Foto

Foto
Luctor et emergo ( 2 )voor het zicht hebben op andermans gedrag
is niet iedereen voldoende toegerust
al is men van menig daad wel enigermate bewust
hoe zal het zijn met de kennis van zichzelve
meestentijds is die van nature ingesust
ik doe zelf ervaring op uit roddelbladen
literatuur met diepgang van formaat
de inhoud berust op schijn, benen en boezem
van gepromoveerde ego's van de straat
ik zie mezelf derhalve uitvergroot
in andermans denken, praten en gelaat
het is weinigen gegeven
de eigen ik te doorgronden
zo is nu eenmaal het leven
de werkelijkheid is vaak
aan emotie en lot gebonden
of door dierlijke instincten gedreven
ja, alles is tevens met
vallen en opstaan verbonden
Luctor et emergohoe bezwaard moet ik zijn
zodat de aarde moe wordt
om mij verder te dragen
mag ik nog wel geloven
en weer om adem vragen
wie beschermt mij immers
tegen verzuurde grauwe wijn
die bij voortduring, zo lijkt,
voor mij wordt ingeschonken
het is alsof elke dag, ieder moment
zich steeds meer van mij afkeert
mij vervreemdt van zuiver zien
en een doodlopende weg inzendt
*
luctor et emergo
roept de kerkhaan hoog van zijn toren
ik hoor dat even niet meer
raak tastbaar in de winter verloren
Aanrakenwarmte streelt mijn rug
als de zon zich met mij mengt
door openslaande deuren
was het vergeten
dat strelen zien doet kleuren
en zwart voor een moment
tot een wazige lijn verengt
het licht raakt zelfs een oog
dat verrast de ochtend beleeft
diep van binnen weet ik wel
dat mijn denken het aardse bedriegt,
pijn soms voor wat duisternis zwicht
en over een verzwegen woord liegt
maar even zich gesteund te voelen
door een geste der natuur
ook al blijkt dat in een moment van hoop
kennelijk is het de ziel
die daar naar streeft:
zal men dat dan met verwachten bedoelen
Liefdeeen mens zoekt
zijn eigen lijden
van nature
als het ware
immers
hoe anders kan hij
zijn zucht naar
liefde verklaren
Bij volle maanik staar uit over de vijver
geniet van stilte en rustig
ronddobberende witte zwanen.
een reiger zetelt op de top
van een reusachtige boom
haast verstijfd uitziend
over mijn wereld
van kronkelige lanen
de zon gaat langzaam onder
en brengt het avondrood in beeld
zachtheid in mij vindt een diepere plek
voor even voel ik mij geheeld
ik sluit mijn ogen
en laat gedachten gaan
naar oorden waar even geen mensen zijn;
een welriekend regenwoud bij volle maan
Ontmoetingik vraag me af of u
die dit leest
met mij mee geniet
in gedachten zit u
tegenover mij en zegt,
net als ik, niets
u bent prettig gezelschap
begrijpen elkaar zichtbaar
we wisselen blikken
soms veelzeggend
of zonder inhoud
maar meestal met
een warme glimlach
ik voel me thuis bij u
Op zoek naar morgenvandaag zoek ik naar nieuwe pannen
in een laan nabij mijn dorp
spoel mijn mond met het water
van een nabijgelegen vijver
om ook de mist voor mijn ogen
even te doen wegnemen
het is schelmen verschuiven
en zien naar een nieuw nest
zal ik al voelen dat er ruimte is
nachten weer stil zullen worden
meldt zich nieuw licht door de ramen
van binnen naar buiten
van buiten naar binnen
natuurlijk hoop ik dat muren
weer zullen luisteren
naar een ziel op zoek naar de weg
van een ongekend bomenland
naar klanken van muziek
opgeborgen in mijn hoofd
van verwachting
die nog bedolven is onder
een drukkende hemel
met schuivend zand onder de voeten
kan ik de deur weer open laten staan
en het huis met frisse wind vullen
kamers wil ik voeden met nieuw zweet
uit haast verkalkte poriën
ja, in deze nog oude uren
kijk ik onder het dak van morgen
Koffiedichterwacht niet tot een ander
voor jou de zin bepaalt
schrijf hem zelf en
hou je daar aan vast
mocht je er toch mee tobben
ga dan naar een dichter
die schrijft enige woorden
en je ziel is minder belast
immers hij kan je vertellen,
als kenner van hoe en wat
dat het doel van het leven
in één nachtmerrie
kan worden samengevat
Koffiedichterwacht niet tot een ander
voor jou de zin bepaalt
schrijf hem zelf en
hou je daar aan vast
mocht je er toch mee tobben
ga dan naar een dichter
die schrijft enige woorden
en je ziel is minder belast
immers hij kan je vertellen,
als kenner van hoe en wat
dat het doel van het leven
in één nachtmerrie
kan worden samengevat
Mijn hofmijn tuin kent
stenen vierkanten
bij de vleet
omgeven met kunstgras
van een meter breed
vanuit de serre
aanschouw ik
deze rijkdom
doch ter volmaking
zoek ik een zijden
rododendron
ik zet hem dan midden
in mijn hof van beton
hij staat dan in de schaduw,
en gelijk mijn tuinkabouter
uit de brandende zon
Zielsbedrogik wandel zo graag
met de vredige waan
dat de nacht zich gedraagt
als een goede vrind
maar in de oude sporen
van mijn voortbestaan
drijven dromen weg
met een noordwestenwind
nu brengt u terecht
zonder enige schroom ter sprake
waarom juist in die waairichting
idealen verdwijnen
vaak gepaard gaande
met regen en ander hemelbraken
die hoge torens en
menig boom ernstig doen kwijnen
het antwoord ligt zo
voor de hand mijn waarde
en vraagt geen enkel diep
of wijsgerig betoog
toen eens dit donderend
geweld bedaarde
zag ik plots,
dat mijn ziel,
onverhoopt, zelf
de prille lente bedroog
Ik weenik doe
een stoelendans
geheel alleen
en zie de kim
rondom
ik ween
menig steen
weerom
weerom
Wakende dag rust al
ruw op mijn dak
in de bevalling
van het licht
en voor het spreken
houdt mijn mond
het denken dicht
een wiel draait
ongevraagd door
met verdoofde spaken
ze gaan aan mij voorbij
zij aan zij
in kleurloos waken
Ontheemdde wortels van
een dragende boom
zijn verdord
de oude vogel
verlaat zijn nest
omdat zijn beschutting
de koude niet langer
kan weren
*
de aarde vangt
al snel
ontheemde
grijze veren
Vruchtdragendals ik vervreemd raak
van de ander
ontdekt de waarheid
zich dan in mij zelve
of verschuift echtheid
wat sneller in uren en dagen
wordt zij met spoed
door heldere nachten geleid
lijken daken dan toch eerder
op ingebeelde gewelven
onderbouwd met willoze stutten
totdat zij de schemer niet meer
als vanzelf kunnen dragen
soms schijnt de toekomst zich
eigenhandig te versmallen
onderwijl liefde verdort
in hart en nieren
en in koudvuur
teneinde versteend
dreigt samen te vallen
*
zie hier desalniettemin
het vruchtbare zaad van morgen
in het harnas van de schijnbare dood
verban het zielloos verwachten
immers licht blijft
als het ware eeuwig
in het voortdurend ademen geborgen
Ontluikenontluiken bloeit
uit haast dode takken,
nog in donkere kamers
met beschimmelde ramen
daar schuilen
tere knoppen in
schuldloos schamen
de adem van buiten
zuigt aan wanden
die zijn opgebouwd uit
dichtgetimmerde ruiten
en waar licht botst
om dan in het niets
te verzanden
totdat mijn vogels roepen
en ik ze verder draag
in mijn kleine handen
Dromerijhet was
stil vandaag
ik droomde
maar niet alleen
verwarmde me
aan de zon
in de schaduw
van jou
we zwegen
nutteloze woorden
*
het was
stil vandaag
bij jou
Als de stilte schraagtterwijl mijn stof nog
door een zware deken
wordt toegedekt
blijkt in de hemel
een nieuwe maagd geboren;
naïef nog en onbevlekt
waar droefenis heerst
blijken bloemen te groeien
terwijl houten planken
nog moeten worden gezaagd
zie ik elders al leven bloeien
zelden ervaar ik bij het sterven
van de winter
de lente zo vroegtijdig ontspruiten
of het is turen in glazige lucht
waar merels de onschuld uitbuiten
*
maar nu lijkt de voorzienigheid
mij in te halen
vertraag je pas
schreeuwt nochtans de ziel
helaas, de ruimte
wil in de geest nederdalen
Als de stilte verzwijgtals de stilte verzwijgt
over een lang verleden
dan heb ik zonder vergiffenis
tientallen jaren voor niets geleden
mijn ziel werd gekleed in naakt
maar niemand die dat zag
ik ben blindelings bewaakt
door een minzame lach
die alleen werd weerkaatst
in eigen schaduwlicht
om achter gesloten vensters
nimmer te worden verplaatst:
hij bleef verstard in het gewicht
*
nu jaren ouder zijn geworden
maar sterven nabij geboorte is
worden alsnog luiken geopend
voor een verborgen gemis
Als de stilte zwijgtde stilte zwijgt
duizend nachten
etmalen lang
bestormen
bomen mijn gedachten
ook al vormen lippen zich
om woorden te benoemen
de tong blijft verstijfd achter
en hoor ik hartslagen
in mijn oren zoemen
zo ongeveer
dragen tranen het gemoed
een traag stromende fontein
die eeuwige leegte ruist
in ongenaakbare overvloed
Levensliedgedichten gedichten gedichten richten
richten richten wichten richten lichten
lichten dichten lichten lichten betichten
betichten betichten betichten gewichten
aarde aarde aarde gaarde
gaarde gaarde baarde gaarde waarde
waarde geaarde waarde waarde spaarde
spaarde spaarde spaarde baarde
lopen lopen lopen slopen
slopen slopen kopen slopen dopen
dopen gelopen dopen dopen knopen
knopen knopen knopen kopen
winde winde winde zinde
zinde zinde minde zinde linde
linde gezwinde linde linde hinde
hinde hinde hinde beminde
Kijk je even meekijk je even mee
over mijn schaduw heen
zie de gieren cirkelen
boven mijn gedachten van steen
vleugels verzuren van grote hoogte
ze zijn haast onthecht
omdat mijn woorden
slechts spreken van droogte
*
er daagt een helder licht
over aardse zaken
en kan je zeggen
niet de dood blijkt van gewicht
de geboorte wil mij raken
daar die enkel
op toekomst is gericht
De echo sterftals de wind vermoeid
zijn sporen trekt
over het landschap
van mijn dromen
hoor ik slechts gefluister
door nog kale bomen
en slenter
stap voor stap
voorbij de echo
die in stilte is weggeëbd
De eeuwige tijdelijkheidmijn krachten nemen af
gekend in voorspoed
en aardse tegenslagen
toch mag ik zeggen
dat ondanks alles
waarden van eeuwigheid
bouwstenen blijven leggen
ook al vertelt de zee mij
van komen en gaan
het toont in wezen
steeds vaker in alles
een ondergeschiktheid
aan een groter doch
onbegrijpelijk bestaan
een gewaarwording
die groeit tegen
de verdrukking in
*
zou dat de reden zijn
waarom ik nog steeds
de zoete zoektocht
naar liefde bemin
Tekenen in het zandals je me even niet ziet
dan kan dat zeker kloppen
het dauwt namelijk
vlak boven de aarde
ik teken daar in het zand
met mijn vingertoppen
een hart vol met kinderogen
geloof me,
ze zijn van
onschatbare waarde
zij spreken mij toe
en ik
ik raak weer opgetogen
De ontvallen dichternog eenmaal
dwarrelen geletterde vlokken
gelijk uitgepluisde witte watten
langs schouders en
dunne vaalbleke lokken
bedekken mede
als een hemelse manteling
de lange zwarte jas
met opgestikte zakken
ik draag een harnas;
een omhulling over
stilzwijgen getrokken
in gedachten,
ontdaan van dynamiek
en gevoelens aan
ijspegels vastgevroren,
staar ik in de diepte
daar en onbereikbaar
ben ik mijzelf,
mijn dichter verloren
En facemijn ezel is van hout
opgerekt tot ooghoogte
wel zittend
immers staande ziet men
over het naakte linnen doek
herkent men niet de eigen droogte
om blinde vlekken te kunnen verven
spiegelt men zich aan een wit vlak
in deze ootmoedige pose
kan men enkel inzicht
uit schaduwrijke vergezichten
verwerven
ze huizen namelijk onder eigen dak
de dag trekt voorbij, de nacht valt
zonder maar een tint aan te brengen
brandschoon schilderen
is weinigen gegeven
het is tamelijk moeilijk
om zelf gemaakte verf
met waarheid aan te lengen
Illusoorsteeds vaker denk ik
voeg ik nog iets toe
aan wat reeds is gezegd
waarom aldoor herschrijven
over hetgeen eeuwenlang
telkenmale is opgedregd
dat komt vooral omdat ik
mijzelf zo geweldig vind
en de onbegrensde illusie bewaar
dat mijn inzichten worden bemind
als ik met het diepzinnige delibereren
in de ongekende lege verte staar
La Mort De Mon Amourmet gestrekte armen
draag ik haar boven mij uit
de handen in haar zijden
amper gesloten ogen
zoeken blind de vogels
in een blauwe lucht
wil haar door engelen laten begeleiden
lang sluikhaar valt gespreid
over mijn schouderbladen
zelfs dieper naar de onderrug
als een zoet tapijt dat
een zachte verleden liefde draagt
om later in verloren momenten
te kunnen baden
een doorschijnend kleed
bedekt haar benen
levenloos verzwaard,
haast nog zoekend naar de aarde
de gebogen knieën tonen
als het waren de overgave
haar voeten zijn blank
ze kruisen mijn blikken
ontelbaar in aardse waarden
mijn hart schreeuwt
bovenmenselijk is mijn wil om
haar te begeleiden als mijn liefde
door de betraande lucht
ik laat haar zakken op een bed
van reeds gevallen bladeren
vouw haar handen over de borst
roep om onmisbare krachten en zucht
ze is niet meer
ik mag haar nog slechts in
gevoelens benaderen
Zie haarvertel mij van rozen
zij ruiken naar de gunst
van een teder hart
laat mij luisteren naar
het timbre in het zuchten
van je zoete stem
ik voel je huid als warmte
gemodelleerd in een sterrengloed
je heupen dragen de contouren
van een laan vol vlinders
niets ontgaat aan mijn ogen
zelfs niet de pas
in een tred waarop naar
mijn ziel wordt gezogen
wees mijn lief
in dagen van gesloten wolken
draag mij over hoge bergen
ik zie jou
in een droom met
kleurrijke pauwenveren
je lijkt zo nakend puur
laat mij jou
hemelse verschijning
in alle toonaarden vereren
Ontmantelingsteeds meer vallen
bladeren van mij af
en voel de dag naderen
dat ik geheel naakt zal zijn
en verloren zekerheden ervaar
als een onafwendbare straf
wie ben ik toch geworden
roept mijn hart ten einde raad
is zoeken naar ademende liefde
struikelen over horden
en maakt het stof der aarde
van mij een holle veelvraat
het licht van de waarheid
werpt zijn schaduw vooruit
als geleidelijk de schellen vallen
ik zie mijn gezicht ontwaken
in de achterkant van het gelijk
hoeveel zuchten moet ik nog slaken
eer ik de eeuwigheid in mijzelf bereik
Ontmoetingals ik zo naar je kijk
stellen je ogen vragen
je lippen bewegen op geluiden
in een onbekende taal
ik weet niet of zij op
mijn antwoord duiden
leven jij en ik
op ongelijke dagen
met ieder een eigen verhaal
*
je koude ijle vingers
grijpen mijn hand
wil je me voelen
of zoek jij nog naar jezelf
in de broze wereld
door je geest omrand
La Mortvandaag weet ik geen vragen
op antwoorden die ik hoor
het lijkt een zinloze bijdrage
indien ik het luisteren verstoor
ik laat het gezegde verdrinken
in onuitputtelijke gedachten
angsten zullen onophoudelijk klinken
kan zelfs mijn verscheiden verwachten
*
morgen zal er niet meer toe doen
immers mijn ziel tracht heden
de overgave te verwerven
hopelijk net op tijd
voor een laatste zoen
opdat de naakte toekomst
een gesloten verleden mag erven
De zoete wenstoendertijd was mijn sterven ver
ongekend het eeuwige schaduwrijk
verlangen zocht enkel de mooiste ster
ik was onderweg naar gelukzaligheid
kom dan toch
x
ik rekke mijne tonge
tot vele ellen lang
met zoet
zal ik haar bestuiven
wees niet bang,
kus mij toch immer;
mateloos en
ongedwongen
x
het is ook zo spoedig binnenkort
sterker nog, weldra is nabij
vertel mij datgene wat er schort
als ik nu al in het heden glij
zie mij, kus mij
mateloos en
ongedwongen
kom
Inpalmenik zie je strakke billen trillen
als je achterwaarts
op een stoel
voor mij poseert
je draagt een maagdelijk kleed
dat valt over jouw ingesloten figuur
die enkel onzichtbare tepels etaleert
van een kennelijk frêle natuur
lange lokken vertolken
een sensueel verlangen
dat mij naar een scheppende hoogt drijft
mijn palet dwingt echter
de tinten anders te mengen
opdat ook jij in kunst beklijft
mijn hand dient de passie te verengen
*
jouw bleke gezicht
vereeuwigd in
teder ontluikend
buitenlicht
behoort nu
tot mijn wezen
kan nu zonder vragen
het ademen in je ogen lezen
La Comédie humainezelden zag ik zo
een masker vallen
in een klucht,
ongeschreven,
waarin de
sterfelijke mens,
verblind,
voor zijn eigen
bevalling vlucht
Een punt er achterik zet een punt
zomaar
zwart van tint
het blijkt meer dan een stip
die is minder ruimte gegund
doch wordt vaker
in de verste verte bemind
zo toon ik enkel
soberheid
met een pen
en wordt dit teken
vaak als onbeduidend
beschouwd
maar ook getuigt
het van een einde
soms onverwacht
men had dan liever aan
een verwachtingsvolle
komma gedacht
als na het slot
in tranen wordt gerouwd
en op vraagtekens
niet wordt beknot
Rijzende historievierhoekige laden in koloniaal
dragen elkaar van onder naar boven
elk draagt een ovaal slot van staal
dat herinneringen beschut tegen beroven
ze zijn als mijn opgebouwd geheugen
iedere ruimte gevuld met ontweesde dracht
ongeacht de kleine waarheid of grote leugen
veel is naar een gistend onbewuste gebracht
de toren draagt een kroon van ronde randen
laag op laag uitgedijd tot een hemels dak
bovenop ligt de verstilde tijd aan banden
wijzers lijken geklonken aan een Romeins rond vlak
het lage altaar draagt de verbeelde mens
die het verleden voor de toekomst bewaart
eeuwig voortleven schijnt haast een natuurlijke wens
doch die blijkt echter in vergankelijkheid geaard
Bespiegelingeerst is er
de verwachting
gevoed door schoonheid;
de gerijpte vrucht
van de idee
daarna
bij het zien van licht
een gemis aan symbiose
voortaan ben ik op
de andere mens gericht
al doende eet ik
drijfzand van aards geluk
vorm ik mijn gedachten
voel onbewust verstijfde druk
ben zo geworden tot wie ik ben
of zoals de mens gewoon is
dagelijkse dromen opgraven
die 's nachts bevriezen
onder een deken van vernis
toch ben ik niet machteloos
ik schep de kunst van leven
vecht tegen innerlijke bozen
of maskers die aanhoudend
spinnenwebben weven
moed is mij gegund
ademen nog een zekerheid
mijn kind geraakt
ondanks alles of door genade
in vervoering
speelt dapper
wordt zelfs verleid
mij wordt meer gegeven
zo lijkt het, dan afgenomen
al is de kwetsbaarheid
van groot formaat
voel het warme bloed,
soms stilstaan
maar ook weer
in mij verder stromen
het is ochtend
een dag vol met nieuwe uren
ik sluit nog even de ogen
want zo'n etmaal kan vaak
wel een eeuwigheid duren
*
ik sta op
en ga naar bed
immers
het is nog steeds nacht
ik heb even de zinnen verzet
Stillevenhelder sneeuwlicht uit
de hemelse maagd geboren
stuwt tegen het glas in lood
opgehangen tegenover het
ingelijste bos, dat romantiek
ademt van een zomer
de glazen Christus
in velden verdeeld
kijkt neer op de
volmaakte mens
zonder ledematen:
de torso van een man
zo toont een bescheiden deel
ik aanschouw de gekruisigde
zijn borst deels ontbloot
opdat ik zijn hart maar zie
door een schaduwrijk
getint spectrum
heelal wordt getoond
door kwetsbare schoonheid
te verbeelden
in denkbare ledematen
en een oppermachtige overgave
rode kunstrozen
sieren de aanblik
en vervolmaken
de schepping
zo ik die zie
door blinde ogen
de sneeuw is wit
mijn lucht grijs
Kapel in houtde takken knakken
onder mijn voeten
op weg naar de plek
van onze lieve zoete
het botsend licht beschijnt
de naakt uitgebeelde stammen
in hun stille dood
de ziel van verre
jaagt mij hijgend op
terwijl een resterend geraamte
de voeten kleurt met
striemende schrammen
de ouderdom geraakt
haast uit het menselijk lood
op weg naar de plek
van onze lieve zoete
ik waan mij nu
in de eeuwigheid van vrede
waar mijn hart
een overvloed verwacht
van zuchtende ruis
in aanbiddende gebeden
maar kruisende paden
zijn lijnen langs mijn leven
waar het gemoed altijd
onderdanig blijkt
aan een storende gloed
op weg naar de plek
van de verschijnende lief,
zo zoet
waar hemelse vreugde
eigenlijk voorspelbaar aards
wordt ingeboet
Inzichtsoms
is mijn wereld
zo groot
dat het geringe
genoeg blijkt
zoals leegte
mateloos ruim
kan zijn in
verlatenheid
daarom
besproei ik
het uitzicht vaak
met stilte
Glazen vitrinenaakt kan ik zijn
zo vreselijk vervreemd
ja, van de wereld om me heen
ik tel het vuur in mijzelf op
maar as kan je niet tellen
roept de gevlogen engel
nog uit de verte
haast onhoorbaar
terwijl de kim toch
mijn hart raakt
en de kou mijn vel omsluit
zo ontkleed kan ik zijn
in een vloed van gedachten
de handen, zwart van de resten
grijpen de hoogte
alsof ik mijn ziel nog wil redden
voor de kast met curiosa
ja, zo bloot
uitgepakt
en schijndood
ben ik
als ik de stem verlies
en verlaten
terug
op mezelf verlaat
Zwevenhet is midden in de nacht
en vertel wat ik hoor
zo lijkt de stilte zacht
ervaar enkel gebrom van
de toren links voor
het klinkt als de snelweg A50
overdag
het dient misschien zo te zijn
de wereld draait immers door
toch is het zo
dat ik even niets moet
het is zweven tussen aarde
en de slaap waarop men wacht
ik ben alleen
het voelt heel goed aan
praat in mezelf
en denk:
geen mens die nu lacht
of ik hoor huilen
wat een genot
om zomaar kort
in mezelf
te mogen schuilen
De boomde boom staat,
verlaat zich op wortels
naargelang zijn aard
verspreidt zijn armen
om zich hoger en hoger
seizoenen lang
met licht te voeden
en vocht te laven
of in de koude sterrengaard
zich aan het ijzige te schaven
zijn ruggengraat
groeit haast onzichtbaar
tussen legers mieren en
genestelde hoven
waarin hij
soms verstijfd,
kronkelig of gebogen
zijn ringen bewaart
zonder maar
een geleefd jaar
van zijn waardigheid
te beroven
uit gezwaaidhet is een lange zwarte jas
met diepe zakken
ik kocht een nieuw huis
om in te verblijven
mijn handen wilden
niet meer wuiven
naar zwijgende takken
die in het water
verder en verder drijven
Ik lijm met slijmvandaag plak ik al het loof
weer aan verlaten takken
ik hoor ze kraken, ben niet doof
ze zijn te stijf om ze op te pakken
de lijm is het slijm uit mijn mond
immers dat heeft zijn dienst bewezen
te samen met mijn charme als lont
zal het bos in wondervolle glorie herrijzen
de stramme stammen zeggen dank voor mijn geste
maar de bekommernis voor vallende blaren
toont mijn liefde voor verstotenen nog het beste
ik wil zo graag de pure gehechtheid bewaren
Dat ik jou miswees niet boos
als mijn lippen
verzwijgen
dat ik jou mis
het komt wellicht
door verzwegen jaren
van afgebroken twijgen
in een vergetelheid
die nog immer is
vraag niet waarom
ik geen weet heb
van een diep verlangen
mijn stem stokt immers
als ik de begraven pijn
in mijn gevoel
tracht op te vangen
Als lichten dovenals de nacht lichten dooft
en enkel de maan nog naar ons oogt
is er enkel drift die in geen tijd gelooft
en vurige krachten mateloos gedoogt
spieren als speren gericht op de daad
jagen ons op in een blinde storm
en waar denken de rede verlaat
worden we naar wellust gedreven
dan, ja dan, schreeuwt de liefde,
en verscheuren wij elkaars gewaad
om in natte naaktheid gestrengeld
onze zuchten tot eenheid te weven
Bitter is de smaakbitter is de smaak
in mijn mond
terwijl ik toch van
zoete dankbaarheid
zou moeten getuigen
niets wordt met zoveel
zuur overgoten
als de weg naar overgave
die door weerzin is gesloten
ik zoek dan maar
de bladeren bij elkaar
weet dat ook hun kleur
in de aarde sterft
maar terwijl ik naar de
vergankelijkheid staar
zal in die grauwe einder
zeker wel weer een
toekomst worden geërfd
Sint - Oedenrode

*
Waar gevels wit gekalkt zijn
en schaduw vrijt met licht,
daar vindt stilte haar rijm
en kent zwaarte geen gewicht.
*
Zelfportrethij kijkt mij aan
de grijsaard op zwart~wit
met een donker aureool
als ruggensteun
en in de mond een kennelijk
onregelmatig gebit
zou ik dat zijn,
die vraag daagt op
in mijn denken
de ogen neigen meer
naar onbepaald staren
of zijn er wellicht op uit
weg van het heden te gebaren
ja, ik ben het
en zie mij meer
naar binnen wenken
het zichtbaar vel oogt nog gaaf
terwijl ouderdom het omringt
in vale tinten
ondersteund door een geknoopte sjaal
je kunt het geheel zien als wijs
doch ook als smaak van gewezen taal
de omsloten glazen geven waarachtig
nog enige kleur aan mijn portret
en ik waarschuw u te veronderstellen
dat mijn hart in een vertraging is gezet
het is een moment
uit duizenden
creatief en niet onaardig
dat geef ik toe
het heeft ook iets van waardig
maar de schijn bespelen
is wat ik eigenlijk bij voorrang doe
zie maar wat dieper
in de blik van deze dichter
ze vertellen meer dan de starre lippen
uw dag maakt het niet lichter
dat hoeft ook niet met kunst
maar uw ziel zal zeker aan
het oneindige innerlijke nippen
zie dat gerust als een gunst
Estafettetijdens de estafette
van dagen en nachten
verdwijnt langzaam
je toegekend nummer
en dansen vaak
anderen in gedachten
op het ritme van
de eigen drummer
*
ik slenter verder
terwijl ik zwijgend kijk
binnen de horizon
van draaglijke
eenzaamheid
Verdwaald van mijn stekverder verdwaald van mijn stek,
zo tekent de wereld zich pijnlijk af
toch fluistert de stem van het lot
"ik tik jou gaandeweg verder met mijn staf"
meestal voorkomt het raam
dat mijn zicht helder ziet
ik handel dan vaak onder eigen naam
het lijkt een blindheid
die luisteren met eigen oren verbiedt
overweldigend zijn soms geluiden
als scherpe pijlen van alle kanten
heet zijn vaak de blikken van jonge bruiden
ja, ik weet dan niet meer van wanten
plots daalt de stilte genadeloos neer
dat voelt als eeuwig eenzaam aan
maar het schijnt zo van nature te zijn;
alles rimpelt in een groter meer
en wat ik moet doen
is aansluiten bij
liefdevol ademen
zo is het, als vanzelf,
uiteindelijk gegaan
Ommekeerhet loof, gekleurd of vaal
bedekt mijn wereld almaar meer
ik ben op weg naar innerlijke taal
spreken wordt zuchten naar een veer
in het park waar ik vertoef
lijken alle lichten te doven
het aardsparadijs toont zich grijs en droef
alleen eenden zie ik in een lage mist geloven
het lijkt altijd zo onverwacht
als ik de andere kant ervaar
zoals de dood nog als ver weg wordt gedacht
terwijl ik hem ergens in mijn hart bewaar
vroeger wilde ik nog springen over getijden
maar stramheid en inzicht der jaren
weten het wezenlijke niet te vermijden;
de natuur kan iedere ommekeer verklaren
Scalperenook al zet ik spotlights aan
het zal schaduwen niet raken
en probeer mee te gaan
in mijn onzichtbaar denken,
bunkers verdedigen het ontwaken
zakken vol met woorden
liggen al op de vuilnishoop
snoep met stroop
geslepen messen
doeken met tranen doorlopen
niets kon het versteende vlies
doen slopen
ontmaagden:
het is hakken
in mijzelf
als gedaagde
Schrale liefde, schrale troost ( 2 )als mijn gevoel slechts wordt
opgewekt door glinsteringen
met mate gedoceerd
als voor gedwongen kloosterlingen
kan enkel bescheiden aan God
worden gerefereerd
het is als leven in de
onbekende tijd van even
immers verwachtingen zijn als de dood
ja zeker, in overleven raakt men bedreven
en kijkt uit naar de kruimels
van het dagelijks brood
ik nader de overgave aan het bestaan
waar morgen niet verder reikt dan vandaag
of drempels het zicht enkel nog vernauwen
natuurlijk heb ik weet van een diepere laag
maar kan niet ontkennen dat ook nog eens
bij het vallen der bladeren
er gevoelens zijn die benauwen.
het is weten en kennen van het wiel
het verstand geeft uitleg
over de regelmaat der dingen
en ik sluit met een
dagelijks wonder de deal:
als jij blijft komen
zal ik jou in een stil moment
dankbaar bezingen
Schrale liefde, schrale troost ( 1 )het gras waarop mij de liefde
werd ingegoten was dun gezaaid
het bleek geen onwil
of door tijd overgewaaid
neen, er waren kale plekken
aan de moederborst
ook moest de genegenheid
zich oprekken over te veel
gelaten met dorst
het is daarom
dat liefde met mate
en vaak als leegte
door mij wordt gevoeld
neen, nimmer zo bedoeld
maar het was een smal gazon
met gevreesde gaten
o zo menselijk in die tijd
resten van autoriteit
en kortwieken van de groei
geloven en eeuwige vlijt
voorzagen de dragende hand
van schrale bloei
liefde voelen blijft voor mij
een hels karwei
de aarde bleek onvoldoende
bewerkt
en zeker niet alleen bij mij
Opwindingde glazenwasser is er weer
hij klimt omhoog
op weg naar een hogere sfeer
houdt hij het droog
zo hoog
het is een man
net als ik
windt me op
zo'n hijger op een trap
zweet breekt mij uit
zal hij mijn bovenraam
ook gaan doen
alsof ik er in stik
de spanning maakt mijn denken krap
kom, wees koen
vraag hem voor een bakkie
en geef hem ook zwaaiend
zijn verdiende poen
Gelukgeluk is onderhevig
aan ruimte, licht en tijd
is zelden overdadig
wordt door broosheid geleid
ik denk nog aan verleden jeugd
waarin toekomst stond voor morgen
blind op zoek naar onbekende vreugd;
de eeuwige liefde zonder zorgen
Mijmeringen over de Dood ( 3 ) slotUit de liturgie : Het Requiem
vaarwel mijn vrienden
allen om mij heen geschaard
ik voel nog steeds
jullie warme liefde
en neem het mee,
alles wordt in mijn hart bewaard
het zal de tocht naar het
onvergankelijke bemoedigen
alwaar de Schepper mij
zeker zal verwachten
engelen vol van Geest
en zo fijn besnaard
zullen jullie aardse
droefenis met verlichte
vleugels verzachten
ik huil nog een keer mee
en raak met mijn ziel
even aan grootse harten
terwijl de tedere rust mij
al over de stilte verhaalt
en helpt bij het afleggen
van aardse smarten
zing met mij het lied
van de eeuwige vrede
opdat al jullie tranen
aan elkander worden geweven
stilaan zal de Goddelijke
vreugde opnieuw in jullie
worden geboren en herleven
ik mag nu gaan en hoor
de cherubijnen roepen
zij willen mij op handen
dragen naar de Heer
voor allen toch
een troostrijke gedachte
vaarwel en wacht
tot ik in jullie wederkeer
Mijmeringen over de Dood (2)telkens als de dood
zijn aanwezigheid laat voelen
schaaft hij aan leven
steelt een lach
zal een deel van mij bekoelen
ik herinner de weelde
bewust geklemd in gedachten
totdat zij als zand
door de vingers glippen
zij hebben nagelaten
de pijn te verzachten
*
ik maak de dood
tot mijn lief om
eindeloos te beminnen
zullen dan grenzen
zich langzaam ontsluiten
en leegte zich vullen
met vertederende zinnen
Mijmeringen over de Dood (1)als morgen gladiolen
geschaafde nerven bekleden
zijn mijn dagen eerder geteld
en de laatste
mij een groet doet toekomen
zijn de waarachtige leugens al verteld
over mijn innerlijke vrede
en aardse capriolen
als touwen mij doen vieren
om dieper in de aarde te dolen
zal dan zout in ogen worden gestrooid
of willen de nazaten de opluchting versieren
*
op de dagen na morgen
en het zand mijn stede
nog meer heeft verzwaard
kan het zwart van eeuwige nachten
mij in vergetelheid gaan verzorgen
hoeft niemand meer op mij te wachten
immers mijn ziel is in het niets geborgen
De rooseen dag na gister
de roos bloeide
ik keek
en zag schoonheid
zoals eeuwigheid
bedoeld is
zelfs
in de schaduw
van helder licht
Schrijven In de luchtik was vergeten
hoe groot je ogen waren
of hoe speels zij konden zijn
zag dat weer even
wist opnieuw hoe
vriendschap mocht zijn
ik was vergeten
hoe jong je nog was
en de eigen wereld
wist te bespelen
lachend zoals
lachen bedoeld was
spelend met woorden
en blikkend
op muziek van
reflecterende akkoorden
ik zag het weer
zomaar
die ene keer
De kruiswegaan mij trekken vaak stoeten voorbij
ik spreek liever van stille tochten
geblinddoekt passeren verdrongen gedrochten
elkaar vasthoudend in een rij, zij aan zij
doorgaans zijn ze ook in schaduwen gehuld
nauwelijks zichtbaar voor mijn ogen
omdat de ziel maar niet wordt bedrogen
immers die is al met te veel spagaten gevuld
ze zingen het oude bekende lied
en warempel nog wel op die ene wijs
van hoe geef ik nog gevoelens prijs
zodat de bekende vreemde maar niet geniet
ik zelf fluit wat noten uit een sonate
het maakt de gang tot een theatraal vermaak
immers ik wil niet dat de laatste loper, de draak
lyrisch wordt van toeschouwende straten
In retroflectiefals jij mij ziet
hoort
mij ruikt
dan ben ik dat
maar meestendeels niet
het is haast een bindend zicht
dat zich vertoont in jouw licht
mogelijk vertroebeld
door gevoelgewicht
of gekluisterd
aan lijfelijk beklijven
*
als IK
naar je staar
beluister
jou proef
dan ben jij dat ook
maar mezelf
misschien nog meer
het is een beeld naar gelijkenis
gespiegeld in de oneindige ruimte
van mijn gesloten brein
jij en ik
ik en jij
ademen uit dezelfde atmosfeer
van de schone hersenschijn
In perspectiefals jij mij ziet
hoort
mij ruikt
dan ben ik dat
maar meestendeels niet
het is een verblindend beeld
dat opduikt in het verschiet
al strijken mijn ogen
de glans van een traan
en voedt mijn glimlach,
nu en dan,
jouw zieltogend bestaan
ik ren soms zomaar weg
om het eigen hart te ervaren
en vraag mezelf dan af
waar voel ik het nu kloppen
valt er in de verte
nog perspectief te vergaren
Le paradis du coeurnog erger
dan het sterven
is bij leven
verlatenheid erven
en chaos
je zuigt in een kolk
waar de ziel likt
aan een scherpe dolk
*dans le paradis du coeur*
het touw naar
de hemel lijkt gebroken
de opperherder is,
onaangekondigd,
ondergedoken
ik hoef niemand
te vertellen
hoe mensen
mensen pellen
*dans le paradis du coeur*
Ik en koffiedikstuur ik nog wel
op dat wat komt
of lig ik aan een infuus
dat mijn bewustzijn verstomt
verlies ik de grip,
zo die bestaat,
op dingen van belang
lijkt het maar zo
en gaat het onvoorspelbare
gewoon zijn eigen gang
het lijkt uitkijken
naar iets dat een mens verwacht
maar waar de tijd meester is,
en mij als onderdaan veracht
Memoiresik plukte een
verlaten zomerbloem
die nog verlangde naar
een zachte zoem zoem
wat zoete sap had zij nog te bieden
aan die geelzwarte zuigende lieden
in mijn handpalm
brak de steel
ik droogde haar
in jouw memoires:
het laatste deel
Vol van genade
Perpetuum Mobileal smeult het as en is vuur als de dood
waakt er toch een vlaag van puur purperrood
over verspreide paden door onzichtbaarheid
opdat geen traan zich daar verbrandt aan sterfelijkheid
ook al draagt mijn hand een hemel zonder gewicht
en zijn de ogen verdwaald of zichtbaar gedicht
waar ook nog kreten zijn gestaald door beproefde gebruiken
hoe duid ik jou, in vredesnaam, dat mijn rozen naar rose ruiken
of in wit zijn gebouwd op luchtige stromende stralen
die drijven over heldere toppen en neerslachtige dalen
gelijk het water het botsen tegen oevers kent
maar onbevangen in overgave aan voortgang is gewend
Onwetendheidwat schuilt er toch in mijn gedachten
wie stuurt de stilte in mijn hoofd
hoe komt het, dat je blijft verwachten
wanneer wellicht alle antwoorden
reeds zijn verdoofd
zwijg ik de stilte aldoor
omdat mijn tong is verdroogd
en schreeuwt een hemels koor,
dat alleen mijn zwanenzang
nog wordt gedoogd
het is raden in een doolhof
met steeds meer onwillige heggen
of likken aan aardse stof
waarin dorre wortels
vruchteloos naar wijsheid dreggen
Unne sielerusteicke bluuie effe op,
gelieck oewe sieje,
as die skemering faelt
dun daeg is dan bestreeje
ende draoge miene
swaore haande meeje
naor die fraogende naegt
moei van slegts
eene etmaol geleeje
ut flacke ontwaockt
as allengs ut ligt
sich ieler verspriede
telle skraope sich
sulcks bie elckaore,
leefe betaest ut geniete
urstes in die afont
bestaoi icke weere
vor unne korte duere
so is ut gewon
waj icke meene as
unne geruste sielefuere
(iegene taole)
De rozenkransgister verliet ik mijn huis
van dromen en verlangen
ook de straat bleef leeg
geen leven wist ik te vangen
zie weer de steegjes
waardoor ik liep
in jonge jaren
het was toen al
dat ik haast dagelijks
in eenzaamheid sliep
seizoenen waren als elastiek
of doods in de rek
leerde slenteren
zocht kontakt in denken
bladzijden vol
met verlaten mystiek
gister, buiten, vulde ik
weer een terras
vol met tafels en stoelen
en volgde de rozenkrans
telde daarin
voorbijgaande mensen
immers ieder weesgegroetje
was een kans
het bleef bij verstilde wensen
Liefdeliefde schijnt
in de schaduw
van de nacht
het draagt tederheid
stilte en donkere passie
ook ongrijpbare pracht
liefde is aards
verward in kluwen
van oplichtend verlangen
soms puur
en enige tellen
in ogen te vangen
Zomerkletsmoe word ik steeds meer
van al dat rijmen en dichten
wroeten in de ellende, keer op keer
ik kan mijn voeten niet meer lichten
er gaat wat voorbij
aan woorden en tranen
zeg maar leed
het vreet aan mensen
zuigt je leeg
als door een non-stop slangenbeet
daar zijn er nog
die aartsoptimisten
van bloemetjes, bijtjes
en een door liefde
overgoten hemel
soms is dat pure fantasie
of zieltogend gezemel
zeker, de zon schijnt achter
grauwe of witte wolken
en iedere ochtend kennen we
het klapperen der gebitten
van de morgenstond
maar in huize De Laatste Wens
wacht telkens weer de nacht
onder leiding van zorgmanager
Gijsbert-Jan Avondrood
de goede man kan
vanwege zijn naam
eenvoudig gedankt worden
op bidprentjes bij weer een dood
het leven is een rijm
van mensenverhalen,
is een cryptogram
dat me telkens weer
op het spellen van woordjes
doet richten
en deze dan verzamel
opdat zij te samen
met mij en opnieuw
voor de basale poëzie zwichten
Ploosje
ploosje roosje
gladdegans
dopke sopke
panseflans
ganseflans
in een heel
bronstig doosje
somme lommer
kommeretijd
stijf is kwijt
in zomerwijd
dijtje watje
schilletje
bommer de bom
geitje dom
kusje op een
heel rood
tomatenbilletje
Ik ken Uals ik ben, gelijk
de doorsnee mens
en dat ben ik
wijk ik niet af
van uw goed en kwaad
of lief en leed
in luiheid en verboden daad
als ik mens ben
gelijk allen
ken ik u
en speel ook toneel
met geopend doek
kijk dan de zaal in
gevuld met uw zielen
maar door de belichting
blijkt dat een schimmige look
oh zeker, ook ik
sta schijnheilig op de planken
met wijde ogen en volle mond,
maar ben niet slecht
zie mijn zon
en de geest in de
schaduw blijkt echt
de schepping is
zo het zich toont
het heeft altijd
op die wijze
onder ons gewoond
Smitsorgel : Een hemelse stem
In stiltede vormeloze stenen
die mijn zwijgen dragen
rusten in een kloostermuur
als engelen rond de ziel
beschermen zij de stilte
nadat mijn stem van
een donker geruis beviel
er is ook liefde
die warmte wil bewaren
hierdoor behoeven
alleen mijn handen
de eenvoud te verklaren
Vergankelijkheidik heb dit jaar van
het versgemaaide gras
de geur nog maar
één keer opgesnoven
zeker,
de zon heeft het groen
wel degelijk verwend
en spattend nat
heb ik ook wel herkend
toen regenbuien
zonnestralen
van licht en warmte
wilden beroven
*
thans kleurt de hemel
anders blauw
en sloten lijken geulen
zelfs de wilg weigert zijn spriet
ruik ik dan enkel het smeulen
daar de aardse versterving
een verdere bloei verbiedt
De zwarte madonna.
ik leef
in de baarmoeder
van de zachte dood
adem het sterven in
onderweg naar haar
maar al verwacht
zij
de zwarte madonna
mij
in haar vruchtbare schoot
en ben ik
aldoor op zoek
naar mijn zoetste min
het levend gemis
blijft de baar
verborgen in hoop
geeft het leegte zin
.
Als de Godin mij verleidtverleid mij niet
of juist wel
te denken die ik ben
of verban mijn gedachten
bijwijlen
naar een hemels paradijs
waar ik slechts
die ene vrouwe ken
ontbloot van zeden en kleed
doch getooid met
zacht betoverend vlees
dat verzuurde appelen
nog verzot zo zoetig spijst
zij krult langs mijn haren
stroperig van kruin tot zool
omringt mij met zwoele gebaren
opdat ik nog enkel drijf op zaad
dat geen geboorte ooit zal verklaren
ten einde ruk ik met alle macht
verroeste hekken open
spijlen met ingebouwde
gestorven rozetten
die weer uitweg bieden uit
de zalige hel
en verdoemenis
*
ik voel weer grond
waarop mijn ziel
koning is van de geest
en mijn lijf,
in stof geaard,
het getemde beest
In eb en vloed gedijenik ben er voor jou
ook al raak ik je ver
in het
samen zijn,
her en der
al zou ik aardse
klanken spellen
en jij van achter
afwezigheid denkt
ik kan slechts
fragmenten tellen
liefde kent een ritme
gelijk mijn hart
jou met zijn slagen wenkt
Zielerustik bloei even op
als de schemering valt
de dag is dan bestreden
en draag mijn handen mee
naar de nacht
moe van slechts één etmaal
verleden
het vlakke ontwaakt
als allengs licht
zich verspreidt
minuten schrapen zich
dan bij elkaar,
leven betast het gevoel
pas in de avond
besta ik weer;
kortstondig van duur
dat is
wat ik bedoel
Als een cirkel sluitonder mijn hemel
van grijze haren;
zij kennen nog lengte
soms tot schouderhoogte
naargelang het gemoed
deze snaren bespeelt
doch als maar meer naar
ijle dikte neigen
waar inhammen bij voortduring
ruimte scheppen voor het
schemeren in schaduw
onder dit dak
van toenemende jaren
ligt het klooster
met beelden vol gevuld
en resten van niets
als sporen van het volmaakte
zover het zaad zich
als vanzelf kon ontwikkelen
de binnentuinse ziel
die zeker nog een gat
naar de zon vermoedt,
bidden de kleppen van het hart
in eigen boezemtaal
het ritme van mijn leven
waar in cadans de liefde
komt en gaat en gaapt en baadt
in oude bezwangerde stuipen
of bij de doodsstrijd
van weer een jaargetij
ik honger de leegte vol
en stil de stilte met een lied
dat oneindige tonen
inslikt van een natuurlijke
hoop naar straks
doch past in de naïeve
verwachting naar morgen
ook wel toekomst genaamd
in mij bloeien de gladiolen
om de beurt naar kleur en klank
en wuiven met lichte zuchten
over het tere verlichte groene gras
vol ook van jong vuur en vluchtige as
als dan een stem roept
naargelang die ik ben
en de zure muren
die mijn geest,
denkbeeldig van allure,
maar door zwart aangetast,
in de echo van een kinderstem
afbrokkelen tot het
schuim van de zee
roep ik:
"ja, ik luister"
en volg de lach
in een kleine hand
"en ik ga met jou mee"
Ik gluur
op de klok gelijk
wentelt zij
naakt gespreid
in het hete rulle zand
ondanks de hoge factor
raakt het vlees
in no time verbrand
en ik,
ik lik het zout
van mijn lippen
na een dagje
digitaal knippen
Als een troost zoekt
ik traande de
wereld tot stilstand
voeten kleefden
aan zand en mieren
toen ik de waas zag van gras
in groen gespreid
door wimpers henen
langs randen van ogende bossen
en ik
gedachten moest vangen
in volgorde van ruimte en
gevoel
de benen stramden
terwijl ribben deden schudden
en de buik jaagde
achter diepten
leegblazend tot aan keel en ogen
ik traande de
wereld tot staande
en voelde de reikende hand
zo veraf dichtbij
mijn hart dat bonsde
trommels vol van
weeïge vochtgeluiden
zij deden mij zijgen
om te aarden
zoekend naar herstellende
en troostende waarden
Een mens van stofonder heiligheid van schijn
kent het leven vele kanten
als ik praat over mijn en dijn
blijken mijn woorden balken
en de ogen van de ander,
gedragen door splinters,
toch nog blinde bollen
onder een sterrenloze baldakijn
in mijn rug gapen velen gaten
soms met zout verweven
ook ik ken het haten,
pekelen en kneden
onder mijn hand is en wordt
nog veel geleden
de werkelijkheid
hoe die ook zij,
is verlaten
mijn huis kent glazen wanden
spiegels met de blik naar buiten
ja, en mijn nagels hebben zwarte randen
zij krabben de dood van ruiten
Fingerspitzenzij vinden afzonderlijk
dan wel te samen hun weg
over met ivoor beklede
naast elkaar gelegen
zwarte of witte toetsen
die buigend bewegen
voor mijn tien vingers in gelid
doch vaker in een sprekende
verhouding uitgespreid
de klavieren poetsen
op weg naar een kleurige klank
om de verwachting na te bootsen
die in een ritmiek van noten
tot opluisterende vervolmaking leidt
waar zij weer
op haar beurt
na enig tijdsbesef
de verte bereikt
en na ontmoeting
met het einde van de ruimte
liefst zoals het mij bekoort
mijn gehoor vertelt
dat het grootse samenspel
tot de Goddelijke schepping behoort
The Last Postals de merel
bij het heengaan
van de dag
de avondwake
fluit
word ik stil
en de nacht
mijn bruid
Aan mijn hofals ik jou of jou zie
zoals ik denk die je bent
je toelach
en spreek over
je mooie zijden
bedreig ik je dan
of vertel ik dat
wat je hart verwent
voel je dan wel
dat ik slechts aardig wil zijn
maar enig bezit wil vermijden
als ik jou of jou even
op een troon zet aan mijn hof
wees dan niet bevreesd
ik bewierook je ziel
soms gewoon spontaan,
zo ik ben,
of als mijn hart
door een kleed van
donker bedrukte stof
je diepte leest
ik ben
voor even,
zomaar,
bij jou of jou geweest
De herinnering*
ik herken
die mens
in jouw lach
zij stierf
eerder
dan ik zag
**
Op vlinderwuiversop wuivers
van een groene vlinder
spreid ik de armen wijd
zucht mee
van blad op tak
in de tuin naar ginder
waar een welriekende
serafijnenstruik
dromen verwent
met zoet en eeuwig licht
om nog meer
boezemgeur te verstuiven
aan dansende zielen
waaraan vedergewicht
is toegedicht
Afzonderlingenzeilen gaven een hemel
aan het podium
in een ruimte van lucht
waar stoelen leegte kenden
daarboven
vaak de ouden
van de dag
die nu en dan
de ogen naar
de aarde wendden
beneden zat toekomst
geringd met gerucht
in het gras
lyrische zielen
afzonderlijk
bij elkaar
bij het buffet
leek het even
een gemengd ras
(dichtersmeeting in
openluchttheater)
Foto
Ik juich u toevandaag juich ik.
ik juich u toe
hoera hoera hoera
driemaal hoera
zo vaak doe ik dat niet
hoort niet bij de denkende mens
of ernstige dichters gelijk u allen
die kennen het leed der aarde
vreugde is een afwijking
alleen in andermans lens
nog een keer
een drievoudig gejubel
voor de lezer die gij zijt
u leve lang zo lang
te lang misschien
maar zo lang u in gezondheid gedijt
ook schijnt de zon vandaag
dat komt omdat het is voorspeld
niets kan de pret nog drukken
immers vandaag zullen ook
de kleinkinderen niet
aan mijn voordeur rukken
zo heeft ieder op eigen wijze
een feestdag voor de boeg
een vorm van geluk uit hoop
de vlag gaat derhalve hoog in top
vastgezet met een driedubbele
windbestendige padvindersknoop
u ziet, dit is nog eens een genoegen
geen leed, geen gemis, gewoon niets
geen zweet, geen gezeur of zwoegen
vandaag zie ik eens vooruit
dat is reuze handig op mijn opafiets
leve de koning
leve de koningin
(naar keuze)
hoera hoera hoera