Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
02-02-2026
Mariae Lichtmess (Emmy Hennings), Hella Haasse, Norbert Bugeja
Bij Maria Lichtmis
Mozaïek van de presentatie van Jezus in de tempel in de Rozenkransbasiliek te Lourdes
Mariae Lichtmess (Die Darstellung Jesu im Tempel)
Maria machte ihr Kind bereit. Was gurrte die Taube leise? Heut wird das Licht der Welt geweiht. O, nehmt mich mit auf die Reise.
Maria und Josef gingen über Land. Es flog voran die Taube, Wie eines Engels Glaube, Und braucht zur Führung kaum ein Band.
Hat bis zum Tempel man wohl weit? Komm Fuhrmann, zeige dich bereit, Und nimm die drei auf deinen Wagen. Du siehst, hier wird ein Kind getragen.
O, Kind, noch hast dus1 gut und warm Auf deinem ersten Opfergang. Hier trägt die Liebe die Liebe im Arm. Schon keimte die Saat und die Taube sang.
Dann wieder war es Glockenklang, Wie Engelsgruss der durch die Seele drang. Es sang die Sonne über dem Feld: Gelobet seist du Licht der Welt.
Emmy Hennings (17 februari 1885 – 10 augustus 1948) De Museumshafen in Flensburg, de geboorteplaats van Emmy Hennings
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
Februari (Marjoleine de Vos), Hugo von Hofmannsthal
Bij het begin van februari
Denim serie. Blauwe schaduwen van februari door Nadezda Stupina, 2018
Februari
De keuze, zegt hij, is niet groot, er is verdriet om bij te blijven, of kies je voor het leven. Zo makkelijk klinkt hij, lacht moeilijk en wenst geloof ik alle dingen nieuw. Achter het raam zit het huiselijk leven onder de lamp bij de hagelslag luistert slordig naar elkaar en de muziek; vier jaargetijden, eerste deel. Hoor de lente. Wat al ruikbaar is moet nog te voorschijn komen het kan eenvoudig toegevroren, februari, verijsde rietpluimen aan metalen water. Toch doet een reeds vergeten geur geloven dat het komen zal. De dolle pimpelmees weet er al van, net als de vlier aan het diepje dat zich een weg slingert door modderig gras.
Het is zo ver weg, wij zijn zo stram vertederd het huiverig oog stuit op de kerktoren in de verte tussen onzichtbaar bezige bomen. Gehoorzaam halen wij onze adem in en als koolzuur in de Spa zo onbedwingbaar groeit alles zich een weg naar boven feestelijk bereid tot bijna niets.
Marjoleine de Vos (Oosterbeek, 19 april 1957) Uitzicht op de Oude Kerk van Oosterbeek
Leben, Traum und Tod … Wie die Fackel loht! Wie die Erzquadrigen Über Brücken fliegen, Wie es drunten saust, An die Bäume braust, Die an steilen Ufern hängen, Schwarze Riesenwipfel aufwärts drängen …
Leben, Traum und Tod … Leise treibt das Boot … Grüne Uferbänke Feucht im Abendrot, Stiller Pferde Tränke, Herrenloser Pferde … Leise treibt das Boot …
Treibt am Park vorbei, Rote Blumen, Mai … In der Laube wer? Sag, wer schläft im Gras? Gelb Haar, Lippen rot? Leben, Traum und Tod.
Für mich…
Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche, Mein Auge adelt mirs zum Zauberreiche: Es singt der Sturm sein grollend Lied für mich, Für mich erglüht die Rose, rauscht die Eiche. Die Sonne spielt auf goldnem Frauenhaar Für mich – und Mondlicht auf dem stillen Teiche. Die Seele les ich aus dem stummen Blick, Und zu mir spricht die Stirn, die schweigend bleiche. Zum Traume sag ich. »Bleib bei mir, sei wahr!« Und zu der Wirklichkeit: »Sei Traum, entweiche!« Das Wort, das Andern Scheidemünze ist, Mir ists der Bilderquell, der flimmernd reiche. Was ich erkenne. ist mein Eigentum, Und lieblich locket, was ich nicht erreiche. Der Rausch ist süß, den Geistertrank entflammt, Und süß ist die Erschlaffung auch, die weiche. So tiefe Welten tun sich oft mir auf, Daß ich drein glanzgeblendet, zögernd schleiche, Und einen goldnen Reigen schlingt um mich Das längst Gewohnte, das alltäglich Gleiche.
De jongeling in het landschap
De hoveniers legden hun perken bloot en overal liepen er bedelaars met zwart verbonden ogen en met krukken – maar ook met harpen en met nieuwe bloemen, de sterke geur van zwakke voorjaarsbloemen.
De naakte bomen lieten alles bloot: men keek stroomafwaarts en zag ginds de markt en kinderscharen spelend langs de vijvers. Hier in dit landschap ging hij langzaam voort, voelde de macht ervan en wist – dat zich op hem het lot der wereld had betrokken.
Hij naderde die vreemde kinderen en was bereid, daar in het onbekende een nieuw bestaan al dienend door te brengen. Het kwam niet in hem op zijn zielerijkdom, wegen van toen, herinneringen aan vervlochten vingers en verruilde zielen als méér te zien dan als nietig bezit.
Het geuren van de bloemen sprak hem slechts van vreemde schoonheid – en de nieuwe lucht ademde hij stil, maar zonder smachten: slechts dat hij dienen mocht, verheugde hem.
Vertaald door Victor Bulthuis
Hugo von Hofmannsthal (1 februari 1874 – 15 juli 1929)
Op een zonnige dag in september met een stelletje andere fietsers wachtend op de pont van Maassluis hoorde ik een vrouw met een vachtje van bonterig spul op haar zadel geflankeerd door een brandweersnor op een toon van let even goed op aan een stel dat het ook eens een keer op de tandem wilde proberen, vertellen dat zij wel de baas was in huis, maar dat hij, die daar naast haar, mooi altijd het laatste woord had.
Op Rozenburg, op de veerdam, ging de gewaarschuwde tandem – zij voorop; vier stampende benen – vol op het orgel. Binnen geen tijd kwamen ze los van de grond, stegen op, en waren uit zicht verdwenen.
Bij Warder
Bij gunstige stroming en voldoende zout ontstonden er schelpenbanken.
En nog steeds, op de strandjes bij Warder, tussen Hoorn en Edam, vind je schelpen, kokkels, strandgapers vooral, uit de tijd van de Zuiderzee die pas zijn losgewoeld, opgestuwd, aangespoeld.
Er staat me nog heel wat te wachten.
Den Haag Centraal
Wat laat u mij nu toch weer lijden, Heer! Weet u niet, hoe ik aan het tobben ben en tastend rondga? Waarom moet mijn blik zich dan nog hechten aan een apparaat met knoppen en met gleufjes en de tekst ‘Zoek uw bestemming en druk dan de knop in?’
Of de eerlijke Huronen de stijgende luchtdruk konden compenseren – ik heb hen nooit ontmoet. Ik denk aan gaven die veel verder gaan dan eerlijkheid. Terwijl die toch zou kunnen voldoen als troost, als ontroost, als weerobservatie, een souvenir van een reis en verlichting van het jichtige sterven.
Neem een vrouw. Neem haar niet in de woorden, vriend. In de wetenschap van een gedicht wordt niet bemind. Hooguit staat er berekend wat niet overbleef van een bestaan. Neem een hoofd en zoen het ver, ver weg van de taal. Verschroei een schoot en hoor, de zucht in je werkelijke oor. Ga dan naast haar liggen, al de lege eeuwen van je zinnen worden een zondagmiddag in haar waar.
Dwaling
Dagelijks hebben wij elkaar ontwaard, nooit hebben wij elkaar gevonden.
Nooit hebben wij elkaar geraakt, dagelijks hebben wij elkaar getroffen.
Dagelijks hebben wij elkaar gehoord, nooit heeft iets ons verstaan.
Nooit heeft iets ons verklaard dagelijks hebben wij elkaar gezien.
Nooit hebben wij elkaar ontweken, dagelijks hebben wij de omweg gedaan.
Nooit hebben wij elkaar verzwegen, dagelijks hebben wij elkaar verstomd.
Dagelijks hebben wij om elkaar bewogen, want wij wilden niet verdwalen.
Nooit hebben wij nader bewogen dan toen wij dwaalden om elkaar.
Verlies
Omdat ik me zo vaak verloren heb in dat zingen van de dingen, in de momenten van de mensen,
omdat het me het liefste was zo te verdwijnen, zo het lichtst en dichtst te zijn
bij de oorzaak van het gedicht
omdat ik me zo vaak vergeten ben in de klembeet van middagen immer de gapende schaduwen
omdat het mijn natuur was, mijn onmetelijk gewicht, mijn neiging tot daadwerkelijkheid,
was er niemand.
Bernard Dewulf (30 januari 1960 – 23 december 2021)
Denk eraan, dat de mens de mens een wolf is, dat hij loert op een slachtoffer, denk er altijd aan, ook nu, op dit ogenblik, in april, onder deze betrokken lucht, terwijl het is of je heel zacht het koren kunt horen groeien, terwijl de meisjes het onkruid wieden en de leeuwerik jubelt, denk eraan, ook nu!
Als je van de wijn proeft in de kelders van Randersacker, als je sinaasappels eet in de tuinen van Alicante, als je inslaapt in hotel Miramar, vlakbij het strand van Taormina, als je op allerzielen een kaars offert op het kerkhof van Maastricht, als je vissend je net ophaalt boven de Doggersbank, als je in Detroit een schroef van de lopende band pakt, als je rijstplantjes poot op de sawah’s van Sumatra, als je per muildier over de Andes trekt – denk eraan!
Denk eraan als een hand je streelt, als je vrouw je omhelst, als je kind lacht!
Denk eraan dat als de katastrofe weer achter de rug is iedereen zijn onschuld zal weten te bewijzen! Denk eraan: niet op de kaart liggen Nieuw Guinea en Bikini, maar in je eigen hart. Denk eraan dat je schuld hebt aan al het verschrikkelijke dat ver van je bedreven wordt.
„Der Waldplatz ist nicht einmal Teil der Tour, dieser hinterste und schlechteste aller Fußballplätze, der keine Ban-den und keine Netze hat, in dessen Mitte ein einzelner Baum steht, der gleichzeitig aber auch der beste Platz ist, weil man sich nirgendwo sonst auf dem Schulgelände weiter von allem anderen entfernen kann und weil direkt dahinter, beim Theater Akzent, in Sichtweite der Nuntiatur, der päpstlichen Botschaft, die beste Stelle liegt, um über die Mauer zu klettern. Wenn die Kinder wieder nach Hause kommen und ihre Eindrücke mit den Eltern besprechen, das Marianum mit anderen Schulen vergleichen, Pro-und-Kontra-Listen anfertigen, um eine wohlüberlegte Entscheidung zu treffen, erwähnt kein Einziger von ihnen die Mauer. Auch Till nicht, ein kleiner rothaariger Junge, dem sie sehr wohl aufgefallen ist, der sie angeschaut, sie wahrgenommen hat, im Gegensatz zu vielen anderen Kindern, für die sie nicht mehr war als eine altmodische Theaterkulisse, ein in grauen Pastelltönen zum Horizont führender Übergang. Es wäre aber falsch, Tills abweichenden Eindruck mit einer besonderen Auffassungs- oder Beobachtungsgabe zu begründen, ihm die Hellsichtigkeit zu attestieren, jetzt schon zu erkennen, was den anderen erst mit 14 oder 15 wirklich ins Auge stechen wird, nämlich dass sie, anders als andere Jugendliche aus anderen Schulen, hier eingesperrt sind und dass die Mauer dabei eine sehr pragmatische Rolle spielt. Es liegt auch nicht daran, dass Till sich schon bei der Aufzählung der Fußballplätze, erst recht aber bei ihrer Besichtigung langweilt, keinen Elfmeter schießen will, noch weniger, als er dazu gedrängt wird, Probier es doch einmal! Trau dich!, so wie immer alle zum Fußball gedrängt werden, als gäbe es nichts anderes auf der Welt, bis er sich schließlich doch fügt, weil das Warten der anderen hinter ihm einen Druck erzeugt, den er von Sprungtürmen und Wasserrutschen im Schwimmbad kennt, wo umzudrehen und gedemütigt abzusteigen irgendwann gleich unmöglich ist, wie zu springen. Seine Beine werden beim Anlaufnehmen so lang, dass er Höhenangst bekommt, während das Tor immer weiter schrumpft und die Arme des Tormanns in die Breite wachsen, und er stolpert schließlich über seine eigenen Füße, ohne den Ball zu berühren. Till steht auf und denkt keine Sekunde darüber nach, ob das gerade peinlich war. Es ist Samstag, und als seine Mutter ihn mit einem «So, jetzt müssen wir aber wirklich los!” aus seinem Zimmer geholt und die paar Hundert Meter zu der Schule gebracht hatte, lagen schon drei Stunden Assassin’s Creed hinter ihm, weshalb er sich noch immer in diesem angenehmen, von der realen Welt losgelosten Zustand befindet, den das Eintauchen in andere Welten erzeugt.“
Verrotte paperassen (- intussen zijn de woordsplitsing en de spelling veranderd -) wij verzamelen alles –
telefoonnummers dwaze afspraken, vliegenpoten.
Hier wachten we op de monnik van Heisterbach, op zijn ronde gezicht, dat wij ooit hadden. ‘Ach, de balans!’ Hij komt buiten adem. Zijn wij het? Wij herkennen hem niet meer.
Vertaald door Jan Gielkens
Günter Eich (1 februari 1907 – 20 december 1972)
Onafhankelijk van geboortedata
De Oostenrijkse schrijfster Margit Mössmerwerd geboren in 1982 in Hollabrunn. Mössmer studeerde theater-, film- en mediastudies, evenals Spaanse studies in Wenen. Ze was redacteur en afdelingshoofd bij het onafhankelijke tijdschrift FM5. Vanaf 2007 werkte ze bij quartier21 in het MuseumsQuartier Wenen, waar ze verantwoordelijk was voor communicatie en verspreiding .Ze is getrouwd met de schrijver Tonio Schachinger. Na talrijke literaire en journalistieke publicaties in diverse tijdschriften zoals EIKON, corpus, VICE, schau Kunstmagazin en betonblumen, verscheen in het voorjaar van 2015 Margit Mössmers debuutroman, *Die Sprachlosigkeit der Fische* (De sprakeloosheid van de vis). Fragmenten uit de roman hadden in 2010 al een prijs gewonnen bij de WÖRTER.See literaire wedstrijd van de Oostenrijkse radiozender Ö1 en werden uitgezonden op Ö1. De losjes met elkaar verbonden episodes draaien om de protagonist Gerda, die zich door tijd en ruimte beweegt. Zo werkt ze in de ene episode als au pair in Londen, terwijl ze in een andere episode haar pensioen doorbrengt in Ecuador. Ze wordt ook afgebeeld als burgemeester van een Siciliaanse stad en als de geliefde van een stierenvechter in Madrid. Irmi Wutscher omschreef de roman in een segment op de Oostenrijkse radiozender FM4 als “magisch realisme gemaakt in Oostenrijk”. In de zomer van 2015 verscheen de tweede editie van de roman, die een extra verhaal bevatte. Het boek is nu verkrijgbaar in een derde, uitgebreide editie. Margit Mössmer werd, samen met vier andere Duitstalige auteurs, genomineerd voor de Franz Tumler Literatuurprijs, die in september werd uitgereikt. In 2020 was Margit Mössmer fellow aan het Bundesländeratelier voor Schrijvers in Paliano bij Rome en fellow aan het Praagse Literatuurhuis.
Uit: Das Geheimnis meines Erfolgs
“Dag dag dag, tschewi tschewi dag! Mit dein Ruf der Am-sel musste ich einsehen, dass ich kein Bandit war. Ich er-hob mich von meinem Sessel, riss Henry Fonda von der Wand, schlüpfte aus der Hose, nahm endlich den Hut ab, zog die falschen Stiefel aus und kickte sie mit dem Fuß unter den Schreibtisch, wo der falsche Revolver lag. Ich spürte die Butterkeksbrösel unter meinen nackten Sohlen. Sie erinnerten mich daran, wie lange die Nacht gedauert, wie sehr sie aus Stunden, Minuten und Sekunden bestanden hatte. Butterkeksbrösel, wenn man nahe genug he-rangeht, sehen aus wie Himmelskörper. Sie können von Raum und Zeit berichten. Sie sind Zeugen von Vergangenheit und Gegenwart. Leben und Tod. Ich ging quer durchs Zimmer über die roten Spuren auf dem Boden. Sie sahen aus wie kleine Flugzeuge. Vor dem Fenster blieb ich stehen, zog das Hemd aus, machte einen großen Schritt auf den Stapel IKEA-Kataloge, lehnte mich mit dem Oberkörper hinaus und blickte zur Amsel in die Wiese hinunter, senkrecht. Es ist nicht weiter bemerkenswert, dass mein Fenster offen stand, auch wenn draußen der Schnee lag. Mir war heiß, heiß wie an jedem Tag. Die Amsel wendete ihren Kopf und sah zu mir nach oben. Sie beobachtete mich dabei, wie ich mich auf das Fensterbrett setzte, wie ein nackter Reiter auf sein Pferd. Wie ich schließlich auch mein linkes Bein über den Rücken des Pferdes schwang, sodass beide Beine in der Luft hingen. Die Amsel war eine gewöhnliche Amsel und hatte daher auf die angenehmste Weise nichts dazu zu sagen. Sie wippte dreimal mit ihrem Schwanz auf und ab und flog in den blätterlosen Holunderbusch. Ich blickte an meinen Zehen vorbei in die Tiefe. Der Schnee dort unten war Februarschnee, wässrig und von der frühen Morgensonne beschienen. Ich rutschte mit meinem Hintern einen Zentimeter nach vorn. Meine Fingerkuppen waren noch dagegen und hefteten sich ans Mauerwerk. Unten in der Küche war Nina schon mit dem Herrichten des Frühstücks beschäftigt. »Nina!«, rief ich. »Nina!« »Was?« »Kannst du mir helfen?« »Ich habe zu tun!« »Nina!« Sie ging endlich die Treppe hinauf. Unsere Treppe bestand aus zwölf knarzenden Holzstufen, also konnte ich ihren Weg nach oben mitzählen. Eins, zwei, drei, vier, bei fünf zitterten meine Arme vor Anstrengung, mein halber Kör-per hing schon in der Luft.”
De dag kan komen en ik wens hem niet waarop het hart, gevuld met spechten lol op de pof, gedane liefjes of de scherven van een slordig onbeheerd verdriet kortom waarop elk rammelhart plots kalm wordt als een koffer.
Een vers is maar een regel lang één letter diep en elk gedicht, elk boek herbergt een piepklein afgelijnd gevang dat je voor even laat ontsnappen. Op ons papier woedt oorlog veilig rijmt massagraf op poëzie.
Maar de dag kwam, en hij kan weer komen waarop uw woorden eetbaar worden kaal en schaars, levend onder aarde. Inkt weegt er zwaarder. Papier ontvouwt. Je werd toen vermoord om een drukpers in de kamer. Rauwe mens, van zijn beeldspraak ontdaan.
Iemand schrijft ‘De mensen stierven staande’. Je denkt bij wijze van. Leest het opnieuw beseft: ze vielen pas neer bij het uitladen. Als deze dag nadert, niet zo exact, maar gewoon als letterlijkheid aan uw hart komt knagen wees dan ongenood – en treed binnen.
Hang eerst uw doodsangst in de gang. Leg familie, vrienden op de bestemde plank. Veeg voeten, handen, eigenschappen. Trek uw beroep uit. Laat alles gaan. Staat u mij toe de laatste metaforen en versiersels van u af te slaan.
Ik moet u, als in vroeger dagen vragen het ras voorzichtig los te pellen. Afkomst verwijderen, kleur ontkennen. Wandel nu rond, bleek-doorschijnend door de bezige kamers van het huis waar we eetbaar zijn. En o ja: zeg jij tegen mij.
We zijn nu bijna zonder opsmuk. Ontkleed je. Ga tot op de huid. Kijken we samen naar je buik. Je rug. Tien vingers, één navel. Het vet in je zij. Alle botten, wervels en kiezen verzameld. Alle trilharen, smetten, rafels: dat ben jij.
En in deze schaamte zijn wij vrij. Ik denk vandaag aan onze naaktheid in de hoop dat niemand ooit het grote gelijk in je ontdekt onze longen bezet, opvult met honger of zijn geloof in je plant als een schep.
Als het komt – zet je schrap tegen mij. Alleen hier, in weerloosheid zijn wij vrij.
DE ONDERMENS EN ZIJN HABITAT
welkom in het land van melk en honing hier groeien vijgamandelabrikozen zonder beeldspraak aan gewillige bomen eet ervan word mijn gast vandaag ik betaal je taxi naar de eerste blokkade
mijn vader staat achter de tweede blokkade wees van de nacht ook zijn eregast met olie brood oregano sesam bij hem liggen sterren stil op plat dak slaap bij hem breng groeten van nadir
de dag naar mijn vader is minder maar moet probeer een jochie met handkar te vinden neem ezels of klim te voet langs de rotsen volg anderen en spreek met jezelf af nu zijn we dieren dit mag
daar stuiteren rolstoelen door het stof terug van de stad waar men zieken geneest met kanker suiker in volle zon veel bejaarden veel zieken veel zwetende dieren maar zo is dat ook bedoeld geweest
overdag zijn wij zwetende klimdieren omdat het zo bedoeld is geweest ze slaan en schoppen de dieren met reden ooit zullen wij melk en honing geven ontstaat uit mensenhand mannaregen
indien je dit krankzinnig vindt habibi bedenk dan kilometers verderop zitten echte meisjes en jongens angstvallig als daad van verzet op terrassen van starbuck luidkeels te vrezen voor het leven
Een leeg Grieks restaurant. Er lopen mensen langs, Duitsers, Schwaben en wat niet al, er wordt geen muziek gespeeld. Het restaurant heet MYTHOS.
Een Griek brengt het eten. Fijngesneden reepjes vlees, knapperig varkensvlees, salade en rode rijst. Ik kijk uit het raam, eet, werp een blik op mijn bord en
zie plotseling: Griekse letters. Gyros. Poleites. Mesogaios. Helos. Op elk reepje vlees staat een naam. Natuurlijk, dat zijn de mannen van Odysseus,
die Circe in varkens had veranderd. Nu is hun vel uiteindelijk ook bij mij aangekomen. De Griek komt, glimlacht, geeft de orchidee water uit een kan, PHALAENOPSIS. MYTHOS.
Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen. Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen. Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen. De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd. Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten. Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen. Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever. Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’
Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.
“Leegte is de moeder der uitvindingen,” zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010. Brooklyn. Ik loop in de zachte regen, nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.
Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?
Een kraai daalt even neer, zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.
Uit: Der Mann hinter dem Nebel (Vertaald door Peter Groth)
„Prolog Ich hatte nicht gedacht, dass ich jemals so eine Angewohnheit entwickeln würde, doch vor ein paar Jahren, als das Apartment, in dem wir wohnten, von Grund auf renoviert wurde und wir mehr als einen Monat in einem anderen wohnen mussten, bemerkte ich, dass in der ganzen muffig riechenden Wohnung voller Kakerlaken die Badewanne der einzige Ort war, an dem ich mich halbwegs gut fiihl-te, und zwar deshalb, weil sie — aus einem dieser seltsamen Zufälle, die einen nachdenk-lich machten —, identisch mit jener war, die wir hatten, also in der alten Wohnung hatten, die nun renoviert wurde. Ohne mir groß be-wusst zu machen, was ich tat, verbrachte ich immer mehr Zeit in der Wanne. Wie in einem gusseisernen Sarkophag streckte ich mich darin aus, legte mir ein Handtuch unter den Kopf und begann zu lesen, ohne Wasser einlaufen zu lassen. Das Deckenlicht machte ich nie an; manchmal musste ich nicht einmal die Kerze anzünden, die ich mitbrachte, denn es genügte, das Fenster zu öffnen, sodass sich der Goldschimmer des Mondes über die Buchseiten ausbreitete, ein sanfter und schmaler Strahl, wie eine Laterne, die nur das beleuchtete, was beleuchtet werden musste, und die übrigen Dinge im Schatten ließ. So verbrachte ich während jener anderthalb Mo-nate fast jede Nacht, wie ein nachtaktives Tier, das seine Beute in den Büchern suchte und am Tage ruhte, um neue Kraft zu schöp-fen. Als wir dann in die alte, doch auf gewisse Weise auch neue Wohnung zurückkehrten, verzichtete ich zunächst auf diese Angewohn-heit, da ich nun keinen Grund mehr dazu hat-te, doch nach einer Weile, und ich weiß nicht warum, verspürte ich das Bedürfnis, wieder damit anzufangen. So kam es, dass ich in einer jener späten Nächte, als der Rest des Hauses schlief und ich diesmal im heißen Wasser in der Wanne lag und beim flackernden Kerzenlicht ein Buch las, in eine Art Traum sank. Ich hafte den Eindruck, nicht mehr in jenem Buch zu lesen, einem Roman, den ich bereits vor einer Weile angefangen hatte und nicht zu Ende be-kam, sondern mein eigenes Buch, ein Buch, das ich nicht einmal zu schreiben begonnen hatte.“
Toen ik ging vroeg ik ze om mee te komen Ik hield de deur open en mijn ogen neergeslagen zodat ze eruit konden, vrij werden In het nieuwe huis woonde zij bij het woonkamerraam Hij in de werkkamer bij de deur Ze zagen hoe ik worstelde En hun armen lagen om mijn schouders zonder gewicht of gevolg Mijn gedachten mijn hart en toen ik weggeroepen werd pakte ik alles, verscheepte, verzond nam afscheid en werd minder op deze plek en ik vergat ze te vragen mee te gaan naar mijn oude leven dat ze uit den treure kenden en volgens mij woonden ze nog steeds in het huis dat ik verliet Tegen een vriendin zeg ik: ben mijn geesten vergeten en zij weet te zeggen : die komen na
Vertaald door Elbert Besaris
Nora Gomringer (Neunkirchen an der Saar, 26 januari 1980)
“Lieve Jilles, Toen mijn moeder, Marie, jong was, legde je om de zoveel tijd scheepskaarten op de woonkamertafel om de veranderde vaargeulen van de rivieren bij te tekenen. Je legde de kaarten op een houten bord en ging te werk met een passer, een speciale liniaal en een potlood. Eb, vloed, de diepte van de rivier, stroming, de plaatsing van betonningen; de elementen veranderden constant, jij hield het precies bij. Je was loods, jij zorgde dat schepen goed van haven naar haven kwamen. Je had totale controle over wat er voor je lag. Jij wist de weg, als enige. De tientallen scheepskaarten lagen opgerold in je werkkamer, netjes opgeborgen. Zo kende ik je ook als kind: strikt en opgeruimd. Je verzamelde postzegels, munten en telefoonkaarten, je hield van mathematische spelletjes, sport, klaverjassen en schaken. Je was streng maar rechtvaardig. ‘Je moet zorgen dat je alles altijd op dezelfde plek neerlegt. Je moet blindelings alles kunnen vinden,’ zei je ooit tegen je dochter Anna, mijn tante. ‘Dat had hij van zijn marinetijd,’ vertelt ze me, ‘je moet weten waar alles ligt in je hut.’ Ik sta altijd wantrouwig tegenover totaal geordende ruimtes, opa, daar klopt iets niet, ik krijg er jeuk van. Wie al zijn bezittingen steriel en overzichtelijk neerlegt, heeft meestal ergens een kast of een kist of een doos waar allerlei onverwachte dingen uit kunnen donderen. Wie het oppervlak beheerst, verbergt het meest: stille wateren hebben diepe gronden. Opa, je lag al jaren in de totaal ongeordende la (sorry) van mijn kleine schrijfbureau te wachten. Je zat in een houten bakje vol zwart-wit, kleur en sepia kiekjes van onze familie. Altijd als ik door dat bakje ging om in een verhaal te duiken, hield ik twee zwart-witfoto’s van jou vaak wat langer in de lucht: een uit de winter van ’44 en een uit de zomer van ’43. Ik noemde ze ‘de Zweedse hout-hak-foto’s’. In de winter van ’44 sta je met je handen op je rug op een besneeuwd pad.”
Ik ben een kleine wereld, knap gemaakt Van elementen en een engelenhart, Maar eeuwige nacht brengt nu mijn zondezwart Aan mijn twee delen, en hun einde naakt. U, die voorbij de hoogste hemel raakt Aan nieuwe sterren, nieuw land, zeer apart, Giet zeeën in mijn oog, zodat mijn smart Tranen spoelt en berouw mijn wereld kraakt; Of was haar schoon, verdronken was zij al; Maar zij moet branden; neen, reeds woedde het vuur Van afgunst, en bracht haar tot verval En gorigheid; maak hun vlam kort van duur En brand in mij een vurigheid voor Uw beeld En voor Uw huis, Heer, die verterend heelt.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Portret van John Donne, gedateerd 1591, Engelse School. Frontispice van ‘The Poems of John Donne’, gepubliceerd in 1942 (detail)
De Winter heeft, hoe grijs van kin, Een kleur als melk en bloed! Hij tafelt lang; schenkt naarstig in; En ’t maal bekomt hem goed. Hij plant, hij delft, hij ploegt bij daag, Vermand door sneeuw noch buldervlaag; En trekt wel eens, in jagersdragt, Naar ’t glinstrend bosch, ter avendwacht.
Als ’t ijs den radden vloed houdt staan, Voelt hij zijn kracht gesterkt: Zijn schaatsen gonzen langs de baan, Zijn hielen zijn gevlerkt! Bevracht een aardig kind zijn sleê, Hij zwaait er als een veder meê, En ’t meisje tart, tot sneller vaart, Haar speelnoot achter ’t rinklend paard.
Zijn haardsteê lokt de jeugd bijeen; Zij wemelt om zijn stoel. Hij pleegt terwijl zijne oude leên, En schatert in ’t gejoel. Een sprong in ’t ronde mag hij wel, Doch voegt zich liefst bij zang en spel; Of kort den nacht met gul gejok, En heeft geene ooren voor de klok.
Omsingle ’t West, met slibbe en plas, Zijne ongenaakbre stulp, De Tijd gaat met geen trager pas; Dank zij der Muzen hulp! Gemis wordt in genot verkeerd, Als ’t Oosten op zijn beurt regeert; De vorst het grondloos pad bestraat, En vriendschap weêr uit buren gaat.
Wie dan den Winter lastren meugt, Kraait gij ons, na en voor, Van Lenteblijheid, zomervreugd, En Herfstvermaak aan ’t oor? Den Grijsaard zij, als eerbetoon, Een krans van palm bij ons geboôn; En klank van gouden snaren zweev’ Door ’t feestgeroep: ‘De Winter leev’!’
Meizang.
’t Is Lente! Lente! Het feestgeschal Van ‘Lente! Lente!’ Klinke overal!
Hoe geurt de wasem Der berkenspruit! Hoe zacht is de asem Van ’t vriendlijk zuid!
De bijtjes dragen Weêr honig aan; De tortels klagen; De wachtels slaan.
Op weide en akker – Langs vliet en poel – Is ’t leven wakker – Is blij gejoel.
Was ’t meerder weelde, Dan lentevreugd, Die Adam streelde, In Edens jeugd?
Of breidde de aarde, Toen de Eerste Bruid Haar bruidkrans gaarde, Zich schooner uit?
Anthony Staring (24 januari 1767 – 18 augustus 1840) Portret door Johannes Immerzeel, 1840
De Westindische dichter en schrijver Derek Walcottwerd geboren op 23 januari 1930 op St. Lucia, een van de kleine Bovenwindse Eilanden. Zie ook alle tags voor Derek Walcottop dit blog.
GOD REST YE MERRY, GENTLEMEN
Elke straathoek is Kerstavond in het centrum van Newark. De Wijzen lopen in zwarte overjassen en koesteren een fles spiritus, en hoeren loeren vergeefs uit de donkere kribben van portieken. Een gekke koning breekt een fles ter ere van de bijstand, ‘Ik maak ‘m dood, de klootzak’, en voor zwarte woonblokken zonder werk is de lucht vol kristallen splinters.
Een bus breekt uit de zinsbegoocheling van water, een nijlpaard onder natte straatlantaarns, en knarst verder in rook; elke schaduw lijkt te wankelen onder het bijtend zuur van neon – haperend als pis, sommige l tt rs uit- gevallen, gedoofd – op twee witte verpleegsters na, hun roeping nog witter gemaakt door het donker. Over twee dagen zijn er verkiezingen.
Johannesburg is vol sterverlichte kroegen. Het is anti-Amerikaans zulke vergelijkingen te trekken. Denk aan Newark als aan Kerstavond, als alle mensen je broeders zijn, zelfs deze; geef ons vrede in pakketjes, laten er geen gebroken flessen meer zijn in de hemel boven Newark, laat het niet glanzen als spuug op een drempel, denk aan de denneboom- piek met de gouden ster erboven op de fluoriserende bumper-sticker van een passerende auto.
Dochter van je eigen Zoon, Moeder en Maagd, groot is de sprankeling van het wolkenkrabber-firmament in zure plassen, de gouden ster in etalages, en de gele ster op de door mot aangevreten mouw van de avond als de zwarte jas die Hij droeg door mesdunne ellebogen uit het ghetto de veewagen in van Warschau; nergens is Zijn komst meer immanent dan in het centrum van Newark, waar drie lichten de sterverlichte wieg en de evergreen kerstliederen geloven voor het musse-kind: een jochie met zwarte flapperende jas gevolgd door een witte ster terwijl er een politie-auto patrouilleert.
nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes in een weckfles, buurmans radijzen
en aan de doden die hier woonden, met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een jongen die de sloot inliep, een vrouw die viel het bloed vloeide zomaar door mijn kamer
het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar bewapende soldaten, een veldheer die het oosten veroverde, bommen op een stad. of eerder nog: zonnestelsels die ontstonden (een vage herinnering), sterren die hun eerste licht smeten het vuur smeult nog na in mijn open haard
mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd en niet dikker dan het vlies van mijn huid?
hoe ik loop over smalle planken met het huis in mijn doorzichtige hand
De gave
ik liep nog één keer door de stad om alles weg te geven mijn benen liet ik aan een bedelaar die zijn hand ophield in een schemerig park mijn vingers gunde ik aan een vogel die er zijn jongen mee voerde mijn kleumend hart schonk ik aan jou een vreemde, bloederige gave! toen was ik niets meer dan een lang verlaten, een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook het onstilbaar verlangen van de late bedelaar, het vogeljong dat reikhalzend uitvloog en jouw meisjesogen die dorstig dongen naar de broze blijdschap van een nieuwe dag
Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht; Nog even leef ik; nu de laatste tik, En gulzige dood ontleedt onmiddellijk Lichaam en ziel, en ik rust even zacht, Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik; Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort, Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel; Dus val, zonden, terug waar je behoort, Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel. Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad, Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.
Vertaald door Jan Jonk
John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631) Cover
Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.
De neushoornjager is niet echt poëtisch Hij schrijft gedichten, dat wel Zijn het goede gedichten? Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.
Want toen ik ze las was ik gedrogeerd Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf Hij is vadsig, hebberig en rancuneus Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.
In haar tuin staan kruiden Die zonder sporen dodelijk zijn Toch zal ik mijn oom laten leven Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.
Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels
De zijne, de mijne, de hare In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.
De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’ Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.
Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam
Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde Het terrarium heb ik zelf moeten kopen De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’
Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden Omdat ik mij schaamde Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.
De naam van de varaan lag op de grond Tussen een jonge snijtand en een drievork Die een gemberwortel bleek te zijn Ik probeerde mijn muze te bellen Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.
Terug naar vandaag dan maar De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid Blijf ik vaker thuis om van hem te leren Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.
We worden stommer en breder Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar Met een groot hart ertussen uiteraard Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)
De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolzop dit blog.
Huis in We.
Er zijn nog vragen: aan de bewakers van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes tegen de ramen kloppen, nog vragen aan alle soorten weer waarvan de types een beetje scheef zijn, zoals het huis waar ze om vechten, vragen ook aan de dakgoot, die soms gelaten overbodig is, waardoor ik me zou kunnen afvragen waarmee de zon hierboven toch zijn geel verdient, waar zelfs de schapen spijbelen voordat ze in het zand bijten, verder zouden er vragen zijn aan de schare der geesten met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig zo laten meeslepen, als was het geen kunst, die onvergelijkbaar nutteloos is, zoals de holtes hier die alle vragen verplaatsen, als voedsel voor de spinnen misschien, die me vertellen: goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt heerlijk wanneer ik weer eens mijn hoofd gestoten heb.
For a Parent on the Death of a Child (John O’Donohue), Kristín Marja Baldursdóttir
Dolce far niente
Moeder en dochter door Bertha Wegmann, 1883
For a Parent on the Death of a Child
No one knows the wonder Your child awoke in you, Your heart a perfect cradle To hold its presence. Inside and outside became one As new waves of love kept surprising your soul.
Now you sit bereft Inside a nightmare, Your eyes numbed By the sight of a grave No parent should ever see.
You will wear this absence Like a secret locket, Always wondering why Such a new soul Was taken home so soon.
Let the silent tears flow And when your eyes clear Perhaps you will glimpse How your eternal child Has become the unseen angel Who parents your heart And persuades the moon To send new gifts ashore.
John O’Donohue (1 januari 1956 – 4 januari 2008) De Petrus en Paulus kathedraal in Ennis, County Clare, de geboorteplaats van John O’Donohue
Uit: Möwengelächter (Coletta Bürling und Renate Einarsson)
“Am Ostermorgen, als Agga mit der Aprilsonne im Nacken auf dem alten Steinpier stand und die Flundern im seichten Wasser am Ufer mit Steinen zu treffen versuchte, bekam sie dieses merkwürdige Prickeln im Bauch, das die Erwachsenen bekommen, wenn sie verliebt sind oder irgendein fürchterliches Gebräu getrunken haben. Allerdings hatte sie weder das eine noch das andere ausprobiert, und deshalb glaubte sie, das Gefühl sei ein Vorzeichen großer Ereignisse, denn genauso ging es Kidda in der Kellerwohnung immer, wenn Orkane oder Vulkanausbrüche im Anzug waren, und außerdem konnte diese plötzlich und unvermittelt Lemurengeruch wittern, was unweigerlich den Tod ankündigte. Agga schnupperte, konnte aber nichts anderes riechen als den penetranten Geruch von Seetang. Gelbe Strahlen erleuchteten die glatte, graue Meeresoberfläche im Hafenbecken, und im Ort herrschte Grabesstille. Nur der Rauch aus den Häusern, die zum Teil halb versteckt in den Lavamulden kauerten, deutete darauf hin, dass manche bereits auf den Beinen waren. Die Uhr am Kirchturm zeigte gut zehn, und bald würden sich die Männer mit Schlägermützen und in abgewetzten Sonntagsanzügen am Hafen einfinden und mit den Händen in den Hosentaschen die alte Leier über mageren Fischfang, Reaktionäre und die verdammten Kommunisten anstimmen. Die Möwen am Ufer kreischten laut an diesem Auferstehungstag des Gottessohnes, und Aggas Magen rumorte, als hätte sich dort ein Poltergeist eingenistet. Dass die Übelkeit von dem riesigen Schokoladenosterei herrühren könnte, das sie sich noch vor Sonnenaufgang einverleibt hatte, kam ihr nicht in den Sinn, sie glaubte eher an das Vorzeichen, spürte aber das Bedürfnis, aufzustoßen oder sich über einen Küchenhocker zu legen, um sich von Blähungen und Bauchschmerzen zu befreien. Sie trottete den alten Steinpier wieder zurück, über die Brücke, die über den Bach führte, und hielt sich bis nach Hause den Bauch. Unterwegs hörte sie aus einiger Entfernung das Klappern von hochhackigen Schuhen, war aber zu sehr mit ihren Bauchschmerzen beschäftigt, um es zu beachten. Es war ihr so egal, dass sie sich nicht einmal umdrehte, um zu sehen, wer schon so früh am Ostersonntag unterwegs war. Sie war bereits zu Hause am Gartentor angelangt, als ihr bewusst wurde, dass die Frau ihr die ganze Zeit auf den Fersen gewesen war. Da endlich drehte sie sich um.”
Kristín Marja Baldursdóttir (Hafnarfjörður, 21 januari 1949)
“Ik druk mijn duim in de noest boven mijn voorhoofd en sleep mijn huid langs de nerf, over het taaie eikenhout, tot een splinter mijn vel in sluipt en ik op mijn tong bijt om geluidloos te kermen. Omdat ik toch iets denken moet, denk ik: ’toog’ betekent zowel ‘priestergewaad’ als ‘bar: Ik stop mijn duim in mijn mond en zuig het ijzer uit mijn lijf. Als de wond is gestold, vouw ik mijn handen kruislings over mijn borst en wacht net als iedereen het einde af. De mouwen van mijn gasten ruisen als zij hun kruisen slaan. Het moet me meer zorgen baren Ik hoor hoe de priester opnieuw rond mijn lichaam klingelt. HIJ prevelt zoetgevooisde woorden die ik niet versta. Ingenesteld in eiken tel ik mijn grafrede af. Er zit een ruimte van twee vuisten tussen neus en deksel, maar ik heb in te veel kleine keukens gewerkt om nu nog claustrofobie te ontwikkelen. Ik lig zo stijf als ik kan. Zonder de priester te zien volg ik het geketende wierookvat in zijn handen, op en neer, heen en terug, als een pendule die de toeschouwer in hypnose leidt. Mijn ingetoomde adem stuit op de deksel en keert nog warm terug. Ik begrijp beat dat je soms wordt verrast door het leven – noem het overrompeld – maar dit is niet het einde dat ik me had voorgesteld. Ik ben hier niet heen gegaan om te sterven. De priester kucht Ik bijt me door de psalmen, hymnes, gebeden en klaagzangen. Een hoop gedoe om niets. Ik heb heel mijn leven gezegd dat ik niet gecremeerd en zeker niet begraven wilde worden. Stoof mijn lijf in een ketel met abdijbier en voer me aan het meest misbruikte dier ter wereld: het varken. Volgende keer beter. De priester neemt een slok water voor hij preekt. Hij vervloekt de globalisering, de eindeloze nood tot consumeren die zelfs is doorgedrongen tot zijn gemeente in het hoge noorden en het gebrek aan spiritualiteit die over de moderne mens is neergedaald. ‘Alex..? Hij pauzeert kort zodat alle aanwezigen mij voor zich zien, de Alex die zij zo kort kenden. te vroeg, veel te vroeg, teruggeroepen.’ Ik houd van mijn voornaam. Van mijn voornaam wel. Alex past me. Die naam heb ik te danken aan mijn vader, die mijn vader niet was. Hij gaf me bij een poldergemeente onder zeeniveau aan als Alex Petrescu. Tegen de zin van mama, zij stond erop om mij Codrin te noemen. Dat kon ze vergeten. Mijn voornaam was de naam die hij mij wilde geven om mijn vader te spelen. Het was een eenzijdig compromis. Al hield hij wel degelijk rekening met haar geboortegrond: het ging wat hem betrof tussen Daniel, Victor, Stefan, zonder komma onder de s, en Alex. Een Alex zou tenminste werk vinden in een kantoortoren. ‘Ik begraaf meer mensen dan ik doop: zegt de priester. Hij zucht – oprecht, geloof ik. ‘Dat kan ik accepteren, dat is mijn last. Maar dit…’ Hij wijst, vermoedelijk, naar mij. Ik druk mijn achterhoofd dieper in het hoofdkussen.”
Portret van broer en zus door Sergei Pavlenko, z.j.
Brother And Sister
The shorn moon trembling indistinct on her path, Frail as a scar upon the pale blue sky, Draws towards the downward slope: some sorrow hath Worn her down to the quick, so she faintly fares Along her foot-searched way without knowing why She creeps persistent down the sky’s long stairs.
Some day they see, though I have never seen, The dead moon heaped within the new moon’s arms; For surely the fragile, fine young thing had been Too heavily burdened to mount the heavens so. But my heart stands still, as a new, strong dread alarms Me; might a young girl be heaped with such shadow of woe?
Since Death from the mother moon has pared us down to the quick, And cast us forth like shorn, thin moons, to travel An uncharted way among the myriad thick Strewn stars of silent people, and luminous litter Of lives which sorrows like mischievous dark mice chavel To nought, diminishing each star’s glitter,
Since Death has delivered us utterly, naked and white, Since the month of childhood is over, and we stand alone, Since the beloved, faded moon that set us alight Is delivered from us and pays no heed though we moan In sorrow, since we stand in bewilderment, strange And fearful to sally forth down the sky’s long range.
We may not cry to her still to sustain us here, We may not hold her shadow back from the dark. Oh, let us here forget, let us take the sheer Unknown that lies before us, bearing the ark Of the covenant onwards where she cannot go. Let us rise and leave her now, she will never know.
D.H. Lawrence (11 september 1885 – 2 maart 1930) St Mary’s Church in Eastwood, de geboorteplaats van D.H. Lawrence
Verdween mijn zusje onverwacht. En niemand die haar lopen zag. De zon sloop weg, de dag werd oud. De maan kwam op, de nacht was koud. We zochten haar aan strand en zee. Misschien nam Westenwind haar mee. We riepen hard en zongen zacht. We zochten sporen in de nacht. Maar alles gaat zoals het moet. En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed. Nu zingt de wind een droevig lied. Vergeet mij niet, vergeet mij niet.
Zusje
Het zusje dat zo dwalen moest langs verre stranden, golven woest zij gaf de woorden toekomst mee en bracht ze naar de wijde zee nu is ze weg, haar stem werd stil maar als ik haar weer horen wil sluit ik mijn ogen om te zien of zij nog ergens is misschien.
Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940) Sint Catharinakerk, Zoutelande
Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)
“We zijn alleen. Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels doorboorden en op me kwamen pissen. Mijn nagels doorboren, op me pissen. Drie jaar. Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me. Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs, tot de herfst van 90. We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé. Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer. Domme regimegezinde dingen. ‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de beste van allemaal. Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als president al-Assad. Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij. Ik heb nooit iemand gezien als hij. Hij is de vader van het volk. Hij helpt de armen. Hij is tegen onrecht, tegen corruptie, een ware Arabier. Telkens als we door een probleem worden bedreigd, kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’ Ik ga weer onder water. Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden. De bomen. Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd hun knoppen, arme paarse klokjes als kindertenen. Als ik mijn lamp richt en mijn hand naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag, bewegen ze zachtjes, onmerkbaar. Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien. Dan moet ik aan onze kinderen denken. Blijf nog even, Almasji. Ga niet weg. Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton, de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me wenkt om bij haar te komen, papa naast haar. Ik zwem snel nu.”
dezer dagen schiet het weer in je botten het nestelt zich in je gewrichten komt dichter bij je lang voor de ochtend dan lig je wakker weet je niet wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt wat er overblijft alleen deze smalle kamer het verkeerd gefineerde meubilair het gekantelde raam een kier naar de straat het geruis in de populieren dreef me door de nachten je hoort daar niets meer en vraagt je in stilte af wanneer begon het dat ik niet meer dichterbij kon komen
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.