

..



er zij licht (1)diep zinken
is naar leegte dalen
treden overslaan
blindelings dralen
op één been hinken
nog minder dan dat
zal verdwalen zijn
in wat al verborgen is
roepen naar
gesloten oren
met minstens een
dikke laag vernis
de zwarte echo bekoren
geluiden die weerkaatsen
tegen gedeukte dromen
in de adem haasten
dat een bonkend hart
moet omzomen
er zij licht
dacht ik even,
zonder zicht
er zij licht (2)er zij licht
denk ik even
en word zonder zicht
voortgedreven
als passief verwijlen
in de draaimolen
van oneindig ijlen
ik zwaai naar
omstanders in de mist
zie slechts schimmen
waarvan de armen
zijn uitgewist
er zij licht
vaak
door schaduw
ontwricht
foto
verlate vlindersik zag verlate vlinders dichtbij maar ook ver weg ze hadden op mij gewacht had ze ver verbannen, uit mijn denken gedacht had het pad verengd zag nog weinig licht sloot mij verkrampt voor ander goeds het bleek, uiteindelijk, niet echt gedicht heb die fladderaars bij me geroepen mijn ramen weer wijds open gezet dat heb ik nodig met meerdere te gaan over mijn levensstoepen kan mijzelf aan anderen niet onthouden dat is wat ik zo van het leven leer ik laat me daarom opnieuw roepen één kostbare vlinder koos voor de nacht hij is mijn ziel vergeten vloog voorbij de innerlijke spiegel ik word nu veracht |
getijdenzoeken over de grens van de schaduw is een wens het blijft bij een schuchtere verbeelding van ravijnen die ik vul met goden of te zoete rozijnen soms schep ik een verduisterd einde, opgaan in niets van al het zijnde zo bewegen mijn getijden als liefde en verlies van vermijden of bezitten het is maar net hoe het gemoed vaart, ik ongewild kies |
over veldenik ga over glanzende glooiende velden langs bloemen, bomen en blaren waar geurende rozen ruiken en strelende struiken stuiven adem de zachte zwoele zucht die mijn lijf laat leven en vrijelijk vult vol vreugde om mij met het waarachtige wezen te verweven ik zie een zuiverende zwevende zon waaronder vriendelijke vogels vliegen en leeuwen briesend blazen in mijn hemelse hof van heden ontmoet mijn mooie medemens met een lovende liefelijke lach en toeven teder en tevreden door deze dromerige dichtende dag |
dit momentmijn hand kruist de vier windstreken terwijl mijn stramme benen op de versleten plank pijnlijk wenen de ogen verstard gericht op een beeld van verbeelding aan wie ik mijn verloren hoop met droge tranen schenk de geur van een gedoofde kaars is als balsem voor mijn pijn in dit moment van alleen zijn |
verjongdze was nog zo jong, een late twenniemeis, die mijn hart beroerde toen zij mijn hart bezong wat was het dat mij diep ontroerde ik zelf was al vergrijsd al lang gearriveerd in het leven de wereld bereisd met weelde omgeven zij keek me uitnodigend aan, grote verlichtende kijkers zogen me naar haar stralende bloesem elke beweging die zij maakte schokte mijn bestaan zonder te vragen greep ik haar hand raakte verward in al mijn lagen zwom ik nu in verwarmd drijfzand of herstelde mijn jeugd zich in mijn voorlaatste dagen? |
mijn geliefdede voorlaatste bladzij, papier met gebruinde vlekken kleeft ook nu aan mijn hand ik las het duizendmaal op een rij noch mijn gemoed noch mijn vinger willen verder trekken ik bezweer het einde ontken een mogelijk afscheid berust liever in het onvolledig zijnde wil mijn verbeelde geliefde bewaren eer zij mogelijk naar de stilte geschreven wordt en mijzelf terug in de leegte doet staren een vrouw, wachtend op mij bij de openhaard wuift mij toe met uitgestrekte armen haar stem klinkt zo verzachtend hoe kunnen geschreven woorden mij zo intens verwarmen |
evenik was hier even zomaar, niet om iets te melden velen zeiden het al toen zij over liefde vertelden en dachten, iets zeldzaams te schrijven maar slechts droomden over een gewenste verwachting die voorbij kwam drijven ik ga vergeet wat ik zei immers ik kwam slechts voorbij |
mijn kleine lievenog gering is mijn kleine lieve een zachte lach tastend in de niet voelende ruimte intens geeft mijn lieve in een onzichtbare stralende stroom het eeuwige in een mensendroom oh, kon ik het maar bewaren het grijpen of verklaren |
verjongd (2 )hij was nog zo jong, een ruige adonis die mijn ziel beroerde toen hij mijn hart bezong wat was het dat mij diep ontroerde ik zelf was al vergrijsd al lang gearriveerd in het leven de wereld bereisd met weelde omgeven hij keek me uitnodigend aan, grote verlichtende kijkers zogen me naar zijn stralende glimlach elke beweging die hij maakte schokte mijn bestaan zonder te vragen greep ik zijn hand raakte verward in al mijn lagen zwom ik nu in verwarmd drijfzand of herstelde mijn jeugd zich in mijn voorlaatste dagen? |
mijn nachtlandhoor de stilte van de nacht mijn stem laat u zweven op een kussen van satijn zacht spreek ik woorden waarin u even mag zijn luister naar mij ik spreek over weinig slechts letters met klanken daartussen het lied van zingende elfenbanken zij staan, zomaar gewoon dicht bij de grond hebben geen weet van mensendromen zij kijken niet rond zij zijn, gaan en komen sluit uw ogen verlaat het denken nu bent u beland in de stille waarde van mijn nachtland |
doodsik ben vandaag opnieuw gestorven droeg mijzelf naar het graf de dood had mij weer ingehaald de verlatenheid tikte met haar koude staf turend overzag ik het bekruiste veld van eer bezaaid met versteende tranen ik stond hier al vaker ja, meer dan één keer de gegraven kuil weerspiegelt de schaduw in mijn ziel als onbegrepen eenzame momenten ik buig mijn hoofd alsnog hopend op een nieuwe lente |
als woorden schurenals woorden schuren over de ziel breken korsten af die leegte maskeren van pijnlijke vuren denkend worden zíj jaren verdoofd dan wel verdrongen in vleesgeworden lichaamstaal en zijn kennelijk door een vroege duivel afgedwongen hoe zeg ik nog je mag er zijn als goud smelt in warmte wat zeg ik nog als de tong slechts wonden kwelt hoe kan jouw, mijn boom groeien als wortels verdroogd zijn en daar waar het water gezouten lijkt, en takken broos breken bij woordenwinden zal het de stilte zijn die ons begeleidt om opnieuw de ruimte te vinden |
beklemminglangs akkers van schroom slenter ik tegenwindse stappen aarzelend om ongericht in een verwarrende droom te zullen trappen neerwaarts gerichte ogen begrenzen als beklemmende bundels van zwart licht meer en meer de ademende borst totdat de knechtende geest de nog resterende levenszaden heeft gedorst |
verblindend lichtik verloor de toekomst bij het vinden zocht het verleden te vullen om opnieuw mijn oude ziel te binden beloofde me gouden bergen droomde van zuiver geluk maar de waarheid wenste mij vooral te tergen mijn ogen te openen met een dwingende druk ik draag de leegte onder mijn armen als een onzichtbaar bezwaard gewicht maar neem mijn adem nog steeds gewaar voortdurend op verblindend licht gericht |
"het einde"een enkele letter vandaag het betreft de letter z heeft de ij als vaste buur maar is en voelt zich het einde op die laatste plaats vertoeft hij graag bij hem start een reeks van ongeschreven woorden worden dromen waar maar ook droefenis in ware stilte of een gemaskeerd gebaar och was ik maar die letter z de opening naar het onbegrensde stel je eens voor slechts eenzijdig gebonden zijn aan de voorgeschreven letterwet |
vervolg dialoog Heer Julius en Vrouwe TriestianaHeer Julius: het ware ook gek te denken dat uw kuisheidsgordel is ontsloten ik draag aldoor de sleutel, niet van mijne ruige borst te verstoten Vrouwe Triestiana: ik verlang zo naar u, Heer Julius pak toch uw waarde sleutel het ijzer draagt mij zwaar te moede strijk toch over uwe haren laat ons genieten van het goede Heer Julius: ja, mijn lief, laat onszelf bevreugden elkander in de bedstee bekoren maar ik heb mijn sleutel bij vrouwe Clara verloren |
nous deuxals de ruggen gestrekt beklijven als ware zij een en armen, deux à deux langzaam zijwaarts omhoog rijzen zien zij handen strelend even naar de verte wijzen vinden hoofden in andante elkanders wang en stromen zij beiden op de golven van lyrisch gezang hun frêle benen iets gespreid tot paar geworden steunen op een glazen vloer het spiegelbeeld ontmoet slechts een gedaante zo innig zijn zij in deze dans opgegaan als het doek valt vergaat dit moment hij kust haar hoofd bij het heengaan |
zij komt niet dichterbij|
alwaar de aarde vliedt
in de glooiende einder
en de schaduw licht kaatst
tegen het maagdelijk struisriet
daar roept zij mij nader
een fee in blauw gehuld
kom, lijken haar lippen te zeggen
ik, ja ik, ben met jou verguld
hoezeer ik ook mijn passen
wil versnellen
en mijn armen nog verder
doe strekken
zij komt niet dichterbij
ik schijn aan de grond genageld
alsof het ongekende mij wil kwellen
een teloorgang van zwijgend verlangen
een mens, dus ook mij niet vreemd
houdt de ziel in mijn lijf gevangen
ik ben gebroken
doch blijf altoos hopen
op roepende gezangen
|
midden in de nacht|
nog steeds kijk ik het houdt mij bescheiden
|
de verleiding|
niet dat ik zoveel luidop in woorden zei
of zo mannelijk
aandacht trok
neen, ze zag me
zoog me naar haar toe
als aasgier
met grijpende klauwen
mijn weerstand
was snel gebroken
alsof die er ooit was
toen haar aanwezigheid
als een paraplu
mij overdekte
en ik bij voorbaat
verzoop in een
omgekeerd bassin
zweetdruppels
vertaalden mijn driften
ontmand in kracht
bemand in zaadstuwende
orkanen
ik was verslagen
zonder dat zij een zucht
tot mij richtte
ze wenkte slechts
met dwingende ogen
ondergedompeld in blinde passie
vergat ik de nacht
de morgen
en mijzelf
|
op zijn tijd|
op zijn tijd wind ik het op
als ik dat niet doe
staat mijn of jouw tijd stil
of slechts die van mij
het is dan geen strop
ik hou van stilstaan
en ontspannen veren
het hoort bij mijn levensweg
vertoeven in verstilde sferen
liefst in de schaduw
van een beukenheg
daar op die oude bank
open ik de kast
met grote en kleine wijzer
maar heb geen zin
de komende uren
te spannen
ik klap hem dicht
wil de toekomst
het liefst verbannen
|
het ijzer spoorde
|
|
foto
![]() fotografie:cornelia ettl |
slaap maar|
slaap maar ik zal over
je waken
sluit de ogen
deze nacht
ik hou
de dromen buiten
die je blijkbaar
verwacht
ik blaas over
je kwetsbaar gezicht
alleen mijn tederheid
zal je raken:
zuiver en licht
van gewicht
|
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
ditten en dattente pas en te onpas draait mijn mallemolen rond niet zomaar of afgepast nee zo, ja zo onbepaald hevig, zoals ik altijd vond maar nu gaat het gericht weliswaar buiten zicht en ongekunsteld maar minder beladen als een gang van minder innerlijk verraden ach, wij componeren wat af zo hersenloos vaak denken is een beerput van borrelend gekwaak soms stuivend omhoog naar dwarrelend gelaak ditten en datten over weten dat ik loog en kwijlend katten in zinloos gekraak begrijp ik het wel dat komt wat komt ben ik dat die dit gebral zo maar opsomt ja, dat ben ik en u trouwens ook zag geen verschil toen ik even aan u rook |
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
zwarte mantelgebogen leunt zij voorover, de zwijgende zwarte mantel het hoofd door ellebogen gedragen om de Geest middels deze menselijke pilaren naar bezieling te vragen de houding bidt in geborgen vuur doch ook in deemoed geknield teneinde de beklijfde levensdorst te laven |
gebroken spiegelhet gaat mij niet aan dat jij zo droomt of vleugels ziet op voorbijtrekkende woorden waar jouw schaduw de geest omzoomt en de weg slechts één richting kent die de spiegel doorboorde |
carnaval des visagesik schraap mijn masker af deze dagen het bestaat uit vele menselijke lagen die soms mijzelf een glimlach schenken of verkrampt mijn verdriet dragen maar ook rimpels men zegt van het denken als ik mij tenslotte voor de ander kwetsbaar weet blijkt ieder zich inmiddels te hebben verkleed |
als jijals jij door het raam kijkt ontspruit daar verwachting als ik het glas bekijk is het beslagen de hoop is verleden het heden zoekt naar achting om de leegte te dragen |
de levende moedergelijk aan mij geraakt de aarde in alle sferen zo bezwangerd uit ondermaanse maagdelijkheid geraakt stof bevrucht in de levende moeder vaak is dit een moment als alle jaren waar we intens naar uitstaren nog zuchtend in de barenswee mag ik, de mens, opnieuw en vertederd de verduistering uitvaren |
heb mij liefheb mij lief vertrouw mij toch ik weet het zijn woorden diep en ver verborgen huilt je kind ze wilden het vermoorden het gemis is jouw levensweg eeuwig zoekend naar dat verduisterd licht telkens weer die ongelijke strijd en telkens weer gezwicht |
in perspectiefreikt de hemel nog ver als mijn ziel even wordt gekend door de glans van reflectie of zie ik slechts mijn ego in vermeende perfectie ik word gewaar van mijn gevoel daar vertelt de stilte wat ik bedoel |
eenakterik schuif langzaam de gordijnen toe en sluit de wereld buiten zie nog even het licht van een lantaarn dat zacht schijnt door mijn ruiten de eenzame schemerlamp in de hoek werpt schaduwen op de muren als decor van mijn eenakter waarvan ik nog niet weet hoelang mijn monoloog zal duren ik fluister woorden op dit wazig toneel verbeeld mij een groot gehoor met wie ik mijn optreden deel ** ich lebe den Traum von Eden Quelle der strömende Liebe er lässt mich im Heute leben sehe die unverkennbare Schönheit komm folge mir zu der lächelnden Fröhlichkeit ** hier stokt mijn stem en voel de lege kamer het doek was al eerder gevallen toen zij vertrok naar hem |
sterven bij levenals een dichter sterft bij leven heeft de ebbe zich te vroeg doorgezet en verschraalt het kunstig zinnenweven tot knopen van een versleten letternet hij teert slechts op zijn scheppend verleden dat stilaan zo zijn glans verliest een poëet dient tot de dood zijn rijmen te smeden: een onvoltooid vers is waar hij voor kiest |
die fiereheit (iegene taole)ut is stille in diese nagte veur mie sterfe ene mensch in verslete kragte mee durfe siede ghie die doot anne ghie bluuf immer dich selfe unne werme ende fiere manne oltiet praot ghie mee dene laghe so gul ende sterreck in't fandaoge ende surge ghie feur haore sigtbaore piene tu draoge |
voel je me nogvergaat mijn zwakte voor jou zieltogend in mistig allure vlucht jij weer ver weg naar woelige innerlijke oorden waar pijnlijke zuchten mij sturen en prille zachtheid vermoorden voel jij me nog mijn verre lieve ik was het toch die je wilde gerieven zo ga ik weer een stille weg zoekend naar mijn verloren deel struikelend over droge tranen stikkend als in een slangenkeel voel jij me nog mijn verre lieve ik was het toch die je wilde gerieven ik slenter door oneindige lanen wilgen treuren mij in koor toe waar elke boom de smart vergroot en mij uitput tot stervens moe voel jij me nog mijn verre lieve ik was het toch die je wilde gerieven |
letters voegenik voeg letters aan elkaar om mijn brein te verlichten soms heet dat schrijvend dichten of zo maar, een sprekend gebaar ik wil ze met leven bezielen opdat ze in woorden worden geboren scheppen in een beeld van schitterende eigenheid ik wil hen, met schoonheid toebedeeld, in gemeenschap bekoren vaak valt mij de gedachte te binnen was ik het wel die dit schreef heb dat niet alleen kunnen verzinnen zou er iets meer zijn dat mij dreef |
het licht gaat uitzwart ontleent zijn kracht aan een duistere macht het ontbreken van helder licht heeft mij naar binnen gericht de avond is zeer nabij de geest van de nacht aan zijn zij |
jij en ikjij streelt speels, raakt mij amper aan in de palm van mijn hand de intentie is diep en voelbaar de warmte die ons beiden overmant |
JantjeJantje zat op een trapje vier treden hoog hij lachte naar zijn zusje die aan een rietje zoog zij danste de kwik kwek met een blozend toetje maar in een grote plas kreeg ze een nat voetje Jantje glee naar benee en vroeg aan Sofietje ikke sal de see opdrinke geef mij da rietje |
ik, de manik verhaal u van de man schouw zijn diepste wezen, als dat al kan: naar binnengaan ofwel mijn ziel door eigen ogen lezen in mijn aard ben ik ziende blind niet dat ik dat zo wil of dat intimiteit mij ontgaat nee, het is de waarneming van de immer schone vrouw te paard en het jachtgedrag waarop ik mij verlaat het versmalt het zicht tot oerbeeld van de perfecte moeder en maagd zo zuigend en basaal ik zie daar voortdurend de engel galopperen, de gemalin van oppergod Baäl zo ben ik, is de man als u ons wilt begrijpen zult u uw verbeelding moeten rijpen tot het inzicht van een korrel zand pas dan raakt u de diepte van het mannelijk zielenland |
Channanja| zij bespeelt de oude Stradivarius met ontluikend elan haar snaren klinken als voldragen woorden wanneer zij haar sprankelende lettertonen uitstrooit in het hart van een vergrijsde man de viool, uit verguld hout gesneden trilt van vreugde onder de vingers van deze blanke lelie; een meisje met een nog pril aards verleden de schepper schonk de oude meester van de klank ook geduld: wachten op een wonderlijk rijpen is aldoor in geheimenissen gehuld |
rode rooser groeit een rode roos op mijn graf ik ben al vroeg gestorven het geloof in mijzelf is mij niet geschonken heb mijn ziel ook nooit gevonden: is in mijn ontluikende dageraad verdronken er groeit een rode roos op mijn graf zonder dat ik hem ooit water gaf ik zie de zon door het zwarte raam voel de kou door hete vuren heen maar niemand kan mijn naam ontnemen die is van mij alleen er groeit een rode roos op mijn graf zonder dat ik hem ooit water gaf zou er dan toch iets zijn wat ik niet zie en mij laat leven ondanks mijn vroege pijn |
een heer van standvandaag, te weten hedenmorgen wordt in Avericht een standbeeld in brons onthuld het is ter mijner ere opgericht het was niet mijn wens maar sta daar nu verstild te wachten onder een wit laken verhuld dagen lang heb ik moeten poseren opdat het dorp tot in einde van dagen mij kan vereren na een treurige mars van de fanfare glijdt het doek naar benee daar sta ik dan ernstig uitziend over de dorpelingen nu kunnen wij u altijd gedenken zei de burgervader tevree op een bordje staat vermeld -dit openbaar urinoir is opgericht voor een heer van stand in hem gedenken wij een arrogant mens bewater hem onbeperkt neem het heft in eigen hand- |
jantje (3)Jantje gaat op reis hij wil heel ver weg neemt Gijs, het beertje onder de armpjes mee zo denkt hij nu ga ik een keertje op zijn rode sokjes stapt hij over de stoep en roept naar Fietje ga met me mee we gaan naar de kerstman die rijdt op een grote slee het is wel ver lopen zegt het beertje oh, zegt Jantje, dat is niet erg ik heb van sinterklaas een trein gehad ik haal hem van papa's kamer ja. zei Fietje, dan worden we, als het regent, ook niet nat |
dialoog: Heer Julius en Vrouwe TriestianaHeer Julius: gij zijt mij ontrouwe edele Triestiana, mijne vrouwe Vrouwe Triestiana: och neen, Julius, mijn stoere knaap mijn hartstocht duurt voort in mijne slaap Heer Julius: gij kreunt in uwe slaap steeds voort: oh, Gijsbrecht, neem mij ongestoord Vrouwe Triestiana: ach, mijn Julius, wees niet bevreesd ik ben niet verder dan onze bedstee geweest Heer Julius: lang was ik hene, op kruistocht gezonden mijn hart was slechts aan u gebonden Vrouwe Triestiana: mijn eenzaamheid werd gedeeld met de heer van Aemstel slechts op hem was ik gericht dag en nacht las ik bedroefd, Vondels gedicht |
Jantje (2)Jantje heeft een grote ballon en kijkt naar de blauwe hemel hij roept, ik wil gaan vliegen helemaal naar de zon Fietje schreeuwt, je moet hard blazen net als de wind dat doet spring maar vast heel hoog de blaadjes weten ook hoe je vliegen moet Jantje huppelt heen en weer maar gaat niet naar de lucht hij huilt, ik kan het niet nee, zei Fietje toen opgelucht |
doorschoten schaduw|
het was wel zo dacht ik even
toen de hal
die ik betrad,
gerand door
schaduw en
zonlicht schreeuwend
door een vierkant venster,
mij overmeesterde
ik stapte
in een wereld
anders dan buiten
niet wetend wat ook
te verwachten
een stenen gebogen hemeldak
en plavuis
in jugendstil
als grond
van een gevulde leegte
het stilteorgel
bonkte mijn verloren rust
ik was nietig
en toch zo trots
dit was
goddelijk gecomponeerd
door mensenhanden
ik waande mij even
de organist
in deze schouwburg
zonder zetels
ik vlijde neder
en verloor mijzelf
|
het paard achter de wagen|
ik span het paard achter de wagen
trek hem zelf maar voort;
die kar op vier wielen
voorzien van leren
oogkleppen
krijgt niemand mij
op de knieën
ook al zit men mij
zo dicht op de hielen
zeker, ik speel graag
de eerste viool
bereid het ijs te breken
ook al is makkers staartje'
wild geraakt
ik ga door
met mijn borst vooruit
vervul mijn plicht
want die heb ik
zoals u weet
nooit en te nimmer
verzaakt
|
toekomstvlucht|
de komst van een vlucht is een geboorte op zich
het komt mij toe
of zie niet mijn eigen blindheid
als ik nooit meer wil waarnemen
wat diep blijkt verborgen
ik dacht nog
jij bent de duisternis
een gesloten gordijn
een afgezakte oude luxaflex
stoffig en afgewerkt
nee, daar ga ik voor
op de loop;
de komst van een vlucht
die komt mij toe en nader
verdwijn gij,
toekomst,
doe slechts wat jou toekomt
ik zucht in het heden
jouw vlucht heb ik vermeden
vaarwel
|
zij en ik
|
|
ik ga maar|
ik ga maar mompelde mijn oude stem
tegen het vragend kind
het is niet zo
dat ik praat van verlaten
of afwend van liefde
weg van jou
opdat ik mij weer
in eigen leegte bevind
het is tijd
dat jij de weg zoekt
die niet van mij is
ik heb wel zo'n intens
verlangen
maar weet
morgen heeft het leven
die wens opgedoekt
in verdampt gemis
ik ga maar
kijk niet
als ik de hoek omga
daar wacht
mijn heden
de toekomst die ik,
tot nu,
zelf heb gemeden
|
een gepasseerd station|
bomen flitsen voorbij en ik als in cadans
jouw ogen wil vangen
vraag ik mij af
hoeveel staan er in de rij
die naar jou verlangen
je ontwijkt weer
mijn vragende blik
als wij een station passeren
en ik alsmaar afwacht met schrik
of je niet op zal veren
om mij bij een volgende stop
te verlaten
zie je echt de glimlach
in mijn ogen niet
ben je zo diep
in gedachten verzonken
waarom blijf ik
toch eeuwig lonken
ben ik te moe geworden
om mezelf moed in te praten
|
ik riep nog|
ga maar roep ik nog
maar je
bent niet meer
ik wilde nog zeggen
dat ik je beminde
ach, wat maakt het uit
wist jij me wel te vinden
toen ik jou
mijn dood
wilde uitleggen
|
vanaf de overkant|
vanaf de overkant daar waar ademen
onbekend is
zie ik nog even
hoe ik aan
mijn aardse leven
ben verwant
zie mijzelf
aldoor zoeken
of is het meedrijven
op een afgerichte wind
naar een eindig strand
ik tel, zo neem ik waar,
al de gekende en
ongekende personen
die ik in me draag
en willekeurig door
mijzelf worden bemind
het zijn dezelfde zielen
die ik in elke medemens,
nu van hier uit,
zichtbaar terugvind
|
vanaf de overkant (2)|
was even in de wijsheid van het onzichtbaar licht
waar ik door
zuiverend sterven der zinnen
voor de herstelde eeuwigheid
onvermijdelijk was gezwicht
de panta rei
in volle glorie
ondergedompeld
in de tijdloze oceaan
waar hemel en aarde
nimmer hebben bestaan
in de zwangere buik
van het Goddelijke
wordt niets gekend
door denken
een hemels gewelf
waar heelheid in "Zijn"
uitsluitend wordt gevoed
door zichzelf
|
over licht en donker|
mijn lach herbergt de diepte van het zwart
verbloemt als het ware
de levenszijde van smart
mijn stem spreekt niet
van verloren eigenwaarde
immers hoe zijn de
verdorde wortels
van mijn bestaan
te begrijpen
wie is immers in staat
het eigen sterven te verstaan
of machteloos nieuw leven
te laten rijpen
ik grijp nog wel
naar dagelijkse halmen,
uit menselijke gebaren
men zal mij niet zien talmen
als ik in mijn ogen
nog wat licht en lucht
mag vergaren
|
zomaar|
je hoort mij niet dralen in oeverloze verhalen
noch verdrinken,
zinken of verdwalen
in opgedrongen kwalen
ik praat van gevoel
zonder dat ik er altijd
iets mee bedoel
woorden zijn stempels
die sluiten meer mijn smoel
ach, wie ben ik
toch de eenvoud zelve?
zoek mij meer in
luchtige gewelven
schenk me een glimlach
de eeuwige beloning
voor een kwetsbaar man
dan zijn letters overbodig
is kwijlen niet nodig
|
duisternis
|
|
gezwollen borsten|
zij vlecht heur haar, lang van eeuwig groeien en zwart van jeugdig genot, tezamen met gretige vingers uitzwermend over een gulzige boezem in mei zo zocht zij mij te boeien ik, de oude heer in een overjarig krot met reeds één been in klei geen blik gunt zij mij weet toch wel de man te verleiden haar gratie vraagt mij een onbevredigende passie voor te bereiden de duivelin onder groene blaren, alsof onschuld haar omlijsting is, weet mijn druppels te vergaren ondanks dat ik immer en bij voorbaat achter haar loknet vis |
de skyline als mistig verledenik rijd door velden van mijn jeugd de skyline ach, mistige velden doorkruis ik het zijn de polders in Mondriaan-termen geschetst ik weet dat, maar zie het nu niet en stuur haar vooruit, zoals vroeger nu echter wat ingehouden kan ik hem nog vertrouwen lijkt zij te denken de leidsels enigszins gevierd ruimte geef ik haar ik voel haar onrust, stapvoets dus hier zie ik de wieken als zwarte schimmen met de molen als doodskop in deze sinistere stilte met vocht beslagen gras hier zwierf ik, denkend en kijkend naar torens toen nog punten van hoop en toekomstverwachting en koeien, zwart-witte stippen tot in de verte ik draag de leegte nog in mij eenzaam als toen opgenomen in gedachten nu in het gevoel verankerd de weg terug is nog ver zo was dat toen ook |
verwachtingik verlang zo naar de schuchtere geboorte van een nieuwe lente ja, het is nog vroeg en slechts in mijn gedachten ik weet het maar als het zo zal zijn dat mijn neusvleugels weer trillen van, van zuivere grasgroene aroma waar de sfeer van gouden verwachtingen de huidige grijze dagen grijze mensen mistig voelen mij dit alles doen vergeten ja dan, ja dan, stel ik me voor geopende doeken van puur natuurlijk ballet och, het duurt toch niet zo lang meer ergens hoor ik een merel dat moet een boodschap zijn toch? |
sterfelijke vrijheidik schreeuw mijn armen rond de geknotte wilg en laat tranen de kronkelige groeven volgen als lijdensbanen van verdriet in de avondstond mijn knieën knellen de stam opdat ik niet val vraag me af hoe het komt dat mijn menselijke vrijheid bij voorbaat sneuvelt voor een diep geschapen dal alsnog zak ik traag en schreiend neer de nagels krassend in de oude bast het hoeft niet meer mijn schepping was verrassend de dood een voorspelde last |
opstijgen om te dalenhijgend rende ik... de rand op de top wachtte op mij dat voelde zo aan geen weg terug naar de grens van 't leven de afgrond, waar het water stotend bruiste gedagzeggend tegen wie ook, kom maar spring maar daar op die plek, kijkend omlaag sprak ik de schepper aan ik schreeuwde het was mijn verloren kind ik krijste, het was de oude man in mij, en veel daar tussen, tussen, tussen,,,, ik dacht in de echo nog kussen te horen maar het was de valse hartslag met hijgende tranen zweefde al in mijn hoofd zonder al te vallen voelde nog wel de aarde was de hoogste richel van de stenen rots in zwart-wit of minstens grijs flikkerde de dolgedraaide film alles als grabbelton voorbij uitpakken. uitpakken ja nu..... |
Hanse panse knoeiertjeHansje was een dromer vooral als het winter was dan dacht hij aan de zomer met een ijsje op het terras hij kon zo lekker likken maar drupte op zijn shirt dat moet je niet meer flikken zei moeder op haar beurt ach, zei kleine Hans gedwee jij wast toch met een machien maar moeder was niet tevree zij wilde geen vlekje meer zien maar Hansje kon goed brassen en morste bij de vleet zijn mam was te lui om te wassen en klaagde bij elke scheet |
Zoete Lieve-Vrouwe van Den Bosch|
als tranen worden gehuild die de Bosche Vrouwe
aldoor zijn toevertrouwd
zou de Dieze overstromen
zouden hoge stadse
kades worden gebouwd
eeuwenlang kaarslicht
beschijnt het beeld
van de kleine Madonna
de koningin van troost
voor het menselijk drama
alle zorg en leed
worden ongezien beschreven,
in stilte uitgesproken
ontvangen is haar antwoord
het zwijgend medeleven
in haar gestalte verwoord
in deze koude kapel
met ramen van glas in lood
leggen wij vaak,
ten einde raad,
onze menselijke
kwetsbaarheid bloot
|
de man in het zwarthij is lang van stuk deze man voortstappend in een doortastende pas gedragen door zijn zwarte jas waaronder, onzichtbaar, zijn schraal postuur; een lopend skelet alras zijn bleek gelaat met ingevallen wangen en uitstekende botten lijken de ogen achter tralies te hebben gevangen en de geest te verrotten zijn vilten hoed ruim om het hoofd gerand verspreidt de uitgeblazen rook tot een weids aureool de sigaret tot de vinger opgebrand en gebruinde nagels resteren als doelloos levenssymbool |
staren naar de einder
staren naar de einder is verder willen zien dan ik nu al ben het is ook kijken naar al wat was en ik nog steeds achterna ren op deze plek van tegengestelde of ver-springende gedachten hoor ik de zee ruisen in zandbanken van rust zo vergaat het vaak dat dan mildheid komt wanneer de wind mij meeneemt en mijn gemoed wordt gesust |
hoogtijviert gij hoogtij deze dagen? niet dat ik weet is mijn antwoord vanwaar dat u daar over begint of ziet u met lede ogen aan dat ik zozeer word bemind? in dat geval strekt het u tot eer zulk een asemend lijf in uw blik te vangen of nog beter, ik bloei in hogere sferen en u tracht mijn warme zucht op uw edele huid te eren met sprakeloze gezangen wees niet bevreesd ook mijn genegenheid is aan u besteed zie met open ogen dat mijn ziel in vreugde, ten bate van allen, wordt meegezogen |
ik, het kunstwerk
verstildmijn hand al gerimpeld, het vel, dat wel mijn hand dus strekt zich uit over de stilte sneeuw, een onzichtbaar dik tapijt helder wit geweven haast glanzend sluipt op tegen een lichtglooiende heuvel mijn korte vingers begeleiden de opgaande lijn in de vallende rust naar de verte toe zelfs mijn denken, mijn denken, vraag ik me af zakt weg, nog verder dan, als daarvoor in niets ik ben daar met het geheel alleen |
lege stoelkijk daar, verder op zei ik daar gaat je broer fietst met kleinkind achterop; nog zo stoer in de terrasstoel, naast mij, met een leegte van verbeelde aanwezigheid, spreekt zij geen woord ik roep naar de overkant hé, Jan...zie ons hier hij ziet mij niet sinds jij niet meer bij mij hoort |
uitgeblustop de eerste etage slungelden haar benen uit het raam over het al haast verrotte houten kozijn van een herenhuis met verloren faam ze daagde mij uit met blote benen en lonkende ogen die mijn lust wilden lenen onder het gewuif van een luchtige rok ontsnapte mijn verstand geenszins aan deze ruif en mijn hart haastte zich als een opgejaagde klok nog twintig treden te gaan naar dit hemels genot langs gore wanden met verbleekte sterren maar daar boven aangekomen kwam ik al adem tekort om nog verder op te stomen |
high in the skyik spring, ik huppel en draai als molen rond ik ga nog sneller als de woorden die voortkomen uit mijn mond blijf staan, val niet om oude grijze gek stop, halt, stop bok met lange borstrok maar de wereld is zo mooi en vluchtig zo zwevend, zo high zo wiet wiet wiet zo bye, bye, bye ik kan niet stoppen en ga er tegen aan wat een dolle pret ieder lacht mij toe en word tot dollen aangezet maar ben, plots, bezweet wakker in mijn stapelbed ajuus, retteketet |
ik vluchtik vlucht mee met witte zwanen over wel zeven heuveltoppen naar het vergelegen zilveren meer alwaar ze op het water glijdend stoppen kennelijk niet voor de eerste keer gevangen in een sluier van regen drijf ik langzaam met hen voort zij bepalen voortaan mijn wegen hartentranen hebben mij verstoord zij vloeien door een diepe ader van aangeslagen goud je zult ze nimmer aanschouwen zo gevoelloos voor mensenogen deze druppels van eeuwig rouwen |
onkruidal wat dor is vergaat het slaat wel wonden maar nimmer laat de ziel zich temmen zij is door iets Groots gezonden ook ik weet niet waarom jij, hij, zij het juist overkomt dat een groeien niet mag bloeien het is vaak mensenwerk van onbewuste machteloosheid verkrampt tot uiting van geweld gevoel dat snijdt ogen die niet meer zien een hart, genadeloos geveld soms heel even onverwacht niet overdacht wordt ons getoond waar men vaak zonder weten op had gewacht geraakt door een mens gepaard aan een ziel vangen wortels het licht er is dan geen weg meer terug men sluipt dan langzaam henen voorwaarts gericht |
de band verbrokentot enkel afdeinzen werd ik genoopt toen gij mij, tersluiks, met dingstigheid en schier veinzen mijn edele gevoelens jegens u lafhartig had gesloopt gij zijt slechts onbeholpen; onkundig ene genegenheid met waarde te stolpen |
nieuwe lentemorgen wordt het licht ik weet het zeker dan vervalt de duisternis gericht op voelbaar zicht het dal vult zich weer met het blije lied kom en kijk met mij naar het ontluikend verschiet morgen, ja morgen opent mijn hart het was voor lange tijd gesloten verborgen in enge diepte doordrenkt in troebele smart ik weet het zeker in mij wordt de zalige hoop wederom in goud gegoten als vandaag is verleden ontspruiten nieuwe vreugdeloten |
ik blijf achterik blijf achter keer mij om ben mijn eigen poortwachter uit nood geboren het was niet aan mij te zeggen kom blijf nog even ik had haar bij voorbaat al verloren zij kwam zo plots in mijn beeldentuin van zoete kersen een zachte stengel met een vederen pluim en groeide in mijn leven bloeide haast ongeremd tot kostbaar zielengoud zwevend wilde ik dit wonder beleven haar begrijpen in duizendvoud ik blijf achter in de schemering mijn schepping ontbonden ben weer verweven met de werkelijkheid oh, was ik nog maar daar waar ik mijzelf had heen gezonden |
hé?hé? ja u daar heeft u weet van dat u leeft u ziet wel en denkt en denkt maar dwaalt af, terwijl u ogenschijnlijk leest, doch het beeld dat u waarneemt hangt nog bij het feest van gisteren of omdat u zich verveelt of aldoor uw tranende ogen zeemt heeft u weet dat u leeft of zijn uw gewoonten gewoon u doet maar wat bent u het niet zat om weg te zweven of te turen kijk eens goed, meeloper sta op en vang aan schuur de gedrochten weg wat blijft bent u helaas, uw ego is naar de maan |
moerashoe schaduwrijk is mijn tegenlicht als de maan zich wentelt boven nevelig moeras en strohalmen zich sieren met gevallen blaren als een satanische jas als de damp zich kringelend omhoog drijft en laat galmend gekwetter in alle omvang beklijft is de dag gestorven en door de ongrijpbare duisternis ingelijfd |
Mokumeen druilerige regen stemt mijn Mokum tot een grijs bestaan over lauwe koffie turend zie ik kabbelend water aan mij voorbijgaan vandaag bruist het niet van kleurrijke mensen de stad lijkt dood ook al belt de tram zijn stem en zijn luiken gastvrij geopend door mij gaan verleden wensen en een hoop die zwaarder weegt dan lood |
de dichtermet zware woorden dan wel speelse akkoorden timmert de dichter het zijnde dicht hij is van een zo groot gewicht dat zijn ego vaak wordt verlicht met de mist die men kent in Londen en omschrijft met groot gemak zijn wazige zonden hij verklaart de eigen spiegel vaak met een duister elan waar reflectie, ongetemd, verdwijnt in de koffiekan |
marathon
Het Collectaneum van een Mens --Deel 1: Creatie|
Het Collectaneum van een Mens deel 1: Creatie
Het Collectaneum van een Mens is in onderhavig geval een opbouw vanuit mijn gedichten dat op een bepaalde wijze een inzicht op het (mijn) leven geeft. Het kent drie delen: Creatie, Interbellum en Finale. |
1 .CREATIE geboren uit het paradijs van warmte en overvloed teloorgang van de wezenlijke verbondenheid ben ik afhankelijk geworden en gebakend mijn ziel is gescheiden, de Heelheid kwijt Julius: Vitanova hfdst 3 vers 2 ik ben de Heer uw Herder mijn wijsheid is als water en lekt aan alle kanten mij helpt het verder slechts als u mij voortaan blindelings zult geloven leer ik u zwemmen op het droge (2) ik verhaal vandaag van het immense grootte in het schrijven een omvangrijke mensendaad scheppen van de wereld met al zijn loten een wonder laten geschieden zonder enig verraad slechts ik ben daar in bescheidenheid toe in staat het is aan de geringe echt genade gegeven van het alom omvangrijke niets een geheel te vormen waar ook nog de schrale mens mag leven en ruimte is voor kruipende wormen uit mijn door liefde verzadigd hart ontspruit zich een in regenboogkleuren openslaand lelieblad als waterfontein getooid waar druppels zich glinsterend en juichend verspreiden over een dorre aardse mat het is nog alleen aan mij, te zeggen goed, ja goed is deze wonderlijk schone daad onvoorwaardelijk uit mijn zachtheid geboren het is overzichtelijk naar menselijke maat het kostbaar vocht blaast ontelbare toverachtige kristallen bellen verspreidend naar alle hoeken die bij het teder afdalen naar de ontvangende bodem zingend en springend aan u ja aan u gaan vertellen je, mag er zijn hier en nu ga niet meer zoeken aldus geschiedde de schepping van u en anderen maak nu zelf het beeld van zee en lucht en dieren we mogen hier en daar wat zichtbaars veranderen ik zag nog even het was heel goed zo te sieren Julius: Vitanova hfdst 2 vers 5 slechts jegens uw schepper bent u tot geringheid verplicht u bent immers in grootsheid geschapen blijf derhalve niet verborgen voor uw naasten dan is bescheidenheid teveel naar binnen gericht en neigen uw talenten meer naar aardse zorgen (5) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 2: Interbellum -paragraaf 1|
Het Collectaneum van een Mens deel 2: INTERBELLUM (1)
|
| 2. INTERBELLUM -- paragraaf 1 hedde nog sin um mie tu gaone uut gaone me mie te suuke naor us binne op unne daach toe beginne ut sol us bringe verre in siele en haort enne die haort gaon singe me lieve gepaort so icke ghie segge lope mie die weghe ghie vertrouwe mie doch icke siene dien hogh gelieke die sonne umhoch te gaone ghie wete dis seker dun wieshiet kumt me du jaore Julius: Vitanova hfdst 3 vers 3 gaat heen vermenigvuldigt u in woord en daad komt terug en vereenvoudigt u op weg naar uw bescheiden maat (3) ik schets u hier een portret van een schaduwrijk man mijn duistere kant kent een blinde vlek slechts doorgewinterde neuroten herkennen die plek immers zij zijn mijn lotgenoten u, die blikt naar mijn gezicht ziet een zelfverzekerd persoon al ware hij van enig elitair gewicht maar, de waarheid stellende vaak door eb en vloed tijdens het leven is ontwricht zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een schaduwrijk man in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet Julius: Vitanova hfdst 3 vers 1 dit zo zijnde zeg ik u: ik voeg hier niets aan toe geen ander dan u zelve kent mijn woordenschat als bollige gewelven neem mij niet serieus ik ga zo vaak op mijn gat (1) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 2: Interbellum -- paragraaf 2|
Het Collectaneum van een Mens Deel 2: INTERBELLUM (2) |
2. INTERBELLUM -- paragraaf 2 ik slenter, stelt u zich dat voor en ga zo mijn weg vaak in gedachten diep verzonken dat hoort ook zo immers een kip neemt ook tijd voor de leg ik heb oog voor ernstige zaken niet dat ik per se tot meer wijsheid zal geraken neen, ik denk omdat ik ben zoals een wijs man al eerder zei ik ben een slenteraar, zo een van: als het nu niet lukt komt het morgen klaar zoals in de volgorde van ieder jaargetij zo doende denk ik nog aan gister die dag was nog niet rond alhoewel het ook kan zijn dat mijn huidig peinzen wordt gevoed door onduidelijke woorden uit uw mond u begrijpt nu mijn tempo; beladen met een zwaar hoofd en vergrijsde slapen hoef ik me ook niet te haasten bent u wel een beroemd dichter nadat u zich met ongeremde passie zo hebt uitgesloofd? uw woorden zijn morgen lucht door verdamping aangetast uw kritieken uitgedoofd uw gedichten zoveel lichter het moge duidelijk zijn ik orden mijn gedachten, schep een beeld van gister en daarvoor ik strijk dan door mijn haren en frons mijn gebrild aangezicht ik ben een slenteraar een dromer op straat door innerlijk staren zo schep ik mijn leven langzaam, opdat ik niemand stoor ik nader mijn bank in een verlopen park omgeven door wilde struiken hier kom ik tot rust hier kan ik echt onderduiken plots maak ik mij zorgen en dat is nieuw over de dag van morgen zo u weet is dat een last zou ik dan toch door het verwachten worden aangetast nee dat nooit spookte het door mijn hoofd word ik alsnog van mijn traagheid beroofd? besmet met het moeten nee, daarvoor is mijn levensgang te traag tevreden draai ik een sjekkie dat leidt mij af van de finale vraag daar wil ik u noch mijzelf mee belasten en blaas de rook strak voor mij uit u zult het wel begrijpen dit zijn die momenten waarin ik mijn hoofd bevrijd en mijn wereld kan ontlasten tot de schemering in mijzelf wordt ingeluid als de zon verdwijnt na een lange pose achter de toppen van de lindebomen en de stilte zo verschijnt rust mijn oog op een laatste zichtbare vogel als hij nader wil komen twee vreemden bij elkaar maar stil verbonden bij het verscheiden van de dag raakt hij een wezenlijke snaar: het verstaan zonder monden dat kende ik al vertelde een tedere glimlach ik zette mij aan tot de weg terug maar zie deze woorden niet zomaar als een slot zo ga ik in bedaarde tred die mij immer al bekoorde en waar ik mij nimmer heb tegen verzet Julius: Vitanova hfdst 3 vers 4a ik droom zo vaak mijn dromen in het licht van alledag van mijn lief en ver geluk dat het mij vermag zonder enige smuk nader tot U te komen (4a) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 2: Interbellum -- paragraaf 3|
Het Collectaneum van een Mens Deel 2: INTERBELLUM (3)
|
paragraaf 3 soms ben ik alleen en heb dan even niets met dat of jou of het moet de eenzaamheid zijn wanneer ik lijd aan het leven een niet te vatten rouw *ik hou van rode gladiolen* ook midden op een zomerse dag ween ik mijn donkere wolken gevoelens die niets anders doen als in mijn lijf steken met plots verschijnende dolken * ik hou van gladiolen: met rode of witte bloem* als lijkt dat ik mijn grip verlies en het zicht versmalt tot een leeg verhaal wat houdt mij dan nog hier vertel het mij, in mijn eigen taal * ik hou van rode gladiolen* ik weet men heeft mij lief, afwisselend bezongen, is dat nu het geluksgerief waarnaar ik schreeuwde met mijn geboortelongen * soms zijn er witte, vind ik ook mooi* nee, reeds toen blies ik al "the last post" het blijft wachten op de willekeur totdat ook op mijn afscheid wordt getoost *ik hou van gladiolen: kan rood maar ook wit gekleurd* Julius: Vitanova hfdst 2 vers 1 keer u niet om mijn waarde als u zich achterwaarts zou voortbewegen ook dan ziet u niet wat achter u geschiedt u kunt immers niet alles kennen en dat is een grote zegen (1) door de muziek van het hart, de "ouverture" van de ziel, waarbij zinnensnaren trillen en ik ver weg kan zien heb ik niet te willen als een draaiend wiel met zoemende tonen en zilverglanzende spaken ga ik door het heelal zonder van mijn plaats te geraken begeleid door schone klanken van een engelenpartituur raakt dit het wonderlijke leven aan zijn zuivere flanken een rilling van gelukzaligheid in de eeuwigheid van even Julius: Vitanova hfdst 1 vers 7 hoop de hoop op tot een sterk verlangen uw oor hoort vanzelf vreugdevolle gezangen (7) lief heb ik, jullie mijn lieven voel ik strooi mij uit om jullie te gerieven zacht gefluister een tedere kus met gloeiend hart in het andante van mijn lied zweef ik omhoog naar vluchtige wolken en bemin het zachte dat ik aldoor zoek maar niet vind: ik ben niet bij machte Julius: Vitanova hfdst 1 vers 7 een leven zonder compassie vertraagt uw tred naar genade verheft uw hoofd en leg uw zorgen in de onderste lade (9) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 3 Finale|
Het Collectaneum van een mens Deel 3: FINALE
3. FINALE overgave mooi doch zwaar aan het ritme van het leven kent geen maar slechts beleven als ik daar op kan vertrouwen en niet door de waan word bestoven pas dan ben ik in staat te geloven pas dan --onbekende psalm-- pas dan als Gij mijn verweerde hand; gerimpeld met aderen beslagen ontvangt in de rust van uw schoot aanvaardt Gij mijn zware dagen As icke meuge sterfe Ick sieje aol werumme Ende sie freugt ende piene In haort en lieve geprieme Icke denke me smarte Miene lieve von haorte Sie gaf mie surrig en de werme Icke danke dich so gerne So mien jung, moei kieke Ungelieke en so rieke t'is recht unne gaeve Hunne siele te laeven Miene friende, o so tere Gelieke vao ende mien mude Maoke mien so mere Icke sou so gere die lefe kere As icke meuge sterfe Ende alle werumme sie Laeve mie die stille Gelieke die dode die ruste wille Waor dan bluuve die piene In haort ende lief de miene Icke groete dich sere Mien al lieve, so tere Julius: Vitanova hfdst 1 vers 5 ik wens 'n nieuwe lente dat de winter sterve vivat gladiolus opdat u die erve (5) |
Oratorium van de homo sapiens
foto