjuutang: het zotje uithangen
U boeër zu kuünstn ofvraagn: uithoren
U breeë rik en: brede rug, veel kunnen verdragen
U keeml sjhieëtn: een fout begaan
U naap sjheërn: slecht varen bij een initiatief
U nertu van koekubrooöd: braaf mens
U niksju en teegn utwieën: iets hebben tegen iemand
U noedu naap muuln leeërn trekn (proberen): een ouder persoon van iets willen overtuigen
U noogsjhu flikn: een oogje trekken
U noör in du butur: er is onenigheid, ruzie
U snak en u beetu kriegn: afgesnauwd worden
U sneuvu geevn: een verdoken opmerking maken
U toengu van lintjus: die veel babbelt
U zaagsju span: zagen
U zwien in du beitn: een haar in de boter
Up u goe blatju stoön bie utwieën: bij iemand op een goed blaadje staan
Upboksun teegn utwieën: met iemand in aanvaring komen
Upitsn: ophitsen
Upsuüfrn: opsolferen, opdringen
Upvang: opvang
Utwadu upsuüfrn: iets opsolferen
Utwieën bie zu pietju en: er iemand inluizen, iemand liggen hebben
Utwieën deuren: iemands bedoelingen doorzien
Utwieën in tgat steekn: iemand doen opdraaien voor een vuile job
Utwieën nog van oör nog van pluumn ken: een persoon absoluut niet kennen
Utwieën roent ju viengur droöjn: iemand beïnvloeden, in je macht hebben
Utwieën teegn zu zjilee trekn: iemand omhelzen
Utwieën u droaj geevn: iemand een slag geven
Utwieën u keunubilu geevn: met je knie tegen zijn dij tikken, wat pijn doet
Utwieën u klooöt oftrekn: iemand bedriegen
Utwieën zu kop ofbietn: brutaal en luid tegen iemand spreken
Utwieën zu kop updroöjn: iemand opstoken
Utwieën zu toengu peeln: iemand uitvragen tot hij/zij alles vertelt
Utwoö gin keuru van en: ergens geen kans toe hebben
Uutbastiengu: uitbarsting
Uutlachn: uitlachen
Uutooörn: uithoren
Uutsjhieëtn: plots al scheldend reageren
Uutsjhietn: iemand uitmaken
Va ju neuzu maakn: reclameren
Vaagu: oorveeg, mep
Van koo guboörn: doen alsof je niets gehoord of gezien hebt
Van u sjheetu u dundurslag maakn: een kleinigheid opblazen tot iets ergs
Veesloörs zien leugnoörs: wie vezelt, liegt
Vegtpartieë: vechtpartij
Veelugooört: veelgehoord
Veeluguvraagt: veelgevraagd
Veugulvrie: vogelvrij
Vieëriengu: viering
Vloekn: vloeken
Voe wieën su nilugun: in wiens voordeel
Voetju lapn: pootje lappen
Voetsululpu: voedselhulp
Voetsulvorzieëniengu: voedselvoorziening
Volsjheit: valsheid
Voödurtjusdag: vaderdag
Voöksmoent: volksmond
Voöksuproeër: volksoproer
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vrieloötn: vrijlaten, vrijheid teruggeven
Vrieviengu: wrijving
Vrimdu goön: zijn partner bedriegen, seks bedrijven met een andere partner
Vuragtiengu: verachting
Vurdeediegiengu: verdediging
Vurdistruuweerun: kapot maken, vernietigen
Vureinugiengu: vereniging
Vurgeeviengu: vergeving
Vurgifunisu: vergiffenis
Vurgisiengu: vergissing
Vurgoödurzaalu: vergaderzaal
Vurgoöriengu: vergadering
Vurgoörn: bijeenkomen van personen
Vurjoördagsfeeësju: verjaardagsfeestje
Vurjoördagskadoo: verjaardagsgeschenk
Vurjoördagskoörtu: verjaardagskaart
Vurjoördagstoartu: verjaardagstaart
Vurjoörn: verjaren
Vurkent: herkend
Vurkriegn: verkrijgen
Vurmomiengu: vermomming
Vurnestuln: in de war brengen
Vurniengt: vergif
Vuroentsjhuldugieng: verontschuldigingen
Vurofgoodiengu: verafgoding
Vurooördeeëliengu: afkeuring
Vurpligtieng: verplichtingen
Vurpligtiengu: verplichting
Vursmooörn: moord door verdrinking
Vurstandug: verstandig
Vurstant: verstand
Vurstantoediengu: verstandhouding
Vurtrouwulienk: vertrouweling
Vurveeliengu: verveling
Vurvrimdn: vervreemden
Vurvrimdiengu: vervreemding
Vurweënsjhieng: verwensingen
Vurweënsjhun: verwensen
Vurwiet: verwijt
Vurwietn: verwijten
Vurwitugiengu: verwittiging
Vurwitugun: verwittigen
Vurwoörlooöziengu: verwaarlozing
Vurwoörlooözn: verwaarlozen
Vurzeurn: verzuren
Vurzoeën: verzoenen
Vurzoeëniengu: verzoening
Weëlbustit: verdiende loon
Weggujoogn: weggejaagd
Wieën draagtrier du broek: wie is er baas in dit gezin
Woötur en vieër: water en vuur: niet bij elkaar passende naturen
Zaagt u ki nie: zaag eens niet
Ze veelu kak an eur gat: ze is hoogmoedig
Zeëfvurdeediegiengu: zelfverdediging
Zeim an utwieën zu gat smeërn: zeem aan iemand’s gat smeren
Zet u muulu van lintjus: zij is een babbelkous
Zu kak inoedn: niets willen of durven doen of zeggen
Zu karu keërn: zijn houding wijzigen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 15 Beweging Handelingen

Aänsjhuuvn: aanschuiven
Afuseern: goed vooruitgaan
Agtruut: achteruit
Agtruut goön: achteruit gaan
Agturdoeën: nadoen
Agtur(gu)loop: naloop, moeite nadien
Agturloopn: nalopen
Aguntur: naar daar
Ajaagn: haasten, opjagen
Aksju: actie
Ali voruut: allez vooruit
Anang: aanhangen
Anbrieng: aanbrengen
An du nols brieng: kapot maken
Ankomn: aankomen
Ankomstu: aankomst
Bagoözju: bagage
Bagoözjukluuzu: bagagekluis
Bieng: binden
Biesprieng: bijspringen
Binaaln: binnenhalen
Binbrieng: binnenbrengen
Binkomn: binnenkomen
Binoedn: binnenhouden
Binustubuutn: binnenste buiten
Boenkn: bonken
Boezjeern: bewegen
Booötreizu: bootreis
Boswanduliengu: boswandeling
Bresu: bres
Bugun: beginnen
Bukiekn: bekijken
Burietboör: berijdbaar
Burieën: berijden
Bustemiengu: bestemming
Bustemulienk: bestemmeling
Bustormiengu: bestorming
Buuklandiengu: buiklanding
Buutngoön: buitengaan
Buutnkomn: buitenkomen
Buutnzetn: buitenzetten
Buweegiengu: beweging
Buzetiengu: bezetting
Buzigtugiengu: bezichtuging
Buzieën: bekijken
Buzu geevn: versnellen, buitengewoon zijn best doen
Dadit gin brooöt: dat eet geen brood, dat is niet dringend
Deemaraazju: versnelling van een voortbewegingstempo      Fr démarrage
Deurkruusjhn: doorkruisen
Deurloopn: doorlopen
Deuru doeën: verdergaan, doorzetten
Deurubreekn: doorbreken
Deurudrievn: doordrijven
Deurudrieng: doordringen
Deurudroajn: doordraaien
Deurudrukn: doordrukken
Deurugeevn: doorgeven
Deurugoön: doorgaan
Deurujaagn: doorjagen
Deurujasn: doorspoelen
Deurukiekn: doorkijken
Deuruknipn: doorknippen
Deurukomn: doorkomen
Deurukriegn: doorkrijgen
Deurukruupn: doorkruipen
Deuruloötn: doorlaten
Deuruloopn: verder lopen
Deurureizn: doorreizen
Deururieën: doorrijden
Deurusnieën: doorsnijden
Deuruspoeëln: doorspoelen
Deurusteekn: doorsteken
Deurustootn: doorstoten
Deurutrekn: doortrekken
Deuruvoeërn: doorvoeren
Deuruvurwiezn: doorverwijzen
Deuruzetn: doorzetten
Deuruzoekn: verder zoeken
Deurzoekn: doorzoeken
Djokn of u djok geevn: duwen
Doeël: doel
Doeën: doen
Dretsn: doelloos rondlopen
Drievn: drijven
Driln: op stap gaan
Droöj: draai
Droöj mo ju karu: ga maar terug, keer maar om
Du pootn vanoendur ju gat loopn: zijn uiterste best doen
Du zulu platloopn: veel op de drempel van hetzelfde huis staan (om iets te bekomen)
Dur vanoendur trekn: weggaan of weglopen
Durnoörtoe: daarnaartoe
Eemul en eërdu vurzetn: alles doen wat mogelijk is
Eevoluusju: evolutie
Flisju: richtingspijl
Frotn: wrijven
Frutn: weglopen
Furuln: doelloos rondlopen
Gartuki: ga eens opzij
Gif mo buzu: ga er maar snel op los
Gif mo goözu: geef maar gas
Gif mo sjetu: ga er maar snel op los
Gïin zitunt gat en: altijd in beweging willen zijn
Gletsn: glijden
Goözu geevun: gas geven, er snel op los gaan
Guglotsn: gegleden
Gukruust: gekruist
Gustoopun: gebukt, gebogen
Gutoogt: getoond
Gugrogt: geraakt, aangekomen
Gupriseert zien: haastig zijn, haast hebben
Ieduln: ledigen, leegmaken
Iïn vieër eën vlamu: in vuur en vlam: erg enthousiast
Iïn vulu galoo ofkomn: in volle vaart
Ikuputjikn (lopen al) …: lopen al hinkend
In troendu: in het rond
Jogn: joggenJu karu droajn: terugkeren
Ju karu keeërn: terugkeren
Ju sjhupu ofkuusjhn: weggaan
Kemu guweërt: ik heb me gehaast, ik heb mijn best gedaan, ik heb goed weerstand geboden
Keeërt u ki weeru: kom eens terug
Kena bugost: ik ben al begonnen
Kgon no mu nest: ik ga slapen
Kloörspeeln: klaarspelen
Kloörstoön: klaarstaan
Komdu ki: kom eens
Komu kik: ik kom
Kruusjhn: kruisen
Kzien a bugun: ik ben al begonnen
Kzien vors: ik ben weg
Landiengu: landing
Lik u pielu uut u boogu: snel vertrekken
Meedrievn: meedrijven
Mee-eëpn: meehelpen
Meegoön: meegaan
Meekriegn: meekrijgen
Meeloopn: meelopen
Meeneemn: meenemen
Meereizn: meereizen
Meerieën: meerijden
Meesleepn: meeslepen
Meevlieëgn: meevliegen
Meewerkn: meewerken
Miegroösju: migratie
Mienguln: mengen
Moöjn: maaien
Moönuraketu: maanraket
Mu goön no verumetjus: we gaan naar niet meegedeelde bestemming
Mu goön u ki goön kiekn  … want mu kunt nie zieën va nieër: wij gaan eens kijken, want we kunnen het niet zien van hieruit
Mu zien sjhampavu: we zijn verdwenen
Noözn: dichterbij komen
Oöstju mo: haast je maar
Oöstug zien; haast hebben
Ofroln: afrollen
Ofsjheurn: afscheuren
Ofsloovn: afsloven
Ofsluutn: afsluiten
Ofsmietn: afwerpen
Ofsnieën: afsnijden
Ofspan: afspannen
Ofsprieng: afspringen
Ofspuitn: afspuiten
Oftrapn: aftrappen
Oftrekn: aftrekken
Ofvaagn: afvegen
Ofvoeërn: afvoeren
Ofzoekn: afzoeken
Ofzoendurn: afzonderen
Omubloözn: omblazen
Omuduwn: omduwen
Omoogusteekn: omhoogsteken

Omukantuln: omkantelen
Omukeeërn: omkeren
Omukloojn: omvervallen
Omurieën: omverrijden
Omutoeër: omweg
Omverurieën: omverrijden
Oopnsloön: openslaan
Oopnsnieën: opensnijden
Oovurbrieng: overbrengen
Oovurentweeru loopn: heen en weer lopen
Opduukn: opduiken
Paseern: voorbijkomen
Proboösju: poging
Regtu vo ju kiekn: recht voor je kijken
Regtudeuru: rechtdoor
Reizu: reis
Riebudubie: weg, vertrokken
Rigtiengu: richting
Robuln: rollen
Roentdeeëln: ronddelen
Roentdraagn: ronddrage
Roentdroöjn: ronddraaien
Roentfureln: doelloos rondlopen
Roentrieësturn: onrustig van het één naar het ander gaan of lopen
Roenttjooln: rondzwerven
Roentwareern: rondlopen
Saluu en du wiend vanagtru: trap het maar af
Sjetu geevn: snel vooruitgaan
Sjhampavu: verdwenen
Sjhartuln: krabben
Sjhievurn: glijden
Sliengurn: slingeren
Sluupn: sluipen
Smeetu: worp
Smietn: smijten
Snuusturn: snuisteren
Spakn: spakken, hinken
Spriengplanku: springplank
Steptju: stapje
Stepunoöf: met haastige tred
Stik mo ju bultu uut: begin maar te werken
Stoempn: duwen
Stoe
mpu: actie van het stoempen
Striewuln: strooien
Stuupn: zich bukken, buigen
Tendunoösum: buiten adem
Tert(u)n (op): trappen op
Tis goe jagt: het gaat vooruit
Tis ieër lik u duuvukot: komen en gaan
Tjakin tjakuut: in alle richtingen, chaotisch
Tjakuut tjakin: in alle richtingen, chaotisch
Tjooln: zwerven, ronddolen
Tleevn is voe du rapu: het leven is aan de durvers
Toepasiengu: toepassing
Toetan: tot aan
Toogn: tonen
Trot: tocht
Tu vieërklowu: rap
Tuusbluuvn: thuisblijven
U boeër zit zo langu nie up zu nofstee: het duurt te lang
U gat in du lugt spriengn: een gat in de lucht springen, enthousiast/blij zijn
U noek ofsteekn: een kortere weg nemen
U steptju in du weërult zetn: uitgaan (op café, ...)
U toertju doeën me ju vieloo: en toertje doen met de fiets
U vroenk dran geevn: omwringen
U wanduliengsju doeën: een wandelingetje doen
Up du karu spriengn: meedoen, deelnemen (aan een project)
Up du nuutkiek stoan: uitkijken
Up eeëtu kooln zitn: op hete kolen zitten, ongeduldig wachten
Up u loptju: haastig
Up zu dooju gumak: op zijn gemak
Upaaln: ophalen
Upbloözn: opblazen
Updrievn: opdrijven
Upplakn: opplakken
U tuksju doeën: een dutje doen
Uutbloözn: uitblazen
Uutdeeëln: uitdelen
Uutdoeën: uitdoen
Uutgank: uitgang
Uutguglotsn: uitgegleden
Uutgletsn: uitglijden
Uutgoön: uitgaan
Uutkipn: uitladen
Uutloötn: uitlaten
Uutoedn: uithouden
Uutspriengn: uitspringen
Uutvaagn: uitvegen
Uutwiezn: uitwijzen
Vaagn: vegen
Van kromu noös guboörn: doen alsof, niet reageren
Van Pieër no Pol guzon wordn: van het kastje naar de muur gezonden worden
Van u noözu gupoept zien: haastig zijn
Vastunaaguln: vastnagelen
Verdurgoön: verdergaan, vooruitgaan
Vietisupilu: pil om een beweging of een actie te doen versnellen
Voöksvuruuziengu: volksverhuizing
Voögn: volgen
Vooörndoeën: voordoen
Vooörngoön: voorgaan
Vooörnsteekn: voorsteken
Vorsdoeën: verder doen
Vorsgoön: weggaan, verdergaan
Voruut: vooruit
Voruutduwn: vooruitduwen
Voruutgank: vooruitgang
Voruutgoan: vooruitgaan
Voruutsteekn: vooruitsteken
Vruuzn: verhuizen
Vulpompn: volpompen
Vurbiegoan: voorbijgaan
Vurbiekomn: voorbijkomen
Vurbieloopn: voorbijlopen
Vurbiesteekn: voorbijsteken
Vurdapurn: sneller gaan
Vurdigtn: verdichten, naderen
Vurdooln verdwalen
Vurdwien: verdwijnen
Vurguniengu: vergunning
Vurkeniengu: verkenning
Vurkoop: verkoop
Vurloötn: verlaten
Vurplatsn: verplaatsen
Vursjhafn: verschaffen
Vursjhuuvn: verschuiven
Vursleepn: verslepen
Vursneliengu: versnelling
Vurtraagiengu: vertraging
Vurvoeër: vervoer
Vurvoeërn: vervoeren
Wandulienksju: wandelingetje
Wareern: weg en weer gaan, verblijven al spelend, …
Weërju mo: haast je maar, doe maar je best
Weerubrieng: terugbrengen 
Weerugubrogt: teruggebracht
Weeruguvoeng: teruggevonden
Weerukeeërn: terugkeren
Weerukomn: terugkeren
Weeruvieng: terugvinden
Weeruzieën: weerzien
Weg moeëtn: weg moeten, een verplichting hebben
Wegang: weghangen
Wegbloözn: wegblazen
Wegbluuvn: wegblijven
Wegbrieng: wegbrengen
Wegfrutn: weglopen
Wienkulieërn: verschillende winkels bezoeken
Woar istn gublon: waar is hij naartoe
Wupn: wippen
Zeeëru: snel, rap
Zeeëru afuseern: rap vooruitgaan

Zeëfbudieniengu: zelfbediening
Ze gin zitunt gat: ze kan niet blijven zitten
Zil zetn: haast maken
Zu sjhipu ofkuusjhun: zijn schop afkuisen, weggaan
Zuugiengu: zuiging
Zuugn: zuigenZwoajn: zwaaien

                                      


                                            

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 14: Kledij Juwelen Maquillage

Aakn e noogn: haken en ogen
Aaänguklit: aangekleed
Aaängutjootult: raar of slecht aangekleed
Aaänsjhoeë: handschoen
Aaänsjhoen: handschoenen
Agturbeuzu: achterzak
Alpingsju: muts
Alsbant: halsband
Andoeën: aandoen
Ang mo ju paaltoo an du portumaantoo: hang maar je mantel aan de kapstok
Angurtju: hangertje
Anklein: aankleden
Anen: aanhebben
Anpasn: aanpassen
Antasu: handtas
Baretu: baret
Batkostuumu: badpak
Batmutsu: badmuts
Bazasu: rugzak
Biekienie: bikini
Bievakmutsu: bivakmuts
Bijbiedol: babydoll, nachtkleding voor de vrouw, sexy lingerie
Bijbieklirtjus: babykleertjes
Binubeuzu: binnenzak
Binuzak: binnenzak
Blienk: schoensmeer
Bloeëzu: bloes
Bloezong: korte jas       Fr blouson
Boerka: kledingstuk gedragen door Islamitische vrouwen; bedekt heel het lichaam, inclusief gezicht
Boerkienie: boerkini; zwemoutfit dat enkel handen, voeten en gezicht vrijlaat
Boksaaänsjhoeën: bokshandschoenen
Boloeët: bolhoed
Boöj: trui
Botien: hoge schoenen

Botienu: hoge schoen                   Fr  bottine
Braaänzulee of Braaänzjulee: armband
Brijn: breien
Broekbeuzu: zak van de broek
Broeksju: broekje
Broekspuupu: broekspijp
Brosju: speld                      Fr broche
Burgurkleeërn: burgerkleren
Deekoltee: laag uitgesneden halsopening       Fr décolleté
Djieëns: jeans
Djirsee: jersey, katoen of wollen machionaal gefabriceerde stof
Duukpak: duikerspak
Emdu: hemd    =>  u nemdu: een hemd
Falaar: sluier, hoofddoek                Fr foulard
Flieës: fleece, vacht, gebreide en geruwde stofsoort
Frak: jas
Gabardjinu: regenjas in lichte stof    Fr gabardienne
Getn: beenstukken (vroeger van militairen)       Fr guetrons
Goedn ketienk: gouden ketting
Goedn orloozju: gouden uurwerk
Goeduwerk: juwelen, sieraden, goud
Guzigtsmasjhur: gezichtsmasker
Kajuutn: rubberen pantoffels waarin de voeten geweldig zweetten, wat tot zweetvoeten leidde
Kanadjinu: overjas                 Fr canadienne
Kapootu: mantel met kap              Fr capote
Kapu: kap
Kapuusjong: kap vastgemaakt aan de jas        Fr capuchon
Katoeën: katoen
Kazuuvul: kazuifel, mouwloos opperkleed gedragen door de priester als hij de mis opdraagt
Ketienk: ketting
Kiemonoo: kimono; Japans kledingstuk. Losse mantel of japon met wijde mouwen die met een ceintuur wordt dichtgebonden
Kiendurkleeërn: kinderkleding
Klaksju: klakje
Klaku: klak, pet
Kleeën medu laptju: met welke kledij ook, er goed uitzien
Kleeërbustul: kleerborstel
Kleeërn: kleren, kledij
Kleeërn voe du vijlugijt: veiligheidskleding
Kleeërn voe tu feeëstn: feestkleding
Kleeërn voe tu werkn: werkkleing
Kleeërn voer in du vrieju tiet: vrijetijdskleding
Kleeërn voer int guvegt: gevechtskleding
Kleeërn voer uut tu goön; uitgangskleding
Kleeërn voet snagts: nachtkleding
Kloefn: klompen
Knoptju: knoopje
Koentukletsur: pitteleer, lange jas bij feestelijkheden
Koesn: kousen
Koesn die slookurn: kousen die afzakken
Kokmutsu: koksmuts
Kolaän: kousbroek     Fr  collant
Komuuniezong: onderjurk             Fr combinaison
Kopspelu: kopspeld
Korsee: keurslijf                       Fr   corset
Kostuumu: pak
Kotieln broek: fluwelen broek
Kroontju: kroontje
Krosjteern: haken met een haakpen           Fr crochete
Kultun: kleren
Leëzn: laarzen
Linun: linnen
Maaänsjetu: manchet                     Fr manchette
Maaänsjetuknoop: manchetknop
Masjhur: masker
Mieniekienie: minikini
Moentmasjhur: mondmasker
Monokul: oogglas       Fr  monocle
Monookienie: monokini, bikini zonder bovenstuk
Mutsu: muts
Naaldu: naald
Nagtemdu: nachthemd
Neegliezjee: gemakkelijk ochtendgewaad            Fr négligé
Niekam: nikam
Nielong: nylon
Nielongs: nylonkousen
Noeërujaagurtju (u): strikdas, vlinderdasje
Noöt: naad
Noöjmasjien(u): naaimachine
Noöjn: naaien
Nunukleeërn: religieuze kleding van een non
Oarmbant: armband
Oeët: hoed     => Noeët (u): een hoed
Oeëwu zieëju gie doö nu aangutjootult?:Hoe ben jij nu aangekleed?

Oendurbroek: onderbroek
Oendurgoeët: ondergoed
Oendurlief: onderhemd
Oeërujaagurtju: strikje
Oendurlievutju: onderhemdje
Oogsjhaduw: oogschaduw
Ooörbelu: oorbel
Ooörrieng: oorbellen
Ooörrienk: oorbel
Oovral: overall
Oovurgoojur: overgooier, wijde mouwloze jurk zonder taille die over het hoofd wordt aangetrokken
Orlogu: uurwerk
Orloozjubantju: uurwerkbandje
Paltoo: mantel, overjas                     Fr paletot
Pardusuu: mantel                      Fr pardessus
Pasturkleeërn : religieuze kleding van priester
Peërul : parel
Pelsun frak: pelsmantel
Piekubestu  => up zu piekubestu guklit zien: piekfijn gekleed zijn
Piewantn: wanten
Pinwaar: ochtendjas meestal gedragen bij het opstaan en vóór het slapengaan       Fr  peignoir
Pirmanaäntu: haargolf blijvend     Fr   permanent
Plastrong: das                    Fr plastron
Ponsjoo: poncho, van origine Zuid-Amerikaans kledingstuk, rechthoekige doek met in het midden een gat om het hoofd door te steken
Poönu: fluweel
Pulumutsu: puntmuts
Reegnkaptju: regenkapje
Reegnmantul: regenmantel
Rieëmtju: riempje
Rieëmu: riem
Riekooördu: schoenveter
Rieleëzun: rijlaarzen
Rowkleeërn: rouwkleding
Sandaaln: sandalen
Sandaalu: sandaal
Satien: satijn
Savatn: pantoffels
Senteuru: riem             Fr ceinture
Sjakosju: handtas            Fr sacoche
Sjarpu: sjerp                                  Fr écharpe
Sjetu: sajette, wol
Sjhabu: schort
Sjhortu: schort
Sjort: short
Slepu: hemd     =>    in zu slepn roentloopn: rondlopen zonder broek, in zijn hemd
Sletsn of Slufurs: pantoffels
Sliep: onderbroek
Slieptju: slipje
Smookieng: smoking
Snelzeikr: open vrouwenbroek
Soetjeën: bustenhouder         Fr soutien
Soetoönu: soutane, onderdeel priesterkleding
Stofu: stof
Streksju: strikje
Striekiezur: strijkijzer
Striekn: strijken
Strieng: string, soort onderbroek of zwembroekje dat schaamstreek bedekt en verder bestaat uit een touwtje of smal stukje stof om het middel en door de bilspleet
Taal a ju gat ang: al je geld uitgeven aan kledij
Talongs: hoge hakken                       Fr talon
Tanga : tanga, damesslip
Tieritu: rits                   Fr tirette
Toepet: haarstukje    Fr toupet
Tooga : toga, kledij van de rechter
Turnslufurs: turnpantoffels
Tuulu: mazenweefsel (doorzichtig)
U boöj brijn: een trui breien
Upgutietumatoojt: opgemaakt/opgezet
Uunieformu: uniform
Uutloötn: uitlaten, vergroten of verlengen van kleding
Uutrustiengu: uitrusting
Uutstriekn: uitstrijken
Veln mantul: bontjas
Vestubeuzu: zak van de jas
Viengurrienk: vingerring
Vlindurdasju: vlinderdasje, hoerenjagertje
Vrowukleeërn: vrouwenkleren
Vuliengu: (op)vulsel
Vurklindurn: verkleinen, inpakken
Vursjhooön: verschonen, verversen (baby)
Wienturkleeërn: winterkleren
Wulu: wol
Wuuvukleeërn: vrouwenkleren
Zeulu: zool  (van u sjhoeë: van een schoen)
Ziedu: zijde
Zilvurn ketienk: zilveren ketting
Zilvurn orloozju: zilveren uurwerk
Zjartiln: jarretellen, onderdeel van het damesondergoed ter voorkoming van het afzakken van de kous
Zjielee: vest                        Fr  gilet
Zokn: sokken
Zoksju: sokje
Zoomurkleeërn: zomerkleren
Zunuklaksju: zonnepetje
Zuutwestur: zuidwester, hoofddeksel gedragen door zeevaarders


Lipustiftu: lippenstift
Makiejoözju: make-up                                Fr  maquillage
Misaaänplie:
Oogsjhaaduw: oogschaduw
Pirmanaantu:

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 13: Geld Financies

Aalmoeëzu: aalmoes
Aksjus: acties, aandelen
Al slaapundu rieku wordn: al slapend rijk worden, er niets moeten voor doen
Andeeëln: aandelen
Andeeëloedur: aandeelhouder
Bankbieljet: bankbiljet
Bankbrieftju: bankbriefje
Bankgugeim: bankgeheim
Bankkluuzu: bankkluis
Bankkoörtu: bankkaart
Bankleeëniengu: banklening
Bankofsjhriftu: bankafschrift
Bankreekniengu: bankrekening
Bankroeët: bankroet
Banktugoeët: banktegoed
Batju: koopje
Beeteewee: BTW belasting op de toegevoegde waarde
Bendug: zuinig
Beuzu: beurs (instelling en zak)
Biebutaaliengu: bijbetaling
Biedraagu: bijdrage
Bielegn: bijleggen
Biepasn: bijpassen
Bievurdieën: bijverdienen
Bievurdieënstu: bijverdienste
Binbrieng: binnenbrengen (als bijdrage aan gezinskosten, bvb)
Boekoediengu: boekhouding
Boekoedn: boekhouden
Borgsteliengu: borgstelling
Brantkasu: brandkast
Brieftju: briefje (van twintig euro bvb)
Budervn: bederven
Budriefsbulastiengu: bedrijfsbelasting
Bukostugiengu: bekostiging
Bukostugun: bekostigen
Bulastboör: belastbaar
Bulastieng: belastingen
Bulastieng oentduukn: belastingen ontduiken
Bulastiengaängiftu: belastingsaangifte
Bulastiengefiengu: belastingsheffing
Bulastiengoftrek: belastingsaftrek
Bulastiengsjhievu: belastingsschijf
Bulastingsiestiïm: belastingssysteem
Bulastiengvrie: belastingsvrij
Bulegiengu: belegging
Bulegur: belegger
Bulooniengu: beloning
Bumiduln: bemiddelen
Buslaglegiengu: beslaglegging
Buspoöriengu: besparing
Busteediengu: besteding
Butaalboör: betaalbaar
Butaaliengu: betaling
Butaalkoörtu: betaalkaart
Butaaln: betalen
Buzitieng: bezittingen
Buzoldiegiengu: bezoldiging
Dadis giïn gelt: dat is goedkoop
Dieëru: duur
Dieëzn: duurder worden
Dran toesteekn: geld verliezen op een door jou betaalde zaak
Drienkgelt: drinkgeld
Dur gelt uutsloön: winst maken
Dur warmtjus iïn zitn: er warmpjes inzitten, veel geld hebben
Erfunisu: erfenis
Ervn: erven
Fajiet(u): bankroet
Fortuunu: fortuin
Garaaänsju: waarborg
Gasboeëtu: gasboete, opgelegd door de gemeente
Gelt moe roln: geld moet rollen
Gelt rieëkn: geld ruiken, voelen dat er iets te verdienen is
Gelt uut utwieën zu zak klopn: iemand te veel doen betalen
Gelt vurdieën lik sliek: op gemakkelijk manier veel geld verdienen
Gelt vurdoeën: geld uitgeven
Geltzak: rijke
Gin rostu kluutu en: niets bezitten
Gupast gelt: gepast geld
Ienkulgelt: muntstukken, kleingeld
Iepoteeku: hypotheek
Infloösju: inflatieInt zwart werkn: in het zwart werken
Ju gelt plaseern: je geld vastzetten op termijn
Ju gelt vastu zetn: je geld vastzetten
Ju ku gin kei vloön: je kunt niets ontnemen aan iemand die niets heeft
Ju mag ut up ju buuk sjhrievn: je zult nooit betaald worden
Kapietaal: kapitaal
Kasu: kassa
Kiendurgelt: kindergeld
Kluturgelt: kleingeld
Kluutu: tien centiem oud Belgisch geld
Kluuzu: kluis in de bank
Kortiengu: korting, afslagKoruupt zien: korrupt zijn
Krebu bietn: armoe, hongerlijden
Kroozn (va ju gelt): rente
KrotEnKompanjieë: grote armoede
KrotEnOörmoeë: grote armoede
Krotu: armoede
Lamurn: geld geven
Leeëniengu: lening
Leeflooön: leefloon
Leevun van du dis: onderhouden worden door het OCMW
Leevun van zu rentn: leven van de opbrengst van zijn geld
Meeërweërdu: meerwaarde
Met u fursjetu sjhrievn: te veel aanrekenen
Ne gi naagul voe zu gat tu krabuln: hij bezit niets en hij heeft geen geld
Nis me zu gat in du butur guvoln: hij is in een rijke familieterechtgekomen
Nu biet u frang in tweeën: het is een gierigaard
Nu zoet u frang in tweeën bietn: hij is erg gierig
Nu zit op zu geld: hij is gierig
Ofbieën: afbieden
Obliegoösju: obligatie
Oenkostn: onkosten
Ofbutaaln: afbetalen
Ofgusleegn: prijs is verminderd
Ofkortn: een schuld afbetalen
Ofslag: korting
Oftrekn van ju bulastieng: aftrekken van je belastiengen (gedane onkosten, forfait)
Oftrogln: aftroggelen
Ofpriezn: afprijzen
Ofslag: afslag
Oörmoeë: armoede
Oörmoeë troef: daar heerst armoede
Oovursjhot: overschot
Oovursjhrieviengu: overschrijving
Otomoöt: geldautomaat
Parkeerboeëtu: parkeerboete
Parkeergelt: parkeergeld
Poenku: spaargeld (verdoken)
Portufuju: portefeuille
Portumonee: geldbeugel        Fr portemonnaie
Pronostiekn: een pronogstiek invullen
Reeguulariezoösju: regularisatie
Riekdom: rijkdom
Rieku stienkur: rijke stinker/man
Rinuweern: ruineren
Rusuu: ontvangstbewijs        Fr  reçu     
Rutu: blut
Senteuru doeën: de riem toehalen om te besparen                    Fr ceinture
Sentn: centen
Sjhaavurgoeëdiengu: schadevergoeding
Sjhatbuwoördur: schatbewaarder
Sjhatkistu: schatkist
Sjhatrieku: schatrijk
Sjhuldn: schulden
Sjhuldn maakn: schulden maken
Sjhuldn ofbutaaln: schulden afbetalen
Sjik: cheque
Sjikboek: chequeboek
Sliek van deërdu: geld   
Smooörrieku: zeer rijk
Speelsjhuldn: speelschulden
Spoörboeksju: spaarboekje
Spoörgelt: spaargeld
Spoörkasu: spaarkas
Spoörn: sparen
Spoörn voe ju noedun dag: sparen voor de oude dag
Spoörreekniengu: spaarrekening
Sponsurn: sponsteren, steunen met geld
Steeg: stijf
Steeg van ofgoön: gierig zijn
Steeënrieku: steenrijk, zeer rijk
Stortiengu: storting
Suukurtantu: suikertante, rijke tante zonder kinderen
Teëru doeën: verteren, geld uitgeven
Tgelt deur deurun en viïnsturs smietn: geld door deuren en vensters gooien
Tgelt dur deuru jaagn: veel en snel geld uitgeven
Tgelt groejt nie up mu rik: het geld groeit niet op mijn rug, ik ben spaarzaam want ik moet er hard voor werken
Tis eeën me kluutn: één met kluiten, een rijke
Toar zoet deur ju klaku groejn: je geld zou ervan op geraken
Tu nieëtu goön van tgelt: waardevermindering van het geld
Tvolt va nie oogu: het is niet duur
Tzoet up ju patatn nie vurdieën: heel weinig verdienen
U fluutu van u sent: een kleinigheid
U kleeën peënsjoeëntju: een klein pensioen
U kostlik batju: een dure aangelegenheid
U lotju koopn: een lot kopen
U neuroo: een euro
U neezul en die geld sjhiet: over onuitputtelijke geldbron beschikken
U nomaaliengu doeën: geld inzamelen
U zak gelt en: rijk zijn
Up du poef koopn: kopen op afbetaling
Up gin frang/euroo kiekn: het komt niet op een frank/euro
Up ju geld zitn: gierig zijn
Up zwart zoöt zitn: op zwart zaad zitten, geen financiële mogelijkheden meer hebben
Upbrieng: opbrengen
Upbriengstu vaju gelt: opbrengst, rente
Upslag: opslag
Uutspoörn: uitsparen
Vakaaänsugelt: vakantiegeld
Van zu gelt klapn lik u boer van zu kleeënu patatjus: van zijn geld spreken zoals een boer van zijn kleine aardappelen
Voe gin gelt van du weeërult: voor geen geld van de wereld, wat je ook mag bieden
Voe tzeëfstu gelt: voor hetzelfde geld
Vraagn kost giïn gelt: vragen kost geen geld, toch vragen als er weinig kans op slagen is
Vraagpries: vraagprijs
Vrie van taks: vrij van belastingen
Vurdieën: verdienen
Vurdieënstu: verdienste
Vureurn: verhuren
Voöksupvoeëdiengu: volksopvoeding
Voe nietn: gratis, kosteloos
Voer u napul en u nei: zeer goedkoop
Vooördeeël: voordeel
Vooördeeëlug: voordelig
Vooörnsjhieëtn: voorschieten
Vooörsjhot: voorschot
Vurdoeën: uitgegeven => aal zu gelt vurdoëen aaän snoep
Vurgoeëdiengu: vergoeding
Vurkoopupbriengstu: verkoopopbrengst
Vurkwistiengu: verkwisting
Vurlieës: verlies
Vurlieëzn: verliezen
Vurigtiengu: verrichting (op bankrekening)
Vuriekn: verrijken
Vurspiliengu: verspilling
Wediengu: wedding
Wedn: wedden
Witwasjhun: witwassen
Woekurn: te veel geld vragen
Woekurpries: veel te hoge prijs
Woekurwiïnstu: woekerwinst, te veel verschil tussen waarde en gevraagde prijs
Woörborgu: waarborg
Zo rieku of datu zeeë diepu is: zo rijk als de zee diep is, zeer rijk
Zo woörmu lik djop: zo arm als job, zeer arm
Zoöjn no du zak: de tering naar de nering zetten
Zu broek draän sjheurn: zijn broek eraan scheuren, verlies lijden
Zu gelt dur deurujasn: snel veel geld uitgeven
Zu gelt plaseerun: zijn geld vastzetten, investeren, plaatsen
Zu gelt zit in u koesu: hij heeft geen vertrouwen in de banken
Zu slepn draan sjheurn: verlies lijden bij een zaak
Zwart geld: niet aangegeven geld
Zwem int gelt: rijk zijn

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 12: Gemoedstoestand Gevoelens

Aänjaagn: zich fel haasten
Agturdogtug: achterdochtig
Agturloop: veel moeite
Alturoösju: ontroering
Ambjaaänsu: stemming                        Fr ambiance
Andagtug: aandachtig
Ankurn: hevig verlangen
Barmertug: barmhartig
Bendig: nieuwgierig, hevig naar iets uitkijkend
Beu lik koedu pap: iets zeer beu zijn
Biebudoeëliengu: bijbedoeling
Bleëtn: wenen
Bliedu of blieë: blij
Blietsjhap: blijdschap
Bliekboör: blijkbaar
Bloeëtstolunt: bloedstollend
Braavu zien: braaf zijn
Brimstug: geil, bronstig
Budoeëliengu: bedoeling
Budoeëln: bedoelen
Budwieng: bedwingen
Bugoeftu: behoefte
Bukn: koppig zijn
Bukomuriengu: bekommering
Bukooöriengu: bekoring
Bukrompn: bekrompen
Bulachuluk: belachelijk
Bulang: belang
Bulangsteliengu: belangstelling
Buleedugt: beledigd
Buleeëriengu: belering
Bulemuriengu: belemmering
Buletsul: beletsel
Bumoeëdurn: bemoederen
Bunowt zien: bang zijn
Buproeviengu: beproeving
Burustiengu: berusting
Busjhaamt zien: beschaamd zijn
Busjhijdun: bescheiden
Busjhowiengu: beschouwing
Buwoöjt: scheel van de goesting (naar eten)
Da werkt op mu zilmus: dat werkt op mijn zenuwen
Dankboör: dankbaar
Deegoe: afkeer          Fr dégoût
Deeliekoöt: delikaat             Fr délicat
Dinu doeën: er niet goed van zijn
Dragtur kun sjhuufuln: erachter mogen fluiten, iets niet krijgen
Droomweirult: droomwereld
Drukdoeëndurieë: drukdoenderij
Du kituls en: gevoelig voor kriebels
Du krul kriegn: zeer hard op de zenuwen gewerkt
Dul zien: kwaad zijn
Dur geërn bie zien: er graag bij zijn
Dur me ju klaku noö sloön: op goed geluk polsen of raden
Dur nie goeët vaän zien: er niet goed van zijn
Dur tertu van iïnzien: er het hart van in zijn
Durbie kwieëln: erbij kwijlen
Durvan braakn of spuugn: er genoeg van hebben
Eeënzaam: eenzaam
Eëk weërt em: iedereen doet zijn best
Eëk zu goestu: ieder zijn wil, zijn goesting
Eemulstuvroet: zeer kwaad
Eeërlik zien: eerlijk zijn
Enuvleis: kippenvel (rilling van ontroering, van ‘t verschieten)
Ertulik: hartelijk
Espres: opzettelijk                    Fr exprès
Foeëln: voelen
Froöj zien: braaf zijn
Gamuuzeert: geamuseerd
Gintriseert: geïnteresseerd
Goestu: goesting     
Goestu en: goesting hebben
Groeën van zjaloezieë: groen van jaloezie
Guboöriengu: doen alsof, iets gebaren, veinzen
Guboejt: geboeid
Gubrookn: gebroken
Gukwetst: gekwetst
Gulukug zien: gelukkig zijn
Guneërn: amuseren
Guwoöru wordn: gewaarworden
I ju gat gubeetn zien: verbolgen zijn over iets
In du duuk: stiekem
In u vroedu koleeru sjhieëtn: koleriek reageren
In zu broek doeën: bang zijn
Intoesjast: enthousiast
Jankn: huilen als een hond
Jeun: genieten
Ju juünstu toogn: tonen dat je iets wil doen
Ju karu keeërn: van mening veranderen
Ju kasu upfretn: zich vervelen, ongeduldig zijn
Ju kazaku droöjn: van gedacht veranderen, overlopen
Ju kluts kwiet zien: van niets meer weten
Kaan al bunowt da: ik was al bang dat
Kajietn: uitschreeuwen van de pijn
Kalmtu: kalmte
Kalmu: kalm
Kanuguluk: geluk dat er voor jou nog wat overgebleven is
Ken dur gunoeg van: ik heb er genoeg van
Ken dur mu klaku vaan vul: ik heb er genoeg van
Ken dur mu kot in: ik geniet ervan
Kgo no mu kip: ik ga slapen
Koeroözju: moed          Fr courage
Kompasju: medelijden
Kontent zien: tevreden zijn                     Fr content
Kontentument: tevredenheid, voldoening           Fr contentement
Koönfjeënsju: vertrouwen   Fr confiance
Koönfort: comfort                    Fr confort
Kopug: koppig
Kriegn dur kieëkuvel van: ik krijg er kippenvel van
Kriesjhn: wenen
Ksien dul: ik ben kwaad
Kurjeus: nieuwsgierig              Fr curieux
Kurjeuzuneuzn en vraagsteërtn: nieuwsgierig zijn
Kurjeuzuteit: nieuwsgierigheid
Kutent: content, tevreden
Kuumn: niets zeggen
Kvoeëln muniegoeët: ik voel me niet goed
Kwetsboör: kwetsbaar
Kwieln: kwijlen
Kwitzoendur of: ik ben benieuwd of
Kwoöt zien: kwaad zijn
Kzien kuük: ik ben pompaf
Kzien murwu: ik ben murw geslagen
Kzien tertu of: ik kan niet meer
Kzient zo moewu lik aaängubrandu pap: ik ben het heel erg moe
Lachun: lachen
Lank gat (met u): tegen de goesting iets doen
Leeg: lui
Leegoört: luiaard
Liebur: vrij                      Fr libre
Lieburtijt: vrijheid              Fr liberté
Lieën: lijden
Lujugeit: luiheid
Malsjaaänsu en: ongeluk hebben     Fr malchance
Me ju pies in du wient stoön: verslagen, geen raad meer weten
Meegoöndu: gewillig, sympathiek
Meeleevn: meeleven
Meënsjhuluk: menselijk
Meefoeln: meevoelen
Meevoln: meevallen
Meewiln: meewillen
Meezitn: meezitten
Me tu poepurs zitn: bang zijn
Met u kleeën ertju: met een klein hartje, beschroomd
Met u lank gat: met tegenzin
Mien bobienu is of: in ben doodop
Moeë: moe
Moeëduloos: moedeloos
Moeëdurertu: moederhart
Moeëdurlieëfdu: moederliefde
Moentzieënt: we zien er tegenop
Mu zoendur kloör upstoön: het zou niet goed zijn als we dat deden
Nie va wantn weetn: nergens iets van afweten
Nis dul, zisdul: hij is kwaad, zij is kwaad
Nis/zis goeët vanertu wi: hij/zij heeft een goed hart, hoor
Nooötgudwoeng: noodgedwongen
Oedjan tgas: bereid je er maar op voor
Nu jeunt em doö: hij voelt zich daar goed
Oenaaängunaam: onaangenaam
Oenduvroet zien: heel erg boos zijn
Oeëngudult: ongeduld
Oeënguduldug: ongeduldig
Oeënguluk: ongeluk
Oeëngulukug: ongelukkig
Oeëngurust: ongerust
Oeënpusjentug: ongeduldig           Fr impatient
Oeënsjaänsu: ongeluk, tegenvallend
Oeënvrieënduluk: onvriendelijk
Oeënzeekru: onzeker
Oeërusjaänsu: veel geluk
Oentmoeëdugt: ontmoedigd
Oentroeëriengu: ontroering
Oentroeërt: ontroerd
Ofvraagn: afvragen
Ooörndul: geschift, getikt
Oovurguvoeëlug: overgevoelig
Op zu sjieku bietn: zich inhouden
Peizn: peinzen, denken  => kpeizn: ik denk
Pieëpn: schreeuwen
Pienluk: pijnlijk
Poepurs: schrik 
Poeër: pit
Preus: fier
Preus lik veeërtug: zeer fier
Pusjeënsju: geduld         Fr patience
Pusjentug: geduldig             Fr patient
Riliengu: rilling
Roesputeern: misnoegen uiten         Fr rouspéter
Rooj: last
Rooöt van sjhamtu: rood van schaamte
Roözunt van koleeru: razend van woede
Ruksju: reukje
Rutuln: misnoegdheid uiten
Seënsoösju: sensatie
Simpatiek: sympathiek
Sjaänsu: geluk, meeval                Fr chance
Sjhieë: bevlieging
Sjhien: schijn
Sjhietur: bangerik
Sjhiln: schelen
Sjhreimn: wenen
Sjhruwuln: zeer luid schreeuwen
Spietug: spijtig
Stilu: stil
Surjeus: ernstig                        Fr sérieux
Tertu durvan iïn zien: er het hart van in zijn
Tienkt mien da: me dunkt dat
Tis mo daj twit: als je het maar weet
Tis mu juustu gliek: het is mij om het even
Tis voe bie tu bleëtn: je zou erdoor wenen
Tka mu nie sjhiln: het kan me niet schelen
Toed an du rebn: het is straffe kost
Trow zien: trouw zijn
Tsloeg (d)a mu nertu: ik verschoot mu rot
Tspek a ju klooötn en: het zitten hebben, het slachtoffer zijn
Twerkt up mu zilmus: het werkt op mijn zenuwen
U noent zoet rieëkn: het was te verwachten
U sjheetu lachn: plezier hebben
U vroedu koleeru: erg kwaad zijn
Ulpuloos: hulpeloos
Up ju kinu meugun klopn: op je kin mogen kloppen, niet krijgen wat je verwacht
Up ju peërt zitn: kwaad zijn
Up ju weeroedn zien: afwachten en voorzichtig zijn
Upgulugt: opgelucht
Upguwekt: opgewekt
Upjaagn: opjagen, aanzetten tot grotere haast
Upoedn: ophouden
Upregt zien: oprecht zijn
Utwa doeën met u lank gat: iets doen tegen zijn goesting
Utwa geeëstug vieng: iets leuk vinden
Utwa meeën: iets ernstig menen
Utwieën geërn zieën: van iemand houden
Utwoö dinu van zien: ergens niet goed van zijn, ontgoocheld zijn
Uutbundug: uitbundig
Uutguloötn: uitgelaten
Uutoedn: uithouden
Uutpluuzn: uitpluizen
Uutgupluust: uitgeplozen
Van u noözu gupoept zien: haast hebben, haastig zijn
Veelu pusjeënsen: veel geduld hebben         Fr patience
Vijandug: vijandig
Voeëlboör: voelbaar
Voeëliengu: voeling
Vooörguvoeël: voorgevoel
Vooörkeuru: voorkeur
Vooörlieëfdu: voorliefde
Vooörooördeeël: vooroordeel
Vooörproevutju: voorproefje
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vorspelboör: voorspelbaar
Vorspeliengu: voorspelling
Vraagteeëkn: vraagteken
Vreeësuluk: vreselijk
Vriedom: vrijheid
Vrieënduluk: vriendelijk
Vriegeevug: vrijgevig
Vriejijt: vrijheid
Vriejuut: vrijuit
Vriewilug: vrijwillig
Vroegiengu: wroeging
Vroet: kwaad
Vrowunertu: vrouwenhart
Vuldoön: voldaan
Vurboöziengu: verbazing
Vurdrieët en: verdrietig zijn
Vurdwoöst: verdwaasd
Vurlang: verlangen
Vurlijdiengu: verleiding
Vuroendursteliengu: veronderstelling
Vurasiengu: verrassing
Vurneedriengu: vernedering
Vurneedurt: vernederd
Vursjhieëtagtug: die gemakkelijk schrikt of verschiet
Vursjhrikt zien: verschrikt, zeer bang
Vursmagtn: verstikken
Vurstievn: verstijven (van angst bv)
Vurvuliengu: vervulling (wens)
Vurwerkiengu: verwerking (van een tegenslag)
Vurwoendriengu: verwondering
Vurwoendurn: verwonderen
Vurwoendurt: verwonderd
Wa sjhiltur: Wat scheelt er
Walgiengu: walging
Wanoopug: wanhopig
Weënsjhn: wensen
Wijgur zien oovr utwa: zorg dragen over iets
Wit van koleeru: wit van woede
Zis nie zindlik: ze kijkt niet nauw, ze is niet kieskeurig
Zjaloeës zien: jaloers zijn
Zjaloezieë: jaloezie
Zoendu: zonde
Zu booöntjus tu weeëku legn: azen op iets
Zu gat sjhuufult: hij is zenuwachtig, op zijn ongemak
Zu jeun undur doö: ze voelen zich daar goed
Zu jeunt eur doö: ze voelt zich daar goed
Zu lipu loötn ang: ongelukkig, verdrietig zijn
Zu toopu sloön: bang zijn
Zu zit met du poepurs/sjhieturs: ze is bang

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 11: Liefde Huwelijk of andere relatie

Aaängutrowt: aangetrouwd
Aavunturtju: avontuurtje, korte vlucht uit de relatie
Afeëru: buitenechtelijke relatie            Fr affaire
Agtur utwieën zu gat loopn: altijd bij iemand willen zijn, ook als die dat niet wil
Aliementoösju: voorziening     Fr alimentation
Amang: aanhouder, lover      Fr amant
Anbidur: aanbidder
Ankurn agtur utwieën: niet zonder iemand kunnen
Anoedur: minnaar maar ook iemand die blijft aandringen => dun anoedur wint
Asan ruuzju maakn: altijd ruzie maken
Bieslaap: bijslaap
Biezit: bijzit
Broek vul goestiengu (of goestu): geil zijn
Bruuloft: bruiloft
Buturbrieftju: boterbriefje, bewijs dat men getrouwd is
Dijtn: daten, afspreken
Eereksju: erectie
Ertrown: hertrouwen
Flikur: flikker, homo
Flirtn: flirten
Fuftug joör gutrowt: vijftig jaar getrouwd, gouden bruiloft
Geërn zieën: houden van        => van utwieën, van utwadu
Goeët int bedu: goed in bed
Guluk int spil, oeënguluk in du lieëfdu: geluk in het spel, ongeluk in de liefde
Gusjhit: gescheiden
Gusjhit van taaflenbedu: gescheiden van tafel en bed
Gutrowt zien voe tgelt: niet getrouwd zijn uit liefde maar omdat de partner rijk is
I roetu zien met utwieën: een relatie hebben met iemand
Ju vint/wuuf budrieëgun: je man/vrouw bedriegen
Kapootu: condoom
Kenisun: een relatie aangegaan hebben, vrijen
Kiendurloos: relatie zonder kinderen
Kiendurweëns: kinderwens
Kloarkomn: klaarkomen, orgasme krijgen
Knufuln: knuffelen
Koedan warmu lieëfdu: koude handen, warme liefde
Kopul: koppel
Kozien: kozijn    Fr cousin 
Leeërn rieën up u noedu vielo: door een oudere (getrouwde) vrouw ingewijd worden in de liefde
Leevn lik kat e noent: slecht overeenkomen
Lekn: kussen
Lieëf: lief     
Lieëfdu: liefde       => 
Lieëfdu makt blint: liefde maakt blind
Lieëfdu up teeërstu guzigt: op het eerste gezicht
Lisbiejinu: lesbische vrouw
Luduvudu: liefdeverdriet
Met du mantul van du lieëfdu budekn: met de mantel van de liefde bedekken, vergeven
Minoöru: minnaar
Minoresu: minnares
Mitrisu: minnares           Fr maîtresse
Moku: meisje of verloofde
Monookienie: monokini
Mu lieëf: mijn lief
Mukoör geërun zieën: houden van elkaar
Mukoör misun: elkaar missen
Mukoör nie kun misun: elkaar niet kunnen missen
Munoögu: huishouden             Fr ménage
Net/zet durmee tu doeën: hij/zij heeft er een relatie mee
Net u nandru: hij heeft een andere
Neukn: neuken, de liefde bedrijven
Nie van du stroötu gugrogt: niet van de straat geraakt, (nog)nooit een relatie gehad hebben
Nis of zis nog nie van du stroötu: nog niet verloofd of getrouwd
No doeërn goön: naar een hoerenkot gaan
Od u noedu sjheuru in brandu vlieëgt: als een oudere verliefd wordt
Oedn van mukoör: houden van elkaar
Oedu lieëfdu roeëst nie: oude liefde roest niet
Oeërujaagur: hoerenjager
Oeërukot: hoerenkot
Oentrow: ontrouw, bedriegen van partner
Oentugt: ontucht
Ofmaakn: verbreken (van vrijage)
Ofspraaku: afspraak
Oftrekn: masturberen
Omelziengu: omhelzing
Oomooguuwuluk: homohuwelijk
Oörmenoörmu goön: arm en arm gaan
Oovurspil: overspel
Orgasmu: orgasme
Ovreeënkomn: overeenkomen
Palufun: liefkozen
Peenies: penis
Pieëpurn: kussen
Poepn: neuken
Pot: lesbienne
Randeevoe(tju): afspraak(je)                Fr rendez-vous
Rieku gutrowt zien: getrouwd zijn met een rijke man of vrouw
Ruloösju: relatie
Siks: sex
Sjharul: scharrel, losse verkering
Sjhatju: schatje
Sjhidiengu: scheiding
Sjhijdn of sjkheeën: scheiden
Sjhooönbroeëru: schoonbroer
Sjhooönmoeëdru: schoonmoeder
Sjhooönvoödru: schoonvader
Sjhooönzustru: schoonzuster
Sjhooten up utwieën: iemand in de gaten hebben om er een relatie mee aan te gaan
Sleep: onderste van trouwkleed dat langs de grond sleept en daarom opgeheven wordt
Smooörvurlieëft: smoorverliefd
Speelvajoögu: huwelijksreis
Stiefmoeëdru: stiefmoeder
Stiefvoödur: stiefvader
Streeëliengu: streling
Swietu: gevolg bij een chique huwelijksplechtigheid
Teegn ju zjielee trekn (utwieën): iemand aanhalen, tegen de borst drukken
Tetuzot: man die van borsten houdt
Tisof: de relatie is verbroken
Tis weeran: de relatie is er weer
Tjestug joör gutrowt: zestig jaar getrouwd, diamanten bruiloft
Toopu weun: samenwonen
Topuzot: zeer verliefd
Totju: kusje
Trow: huwelijk
Trowfeeëstu: trouwfeest
Trowfotoo: huwelijksfotoTrowkleeët: trouwkleed
Trown voe du kerku: kerkelijk huwelijk
Trown voe du wet: wettelijk huwelijk
Trowrienk: trouwring
Tugoaruweun: samenwonen
U nartnen: een stijve hebben
U noar in du butur: een haar in de boter
U noent met u noeët an: zegt men van een vrouw die er niet goed uitziet maar toch de interesse van de man opwekt
U noeëru lik u peërt: een vrouw die heel wat minnaars had/heeft
U sjheivu sjhatsu rieën: vreemd gaan
U sjhooön kopul: een mooi koppel
Up u nandur goön: vreemdgaan, scheve schaats rijden
Veuguln: de liefde bedrijven
Vint: man
Vooörspil: voorspel
Vrieguzel: vrijgezel
Vrieoözju: vrijage
Vrijn: vrijen
Vrimdu goön: vreemdgaan
Vurlang: verlangen
Vurlieëft: verliefd
Vurlooviengu: verloving
Vuroediengu: verhouding
Vuroovriengu: verovering
Vursieëriengu: versiering
Vursieërn: versieren
Vuuvuntjestug joör gutrowt: vijf en zestig jaar getrouwd, briljanten bruiloft
Vuuvuntwientug joör gutrowt: vijf en twintig jaar getrouwd, zilveren bruiloft
Wuuf: vrouw
Wuuvuzot: vrouwenzot
Zet u nandreeën: ze heeft iemand anders
Zet utwieën andurs: ze heeft iemand anders
Zis i roetu me: ze heeft een relatie met
Zjuubielee: jubileum
Zorgun voe mukoör: voor elkaar zorgen
Zot zien van utwieën: verliefd zijn op iemand
Zu lieëfdu vurkloörn: zijn liefde verklaren
Zu zien weg van mukoör: ze zijn niet meer samen                    

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 10: Gebouwen – Bouwwerken - Woningen en onderdelen ervan - Wonen

Aaänbusteediengu: aanbesteding
Agturdeuru: achterdeur
Agturkaamur: achterkamer
Agtruut: tuin of grond achter het huis
Alee: overloop               Fr allée
Alukuupu: beerput
Alupit: beerputArduun: arduin
Asaänsuür: lift                              Fr ascenseur
Baksteeën: baksteen
Balatom: balatum
Balkong: balkon
Baluustraadu: balustrade, leuning van een balkon
Batkaamur: badkamer
Beërpit: beerputBelu: bel
Biebown: bijbouwen
Biedong: beton
Biedongblok: betonblok
Biedongmeuln: betonmolen
Biedongrot: betonrot
Biegubow: bijgebouw
Bieldieng: building
Binudeuru: binnendeur
Binumeur: binnenmuur
Blaf(u)teuru: vensterluik
Boeërdurieë: boerderij
Boeërof: boerderij
Boeërofstee: hoeve
Bojlur: boiler, waterverwarmer
Boöku: balk
Bowbudrief: bouwbedrijf
Bowgroent: bouwgrond
Bowjoör: bouwjaar
Bown: bouwen
Braku: barak  => nu/zu weunt in u braku                 Fr baraque
Brantvijlugijt: brandveiligheid
Briekn: bakstenen           Fr briques
Brieku: baksteen
Briekuljong: verbrijzelde bakstenen
Brievubusu: brievenbus
Bubown: bebouwen
Buklidiengu: bekleding
Buneen: beneden
Burguruus: burgerhuis
Buteeguliengu: betegeling
Buungalow: bungalow
Buuro: studie- of werkkamer        Fr  bureau
Buutudeuru: buitendeur
Buutugeevul: buitengevel
Buutumeur: buitenmuur
Buutuvurbluuf: buitenverblijf
Buuzu: buis
Buweunboör: bewoonbaar
Buweunur: bewoner
Bwatu: brievenbus                     Fr boîte aux lettres
Dagturdeuru: de achterdeur
Dalu: de hal
Dampukapu: dampkap
Deebara: opbergruimte     Fr débarras
Dek: dak
Dekbudekiengu: dakbedekking
Derdu vurdieëp: derde verdiep
Deuru: deur
Deurugat: deuropening
Diepoo: depot
Diestriebuusju: verdeling, bezorging    Fr distribution
Doeëniengu: hofstede, huis
Doeëniengsju: kleine hofstede
Droöjtrap: draaitrap
Dubulu deuru: dubbele deur
Duuvutoru: duivelstoren
Dweësboöku: dwarsbalk
Eestu vurdieëp: eerste verdiep
Eërdiengu: aarding
Eërt: haard
Eetaazju: verdieping                    Fr étage
Eetkaamru : eetkamer
Fasoödu: gevel      Fr façade
Fondoösju: fundament        Fr fondation
Gank : gang
Garaazju : garage
Garaazjupooörtu : garagepoort
Garu: opening => du deuru stoat up u garu: voor een stuk geopend
Geevlu: gevel
Gootsteeën: gootsteen
Goözu: gas
Groent: grond
Groentwoötur: grondwater
Grooötu kuustu: de grote schoonmaak
Guliekvloeërs: gelijkvloers
Iepoteeku: hypotheek
Iezoloösju: afdeklaag, isolatie    Fr isolation
Iïrkoo: air conditioning
Ilutriek: elektriciteit
Ilutriekdroöt: elektrische draad
Ipurstu: bovenste verdieping
Kaavu: schoorsteen
Kaburdoesju: cafeetje (met rood licht)
Kaliju: klei
Karwiju: karwei
Kasien: vensterbank
Keldru: kelder
Kiendurkaamur: kinderkamer
Klienku: deurklink
Koeër: koer
Koök: kalk
Koönstruuksju: bouw, constructie       Fr construction

Kornisju of Kornisu: dakgoot
Kortsluutiengu: kortsluiting
Kuusjhiengu: grote kuis
Kuustu: kuis
Latustooörs: rolluiken
Lavaboo: lavabo
Leuniengu: leuning
Lievieng: woonkamer, living
Liftu: lift
Lijdiengu: leiding
Lugt: verlichting
Maaänsardu: gebroken dak   FR mansarde
Mazoetpit: mazouttank
Meur: muur
Netspaniengu: netspanning
Nof (du): de tuin
Nuus (u): een huis
Oedumanuus: rusthuis
Oeëngusjhikt: ongeschikt
Oenbuweunboör: onbewoonbaar
Of: tuin
Ofloop: afloop
Ofstee: boerderij
Oftrekn: afbreken (van een huis)
Ogstu vurdieëp: hoogste verdiep
Omijniengu: omheining
Oogbow: hoogbouw
Opurvlaktu: oppervlakte
Ovutju: tuintje    => u novutju: een tuintje
Paljee: overloop                Fr palier
Papier plakn: papier plakken, behangen
Plaaänsjee: houten vloer
Plafong: zoldering       Fr plafond
Plintu: plint
Plong: zekering           Fr plomb
Pit: put
Plat dek: plat dak
Pompu: pomp
Pooörtu: poort
Prieëzu: stekker

Radiatuür:  radiator, verwarmingselement            Fr radiateur
Riejooln: riolen
Riejoolu: riool
Rookmeldru: rookmelder
Ruutn: ruiten
Salamaänzjee: eetkamer   Fr salle à manger
Salong: woonkamer, zitkamer, ontvangstruimte       Fr salon
Sieteërn: waterput     Fr citerne
Sjambrang: deuromlijsting      Fr chambranle
Sjhaavulieng: schaverlingen
Sjhapstal: schaapstal
Sjheuru: schuur (voor hooi of stro)
Sjhowu: schoorsteen
Sjofaazju: verwarming                           Fr chauffage
Sjofaazjukeetlu: chauffageketel
Sjofaazjukeldru: chauffagekelder
Slapkaamur: slaapkamer
Steliengu: stelling
Stoörs: rolluiken
Stopkontakt: stopcontact
Stortbat: stortbad
Studentukaamur: studentenkamer
Sument: mortel
Teegul(s): tegel(s)
Terupapieër: teerpapier
Tirasu: terras                               Fr terrasse
Tirmoostaat : thermostaat
Toetuuzunt: bij ons thuis
Toru: toren
Trap(n): trap(pen)
Tu nuutkantu: op de buiten  
Tu nuutkantu weun: op de buiten wonen
Tuus: thuis
Tvurtrek: toilet
Twalet: toilet
Twidu vurbluuf: tweede verblijf
Twidu vurdieëp: tweede verdiep
Twiwuünstu: dubbel huis
Up du buutn weun: op de boerenbuiten wonen
Up teeëste vurdieëp: op het eerste verdiep
Uprit: oprit
Uptrekn (van huis): verdieping(en) bijbouwen
Uus: huis
Uutbreidiengu: uitbreiding
Vastgoeët: vastgoed
Ventieloösju: ventilatie     Fr ventilation
Vieërtoru: vuurtoren
Vielawiek: villawijk
Vielookot : fietsenberging
Viïnstur: venster
Viïnsturkasien: vensterkozijn
Viranda: veranda
Vloeër: vloer
Vloeërbudekiengu: vloerbedekking
Vloeërn: vloeren leggen
Vloeërvurwarmiengu: vloerverwarming
Vogtugijtsgroöt: vochtigheidsgraad
Volsjhu plafong: vals plafond
Vooördeuru: voordeur
Vooörplatsu: voorkamer
Vowtu: opkamer
Vruuzn: verhuizen
Vurandriengu: renovatie, wijziging
Vurbluuf: verblijf
Vurdieëpiengu: verdieping
Vureuriengu: verhuring
Vureurn: verhuren
Vurlugtiengu: verlichting EN verluchting
Vurpagtn: verpachten
Vurpagtiengu: verpachting
Vurtrek: WC
Vurwarmiengu: verwarming
Vurzakiengu: verzakking
Weun: wonen
Weunkaamur: woonkamer, living
Woöturkroanu: waterkraan
Woöturpit: waterput
Woöturtoru: watertoren
Wuünstu: woning
Ziedeuru: zijdeur
Zjaloezieë: vliegenraam
Zoldru: zolder
Zoomuruus: zomerhuis
Zoomurvurbluuf: zomerverblijf
Zu weun in tol van fluutol: ze wonen afgelegen op de buiten
Zulu: drempel
Zwoöjdeuru: zwaaideur

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 9: Oneerlijkheid Diefstal Misdaad

Aaängiftu doeën: misdrijf aanmelden bij de politie
Aaänrandiengu: aanranding
Aaänrandiengu up du eeërboörijt: aanranding op de eerbaarheid
Aaänslag: aanslag (op het leven van een persoon)
Aaliebie: alibi  u naaliebie en, ginaaliebie en
Agtur slot en grendul: opgesloten, achter slot en grendel
Agturvoögun: achtervolgen
Andnols brieng: kapotmaken
Andoeën: aandoen (iemand iets)
Andul in blanku slavin: handel in blanke slavinnen
Anoediengu: aanhouding
Anoedn: aanhouden
Antboejn: handboeien
Arandiengu: aanranding
Arest: arrest
Asiezunof: assisenhof
Avukoöt: advokaat
Bak: gevangenis > in du bak zitn: in de gevangenis zitten
Bandieët: bandiet
Bandieëtustreeku: bandietenstreek
Bandietiesmu: banditisme
Bankoovurvol: bankoverval
Bie du kraagu vatn: bij de kraag vatten
Bie tveeërtieënstu zetn: misleiden, bedriegen
Biegamie: bigamie, twee keer gehuwd
Binbreekn: binnenbreken
Blankoo strafblat: blanco strafblad
Blintdoekn: blinddoeken
Bloeën: bloeden
Bloeët: bloed
Bloeëtbat: bloedbad
Bloeëtproef: bloedproef
Bloeëtsjhandu: bloedschandeBlown: smokkelen
Bloözun int zaksju: blazen in het zakje, alcoholtest
Blown: smokkelen 

Boeëtu: boete
Boeëtudoeëniengu: boetedoening
Bomaaänslag: bomaanslag
Bommeldiengu: bommelding
Bomoto: bomauto
Bomoentplofiengu: bomontploffing
Brantkasu: brandkast
Brantstigtiengu: brandstichting
Brazuletn: handboeien
Budrieëgluk bankroet: bedrieglijk bankroet
Budrieëgn: bedriegen
Budrieëgur: bedrieger
Budrieëgurieë: bedriegerij
Budrijgiengu: bedreiging
Budrijgn: bedreigen
Budrog: bedrog
Budwelmiengu: bedwelming
Buken: bekennen
Bukentmaakiengu: bekendmaking
Bukentunisu: bekentenis
Buleedugiengu: belediging
Bunowt maakn: bang maken
Bunowt zien: bang zijn
Burooviengu: beroving
Busjhermdu gutuugu: beschermde getuige
Busjhermiengu: bescherming
Busjhieëtiengu: beschieting
Busjhuldugiengu: beschuldiging
Bustrafiengu: bestraffing
Butastiengu: betasting
Buteugliengu: beteugeling
Butoogiengu: betoging
Butraapn: betrappen
Buwieslast: bewijslast
Buwiezun: bewijzen
Buzwoör: bezwaar (tegen een straf)
Dagvoördiengu: dagvaarding
Deugnietrieë: deugnieterij
Dieëf: dief
Dieëfstal: diefstal
Doödur: dader
Dooötbloeën: doodbloeden
Dooötdoeën: vermoorden, uitschakelen
Dooötsbudrijgiengu: doodsbedreiging
Dooötsguvoör: doodsgevaar
Dooötsjhieëtn: doodschieten
Dooötrieën: doodrijden
Dooötslag: doodslag
Dooötsloön: doodslaan
Dooötvoln: doodvallen
Doöku: dolk
Drijgbrieëf: dreigbrief
Drugdieëlur: drugdealer
Druggubruuk: druggebruik
Drugandul: drughandel
Du keelu oovursnieën: de keel oversnijden
Dwangbuuzu: dwangbuis
Dwangsomu: dwangsom
Eeërstu aaänleg: eerste aanleg
Eeëturdoöt: heterdaad
Eerowienu: heroine
Eetoflegiengu: eedaflegging
Fliek: politieagent
Foefuln: foefelen
Foejeern: aftasten, fouilleren
Frodeern: fraude plegen
Froodu: fraude
Gangstur: gangster
Geeliengu: heling
Geltstrafu: geldstraf
Giezuliengu: gijzeling
Goözumasjhur: gasmasker
Gowdieëf: gauwdief
Grafsjhendiengu: grafschennis
Gublintoekt: geblintdoekt
Gumasjhurt: gemaskerd
Gumeeëntupoliesju:gemeentepolitie
Guregt: gerecht
Guregtuluk vurleedn: gerechtelijk verleden
Gusjhoept: gestolen
Gutuugu(n): getuige(n)
Gutuugu tun lastu: getuige ten laste

Guvang: gevangenis
Guvangunisu: gevangenis
Guvlugt: gevluchtGuwaapunt: gewapend
Guwelt gubruukn: geweld gebruiken
Ieleegaal: illegaal, onwettelijk
Ienkulbant: enkelband
In buroep goön: in beroep gaan
Kanabies: cannabis
Kasoösju: cassatie, verbreking
Kiendurregtur: kinderrechter
Klagt indieën: klacht indienen
Kloroformu: chloroform
Kluuzu: kluis
Kokajienu: cocaïne
Kokuduukn: vermoorden
Komusoörus: commissaris
Kortgudieng: kortgeding
Koruupsju: corruptie
Kwetseuru: kwetsuur
Kwoöwiluwerk: wat gedaan wordt met slechte intenties
Lastur: laster
Leuguns: leugens
Lieëgn: liegen
Liekiedeern: liquideren
Lieksjhowiengu: lijkschouwing
Loesju: verdacht    Fr  louche
Mafia: maffia
Marieguwaana: marihuana
Martuliengu: marteling
Meedupligtug: medeplichtig
Meeliburn: op sluikse manier meenemen
Meënsjhusmokul: mensensmokkel
Messteeku: messteek
Mijneet: meineed
Misanduliengu: mishandeling
Misanduln: mishandelen
Misbruuk maakn: misbruik maken
Misbruukn: misbruiken
Misdoeën: misdoen
Misdoöt: misdaad
Misdoötfielmu: misdaadfilm
Misdoötromang: misdaadroman
Misdrief: misdrijf
Misplatst: misplaatst
Mooört: moord
Mooörtaaänslag: moordaanslag
Mooörtpoogiengu: moordpoging
Mooördunoöru: moordenaar
Mosliemtiroriest: moslimterrorist
Nagtgrugtu: nachtlawaai
Neerusjhieëtn: neerschieten
Neerusteekn: neersteken
Neeruvoln: neervallen
Nootguval: noodgeval
Nootweer: noodweer
Oeëngudektu sjik: ongedekte cheque
Oeënguvoörluk: ongevaarlijk
Oeënsjhult: onschuld
Oeënsjhuldug: onschuldig

Oenbutrowboör zien: onbetrouwbaar zijn
Oendurmien: ondermijnen
Oendurweërult: onderwereld
Oentduukn van bulastieng: ontduiken van belastingen
Oentoereekuniengsvatboör: ontoerekenigsvatbaar
Oentslag uut du bak: vrijkomen
Oentsnapiengu: ontsnapping
Oentsnapn: ontsnappen
Oentsnapt: ontsnapt

Oentugt: ontucht
Oentvoeëriengu: ontvoering
Oereern: hoereren
Ofkiekn: afkijken (bij examen)
Ofpakn: afpakken
Ofpersn: afpersen
Ofpersiengu: afpersing
Ofsjhrievn: afschrijven (bij examen)
Ofslagtiengu: afslachting
Ofstrafiengu: afstraffing
Ofstrafn: afstraffen
Oftapn: aftappen (elektriciteit bvb)
Oftroguln: aftroggelen
Ofzetn: afzetten, bedriegen in geldzaken
Omsienguln: omsingelen
Omukoopn: omkopen
Ooggutuugu: ooggetuige
Oösumtest: ademtest
Oovurmeeësturn: overmeesteren
Oovurtreediengu: overtreding
Oovurvol: overval
Oovurvoln: overvallen
Opspooriengu: opsporing
Parket: parket
Patroeju: patrouille
Peënsujaagur: stroper
Pesturieë: pesterij
Piek-poket: zakkenroller
Piekn: wegpakken
Plofkraak: een geldautomaat tot ontploffing brengen
Plunduriengu: plundering
Poliesjunoent: politiehond
Poliesjuregtur: politierechter
Potju brikt, potju butaalt: wie iets breekt moet het ook betalen (ook figuurlijk)
Priesong: gevangenis
Proses: proces-verbaal
Prostietuusju: prostitutie
Purzoeënsjen up utwieën: iemand verdenken
Rijsun: racen
Reesiedieviest: residivist, iemand die in herhaling valt na een of meerdere misdrijfgevallen
Regtbank: rechtbank
Regtspraaku: rechtspraak
Regtur: rechter
Rieën oendur iïnvloeët: rijden onder invloed
Rieftju Raftju: minderwaardig, gemeen volk
Ruklaseeriengu: reclassering
Rukoönstruuksju: reconstructie
Sanksju: sanctie
Seeponeern: seponeren
Selu: cel
Sieriïnu: sirene
Sjhaakiengu: schaking
Sjantaazju: afpersing                                         Fr chantage
Sjhaaduloossteliengu: schadeloosstelling
Sjheeëfsloön: stelen
Sjhieëtn: schieten
Sjhieëtpartieë: schietpartij
Sjhoepn: stelen
Sjhoolu van vurbeeturnisu: opvoedingsschool
Sjhootn losn: schoten lossen
Sjhult: schuldSjhuldug:  schuldig
Sjhurk: schurk
Sjhurkustreekn: schurkenstreken
Slagtofur: slachtoffer
Sluukstortn: sluikstorten
Smaat: smaad
Smokuln: smokkelen
Smokuloöru: smokkelaar
Smokulwoöru: smokkelwaar
Speuroent: speurhond
Spiejonaazju: spionage
Spooörwegpoliesju: spoorwegpolitie
Stoakiengu: stalking
Stoeër doeën: stoer doen
Strafblat: strafblad
Strafboör: strafbaarStrafu: straf
Stroopurieë: stroperij
Tguregt: het gerecht
Tiroriest: terrorist
Tjoepn: stelen
Toereekuniengsvatboör: toerekenigsvatbaar
Traalies: tralies
U brantkasu kraakn: een brandkast kraken
U katju in tdoenkur niepn: een katje in het donker knijpen, iets in ’t geniep doen
U koptju klindur maakn: vermoorden, een kopje kleiner maken
U proses a ju beeën en: een proces-verbaal oplopen
U ruutu iïnsloön: een ruit inslaan
U slot forseern: een slot forceren
U strafu uutzitn: een straf uitzitten
Up du boek guzet: een bon krijgen van de politie
Up du vlugt: op de vlucht
Upang: ophangen
Upligtiengu: oplichting
Upligtru: oplichter
Upligturieë: oplichterij
Uproeërpoliesju: oproerpolitie
Upsluutn: opsluiten
Upspooriengu: opsporing
Utwadu of utwieën up ut spoor zien: iets of iemand op het spoor zijn
Uuszoekiengu: huiszoeking
Uutstel: uitstel
Vandaliesmu: vandalisme
Veedieëf: veedief
Vermooördn: vermoorden
Viengurofdruk: vingerafdruk
Vlieëgtuugkaapur: vlieguigkaper
Vlugtmisdrief: vluchtmisdrijf
Vlugtn: vluchten
Vlugtpoogiengu: vluchtpoging
Voeëtspooör: voetspoor
Volsjheit in gusjhriftu: valsheid in geschrift
Volsmuntur: valsmunter
Volsmunturieë: valsmunterij
Volsu sjik: valse cheque
Vonis: vonnis
Voöksupstant: volksopstand
Voöksvuroödur: volksverrader
Vooörarest: voorarrest
Vooöroendurzoek: vooronderzoek
Vooörtvlugtug: voortvluchtig
Vooörwoörduluku strafu: voorwaardelijke straf
Vrieloötn: vrijlaten
Vriespraaku: vrijspraak
Vurantwooördiengu moeëtn oflegn: verantwoording moeten afleggen
Vurbeurtvurkloöriengu: verbeurdverklaring
Vurdagtu: verdachte
Vurdenkiengu: verdenking
Vurduusturiengu: verduistering
Vurgeëldiengu: vergelding
Vurgeevn: vergiftigen
Vurgiftugiengu: vergiftiging
Vurgriep: vergrijp
Vurjoöriengu van u misdrief: verjaring van een misdrijf
Vurkeeërspoliesju: verkeerspolitie
Vurkragtiengu: verkrachting
Vurmoeëdn: vermoeden
Vurmooördn: vermoorden
Vurnieëliengu: vernieling
Vurnieëtugiengu: vernietiging
Vurooördeeëliengu: veroordeling
Vurooördeeëln: veroordelen
Vurooörn: verhoren
Vuroödur: verrader
Vuroödurluk: verraderlijk
Vursmagtn: versmachten
Vurvolgiengu: vervolging
Vurvolsjhun: vervalsen
Vurvolsjhiengu: vervalsing
Vurvoögn: vervolgen
Vurweërn: verweren
Vurwoeëstiengu: verwoesting
Vurwoendiengu: verwonding
Wegfrutn: wegvluchten
Wegvursperiengu: wegversperring
Werkstrafu: werkstraf
Wet:wet
Wienkuldieëfstal: winkeldiefstal
Witubooördunkriemienalietijt: witteboordencriminaliteit
Witwasjhun: witwassen (van geld)
Woöreit: waarheid
Wurgn: wurgen
Wurgiengu: wurging
Zeedunfijtn: zedenfeiten
Zeedunpoliesju: zedenpolitie
Zeëfmooört: zelfmoord
Zeëfvurdeediegiengu: zelfverdediging
Zeurun: valsspelen
Zitiengu: zitting (van gerecht)
Zjuuzju: onderzoeksrechter                        Fr juge
Zwartwerk: zwartwerk
Zweërn: zweren
Zwoöjlugt: zwaailicht van de politieauto of van de ziekenwagen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Bertn en Juultn weeruki nie akooört

Uuzu twi Westendunoörs zien du bestu vrieëndn, mor oön zu mukoör zieën in undur stamkafee, toen istur altiet wel u noendurwerp woroovur daan zu, zogtu guzeit, nie akoort zien.

Van deezu ki wast foetbal. Bertn, dadenk al dikwils guzeit, is u negtu blown ent got dus nieëmant vurwoendurn datn suuportur is, mo ton u neevugun, van du kluup van Brugu. E nu moedut tog we  lukn zeekr, Juultn zweërt bie Kaa Vee Oo (KVO).

Bertn: e ju du matsj van du kluup teegn Monako guzieën? 0-4, ee. En zu zegun toe nog datundur bestu matsj nie guwist et. Daan zu beetur kun. Zu mistun ook nog u poör baasiesspeelurs: oe eeëtn zook weeru? Ik kun die vrimdu naamun mo nie oentoedun.
Juultn: Kwildunt juustu zegn, Bertn, oeveelu Belgun speelundur nog mee bie du kluup? Eeën up driëe? KVO zet voral in up joengu gastn. Zoopn dan zu zu toenu voe veelu gelt kun vurkoopn.

Bertn: Foetbal is u geltspil guwordun, ee. En daan zu mor upletn, met al da gufoeful deur maakuloörs. Du suuporturs kriegun dur gunoeg van en zu zoen wel u ki kun ofaakn. Aloewel, somigu eën dur alus voer oovur en zu wordun geërn budroogn..

Juultn: Ja, ju moe ju ki vooörnsteln oeveelu dadu u goeju speelur pur joör vurdieënt.
Lombaarts van KVO zoedu u mieljoeën euro pur joör vurdieën. E wadetn al gupristeert? En da briengt mee daan zu giïn gelt en om undur ploeg tu vursterkn. U sjhooönu erfunisu van Koeku, ee!

Bertn: E jook guleezun daan somugu speelurs int buutulant, gulik PSG, nu speesiaalu preemies ijsun voe van alus e nogwa. Nejmaar vurdieënt pur joör 30 mieljoeën euro, mo doö boovunup vraagtn 375.000 pur moönt om agtur u wetstriet tu wiïln in zu nan klakn voet puubliek (!!!). 

Mbappe ijstu u (guwijgurdu) prieveedjit van du kluup, mo nu kriegt wel 30.000 euro pur moönt om zien pursoonluku staf tu butaaln. Net u nuusoedur, u sjofuür en u bodiegaart.
Juultn: go weg gie, sjhandaalug, vraakroepunt, noemu kik da!

Bertn: mo nuu weeru oovur Ostendu; Tis nie vet, ee, nuu da Koeku doö weg is? Nu doet ut nuu bie u grooötu kluup, dun Andurlegt, mo da sjhient nie zo goeët tu lukn. Misluktu traansfiïrs, wort ur buweërt! Nu zieën zu zeëfs al uutgusjhaakult voe du nEuroopa Lieëg. Die napoteekur dreigt doör up zien bek tu voln.
Juultn: Nie vet, nie vet, dat is nie woör, ee. Medundur buperktu miduln stoön zu tog nog goeët in du rangsjhikiengu.


Bertn: Du Kluup e zu tog ofgutroeft me vieru nul en met eeën tweeë, ee. Vurijun, Van dur Elst en Broos buleevn doö nu undru maagru joörun en zu zien nog veru van guret, ee.
Juultn: Wa zeg ju gie nu, Bertn. Zu komn dur we deuru, wi! Kzieën zik nog Plijof eën speeln.

Bertn: meen ju gie dadu, Juultn, ju moe tog u bitju surjeus bluuvn. Oönzu nie beetr wordun, speeln zu tnoöstu joaru in deërstu amatuürklasu.
Juultn: tis gumakuluk voe Brugu. Zu sjhuumn aal du ploegun of en trekn dur aal du bestu speelurs weg: Riets, Sjhrijvurs, Mata, Reezaj… En zu kun undur pirmieteern om oogu looön tu butaaln. En dikwils is da voe speelurs uut toostblok of uut Afrieka of uut Brazielju. Zu zien ziedur dorom nie aaltiet beetru dan uuzu ijgun jeugtspeelurs, mo duuzu wordun dodeuru du weg no du top ofgusneen. Of musjhieën wordun zu subiet nog u nolaansjhu ploeg. Me Vormur, Dinsweil en Danjoema bugint datur nu al op tu gliekn.
Eën zu moeëtn upletun dadundur bojtjus nog roent undur neku kun. Zeën voer agt daagun up staazju guwist no du woestienu van Qatar en da kostu mor eevuntjus 125.000 euro. Ochoörmu, du dutsjus kun zeekur nie teegn du koedu? Of was Spanju nie luuksuweus gunoeg? Agtur da ju zo gupampurt guwist et, ist normaal daan zut oendur undur weërdu vieng van undur in tu span teegn Waaslant-Beevurn of teegn Zultu-Woörugem of Sjarlurwa.

Bertn: Tis nu gunoeg, ee Juultn, kzieën al da ju weeru gliek wilden. Zeg lieëvur u ki wataju vient van Vanaakun? Is da gin suupurkrak? Net du goedn sjhoeë vastu ee? Kvien da Kluup Brugu teegunwooördug eën van du bestu kluubs van Euroopa is. En kampjoeën wordun zu zeekru. Da ploegsju uut Limburg godundur nie teegunoedn.
Juultn: Wablief? Dovooörn goön zu nog veelu stuutn moeëtn eetn, wi.
Bertn: Tis geen klapn an, gloovunk. Lat uus mor uuzu pientu uutdrienkun. Santee!

 

VERTALING

Bertn en Juultn weer eens niet akkoord

Onze twee Westendenaars zijn de beste vrienden, maar als ze elkaar treffen in hun stamcafé, dan is er altijd wel een onderwerp waarover ze het, zacht uitgedrukt, niet eens zijn.

Deze keer was het voetbal. Bertn, zoals al vaak gezegd, is een echte blauwe en het moet dus niemand verwonderen dat hij een supporter is, maar dan een hevige, van de club van Brugge.
En nu moet het toch wel lukken, zeker, Juultn zweert bij KVO.

Bertn: heb je de match van de club tegen Monaco gezien? 0-4, hé. En dan zeggen ze nog dat het niet hun beste match geweest is. Dat ze beter kunnen. Ze misten ook nog enkele basisspelers, hoe heten ze ook weer? Ik kan die vreemde namen maar niet onthouden.

Juultn: Ik wou het juist zeggen, Berten, hoeveel Belgen spelen er nog mee bij de club? Eén op drie? KVO zet vooral in op jongeren. Ze hopen die dan voor veel geld te kunnen verkopen.

Bertn: Voetbal is een geldspel geworden, hé. En dat ze maar opletten, met al dat gefoefel door makelaars. De supporters krijgen er genoeg van en ze zouden wel eens kunnen afhaken. Alhoewel, sommige hebben er alles voor over en worden graag bedrogen.

Juultn: Ja, je moet je eens voorstellen hoeveel een goeie speler per jaar verdient. Lombaerts van KVO zou een miljoen euro per jaar verdienen. En wat heeft hij al gepresteerd? En dan hebben ze geen geld om hun ploeg wat te versterken. Een mooie erfenis van Coucke, hé!

Bertn: Heb je ook gelezen dat sommige spelers in het buitenland, zoals PSG, nu speciale premies eisen voor van alles en nog wat?  Neymar verdient per jaar 30 miljoen euro, maar daar bovenop vraagt hij 375.000 per maand om na een wedstrijd te willen applaudisseren voor het publiek (!!!). 
Mbappe eiste een (geweigerde) privéjet van de club, maar hij krijgt 30.000 euro per maand om zijn persoonlijke staf te betalen. De aanvaller heeft een huishouder, een chauffeur en een bodyguard.

Juultn: Ga weg, jij…schandalig, wraakroepend, noem ik dat!

Bertn: maar nu weer over Oostende. Het is niet vet, hé, nu Coucke daar weg is? Hij doet het nu bij een ‘grote’ club, maar dat schijnt niet zo goed te lukken. Mislukte transfers, wordt beweerd! Nu zijn ze zelfs al uitgeschakeld voor de Europa League. Die apotheker dreigt daar op zijn bek te vallen.

Juultn: Niet vet, niet vet, dat is niet waar, hé. Met hun beperkte middelen staan ze toch nog goed in de rangschikking.

Bertn: De Club heeft ze toch met 4-0 en 1-2 afgetroefd, hé! Verheyen, Van der Elst en Broos beleven daar nu magere jaren en ze zijn nog ver van gered, hé.

Juultn: Wat zeg jij nu, Bertn? Ze komen er wel door, hoor! Ik zie ze nog Playoff 1 spelen.

Bertn: meen je dat, Juultn, je moet toch een beetje ernstig blijven. Als ze niet beter worden, spelen ze volgend jaar in de Eerste Amateurklasse.

Juultn: het is gemakkelijk voor Brugge. Ze schuimen al de ploegen af en trekken er al de beste spelers weg: Rits, Schrijvers, Mata, Rezaei… En ze kunnen zich permitteren om hoge lonen te betalen. En dikwijls is dat voor spelers uit het Oostblok of uit Afrika, of uit Brazilië. Die zijn daarom niet altijd beter dan onze eigen jeugdige spelers, maar die worden daardoor de weg naar de top afgesneden. Of misschien worden ze straks nog een Hollandse ploeg. Met Vormer, Denswil en Danjuma begint het er nu al op te gelijken.
En ze moeten opletten dat hun truitjes nog rond hun nek kunnen. Ze gingen voor acht dagen op stage naar de woestijn in Qatar en dat kostte maar eventjes 125.000 euro. Och heere, de dutskens kunnen zeker niet tegen de kou? Of was Spanje niet luxueus genoeg? Het is niet onlogisch dat ze het na dergelijke ‘pampering’ beneden hun waarde vinden om zich in te spannen tegen Waasland-Beveren of tegen Zulte-Waregem of Charleroi.
Bertn: Het is nu genoeg, hé Juultn, ik zie al dat je weer gelijk wil hebben. Zeg liever eens wat je van Vanaken vindt? Is dat geen super crack? Hij heeft de gouden schoen vast, hé? Ik vind dat Club Brugge tegenwoordig één van de beste clubs van Europa is!  En kampioen worden ze zeker. Dat ploegje uit Limburg zal hen niet tegenhouden.

Juultn: Wablief? Daarvoor gaan ze nog veel boterhammen moeten eten, hoor.
Bertn: Er is geen praten aan, geloof ik. Laten we maar onze pint uitdrinken. Santé!

Bron
https://www.hln.be/de-krant/club-brugge-overwintert-in-hotel-van-133-miljoen-euro-125-000-voor-8-dagen-qatar~a4f14e4a/

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 8: Eetwaren Snoep - Vis Vlees

Snoep
Boel du birleën: berlinerbol                 Fr boule de Berlin
Buturkoekn: boterkoeken
Buturkoeku: boterkoek
Deeliekatisu: lekkernij                    Fr délicatesse
Druuvusuukur: druivensuiker
Flambeerun: flamberen, doen branden van een gerecht door het met sterke drank te overgieten en aan te steken
Fondangsjokla: fondant chocolade
Frieskoo: frisco
Karamilu: karamel, bruin gebrande suiker
Kriïmtju: ijsroom                             Fr crème
Latu sjokla: regel chocolade
Lek(u)stok: stok met zoete lekkernij
Luku: Nieuwjaarswafel
Masuping: marsepein
Moejki lekn a mu kriïm: wil je eens likken aan mijn ijsroom

Muulumaakur: zure zuigstok
Muuzustroentjus: chocolade hagelslag
Neegurinutetn: negerzoen, schuimzoen
Nunubilu: vleesje
Ofzuugn: afzuigen
Podienk: pudding
Poözij: Paasei
Pralienu: praline
Reegul sjokla: reep chocolade
Riestartju: rijsttaartje
Sjhuum van sjheetu: merengue, eiwitschuim
Sjiekongs: witloof
Sjiekubak: kauwgomautomaat
Sjokla of sjokloötu: chocolade
Sjoklakafju: chocoladekoffie
Sjoklaletur: chocolade in de vorm van een letter
Sjoklameëk: chocolademelk
Smoefuln: snoepen
Smoefloöru: die graag en veel snoept
Smoetboln: oliebollen
Smoetbolu: oliebol
Sneukuln: snoepen
Sneukuloöru: iemand die graag snoep en smult
Snoepgoeët: snoepgoed
Snoepurieë: snoeperij
Speekuloösjukoeku: speculaas
Speku: een snoepitem
Spekumuulu: iemand die graag snoept
Spekupapiertju: papiertje rond snoep
Spekuwienkul: snoepwinkel
Spekn: snoep
Stuutudoozu: boterhammendoos
Stuutn breeën: boterhammen smeren
Stuutn smeërn: boterhammen smeren
Suukurbooönu: suikerboon
Suukurspinu: suikerspin
Tjieps: aardappelchips
Toörtu: taart
Vanielu: vanille
Vanielu-ies: vanille-ijs
Vanielusuukur: vanillesuiker
Vanielutartju: vanilletaartje
Zeurumuulu: zuurmuil
Zoeëtukoeku: peperkoek
Zoeëtustok: zoetstok


Eetwaren     Vis

Ansjovis: ansjovis
Dikoptju: dikkopje (niet eetbaar)
Eedulbut: heilbot

Fielee: vis ontdaan van de graten
Forelu: forel
Gernoörs: garnalen
Goetvis: goudvis (niet eetbaar)
Grieëtu: griet
Groötn: graten (niet eetbaar)
Groötu: graat
Gulu: gul
Kabuljow: kabeljauw
Knoroönu: knorhaan
Koolvis: koolvis
Krabu: krab
Krabukookur: krabkoker
Krabupooötn: krabbenpoten
Kriftu: kreeft
Langoestien:  Noorse kreeft, kleine zeekreeft              Fr   langoustine
Makreeël: makreel
Musul: mossel
Musuls: mosselen
Oeësturs: oesters
Oöju: haai   
Oörienk: haring
Paalieng: palingen
Paalienk: paling
Peekulnoörienk: pekelharing
Peurkork: kurk gebruikt bij het vissen (peuren) (niet eetbaar)
Ploötu: pladijs
Poosju (vis): hoeveelheid gevangen vissen
Rochu: rog
Rochuvlerku: vleugel van de rog
Rolumops: rolmops
Sardien: sardienen
Sardienu: sardine
Sjheëpu: schelp

Sjheluvis: schelvis
Sjheërmesju: scheermesje
Sjhuln: schollen
Sjhulu: schol
Skampies: scampis
Sprot(n): kleine vis(jes)
Steekuvisju: stekelbaars
Terubut: tarbot
Toengn: tongen
Toengsju: een kleine tong
Toengu: tong
Tonejn: tonijn
U noöju: een haai
Vesjhu vis: verse vis
Vislieëfebur: visliefhebber (niet eetbaar)
Vispanutju: vispannetje (niet eetbaar)
Vispersu: hengel
Visristorang: visrestaurant
Wietienk: wijting
Wuloks: zeeslakken
Zalmu: zalm
Zeeëduuvul: zeeduivel
Zeeëperutju: zeepaardje

Eetwaren    Vlees

Amburgur: hamburger
Antrukoot: tussenribstuk                  Fr entrecôte
Baarbukjoe: barbecue, vleesrooster
Beeënespu: beenhesp
B
iefstik: beafsteak, biefstuk
Blaankit du voo: kalfsblanket          Fr blanquette de veau
Blindu vienkn: blinde vinken
Bloeëlienk: beuling of bloedworst
Boeletu: gehaktbal                                    Fr boulette
Boeletn: gehaktballen
Boelie: soepvlees                            Fr bouillie
Boeërupatee: boerenpaté
Bolutjus in tomatusowsu: balletjes in tomatensaus
Brosjitu: klein braadspit                    Fr brochette
Eeëndubost: eendenborst
Espu – gukokt of gurokt: gekookte of gerookte hesp
Espuwostu: hespenworst
Fieli ameeriekeën: filet américain
Foönduu: vlees gaar maken in hete olie     Fr fondu
Gin spieëru vet: niet het minste vet (aan vlees)
Goelasj: goulash (Hong), stoofvleesgerecht
Gukapt (vlees): gehakt
Gukaptbolutjus: gehaktballetjes
Gureegult: spek met vet
Iskalopu: dun schijfje of lapje van vis, vlees of gevogelte         Fr escalope
Kieëkubilutjus: kiekenbilletjes
Kieëkubost: kiekenborst
Kieëkuvleuguls: kiekenvleugels
Koejugukapt: rundsgehakt
Koejuleevur: rundslever
Koejuvleeës: rundsvlees
Koeskoes: couscous, N-Afrikaans gerecht op basis van gierst meestal met vlees en/of groenten
Kokiejus: gevulde visschelpen       Fr coquilles saint-jacques
Koöfvleeës: kalfsvlees
Koövugukapt: kalfsgehakt
Koövuleevur: kalfslever
Koövuniertjus: kalfsniertjes
Koövuragoe: kalfsragoût
Koövusjnietsul: kalfschnitzel
Koövutoengu: kalfstong
Koövuzweezuriek: kalfszwezerik
Kordoön bleu: stukje opgerold kalfsvlees gevuld met ham en kaas en vervolgens gepaneerd                    Fr cordon bleu

Kortletu: kotelet, varkensrib      Fr côtelette
Kriïmpatee: crèmepaté
Lasanju: ovengerecht bestaande uit lagen deeg en een vulling        It Lasagne bolognese
Leevur: lever
Leevurwostu: leverworst
Loempieja: loempia
Lookwostu: lookworst
Mergpuupu: mergpijp
Mutsu: maag van het varken
Niertjus: niertjes
Osusteërt: ossenstaart
Patee: pastei                                                            Fr pâté
Ragoe: ragout, eerder gegaarde stukjes gesneden vlees, gevogelte of vis in een gekruide saus        Fr ragoût
Rebutjus: ribbetjes
Rolaadu: rollade
Rookwostu: rookworst
Rosbief: rosbief
Rowelu: stuk vlees van het varken
Ruumstik: rumsteak
Salamie: salami
Sjarkuutrieë: vleeswaren verwerkt in worst, …   Fr charcuterie
Sjhaapukortletu: schapenkotelet
Sjhaapuvleeës: schaapsvlees
Sjharulkieëkn: scharrelkieken
Sjhelu spek: schijf spek
Sjhoeërespu: schouderhesp
Sjnietzul: schnitzel (wiener-, jäger-)
Smoet: smout
Smoetkuupu: smoutkuip
Soepuvleeës: soepvlees
Sosiesn: worsten
Spek
Spieëru: klein stukje 
Stik oo pwaavru: pepersteak                   Fr steak au poivre
Tartaar: rauw rundsvlees opgediend met een rauwe eierdooier              Fr  tartare
Tjiepolaata: chipolata
Toespiezu: toespijs
U baarbukjoeë: een barbecue
U sosiesu broön: een saucis braden
U wostu broön: een worst braden
Utsupot: hutsepot
Vesjhu sosiesun: verse wordten
Vetu dermus: dikke darmen van het varken
Veugulnesju: vogelnestje
Vleeës: vlees
Vleeëskeuriengu: vleeskeuring
Vleeësmeuln: vleesmolen
Vleeësvurwerkiengu: vleesverwerking
Vleeëswoörun: vleeswaren
Vleeëswostu: vleesworst
Wostu: worst
Zwienugukapt: varkensgehakt
Zwienuleevur: varkenslever
Zwienuvleeës: varkensvlees

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 7: Eetwaren Maaltijden

Aavunteetn: avondeten 
Agtursmaksju: nasmaakje
Andjoeënsoepu: ajuinsoep
Artgukokt: hard gekookt (ei bijvoorbeeld)
Asperzjusoepu: aspergesoep
Azien: azijn
Bangket: banket
Bestu butur: hoeveboter
Binspeeln: binnenspelen
Blomu: bloem
Boeërubrooöt: boerenbrood
Boeërubutur: boter gekarnd in de boerderij
Boeërukost: boerenkost
Boögvuliengu: alle mogelijke eetwaren
Booön in tomatusowsu: bonen in tomatensaus

Booönusoepu: bonensoep

Botram: boterham
Boerukoolu: boerenkool

Broön: braden
Brooön: broden
Brooöt: brood
Brooötpudienk: broodpudding
Bruunbrooöt: bruinbrood
Bureidiengu: bereiding
Busjhuutu: beschuit
Butur: boter
Buturkoeku: boterkoe
Buturstuutu: boterham gesmeerd met boter
Buvooöroödiengu: bevoorrading
Buzienkn: bezinken
Dagsjhutul: dagschotel
Deeëgwoörn: deegwaren
Deurbakn: doorbakken
Dikudeëvur: die veel eet           
Disiïr: dessert
Ditn en datn: dadels
Dopn: nat maken (boterham of suikerklontje in koffie)
Doru van u neij: eierdooier
Eetboör: eetbaar
Eetn lik u dikudeëvur: (te) goed kunnen eten

Eetn voe ju naavunt: het avondeten tot zich nemen
Eetn voe ju noeënu: het middagmaal tot zich nemen
Eetn voe ju nugtunt: het morgenmaal tot zich nemen

Eetnstiet: etenstijd
Eetnseuru: etensuur
Eetuluku woöru: eetwaar
Eetwoöru: eetwaar
Erwitsoepu: erwtensoep
Freetn: vreten

Fretn: vreten 
Frietn: frieten
Gaptjus: hapjes
Geeëtukoös: geitenkaas
Gloözn putatn: glazen, slechte aardappelen
Goelasjsoepu: goulashsoep

Gukokt of gurokt: gekookt of gerookt
Groeënsulsoepu: groentesoep
Gubakn putatn: gebakken aardappelen
Gukoktu putatn: natuuraardappelen
Gustamtu putatn = puree
Gukokt ij: gekookt ei
Guroktu noörienk: gerookte haring
Gusmuisdu putatn: puree, gestampte aardappelen
Iïnsjhienkun: inschenken
Iju botn sloön: binnenspelen
Joegoert: youghourt
Ju boög vuln: zeer veel en gulzig eten
Kasju: korstje
Kastu van u brooöt: korst van een brood   => van kastn groejn dur gastn: men moet ook de korsten van het brood opeten,  
Kerumeëk: karnemelk
Kerupap: pap van karnemelk

Kieëkusoepu: kiekensoep
Klak: goeie schep    
Kmeugunt: ik lust het
Koös: kaas        
Koedu plaa: koude schotel
Koekustuutn: rozijnenbrood
Koekustuutu: boterham van krentenbrood
Koeviîr: eetgerief, vork, lepel en mes
Kompot: zoete moes van gekookt fruit en suiker            Fr compote
Krebu bietn: armoedig eten
Kriftusoepu: kreeftensoep 

Kruumul: kruimel
Kriïm frisj: slagroom
Kroetong: dobbelsteentje broodkruimel gebakken in boter          Fr croûton
Legtur ju kop bie: eet dan niet als je niet wil
Loötn anbran: laten aanbranden
Maaltiet: maaltijd
Maseedwan: mengeling van klein gesneden groenten of fruit        Fr macédoine
Mostoört: mosterd
Mu beër grolt: ik heb honger
Neutu van sjhoödu: muskaatnoot
Noëenuteetn: middagmaal
Nugtunteetn: morgenmaal 
Nutjus: noten
Oetbakn: oudbakken
Oengur: honger
Oengur en lik u peërd: grote honger hebben
Oengur lieën: honger lijden
Omuletu: omelet
Omuroeërn: omroeren
Oörmumensjhunkost: goedkope, te sobere maaltijd
Orduüvru: voorgerecht   Fr hors d’oeuvre
Panukoekn: pannenkoeken
Patatn ofpeurn: aardappelen afgieten
Pateetju: gebakje
Peën fraänsi: Frans brood  Fr pain français
Peërdoogu: spiegelei
Piestolee: klein broodje          Fr pistolet
Plaa: schotel
Platu koös: platte kaas
Pompoeënsoepu: pompoensoep
Potsuukur: bloemsuiker, poedersuiker, cassonade
Poteetn: warme maaltijd, middagmaal
Pretsoepu: poreisoep
Putatn: aardappelen
Putatn met du peelu: pelaardappelen
Puudubiln: kikvorsbillen
Reegiemn: diëten
Ries: rijst
Ristorang: restaurant
Rooökools me sosiesn: rode kolen met worst
Roomsoepu: roomsoep
Santwiesju: sandwiche
Savoojkoolu: savooikool
Sieroopu: siroop
Sjapuluuru: paneelmeel       Fr chapelure
Sjhelu (espu of koös): schijf hesp of kaas
Sjheln: schillen (aardappel, appel, …)
Sjhuum van sjheetu: opgeklopt eiwit
Sjokoo: chocoladepasta
Sjoklakafju: chocolademelk
Smaksju: smaakje
Smeëkn: smelten
Smeërkoös: smeerkaas
Smeërn: smeren
Smekn: geluid maken bij het eten
Smeuzun: pletten (aardappelen bvb)
Smoefloöru: die graag eet
Smoet: reuzel, smout
Smoetstuutu: boterham gesmeerd met smout
Soepu: soep    => erwitsoepu,  
Soepukieëkn: soepkieken
Soepuvleeës: soepvlees
Soetasu: ondertas    Fr sous-tasse
Sowsu: saus
Spagitie: spaghetti
Stoemp: hutsepot
Stoofkarbonaadn: stoofkarbonaden
Sturtn: morsen
Stuutu: boterham
Stuutudoozu: doos voor/met boterhammen
Stuutu brein: boterham smeren
Stuutu me koanfuteuru: boterham met konfituur
Stuutun smeërn: boterhammen smeren
Suukur: suiker
Teetn is greeët: het eten is klaar
Tis van lekmuliptju: het is lekker
Toespiezu: beleg op brood
Toet an du rebn: het is degelijke kost
Tomatusoepu: tomatensoep
U klak majoneizu: een grote lepel of vork mayonnaise 
U sjhelutju koös: schijfje kaas
U stiksju koös: een stukje kaas
Up du goözu: op het gasvuur
Up u kleeën viertju: op een klein vuurtje
Upwarmn: opwarmen
Utsupot: hutspot
Uutoengurn: uithongeren
Ves: vers
Vesjgeit: versheid
Vetu dermus: vettu darmen

Veuguls zoendur kop: vogels zonder kop, blinde vinken
Vissoepu: vissoep
Vissowsu: vissaus
Voeëdiengu: voeding
Voetsul: voedsel
Voetsulbureidiengu: voedeselbereiding
Voetsulvurgiftugiengu: voedselvergiftiging
Voetsulvurwerkiengu: voedselverwerking
Vooörguregt: voorgerecht
Vooörroöt: voorraad
Vooörroötkasu: voorraadkast
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vooörvurwarmiengu:voorverwarming
Vuliengu: (op)vulsel
Vuroengurn: verhongeren
Vurteërn: verteren
Vurzeurn: verzuren
Witloofsoepu: witloofsoep
Workulsoepu: wortelsoep
Zatu: tas, kom (koffie)
Zeeëm: honing
Zerpu: zure (smaak)
Zeur: zuur
Zogtugukokt: zachtgekookt
Zoeëtu: zoet
Zoet: zout
Zoetmienu: zoutmijn

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 6 Lichaam – Uiterlijke kenmerken Onderdelen Uitwerpselen Toestand

Andn: handen
Ant: hand
Baarmoeëdru: baarmoeder
Bakuboördn: bakkebaarden
Beeën: been, benen
Bekof: zeer moe
Bekoör: licht krullend haar
Biburn: bibberen
Bieërbuuksju: bierbuikje, dik buikje door alcoholgebruik
Biezieëndu: bijziendu
Bilu: bil
Blindudermu: blindedarm
Bloeët: bloed
Bloentoör: blond haar
Bloent(u): blond(e)
Blooöt: bloot
Blooötu pekuls: blote voeten
Bloözu: blaas
Boeëzum: boezem
Boksursneuzu: boksersneus
Boluwoördu: bewusteloos
Boög: lichaam
Boört: baard
Boörtgroej: baardgroei
Bost: borst
Bostn: borsten
Braakn: braken
Braksul: braaksel
Briln: een bril dragen
Bubul: bobbel
Bultu: bult
Buuk: buik
Buuksju: buikje
Buukspieërn: buikspieren
Buukunaful: navel(ju)
Buukupit(ju): navel
Buukvlieës: buikvlies
Buzwit: bezweet
Dermu(s): darm(en)
Duum: duim
Duumunaagl: duimennagel
Eësuns: hersenen
Elupuupu: elleboog
Elutuutju: elleboog

Ertu: hart
Ertuklepu: hartklep
Fabriezun: bakkebaarden
Fasn: bakkebaarden
Fientug: tenger, mager
Flapooörn: grote wijdstaande oren
Fokutan: tanden die fel naar voor staan
Galubloözu: galblaas

Gat: achterste
Gildug: stevig, dik
Goeët vorzieën van pooötn en ooörn: met volle boezem
Griesdu: grijze (van haar)
Griesdoör: grijs haar
Gusjheetn en guspoogn: gelijken op elkaar als twee druppels water
Guspoogn en gubrakt: goed gelijken op
Ieëlu: hiel

Ienkul: enkel
Iïn ju viengur gusneen en: een wind gelaten hebben
Iïn zu blooötu flikur: in zijn blootje
Jukstu: jeuk
Ju patatun ofgieëtn: wateren
Junertu: je hart
Kaaku: kaak

Kaksju: uitwerpsel bij stoelgang
Kakn: stoelgang maken
Katulam: zeer moe
Keelugat: keelgat
Kegu: grote neus
Keunubloözu: konijnenblaas, kleine blaas
Kietu: kuit
Kinu: kin
Klepu: mond
Kletsukop: kaalkop
Klooötn: kloten, teelballen
Kmoeëtn no bagtn: ik moet naar het toilet
Knoeëzul: enkel
Koentu: achterwerk

Koturn: peuteren (in de neus bvb)
Krabul: kwetsuur door gekrab
Krootn: neuskreutn
Krulu: haarkrul
Kruloör: krulhaar
Kruln: haarkrullen
Kutul: keutel
Kwieëln: kwijlen, speeksel uit de mond lopen
Leen: lenden
Leënzu: lens
Lieësjhu: lies

Lief: lijf
Lienksandug: linkshandug
Lik uut u doosju komn: er goed en verzorgd uitzien
Lipu: lip
Loengn: longen
Loengu: long
Maagduvlieës: maagdenvlies
Maagu: maag

Makiejoözju: maquillage
Meëktant: melktand
Miezaampli: soort haartooi        Fr mise en plies
Mimoorju; geheugen
Mismakt: mismaakt
Misvormiengu: misvorming
Mochul: fluim
Moeëdurvleku: moedervlek
Moendoek: mondhoek
Moent: mond
Moentwoötur: mondwater
Moestasj: snor
Muulu: muil
Naful: navel
Neku: nek
Netvlieës: netvlies
Neupu (u): een heup
Neuzu: neus
Neuzugoötn: neusgaten
Nieëru: nier
No bagtn goön: naar toilet gaan

Nu komt toetan mu sjhoeëru: hij is zo groot als mijn schouderhoogte
Oendurrik: onderrug
Ofgank: afgang, diarree
Ofgoön: afgaan
Ofsjheërn: afscheren
Ofslankn: afslanken

Ofslankiengu: afslanking
Oödurs: aders
Oogbloent: hoogblond, ros

Oönzigtu: aangezicht

Ooörklepn: oorkleppen
Ooörn en lik talooörn: oren zo groot als teljoren
Oörsprij: haarspray
Oöru: oor
Oösum: adem
Oözulipu: hazenlip
Orgoön: orgaan

Oör: haar
Oör volt uut: haar valt uit
Oörmu: arm
Otuntot: ottentot, klein ventje

Peënsu: pens, buik

Peezu: pees
Pienksju: pinkje
Piesoogsjus: kleine oogjes (vb bij een drankkater of na te weinig slaap)
Piestukietn: magere bleke kuiten
Pisu: urine
Poeptju boovn deërdu: klein van gestalte
Poepu: achterste
Poepunolutju: achterste van een klein kind
Puustu: puist
Puustju: puistje

Puustumuulu: met puisten en/of zweren in het gezicht
Rebu: rib
Rebukasu: ribbenkast
Regtsandug: rechtshandig
Rik: rug

Rompuls: rimpels
Rostu: ros van haar
Rostu teevu (u): een roodharige vrouw
Rostun: roodharige man
Rostoör: ros haar
Rutuln van du koedu: rillen van de kou
Ruuzul: zeer doof
Sjhartn: krabben (wo dat jukt: waar het jeukt)
Sjhartuln: krabben
Sjheeln: schele
Sjheetu: scheet, wind
Sjhermienkul: lelijk mens
Sjhoeërs: schouders
Sjhoeëru: schouder
Sjhooönu: schoon
Sjhooönugeit: schoonheid
Sjmienkn: schminken

Slagoödur: slagader
Sliekuvet: zeer dik
Slokdermu: slokdarm
Smiekul: aangezicht
Snotukeësu: lopende neus
Spieëru: spier
Spletu: spleet, haarscheiding

Spuug(sul): speeksel

Staakustief: zo stijf als een staak
Steeënmoeë: zeer moe
Stokudoof: stokdoof
Streusjhu vint: een struise vent
Stroent: stront
Tendunoösum: buiten adem
Tetn: borsten
Tgatof: uitgeput
Tis lik u noedu petu: hij ziet er uit als een oud mannetje

Toengu: tong
Tootu: gezicht
Trutu: vagina
Trutulap: maandverband

Tu leeëlik om/voe teëpn dundurn: zeer lelijk
U grooötu lanteërn met u kleeën lugtju: alleen uiterlijk groot maar innerlijk  klein
U nant: een hand
U sjhoöonu moku: een mooi meisje
U snelu poeëzu: een mooie vrouw
Uuturluk: uiterlijk
Va ju zeëvn voln: bewusteloos worden
Variezn: spataders      Fr varice
Vel: huid

Viengur: vinger
Voeëtzeulu: voetzeul
Vooörkomn: voorkomen
Vooörooft: voorhoofd
Vooörtant: voortand
Vratu: wrat
Vrowubost: vrouwenborst

Vrugtboör: vruchtbaar
Vurdikt: verdikt
Vurmaagurn: vermageren
Vurmaagurt: vermagerd
Vurmienkt: verminkt
Vuroedurn: verouderen
Vuroedurt: verouderd
Vurvet: verdikt
Vurwoendiengu: verwonding
Vuust(u): vuist
Weerbustul: weerborstel, wild opstaand haar
Weezn: aangezicht
Wienkbrown: wenkbrauwen

Wiesijtstant: wijsheidstand
Wiesviengur: wijsvinger
Wimpurs: wimpers

Witgriesdu: wit-grijs (haar)
Zeeër iju nooft/buuk: koppijn/buikpijn
Zilmu: zenuw
Zilmus: zenuwen
Zoöt: zaad, sperma

Zu noör iïn zu tan: zijn haar in zijn tanden, onverzorgd en te lang haar
Zweeëtdrupul: zweetdruppel
Zweeëtn: zweten
Zwoörlievug: zwaarlijvig

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 5: Persoon – eigenschappen/gebreken

Aapujoenk: meisje dat het zotje uithangt
Aapukalu: iemand die ’t zotje uithangt
Aapukop: apenkop
Alkoliekur: alcoholicus
Aluweetur: allesweter, wijsneus
Ankurn: bedelen
Babuletu: babbelaarster
Babuloöru: babbelaar
Barong: baron
Baronesu: barones
Barzju: gildig vrouwmens
Bastoört: bastaard
Bedupisur: iemand die nog in zijn bed plast
Beedloörieë: bedelarij
Beedloöru: bedelaar
Beeduln: bedelen
Bieërdrienkur: bierdrinker
Blaguür: stoefer, opschepper                    Fr blageur
Blagoöjmaakur: blagaaimaker, opschepper
Bleët(u)koesu: iemand die veel weent
Bleëtur: die veel klaagt
Bloeëtzuugur: bloedzuiger
Bloentju: blondje
Bloentu: blonde
Bloözur: opschepper
Blutsukakur: bloodaard
Boeërudogtru: boerendochter
Boeërumeëns: boerenmens
Boeërunofkomstu: boerenafkomst
Boeëruvoök: boerenvolk
Boeëruzeunu: boerenzoon
Boeëzumvrieënt: boezemvriend
Boemuloöru: boemelaarBoerinu: boerin
Boertju: boertje
Booönustaaku: bonenstaak
Boturiek: botterik
Brakuvoök: volk dat in een barak woonde, maar dan met negatieve ondertoon
Broeksjhietur: bangerd
Broekvaagur: die zich niets aantrekt
Broekvintju: broekventje
Brokuloöru: sukkel, onhandige, knoeier
Bruutzak: bruute persoon
Budorvn sjheetu: fel bedorven kind
Budrieëgur: bedrieger
Bugunulienk: beginneling
Bujoört: bejaard
Buklopt: gek
Bulubak: bullebak
Bunowduriek: bangerik
Buslagmaakur: beslagmaker
Buukspreekur: buikspreker
Buutubintju: buitenbeentje
Buutumeëns: buitenmens
Buwoenduroöru: bewonderaar
Deugnieët: deugniet
Deugnietrieë: bedrog
Deurubietur: iemand die niet snel of zelfs nooit opgeeft
Deurudroöjn: niet meer bij zijn verstand zijn
Deurujaagru: iemand die veel eet en toch niet dik wordt
Dikudeëvur: iemand die veel kan eten
Dikuneku: hoovaardig mens
Dikzak of Vetzak: zeer dikke persoon
Domuklooöt: dommerik
Domukoentu: dom meisje
Domuriek: dommerik
Domutrienu: domme vrouw
Dooödeeërluk: doodeerlijk
Dooödoörmu: doodarm
Dooöt: dood
Dopur: stempelaar
Droengku: zat, bedronken
Droengku lutu: dronken vrouw
Droengkuleëtu: vrouw die veel drinkt
Droengkoört: dronkaard
Droevoört: stouterik
Duumuzuugur: duimzuiger
Duuflinu: duivelin
Dweësligur: dwarsligger
Dwoözu kalu: dwaas, dom vrouwmens
Eeënboög: egoïst
Eksuvel: onsympathieke vrouw
Ertufretur: hartenvreter
Ertulukn (un): een hartelijke, rare
Fanatiekur: fanaticus
Fieloe: leperd             Fr filou
Fientug: smal, slank
Fiesjow: lepe man
Flapuut: iemand die er zo maar alles uitsmijt wat hij/zij denkt
Flowuriek: flauwerik
Foefuln: prutsen
Foefuloöru: prutser
Fortzak: vuilaard
Frankutootu: brutaal in uitspraken
Frutsuloöru: die overal graag aan prutst
Galjaar: durver, deugniet        Fr gaillard
Gasgeeëtu: vrouw waarvoor men geen sympathie heeft
Gatlekur: vleier
Geeëstugoört: komiek
Geltjoodu: gierigaard
Gin klooötn weërt zien: niets waard zijn
Gildugoört: dik iemand
Gledur: kletskop
Grapugoört: grappenmaker
Gustamtu boeër: onbeleefderik
Guweldugoört: geweldenaar
Iezurbietur: norse introverte man
Joengu dogtru: ongehuwde vrouw
Kakmadam: hooghartige vrouw
Kakurnest: laatst geboren kind
Kalu: scheldnaam voor domme, onhandige vrouw
Karotjee: plantrekker
Kastaar: durver
Kazakudroöjur: kazakdraaier, iemand die steeds zijn mening wijzigt voor wat hem of haar het bes uitkomt
Kepu of kepukientju: lieveling (die je het liefste hebt)
Kieëkn zoendur kop: iemand die onbesuisd te werk gaat
Kienukalu: met kinderachtig gedrag
Kiesak: vuilaard, viezerik
Kiesakrieë: smeerlapperij
Kletsukoesu: die veel babbelt
Kloefu: klomp of domme vrouw
Kloefukapur: domme man, lomperik
Kloekuboetn: gespierde man
Klotzak: klootzak
Klow: clown
Klugtugoört: komieke man
Kluntn: lomp en onhandig persoon
Kluutubietur: gierig mens
Knegtubraku: meisje met jongensmanieren
Koboj: cowboy
Kodugoört: plezante man
Koekulul: te braaf, die zich laat doen
Koerskeemul: domme man
Komeeru: roddelaarster
Komeern: roddelen
Kop oovur klootn: een niemendal
Krabukookur: idioot
Krabur: die niet veel kan
Krapuul: uitschot, tuig               Fr crapule
Krebubietur: iemand die niet veel heeft of bezit
Krieëpn: zeuren
Krieëpu: iemand die altijd zeurt of klaagt
Kul: zever
Kurjeuzuneuzu of kurjeusneuzu: nieuwsgierige van aard                 Fr curieux
Kweenu: vrouw die geen behoefte heeft aan een man
Kwiestubiebul of kwiestunbiebul, lichtjes op zijn kop gevallen, niet ernstig te nemen persoon
Langu swiesul: lange slungel
Leeëpn (u): een lepe, sluwe
Leegoört: luierik
Lul: schoelie
Lutu: karakterloos vrouwmens
Luuzug: luizig, lui
Luuzugoört: luierik, smeerlap
Luuzuvestu: luierik
Maboel: gek                              Fr maboul
Masjhur: schijnheiligaard
Meëkmuulu: melkmuil
Moeftu: onsympathiek mens
Moejal: moeial
Moodupupu: modepop
Mooösjhur: die dom doet, niet ernstig persoon
Munoözjuwuuf: huisvrouw
Muulutrekur: schijnheiligaard
Naagulbietur: nagelbijter
Naamu: naam
Neeëmboög: egoïst
Neetubuk: eigenzinnig persoon
Nieëweërt: persoon die niets waard is
Nu zoet u frang in tweeën bieten: hij is zeer gierig
Oedn: oude
Oedu doozu: oude vrouw
Oedurdom: ouderdom
Oedujoengudogtur: oude vrijster
Oeënguluk: ongeluk
Oeërujoenk: jong en lichtzinnig meisje
Oeërusjaaänsu: veel geluk
Oendurkruupur: onderkruiper
Omukomn: omkomen
Oördugoört (un): een rare
Oörmoeëzoöjur: iemand die niets heeft
Panulatu: lange, dunne man
Parogjustieër: die in de parochie bekend staat als iemand die zot is van de vrouwen
Pasjakroet: iemand die lui is en het werk door andere laat doen
Peezuweevur: die op alles iets aan te merken heeft
Piekuzot: zot, dwaas, clown
Pietzak: iemand die veel geluk heeft
Pluku zot: helemaal niet meer bij zijn/haar verstand
Potuul: zeer dom mens
Pregu: gierige vrouw
Preus: trots
Preus lik veeërtug: zeer trots
Profietugoört: iemand die op zijn centen kijkt
Purluut: onbenullig persoon
Reeëwol: die niet kan stilzitten
Rieftjuraftju: gemeen volk
Rotzak: smeerlap
Rutuloöru: iemand die graag en veel reclameert
Rutuln i ju vel: zeer mager zijn
Seutu: dom vrouwmens
Sinkurduping: vitter, slechtgezind persoon
Sinkurpingkun: zijn slecht humeur uiten
Sjaaänsaar: gelukzak, geluksvogel, bofkont                 Fr chançard
Sjheeëvu lavabo: niet normale
Sjhermienkul: lelijke vrouw
Sjhienilugoört: schijnheiligaard
Sjhietur: schijter, bangerik
Sjhooönu moku: mooi meisje
Sjhurtugoört: iemand die ontstuimig, wild is
Sjhuuwu burgur: wildebras
Sjhuuwu tutu: vrouw die graag uitgaat
Sjieku tiepn: deftige heren
Sjiesjie en kaka: hoovaardigheid, stoefen
Slaavutju: slaafje
Slaavu: slaaf
Slak: lenig
Slakn (u): iemand die lenig is

Slepudraagur: persoon zeer aanhankelijk tegenover baas, meerdere
Slibudilu: die met vele verschillende mannen optrekt
Slimsowsu: ‘slimme’ ironisch bedoeld
Sloöru: meelijdenwekkende vrouw
Sluünsu: vod of onverzorgde vrouw van lichte zeden
Smeërlap: smeerlap
Smeërlaprieë: smeerlapperij
Smoeëltrekur: die schijnheilig doet
Smoetzak: vuilaard
Snelu poeëzu/moku: mooi meisje
Snetsu: levendig meisje dat graag babbelt
Sneukulgat: snoeper
Sneukuloöru: die graag snoept
Snotneuzu: verwijt naar jonge man of kind
Soepukieëkn: iemand die graag zwanst, flauwerik
Spekujoodu: gierigaard
Stiengkoört: stinkerd
Stoet: stout
Stoetugeit: stoutheid
Stokoet: stokoud
Stopuzot: compleet gek
Stroentraapur agtur du tring: nietsnut, laagste van alle beroepen
Stroötudrendul: die graag uithuizig is, niet graag thuis blijft
Stuutusjhooöjur: boterhammenbedelaar, arme
Subututu: seut
Sukuloöru: sukkelaar
Teëtuweëtu: babbelkous
Teevu: teef, scheldnaam voor een vrouw
Tetulokur: zwakkeling, die nog teveel afhangt van zijn moeder
Tis asan u ditju of u datju: die weet altijd iets aan te merken
Tis gin tu rapn. het is geen te slimme
Tjieputjow: rare, komisch
Tjoeëtn: rare
Tjootuloöru: sukkelaar
Toörtuklooj: onnozelaar, idioot, kwibus
Tootutrekur: schijnheiligaard, huichelaar
Torudroöjur: iemand die gemakkelijk van gedachte verandert 
Truntu of truntukoesu: die met alles inzit
Tu
dom voer ooi teetn: zeer dom
Tutu: vrouwmens
U dwoözu gasgeeëtu: een domme grasgeit
U maaguru tetienk: zeer mager persoon
U noedu joenkijt: vrijgezel op zekere leeftijd
U tangu van u wuuf: een zeer onvriendelijke vrouw
U viezu napostul: onberekenbaar persoon
Uutbliengkur: uitblinker
Uutooörn: uithoren
U
uturstu bestu doeën (zun): zijn uiterste best doen
Utwieën aaln met du witu perutjus: iemand naar het gekkenhuis brengen
Vaaguboent: vagebond
Veugullieëfebur: vogelliefhebber of iemand die graag de liefde bedrijft
Vislutu: vrouw die werkt in de visnijverheid
Visjhursvrowu: vissersvrouw
Viswuuf: viswijf
Voeëtgangur: voetganger
Voeëtspooör: voetspoor
Voeëtstik: voetstuk
Voeëtvoök: voetvolk
Volsjhoört: valsaard
Voöksjoeng: volksjongen
Vooörgangur: voorganger
Vooörguslagt: voorgeslacht
Vooörnaamu: voornaam
Vraagsteeërt: die veel vragen stelt
Vriemetsuloöru: vrijmetselaar
Vroetzak: gierigaard
Vrowuluk: vrouwelijk
Vurjoeng: verjongen
Vuroödur: verrader
Vuulumuulu: iemand die graag vuile praat vertelt
Vuuluwulu: iemand die niet zorgzaam is op zichzelf
Vuuloört: onverzorgde mens
Weegoördu: gelijkgestemde
Winoöru: winnaar
Wuuvuzot: die graag de vrouwtjes ziet
Zaagu: zaag
Zakzeeëkur: flauw, raar persoon, zeveraar
Zeeëvroöru: zeveraar
Zet u muulu va lintjus: ze babbelt zeer veel
Zeuroöru: bedrieger in ’t spel
Zurkultrutu: onsympathiek mens
Zuupsjheutu: die veel drinkt
Zuupteeëlu: die veel drinkt
Zwiekzwak: lang, mager persoon
Zwienusjhoeë: nietdeug
Zwoöpei: persoon die de reputatie heeft zich vaak doelloos en/of in beschonken toestand van hier naar daar te begeven (of van café naar
              café)
Zwoötuloöru: zonder werk of toekomst

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 4: Beroepen Werklust Handigheden Handelszaken

Aaänsteliengu: aanstelling
Aalmoezunieër: aalmoezenier
Aavunmeeëstur: havenmeester
Aavunwerkur: havenwerker

Agturmaakn: namaken
Akrobaat: acrobaat
Akrobaatu: acrobate
Amtunoöru: ambtenaar
Anbieëdiengu: aanbieding
Antiekanduloöru: antiekhandelaar
Antiekbeuzu: antiekbeurs
Apoteekur:apotheker
Arsjievoöries: archivaris
Anduloöru: handelaar
Anisteeziest(u): anesthesist(e)
Antaavu (deug nie): geen handeling hebben van iets (van handhaven)
Antiekiïr: antiquair
Arsjietikt: architect
Arsjietikt voe du nof: tuinarchitect
Artiest-u: artiest-e
Astronowt: astronaut
Avukoöt(u): advokaat/ advokate
Azjent: agent
Baarkieëpur: barman
Baarman: barman
Baarmijsju: barmeisje
Baarmijt: barmeid
Badmeeëstru: badmeester
Bagurbudrief: baggerbedrijf
Bagurn: baggeren
Bakur: bakker
Bakurieë: bakkerij
Bakn: bakken
Baletdaansur: balletdanser
Baletdaansuresu: balletdanseres
Bandufabriekant: bandenfabrikant
Bankbudieëndu: bankbediende
Bankdieriktuür: bankdirecteur
Banketbakur: banketbakker
Bankieër: bankier
Bareeëlwagtru: bareelwachter
Bazinu: bazin
Beeënowur: beenhouwer
Beeënowrieë: beenhouwerij
Beeëstudokteur: veearts
Beeëstukopman: beestenkoopman
Beeëstumart: beestenmarkt
Beeltowur: beeldhouwer
Bergiengsbudrief: bergingsbedrijf
Bergiengu: berging
Biebliejoteekoöries: bibliothekaris
Biedjop: bijjob
Bieërbrowur: bierbrouwer
Bieërbrowurieë: bierbrouwerij
Biejoloog: bioloog
Biejoloogu: biologe
Biejuus: bijhuis
Biekoopn: bijkopen
Bijoördieër: beiaardier
Binudieënst: binnendienst
Binusjhipur: binnenschipper
Blomanduloöru: bloemenhandelaar
Blomukweeëkur: bloemenkweker
Blomukweeëkurieë: bloemenkwekerij
Blomuwienkul: bloemenwinkel
Boeër: boer
Boeërdurieë: boerderij
Boeëruboent: boerenbond
Boeërumart: boerenmarkt
Boefur: beroepsmilitair
Boekandul: boekhandel
Boekanduloöru: boekhandelaar
Boekbiendur: boekbinder
Boekiengu: boeking
Boekuwienkul: boekwinkel
Boekoedur: boekhouder, accountant
Boekuutgaavu: boekuitgave
Boekuutgeevur: boekuitgever
Boekuutgeevurieë: boekuitgeverij
Boerinu: boerin
Bojkot: boycot
Boomkweeëkur: boomkweker
Boomkweeëkurieë: boomkwekerij
Booöriengu:boring
Boös: baas
Bordeeël: bordeel
Bordeeëloedstur: bordeelhoudster
Bordeeëloedur: bordeelhouder
Bordeurn: borduren
Boswagtru: boswachter
Bowbudrief: bouwbedrijf
Bowkundugeënzjeenijeur: bouwkundig ingenieur
Bowkundug teeëkunoöru: bouwkundig tekenaar
Bowvakur: bouwvakker
Bowvurlof: bouwverlof
Bradurieë: braderie
Brankardieër: brankardier
Brantblusjhun: brandblussen
Brantweerman: brandweerman
Briekubakur: arbeider in steenbakkerij
Briekurieë: steenbakkerij
Brooötwiniengu: broodwinning
Budieëndu: bediende
Budieënoöru: bedienaar
Budrief: bedrijf
Budriefsfeeëstu: bedrijfsfeest
Budriefslijdur: bedrijfsleider
Budriefsluutiengu: bedrijfssluiting
Budriefsuutbrijdiengu: bedrijfsuitbreiding
Budriefsvestugiengu: bedrijfsvestiging
Budriefszeetul: bedrijfszetel
Bugangur: behanger
Bugraaviengsoendurneemur: begrafenisondernemer
Bujoördunelpstur: bejaardenhelpster
Bujoördunvurzorgstur: bejaardenverzorgster
Bulastiengkontroluür: belastingscontroleur
Bunoemiengu: benoeming
Bunoemn: benoemen
Buoefn: beoefenen
Buooördeeëln: beoordelen
Burgurbusjhermiengu: burgerbescherming
Buroepsleevn: beroepsleven
Busjhilduriengu: beschildering
Busteldieënst: besteldienst
Busteliengu: bestelling
Butlur: butler
Butrekiengu: betrekking
Buturmart: botermarkt
Buuroo: bureau, mensen die er werken
Buuroosjif: bureauchef
Buutusmietur: buitenwipper
Buvoegtijt: bevoegdheid
Buvorduriengu: bevordering
Buwaakiengsdieënst: bewakingsdienst
Buwaakiengu: bewaking
Daaänsleeëroöru: dansleraar
Daaänsleeëroresu: danslerares
Daaänssjhoolu: dansschool
Dacheuru: dagloon
Dasjhun: dorsen
Dasmasjienu: dorsmachine
Deediktievu : detective
Deekoratuür: decorateur                             Fr décorateur
Deekoratriesu : decoratrice
Deurbooörn: doorboren
Deuruvurkoopn: doorverkopen
Deurwoördur: deurwaarder
Dieën: dienen
Dieënst: dienst
Dieënstmijsju: dienstmeisje
Dieënsttiet: diensttijd
Diejamantanduloöru: diamanthandelaar
Diejamantiïr: diamantair
Diejeetiest-u: diëtist-e
Dieplomoöt: diplomaat
Dieskzjoki: diskjockey
Dikuroösju: eervolle onderscheiding
Doewanieër: douanier
Doewoönu: grenswacht                       Fr douane
Dokteur: arts, dokter
Dokturesu: vrouwelijke dokter
Dopn: stempelen, gesteund worden met werklozensteun
Dopur: diegene die stempelt
Drogiest: drogist
Droogurieë: drogerij
Droöjbank: draaibank
Droöjur: draaier
Drukur: drukker
Drukurieë: drukkerij
Dur me ju klaku no smietn: er met je pet naar gooien, niet je best doen
Dur nie veelu an dooötdoeën: niet veel uitrichten
Dur u potju van maakn: er niet veel van terecht brengen
Dur weunt gin boeër zolangu up zu nerf of datie werkn deurn: er is geen boer die zo lang op zijn erf woont, als die werken duren
Eedoflegiengu: eedaflegging
Eënfiermjee: verpleger                   Fr infirmier
Eënzjienjuür: ingenieur                   Fr ingénieur
Eeëruboeër: herenboer
Eigunandug: eigenhandig
Eigunoöru: eigenaar
Eigunoresu: eigenares
Erbergieër: herbergier
Ersteëln: herstellen
Ervoörn: ervaren
Faktuür: postbode                                                 Fr facteur
Fasoödukletsur: huisschilder
Fietrienu: vitrine
Fikuln: knutselen
Fielmreezjieseur: filmregisseur
Foetbaliest: voetballer
Foetbaltrijnur: voetbaltrainer
Fototrekur: fotograaf
Gardu: veldwachter
Garazjiest: garagehouder
Garsong: ober, opdiener
Gazetumarsjang: krantenverkoper
Gazetuwienkul: dagbladenhandel
Geejoloog: geoloog
Geemiekuus: chemicus
Gieneekoloog: gynecoloog
Glasbloözur: glasblazer
Gloözumaakur: glazenmaker
Gloözuwasjhur: glazenwasser
Goetsmit: goudsmid
Goochuloöru: goochelaar
Graafiekuus: graficus
Graafies oentwerpur: grafisch ontwerper
Grafdelvur; grafdelver
Griefieër: griffier
Groönanduloöru: graanhandelaar
Groeënsulmarsjang: groentehandelaar
Grooöt woörunuus: grootwarenhuis
Grooötandul: groothandel
Grooötanduloöru: groothandelaar
Grooötu boös: grote baas
Gukuust: gekuist
Guvangbuwoördur: gevangenisbewaarder
Iemkur: bijenhouder
Iestooriekuus: historicus
Iezurbiendur: ijzerbinder
Iezurmarsjang: ijzerhandelaar
Iezurvlegtur: ijzervlechter
Iezurwienkul: ijzerwinkel
Iïnstruumentumaakur: instrumentenmaker
Ijurboeër: eierboer
Ilutriesjeën: electricien
Ikspiïr: expert
Jagtupzigtur: jachtopzichter
Ju botn ofdroöjn: zeer hard werken
Ju kietn iïnsmoetn of iïnsmeërn: zich goed voorbereiden op iets
Ju kl… ofdroöjn voe dun drol: hard werken zonder dat het resultaat oplevert
Juudooleeëroöru: judoleraar
Kafee: café
Kafeebazinu: cafébazin
Kafeeboös: cafébaas
Kafeeoedur: caféhouder
Kalant: cliënt
Kamiejonuür: vrachtwagenchauffeur
Kamuraman: cameraman
Kamuravrowu: cameravrouw
Kardiejoloog: cardioloog
Kartjuknipur: kaartjesknipper op tram of trein
Keunuginu: koningin
Keunienk: koning
Keurmeeëstru: keurmeester
Kieneeziest: kinesist
Kisjiïru: kasbeheerster                   Fr caissière
Klandiezu: geheel van cliënten
Klantukoörtu: klantenkaart
Kleeërmaakr: kleermaker
Kleuturlijtstur: kleuterleidster
Kloefukapur: klompenmaker maar ook iemand die niet echt slim is
Kloefumaakur: klompenmaker
Klokumaakur: klokkenmaker
Klow in du sierk: circusclown
Koeruür: renner
Koetsieër: koetsier
Komersju: handel
Komersju doeën: handel drijven                     Fr commerce
Komirsant(u): handelaar(ster)                        Fr commerçant
Komisju: boodschap     => u komisju doeën: een boodschap doen
Komputeënsju: competentie                         Fr compétence
Konduuktuür: begeleider van tram of trein        Fr conducteur
Koönzjee: verlof                                  Fr congé    
Koönsjirzju: huisbewaarder                   Fr  concierge
Koolmarsjang: kolenhandelaar
Koolmienu: koolmijn
Kongkuureënsju: concurrentie
Koösmaakur: kaasmaker
Koösmarsjang: kaashandelaar
Koreejoograaf(u): choreograaf/choreografe
Kroönumazjieniest: kraanmachinist
Kroepjee: croupier
Kruudunier(stur): kruidenierster
Kurwiju: karwei
Kuumuul: cumul
Kuünstshildur: kunstschilder
Kuusjhiengu: opruiming
Kuusjhun: kuisen
Kuuswuuf: werkvrouw, kuisvrouw
Kwafeusu: kapster                                         Fr coiffeuse
Kwafuür: kapper                                        Fr coiffeur
Laborant: laborant
Lantmeetur: landmeter
Lantwerkur: landarbeider
Lasur: lasser
Leeëroöru: leraar
Leeëroresu: lerares
Loots: loods
Loogoopeediest: logopedist
Looötgieëtru: loodgieter
Lugtvurkeeërslijdur: luchtverkeersleider
Maakuloöru: makelaar
Magazien: magazijn
Magazienieër: magazijnier
Manazjur: manager
Maniekeuru: manicure
Manukeën: mannequin
Marsjang: handelaar          Fr marchand
Marktkraamstur: marktkraamster
Martkraamur: marktkramer
Masuür: masseur
Masjieniest: machinist
Matrooözu: matroos
Mazoetmarsjang: mazouthandelaar
Meëkboeër: melkboer
Meëkurieë: melkerij
Meëkroendu: melkronde
Meekaniesjieën: mecanicien, werktuigkundige
Meekaniekur: mecanicien
Meeteereejoloogu: meteoroloog
Mesusliepur: messenslijper
Metsnoörsdieëndur: metsersdiender
Metsnoöru: metser
Meubulmaakur: meubelmaker
Meuln: molen
Meulunoöru: molenaar
Midunstandur: middenstander
Mieniestru: minister
Mieneënzjienjuür: mijningenieur
Mienuwerkur: mijnwerker
Mitaalbuwerkur: metaalbewerker
Model: model
Modirniezeeriengu: modernisering
Moodu-oentwerpur: modeontwerper
Moodu-oentwerpstur: modeontwerpster
Moörtu: dienstmeid
Mooshun: prutsen, geen ernstig werk leveren
Moötsjhapieë: maatschappij
Moötsjhapuluk werkur: maatschappelijk werker
Munoöjugulp: huishoudhulp
Muutoösju: mutatie
Muuziekant(u): musicus
Muuziekleeëroöru: muziekleraar
Muuziekleeëroresu: muzieklerares
Nagtwaakur: nachtwaker
Ne nog nooöit gin strooöj van deërdu gurapt: nog nooit gewerkt
Ne nog nooöit nie veelu gin potn gubrookn: hij heeft nog nooit veel verwezenlijkt
Neurooloogu: neuroloog
Noöjeegu: naaister
Notoöries: notaris
Oeëtuwienkul: hoedenwinkel
Oendurneemur: ondernemer
Oenduroet: onderhoud
Oendurpastru: onderpastoor
Oendursjhijdiengu: onderscheiding
Oendurwiezur: onderwijzer
Oendurzoekur: onderzoeker
Oendustiel: ondankbaar beroep
Oenervoörn: onervaren
Oentreegliengu: ontregeling
Oentvangur: ontvanger
Oeëru: prostituée
Oet snieën: hout snijden
Oetmarsjang: houthandelaar
Oetzaagurieë: houtzagerij
Oevreuzu: dame die in bioscoop zitplaatsen aanduidt        Fr ouvreuse
Ofguwerkt: afgewerkt
Ofvloejn: afvloeien
Ofweegn: afwegen
Ofzaagn: afzagen
Okoözju: occasie       Fr occasion
Omroepur: omroeper
Oogarts: oogarts
Oovurkop goön: bankroet 
Oovurplatsn: overplaatsen
Oovurplatsiengu: overplaatsing
Opkoopur: opkoper
Optiesjieën: brillenmaker
Orlosjeur: horlogemaker
Orloozjumaakur: horlogemaker
Ostisu: hostess
Otilijgunoöru: hoteleigenaar
Otiloedur: hotelhouder
Otoobuuszjofeur: autobuschauffeur
Otulieër: hotelier
Ovunieër: hovenier    => u novunieër
Papierplakn: behangen
Papierplakur: behanger
Parkeerwagtur: parkeerwachter
Pastru: pastoor
Paswerkur: paswerker
Patiesjee: pastiebakker      Fr patissier
Peedagoog: pedagoog
Peediekuuru: pedicure
Penulekur: administratief bediende
Piejaanoostemur: pianostemmer
Pisjudraagr: bode bij de post om spoedberichten te bestellen
Plakur: stukadoor
Poelier: poelier
Polietiekur: politicus
Poliesju: politieagent(e)
Portieër: portier
Portretutrekur: fotograaf
Postmeeëstru: postmeester
Priïnsesu: prinses
Programuür: programmeur
Psiechiejaatur: psychiater
Psiecholoog: psycholoog
Reedurieë: rederij
Reejorganiezoösju: reorganisatie
Regtur: rechter
Rentnieër: rentenier
Rijong: gebied waarin iemand werkzaam is     Fr rayon
Rijslijdur: reisleider
Riparoösju: herstelling, reparatie        Fr réparation
Ristorangoedur: restauranthouder
Ruumtuvoördur: ruimtevaarder
Sasmeeëstru: sasmeester
Sieneejast(u): cineast(e)
Siepieër: gevangenisbewaarder
Sierkuusartiest(u): circusartiest(e)
Siezoeënarbijdur: seizoenarbeider
Sirveuzu: opdienster                         Fr serveuse
Sjhamatuür: goochelaar

Sjhildroöru: schilder
Sjhipur: schipper
Sjhoemaakur: schoenmaker
Sjhoewienkul: schoenwinkel
Sjhoolmeeëstresu: schoolmeesteres
Sjhoolmeeëstru: schoolmeester
Sjhoonijtsspeesjaliestu: schoonheidsspecialiste
Sjhoörusliep: schaarslijper
Sjhriewerkur: schrijnwerker
Sjieruurg(u): chirurg(e)
Sikrutaresu: secretaresse
Sikrutoöries: secretaris
Slagtur: slachter
Slagturieë: slachterij
Slameur: iets wat veel en lastig werk vergt
Sliepn: slijpen
Sloopursbudrief: slopersbedrijf
Sluünsumarsjang: voddenkoopman
Sluuswagtru: sluiswachter
Sluutiengsdag: sluitingsdag
Smisu: smidse
Snieën: snijden
Soldoöt: soldaat
Somulier: wijnkelner     Fr sommelier
Spiong: spion
Staakiengu: staking
Steeënbakurieë: steenbakkerij
Stielman: vakman
Stjoewart: steward
Stjoewardesu: stewardes
Stuukadoor: stukadoor
Taksiesjofeur: taxichauffeur
Tantiest(u): tandarts
Teeëkunoöru: tekenaar
Teeleefoniest(u): telefonist(e)
Teeleegrafiest(u): telegrafist(e)
Tiepiestu: typiste
Tietuuloöries: titularis
Tis van wiln en nie kun: wel willen maar niet kunnen
Tjoektjoek: die deur per deur tapijten aanbiedt
Toöku: tolk
Trambustieërdur: trambestuurder
Tringbustierdur: treinbestuurder
Triteur: traiteur
Tujnman: tuinman
Upasur: oppasser
Upvolgiengu: opvolging
Uusbazinu: huisbazin
Uusdokteur: huisdokter
Uusoetstur: huishoudster
Uusvrowu: huisvrouw
Uutboötur: uitbater
Uutsjheeën: uitscheiden
Uutviendur: uitvinder
Uutviengn: uitvinden
Vajazjuür: handelsreiziger               Fr voyageur
Vandiesju: openbare verkoop
Verusjhopn: ver brengen
Veugulanduloöru: vogelhandelaar
Veugulmart: vogelmarkt
Vieërtoruwagtur: vuurtorenwachter
Vieloomaakur: fietshersteller
Visanduloöru: vishandelaar
Visboeër: visboer
Visboerinu: visboerin
Visfabrieku: visfabriek
Visjhur: visser
Vismienu: vismijn
Vleeësgrooötandul: vleesgroothandel
Vleeësmeuln: vleesmolen
Vlieëgtuugfabrieku: vliegtuigfabriek
Vlieëgunieër: piloot
Vloeërlegur: vloerlegger
Vlooöjumart: vlooienmarkt
Voetsulbureidiengu: voedselbereiding
Voegur: voeger
Voropzeg: vooropzeg
Vorsvurkoopn: voortverkopen
Vroeëtvrowu: vroedvrouw
Vruuzur: verhuizer
Vureuvurn: bevorderd worden
Vurkoop: verkoop
Vurkoopur: verkoper
Vurmaakn: herstellen   => ne mu vielo vurmakt
Vurpleegstur: verpleegster
Vurpleegur: verpleger
Vurtaalur: vertaler
Vurteegunwooördiegur: vertegenwoordiger
Vurwarmiengsinstalateur: verwarmingsinstallateur
Vurwerkiengu: verwerking
Vurzeekuroöru: verzekeringsagent
Vuufdaagnweeku: vijfdagenweek
Vuulkaruvint: vuilnisman
Wasurituoedur: wasserettehouder
Weerman: weerkundige
Werkoeënguval: werkongeval
Wienkul of wienklu: winkel
Wienkulbudieëndu: winkelbediende
Wienkulier(stur): winkelier(ster)
Wienkulstroötu: winkelstraat
Wienkulwoöru: winkelwaar
Woörunuus: warenhuis
Woörzegstur: waarzegster
Zaagurieë: zagerij
Zaakunman: zakenman
Zeeëman: zeeman
Zilmaakur: zeilmaker
Zitstaakiengu: zitstaking
Zjeerant: zaakvoerder           Fr gérant
Zjoernaliest(u): journalist(e)

 

 



Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 3: Auto en andere voertuigen/rijtuigen met of zonder motor

Aaänriediengu: aanrijding
Aaänsjhoekasju: handschoenenkastje
Aaänsloön: aanslaan (motor)  
Agtruutkiekspeegul: achteruitkijkspiegel
Agtruutrieën: achteruitrijden
Agturdeuru: achterdeur
Agturlugtn: achterlichten
Agturruutu: achterruit
Aksiedent: ongeval       Fr accident
Ambrijoözju: versnellingspedaal      Fr embrayage
Amortiesuür: schokdemper     Fr amortisseur
Antfring: handrem
Baar(u)sjok: schokbreker, bumper   Fr pare-chocs
Batrieë: batterij
Bietankn: bijtanken
Binubant: binnenband
Binubuklidiengu: binnenbekleding
Binuvurlugtiengu: binnenverlichting
Binrieën: binnenrijden
Bloeëtproef: bloedproef
Blutsu: bluts            
Boeëtu: boete
Boezjies: ontstekingskaarsen       Fr bougies
Boksn: botsen
Booörtpapieërn: boordpapieren
Botsiengu: botsing
Bowjoör: bouwjaar
Budriefsoto: bedrijfsauto
Budriefswaagn: bedrijfswagen
Bumpur: schokbreker
Busteloto: bestelauto
Buutubant: buitenband
Deekapotaabul: met uitschuifbaar dak     Fr décapotable
Deepanuür: takelwagen                Fr dépanneuse
Deusjuvootju: 2 PK - tje    Fr deux chevaux
Diezul: diesel
Dooötriedur: doodrijder
Driejoek: driehoek, te plaatsen bij ongeval of panne
Eesjapment: uitlaatbuis                Fr tuyau d’échappement
Elmu: helm (voor de motocyclist)
Ersteliengu: herstelling
Faars: koplampen                   Fr phares
Fielu: file, aanschuiven in een rij wagens
Flisju uutsteekn: pinker aanzetten
Flitspaalu: flitspaal
Fringn: remmen
Futeuru: wagen        Fr voiture
Garaazju: garage               
Garduboe: spatbord     Fr garde-boue
GeePeeIs: GPS
Goözu geevn : gas geven
Goözupeedaalu : gaspedaal
Gordul : gordel (veiligheid)
Ienkulu rigtiengu : enkele richting
Iïnsjhrieviengsbuwies : inschrijvingsbewijs
Iïnspeksju: inspectie
Iïrkondisjunieng : luchtverversingssysteem       Eng air conditioning
Ilutrieku noto: elektrische wagen
Kaarwasj: autowasserij             Eng car wash

Kamjonitu: bestelwagen                 Fr  camionnette
Kamujong: vrachtwagen
Kapoo: motorkap                    Fr capot
Karbuuratuür: carburator               Fr carburateur
Karjot (oet): krakkemikkig voertuig
Karosurieë: koetswerk, chassis       Fr carrosserie
Keuriengu: keuring
Kieloomeetriek: kilometerteller
Kiendurslot: kinderslot
Kiendurstoeëltju: kinderzitje
Klaksong: toeter                     Fr claxon                                         
Klaksoneern: de claxon doen afgaan
Koeëliengu: koeling
Koepee: afdeling van een treinrijtuig      Fr  coupé
Kofur of Kofru: koffer
Koönduuktuür: treinbegeleider                   Fr conducteur
Koönvwajuür: begeleider, bijzitter (vooral bij vrachtwagens)         Fr convoyeur
Koplampn: koplampen
Kortuwaagun: kruiwagen
Kriek: krik, autoheffer
Kruuspunt: kruispunt
Leeslampu: leeslamp
Leeslamtju: leeslampje
Lugtfieltru: luchtfilter
Lugtn: lichten
Marsjarjiïru: in achteruit             Fr marche-arrière
Mistlugt: mistlicht
Moeëtn bloözn: politiecontrole tegen alcoholgebruik
Motusieklu of motusiekul: motorrijwiel
Motuür: motor
Motuürkapu: motorkap
Motuüroolie: motorolie
Naftu: benzine
Naftubak: brandstoftank
Naftupompu: benzinepomp
Nantfring (de): de handrem
Nooötlandiengu: noodlanding
Noto (u): een auto
Notootju (u): een autootje
Okoöju: occasie                                   Fr occasion
Omlijdiengu: omleiding
Ooftsteun: hoofdsteun
Oolievurvesjhun: olie verversen
Ooliefieltru: oliefilter
Ooliepijl: oliepeil
Ooliewisuliengu: oliewisseling
Omniejom: omniumverzekering
Otoo: auto
Otoobuus: autobus
Otookaar: autocar
Otoomatiek: automatische versnellingsdoos
Parkeermeetur of parkeermeetru: parkeermeter
Parkieng: parkeerplaats                Eng parking
Peërdukragt: paardenkracht
Pirttotal: niet meer te herstellen, wagen voor de schroothoop       Fr perte totale
Pienkur: pinker
Piestong: zuiger            Fr piston
Plak van unoto: nummerplaat van een auto
Platu bant: platte band
Platu batrieë: lege batterij
Portjiïru: deur van een wagen          Fr portière
Purses: proces-verbaal, bekeuring        Fr procès-verbal
Pwaanmoör: neutrale versnelling        Fr point-mort
Ramuln: lawaai maken
Riebuwies: rijbewijs
Rieën: rijden
Rieën lik du zotn: roekeloos rijden
Riejikzaam: rij-examen
Rielesu: rijles
Riesjhoolu: rijschool
Rietaks: rijtaks
Rumorku: aanhangwagen        Fr remorque
Ruutu: ruit
Ruutuwasjhurs: ruitenwissers
Sjarzubuuzu: uitlaatpijp
Sjasie: onderstel    Fr chassis
Sjhaakuln: schakelen
Sjetu geevn: rap rijden
Sjhooliengu: scholing
Sjhowiengu: keuring
Sjhrooöt: schroot
Sjieku futeuru: zeer mooie, dure wagen
Sjofuür: bestuurder    Fr chauffeur
Sjook: choke (Eng)
Sneeëwketieng: sneeuwkettingen
Sneltring: sneltrein
Soepapu: klep, ventiel        Fr soupape
Speegultju: spiegeltje voor de opmaak van de vrouwelijke begeleidster
Stantlugt: standlicht
Startkaabul: startkabel
Stier: stuur
Stijsjunwaagn: stationwagen
Stikkaru: een kar om voor u uit te steken
Stoomtring: stoomtrein
Stoöntju: bagagedrager op een fiets
Stoplugt: stoplicht
Taakulwaagn: takelwagen
Taksie: taxi
Tapietjus: tapijtjes
Toeëruntelur: toerenteller
Toeturn: claxonneren
Trieportuür: driewielenwagen       Fr triporteur
Tring: trein
Trontienitu: autoped             Fr trottinette
Ulpmotuür: hulpmotor
Up zu steërt duwn: volle gas geven
Upangienu: ophanging
Upstiegun: opstijgen
Uutloöt: uitlaat
Uutloötgoözu: uitlaatgassen
Uutloötpuupu: uitlaatpijp
Uutrieën: uitrijden
Uutstapn: uitstappen
Uutwiekn: uitwijken
Vastuloopn: vastlopen (motor)
Vies platienees: contactpunten
Vietisu: snelheid, versnelling          Fr vitesse
Vintieloösju: ventilatie
Vlugteuvul: vluchtheuvel
Vlugtlijdiengu: vluchtleiding
Voeërtuug: voertuig
Volang: stuur               Fr volant
Vooördeuru: voordeur
Vooöroentsteekiengu: voorontsteking
Vooörruutu: voorruit
Vooörwieël: voorwiel
Voruutrieën: vooruitrijden
Vurzeekriengu: verzekering
Vragtotoo: vrachtauto
Vragtwaagn: vrachtwagen
Vrangu: zwengel
Vultankn: voltanken
Vurbierieën: voorbijrijden
Vurbruuk: verbruik
Vuroeënglukn: verongelukken
Vursmietn van vietisu: veranderen van versnelling
Vursnelieng: versnellingen
Vursneliengu: versnelling
Vurzeekriengu: verzekering
Vuulkaru: vuilniswagen
Wegwiezur: wegwijzer
Wieël: wiel
Wieëln: wielen
Zantu of Zjantu: velg
Zeeëru rieën: snel rijden
Zeetul(s): zetel(s)
Zjarzjubuuzu: uitlaatbuis
Zjiriekan: benzinecontainer        Eng jerrycan
Zjofaazju: verwarming

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten