Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
akke.beakke.be

Tjestug joôr gutrowt

Du vuftieënstn juunie was Juultn tjestug joör gutrowt me zu Madliïnu. U geeël endu, ee?
Du drie kiendurs, die nie in du streeku weun, woörn ton ook van plang om dur u grooötu feeëstu van tu maakn.
Zu moestn eeëst en voral u neetabliesument viengn, lieëfst nie tu veru weg, wo daan zu zeevun kaamurs kostn voorbugoedn, wo daanzu goeët kostnn eetn e wo daan zu u natraksju kostnn upvoeërn en wo daan zu u daansju kostn plaseern. E ja, nie tu vurgeetn, du twi joendn van eeën van du kiendurs moestn toeguloötn wordn.
Nie gumakuluk, wi, kgon meër zegn, oenmeugluk i Midulkerku. I Niepooört gieng ta wel, gulukug.
Tkomtropan vandrop tiet bie tu zien, ee?
Zaan ziedur nateurluk du noöstu famielju uutgunooödugt mor ook u poör gubeurs wo daan zu goeët mee ovreeënkom e wo daan zaltiet kun up reekn. Bertn e Marie woörn dur ook nateurluk. Altugoöru woörn zu me dertug man.

Zen tog zuku sjhooönu kartjus get met weënshn lik ‘goeju guzoentijt verdru’ of ‘nog u naantal guzoendu joörn tugoöru’ mor ook omdat du feeëstu goeët zoe slaagn. Juultn e Madliïnu wierdn ook nog gulooft voer undur ‘goeju ijgunsjhapn’ e voer oendurtprosent ofgusjhildurt as vooörbeeldn voer undur noökomuliengn.
Da dijt undur egt veelu deugt. Zadnt vurdieënt!
Madliïnu die nie beetur wist, vurshoot nog gin bitju oön zu tilugram kreegn van du keunienk. Zu vroegdaan Juultn: ‘Ken ju gie em misjhieën goeët?’

Ook du burgumeeëstur en du sjheepns weënstn undur veelu guluk. Moestn zu guldugt wordn int gumeeëntuus of bie undur tuus, wieërt undur guvraagt. Zadn tlatstu gukoozn en zu zaatn fieër lik twi giëters in undur zeetlu met dotorietijtn roent undur, voe du fotoo in du gazetu, Madliïnu met eur boekee blomn en neevns undur u kadoo van du gumeeëntu, u sjhooönu voözu.
Nateurlik droenkun zu ton u gloözutju up 'doedu’ trowurs en iedreeën was gulukug.
Du feeëstu was guslaagt en tzij zeëfs utwieën “Up no du vuuvuntjestug!’



Vertaling

Jules is zestig jaar getrouwd.

De vijftiende juni was Jules zestig jaar getrouwd met zijn Madeleine. Een lange tijd, hé.
De drie kinderen, die in de streek wonen, waren dan ook van plan om er een groot feest van te maken.
Ze moesten eerst een instelling vinden, liefst niet te ver weg, waar ze zeven kamers konden voorbehouden, waar ze lekker konden eten en waar ze een attractie konden opvoeren en waar ze eens dansje konden doen. En niet te vergeten, de twee honden van één van de kinderen moesten ook toegelaten worden.
Niet eenvoudig, hoor, ik zal zelfs meer zeggen, onmogelijk in Middelkerke. In Nieuwpoort kon dat wel, gelukkig maar.
Het komt erop aan er op tijd bij te zijn, hé?
Zij hadden natuurlijk de naaste familie uitgenodigd maar ook een paar buren waar ze goed mee overeenkomen en waar ze altijd kunnen op rekenen. Albert en Marie waren er ook natuurlijk. Alles samen waren ze met dertig personen.
Wat hebben ze toch mooie kaartjes gekregen met wensen zoals ‘goeie gezondheid verder’ of ‘nog een aantal gezonde jaren samen’ maar ook opdat het feest goed zou slagen. Jules en Madeleine werden ook nog geloofd voor hun ‘goede eigenschappen’ en voor honderd percent afgeschilderd als ‘voorbeelden voor hun nakomelingen’.
Dat deed hen echt veel deugd. Ze hadden het verdiend!
Madeleine die niet beter wist, verschoot nog geen beetje toen ze een telegram kregen van de koning. Ze vroeg aan Jules ‘Ken jij hem misschien goed?”
Ook de burgemeester en de schepenen wensten hen veel geluk. Moesten ze gehuldigd worden in het gemeentehuis of bij hen thuis, werd hen gevraagd. Ze hadden voor het laatste gekozen en ze zaten fier gelijk twee gieters in hun zetel met de autoriteiten rond hen, voor de foto in de krant. Natuurlijk dronken ze dan een glaasje op de ‘oude’ trouwers en iedereen was gelukkig.
Het feest was geslaagd en er zei zelfs iemand ‘Op naar de vijfenzestig!’

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 11:18 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei

Aamur: hamer
Aksju: haakje
Alaam: gereedschap
Alumienjom: alluminium
Arduun: arduin
Asjhun: as
Baksju: bakje
Bakuliet: bakeliet
Bakursoovn: bakkersoven
Bakploötu: bakplaat
Bakvormu: bakvorm
Balaaänsu: balans
Baladeuzu: looplamp
Baskuulu: bascule
Basing: grote kuip
Bazasu: rugzak
Beezum: bezem
Biedong: beton
Bielu: bijl
Blek: blik
Blekndoozu: blikken doos
Bloksju: blokje
Boöku: balk
Bobienu: bobijn
Boeërukaru: boerenkar
Booöru: boor
Bowkroönu: bouwkraan
Brantslangu: brandslang
Bratpanu: braadpan
Briekuljong: steenafval
Briekurieë: steenbakkeij
Brijnaaldu: breinaald
Brikiezur: breekijzer
Buuldoozur: bulldozer
Buuzu: buis
Dermu: slang
Dieng: dingen
Dienk: ding
Drendul: lange draad
Droöt: draad
Eetaazju: verdieping    Fr étage
Ekn: hekken
Gasmasjien(u): grasmachine
Gasmoöjur: grasmaaier
Gassjhoöru: grasschaar
Gravee: grind
Iezur: ijzer
Iezurdroöt: ijzerdraad
Iezurzaagu: ijzerzaag
Kaavu: schoorsteen
Kajoetjoedermu: rubberen darm
Katjoe: caoutchou
Karbongpapier: carbonpapier
Kartong: karton
Kartongdoozu: kartonnen doos
Kasiesteeën: kasseisteen
Katukop: meervoudig stopcontact
Keësu: kaars
Keetn: ketting
Kobujaagur: ragebol
Koerang: stroom    Fr  courant
Koesju: laag (verf)   Fr couche
Koevoeët: koevoet
Kolu: lijm     Fr colle
Kontrolulamtju: controlelampje
Kork: kurk
Kortuwaagn: kruiwagen
Kripu: crèpe
Kroönu: kraan
Lakvervu: lakverf
Lanteërn: lantaarn
Latu: latLeeëru: ladder
Liem: lijm
Masjienu: machine
Moeëru: moer
Moenteuru: monture
Nulu (u): deksel
Nulutju (u): een dekseltje
Oetunaamur: houten hamer
Oetuwerk: houtwerk
Oogspaniengu: hoogspanning
Oolievervu: olieverf
Ooparluür: luidspreker                            Fr haut parleur
Otomoöt: automaat
Piejosju: pikhouweel                   Fr pioche
Pielampu: zaklamp
Pielu: batterijtje                      Fr pile
Poönu: fluweel
Posturtju: beeldje op schouw of tafeltje
Pulu: bidon
Puuneisu: duimspijker                       Fr punaise
Rekul: elastiek
Roendilu: rond metaaltje om vijzen vaster te helpen aanspannen
Rusor: veer                               Fr ressort
Santuboetiek: rommel, allerlei gerief
Seulu: emmer
Sjetu: breigaren
Sjhaavu: schaaf
Sjheurpapieër: scheurpapier
Sjhievu: schijf
Sjhoöru: schaar
Sjhoeblienk: schoensmeer
Sjhroevu: schroef
Sjhutuldoek: schoteldoek
Sleutur: sleutel
Slootur: sleutel
Sluutspelu: veiligheidsspeld, toespeld
Spaa: spade
Staaku: staak
Staksju: staakje
Stekurdroöt: prikkeldraad
Stofoösju: materiaal
Stofzuugur: stofzuiger
Stoksju: stokje
Stoovoet: stoofhout
Supapu: ventiel                                    Fr soupape
Toernavies: schroevendraaier                    Fr tournevis
Toespelu: sluitspeld
Trekiezur: magneet
Trektuür: tractor                        Fr tracteur
Trekur: aftrekker
Up travoo: op de werf                         Fr travaux
Vakboent: vakbond
Veiliengu: veiling
Verukiekur: verrekijker
Vervu: verf
Vervubustul: verfborstel
Veugulkooöju: vogelkooi
Vielu: vijl
Vienguroeët: vingerhoed
Viezu: vijs
Vintielatuür: ventilator        Fr ventilateur
Visbenu: vismand
Visjhurieë: visserij
Viskaru: viskar
Vismart: vismarkt
Visristorang: visrestaurant
Visvangstu: visvangst
Viswienkul: viswinkel
Vlieëguvangur: vliegenvanger
Vulpenu: vulpen
Vurnis: beschermende stof als bovenlaag    Fr vernis
Vurnisjhun: vernissen
Vuulblek: vuilblik
Vuulkaru: vuilkar
Wasspelu: wasspeld
Wiezur: wijzer
Wulu: wol
Zaagu: zaag
Zeisu: zeis
Zikul: sikkel
Zil: zeil
Zwientju: handveegborstel

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 25: Afmetingen Hoeveelheden Tekeningen Vormen Getallen en Cijfers

Aaänsvul: handvol
Aal bie mukoör: alles bijeen
Aaltoopu: allemaal samen
Akuvietju: kleinigheidje
Aludrieë: alledrie
Alumalu: allemaal
Aluvieëru: alle vier
Alutweeë: alletwee
Aluzessu: alle zes
Anutjusnest (geil dun): alles
Bataklang (geil du): alles
Boogsjheutu: boogscheut
Booörduvul: boordevol
Booört: boord
Breeët: breed
Breuku: breuk
Bridur: breder
Britu: breedte
Budeeëliengu: bedeling
Bunoödriengu: benadering
Buperkiengu: beperking
Busiefurn: becijferen
Buutnmoötu: buitenmate
Deeëlboör: deelbaar
Deeëliengu: deling
Deëëln: delen
Dieëpu: diep
Dinu: dun
Dogtu: de hoogte
Driejoek: driehoek
Duust (1000), twiduust (2000), vuufduust (5000), twientugduust (20.000), oendurtduust (100.000)
Eëlt: helft
Eeën (1), tweeë (2), drieë (3), vieëru (4), vuuvu (5), zesu (6), agtu (8)
Eevun: evenErteëln: hertellen
Geeëlu noop (u): een hele hoop
Geeëlugaaäns: helemaal
Grodur: groter
Grotu: grootte
Gudoeftu: iets log, zeer groot
Ienkul: enkel
Ikstra: extra
In dogtu: in de hoogte.
In du dieëpn: in de diepte

In du langdu: in de lengte
In du vertu: in de verte
Inoet: inhoud
Kart: kwartier, kwart
Kieloomeetur: kilometer
Klieku: kliek
Klindur: kleiner
Langdu: lengte
Lank: lang
Leeëgu: laag
Leksju: likje, laagje (verf bvb)
Letur: weinig
Ligiengu: ligging
Meeër e meeër: steeds meer
Midulienu: middellijn
Midulmoötu: middelmaat
Mieljaar: miljard
Mieljoeën: miljoen
Mielu: mijl
Moötu: maat
Naänsvul (u): een handvol
Neëlt (du of u): de helft
Nieks: niks, niets
Nieëmundalu: niets
Nievoo: peil, hoogte
Noövn (u): een halve
Nuumuroo: nummer
Oendurt (100), twijoendurt (200), driejoendurt (300), vuuvoendurt (500)
Oendurtuust: honderdduizend
Oendurvurdeeëliengu: onderverdeling
Oeneevun: oneven
Oenpoör: onpaar
Oentsiefurn: ontcijferen
Oeveelu keeërs: hoeveel keer
Ofguroent: afgerond
Ofmeetn: afmeten
Ofneemn: afnemen
Ofroendn: afronden
Oftrekn: aftrekken
Ofsplitsn: afsplitsen
Ogtu: hoogte
Olugoöru of Oltugoöru: allemaal samen
Oöf e noöf: half en half, fifty-fifty
Oöfleeg: halfleeg
Oöfvul: halfvol
Oörbritu: haarbreedte
Oovren: overhebben
Oovurvloeët: overvloed
Potlooöt: potlood
Promielu: per duizend
Pursies: precies
Reeku: rij
Rijong: gebied
Rijzu (met): op gelijke hoogte van, gelijklopend met
Rjeën du knots: niemendal     Fr rien
Roendu: rond, toer
Roenduut: ronduit
Santuboetiek: alles wat er samen ligt of samen staat
Siefur: cijfer
Sjharding: kleinigheid
Stief: zee
Stief veelu: zeer veel
Stik: stuk
Stiksju: stukje
Strieëpu: streep
Surieë: reeks
Teeëkniengu: tekening
Teeën en tandur: het een en het ander
Tieënu (10), Eëvu (11), twoavu (12), veeërtieënu (14), vuftieënu (15), zestieënu (16), zeevuntieënu (17), ….
Tis mor u sjhortu grooöt: het is niet groot
Tjokuvul: bomvol
Tsjhildu gi noör: het scheelde geen haar
Tsjhildu moör u sjharding: het scheelde maar een kleinigheid
Tsjhildu mo letur: het scheelde maar weinig
Tseëfstu: hetzelfde
Tunuptelu: met klein overschot, om af te ronden
Tweeënoöf: twee en half
Twoöfnoöf: twaalf en half
Twi man en u peërdukop: weinig volk
Twientug (20), veeërtug (40), fuftug (50), tjestug (60), tjeevntug (70), tachuntug (80), tneegntug (90)
Upteln: optellen
Upteliengu: optelling
Upurvlaktu: oppervlakte
Utsukluts: alles bijeen
Uutdin: uitdunnen
Uutdroöjn: uitdraaien
Uutsjhuuvn: uitschuiven
Vaneënsteëns: over de gehele lijn
Veelvowt: veelvoud
Veugulvlugt: vogelvlucht
Vieërdubl: vierdubbel
Vieërkant: vierkant
Vieëroek: vierhoek
Vooörlatstn: voorlaatste
Vormugeevn: vormgeven
Vormugeeviengu: vormgeving
Vul: vol
Vulang: volhangen
Vulloön: volladen
Vurdeeëliengu: verdeling
Vurdubliengu: verdubbeling
Vurgrooötglas: vergrootglas
Vurgrooötiengu: vergroting
Vurgrooötn: vergroten
Vurmeenugvuldiegiengu: vermenigvuldiging
Vurmindriengu: vermindering
Vuroediengu: verhouding (breuk)
Vuroogn: verhogen
Vuroogiengu: verhoging
Vurvormiengu: vervorming
Vurvormn: vervormen
Vurwiediengu: verwijding
Vurwiedn: verwijden
Vuuvoek: vijfhoek
Wienkulaak: winkelhaak
Winug(u): weinig(e)
Zantju: prentje

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 24: Toestanden

A mukoör ang met aakn e noogn: aan elkaar hangen met haken en ogen
Agturgroent: achtergrond
Agturstu: achterste
Akuwerie: bedoening (een hele)
Ambjaaänsu: stemming
An du noöls brieng: kapot maken
An du noöls komn: kapot aan het gaan
Avaaänsu: vooruitgang
Bataklang: alles wat erbij hoort (negatief)
Biebluuvn: bijblijven
Biejoedn: bijhouden
Binustu: binnenste
Blekn: blinken
Bluuvn: blijven
Boendug: bondig
Boovustu: bovenste
Budekiengu: bedekking
Busjhikboör: beschikbaar
Busjhikiengu: beschikking
Bustoön: bestaan
Buutnguweunu: buitengewoon
Buutnkaaänsu: buitenkans
Buutnstoön: buitenstaan
Buutukant: buitenkant
Buutuleevn: buitenleven
Buutustu: buitenste
Buwoöriengu: bewaring
Da zieëtur lieëf uut: dat ziet er niet goed uit
Dade gi naamu: dat heeft geen naam, dat is ongehoord
Dekiengu: dekking
Derdu ki goe ki: derde keer goeie keer
Deurwikt: doorweekt
Doenkur: donker
Du veugul is goön vlieëgn: de dader is er vandoor
Duustur: duister
Elusteekudoenkur: zeer donker
Flutsu: mislukking, flop
Geeël tanutjusnest: iedereen
Gledug: glad
Groendug: grondig
Gruus: stofferig overblijfsel
Gupateilt zien: er slecht uitzien na ongeval of vechtpartij
Guvinugt: bedorven
Guweunu: gewoon
In du foelu van tvoök: in de massa       Fr foule
In du miezeerju zitn: problemen hebbenIn du naap gulogeert zien: in de aap gelogeerd zijn, slecht af zijn
Ju botn dran vaagn: er je voeten aan vegen
Ju vastoedn antgas: op je weerhouden zijn
Keemul: vergissing
Koentukraafs: ondersteboven
Krempn: krimpen
Krotu en kompajieë: armoede

Kurumul: kruimels, zaagmeel
Lienksju: linkse
Lik oörieng in u tunu: als haringen in een ton, erg dicht op elkaar
Nanutjusnest (u) : een vervelende toestand
Natugeit: nattigheid
Ne nog kient nog kroöju: geen kinderen hebben
Nie mi weetn van wufur oet pieln maakn: geen uitweg meer kennen uit de armoede
Nieëwugeit: nieuwigheid
No du klooötn goan: kapotgaan
O ju ju gat vurbrant moejop du bloörn zitn: wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten
Oenbuwakt: onbewaakt
Oentknoopiengu: ontknoping
Ofbieng: afbinden
Ofbluuvn: afblijven
Ofsjhafn: afschaffen
Ofwagtn: afwachten
Ofwiekn: afwijken
Ofwisuln: afwisselen
Oenkruut vurgoö nie: onkruid vergaat niet
Oeënvurdieënt: onverdiend
Oeënvurmieduluk: onvermijdelijk
Oeënvurmietboör: onvermijdbaar
Oendurstu: onderste
Omuwisuln: omwisselen
Oöfdooöt: halfdood
Oopunboör: openbaar
Oörmoeë: armoede
Oovrendu: overhoop
Oovroop: overhoop
Oovurbluuvn: overblijven
Oovurdrievn: overdrijven
Oovurgank: overgang
Oovurleeviengu: overleving
Oovursjhaakuln: overschakelen
Oovursloön: overslaan
Oovurwientriengu: overwintering
Optju: hoopje
Ovrendu (aal): overhoop
Rampu: ramp
Regsju: rechtste
Riemram: nutteloze aanvullingen
Sietuuwoösju: toestand           Fr situation
Sleetu: slijtage
Sligt: slecht
Smeeërboeël: smeerboel
Soöj: saai
Spilument: zaak
Stampunduvul: stampvol
Steeg: stijf, niet glad
Stekudoenkur: stikdonkerien
Stienkn van u neuru veru: van ver reeds een slechte geur afgeven
Stooöriengu: storing
Straaliengu: straling
Tagsturstu: het achterste
Tbinustu: het binnenste
Tboovustu: het bovenste
Tbuutustu: het buitenste
Tgot do gin oönu no kroöjn: daar zal geen haan achtur/naar kraaien, niemand interesseert zich daarvoor
Tis aatunt tseëfstu: het is altijd hetzelfde
Tis an/voe du wup: het is verloren, kapot
Tis gin avaaänsu: het brengt niets op
Tis gin vetn: het betekent niet veel
Tis in du sakosj: het is geregeld
Tlienksju: het linkse
Tligdaal oovrendu; ales ligt overhoop
Toedoeën: toedoen
Toeë: toe
Toendurstu: het onderste
Toet nieëtn in: het houdt niets in
Toopangn met aakn en oogn: aan elkaar hangen met haken en ogen
Topoovurklooötn: rommelig
Tradiesju: traditie
Tregsju: het rechtste
Tshjildu mor u noör: het scheelde maar een haar
Tsjhildu mor u sjharding: het kwam maar op een kleinigheid aanTweëns deuru: dwars door
Tvooörstu: het voorste
Tzieë zwart van tvoök: het ziet zwart van het volk
U busjheetn komisju: een netelige kwestie
U sjheetu in u netzak: een storm in een glas water
Up u vrimdu: weg van zijn land, van thuis
Utsukluts: boeltje
Vastugroejn: vastgroeien
Veruguvordurt: vergevorderd
Veruguzogt: vergezocht
Veuzun: smeulen
Vieng: vinden
Vogtugeit: vochtigheid
Voldoeëndu: voldoende
Vooörnen: voorhebben, gebeuren
Vooörnvoln: voorvallen
Vooörstu: voorste
Vooörtbrieng: voortbrengen
Vorsbustoön: blijven bestaan
Vorsdeurn: voortduren
Vulweërdug: volwaardig
Vurandriengu: verandering
Vurasiengu: verrassing
Vurdin: verdunnen
Vurduustriengu: verduistering
Vurfrisjhiengu: verfrissing
Vurfient: verfijnd
Vurkeeërt: verkeerd
Vurlooörn: verloren
Vurmoeëduluk: vermoedelijk
Vurnestult: verstrikt
Vurnieëwiengu: vernieuwing
Vurnowiengu: vernauwing
Vursjherpn: verscherpen
Vursjhien: verschijnen
Vursjhoepurt: verschroeid
Vurslapiengu: verslapping
Vursnipuriengu: versnippering
Vursoepliengu: versoepeling
Vursperiengu: versperring
Vurspreidiengu: verspreiding
Vursterkiengu: versterking
Vurvangiengu: vervanging
Vurvesjhiengu: verversing
Vurwagtiengu: verwachting
Vurwariengu: verwarring
Vurwarmiengu: verwarming
Vurwisuliengu: verwisseling
Vurwisuln: verwisselen
Vurzaamuliengu: verzameling
Vurzaamuln: verzamelen
Vurzaamulplatsu: verzamelplaats
Vurzetn: verzetten
Vurzogtn: verzachten
Vurzwakiengu: verzwakking
Vurzwoöriengu: zwaarder maken
Woendur: wonder
Zwienuboeël: chaos

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 23: Persoon – Soorten Nationaliteiten

Aaänguspoeëldn: tweede verblijver
Agturkomurtju: nakomertje
Ameeriekoön(dur): Amerikaan
Baakurmatu: bakermat
Bergbuweunur: bergbewoner
Bojeemur: zigeuner
Broeëru: broer
Bulastiengbutaalur: belastingbetaler
Burgur: burger
Burgurbuvoökiengu: burgerbevolking
Burgurieë: burgerij
Buroemteit: beroemdheid
Busjhermulienk: beschermeling
Buutulant: buitenland
Buutulandur: buitenlander
Buvoökiengu: bevolking
Buvoökiengssiefur: bevolkingscijfer
Dakloozun: dakloze
Drieëlienk: drieling
Du voentusmet en: aarden naar zijn peter of meter
Duuts: Duitser
Fraaänsman: Fransman
Grotmoeëdru of grooötmoeëdru: grootmoeder
Grotvoödru of grooötvoödru: grootvader
Ieleegaaln: illegale, die onwettig in ons land verblijft
Iengulsman: Engelsman
Ietaljoöndur: Italiaan
Indjoön: indiaan
Japanees: Japanner
Joeëns: kinderen
Joengn: jongen
Joenk: meisje
Joengkeit: jongeling, jongman
Joenkman: niet-getrouwde man
Kafeekenesu: iemand die men kent uit het café
Kakurnesju: de jongste van een reeks broers en/of zusters
Kalant: cliënt
Kamuroöt: kameraad
Kenesu: kennis
Kleeënzeunu: kleinzoon
Kniïkur(s): kind(eren)
Koekutieënu: lief, schatje, minnares
Komisjunoöries: boodschapper

Kozien: kozijn, neef
Lantloopru: landloper
Mamzil: mademoiselle, juffrouw
Manumeëns: mannelijk persoon
Meëns: mens
Metu: grootmoeder of meter
Metulap: meter tweede of derde keuze
Moeëdru: moeder
Moku: meisje/vriendin
Moöt: maat, kameraad
Mumee: oma
Nieëwulienk: nieuweling
Niepooörtunoöru: Nieuwpoortenaar
Noenklu: nonkel, oom
Noökomulienk: nakomeling
Oedur: ouder
Oedu doozu: oude vrouw       =>  u noedu doozu
Oedu vint: oude man
Oet wuuf: oude vrouw
Ofstamiengu: afstamming

Ofstamn: afstammen
Ofstamulienk: afstammeling
Olandur: Hollander
Oöfbroeëru: halfbroer
Oöfzustru: halfzuster
Oomoo: homosexueel
Oöngaar: Hongaar
Oosturiekur: Oostenrijker
Oovurgrotmoeëdru: overgrootmoeder
Oovurgrotvoödru: overgrootvader
Opkomurtju: opschieteling
Ostendunoaru: Oostendenaar
Petu: grootvader of peter
Poolu: Pool
Portuugees: Portugees
Preematuur: vroeggeborene
Pupee: opaPurnukul: klein mannetje/kindje
Rasiest: racist
Ruus: Rus
Sjhooönbroeëru: schoonbroer
Sjhooöndogtru: schoondochter
Sjhooönmoeëdru: schoonmoeder
Sjhooönvoödur: schoonvader
Sjhooönzeunu: schoonzoon
Sjhooönzustru: schoonzuster
Sjhreevu: grens tussen 2 landen
Sjienees: Chinees
Sjhot: Schot
Sjokoo: homoseksueel
Spanjoört: Spanjaard
Stiefdogtru: stiefdochter
Stiefmoeëdru: stiefmoeder
Stiefvoödru: stiefvader
Stiefzeunu: stiefzoon
Suultang: sultan
Toeriest: toerist
Tweeëlienk: tweeling
Upurooft: opperhoofd
Upshieëtulienk: opgroeiend kind
Vintju: manneke, troetelnaam voor echtgenoot
Vintn: venten
Vlaamienk: Vlaming
Vlieëgtuugpasazjieër: vliegtuigpassagier
Vlugtulienk: vluchteling
Voödru: vader
Vooörntrekn: voortrekken, bevoordeligen
Vooöroedur: voorouder
Vooörtzegn: verderzeggen
Vooörzitur: voorzitter
Vorstnpoör: vorstenpaar
Vrieëndinu: vriendin
Vrieënduluk: vriendelijk
Vrieënt: vriend

Vrieguzel: vrijgezel
Vrimdu: allochtonen of personen die hun vakantie aan de kust doorbrengen
Vrimdulienk: vreemdeling
Vromeëns: vrouw
Vrovoök: vrouwvolk
Vulwasn: volwassen
Vulwasunu: volwassene
Vurasiengu: verassing
Vurwuuft: verwijfd
Waalu: Waal
Weewoöru: weduwnaar
Weewu: weduwe
Weezu: wees
Wuuf: vrouw, wijf
Wuuvutju: vrouwtje
Wuuvn: vrouwen
Zeunu: zoon
Zustru: zus
Zweet: Zweed
Zwitsur: Zwitser

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 22: Natuur Hemellichamen Milieu Verschijnselen Weersomstandigheden

Aaguln: hagelen
Aagulsteeën: hagelstenen
Baagumesu: zeer slecht weer met storm; men zegt dat de paling dan aan de oppervlakte zwemt
Baromeetur: barometer
Bietndu koet: het is erg koud
Biet vieër oj koet et: bijt vuur als je koud hebt
Bloeëdeeët: bloedheet
Buutn: buiten
Buutn (du): buiten(de)
Buutntempurateuru: buitentemperatuur
Buvang: bevangen
Daglugt: daglicht
Diekdeurbraaku: dijkdoorbraak
Dooötvrieëzn: doodvriezen
Driefzant: drijfzand
Drogtu: droogte
Du zunu sjhienkt: de zon schijnt
Dundurn: donderen
Eemul: hemel   => du neemul: de hemel
Eërtbeeviengu: aardbeving
Eeët: heet
Eevunoöru: evenaar
Erfst: herfst
Erfstweeru: herfstweer
Ies: ijs
Ieskoet: ijskoud
Iezuln: ijzelen
Grooötu beër: grote beer
Kliemoöt: klimaat
Kliemoötvuranduriengu: klimaatverandering
Koet: koud
Leeëgwoötur: laagwater
Lentuweeru: lenteweer
Lentuwirtju: lenteweertje
Lugt: lucht
Meewient: wind van achter
Miljeuvrieënduluk: milieuvriendelijk
Moönsvurduusturiengu: maansverduistering
Moönu: maan
Moönusjhien: maneschijn
Molujoeng reegn: zeer hard regenen
Nateuru: natuur
Nooördn: noorden
Oavu moönu: halvemaan
Oenweeru: onweer
Omuwoöjn: omwaaien
Oogwoötur: hoogwater
Ooöstn: oosten
Oovurstroomiengu: overstroming
Oozonlaagu: ozonlaag
Orkoön: orkaan
Planeetu: planeet
Puupusteërtn: pijpenstelen (regen)
Reegn: regenen
Reegnvlaagu: regenvlaag
Riem: rijm
Rutuln van du koedu: bibberen van de kou
Salaavlaagsju: korte regenvlaag, juist voldoende om de salade de besproeien
Seejootweeuutstoot: CO2-uitstoot
Sjheemuriengu: schemering
Sjhien: schijnen
Sjhowtu: schaduw
Sjhooön weeru: mooi weer
Slagwoötur gieëtun: zeer hard regenen
Sligt weeru: slecht weer
Smooör: mist
Smuuk(n): motregen(en)
Sneeëw: sneeuw
Sneeëwstormu: sneeuwstorm
Sneeëwvint: sneeuwman
Sneeëwvlaagu: sneeuwvlaag
Sneeëwvlokn: sneeuwvlokken
Spriengtieë
Steekudoenkur: zeer donker
Steru: ster
Stikeeët: stikheet
Stormu: storm
Stormopzeeë: storm op zee
Tis kerumesu in delu: het regent maar de zon schijnt erdoor
Tis koet wi: het is koud, weet je
Tis twientug groön: het is twintig graden warm
Treegnt oedu wuuvn: het regent oude wijven
Trek: tocht  door de wind
Trekgat: waar het bijzonder erg tocht
Trekn: tochten
Trekt ier: het tocht hier
Trekt up: het (weer) klaart op
Tsjhilt u vestu: warmer of kouder dan voorheen
Tsoenaamie: tsunami
Tun uutkantu: op de buiten
Tuusvuul: het huisvuil
Tvoln van du bloörn: het vallen van de bladeren
Tvrieëst dat krakt: het vriest dat het kraakt
Tzunutju doet deugt: het zonnetje doet deugd
Upwarmiengu van deërdu: opwarming van de aarde
Uutzigtu: uitzicht
Vastuvrieëzn: vastvriezen
Vlaagu: vlaag
Vostsjhaa: vorstschade
Vrieëzn: vriezen
Vrieëskoedu: vrieskoude
Vulu moönu: volle maan
Vurdrienkn: verdrinken
Vurkoedn: kouder worden
Vurniengt: vergif
Vurstievn: verstijven
Vurwarmiengu: verwarming
Vuulkaru: vuilniswagen
Vuulkoön: vulkaan
Vuulugeit: vuiligheid
Waktu: vochtigheid
Weeru: weer
Weerlugt: bliksem
Wervulwient: wervelwind
Westn: westen
Wiendagtur: wind mee
Wiendup: wind op kop
Wiendagtur: rugwind
Wient: wind
Wientstootu: windstoot
Wientureuru: winteruur
Wienturmoönt: wintermaand
Wienturtiet: wintertijd
Wienturweeru: winterweer
Woöjn: waaien
Woöku: wolk
Zandstormu: zandstorm
Zeeëwient: zeewind
Zieduwient: zijwind
Zigtboörijt: zichtbaarheid
Zoomureuru: zomeruur
Zoomurtiet: zomertijd
Zoomurweeru: zomerweer
Zoomurwient: zomerwind
Zoomurwirtju: zomerweertje
Zunsvurduusturiengu: zonsverduistering
Zunu: zon
Zunubrant: zonnebrand
Zunubril: zonnebril
Zunusjherm: zonnescherm
Zuudn: zuiden

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 21: Politiek

Afiesjus plakn: affiches plakken
Anplakn: aanplakken
Aparenteeriengu: apparentering
Biezitru: bijzitter in kiesbureau
Binulant: binnenland
Blown: man blauwe, liberaal
Blowu: vrouw blauwe, liberalen
Brugpensioeën: brugpensioen
Bugrooötiengskontrolu: begrotingskontrole
Bugrooötiengu: begroting
Bulastiengvooördeeël: belastingvoordeel
Bulastiengvriesteliengu: belastingvrijstelling
Bulastiengvurlijgiengu: belastingverlaging
Bulastiengvuroogiengu: belastingverhoging
Buleitsbuslisiengu: beleidsbeslissing
Bunoemiengu: benoeming
Bunoemn: benoemen
Burgumeeëstru: burgemeester
Burgurluk: burgerlijk
Burgurregtn: burgerrechten
Butoogiengu: betoging
Buudjet: budget
Buutulantpolutiek: buitenlandpolitiek
Buvoegteit: bevoegdheid
Buvoökiengu: bevolking
Buvrieënt: bevriend
Buzetiengu: bezetting
Deepuutoösju: deputatie
Dilugoösju: afvaardiging        Fr délégation
Eeëstu mieniestru: eerste minister
Eeëtoflegiengu: eedaflegging
Erkieëziengu: herkiezing
Foertstemu: proteststem
Foldur: folder
Fraksju: fractie
Fraksjulijdur: fractieleider
Groeënu: Groenen
Groentwet: grondwet
Gumeeënturoöt: gemeenteraad
Kalootu: CD&V’er
Kaamur: kamer van volksvertegenwoordigers
Kabienit: cabinet
kartil: kartel
Kernkabienit: kerncabinet
Kieëzursliestu: kiezerslijst
Kieëziengu: verkiezingen
Komisju: commissie
Komuunootiïr: in verband met Vlaanderen - Wallonië         Fr communautair
Kordoön sanietiïr: cordon sanitaire
Kowaliesju: coalitie
Kuumuul: uitoefening meerdere functies tegelijk              Fr cumul
Liburaaln: liberalen
Liestutrekur: lijsttrekker
Liestuduuwur: lijstduwer
Liestustemn: lijststemmen
Mandatoöries: mandataris
Maniefistoösju: betoging                Fr manifestation
Meeërdureit: meerderheid
Mielietant: militant
Mieniestru: minister
Mieniestur-preeziedent: minister-president
Mieniestru van buutnlaansjhu zaakn: minister van buitenlandse zaken
Mieniestru van binulaansjhu zaakn: minister van binnenlandse zaken
Mieniestur van kuultuur: minister van cultuur
Mieniester van eekonoomiesjhu zaakn: minister van economische zaken
Mieniestur van eenirzjie: minister van energie
Mieniestru van fienaansjus: minister van financies
Mieniestru van juustiesie: minister van justitie
Mieniestru van laansvurdeediegiengu: minister van landsverdediging
Mieniestur van lantbow: minister van landbouwMieniestur van mobielietijt: minister van mobiliteit
Mieniestur van oendurwies: minister van onderwijs
Mieniester van oentwikuliengssaamunwerkiengu: minister van ontwikkelingssamenwerking
Mieniestur van oopnboaru werkn: minister van openbare werken
Mieniestur van pensjioeën: minister van pensioenen
Mieniestur van sosjaalu zaakn: minister van sociale zaken
Mieniestur van voöksguzoentijt: minister van volksgezondheid
Mieniestur van Vurkeeër: minister van verkeer
Mieniesturoöt: ministerraad

Mindurijtsrugeeëriengu: minderheidsregering
Oenafankuluk: onafhankelijk
Oeëngeldug stemn: ongeldig stemmen
Oendurvooörzitur: ondervoorzitter
Ofiesjil: officieel
Oftreedn: aftreden
Opoziesju: oppositie
Oovurijt: overheid
Oovurloopur: overloper, van ene partij naar andere
Parlument: parlement
Partieë: partij
Peniengmeeëstur: penningmeester
Pijliengu: peiling
Plakoöt: verkiezingsbord
Poliesjuroöt: politieraad
Proviïnsjuroöt: provincieraad
Roöt: raad (gemeente-, provincie-, …..)
Roötszitiengu: raadszitting
Roojn: rode, socialist
Rooju: rode, socialisten
Rugeeëringsformoösju: regeringsformatie
Rugeeëriengskowaliesju: regeringscoalitie
Rugeeëriengu: regering
Rugiïrakoort: regeeraccoord
Sikrutoöries van du partieë: secretaris van de partij
Sinatuür: senator
Sjheepun: schepen
Sjheepunkoleezju: schepencollege
Sjheurliestu: afspliting van een bestaande politieke partij, scheurlijst
Sjhorsiengu van du zitiengu: schorsing van de zitting
Sosjaliest: socialist
Sosun: socialisten
Spietsjhun: speechen
Spreekgustoeëltu: spreekgestoelte
Staakiengu van stemn: staking van stemmen
Stemiengu: stemming, verkiezingen
Stemn voer utwieën: voor iemand stemmen
Stempligt: stemplicht
Stoöt: staat
Sunoöt: senaat
Tjeevu: tjeef, scheldnaam voor iemand van de CD&V
Tjeevustreeku: tjevenstreek, verwijt voor politiek bedrog en woordbreuk van de christendemocraten
Uproepiengu: oproeping
Upvolgur: opvolger
Uuttreedundu rugeeëriengu: uittredende regering
Uutvoeërundu magt: uitvoerende macht
Veeturoön: veteraan
Viep: VIP Very Important Person
Viesu eeëstu mieniestru
Vijlugijtsroöt: veiligheidsraad
Vlams Bulang: Vlaams Belang
Vlamsjhu Roöt: Vlaamse Raad
Voödurlant: vaderland
Voödurlantslieëfdu: vaderlandsliefde
Voöksliet: volkslied
Voökspartieë: volkspartij
Voöksroötpleegiengu: volksraadpleging
Voöksteliengu: volkstelling
Voöksvurgoöriengu: volksvergadering
Voöksvurteegnwooördiegiengu: volksvertegenwoordiging
Vooörkeurstemu: voorkeurstem
Vooörzitur: voorzitter
Vorstunuus: vorstenhuis
Vraagnurtju: vragenuurtje
Vriezinug: vrijzinnig
Vulplakn: volplakken (borden met kiespropaganda)
Vurgoödurzaalu: vergaderzaal
Vurgoöriengu: vergadering
Vurgoörn: vergaderen
Vurkieëzieng: verkiezing(en)
Vurkoozun zien: verkozen zijn
Wetgeevundu magt: wetgevende macht
Wooörtvoeërdur: woordvoerder
Zeetul: zetel
Zeetuln: zetelen
Zitiengu: zitting
Zweepupartieë: zweeppartij

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 20: Religie

Aaänbidn: aanbidden
Aalmoezunieër: aalmoezenier
Aartsbisjhop: aartsbisschop
Abdieë: abdij
Absoluusju: absolutie
Adrilugun: Allerheiligen
Alurzieëln: Allerzielen
Asjhukruusju: assenkruisje (op Aswoensdag)
Asjhuwoeënsdag: Assenwoensdag
Avukoöt van du duuvul: advocaat van de duivel
Bazuliek: basiliek
Beeduvoört: bedevaart
Biebul: bijbel
Biegtu: biecht
Biegtukot: biechtstoel
Biegtustoeël: biechtstoel
Biegtvoödru: biechtvader
Bieguloof: bijgeloof
Bieguloovug: bijgelovig
Bloeëtprosesju: bloedprocessie
Boediest: aanhanger boeddhisme
Bruvier: brevier
Bugraaviengu: begrafenis
Bugraaviengsdieënst: begrafenisdienst
Buregtn: het H.Oliesel toedienen
Busjhermuliengu: beschermelinge
Daaguliksjhuzoendu: dagelijkse zonde
Delu: de hel
Doogmesu: de hoogmis
Dooökistu: doodkist
Dooökotju: huisje op kerkhof
Dooöstriet: doodstrijd
Dooötzoendu: doodzonde
Dooprugiestur: doopregister
Doopulienk: dopeling
Doopvoentu: doopvont
Dopsul: doopsel
Driekeuniengn: driekoningen
Eeëstu komuunju: eerste communie
Eemul: hemel
Eemulvoörtdag: Hemelvaartsdag
Elu: hel
Erfzoendu: erfzonde
Geuzu: ongelovige
Goeju vriedag: goede vrijdag
Goeju weeku: goede week
Gotsdieënst: godsdienst
Gudopt: gedoopt
Guloftu: gelofte
Guvormt: gevormd (Vormsel ontvangen)
Iengul: engel
Iengulbuwoördur: engelbewaarder
Ienguloör: engelhaar
Iesijliegun: ijsheiligen
Ijlug oliesul; heilig oliesel
Ijlugvurkloöriengu: heiligverklaring
Joodu: Jood
Ju kapu oovr daagu smietn: uit de kerk treden
Kalootu: katholiek
Kapelu: kapel
Kapu: kap (van een kloosterzuster)
Kanuuniek: kanunnik
Kapuloön: kapelaan
Kardienaal: kardinaal
Katukismuus: catechismus
Kazuuvul: kazuifel
Keësu: kaars
Keësuroeët: kaarsvet
Kerkof: kerkhof
Kerkudeurn: kerkdeuren
Kerkuluk: kerkelijk (gehuwd, begraven)
Kerkumuziek: kerkmuziek
Kerkutoru: kerktoren
Kesboom: kerstboom
Kestag: kerstdag
Kestumesu: mis in de kerstnacht
Klokn luwn: klokken luiden
Klooöstru: klooster
Klooösturordu: kloosterorde
Koönsukroösju: consecratie
Komuunju: communie
Kostru: koster
Kruusweg: kruisweg
Krieptu: crypte
Kruusju: kruisje
Kruusteeëkn: kruisteken
Kruusweg: kruisweg
Leezn: bidden
Luuwn: luiden (de klokken)
Martuldooöt: marteldood
Martulgank: martelgang
Martuln: martelen
Martuloöru: martelaar
Masuür: zuster                                  Fr ma soeur
Mesu: H.Mis
Mesudieëndur: misdienaar
Mieraakul: mirakel
Moönsinjuür: monseigneur
Mosliem: moslim
Mosliemikstreemiest: moslimextremist
Neemul (du): de hemel
Nunusjhoolu: zuster- of nonnenschool
Oendurpastru: onderpastoor
Oeënzu neeëru: onze heer
Oeënzu nirtju: Onze-Lieve-Heer
Oeënzu voödur: Onze Vader
Oeënzu vrowtju: Onze-Lieve-Vrouw
Ofrandu: offerande
Ofsjheurn: afscheuren (een geloof verlaten)
Ofurblok: offerblok
Oksaal: oksaal
Ooftdoek: hoofddoek
Ooftzoendu: hoofdzonde
Oöfvastn: halfvasten
Oogmesu: hoogmis
Ostie: hostie
Paapu: paap, rooms katholiek
Palmuzundag: Palmzondag
Paradies: paradijs
Parogju: parochie
Pastru: pastoor
Peenieteënsju: penitentie
Pieloörubietur: pilarenbijter, die veel in de kerk zit
Poösjhn: Pasen
Poöspligt: paasplicht
Poöturnostur: paternoster
Pows: paus
Preekn: prediken
Prikstoeël: preekgestoelte
Prosesju: processie
Protustant: protestant
Rilukwieë: relikwie
Roepiengu: roeping
Sakrament: sacrament
Sakriestieë: Sacristie
Seelieboöt: celibaat
Sienksjhn: Sinksen
Simunoörie: seminarie
Sintupieëtur: Sint-Pieter
Sirmoeën: sermoen
Sjhapuulier: schapulier
Sjhepiengu: schepping
Slotklooöstur: slotklooster
Slotnunu: slotzuster
Stoeëltjusgelt: wat voor een stoel in de kerk moet betaald worden
Tieën guboodun (du): de tien geboden
Tjeevu: iemand van de chtistelijke volkspartij (CD&V)
Trown voe du kerku: trouwplechtigheid in de kerk
Vaaguvieër: vagevuur
Vastun: vasten
Vastuntiet: vastentijd
Vatiekoön: vaticaan
Voentu: vont
Voentusmet: zegt men van iemand die zich gedraagt zoals zijn peter of meter
Vroegmesu: vroegmis
Vurgeeviengu: vergeving (van de zonden)
Vurgifunisu: vergiffenis
Vurlosiengu: verlossing
Vuriezn: verrijzen
Vursjhieniengu: verschijning (van OLV)
Werk van bermertugijt: werk van barmhartigheid
Wierook: wierook
Wiewoötru: wijwater
Wiewoöturvat: Vat voor gewijd water (aan ingang kerk)
Woendur: wonder
Zaalugvurkloöriengu: zaligverklaring
Zantju: bidprentje
Zet eur kapu oovur daagu gusmeetn: ze is uitgetreden als geestelijke
Zoendu: zonde
Zundagsmesu: mis op zondag
Zundagsrust: zondagsrust

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Tlatstu nieëws oovur Bertn en Juultn

Ju kent zu giedur nu stilutjusan we, zeekr, uuzu blowu Bertn en zu boeëzumvrieënt Juultn?
Zu kwaamn reegulmoötig tugoöru u pientju drienkn in undur stamkafee in Lombardieë, mo da ku nu nie mi. Worom? Wienu datur gubeurt is du veeërtieënstun oktoobru in Midulkerku e Bertn zodoönug gupakt aan zu nertu datun nie mie buutn komt. Datu blowu giengn vurlieëzun, dat aatn nog kun pijzun mo daan zu gieng vurpleturt wordun! Zu vrowu vurtelt datun bleeëk wiert en da zu pijsdu datun u nataksju gieng kriegn.
Juultn was nateurluk bliedu da zien kleur zooön klienkunt suukses kostu aaln, mo naat tog ook we kompasju me zu moöt Bertn. Net em tuus goön buzoekn voer em beetersjhap tu weënsjhun mo volguns dat sjhient wastur gin trooöstun an. Da KaaVeeOO ut nie goeët doet int foetbal en dat du triïnur nu zeëvu uut zu nijgn weggugoön is, da det em ook gin deugt gudoön.

Nis nu we tieduluk zu moöt kwiet, mo voe du restu lat Juultn du moeët nie zakn. Zien favorietn, du Liestu Dudekur en du kluub van Brugu doent alutweeë stief goeët, da toet em deugt.
Otn nog u ki not stamkafee goöt, zieët iedureeën da zu pientju em nie smakt lik andurs. Nu bluuft ook noojt nie langu mi. Nu mist zu moöt Bertn, dadis zeekr.
Nu werkt iïn zu nof of nu go me zu vieloo gon rieën. Nu go bievooörbeelt u ki gon kiekn oeveru dat stoöt me tvurlegun van du tram no du kustboönu. Gotn dadooöjt van zu leevun guwent wordn datur gin tram mi deur torp riet? Tgo roöru doeën, wi! Mo ja, nu pakt ie tog nooöjt du tram en ot moestu nooödug zien, kutn nog asan eeën van du veelu otobuuzn neemn die goön stopn in Momartru. Ju wit wel da Dekur, al zwaanzun zeekru, guzeit et datn van torpplingsju utwa gieng maakn lik du plas duu tirtru, tpling op u neuvultju in paries. Mo ja woö zoe ju al die sjhildurs moetn goön aaln en nu kut tog nie van iedur uus u kafeetju maakn wo dajook kut eetn. Ot mo guzelug is! Me veelu groeën en tog we tirasjus wo daju up ju gumak u pientju kut drienkn.

Ot du tram weg is got ut u pluzieër zien van eeën van de sjieku promunaadn tu gubruukn: du Zeeëloönu of de Niepooörtloönu. Voeëtgangurs en vieloos gon in dun eemul zien, toet in Niepooört nie me moeëtn uppasn voe du tram!

Mo nu wit ie ook da mu mo gon kun ooördeeëln odalus ofguwerkt is.

 

Vertaling

Jullie kennen ze nu stilaan wel, zeker, onze blauwe Bertn en zijn boezemvriend Juultn?
Ze kwamen regelmatig bijeen om een pint te drinken in hun stamcafé in Lombardsijde, maar dat kan nu niet meer. Waarom? Wat gebeurd is de veertiende oktober in Middelkerke heeft Bertn zodanig aangegrepen aan zijn hart en nu komt hij niet meer buiten. Dat de blauwe zouden verliezen dat had hij nog kunnen denken maar dat ze zouden verpletterd worden! Zijn vrouw vertelt dat hij bleek werd en dat ze dacht dat hij een aanval zou krijgen.
Juultn was natuurlijk blij dat zijn kleur zo’n klinkend succes kon behalen, maar hij had toch ook wel medelijden met zijn maat Bertn. Hij is hem thuis gaan bezoeken om hem beterschap te wensen maar naar het schijnt was er geen troosten aan. Dat KV Oostende het niet goed doet in de voetbal en dat de trainer nu zelf weggegaan is, dat heeft hem ook geen deugd gedaan.

Hij is nu wel tijdelijk zijn maat kwijt, maar toch laat Juultn de moed niet zakken. Zijn favorieten, de lijst Dedecker en de club van Brugge doen het allebei zeer goed, dat doet hem deugd. Als hij nog een keer naar het stamcafé gaat, ziet iedereen dat zijn pintje hem niet smaakt zoals gewoonlijk. Hij blijft ook nooit niet lang meer. Hij mist zijn maat Bertn, dat is zeker.
Hij werkt nu in zijn tuin of hij rijdt met de fiets. Hij gaat bijvoorbeeld eens kijken hoever het staat met het verleggen van de tram naar de kustbaan. Zal hij dat ooit van zijn leven gewoon worden dat er geen tram meer door het dorp rijdt? ’t Zal raar doen, hoor! Maar ja, hij pakt toch nooit de tram en mocht het nodig zijn, dan kan hij nog altijd één van de vele bussen nemen die zullen stoppen in Montmartre.
Je weet wel dat Dedecker, al zwanzen zeker, gezegd heeft dat hij van het dorpspleintje iets ging maken zoals ‘Place du Tertre’, het plein op de heuvel, in Parijs.
Maar ja, waar zouden ze al die schilders moeten halen en hij kan toch niet van ieder huis een cafétje maken waar je ook kunt eten. Als het maar gezellig is! Met veel groen en toch wel terrasjes waar je op je gemak een pintje kan drinken.

Als de tram weg is, zal het een plezier zijn om één van die chique promenades te gebruiken, de Zeelaan of de Nieuwpoortlaan. Voetgangers en fietsers zullen in de hemel zijn, tot in Nieuwpoort niet meer moeten opletten voor de tram.
Maar hij weet ook dat we maar kunnen oordelen als alles afgewerkt is.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 19: Huisgerief Keukengerief Meubelen Slaapgerief

Aparoöt: apparaat
Bakn: bakken
Baskuulu: weegschaal
Basing: kuip
Batkuupu: badkuip
Bedu: bed
Bedugoeët: beddegoed
Bedulaakn: bedlaken
Beduspreeë: bedsprei
Beekur: beker
Beeltbuuzu: beeldbuis
Beezum: bezem
Benu: grote mand
Bleeëkn: bleken (de was)
Blikwoötru: bleekwater
Bloempot: bloempot
Boeëdulliestu: boedellijst
Boeëdulsjhidiengu: boedelscheiding
Boekukasu: boekenkast
Brieëvunbusu: brievenbus
Broomes: broodmes
Broön: braden  => ik broön, ik bradu, gubroön
Brooötmes: broodmes
Brooötplanku: broodplank
Brooötrooöstur: broodroosterBroöpanu: braadpan
Bumeubuln: bemeubelen
Bustek: bestek
Bustul: borstel
Buufetkasu: buffetkast
Buufetstoovu: kookfornuis
Buuroo: bureau       Fr bureau
Buuroolampu: bureellamp
Buuroostoeël: bureaustoel
Buuzustoovu: Leuvense stoof
Dampukapu: dampenkap
Deeëgrolu: deegrol
Dieëpvrieëzur: diepvries
Dievang: divan
Doeksju: doekje
Doesju: douche
Doozunoopundoeëndur: dozenopener
Draprieë: draperie, gordijn
Drienkbeekur: drinkbeker
Driswaar: opbergmeubel      Fr dressoir
Droogkasu: droogkast
Du vuulu wastu uutangn: de vuile was uithangen
Dwil: dweil
Eërt : haard
Feu kontienuu: kachel    Fr feu continu
Fluuwienu: kussensloop
Fotuj: zetel              Fr   fauteuil
Friegoo: ijskast
Frietpot: pot om frieten in te bakken
Fruutpersu : fruitpers
Fursjetu: vork           Fr fourchette
Gazetubak : gazettenbak
Goözu: gas
Goözukroönu: gaskraan
Goözuvieër: gasvuur
Gordien: gordijnen
Gordienu: gordijn
Greit gudoön: klaargemaakt (eten)
Grooötu kuustu: grote kuis
Ieskasu: ijskast
Kafjumeuln: koffiemolen
Kafjukanu: koffiekan
Kakstoeël: kinderstoeltje
Kanapee: slaapbank            Fr  canapé
Kasu: kast
Keënki: olielamp
Kiendurbedu: bedje voor een kind maar ook bed waarin een kind gebaard wordt
Kitu: kan, emmer
Kleeërkasu: keerkast
Kloksju: klokje
Kobujaagru: lange borstel
Koeviïrs: bestek                 Fr couverts
Kompjoeëtur: computer
Koödru: kader
Koödurs: kaders
Koolkitu: koolemmer
Korkutrekur: kurkentrekker
Kruuku: kruik
Kruumuldieëf: kruimeldief
Kuuswuuf: kuisvrouw
Lampadiïru: staande lamp                Fr lampadaire
Lampu: lamp
Lavaboo : lavabo
Leeplu: lepel
Luustur : luster
Matrasu: matras
Matu: mat
Meëkkanu: melkkan
Miekroogoöf: microgolf
Mooör: warmwaterketel
Mostoörtpot: mosterdpot
Munoözju: huishouden             Fr ménage
Neërt (u): een haard
Neutukraakur: notenkraker
Noofkusn (u): een hoofdkussen/kopkussen
Oentruumiengu: ontruiming
Ofruumn: afruimen
Ofwasmasjienu: afwasmachine
Oofkusn: hoofdkussen
Oopuneërt: open haard
Oörbustul: haarborstel
Oovurgordien: overgordijnen
Oovurgordienu: overgordijn
Orloozju: uurwerk     Fr horloge
Paksju: pakje
Paravang: kamerscherm                Fr paravent
Pasuviet: roerzeef               Fr passe vite
Patatumesju: aardappelmesje
Patatusjheldurtju: mes om aardappelen te schillen, aardappelmesje
Peepurvatju: pepervaatje
Pispot: oud gebruik om een kleine behoefte in de slaapkamer te doen
Sjoözju: deken
Stroojzak: strozak
Plantu: plant
Portretukoödru: kader voor foto’s
Posteuru: beeld(je)
Prieëzu: stopcontact       Fr prise de courant
Radiejateur : radiator, chauffageelement    Fr radiateur
Rolu: rol
Rusoorbak: waarop de matras gelegd wordt
Saladieru: slakom             Fr saladière
Salongtaaful ; salontafel
Sarzu: deken
Seulu: emmer
Sjhabu: legplank
Sjheurbustul: schuurborstel
Sjhild(u)rieë : schilderij
Sjhoeblienk: schoensmeer
Sjhoebustul: schoenborstel
Sjhoedoozu: schoenendoos
Sjhoetrekur: schoentrekker
Sjhof: lade
Sjhutuldoek: schotelvod
Sjhutulmasjienu: schotelmachinu
Sjhutuls wasjhun: afwassen
Sjhuumspoön: schuimspaan
Sjhuuvu: schuif
Sjofaazju: verwarming                                Fr chauffage
Sjofaazjukeetlu: chauffageketel
Sluünsu: vod
Speegul: spiegel
Spoeënsu: spons
Stoöndu kloku: staande klok
Stoeël: stoel
Stofsluünsu: stofdoek
Stofzuugur: stofzuiger
Stoovu: kachel
Stuutudoozu: boterhammendoos
Suüfurdoozu: stekjesdoos
Suüfurs: stekjes
Taaful: tafel
Taafulkleeët: tafelkleed
Taboeritu: krukje                       Fr tabouret
Talooöru: teljoor
Tapiet: tapijt
Tasu: tas
Tiluviezju: televisie
Toolu: tafelbedekking              Fr toile
Tregtur: trechter
Trekur: aftrekker
Tvuulblek en tzwientju: het vuilblik en het handborsteltje
Twalet: toilet
Upblienkn: opblinken
Upruumiengu: opruiming
Upruumn: opruimen
Upzet: opzet, schikking van gerief in huis
Uusoedn: huishouden
Vaagubustul: veegborstel
Vaksju: vakje
Vlieëguvangur: vliegenvanger
Voözu: vaas
Voeëtbanksju: voetbankje
Voeëtmatu: voetmat
Vurlotu broödpanu: braadpan met afgesleten email
Vurlugtiengu: verluchting
Vurziep: vergiet
Vuulbak: vuilbak
Vuulblek: vuilblik
Waafuliezur: wafelijzer
Waskeërn: wasmachine
Wasmasjienu: wasmachine
Wasspeln: wasspelden
Wasspelu: wasspeld
Wastu: was
Woöturbedu: waterbed
Woöturkroönu: waterkraan
Woötursteeën: aanrecht of pompbak
Zaksju: zakje
Zeetlu: zetel
Ziftu: zeef
Ziftn: zeven
Zipzop: zeepsop
Zoetvatju: zoutvaatje
Zwientju: handborsteltje

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 18: Fruit en groenten

Abriekoozn: abrikozen
Abriekoozu: abrikoos
Andievju: andijvie
Andjoeën: ajuin
Andjoeëns: ajuinen
Aplu: appel
Apuloöru: appelaar
Artiesjokn; artisjokken
Aspirzjus: asperges
Banan: bananen
Bananu: banaan
Bananuboom: bananenboom
Bananupeelu: bananenschil
Bananusjhelu: bananenschil
Beeëtu: biet
Bijur: bes
Blomkooln: bloemkolen
Blomkoolu: bloemkool
Booön: bonen
Booön in tomatusowsu: bonen in tomatensaus
Booönu: boon
Braambijurs: braambessen
Brokolie: broccoli
Daaduls: dadels
Ditn en datn: dadels
Druuvn: druiven
Druuvu: druif
Druuvutju: druifje
Erweetn: erwten
Erweetu: erwt
Fiegn: vijgen
Fiegn agtr poösjhn: vijgen na Pasen
Fiegu: vijg
Fiegublat: vijgenblad
Fieguboom: vijgenboom
Frambooözu: framboos
Freezn of friïzn: aardbeien
Fruut: fruit
Groëenu koolu: groene kool
Groeënsul(s): groente(n)
Jantju rut: worm in appel of peer
Kapurtjus: kappertjes
Keeëstu: pit (van een vrucht)
Keëzn: kersen
Keëzu: kers
Kiewie: kiwi
Kleemantien: clementines
Knolsildrieë: knolselder
Koerzjitu: courgette
Kokosneutu: kokosnoot
Kools: kolen
Koönservn: conserven
Komkomur(s): komkommer(s)
Krieëkn: krieken
Krop salaa: krop salade
Limoeën: limoen
Look: knoflook
Majies: maïs
Mandarienu: mandarijn
Muloeënu: meloen
Niktarienu: nectarine
Neutu: noot
Olievn: olijven
Olievu: olijf
Oguurkn: augurken
Oobirzjienu: aubergine
Padustoeln: paddestoelen
Paprieka: paprika
Patatn: aardappelen
Peërn: peren
Peëru: peer
Peëruloöru: perelaar
Pisjn: perziken
Pisju: perzik
Pompoeën: pompoenen
Pompoeënu: pompoen
Pompulmoeëzu: pompelmoes
Pret: prei
Pruumn: pruimen
Pruumu: pruim
Purselu: peterselie
Raapu: raap
Radiezu: radijs
Robarbu : rabarber
Roo beeëtn: rode bieten
Rooökoolu: rode kool
Rooökools: rode kolen
Rozienu: rozijn
Salaa: sla, salade
Savoojkoolu: savooikool
Seenapul: sinaasappel
Seenapulpeelu: sinaasappelschil
Seenapulzop: sinaasappelsap
Sietroeën : citroenen
Sietroeënu : citroen
Sietroeënuzop : citroensap
Sildrieë: selder
Sjalotu: sjalot
Sjampienjongs: champignons
Sjhorsuneeëln: schorseneren
Sjiekongs: witloof
Sniebooön: snijbonen
Sniebooönu : snijboon
Spienoözju: spinazie
Spruutn: spruiten
Steekubijur: stekelbes, kruisbes
Suüfurblomu: zwavelbloem
Tomatn: tomaten
Tomatu: tomaat
Tusjhunterwu: maïs
Tuutufruut: mengeling van gedroogde groenten
U staalu pret: een bundel prei
Venkul: venkel
Ves: vers
Vesjgeit: versheid
Witloof: witloof
Witu booön: witte bonen
Woöturkers: waterkers
Workul: wortel
Zjunievurs: jenevers
Zo plat lik u fiegu: zo plat als een vijg

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 17: Dranken Dronkenschap

Alkol: alcohol
Akolgubruuk: alcoholgebruik
Alkolmisbruuk: alcoholmisbruik
Alkolvrie: alcoholvrij
Alkolvurslaaviengu: alcoholverslaving
An du toog ang: aan de toog hangen
Avukoöt: advokaat (drank)
Baarkruku: barkruk
Bak bieër: bak bier
Busjwipst: lichtjes dronken
Biedong: bidon
Bieër: bier
Bieër uut du flesjhu : bier uit de fles
Bieër van tvat: bier getapt uit vat
Bieër van du streeku: streekbier
Bieërbuuk: bierbuik
Bieërflesjhu: bierfles
Bieërkroönu: tapkraan
Bieêrsjhuum: bierschuim
Bieërtunu: bierton
Bieërvurbruuk: bierverbruik
Bluuvnang: lang in een café blijven in plaats van huiswaarts te keren
Boemuln: boemelen, van het ene café naar het andere
Botul: fles
Botuln: bottelen, vullen van fles
Bronwoötur: bronwater
Buneevult: beneveld
Buturmeëk: botermelk
Buzoopn: bezopen
Deekanteern: rode wijn van bezinksel scheiden door overgieten in karaf    Fr décanter
Deur du neuzu zien: zat zijn
Deur du noeënu voln: blijven plakken over de middag
Diezjistief: spijsverteringsbevorderend drankje                 Fr digestif
Djien: gin
Drankgubruuk: drankgebruik
Drankmisbruuk: drankmisbruik
Dranksju: drankje
Drienkn: drinken
Drienk(u)busu: drinkbus
Drienkwoötur: drinkwater
Droenku: dronken, zat
Droenku guzijt is nugtur gupijst: dronken gezeid is nuchter gepeinsd
Du zoeëtu niïnvol: de zoete inval
Dust: dorst
Flambeern: ontbranden van sterke dranken voor afwerking van bepaalde gerechten     Fr flamber
Flasjhu of flesjhu: fles
Flesjhu wien (u): een fles wijn
Fluutjusbieër: bier van slechte kwaliteit
Fruutsap: fruitsap
Gesturt: gemorst
Gin dust: geen dorst
Gistiengu: gisting
Goerdu: drinkbus                Fr gourde
Groötu dust: grote dorst
Hopu: hop
I ju leëzu gieëtn: gulzig en veel drinken
Iestee: ijsthee
In du droöj zitn: aan het uitgaan zijn
Int zop zitn: bezig zijn met zich te bedrinken
Joegoert: yoghurt
Kafju: koffie
Kamielutee: kamillethee
Kantienu: kantine
Kloöru wien sjhienkun: klare wijn schenken, duidelijke taal spreken
Korksmaaku: kurksmaak (van wijn)
Kortndrank: sterke drank
Kriku: zwaar bedronken
Kroöntjuswoötur: kraantjeswater
Lampetn: zwaar drinken
Leeggoeët: leeggoed
Liekeuru: likeur
Liemonatju: limonadetje
Moeëtn bloözun: moeten blazen (bij alhocoholcontrole)
Nie mi weetn van wufur progju daj ziet: erg dronken zijn
Nie mir op ju beeën kun stoön: niet meer op zijn benen kunnen staan van dronkenschap
Nis bluuvn plakn: hij is (te) lang op café gebleven
Nis boovn zu teewoötru: hij is boven zijn theewater, hij heeft te veel gedronken
Oendur iïnvloeët: bewegingen en handelingen beïnvloed door drankgebruik
Oendrienkboör: ondrinkbaar
Pekur: iemand die graag lang in de cafés blijft hangen
Pekn: blijven hangen in café
Piels: pils
Pientu of Pientju: pint
Pilil: pale ale
Plat woötur: plat water, niet bruisend
Poepuloeëru: verschrikkelijk dronken
Poestur: cognac in een tas koffie
Portoo: porto
Promielu: promille (in het bloed)
Pulu: container voor drank
Rusepsju: receptie
Ruum: rum
Santee!: Gezondheid!                   Fr Santé
Sjambreern: op kamertemperatuur brengen van rode wijn     Fr chambrer
Sjampanju: champagne
Sjheel van du dust: scheel van de dorst
Sjhuum: schuim (op een pint)
Sjoklakafju: chocomelk
Sjoklameëk: chocolademelk
Sloksju: slokje
Soeboks: bierviltje
Sterku drank: drank met hoog alcoholgehalte
Stoet: stout (bier)
Streekbieër: streekbier
Stroentzat: zeer zat
Stroojn beeën en: strooien benen hebben, moeilijk op zijn benen kunnen staan (door de drank)
Sturtn: morsen
Taafulbieër: tafelbier
Taafulwien: tafelwijn
Tee: thee
Teusju sietru/woötru: een slokje limonade/water
Toernee: rondje
Toernee zjeeneeral: rondje voor iedereen in ’t café
Trapiest: trappist
Trekteern: een rondje geven
Tu dieëpu int glas kiekn: te diep in het glas kijken, te veel drinken
U botul wien: een fles wijn
U fleshu wien: een fles wijn
U koötur en: een kater hebben
U pientu tapn: een pint tappen
U pientju up en: een pint op hebben, iets gedronken hebben
U staptju in du weërelt zetn: eens goed uitgaan
U stik i ju klooötn: zat zijn
U stik i ju kraagen: zat zijn, een stuk in zijn kraag hebben
U vlamunt stik i ju voeëtn en: een vlammend stuk in je voeten hebben
U vliegu in ju noogn: te veel gedronken hebben
Utwieën oendur taaful drienkn: iemand onder tafel drinken, dronken voeren
Uutdrienkn: uitdrinken
Uutkriegn: uitkrijgen
Uutsjhienkn: uitschenken
Uutzuupn: uitzuipen
Votka: vodka
Vuldoeën: vol doen
Vulgietn: vol gieten
Vulsjhienkun: vol schenken
Vurfrisjhiengu: verfrissing
Vurgeevn van du dust: heel grote dorst
Wieskie: whisky
Woötur bie du wien doeën: water bij de wijn doen
Woöturtju: een glas water
Wien: wijn
Woö datu brouwur is, moet du bakur nie zien: iemand die drinkt moet niet eten
Zjatu kafju (u): een tas koffie
Zjunievur: jenever
Zo droenku lik u kanong: zo zat als een kanon
Zuupn: zuipen
Zuupn lik u tempulier: overmatig drinken

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 16: Relaties Verwijten tussen personen eventueel met geweld

Aaän zu flasjhu: hij heeft het zitten
Aaänveërtboör: aanvaardbaar
Aaänroön: aanraden
Aaänsluutiengu: aansluiting

Agtur tgat klapn: roddelen
Agturaaln: achterhalen
Akooört: akkoord
Akuwerie: ruzie
Al moestn du kroöjn tuutbriengn: de waarheid komt wel ooit aan het licht
Alu bitjus eëpn: hoe klein ook het voordeel, het helpt vooruit
Aleeënu: alleen
Altroösju: ontroering
Altugoöru: allemaal samen
Ambras zoekn: ruzie zoeken
Ambrasseerun: omhelzen
Ambuteerun: lastig vallen      Fr embêter
An du lisu loopn: aan de leiband lopen, niet zelfstandig een beslissing kunnen nemen, maar het laten afhangen van een ander
Andunoölsbrieng: kapot maken
Andrieng: aandringen
Anduudn: aanduiden
Aniemoösju: animatie
Antoedn: onthouden
Art teegn oeënzogtu: hard tegen hard
Babultju (u) sloan: een babbeltje slaan
Baturn: vechten
Beetur u goeju gubeur dan u veru vrieënd: beter een goeie buur dan een verre vriend
Bie du buk doeën: bedriegen
Bie du buk guzet wordn: bedrogen worden
Bie zu pietju pakn: beetnemen
Biedroöjn: bijdraaien
Biejeeënbrieng: bijeenbrengen
Biejeeëndrievn: bijeendrijven
Biejeeënoedn: bijeenhouden
Biejeeënraapn: bijeenrapen
Biejeeënkomn: bijeenkomen
Biejeeënzoekn: bijeenzoeken
Biekomn: bijkomen
Bielegn: bijleggen (een ruzie)
Biezien: bijzijn
Binloötn: binnenlaten
Blamot gusleegn: murw geslagen
Boeërubudrog: boerenbedrog
Boeëzumvrieënd: boezemvriend
Boent: bond
Boovnoörms: bovenarms (ruzie)
Boözug: bazig
Budroogn wordn datu doom uut ju nooörn komt: bedrogen worden dat de damp uit je oren komt
Bugleidn: begeleiden
Bugleidiengu: begeleiding
Bugoestn: goesting doen krijgen
Bugroeëtn: begroeten
Bukentmaakiengu: bekendmaking
Bukentunisu: bekentenis
Bukomn: bekomen (van een hevige emotie)
Bukrooöniengu: bekroning
Bukukuln: verwennen
Buloeërn: beloeren
Buloftu: belofte
Bulooöniengu: beloning
Buluusturn: beluisteren
Bumiduln: bemiddelen
Bumoejn: bemoeien
Bunoödeeëln: benadelen
Bunoödriengu: benadering
Bunoödurn: benaderen
Buooördeeëliengu: beoordeling
Buooördeeëln: beoordelen
Burispiengu: berisping
Busjheetn komisju: iets wat je niet graag doet maar waarvoor men je in ‘t gat gestoken heeft
Busjhermiengu: bescherming
Busjhutiengu: beschutting
Busluupn: besluipen
Bustriediengu: bestrijding
Butastiengu: betasting
Butoovriengu: betovering
Butrapn: betrappen
Bututuln: in de watten leggen, bederven
Buutnsluutn: buitensluiten
Buutnstoöndur: buitenstaander
Buveilugiengu: beveiliging
Buvolugeit: bevalligheid
Buvooördeeëliengu: bevoordeling
Buzoekeuru: bezoekuur
Buzoekreegliengu: bezoekregeling
Buzoektiet: bezoektijd
Buzwoör: bezwaar
Das bie toör gugreepn: dat is bij het haar gegrepen
Deuren: doorhebben
Deurusteekn: verwijten
Deuruvurteln: doorvertellen
Deuruvurbien: doorverbinden
Deurzieën: doorzien
Dinu doeën: flauw doen
Djok (u): een duw, stoot
Droef: stout
Du daavur up ju lief: de daver op het lijf, zeer bang zijn
Du kerku int midn oedn: de kerk in ’t midden houden, bemiddelen
Du nuul van tspil zien: tenslotte het slachtoffer zijn
Du zot oedn met utwieën: iemand voor de gek houden
Duts: slachtoffer, benadeelde
Dwieng: dwingen
Eekulen anutwieën: een hekel aan iemand hebben
Eëk zu goestu: elk zijn goesting
Eësnspoeëliengu: hersenspoeling
Ej gie da guglooft?: hebt gij dat geloofd?
Eën gie gulooft dadu? En gij gelooft dat?
Ertulik: hartelijkFarsu: grap
Feezln: vezelen, fluisteren
Fiegn agtur poösjhun: vijgen na Pasen, iets wat te laat komt
Flak in zu noönzigtu: vlak in zijn gezicht
Gin klooötn weërt zien: voor niets deugen
Go vors: ga weg
Got magt weetn: niemand zal het ooit weten
Gotvurmielu djuu: vloek
Greëtn: de zot houden, uitlachen, spotten
Guburtu: gebuurte
Gunaakn: aanraken
Guriengult: om de tuin geleid, geklopt in een rechtstreeks duel (vb bij voetbal)
Gutoesjeert: geraaktIn kwestju zien: ruzie hebben
In kenisu zien: vrijen, iemand leren kennen
In stokn komn: ruzie krijgen
In toendurstu sjhof lign: in de onderste lade liggen, zegt men van iemand die niet bemind/gerespecteerd wordt
In utwieën zu raapn gusjheetn en: iemand kwaad op jou gemaakt hebben
In zu raapn gusjheetn: een slechte beurt maken
Jeun: gunnenJu duumtju driïn vetn: leedvermaak hebben
Ju ka su kusun: je kunt mijn kl.... kussen
Ju manieërn oedn: je goed gedragen
Ju moet dovooörn van u peërd geetn en: je moet daar zot voor zijn
Ju moe froöj zien: je moet braaf zijn
Ju moe ju muulu oedn: je moet je mond houden
Ju noarienk brat nie: je haring braadt niet, je krijgt niet gedaan wat je wenst
Ju zie gie zeekru up ju kop gustuukt?: jij bent zeker gek geworden?
Kadoo en kadootju: geschenk en geschenkje
Kapootu: condoom
Katju mien, katju weeru: weervraak, oog om oog, tand om tand
Katjuporu: lichte duw of tik
Katenoent: kat en hond, die steeds ruzie maken
Kbraakn vaju: ik heb genoeg van je
Kbraakn vaju muulu tu zieën: ik wil je niet zo vaak meer zien
Kekgoöjn: giechelen, zotte praat verkopen
Ken dromu gudoön: ik heb het opzettelijk gedaan
Kendur nie omu gudoön: ik deed het niet opzettelijk
Kent a mu rekul: ik heb pech, het lot valt op mij
Keunuklooötn: klungelen, knoeien, prutsen, vitten
Klaagurs eën gin nooöt mo gift du bofurs u brooöt: klagers hebben geen nood maar geef de stoefers een brood
Klintjus zien nie gumakt om in du grooöte under gat tu kiekn: kleine mensen spelen ook een rol en zijn niet onderdanig
Klooötn: kloten, pesten, plagen
Kgloovn da nie: ik geloof dat niet
Kmeugn ier dooötvoln ot gi woar is: ik mag hier doodvallen als ik lieg
Knegtubraku: meisje dat zot is van de jongens
Koentukraafs: tegendraads
Koetnaaänsju: gesprek
Komeern: roddelen
Komeeruklaps: praat van een roddelaar(ster)
Kompanieë: gezelschap            Fr  compagnie
Kompasju en: medelijden hebben                       Fr compassion
Kompensoösju: tegenprestatie            Fr compensation
Kul: zever
Kust mu botn: kust mijn kl…. wat je doet of zegt interesseert me niet
Kwoöt spreekn: roddelen
Kzien da braakndu beu: ik ben dat erg beu
Let mor up datur nieëtnt teegn ju kop woöjt: pas maar op dat er niets tegen jouw hoofd waait, zegt men tegen iemand die te zot of
          uitbundig doet
Lieëgn dajt zeëvu glooft: zeer hard liegen
Litkoörtu: lidkaart
Lop no du moönu: loop naar de maan
Mangkieërn: ontbreken                              Fr manquer
Mangkument: wat ontbreekt                        Fr manquement
Medulankgat: tegen de zin
Meeluusturn: meeluisteren
Meemaakn: meemaken
Met du groovu bustul durdeuru goön: zeer grondig opkuisen
Met du poepurs zitn: angst hebben
Misjeun: misgunnen
Misvurstoön: misverstaan
Miszieën: miszien
Moeëdurtjusdag: moederdag
Moeëtn: moeten
Moötugun: matigen
Moptju: mop, grap

Mu nooörn eën gutuut: mijn oren hebben getuit, er werd over mij gesproken, meestal kwaad
Mukoör (me): met elkaar
Muulupeëru: muilpeer, oorveeg
Net em of eur iïnguzwoögn: hij loopt hoog op met hem of haar
Net u piek up mu: hij heeft iets tegen mij
Nie koentroörju zien: best meevallen                   Fr contraire
Nieëtn of nieks tu pieëpn en: niets te zeggen hebben
Nis/zis nie op zu/eur muulutju guvoln: hij of zij heeft altijd een antwoord klaar
Noar in du butur (u): een haar in de boterNondudjuu: vloek                                            Fr nom de dieu
Nu mieëk vaaän zu neuzu: hij reclameerde
Oedjantgas: houd je klaar, er komt iets op je af
Oedu ki ju klepu: houd eens je mond
Oedu ki ju kwebul: houd eens je mond
Oedu ki ju moent: hou eens je mond
Oedu ki ju muulu: hou eens je mond
Oedu koejn uut du gragt aaln: oude koeien uit de sloot halen
Oendurandlieng: onderhandelingen
Oenduroeënsju: onderonsje
Oengurstaakiengu: hongerstaking
Oentkopliengu: ontkoppeling
Oentmoeëtiengu: ontmoeting
Oentwiekn: ontwijken
Oet du zot me ju metu: spot met iemand anders
Ofdwieng: afdwingen
Ofgoön: afgaan, gezichtsverlies lijden
Ofluusturn: afluisteren
Ofmatn: afmatten
Oframuln: aframmelen
Ofreekn: afrekenen
Ofsjhrikn: afschrikken
Ofsloön: afslaan
Ofsnoepn: afsnoepen
Ofspreekn: afspreken
Oftroevn: aftroeven
Ofweërn: afweren
Ofzegn: afzeggen
Okoözjen van u twadu: ergens de kans toe krijgen                     Fr occasion
Omaaliengu: omhaling
Omugoön: omgaan
Oogagtiengu: hoogachting
Oogoedn: hooghouden
Oovurkomstu: bezoek
Op zu steru kriegn: op zijn kop krijgen
Opdriengn: opdringen
Ortn: luisteren
Ort u ki: hoor eens
Osjublieëf: alstublieft
Ovanduln: afhandelen
Ovreeënkomn: overeenkomen
Palufun: in de watten leggen, overdreven troosten, strelen, knuffelen
Peërduvroet: zeer kwaad
Peëruls smietn voe du zwieëns: goede raad geven aan mensen die daar evenwel niets van horen willen
Pies in du wient: beteuterd, bedrogen zonder resultaat
Proöt teegn du vaak: praat tegen de vaak
Ramuliengu: pak slaag, rammeling
Rasiesmu: racisme
Rienguln: beetnemen, ringeloren, de baas over spelen
Riesjhu: risico                         Fr risque
Riesjhieërn: proberen op het gevaar af
Riesjhieërluk: risicovol
Ripuutoösju: goede naam                Fr  réputation
Rukomandee: aangetekende zending               Fr recommandé
Ruloösju: relatie, verhouding
Rutuln: reclameren, van zijn neus maken
Rut(tu)liengu: schelding
Ruuzju maakn: ruziemaken
Saamnwerkiengu: samenwerking
Saluu: groet, gegroet                                         Fr salut
Saluuweerun: groeten                       Fr saluer
Siefa: slag in het gezicht
Sjhein van utwadu lik u noent van zu stroent: iets zorgeloos achterlaten
Sjheër ju weg: maak dat je wegkomt
Sjheëvu sjhatsu rieën: zijn partner bedriegen
Sjheur ju puustu: ga weg
Sjhop i ju nol (u): een trap in jouw achterste
Slag om sliengur: gevecht om elkaar om het even waar te raken
Sneuvu: steek onder water
Spaniengu: spanning
Spekujoodu: spekjood, jood die zich niet aan de Joodse regels houdt
Spuugn: spuwen
Stik stroent (u): misprijzende uitdrukking voor iemand die hooghartig is
Stopt u ki me zaagn: stop eens met zagen
Stribuln: tegenwerken
Tgat sjhooönen: zijn kans zien/hebben
Tgot a ju neuzu zien: reken er maar niet op dat je krijgt wat je wenst
Tietbomu: tijdbom
Tilufong: telefoon
Tis stilu woö dat nooöjt u ki woöjt: het is stil waar het nooit eens waait
Tis u vuul stik stroent: ’t is een hoovaardige
Tis weël bustit: verdiende loon
Tisof: ze zijn uit elkaar
Titsn: plagen
Tnie kun aaln: het niet kunnen halen, niet tegen iemand op kunnen
Toefuliengu: pak slaag
Toeloötiengu: toelating
Toetan: afblaffen
Toet nieët in: er is niets aan
Toopu: samen
Top zu buuk meugn sjhrievn: er niet meer op mogen rekenen
Trekn op utwieën: gelijken op iemand
Troeëtuliengu: rammeling
Trutsuln: treuzelen
Truukn van du fooöru: listen van de foor
Truut in paksjus: zever
Tstoön boomn in du weg: kinderen die niet mogen horen wat volwassenen vertellen
Tugoöru: samen
Tugoöru me mukoör: allemaal tezamen
Tugoörubluuvn: samenblijven
Tugoörudoeën: samendoen
Tugoörukomn: samenkomen
Twistriet: tweestrijd
Tzien klaps teegn du vaak: tevergeefs
Tzotjuutang: het zotje uithangen
U boeër zu kuünstn ofvraagn: uithoren
U breeë rik en: brede rug, veel kunnen verdragen
U keeml sjhieëtn: een fout begaan
U naap sjheërn: slecht varen bij een initiatief
U nertu van koekubrooöd: braaf mens
U niksju en teegn utwieën: iets hebben tegen iemand
U noedu naap muuln leeërn trekn (proberen): een ouder persoon van iets willen overtuigen
U noogsjhu flikn: een oogje trekken
U noör in du butur: er is onenigheid, ruzie
U snak en u beetu kriegn: afgesnauwd worden
U sneuvu geevn: een verdoken opmerking maken
U toengu van lintjus: die veel babbelt
U zaagsju span: zagen
U zwien in du beitn: een haar in de boter
Up u goe blatju stoön bie utwieën: bij iemand op een goed blaadje staan
Upboksun teegn utwieën: met iemand in aanvaring komen
Upitsn: ophitsen
Upsuüfrn: opsolferen, opdringen
Upvang: opvang
Utwadu upsuüfrn: iets opsolferen
Utwieën bie zu pietju en: er iemand inluizen, iemand liggen hebben
Utwieën deuren: iemands bedoelingen doorzien
Utwieën in tgat steekn: iemand doen opdraaien voor een vuile job
Utwieën nog van oör nog van pluumn ken: een persoon absoluut niet kennen
Utwieën roent ju viengur droöjn: iemand beïnvloeden, in je macht hebben
Utwieën teegn zu zjilee trekn: iemand omhelzen
Utwieën u droaj geevn: iemand een slag geven
Utwieën u keunubilu geevn: met je knie tegen zijn dij tikken, wat pijn doet
Utwieën u klooöt oftrekn: iemand bedriegen
Utwieën zu kop ofbietn: brutaal en luid tegen iemand spreken
Utwieën zu kop updroöjn: iemand opstoken
Utwieën zu toengu peeln: iemand uitvragen tot hij/zij alles vertelt
Utwoö gin keuru van en: ergens geen kans toe hebben
Uutbastiengu: uitbarsting
Uutlachn: uitlachen
Uutooörn: uithoren
Uutsjhieëtn: plots al scheldend reageren
Uutsjhietn: iemand uitmaken
Va ju neuzu maakn: reclameren
Vaagu: oorveeg, mep
Van koo guboörn: doen alsof je niets gehoord of gezien hebt
Van u sjheetu u dundurslag maakn: een kleinigheid opblazen tot iets ergs
Veesloörs zien leugnoörs: wie vezelt, liegt
Vegtpartieë: vechtpartij
Veelugooört: veelgehoord
Veeluguvraagt: veelgevraagd
Veugulvrie: vogelvrij
Vieëriengu: viering
Vloekn: vloeken
Voe wieën su nilugun: in wiens voordeel
Voetju lapn: pootje lappen
Voetsululpu: voedselhulp
Voetsulvorzieëniengu: voedselvoorziening
Volsjheit: valsheid
Voödurtjusdag: vaderdag
Voöksmoent: volksmond
Voöksuproeër: volksoproer
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vrieloötn: vrijlaten, vrijheid teruggeven
Vrieviengu: wrijving
Vrimdu goön: zijn partner bedriegen, seks bedrijven met een andere partner
Vuragtiengu: verachting
Vurdeediegiengu: verdediging
Vurdistruuweerun: kapot maken, vernietigen
Vureinugiengu: vereniging
Vurgeeviengu: vergeving
Vurgifunisu: vergiffenis
Vurgisiengu: vergissing
Vurgoödurzaalu: vergaderzaal
Vurgoöriengu: vergadering
Vurgoörn: bijeenkomen van personen
Vurjoördagsfeeësju: verjaardagsfeestje
Vurjoördagskadoo: verjaardagsgeschenk
Vurjoördagskoörtu: verjaardagskaart
Vurjoördagstoartu: verjaardagstaart
Vurjoörn: verjaren
Vurkent: herkend
Vurkriegn: verkrijgen
Vurmomiengu: vermomming
Vurnestuln: in de war brengen
Vurniengt: vergif
Vuroentsjhuldugieng: verontschuldigingen
Vurofgoodiengu: verafgoding
Vurooördeeëliengu: afkeuring
Vurpligtieng: verplichtingen
Vurpligtiengu: verplichting
Vursmooörn: moord door verdrinking
Vurstandug: verstandig
Vurstant: verstand
Vurstantoediengu: verstandhouding
Vurtrouwulienk: vertrouweling
Vurveeliengu: verveling
Vurvrimdn: vervreemden
Vurvrimdiengu: vervreemding
Vurweënsjhieng: verwensingen
Vurweënsjhun: verwensen
Vurwiet: verwijt
Vurwietn: verwijten
Vurwitugiengu: verwittiging
Vurwitugun: verwittigen
Vurwoörlooöziengu: verwaarlozing
Vurwoörlooözn: verwaarlozen
Vurzeurn: verzuren
Vurzoeën: verzoenen
Vurzoeëniengu: verzoening
Weëlbustit: verdiende loon
Weggujoogn: weggejaagd
Wieën draagtrier du broek: wie is er baas in dit gezin
Woötur en vieër: water en vuur: niet bij elkaar passende naturen
Zaagt u ki nie: zaag eens niet
Ze veelu kak an eur gat: ze is hoogmoedig
Zeëfvurdeediegiengu: zelfverdediging
Zeim an utwieën zu gat smeërn: zeem aan iemand’s gat smeren
Zet u muulu van lintjus: zij is een babbelkous
Zu kak inoedn: niets willen of durven doen of zeggen
Zu karu keërn: zijn houding wijzigen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 15 Beweging Handelingen

Aänsjhuuvn: aanschuiven
Afuseern: goed vooruitgaan
Agtruut: achteruit
Agtruut goön: achteruit gaan
Agturdoeën: nadoen
Agtur(gu)loop: naloop, moeite nadien
Agturloopn: nalopen
Aguntur: naar daar
Ajaagn: haasten, opjagen
Aksju: actie
Ali voruut: allez vooruit
Anang: aanhangen
Anbrieng: aanbrengen
An du nols brieng: kapot maken
Ankomn: aankomen
Ankomstu: aankomst
Bagoözju: bagage
Bagoözjukluuzu: bagagekluis
Bieng: binden
Biesprieng: bijspringen
Binaaln: binnenhalen
Binbrieng: binnenbrengen
Binkomn: binnenkomen
Binoedn: binnenhouden
Binustubuutn: binnenste buiten
Boenkn: bonken
Boezjeern: bewegen
Booötreizu: bootreis
Boswanduliengu: boswandeling
Bresu: bres
Bugun: beginnen
Bukiekn: bekijken
Burietboör: berijdbaar
Burieën: berijden
Bustemiengu: bestemming
Bustemulienk: bestemmeling
Bustormiengu: bestorming
Buuklandiengu: buiklanding
Buutngoön: buitengaan
Buutnkomn: buitenkomen
Buutnzetn: buitenzetten
Buweegiengu: beweging
Buzetiengu: bezetting
Buzigtugiengu: bezichtuging
Buzieën: bekijken
Buzu geevn: versnellen, buitengewoon zijn best doen
Dadit gin brooöt: dat eet geen brood, dat is niet dringend
Deemaraazju: versnelling van een voortbewegingstempo      Fr démarrage
Deurkruusjhn: doorkruisen
Deurloopn: doorlopen
Deuru doeën: verdergaan, doorzetten
Deurubreekn: doorbreken
Deurudrievn: doordrijven
Deurudrieng: doordringen
Deurudroajn: doordraaien
Deurudrukn: doordrukken
Deurugeevn: doorgeven
Deurugoön: doorgaan
Deurujaagn: doorjagen
Deurujasn: doorspoelen
Deurukiekn: doorkijken
Deuruknipn: doorknippen
Deurukomn: doorkomen
Deurukriegn: doorkrijgen
Deurukruupn: doorkruipen
Deuruloötn: doorlaten
Deuruloopn: verder lopen
Deurureizn: doorreizen
Deururieën: doorrijden
Deurusnieën: doorsnijden
Deuruspoeëln: doorspoelen
Deurusteekn: doorsteken
Deurustootn: doorstoten
Deurutrekn: doortrekken
Deuruvoeërn: doorvoeren
Deuruvurwiezn: doorverwijzen
Deuruzetn: doorzetten
Deuruzoekn: verder zoeken
Deurzoekn: doorzoeken
Djokn of u djok geevn: duwen
Doeël: doel
Doeën: doen
Dretsn: doelloos rondlopen
Drievn: drijven
Driln: op stap gaan
Droöj: draai
Droöj mo ju karu: ga maar terug, keer maar om
Du pootn vanoendur ju gat loopn: zijn uiterste best doen
Du zulu platloopn: veel op de drempel van hetzelfde huis staan (om iets te bekomen)
Dur vanoendur trekn: weggaan of weglopen
Durnoörtoe: daarnaartoe
Eemul en eërdu vurzetn: alles doen wat mogelijk is
Eevoluusju: evolutie
Flisju: richtingspijl
Frotn: wrijven
Frutn: weglopen
Furuln: doelloos rondlopen
Gartuki: ga eens opzij
Gif mo buzu: ga er maar snel op los
Gif mo goözu: geef maar gas
Gif mo sjetu: ga er maar snel op los
Gïin zitunt gat en: altijd in beweging willen zijn
Gletsn: glijden
Goözu geevun: gas geven, er snel op los gaan
Guglotsn: gegleden
Gukruust: gekruist
Gustoopun: gebukt, gebogen
Gutoogt: getoond
Gugrogt: geraakt, aangekomen
Gupriseert zien: haastig zijn, haast hebben
Ieduln: ledigen, leegmaken
Iïn vieër eën vlamu: in vuur en vlam: erg enthousiast
Iïn vulu galoo ofkomn: in volle vaart
Ikuputjikn (lopen al) …: lopen al hinkend
In troendu: in het rond
Jogn: joggenJu karu droajn: terugkeren
Ju karu keeërn: terugkeren
Ju sjhupu ofkuusjhn: weggaan
Kemu guweërt: ik heb me gehaast, ik heb mijn best gedaan, ik heb goed weerstand geboden
Keeërt u ki weeru: kom eens terug
Kena bugost: ik ben al begonnen
Kgon no mu nest: ik ga slapen
Kloörspeeln: klaarspelen
Kloörstoön: klaarstaan
Komdu ki: kom eens
Komu kik: ik kom
Kruusjhn: kruisen
Kzien a bugun: ik ben al begonnen
Kzien vors: ik ben weg
Landiengu: landing
Lik u pielu uut u boogu: snel vertrekken
Meedrievn: meedrijven
Mee-eëpn: meehelpen
Meegoön: meegaan
Meekriegn: meekrijgen
Meeloopn: meelopen
Meeneemn: meenemen
Meereizn: meereizen
Meerieën: meerijden
Meesleepn: meeslepen
Meevlieëgn: meevliegen
Meewerkn: meewerken
Miegroösju: migratie
Mienguln: mengen
Moöjn: maaien
Moönuraketu: maanraket
Mu goön no verumetjus: we gaan naar niet meegedeelde bestemming
Mu goön u ki goön kiekn  … want mu kunt nie zieën va nieër: wij gaan eens kijken, want we kunnen het niet zien van hieruit
Mu zien sjhampavu: we zijn verdwenen
Noözn: dichterbij komen
Oöstju mo: haast je maar
Oöstug zien; haast hebben
Ofroln: afrollen
Ofsjheurn: afscheuren
Ofsloovn: afsloven
Ofsluutn: afsluiten
Ofsmietn: afwerpen
Ofsnieën: afsnijden
Ofspan: afspannen
Ofsprieng: afspringen
Ofspuitn: afspuiten
Oftrapn: aftrappen
Oftrekn: aftrekken
Ofvaagn: afvegen
Ofvoeërn: afvoeren
Ofzoekn: afzoeken
Ofzoendurn: afzonderen
Omubloözn: omblazen
Omuduwn: omduwen
Omoogusteekn: omhoogsteken

Omukantuln: omkantelen
Omukeeërn: omkeren
Omukloojn: omvervallen
Omurieën: omverrijden
Omutoeër: omweg
Omverurieën: omverrijden
Oopnsloön: openslaan
Oopnsnieën: opensnijden
Oovurbrieng: overbrengen
Oovurentweeru loopn: heen en weer lopen
Opduukn: opduiken
Paseern: voorbijkomen
Proboösju: poging
Regtu vo ju kiekn: recht voor je kijken
Regtudeuru: rechtdoor
Reizu: reis
Riebudubie: weg, vertrokken
Rigtiengu: richting
Robuln: rollen
Roentdeeëln: ronddelen
Roentdraagn: ronddrage
Roentdroöjn: ronddraaien
Roentfureln: doelloos rondlopen
Roentrieësturn: onrustig van het één naar het ander gaan of lopen
Roenttjooln: rondzwerven
Roentwareern: rondlopen
Saluu en du wiend vanagtru: trap het maar af
Sjetu geevn: snel vooruitgaan
Sjhampavu: verdwenen
Sjhartuln: krabben
Sjhievurn: glijden
Sliengurn: slingeren
Sluupn: sluipen
Smeetu: worp
Smietn: smijten
Snuusturn: snuisteren
Spakn: spakken, hinken
Spriengplanku: springplank
Steptju: stapje
Stepunoöf: met haastige tred
Stik mo ju bultu uut: begin maar te werken
Stoempn: duwen
Stoe
mpu: actie van het stoempen
Striewuln: strooien
Stuupn: zich bukken, buigen
Tendunoösum: buiten adem
Tert(u)n (op): trappen op
Tis goe jagt: het gaat vooruit
Tis ieër lik u duuvukot: komen en gaan
Tjakin tjakuut: in alle richtingen, chaotisch
Tjakuut tjakin: in alle richtingen, chaotisch
Tjooln: zwerven, ronddolen
Tleevn is voe du rapu: het leven is aan de durvers
Toepasiengu: toepassing
Toetan: tot aan
Toogn: tonen
Trot: tocht
Tu vieërklowu: rap
Tuusbluuvn: thuisblijven
U boeër zit zo langu nie up zu nofstee: het duurt te lang
U gat in du lugt spriengn: een gat in de lucht springen, enthousiast/blij zijn
U noek ofsteekn: een kortere weg nemen
U steptju in du weërult zetn: uitgaan (op café, ...)
U toertju doeën me ju vieloo: en toertje doen met de fiets
U vroenk dran geevn: omwringen
U wanduliengsju doeën: een wandelingetje doen
Up du karu spriengn: meedoen, deelnemen (aan een project)
Up du nuutkiek stoan: uitkijken
Up eeëtu kooln zitn: op hete kolen zitten, ongeduldig wachten
Up u loptju: haastig
Up zu dooju gumak: op zijn gemak
Upaaln: ophalen
Upbloözn: opblazen
Updrievn: opdrijven
Upplakn: opplakken
U tuksju doeën: een dutje doen
Uutbloözn: uitblazen
Uutdeeëln: uitdelen
Uutdoeën: uitdoen
Uutgank: uitgang
Uutguglotsn: uitgegleden
Uutgletsn: uitglijden
Uutgoön: uitgaan
Uutkipn: uitladen
Uutloötn: uitlaten
Uutoedn: uithouden
Uutspriengn: uitspringen
Uutvaagn: uitvegen
Uutwiezn: uitwijzen
Vaagn: vegen
Van kromu noös guboörn: doen alsof, niet reageren
Van Pieër no Pol guzon wordn: van het kastje naar de muur gezonden worden
Van u noözu gupoept zien: haastig zijn
Vastunaaguln: vastnagelen
Verdurgoön: verdergaan, vooruitgaan
Vietisupilu: pil om een beweging of een actie te doen versnellen
Voöksvuruuziengu: volksverhuizing
Voögn: volgen
Vooörndoeën: voordoen
Vooörngoön: voorgaan
Vooörnsteekn: voorsteken
Vorsdoeën: verder doen
Vorsgoön: weggaan, verdergaan
Voruut: vooruit
Voruutduwn: vooruitduwen
Voruutgank: vooruitgang
Voruutgoan: vooruitgaan
Voruutsteekn: vooruitsteken
Vruuzn: verhuizen
Vulpompn: volpompen
Vurbiegoan: voorbijgaan
Vurbiekomn: voorbijkomen
Vurbieloopn: voorbijlopen
Vurbiesteekn: voorbijsteken
Vurdapurn: sneller gaan
Vurdigtn: verdichten, naderen
Vurdooln verdwalen
Vurdwien: verdwijnen
Vurguniengu: vergunning
Vurkeniengu: verkenning
Vurkoop: verkoop
Vurloötn: verlaten
Vurplatsn: verplaatsen
Vursjhafn: verschaffen
Vursjhuuvn: verschuiven
Vursleepn: verslepen
Vursneliengu: versnelling
Vurtraagiengu: vertraging
Vurvoeër: vervoer
Vurvoeërn: vervoeren
Wandulienksju: wandelingetje
Wareern: weg en weer gaan, verblijven al spelend, …
Weërju mo: haast je maar, doe maar je best
Weerubrieng: terugbrengen 
Weerugubrogt: teruggebracht
Weeruguvoeng: teruggevonden
Weerukeeërn: terugkeren
Weerukomn: terugkeren
Weeruvieng: terugvinden
Weeruzieën: weerzien
Weg moeëtn: weg moeten, een verplichting hebben
Wegang: weghangen
Wegbloözn: wegblazen
Wegbluuvn: wegblijven
Wegbrieng: wegbrengen
Wegfrutn: weglopen
Wienkulieërn: verschillende winkels bezoeken
Woar istn gublon: waar is hij naartoe
Wupn: wippen
Zeeëru: snel, rap
Zeeëru afuseern: rap vooruitgaan

Zeëfbudieniengu: zelfbediening
Ze gin zitunt gat: ze kan niet blijven zitten
Zil zetn: haast maken
Zu sjhipu ofkuusjhun: zijn schop afkuisen, weggaan
Zuugiengu: zuiging
Zuugn: zuigenZwoajn: zwaaien

                                      


                                            

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 14: Kledij Juwelen Maquillage

Aakn e noogn: haken en ogen
Aaänguklit: aangekleed
Aaängutjootult: raar of slecht aangekleed
Aaänsjhoeë: handschoen
Aaänsjhoen: handschoenen
Agturbeuzu: achterzak
Alpingsju: muts
Alsbant: halsband
Andoeën: aandoen
Ang mo ju paaltoo an du portumaantoo: hang maar je mantel aan de kapstok
Angurtju: hangertje
Anklein: aankleden
Anen: aanhebben
Anpasn: aanpassen
Antasu: handtas
Baretu: baret
Batkostuumu: badpak
Batmutsu: badmuts
Bazasu: rugzak
Biekienie: bikini
Bievakmutsu: bivakmuts
Bijbiedol: babydoll, nachtkleding voor de vrouw, sexy lingerie
Bijbieklirtjus: babykleertjes
Binubeuzu: binnenzak
Binuzak: binnenzak
Blienk: schoensmeer
Bloeëzu: bloes
Bloezong: korte jas       Fr blouson
Boerka: kledingstuk gedragen door Islamitische vrouwen; bedekt heel het lichaam, inclusief gezicht
Boerkienie: boerkini; zwemoutfit dat enkel handen, voeten en gezicht vrijlaat
Boksaaänsjhoeën: bokshandschoenen
Boloeët: bolhoed
Boöj: trui
Botien: hoge schoenen

Botienu: hoge schoen                   Fr  bottine
Braaänzulee of Braaänzjulee: armband
Brijn: breien
Broekbeuzu: zak van de broek
Broeksju: broekje
Broekspuupu: broekspijp
Brosju: speld                      Fr broche
Burgurkleeërn: burgerkleren
Deekoltee: laag uitgesneden halsopening       Fr décolleté
Djieëns: jeans
Djirsee: jersey, katoen of wollen machionaal gefabriceerde stof
Duukpak: duikerspak
Emdu: hemd    =>  u nemdu: een hemd
Falaar: sluier, hoofddoek                Fr foulard
Flieës: fleece, vacht, gebreide en geruwde stofsoort
Frak: jas
Gabardjinu: regenjas in lichte stof    Fr gabardienne
Getn: beenstukken (vroeger van militairen)       Fr guetrons
Goedn ketienk: gouden ketting
Goedn orloozju: gouden uurwerk
Goeduwerk: juwelen, sieraden, goud
Guzigtsmasjhur: gezichtsmasker
Kajuutn: rubberen pantoffels waarin de voeten geweldig zweetten, wat tot zweetvoeten leidde
Kanadjinu: overjas                 Fr canadienne
Kapootu: mantel met kap              Fr capote
Kapu: kap
Kapuusjong: kap vastgemaakt aan de jas        Fr capuchon
Katoeën: katoen
Kazuuvul: kazuifel, mouwloos opperkleed gedragen door de priester als hij de mis opdraagt
Ketienk: ketting
Kiemonoo: kimono; Japans kledingstuk. Losse mantel of japon met wijde mouwen die met een ceintuur wordt dichtgebonden
Kiendurkleeërn: kinderkleding
Klaksju: klakje
Klaku: klak, pet
Kleeën medu laptju: met welke kledij ook, er goed uitzien
Kleeërbustul: kleerborstel
Kleeërn: kleren, kledij
Kleeërn voe du vijlugijt: veiligheidskleding
Kleeërn voe tu feeëstn: feestkleding
Kleeërn voe tu werkn: werkkleing
Kleeërn voer in du vrieju tiet: vrijetijdskleding
Kleeërn voer int guvegt: gevechtskleding
Kleeërn voer uut tu goön; uitgangskleding
Kleeërn voet snagts: nachtkleding
Kloefn: klompen
Knoptju: knoopje
Koentukletsur: pitteleer, lange jas bij feestelijkheden
Koesn: kousen
Koesn die slookurn: kousen die afzakken
Kokmutsu: koksmuts
Kolaän: kousbroek     Fr  collant
Komuuniezong: onderjurk             Fr combinaison
Kopspelu: kopspeld
Korsee: keurslijf                       Fr   corset
Kostuumu: pak
Kotieln broek: fluwelen broek
Kroontju: kroontje
Krosjteern: haken met een haakpen           Fr crochete
Kultun: kleren
Leëzn: laarzen
Linun: linnen
Maaänsjetu: manchet                     Fr manchette
Maaänsjetuknoop: manchetknop
Masjhur: masker
Mieniekienie: minikini
Moentmasjhur: mondmasker
Monokul: oogglas       Fr  monocle
Monookienie: monokini, bikini zonder bovenstuk
Mutsu: muts
Naaldu: naald
Nagtemdu: nachthemd
Neegliezjee: gemakkelijk ochtendgewaad            Fr négligé
Niekam: nikam
Nielong: nylon
Nielongs: nylonkousen
Noeërujaagurtju (u): strikdas, vlinderdasje
Noöt: naad
Noöjmasjien(u): naaimachine
Noöjn: naaien
Nunukleeërn: religieuze kleding van een non
Oarmbant: armband
Oeët: hoed     => Noeët (u): een hoed
Oeëwu zieëju gie doö nu aangutjootult?:Hoe ben jij nu aangekleed?

Oendurbroek: onderbroek
Oendurgoeët: ondergoed
Oendurlief: onderhemd
Oeërujaagurtju: strikje
Oendurlievutju: onderhemdje
Oogsjhaduw: oogschaduw
Ooörbelu: oorbel
Ooörrieng: oorbellen
Ooörrienk: oorbel
Oovral: overall
Oovurgoojur: overgooier, wijde mouwloze jurk zonder taille die over het hoofd wordt aangetrokken
Orlogu: uurwerk
Orloozjubantju: uurwerkbandje
Paltoo: mantel, overjas                     Fr paletot
Pardusuu: mantel                      Fr pardessus
Pasturkleeërn : religieuze kleding van priester
Peërul : parel
Pelsun frak: pelsmantel
Piekubestu  => up zu piekubestu guklit zien: piekfijn gekleed zijn
Piewantn: wanten
Pinwaar: ochtendjas meestal gedragen bij het opstaan en vóór het slapengaan       Fr  peignoir
Pirmanaäntu: haargolf blijvend     Fr   permanent
Plastrong: das                    Fr plastron
Ponsjoo: poncho, van origine Zuid-Amerikaans kledingstuk, rechthoekige doek met in het midden een gat om het hoofd door te steken
Poönu: fluweel
Pulumutsu: puntmuts
Reegnkaptju: regenkapje
Reegnmantul: regenmantel
Rieëmtju: riempje
Rieëmu: riem
Riekooördu: schoenveter
Rieleëzun: rijlaarzen
Rowkleeërn: rouwkleding
Sandaaln: sandalen
Sandaalu: sandaal
Satien: satijn
Savatn: pantoffels
Senteuru: riem             Fr ceinture
Sjakosju: handtas            Fr sacoche
Sjarpu: sjerp                                  Fr écharpe
Sjetu: sajette, wol
Sjhabu: schort
Sjhortu: schort
Sjort: short
Slepu: hemd     =>    in zu slepn roentloopn: rondlopen zonder broek, in zijn hemd
Sletsn of Slufurs: pantoffels
Sliep: onderbroek
Slieptju: slipje
Smookieng: smoking
Snelzeikr: open vrouwenbroek
Soetjeën: bustenhouder         Fr soutien
Soetoönu: soutane, onderdeel priesterkleding
Stofu: stof
Streksju: strikje
Striekiezur: strijkijzer
Striekn: strijken
Strieng: string, soort onderbroek of zwembroekje dat schaamstreek bedekt en verder bestaat uit een touwtje of smal stukje stof om het middel en door de bilspleet
Taal a ju gat ang: al je geld uitgeven aan kledij
Talongs: hoge hakken                       Fr talon
Tanga : tanga, damesslip
Tieritu: rits                   Fr tirette
Toepet: haarstukje    Fr toupet
Tooga : toga, kledij van de rechter
Turnslufurs: turnpantoffels
Tuulu: mazenweefsel (doorzichtig)
U boöj brijn: een trui breien
Upgutietumatoojt: opgemaakt/opgezet
Uunieformu: uniform
Uutloötn: uitlaten, vergroten of verlengen van kleding
Uutrustiengu: uitrusting
Uutstriekn: uitstrijken
Veln mantul: bontjas
Vestubeuzu: zak van de jas
Viengurrienk: vingerring
Vlindurdasju: vlinderdasje, hoerenjagertje
Vrowukleeërn: vrouwenkleren
Vuliengu: (op)vulsel
Vurklindurn: verkleinen, inpakken
Vursjhooön: verschonen, verversen (baby)
Wienturkleeërn: winterkleren
Wulu: wol
Wuuvukleeërn: vrouwenkleren
Zeulu: zool  (van u sjhoeë: van een schoen)
Ziedu: zijde
Zilvurn ketienk: zilveren ketting
Zilvurn orloozju: zilveren uurwerk
Zjartiln: jarretellen, onderdeel van het damesondergoed ter voorkoming van het afzakken van de kous
Zjielee: vest                        Fr  gilet
Zokn: sokken
Zoksju: sokje
Zoomurkleeërn: zomerkleren
Zunuklaksju: zonnepetje
Zuutwestur: zuidwester, hoofddeksel gedragen door zeevaarders


Lipustiftu: lippenstift
Makiejoözju: make-up                                Fr  maquillage
Misaaänplie:
Oogsjhaaduw: oogschaduw
Pirmanaantu:

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 13: Geld Financies

Aalmoeëzu: aalmoes
Aksjus: acties, aandelen
Al slaapundu rieku wordn: al slapend rijk worden, er niets moeten voor doen
Andeeëln: aandelen
Andeeëloedur: aandeelhouder
Bankbieljet: bankbiljet
Bankbrieftju: bankbriefje
Bankgugeim: bankgeheim
Bankkluuzu: bankkluis
Bankkoörtu: bankkaart
Bankleeëniengu: banklening
Bankofsjhriftu: bankafschrift
Bankreekniengu: bankrekening
Bankroeët: bankroet
Banktugoeët: banktegoed
Batju: koopje
Beeteewee: BTW belasting op de toegevoegde waarde
Bendug: zuinig
Beuzu: beurs (instelling en zak)
Biebutaaliengu: bijbetaling
Biedraagu: bijdrage
Bielegn: bijleggen
Biepasn: bijpassen
Bievurdieën: bijverdienen
Bievurdieënstu: bijverdienste
Binbrieng: binnenbrengen (als bijdrage aan gezinskosten, bvb)
Boekoediengu: boekhouding
Boekoedn: boekhouden
Borgsteliengu: borgstelling
Brantkasu: brandkast
Brieftju: briefje (van twintig euro bvb)
Budervn: bederven
Budriefsbulastiengu: bedrijfsbelasting
Bukostugiengu: bekostiging
Bukostugun: bekostigen
Bulastboör: belastbaar
Bulastieng: belastingen
Bulastieng oentduukn: belastingen ontduiken
Bulastiengaängiftu: belastingsaangifte
Bulastiengefiengu: belastingsheffing
Bulastiengoftrek: belastingsaftrek
Bulastiengsjhievu: belastingsschijf
Bulastingsiestiïm: belastingssysteem
Bulastiengvrie: belastingsvrij
Bulegiengu: belegging
Bulegur: belegger
Bulooniengu: beloning
Bumiduln: bemiddelen
Buslaglegiengu: beslaglegging
Buspoöriengu: besparing
Busteediengu: besteding
Butaalboör: betaalbaar
Butaaliengu: betaling
Butaalkoörtu: betaalkaart
Butaaln: betalen
Buzitieng: bezittingen
Buzoldiegiengu: bezoldiging
Dadis giïn gelt: dat is goedkoop
Dieëru: duur
Dieëzn: duurder worden
Dran toesteekn: geld verliezen op een door jou betaalde zaak
Drienkgelt: drinkgeld
Dur gelt uutsloön: winst maken
Dur warmtjus iïn zitn: er warmpjes inzitten, veel geld hebben
Erfunisu: erfenis
Ervn: erven
Fajiet(u): bankroet
Fortuunu: fortuin
Garaaänsju: waarborg
Gasboeëtu: gasboete, opgelegd door de gemeente
Gelt moe roln: geld moet rollen
Gelt rieëkn: geld ruiken, voelen dat er iets te verdienen is
Gelt uut utwieën zu zak klopn: iemand te veel doen betalen
Gelt vurdieën lik sliek: op gemakkelijk manier veel geld verdienen
Gelt vurdoeën: geld uitgeven
Geltzak: rijke
Gin rostu kluutu en: niets bezitten
Gupast gelt: gepast geld
Ienkulgelt: muntstukken, kleingeld
Iepoteeku: hypotheek
Infloösju: inflatieInt zwart werkn: in het zwart werken
Ju gelt plaseern: je geld vastzetten op termijn
Ju gelt vastu zetn: je geld vastzetten
Ju ku gin kei vloön: je kunt niets ontnemen aan iemand die niets heeft
Ju mag ut up ju buuk sjhrievn: je zult nooit betaald worden
Kapietaal: kapitaal
Kasu: kassa
Kiendurgelt: kindergeld
Kluturgelt: kleingeld
Kluutu: tien centiem oud Belgisch geld
Kluuzu: kluis in de bank
Kortiengu: korting, afslagKoruupt zien: korrupt zijn
Krebu bietn: armoe, hongerlijden
Kroozn (va ju gelt): rente
KrotEnKompanjieë: grote armoede
KrotEnOörmoeë: grote armoede
Krotu: armoede
Lamurn: geld geven
Leeëniengu: lening
Leeflooön: leefloon
Leevun van du dis: onderhouden worden door het OCMW
Leevun van zu rentn: leven van de opbrengst van zijn geld
Meeërweërdu: meerwaarde
Met u fursjetu sjhrievn: te veel aanrekenen
Ne gi naagul voe zu gat tu krabuln: hij bezit niets en hij heeft geen geld
Nis me zu gat in du butur guvoln: hij is in een rijke familieterechtgekomen
Nu biet u frang in tweeën: het is een gierigaard
Nu zoet u frang in tweeën bietn: hij is erg gierig
Nu zit op zu geld: hij is gierig
Ofbieën: afbieden
Obliegoösju: obligatie
Oenkostn: onkosten
Ofbutaaln: afbetalen
Ofgusleegn: prijs is verminderd
Ofkortn: een schuld afbetalen
Ofslag: korting
Oftrekn van ju bulastieng: aftrekken van je belastiengen (gedane onkosten, forfait)
Oftrogln: aftroggelen
Ofpriezn: afprijzen
Ofslag: afslag
Oörmoeë: armoede
Oörmoeë troef: daar heerst armoede
Oovursjhot: overschot
Oovursjhrieviengu: overschrijving
Otomoöt: geldautomaat
Parkeerboeëtu: parkeerboete
Parkeergelt: parkeergeld
Poenku: spaargeld (verdoken)
Portufuju: portefeuille
Portumonee: geldbeugel        Fr portemonnaie
Pronostiekn: een pronogstiek invullen
Reeguulariezoösju: regularisatie
Riekdom: rijkdom
Rieku stienkur: rijke stinker/man
Rinuweern: ruineren
Rusuu: ontvangstbewijs        Fr  reçu     
Rutu: blut
Senteuru doeën: de riem toehalen om te besparen                    Fr ceinture
Sentn: centen
Sjhaavurgoeëdiengu: schadevergoeding
Sjhatbuwoördur: schatbewaarder
Sjhatkistu: schatkist
Sjhatrieku: schatrijk
Sjhuldn: schulden
Sjhuldn maakn: schulden maken
Sjhuldn ofbutaaln: schulden afbetalen
Sjik: cheque
Sjikboek: chequeboek
Sliek van deërdu: geld   
Smooörrieku: zeer rijk
Speelsjhuldn: speelschulden
Spoörboeksju: spaarboekje
Spoörgelt: spaargeld
Spoörkasu: spaarkas
Spoörn: sparen
Spoörn voe ju noedun dag: sparen voor de oude dag
Spoörreekniengu: spaarrekening
Sponsurn: sponsteren, steunen met geld
Steeg: stijf
Steeg van ofgoön: gierig zijn
Steeënrieku: steenrijk, zeer rijk
Stortiengu: storting
Suukurtantu: suikertante, rijke tante zonder kinderen
Teëru doeën: verteren, geld uitgeven
Tgelt deur deurun en viïnsturs smietn: geld door deuren en vensters gooien
Tgelt dur deuru jaagn: veel en snel geld uitgeven
Tgelt groejt nie up mu rik: het geld groeit niet op mijn rug, ik ben spaarzaam want ik moet er hard voor werken
Tis eeën me kluutn: één met kluiten, een rijke
Toar zoet deur ju klaku groejn: je geld zou ervan op geraken
Tu nieëtu goön van tgelt: waardevermindering van het geld
Tvolt va nie oogu: het is niet duur
Tzoet up ju patatn nie vurdieën: heel weinig verdienen
U fluutu van u sent: een kleinigheid
U kleeën peënsjoeëntju: een klein pensioen
U kostlik batju: een dure aangelegenheid
U lotju koopn: een lot kopen
U neuroo: een euro
U neezul en die geld sjhiet: over onuitputtelijke geldbron beschikken
U nomaaliengu doeën: geld inzamelen
U zak gelt en: rijk zijn
Up du poef koopn: kopen op afbetaling
Up gin frang/euroo kiekn: het komt niet op een frank/euro
Up ju geld zitn: gierig zijn
Up zwart zoöt zitn: op zwart zaad zitten, geen financiële mogelijkheden meer hebben
Upbrieng: opbrengen
Upbriengstu vaju gelt: opbrengst, rente
Upslag: opslag
Uutspoörn: uitsparen
Vakaaänsugelt: vakantiegeld
Van zu gelt klapn lik u boer van zu kleeënu patatjus: van zijn geld spreken zoals een boer van zijn kleine aardappelen
Voe gin gelt van du weeërult: voor geen geld van de wereld, wat je ook mag bieden
Voe tzeëfstu gelt: voor hetzelfde geld
Vraagn kost giïn gelt: vragen kost geen geld, toch vragen als er weinig kans op slagen is
Vraagpries: vraagprijs
Vrie van taks: vrij van belastingen
Vurdieën: verdienen
Vurdieënstu: verdienste
Vureurn: verhuren
Voöksupvoeëdiengu: volksopvoeding
Voe nietn: gratis, kosteloos
Voer u napul en u nei: zeer goedkoop
Vooördeeël: voordeel
Vooördeeëlug: voordelig
Vooörnsjhieëtn: voorschieten
Vooörsjhot: voorschot
Vurdoeën: uitgegeven => aal zu gelt vurdoëen aaän snoep
Vurgoeëdiengu: vergoeding
Vurkoopupbriengstu: verkoopopbrengst
Vurkwistiengu: verkwisting
Vurlieës: verlies
Vurlieëzn: verliezen
Vurigtiengu: verrichting (op bankrekening)
Vuriekn: verrijken
Vurspiliengu: verspilling
Wediengu: wedding
Wedn: wedden
Witwasjhun: witwassen
Woekurn: te veel geld vragen
Woekurpries: veel te hoge prijs
Woekurwiïnstu: woekerwinst, te veel verschil tussen waarde en gevraagde prijs
Woörborgu: waarborg
Zo rieku of datu zeeë diepu is: zo rijk als de zee diep is, zeer rijk
Zo woörmu lik djop: zo arm als job, zeer arm
Zoöjn no du zak: de tering naar de nering zetten
Zu broek draän sjheurn: zijn broek eraan scheuren, verlies lijden
Zu gelt dur deurujasn: snel veel geld uitgeven
Zu gelt plaseerun: zijn geld vastzetten, investeren, plaatsen
Zu gelt zit in u koesu: hij heeft geen vertrouwen in de banken
Zu slepn draan sjheurn: verlies lijden bij een zaak
Zwart geld: niet aangegeven geld
Zwem int gelt: rijk zijn

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 12: Gemoedstoestand Gevoelens

Aänjaagn: zich fel haasten
Agturdogtug: achterdochtig
Agturloop: veel moeite
Alturoösju: ontroering
Ambjaaänsu: stemming                        Fr ambiance
Andagtug: aandachtig
Ankurn: hevig verlangen
Barmertug: barmhartig
Bendig: nieuwgierig, hevig naar iets uitkijkend
Beu lik koedu pap: iets zeer beu zijn
Biebudoeëliengu: bijbedoeling
Bleëtn: wenen
Bliedu of blieë: blij
Blietsjhap: blijdschap
Bliekboör: blijkbaar
Bloeëtstolunt: bloedstollend
Braavu zien: braaf zijn
Brimstug: geil, bronstig
Budoeëliengu: bedoeling
Budoeëln: bedoelen
Budwieng: bedwingen
Bugoeftu: behoefte
Bukn: koppig zijn
Bukomuriengu: bekommering
Bukooöriengu: bekoring
Bukrompn: bekrompen
Bulachuluk: belachelijk
Bulang: belang
Bulangsteliengu: belangstelling
Buleedugt: beledigd
Buleeëriengu: belering
Bulemuriengu: belemmering
Buletsul: beletsel
Bumoeëdurn: bemoederen
Bunowt zien: bang zijn
Buproeviengu: beproeving
Burustiengu: berusting
Busjhaamt zien: beschaamd zijn
Busjhijdun: bescheiden
Busjhowiengu: beschouwing
Buwoöjt: scheel van de goesting (naar eten)
Da werkt op mu zilmus: dat werkt op mijn zenuwen
Dankboör: dankbaar
Deegoe: afkeer          Fr dégoût
Deeliekoöt: delikaat             Fr délicat
Dinu doeën: er niet goed van zijn
Dragtur kun sjhuufuln: erachter mogen fluiten, iets niet krijgen
Droomweirult: droomwereld
Drukdoeëndurieë: drukdoenderij
Du kituls en: gevoelig voor kriebels
Du krul kriegn: zeer hard op de zenuwen gewerkt
Dul zien: kwaad zijn
Dur geërn bie zien: er graag bij zijn
Dur me ju klaku noö sloön: op goed geluk polsen of raden
Dur nie goeët vaän zien: er niet goed van zijn
Dur tertu van iïnzien: er het hart van in zijn
Durbie kwieëln: erbij kwijlen
Durvan braakn of spuugn: er genoeg van hebben
Eeënzaam: eenzaam
Eëk weërt em: iedereen doet zijn best
Eëk zu goestu: ieder zijn wil, zijn goesting
Eemulstuvroet: zeer kwaad
Eeërlik zien: eerlijk zijn
Enuvleis: kippenvel (rilling van ontroering, van ‘t verschieten)
Ertulik: hartelijk
Espres: opzettelijk                    Fr exprès
Foeëln: voelen
Froöj zien: braaf zijn
Gamuuzeert: geamuseerd
Gintriseert: geïnteresseerd
Goestu: goesting     
Goestu en: goesting hebben
Groeën van zjaloezieë: groen van jaloezie
Guboöriengu: doen alsof, iets gebaren, veinzen
Guboejt: geboeid
Gubrookn: gebroken
Gukwetst: gekwetst
Gulukug zien: gelukkig zijn
Guneërn: amuseren
Guwoöru wordn: gewaarworden
I ju gat gubeetn zien: verbolgen zijn over iets
In du duuk: stiekem
In u vroedu koleeru sjhieëtn: koleriek reageren
In zu broek doeën: bang zijn
Intoesjast: enthousiast
Jankn: huilen als een hond
Jeun: genieten
Ju juünstu toogn: tonen dat je iets wil doen
Ju karu keeërn: van mening veranderen
Ju kasu upfretn: zich vervelen, ongeduldig zijn
Ju kazaku droöjn: van gedacht veranderen, overlopen
Ju kluts kwiet zien: van niets meer weten
Kaan al bunowt da: ik was al bang dat
Kajietn: uitschreeuwen van de pijn
Kalmtu: kalmte
Kalmu: kalm
Kanuguluk: geluk dat er voor jou nog wat overgebleven is
Ken dur gunoeg van: ik heb er genoeg van
Ken dur mu klaku vaan vul: ik heb er genoeg van
Ken dur mu kot in: ik geniet ervan
Kgo no mu kip: ik ga slapen
Koeroözju: moed          Fr courage
Kompasju: medelijden
Kontent zien: tevreden zijn                     Fr content
Kontentument: tevredenheid, voldoening           Fr contentement
Koönfjeënsju: vertrouwen   Fr confiance
Koönfort: comfort                    Fr confort
Kopug: koppig
Kriegn dur kieëkuvel van: ik krijg er kippenvel van
Kriesjhn: wenen
Ksien dul: ik ben kwaad
Kurjeus: nieuwsgierig              Fr curieux
Kurjeuzuneuzn en vraagsteërtn: nieuwsgierig zijn
Kurjeuzuteit: nieuwsgierigheid
Kutent: content, tevreden
Kuumn: niets zeggen
Kvoeëln muniegoeët: ik voel me niet goed
Kwetsboör: kwetsbaar
Kwieln: kwijlen
Kwitzoendur of: ik ben benieuwd of
Kwoöt zien: kwaad zijn
Kzien kuük: ik ben pompaf
Kzien murwu: ik ben murw geslagen
Kzien tertu of: ik kan niet meer
Kzient zo moewu lik aaängubrandu pap: ik ben het heel erg moe
Lachun: lachen
Lank gat (met u): tegen de goesting iets doen
Leeg: lui
Leegoört: luiaard
Liebur: vrij                      Fr libre
Lieburtijt: vrijheid              Fr liberté
Lieën: lijden
Lujugeit: luiheid
Malsjaaänsu en: ongeluk hebben     Fr malchance
Me ju pies in du wient stoön: verslagen, geen raad meer weten
Meegoöndu: gewillig, sympathiek
Meeleevn: meeleven
Meënsjhuluk: menselijk
Meefoeln: meevoelen
Meevoln: meevallen
Meewiln: meewillen
Meezitn: meezitten
Me tu poepurs zitn: bang zijn
Met u kleeën ertju: met een klein hartje, beschroomd
Met u lank gat: met tegenzin
Mien bobienu is of: in ben doodop
Moeë: moe
Moeëduloos: moedeloos
Moeëdurertu: moederhart
Moeëdurlieëfdu: moederliefde
Moentzieënt: we zien er tegenop
Mu zoendur kloör upstoön: het zou niet goed zijn als we dat deden
Nie va wantn weetn: nergens iets van afweten
Nis dul, zisdul: hij is kwaad, zij is kwaad
Nis/zis goeët vanertu wi: hij/zij heeft een goed hart, hoor
Nooötgudwoeng: noodgedwongen
Oedjan tgas: bereid je er maar op voor
Nu jeunt em doö: hij voelt zich daar goed
Oenaaängunaam: onaangenaam
Oenduvroet zien: heel erg boos zijn
Oeëngudult: ongeduld
Oeënguduldug: ongeduldig
Oeënguluk: ongeluk
Oeëngulukug: ongelukkig
Oeëngurust: ongerust
Oeënpusjentug: ongeduldig           Fr impatient
Oeënsjaänsu: ongeluk, tegenvallend
Oeënvrieënduluk: onvriendelijk
Oeënzeekru: onzeker
Oeërusjaänsu: veel geluk
Oentmoeëdugt: ontmoedigd
Oentroeëriengu: ontroering
Oentroeërt: ontroerd
Ofvraagn: afvragen
Ooörndul: geschift, getikt
Oovurguvoeëlug: overgevoelig
Op zu sjieku bietn: zich inhouden
Peizn: peinzen, denken  => kpeizn: ik denk
Pieëpn: schreeuwen
Pienluk: pijnlijk
Poepurs: schrik 
Poeër: pit
Preus: fier
Preus lik veeërtug: zeer fier
Pusjeënsju: geduld         Fr patience
Pusjentug: geduldig             Fr patient
Riliengu: rilling
Roesputeern: misnoegen uiten         Fr rouspéter
Rooj: last
Rooöt van sjhamtu: rood van schaamte
Roözunt van koleeru: razend van woede
Ruksju: reukje
Rutuln: misnoegdheid uiten
Seënsoösju: sensatie
Simpatiek: sympathiek
Sjaänsu: geluk, meeval                Fr chance
Sjhieë: bevlieging
Sjhien: schijn
Sjhietur: bangerik
Sjhiln: schelen
Sjhreimn: wenen
Sjhruwuln: zeer luid schreeuwen
Spietug: spijtig
Stilu: stil
Surjeus: ernstig                        Fr sérieux
Tertu durvan iïn zien: er het hart van in zijn
Tienkt mien da: me dunkt dat
Tis mo daj twit: als je het maar weet
Tis mu juustu gliek: het is mij om het even
Tis voe bie tu bleëtn: je zou erdoor wenen
Tka mu nie sjhiln: het kan me niet schelen
Toed an du rebn: het is straffe kost
Trow zien: trouw zijn
Tsloeg (d)a mu nertu: ik verschoot mu rot
Tspek a ju klooötn en: het zitten hebben, het slachtoffer zijn
Twerkt up mu zilmus: het werkt op mijn zenuwen
U noent zoet rieëkn: het was te verwachten
U sjheetu lachn: plezier hebben
U vroedu koleeru: erg kwaad zijn
Ulpuloos: hulpeloos
Up ju kinu meugun klopn: op je kin mogen kloppen, niet krijgen wat je verwacht
Up ju peërt zitn: kwaad zijn
Up ju weeroedn zien: afwachten en voorzichtig zijn
Upgulugt: opgelucht
Upguwekt: opgewekt
Upjaagn: opjagen, aanzetten tot grotere haast
Upoedn: ophouden
Upregt zien: oprecht zijn
Utwa doeën met u lank gat: iets doen tegen zijn goesting
Utwa geeëstug vieng: iets leuk vinden
Utwa meeën: iets ernstig menen
Utwieën geërn zieën: van iemand houden
Utwoö dinu van zien: ergens niet goed van zijn, ontgoocheld zijn
Uutbundug: uitbundig
Uutguloötn: uitgelaten
Uutoedn: uithouden
Uutpluuzn: uitpluizen
Uutgupluust: uitgeplozen
Van u noözu gupoept zien: haast hebben, haastig zijn
Veelu pusjeënsen: veel geduld hebben         Fr patience
Vijandug: vijandig
Voeëlboör: voelbaar
Voeëliengu: voeling
Vooörguvoeël: voorgevoel
Vooörkeuru: voorkeur
Vooörlieëfdu: voorliefde
Vooörooördeeël: vooroordeel
Vooörproevutju: voorproefje
Vooörsmaksju: voorsmaakje
Vorspelboör: voorspelbaar
Vorspeliengu: voorspelling
Vraagteeëkn: vraagteken
Vreeësuluk: vreselijk
Vriedom: vrijheid
Vrieënduluk: vriendelijk
Vriegeevug: vrijgevig
Vriejijt: vrijheid
Vriejuut: vrijuit
Vriewilug: vrijwillig
Vroegiengu: wroeging
Vroet: kwaad
Vrowunertu: vrouwenhart
Vuldoön: voldaan
Vurboöziengu: verbazing
Vurdrieët en: verdrietig zijn
Vurdwoöst: verdwaasd
Vurlang: verlangen
Vurlijdiengu: verleiding
Vuroendursteliengu: veronderstelling
Vurasiengu: verrassing
Vurneedriengu: vernedering
Vurneedurt: vernederd
Vursjhieëtagtug: die gemakkelijk schrikt of verschiet
Vursjhrikt zien: verschrikt, zeer bang
Vursmagtn: verstikken
Vurstievn: verstijven (van angst bv)
Vurvuliengu: vervulling (wens)
Vurwerkiengu: verwerking (van een tegenslag)
Vurwoendriengu: verwondering
Vurwoendurn: verwonderen
Vurwoendurt: verwonderd
Wa sjhiltur: Wat scheelt er
Walgiengu: walging
Wanoopug: wanhopig
Weënsjhn: wensen
Wijgur zien oovr utwa: zorg dragen over iets
Wit van koleeru: wit van woede
Zis nie zindlik: ze kijkt niet nauw, ze is niet kieskeurig
Zjaloeës zien: jaloers zijn
Zjaloezieë: jaloezie
Zoendu: zonde
Zu booöntjus tu weeëku legn: azen op iets
Zu gat sjhuufult: hij is zenuwachtig, op zijn ongemak
Zu jeun undur doö: ze voelen zich daar goed
Zu jeunt eur doö: ze voelt zich daar goed
Zu lipu loötn ang: ongelukkig, verdrietig zijn
Zu toopu sloön: bang zijn
Zu zit met du poepurs/sjhieturs: ze is bang

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 11: Liefde Huwelijk of andere relatie

Aaängutrowt: aangetrouwd
Aavunturtju: avontuurtje, korte vlucht uit de relatie
Afeëru: buitenechtelijke relatie            Fr affaire
Agtur utwieën zu gat loopn: altijd bij iemand willen zijn, ook als die dat niet wil
Aliementoösju: voorziening     Fr alimentation
Amang: aanhouder, lover      Fr amant
Anbidur: aanbidder
Ankurn agtur utwieën: niet zonder iemand kunnen
Anoedur: minnaar maar ook iemand die blijft aandringen => dun anoedur wint
Asan ruuzju maakn: altijd ruzie maken
Bieslaap: bijslaap
Biezit: bijzit
Broek vul goestiengu (of goestu): geil zijn
Bruuloft: bruiloft
Buturbrieftju: boterbriefje, bewijs dat men getrouwd is
Dijtn: daten, afspreken
Eereksju: erectie
Ertrown: hertrouwen
Flikur: flikker, homo
Flirtn: flirten
Fuftug joör gutrowt: vijftig jaar getrouwd, gouden bruiloft
Geërn zieën: houden van        => van utwieën, van utwadu
Goeët int bedu: goed in bed
Guluk int spil, oeënguluk in du lieëfdu: geluk in het spel, ongeluk in de liefde
Gusjhit: gescheiden
Gusjhit van taaflenbedu: gescheiden van tafel en bed
Gutrowt zien voe tgelt: niet getrouwd zijn uit liefde maar omdat de partner rijk is
I roetu zien met utwieën: een relatie hebben met iemand
Ju vint/wuuf budrieëgun: je man/vrouw bedriegen
Kapootu: condoom
Kenisun: een relatie aangegaan hebben, vrijen
Kiendurloos: relatie zonder kinderen
Kiendurweëns: kinderwens
Kloarkomn: klaarkomen, orgasme krijgen
Knufuln: knuffelen
Koedan warmu lieëfdu: koude handen, warme liefde
Kopul: koppel
Kozien: kozijn    Fr cousin 
Leeërn rieën up u noedu vielo: door een oudere (getrouwde) vrouw ingewijd worden in de liefde
Leevn lik kat e noent: slecht overeenkomen
Lekn: kussen
Lieëf: lief     
Lieëfdu: liefde       => 
Lieëfdu makt blint: liefde maakt blind
Lieëfdu up teeërstu guzigt: op het eerste gezicht
Lisbiejinu: lesbische vrouw
Luduvudu: liefdeverdriet
Met du mantul van du lieëfdu budekn: met de mantel van de liefde bedekken, vergeven
Minoöru: minnaar
Minoresu: minnares
Mitrisu: minnares           Fr maîtresse
Moku: meisje of verloofde
Monookienie: monokini
Mu lieëf: mijn lief
Mukoör geërun zieën: houden van elkaar
Mukoör misun: elkaar missen
Mukoör nie kun misun: elkaar niet kunnen missen
Munoögu: huishouden             Fr ménage
Net/zet durmee tu doeën: hij/zij heeft er een relatie mee
Net u nandru: hij heeft een andere
Neukn: neuken, de liefde bedrijven
Nie van du stroötu gugrogt: niet van de straat geraakt, (nog)nooit een relatie gehad hebben
Nis of zis nog nie van du stroötu: nog niet verloofd of getrouwd
No doeërn goön: naar een hoerenkot gaan
Od u noedu sjheuru in brandu vlieëgt: als een oudere verliefd wordt
Oedn van mukoör: houden van elkaar
Oedu lieëfdu roeëst nie: oude liefde roest niet
Oeërujaagur: hoerenjager
Oeërukot: hoerenkot
Oentrow: ontrouw, bedriegen van partner
Oentugt: ontucht
Ofmaakn: verbreken (van vrijage)
Ofspraaku: afspraak
Oftrekn: masturberen
Omelziengu: omhelzing
Oomooguuwuluk: homohuwelijk
Oörmenoörmu goön: arm en arm gaan
Oovurspil: overspel
Orgasmu: orgasme
Ovreeënkomn: overeenkomen
Palufun: liefkozen
Peenies: penis
Pieëpurn: kussen
Poepn: neuken
Pot: lesbienne
Randeevoe(tju): afspraak(je)                Fr rendez-vous
Rieku gutrowt zien: getrouwd zijn met een rijke man of vrouw
Ruloösju: relatie
Siks: sex
Sjharul: scharrel, losse verkering
Sjhatju: schatje
Sjhidiengu: scheiding
Sjhijdn of sjkheeën: scheiden
Sjhooönbroeëru: schoonbroer
Sjhooönmoeëdru: schoonmoeder
Sjhooönvoödru: schoonvader
Sjhooönzustru: schoonzuster
Sjhooten up utwieën: iemand in de gaten hebben om er een relatie mee aan te gaan
Sleep: onderste van trouwkleed dat langs de grond sleept en daarom opgeheven wordt
Smooörvurlieëft: smoorverliefd
Speelvajoögu: huwelijksreis
Stiefmoeëdru: stiefmoeder
Stiefvoödur: stiefvader
Streeëliengu: streling
Swietu: gevolg bij een chique huwelijksplechtigheid
Teegn ju zjielee trekn (utwieën): iemand aanhalen, tegen de borst drukken
Tetuzot: man die van borsten houdt
Tisof: de relatie is verbroken
Tis weeran: de relatie is er weer
Tjestug joör gutrowt: zestig jaar getrouwd, diamanten bruiloft
Toopu weun: samenwonen
Topuzot: zeer verliefd
Totju: kusje
Trow: huwelijk
Trowfeeëstu: trouwfeest
Trowfotoo: huwelijksfotoTrowkleeët: trouwkleed
Trown voe du kerku: kerkelijk huwelijk
Trown voe du wet: wettelijk huwelijk
Trowrienk: trouwring
Tugoaruweun: samenwonen
U nartnen: een stijve hebben
U noar in du butur: een haar in de boter
U noent met u noeët an: zegt men van een vrouw die er niet goed uitziet maar toch de interesse van de man opwekt
U noeëru lik u peërt: een vrouw die heel wat minnaars had/heeft
U sjheivu sjhatsu rieën: vreemd gaan
U sjhooön kopul: een mooi koppel
Up u nandur goön: vreemdgaan, scheve schaats rijden
Veuguln: de liefde bedrijven
Vint: man
Vooörspil: voorspel
Vrieguzel: vrijgezel
Vrieoözju: vrijage
Vrijn: vrijen
Vrimdu goön: vreemdgaan
Vurlang: verlangen
Vurlieëft: verliefd
Vurlooviengu: verloving
Vuroediengu: verhouding
Vuroovriengu: verovering
Vursieëriengu: versiering
Vursieërn: versieren
Vuuvuntjestug joör gutrowt: vijf en zestig jaar getrouwd, briljanten bruiloft
Vuuvuntwientug joör gutrowt: vijf en twintig jaar getrouwd, zilveren bruiloft
Wuuf: vrouw
Wuuvuzot: vrouwenzot
Zet u nandreeën: ze heeft iemand anders
Zet utwieën andurs: ze heeft iemand anders
Zis i roetu me: ze heeft een relatie met
Zjuubielee: jubileum
Zorgun voe mukoör: voor elkaar zorgen
Zot zien van utwieën: verliefd zijn op iemand
Zu lieëfdu vurkloörn: zijn liefde verklaren
Zu zien weg van mukoör: ze zijn niet meer samen                    

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 10: Gebouwen – Bouwwerken - Woningen en onderdelen ervan - Wonen

Aaänbusteediengu: aanbesteding
Agturdeuru: achterdeur
Agturkaamur: achterkamer
Agtruut: tuin of grond achter het huis
Alee: overloop               Fr allée
Alukuupu: beerput
Alupit: beerputArduun: arduin
Asaänsuür: lift                              Fr ascenseur
Baksteeën: baksteen
Balatom: balatum
Balkong: balkon
Baluustraadu: balustrade, leuning van een balkon
Batkaamur: badkamer
Beërpit: beerputBelu: bel
Biebown: bijbouwen
Biedong: beton
Biedongblok: betonblok
Biedongmeuln: betonmolen
Biedongrot: betonrot
Biegubow: bijgebouw
Bieldieng: building
Binudeuru: binnendeur
Binumeur: binnenmuur
Blaf(u)teuru: vensterluik
Boeërdurieë: boerderij
Boeërof: boerderij
Boeërofstee: hoeve
Bojlur: boiler, waterverwarmer
Boöku: balk
Bowbudrief: bouwbedrijf
Bowgroent: bouwgrond
Bowjoör: bouwjaar
Bown: bouwen
Braku: barak  => nu/zu weunt in u braku                 Fr baraque
Brantvijlugijt: brandveiligheid
Briekn: bakstenen           Fr briques
Brieku: baksteen
Briekuljong: verbrijzelde bakstenen
Brievubusu: brievenbus
Bubown: bebouwen
Buklidiengu: bekleding
Buneen: beneden
Burguruus: burgerhuis
Buteeguliengu: betegeling
Buungalow: bungalow
Buuro: studie- of werkkamer        Fr  bureau
Buutudeuru: buitendeur
Buutugeevul: buitengevel
Buutumeur: buitenmuur
Buutuvurbluuf: buitenverblijf
Buuzu: buis
Buweunboör: bewoonbaar
Buweunur: bewoner
Bwatu: brievenbus                     Fr boîte aux lettres
Dagturdeuru: de achterdeur
Dalu: de hal
Dampukapu: dampkap
Deebara: opbergruimte     Fr débarras
Dek: dak
Dekbudekiengu: dakbedekking
Derdu vurdieëp: derde verdiep
Deuru: deur
Deurugat: deuropening
Diepoo: depot
Diestriebuusju: verdeling, bezorging    Fr distribution
Doeëniengu: hofstede, huis
Doeëniengsju: kleine hofstede
Droöjtrap: draaitrap
Dubulu deuru: dubbele deur
Duuvutoru: duivelstoren
Dweësboöku: dwarsbalk
Eestu vurdieëp: eerste verdiep
Eërdiengu: aarding
Eërt: haard
Eetaazju: verdieping                    Fr étage
Eetkaamru : eetkamer
Fasoödu: gevel      Fr façade
Fondoösju: fundament        Fr fondation
Gank : gang
Garaazju : garage
Garaazjupooörtu : garagepoort
Garu: opening => du deuru stoat up u garu: voor een stuk geopend
Geevlu: gevel
Gootsteeën: gootsteen
Goözu: gas
Groent: grond
Groentwoötur: grondwater
Grooötu kuustu: de grote schoonmaak
Guliekvloeërs: gelijkvloers
Iepoteeku: hypotheek
Iezoloösju: afdeklaag, isolatie    Fr isolation
Iïrkoo: air conditioning
Ilutriek: elektriciteit
Ilutriekdroöt: elektrische draad
Ipurstu: bovenste verdieping
Kaavu: schoorsteen
Kaburdoesju: cafeetje (met rood licht)
Kaliju: klei
Karwiju: karwei
Kasien: vensterbank
Keldru: kelder
Kiendurkaamur: kinderkamer
Klienku: deurklink
Koeër: koer
Koök: kalk
Koönstruuksju: bouw, constructie       Fr construction

Kornisju of Kornisu: dakgoot
Kortsluutiengu: kortsluiting
Kuusjhiengu: grote kuis
Kuustu: kuis
Latustooörs: rolluiken
Lavaboo: lavabo
Leuniengu: leuning
Lievieng: woonkamer, living
Liftu: lift
Lijdiengu: leiding
Lugt: verlichting
Maaänsardu: gebroken dak   FR mansarde
Mazoetpit: mazouttank
Meur: muur
Netspaniengu: netspanning
Nof (du): de tuin
Nuus (u): een huis
Oedumanuus: rusthuis
Oeëngusjhikt: ongeschikt
Oenbuweunboör: onbewoonbaar
Of: tuin
Ofloop: afloop
Ofstee: boerderij
Oftrekn: afbreken (van een huis)
Ogstu vurdieëp: hoogste verdiep
Omijniengu: omheining
Oogbow: hoogbouw
Opurvlaktu: oppervlakte
Ovutju: tuintje    => u novutju: een tuintje
Paljee: overloop                Fr palier
Papier plakn: papier plakken, behangen
Plaaänsjee: houten vloer
Plafong: zoldering       Fr plafond
Plintu: plint
Plong: zekering           Fr plomb
Pit: put
Plat dek: plat dak
Pompu: pomp
Pooörtu: poort
Prieëzu: stekker

Radiatuür:  radiator, verwarmingselement            Fr radiateur
Riejooln: riolen
Riejoolu: riool
Rookmeldru: rookmelder
Ruutn: ruiten
Salamaänzjee: eetkamer   Fr salle à manger
Salong: woonkamer, zitkamer, ontvangstruimte       Fr salon
Sieteërn: waterput     Fr citerne
Sjambrang: deuromlijsting      Fr chambranle
Sjhaavulieng: schaverlingen
Sjhapstal: schaapstal
Sjheuru: schuur (voor hooi of stro)
Sjhowu: schoorsteen
Sjofaazju: verwarming                           Fr chauffage
Sjofaazjukeetlu: chauffageketel
Sjofaazjukeldru: chauffagekelder
Slapkaamur: slaapkamer
Steliengu: stelling
Stoörs: rolluiken
Stopkontakt: stopcontact
Stortbat: stortbad
Studentukaamur: studentenkamer
Sument: mortel
Teegul(s): tegel(s)
Terupapieër: teerpapier
Tirasu: terras                               Fr terrasse
Tirmoostaat : thermostaat
Toetuuzunt: bij ons thuis
Toru: toren
Trap(n): trap(pen)
Tu nuutkantu: op de buiten  
Tu nuutkantu weun: op de buiten wonen
Tuus: thuis
Tvurtrek: toilet
Twalet: toilet
Twidu vurbluuf: tweede verblijf
Twidu vurdieëp: tweede verdiep
Twiwuünstu: dubbel huis
Up du buutn weun: op de boerenbuiten wonen
Up teeëste vurdieëp: op het eerste verdiep
Uprit: oprit
Uptrekn (van huis): verdieping(en) bijbouwen
Uus: huis
Uutbreidiengu: uitbreiding
Vastgoeët: vastgoed
Ventieloösju: ventilatie     Fr ventilation
Vieërtoru: vuurtoren
Vielawiek: villawijk
Vielookot : fietsenberging
Viïnstur: venster
Viïnsturkasien: vensterkozijn
Viranda: veranda
Vloeër: vloer
Vloeërbudekiengu: vloerbedekking
Vloeërn: vloeren leggen
Vloeërvurwarmiengu: vloerverwarming
Vogtugijtsgroöt: vochtigheidsgraad
Volsjhu plafong: vals plafond
Vooördeuru: voordeur
Vooörplatsu: voorkamer
Vowtu: opkamer
Vruuzn: verhuizen
Vurandriengu: renovatie, wijziging
Vurbluuf: verblijf
Vurdieëpiengu: verdieping
Vureuriengu: verhuring
Vureurn: verhuren
Vurlugtiengu: verlichting EN verluchting
Vurpagtn: verpachten
Vurpagtiengu: verpachting
Vurtrek: WC
Vurwarmiengu: verwarming
Vurzakiengu: verzakking
Weun: wonen
Weunkaamur: woonkamer, living
Woöturkroanu: waterkraan
Woöturpit: waterput
Woöturtoru: watertoren
Wuünstu: woning
Ziedeuru: zijdeur
Zjaloezieë: vliegenraam
Zoldru: zolder
Zoomuruus: zomerhuis
Zoomurvurbluuf: zomerverblijf
Zu weun in tol van fluutol: ze wonen afgelegen op de buiten
Zulu: drempel
Zwoöjdeuru: zwaaideur

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 9: Oneerlijkheid Diefstal Misdaad

Aaängiftu doeën: misdrijf aanmelden bij de politie
Aaänrandiengu: aanranding
Aaänrandiengu up du eeërboörijt: aanranding op de eerbaarheid
Aaänslag: aanslag (op het leven van een persoon)
Aaliebie: alibi  u naaliebie en, ginaaliebie en
Agtur slot en grendul: opgesloten, achter slot en grendel
Agturvoögun: achtervolgen
Andnols brieng: kapotmaken
Andoeën: aandoen (iemand iets)
Andul in blanku slavin: handel in blanke slavinnen
Anoediengu: aanhouding
Anoedn: aanhouden
Antboejn: handboeien
Arandiengu: aanranding
Arest: arrest
Asiezunof: assisenhof
Avukoöt: advokaat
Bak: gevangenis > in du bak zitn: in de gevangenis zitten
Bandieët: bandiet
Bandieëtustreeku: bandietenstreek
Bandietiesmu: banditisme
Bankoovurvol: bankoverval
Bie du kraagu vatn: bij de kraag vatten
Bie tveeërtieënstu zetn: misleiden, bedriegen
Biegamie: bigamie, twee keer gehuwd
Binbreekn: binnenbreken
Blankoo strafblat: blanco strafblad
Blintdoekn: blinddoeken
Bloeën: bloeden
Bloeët: bloed
Bloeëtbat: bloedbad
Bloeëtproef: bloedproef
Bloeëtsjhandu: bloedschandeBlown: smokkelen
Bloözun int zaksju: blazen in het zakje, alcoholtest
Blown: smokkelen 

Boeëtu: boete
Boeëtudoeëniengu: boetedoening
Bomaaänslag: bomaanslag
Bommeldiengu: bommelding
Bomoto: bomauto
Bomoentplofiengu: bomontploffing
Brantkasu: brandkast
Brantstigtiengu: brandstichting
Brazuletn: handboeien
Budrieëgluk bankroet: bedrieglijk bankroet
Budrieëgn: bedriegen
Budrieëgur: bedrieger
Budrieëgurieë: bedriegerij
Budrijgiengu: bedreiging
Budrijgn: bedreigen
Budrog: bedrog
Budwelmiengu: bedwelming
Buken: bekennen
Bukentmaakiengu: bekendmaking
Bukentunisu: bekentenis
Buleedugiengu: belediging
Bunowt maakn: bang maken
Bunowt zien: bang zijn
Burooviengu: beroving
Busjhermdu gutuugu: beschermde getuige
Busjhermiengu: bescherming
Busjhieëtiengu: beschieting
Busjhuldugiengu: beschuldiging
Bustrafiengu: bestraffing
Butastiengu: betasting
Buteugliengu: beteugeling
Butoogiengu: betoging
Butraapn: betrappen
Buwieslast: bewijslast
Buwiezun: bewijzen
Buzwoör: bezwaar (tegen een straf)
Dagvoördiengu: dagvaarding
Deugnietrieë: deugnieterij
Dieëf: dief
Dieëfstal: diefstal
Doödur: dader
Dooötbloeën: doodbloeden
Dooötdoeën: vermoorden, uitschakelen
Dooötsbudrijgiengu: doodsbedreiging
Dooötsguvoör: doodsgevaar
Dooötsjhieëtn: doodschieten
Dooötrieën: doodrijden
Dooötslag: doodslag
Dooötsloön: doodslaan
Dooötvoln: doodvallen
Doöku: dolk
Drijgbrieëf: dreigbrief
Drugdieëlur: drugdealer
Druggubruuk: druggebruik
Drugandul: drughandel
Du keelu oovursnieën: de keel oversnijden
Dwangbuuzu: dwangbuis
Dwangsomu: dwangsom
Eeërstu aaänleg: eerste aanleg
Eeëturdoöt: heterdaad
Eerowienu: heroine
Eetoflegiengu: eedaflegging
Fliek: politieagent
Foefuln: foefelen
Foejeern: aftasten, fouilleren
Frodeern: fraude plegen
Froodu: fraude
Gangstur: gangster
Geeliengu: heling
Geltstrafu: geldstraf
Giezuliengu: gijzeling
Goözumasjhur: gasmasker
Gowdieëf: gauwdief
Grafsjhendiengu: grafschennis
Gublintoekt: geblintdoekt
Gumasjhurt: gemaskerd
Gumeeëntupoliesju:gemeentepolitie
Guregt: gerecht
Guregtuluk vurleedn: gerechtelijk verleden
Gusjhoept: gestolen
Gutuugu(n): getuige(n)
Gutuugu tun lastu: getuige ten laste

Guvang: gevangenis
Guvangunisu: gevangenis
Guvlugt: gevluchtGuwaapunt: gewapend
Guwelt gubruukn: geweld gebruiken
Ieleegaal: illegaal, onwettelijk
Ienkulbant: enkelband
In buroep goön: in beroep gaan
Kanabies: cannabis
Kasoösju: cassatie, verbreking
Kiendurregtur: kinderrechter
Klagt indieën: klacht indienen
Kloroformu: chloroform
Kluuzu: kluis
Kokajienu: cocaïne
Kokuduukn: vermoorden
Komusoörus: commissaris
Kortgudieng: kortgeding
Koruupsju: corruptie
Kwetseuru: kwetsuur
Kwoöwiluwerk: wat gedaan wordt met slechte intenties
Lastur: laster
Leuguns: leugens
Lieëgn: liegen
Liekiedeern: liquideren
Lieksjhowiengu: lijkschouwing
Loesju: verdacht    Fr  louche
Mafia: maffia
Marieguwaana: marihuana
Martuliengu: marteling
Meedupligtug: medeplichtig
Meeliburn: op sluikse manier meenemen
Meënsjhusmokul: mensensmokkel
Messteeku: messteek
Mijneet: meineed
Misanduliengu: mishandeling
Misanduln: mishandelen
Misbruuk maakn: misbruik maken
Misbruukn: misbruiken
Misdoeën: misdoen
Misdoöt: misdaad
Misdoötfielmu: misdaadfilm
Misdoötromang: misdaadroman
Misdrief: misdrijf
Misplatst: misplaatst
Mooört: moord
Mooörtaaänslag: moordaanslag
Mooörtpoogiengu: moordpoging
Mooördunoöru: moordenaar
Mosliemtiroriest: moslimterrorist
Nagtgrugtu: nachtlawaai
Neerusjhieëtn: neerschieten
Neerusteekn: neersteken
Neeruvoln: neervallen
Nootguval: noodgeval
Nootweer: noodweer
Oeëngudektu sjik: ongedekte cheque
Oeënguvoörluk: ongevaarlijk
Oeënsjhult: onschuld
Oeënsjhuldug: onschuldig

Oenbutrowboör zien: onbetrouwbaar zijn
Oendurmien: ondermijnen
Oendurweërult: onderwereld
Oentduukn van bulastieng: ontduiken van belastingen
Oentoereekuniengsvatboör: ontoerekenigsvatbaar
Oentslag uut du bak: vrijkomen
Oentsnapiengu: ontsnapping
Oentsnapn: ontsnappen
Oentsnapt: ontsnapt

Oentugt: ontucht
Oentvoeëriengu: ontvoering
Oereern: hoereren
Ofkiekn: afkijken (bij examen)
Ofpakn: afpakken
Ofpersn: afpersen
Ofpersiengu: afpersing
Ofsjhrievn: afschrijven (bij examen)
Ofslagtiengu: afslachting
Ofstrafiengu: afstraffing
Ofstrafn: afstraffen
Oftapn: aftappen (elektriciteit bvb)
Oftroguln: aftroggelen
Ofzetn: afzetten, bedriegen in geldzaken
Omsienguln: omsingelen
Omukoopn: omkopen
Ooggutuugu: ooggetuige
Oösumtest: ademtest
Oovurmeeësturn: overmeesteren
Oovurtreediengu: overtreding
Oovurvol: overval
Oovurvoln: overvallen
Opspooriengu: opsporing
Parket: parket
Patroeju: patrouille
Peënsujaagur: stroper
Pesturieë: pesterij
Piek-poket: zakkenroller
Piekn: wegpakken
Plofkraak: een geldautomaat tot ontploffing brengen
Plunduriengu: plundering
Poliesjunoent: politiehond
Poliesjuregtur: politierechter
Potju brikt, potju butaalt: wie iets breekt moet het ook betalen (ook figuurlijk)
Priesong: gevangenis
Proses: proces-verbaal
Prostietuusju: prostitutie
Purzoeënsjen up utwieën: iemand verdenken
Rijsun: racen
Reesiedieviest: residivist, iemand die in herhaling valt na een of meerdere misdrijfgevallen
Regtbank: rechtbank
Regtspraaku: rechtspraak
Regtur: rechter
Rieën oendur iïnvloeët: rijden onder invloed
Rieftju Raftju: minderwaardig, gemeen volk
Ruklaseeriengu: reclassering
Rukoönstruuksju: reconstructie
Sanksju: sanctie
Seeponeern: seponeren
Selu: cel
Sieriïnu: sirene
Sjhaakiengu: schaking
Sjantaazju: afpersing                                         Fr chantage
Sjhaaduloossteliengu: schadeloosstelling
Sjheeëfsloön: stelen
Sjhieëtn: schieten
Sjhieëtpartieë: schietpartij
Sjhoepn: stelen
Sjhoolu van vurbeeturnisu: opvoedingsschool
Sjhootn losn: schoten lossen
Sjhult: schuldSjhuldug:  schuldig
Sjhurk: schurk
Sjhurkustreekn: schurkenstreken
Slagtofur: slachtoffer
Sluukstortn: sluikstorten
Smaat: smaad
Smokuln: smokkelen
Smokuloöru: smokkelaar
Smokulwoöru: smokkelwaar
Speuroent: speurhond
Spiejonaazju: spionage
Spooörwegpoliesju: spoorwegpolitie
Stoakiengu: stalking
Stoeër doeën: stoer doen
Strafblat: strafblad
Strafboör: strafbaarStrafu: straf
Stroopurieë: stroperij
Tguregt: het gerecht
Tiroriest: terrorist
Tjoepn: stelen
Toereekuniengsvatboör: toerekenigsvatbaar
Traalies: tralies
U brantkasu kraakn: een brandkast kraken
U katju in tdoenkur niepn: een katje in het donker knijpen, iets in ’t geniep doen
U koptju klindur maakn: vermoorden, een kopje kleiner maken
U proses a ju beeën en: een proces-verbaal oplopen
U ruutu iïnsloön: een ruit inslaan
U slot forseern: een slot forceren
U strafu uutzitn: een straf uitzitten
Up du boek guzet: een bon krijgen van de politie
Up du vlugt: op de vlucht
Upang: ophangen
Upligtiengu: oplichting
Upligtru: oplichter
Upligturieë: oplichterij
Uproeërpoliesju: oproerpolitie
Upsluutn: opsluiten
Upspooriengu: opsporing
Utwadu of utwieën up ut spoor zien: iets of iemand op het spoor zijn
Uuszoekiengu: huiszoeking
Uutstel: uitstel
Vandaliesmu: vandalisme
Veedieëf: veedief
Vermooördn: vermoorden
Viengurofdruk: vingerafdruk
Vlieëgtuugkaapur: vlieguigkaper
Vlugtmisdrief: vluchtmisdrijf
Vlugtn: vluchten
Vlugtpoogiengu: vluchtpoging
Voeëtspooör: voetspoor
Volsjheit in gusjhriftu: valsheid in geschrift
Volsmuntur: valsmunter
Volsmunturieë: valsmunterij
Volsu sjik: valse cheque
Vonis: vonnis
Voöksupstant: volksopstand
Voöksvuroödur: volksverrader
Vooörarest: voorarrest
Vooöroendurzoek: vooronderzoek
Vooörtvlugtug: voortvluchtig
Vooörwoörduluku strafu: voorwaardelijke straf
Vrieloötn: vrijlaten
Vriespraaku: vrijspraak
Vurantwooördiengu moeëtn oflegn: verantwoording moeten afleggen
Vurbeurtvurkloöriengu: verbeurdverklaring
Vurdagtu: verdachte
Vurdenkiengu: verdenking
Vurduusturiengu: verduistering
Vurgeëldiengu: vergelding
Vurgeevn: vergiftigen
Vurgiftugiengu: vergiftiging
Vurgriep: vergrijp
Vurjoöriengu van u misdrief: verjaring van een misdrijf
Vurkeeërspoliesju: verkeerspolitie
Vurkragtiengu: verkrachting
Vurmoeëdn: vermoeden
Vurmooördn: vermoorden
Vurnieëliengu: vernieling
Vurnieëtugiengu: vernietiging
Vurooördeeëliengu: veroordeling
Vurooördeeëln: veroordelen
Vurooörn: verhoren
Vuroödur: verrader
Vuroödurluk: verraderlijk
Vursmagtn: versmachten
Vurvolgiengu: vervolging
Vurvolsjhun: vervalsen
Vurvolsjhiengu: vervalsing
Vurvoögn: vervolgen
Vurweërn: verweren
Vurwoeëstiengu: verwoesting
Vurwoendiengu: verwonding
Wegfrutn: wegvluchten
Wegvursperiengu: wegversperring
Werkstrafu: werkstraf
Wet:wet
Wienkuldieëfstal: winkeldiefstal
Witubooördunkriemienalietijt: witteboordencriminaliteit
Witwasjhun: witwassen (van geld)
Woöreit: waarheid
Wurgn: wurgen
Wurgiengu: wurging
Zeedunfijtn: zedenfeiten
Zeedunpoliesju: zedenpolitie
Zeëfmooört: zelfmoord
Zeëfvurdeediegiengu: zelfverdediging
Zeurun: valsspelen
Zitiengu: zitting (van gerecht)
Zjuuzju: onderzoeksrechter                        Fr juge
Zwartwerk: zwartwerk
Zweërn: zweren
Zwoöjlugt: zwaailicht van de politieauto of van de ziekenwagen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten