GESCHIEDENIS
De moderne Labrador Retriever is niet afkomstig uit Labrador, Canada, maar uit Newfoundland voor de kust van Labrador. De voorloper van de Labrador, die beter bekend was als de Lesser Newfoundland, is verdwenen, maar niet nadat hij een grote invloed op de huidige Labrador heeft gehad. Niemand weet precies waar deze hond vandaan komt, of uit welke honden hij is ontstaan. Maar hij leefde zeker al in het begin van de 19e eeuw in deze streken. Hij werd gebruikt als apporteur, waarbij hij het ijskoude water in ging om vissers te helpen en vogels binnen te halen. Hij heeft een sterk, compact lichaam en een korte, vettige, waterafstotende vacht.
Vissers en handelaars namen de 'Labrador' mee naar Engeland, waar hij al snel populair werd als jachthond. Later in de eeuw liep het aantal in Engeland en Newfoundland, door een zware hondenbelasting en quarantainemaatregelen, terug. Voor hij definitief verdween, werd het ras gered door inkruising van verschillende andere retrievers. Om de eigenschappen van de Labrador niet verloren te laten gaan, werd een rasstandaard opgesteld en de praktijk van het door elkaar fokken van verschillende retrievers aan banden gelegd. Er werden rasverenigingen opgericht en sinds die tijd hadden Labrador Retrievers veel succes in veldwedstrijden en op shows.
Door de combinatie van gelijkmatig temperament, sterk lichaam en werklust is de Labrador een veelzijdig, populair ras. Hij werkt als speur-, therapie-, geleide- en sociale hond, maar zijn talent ligt ook op het vlak van gezelschapshond. Niet voor niets is hij enorm populair, ook bij kinderen.
IDEALE RASKENMERKEN
Schofthoogte: reuen 56 tot 57 cm, teven 54 tot 56 cm.
Uiterlijk: compact, vierkant lichaam; actief,
moeiteloos gangwerk.
Vacht en kleur: kort, dik, recht, hard.
Zwart, geel (lichtcrème tot vosrood),
lever- of chocoladekleurig.
Hoofd: brede schedel met een rechte
snuit; middelgrote, zwarte of bruine ogen;
niet grote, dicht langs het hoofd afhangende
oren.
Staart: middellang, dik, vrolijk gedragen.