

.



oude stenenals ik drijf op de schaduw van heden
en het mij voelbaar ontbreekt aan gerief
maakt het ademen diepe sneden
roept de rust en komt de nacht als een dief
niet dat ik door het sterven ben aangeraakt
of vast de wakken tel voor morgen,
door deze of gene word gelaakt
neen, de ziel is gedwongen verborgen
toch bouw ik op oude stenen
zij vormen het beeld met geduld
om weer iets van de toekomst te lenen
dat nu nog met nevel is omhuld
paradijs
mijn gedachten zijn vaak
door verwachten bevangen
alsof jij of jij nog zal komen
waarom blijft toch mijn ziel
aldoor naar het ideaal verlangen
waarom blijf ik, mens, dromen
wil zo graag vergeten
aldoor wat was
en door mijn verdriet
al vele malen is opgegeten
opdat ik vlucht voor wat is geweest
en mij slechts hoop wil aanmeten?
ik leef de droom van Eden
bron van stromende liefde
het maakt me zwevend in het heden
zie de onmiskenbare schoonheid
kom, ga met me mee
naar de glimlachende blijheid
holle vaten
dit dicht vlak en braak vol ledigheid
kent geen noemenswaardige inhoud
er is zoveel onzinnigs geschreven
dat ik mij daarom van harte onthoud
van scheutigheid door mij bedreven
niet dat ik niets heb te vertellen
oh, je kent me van haver tot gort
vandaag ontzie ik jou te kwellen
heden geen overpeinzing of
nutteloos ongerijmd gedicht
op jouw overdadig besmeurd bord
ik reik jou de doodsaaie verveling aan
vol met nietszeggende woorden
ik dacht nog over mijzelf te praten,
het eeuwig wederkerend fileleed
of de vlieg die ik wilde vermoorden
maar nee, ook dat zijn holle vaten
slaapverwekkend is nu mijn schrijven
nodigt uit tot lege armzalige gedachten
wat heerlijk eens niet te moeten
niets stichtelijks of pijn te verzachten
niet naar rijmend gezeur te smachten
ik ga dan maar, wel op blote voeten
ik en mijn vinger
ik roer mijn vinger
door het schuim
van de cappuccino
dat blijft altijd achter
omdat ik snel de koffie drink
wat ongeduldig,
een onverklaarbare haast
zonde denk ik vaak
dat witte schuim
en lik mijn vingers af
met de cacao nasmaak
wat een genot
eerst slurpen
en dan de rand
van het kopje aftasten
alsof ik
een vrouwenlijf
betast
en gejaagd
verorber
nog een graag
ober
bevangen gevangen
in mijn glazen woning
getralied door geweten
voel ik zo vaak
het verlangen
naar het lichte buiten
alsof ik ben bezeten
door illusie bevangen
waarom verscheurt
buiten en binnen
mijn diepe wens
door liefde gekleurd
is het de verstilde leegte
door stilstaand bloed
tot ijzig verbeurd
ik versterf door de dagen heen
slechts terend op enkele tellen
schrijnend gehouwen
in mijn grafsteen van ooit
wil ik dat nog voelen
dit eeuwig kwellen?
de violist
hij kwam langs,
onverwachts
en toch gehoopt
hij speelde met snaren
van een verborgen viool
wat heeft hem toch genoopt
het klankspel niet voor
zichzelf te bewaren
of een stille plek te zoeken
een verborgen begraafplaats
waar hij voor niemand
en toch allen
een bescheiden triomf
kon boeken
waarom sneed hij mij
door hart en ziel
en deed mijn
wereld bestormen
ik zal de klanken
moeten doven
in stil verdriet
de trillingen dempen
in verdrongen dieptes
van verdorde ranken
denken zal ik slechts
aan het kruisigingsmoment
van een verleden lente
ik zoek dan opnieuw
mijn weg
zomaar, dwalend,
haast dromerig blind
zo ga ik weer binnen
in mijn zwartomrande heg
de kunst van vermetelheid
mijn benen
strek ik
tot op de andere
lege zetel
zo een omzichtige daad
noem ik vermetel
jij zat er eerst
wist me geen raad
als het verlangen sterftik wil zo graag
mijn diepste verlangen
ketenen aan mijn ziel
of strak omarmen
bezingen met
liefdesgezangen
het zegt zoveel
over het aardse lijden
nog meer over
ons menselijk bestaan
we willen de
onontkoombare
eenzaamheid
zo aldoor mijden
ik wil zo graag die
momenten herbeleven,
de tellen van intimiteit,
maar word dan gejaagd
voortgedreven
tracht me vast te klampen
door dromen begeleid
als ik dan de ander vind
die mij kent en begrijpt
zal ik langzaam gaan beseffen
wat mij aan het leven bindt
het gevoel er te mogen zijn
wordt hoe langer hoe meer gerijpt
het verlangen zal dan sterven
om de ware liefde te erven
de glazen stolp
de blauwe vlinder
hoe lieflijk en licht
gaat mijn blauwe vlinder
zij zweeft fladderend rond
in mijn gedachten
en wappert zachte wind
met haar tere vleugels
langs blad en bloem
wie zal daar niet
stilletjes naar smachten
als ik haar zie
en een glimlach schenk
voelt zij als het ware
de vreugde van een mens
in een stille wenk
verbindt zij wat geluk
in een niet verwoorde wens
met haar sprankelende
wuivende gebaren
licht zij harten op
laat mij voelen
wat niemand echt
kan verklaren
maar liefdevol
tederheid aan
de ander hecht
de wandeling
in een strakke trui
en dito broek
loopt zij mee in het groen
ze heeft een rode blos
en wapperend haar
met een blik in haar ogen
gericht op ver mededogen
nee, ze is hier duidelijk;
een spanning, sterk aanwezig
ik voel me soms een dier
zeker in het groen
ach, je kent mij
ik zou nimmer wat doen
ze is een lopend voetstuk
en kletst al maar door
ik zie haar wel, maar
niet dat ik haar hoor
ze is een engel uit
het maagdenkoor
haar blonde, wilde haren
winden mij erg op
en al dat ander
haar borsten met name
ach alles tezamen
maar ja, ik blijf koen
ik zou nimmer wat doen
o ja, het ging om
de honden
die laten we uit
een ommetje mag het heten
ik was het bijna vergeten
ik ben dan wel oud
maar nog niet versleten
wa ge in me oge lees
hoe kunde gij me kenne
als de deur me hinne zie
ge kunt ut noit witte
ik fuul me dan veugelvrie
nim munne ope hand
zo werm tussen dun oewe
worde ge dan nie overmand
over wie ik zij
bende dan nie angeland
zo wezenluk dichbij
da bin ik
unne mens van flees
heur munne siel roepe
di ben ik
wa ge in mun oge lees
die manne (iegene taole, eigen dichttaal)
su sieje for uut
in dencke versoncke
hie in sorge gesinckt
die bure in gewesend
gelieke unne droncke
sie komme nie frie
um hiere te sijne
skouder am aender
doch nimmer int reine
so goat die daghe
so stille ende vurt
icke fuule die swaore ruste
gelieke er bie heurt
so sie treffe mekaore
met unne seeje geskeide
dele die werlt
umme ut ene te mijde
so dele sie
aol in stille
sie kunne nie anders
sie souwe nie wille
ochtendgloren
het is nog vroeg
als de nacht eindigt en de
uil van het donkere licht
voor mij uit zweeft naar
de blauwe fontein
waar druppels
schitteren in vlagen
van de stervende
maneschijn
door knarsende kiezelstenen
schuifel ik naar de bank
gelegen aan het pad
langs de waterpartij
hier zet ik mij neder
en zie de dag traag
ontvouwen met een
schaduw aan mijn zij
deze plek van eindeloze duur
schept vreugde in een
onnoemelijk ogenblik
hier ontmoet ik de schepping
waar licht en teer ruisen
van de waterstralen
het wonder opnieuw
in mij laten dalen
werd je bemind?
een kind
groeit in
eigenwaarde
als liefde
zijn weg vindt
was jij het
die het baarde
werd je
echt bemind?
als lippen zuigen
mijn lippen zuigen
aan jouw vel
en als ik mijn tong
van passie vertel
kreunt het zuchten
van jouw lijf
en ruik ik al
het zwetend vocht
zijn we al
in een hemels verblijf?
ik ben dichter
ik ben dichter
van het eerste uur
nog sterker,
van het eerste kwartier
of twintig minuten
dus niet een noeste werker
of gedreven poëtendier
nee, ik zit en handel
en de woorden,
zo die komen,
gaan met mij aan de wandel
het is niet de romantiek
die u verwacht
van langhaar en snor,
een afgezakte bril
en sacherijnig geknor
het is wat toetsen aanslaan
op het bord
al schijn ik dat wel
met kracht uit te voeren
ja, immers na uiterlijk
een halfuur
moet ik weer voort
spiegelen
dag Hans
zeg ik
en zie mijzelf
in de etalageruit
je oogt niet slecht,
mijn jongen,
voor jouw leeftijd sta je
nog betrekkelijk recht
en zie nog goed
jouw strakke huid
dag Hans
zeg ik
en kijk nog dieper
in mijn ogen
duw haast mijn neus
tegen het raam
zeg ouwe viezerik
kan je het wel zien
ga naar binnen
en koop die blaadjes
over seks en
betaald beminnen
of loop door
maar blijf niet staan
mijn zwijgzaamheidnaarmate de jaren korten en seizoenen vervlakken groeit mijn zwijgzaamheid niet dat aan praten maar iets zou schorten het brengt niet bij voorbaat iemand in verlegenheid nee, als ik enkel kijk met uitnodigende ogen hoeft niets gezegd, of blijft iets verduisterd vaak is het zo dat zelfs beter naar mij wordt geluisterd |
mijn zwijgzaamheid (vervolg)naarmate de jaren korten en seizoenen vervlakken groeit mijn zwijgzaamheid soms schiet praten het doel voorbij er schort iets aan de brug naar de overkant planken vallen in diepten van ijskoude gevoelens onbereikbaar blijkt de waterkant mijn ogen spreken niet meer dof en verduisterd als zij zijn uitzichtloosheid krijst in verstopte oren wie kan in deze stilte de hartslag nog horen |
in deze nachtin deze nacht sluipt de zondag binnen door open deuren hoor ik de echo van de voorbije dag heb niet de wil een nieuw etmaal te beginnen soms is het fijn banden met gister te koesteren zaterdag is nog zo'n warme deken waarom zou ik mij er van losweken |
Gode zij dankook al is mijn nek gekroond met een hoofd het leidde niet tot zuivere rede de schepper had mij dat trouwens ook nooit beloofd Gode zij dank |
in de dood gedoopteen stukje vel van genegenheid is van mijn huid gestroopt naakt sta ik te kijken, andermaal uitgeblust heb moeten wijken voor een vroege doch eeuwige besnijdenis; als in de dood gedoopt |
de fiets met cyclaamzo even en niet onbekwaam passeerde een fiets met cyclaam die het meisje versierde op een omafiets langs banen door parken en lindelanen die mede voorjaar vierden het maakte mijn hart ook vrolijk ben voor toeschouwers dan olijk als een deerne mij belicht ik ben een warme zonnestraal een schijnend vreugdevol verhaal en op iedereen gericht |
vrouw aan mijn zijdeja, wat moet ik van haar zeggen: een vrouw moet ik naast mij neerleggen |
winterdekenniet alleen de nacht schermt licht af van helder waarnemen waarin dromen mij soms ongevraagd meenemen naar diepe dalen van verwarring ook de dag kent momenten van onzichtbare schaduwen gevoed door gevoelens van verkrachte woorden zij overvallen soms mijn gemoed, zomaar, zonder te schuwen een muur met een zacht fundament is soms door een zuchtende wind om te duwen temeer daar in de winter het glazen plafond door koude is aangeslagen en dichter boven de dode aarde hangt alles is dan zwaarder te dragen het is dan een winterdeken die over mij hangt |
kerstmijmeringonder de oude middeleeuwse toren sta ik even stil als de bejaarde slag het angelus laat horen hij is een roepende over de winterse velden kijkt statig uit zonder dat men hem nog hoort of ziet als hemelse bruid hij draagt slechts een stenen verleden en echoënde psalmen naar verluidt laten we ons nog verwonderen door eenvoud en mystiek ik zou het niet weten: zie zoveel koude mimiek bij de geboorte van ieder mensenkind kan men slechts ervaren hoe de onvoorwaardelijke goddelijke verwachting mag worden bemind |
mijn vaderheden zoveel jaar na dato versteen ik het beeld van mijn vader houw de lagen van zijn persoon tracht zijn wezen te plaatsen in een menselijk kader een postuur van ruimtelijke omvang gevoed door smakelijkheden een zuivere inborst gevormd door haast verborgen verleden gaven deze kleine man met humor en weinig woorden een ongekende kracht: de zachte macht van ervarend voelen in de stilte van het ongezegde soms ook afvragend wat hij zou bedoelen mijn beitel breekt te vroeg zoek nu in mijzelf naar zijn diepte ik kan pas zeggen wie hij was als mij is gegund nog even niet mijn lijf voor het laatst neder te leggen |
sluit de ogen na het lezenin dit moment van eeuwige stilte waar vogels zwijgen en mijn hartslagen zich rustig aan elkander rijgen vertoef ik in tederland met zachte tonen van een fluisterende wind ervaar het warme zand onder mijn blote voeten en valt de rust mij toe verdwijnt al het moeten dit voortschrijdend genoegen van geluk en zaligheid doordrenkt al mijn vezels zonder enig zwoegen wil het delen met allen die mij vinden mij willen zien met mij zich willen verbinden |
wees mijn bruidwees mijn bruid als de avond valt en de zon van mijn ogen neerdaalt in mijn hart wees mijn gade als ik afdaal in de vergankelijkheid van geschapen smart rust je hand op mijn schouder en stuur mij zacht naar beminde wouden waar de ruis van vele zielen mij zullen dragen in voorbijgaande koude wees mijn bruid al is het voor even, een tel van eeuwigheid, streef voorbij wat was niets bleef nog heel draag mij om te weven door het ven van engelen lacht mij de schoonheid toe dan pas, voel ik het grootse dan pas heb ik weet van wat ik verlies wees nog even mijn bruid dat is leven, als ik onomkeerbaar de klokken luid |
de merelals een merel op de zomeravond zijn vreugde fluit doet hij dat zonder omwegen vraagt niet naar de liefde doet slechts wat anders wordt verzwegen hij zingt op zuivere toon hoor mij toch ik heb voor u uw morgen en avond uw gister en heden in mijn lied geborgen |
momenten van evenik zoek nog steeds de diepte van binnen tijden lang verlangen de weg te gaan naar verlichte gezangen op de ontgonnen heide waar een zachte mist de velden bekleedt schampt de wazige zon de wedergeboren aarde zij allen hebben weet van mijn innerlijke waarde ik zoek nog steeds de eeuwige verbinding naar herstellende heelheid verloren in mijn menszijn geschapen breekbaarheid in komen, zijn en gaan wie ben ik nog, zo denk ik in mijn tastbaar bestaan de schittering in je kleine ogen diep en vol vertrouwen heeft mij zonder enig denken eenvoudig naar mijn wezenlijke kern gezogen je hoefde slechts spontaan met je armpjes te wenken ik voelde me even niet door het leven bedrogen |
het is stilin de stilte wordt zichtbaar wat zuiver is ik spreek niet over kilte maar van rust in een woordloos gebaar woelige stromen drijven naar de zee waar ik in de ontluikende kim een groeiend vertrouwen omhoog zie komen in die stilte van rijzend genoegen waar zand en water komen en gaan vertelt mijn ziel dat eb en vloed mij altijd al droegen |
als kringen in de slootik voel mij in de rust van je schoot droom daar tijdloos genieten uitdijend als kringen in de sloot waar ik over schrijf zijn de koesterende blikken en strelende vingers, over mijn vragend lijf ik spreid mijn letters over stille gedachten waan mij even in jouw paradijs wat mag ik meer verwachten op deze herscheppende reis |
éléganceik vier de vreugde van de druiven het zoete feest langs jouw ranken streel bladeren met vingertoppen terwijl een zomerwind getuigt van zuchtende klanken mijn fluwelen deerne plukt de gerijpte vruchten met kwetsbare élégance laat ze mijn mond raken op mijn lippen dansen |
de kunst van revenzonder eenzaamheid op zijn tijd zou ik niet kunnen leven hoe kan ik anders in de storm van al dat lawaai de eigen melodie reven |
de kunst van zingevingik zoek mijzelf met strakke lippen de handen sluiten steeds meer de vingers in behoef ook geen woorden meer uit mijn verbeelding te knippen ik bemin de dode zin |
de kunst van het afscheidvaak een zaak van laten vallen vroeg aangeleerd en getroost met zacht papier waar ik eerst ongevraagd werd neergezet vertoef ik nu spontaan en dagelijks op het toilet |
Du Rainlant Sageut was diep in du poldur
waar sij furscheen nei, ut was geen koldur un mait tur been gehil bloot en fel ovur beein iederu somur
as du son saktu kwam sai tu vorschain alwaor sij du avont paktu int dorrup
nabaigelegu groeidu un grottu freeis sou sij du mannu verlaiju en du klainu kinderu un sortement van weeis? du waiven settu un fal
toen du son ging sakku met aisuru pinnu wildu su da waif pakku achtur un struik gelegu
raaktu sai opgufokt vursot oppun segu as sai indu fal sou wordu gulokt da komt su an
du borstu ontbloot du frouwu begonnu tu schreeiwu wai willu ju doot sij priktu ut aisur in haar laif
jai bentur geweeist maar hoe su ok stake as un wilt beeist du mait paktu du avont su was un schaduwgeeist en gunoot ut meeist ga henu sai du geeist
en ontkleet ju net as mai geein fent sal hier dan komme want bai du meeist blotu staa du keruls in du rai |
het is wat| het is wat zei ik en schraapte mijn keel ja, knikte zij het is al jaren zo dat ik je verveel het is wat zei ik weer de deur viel toe, voor de laatste keer |
alo alo|
alo alo ben je daar nog
ik kijk even om de hoek
zie je zitten
je was een open boek
maar was je nabij vergeten
het beeld was in de verte
danig versleten
je lijkt nog enigszins
als voorheen
de haren wat aangetopt
uiterlijk in een
andere kleur gesopt
wat langzaam zakkende
delen
(die mij voorheen nimmer
deden vervelen)
voor de rest ben je het echt
en tot mijn vreugde
niet meer in een vlecht
gaat het wel met je
je kijkt zo onbestemd
kan ook zijn
dat je mij bent kwijtgeraakt
natuurlijk
daardoor was je al die tijd
moedeloos en geremd
|
een spiegeleen dichter zoekt als het ware zijn eigen lijden hoe anders kan hij zijn zucht naar woorden verklaren of raakt hij ontspoord door zijn eigen werkelijkheid waar een glanzende spiegel hem tot nietigheid verleidt |
eens, ja eenseens, ja eens zal een schrijfsel van mij tot gedicht worden verheven zullen de kassa's rinkelen dan word ik verheven in de rij der groten dan ben ik opgetogen, zo blij dat de heer het heeft beschikt een oogje dicht te doen en mij gelijk te behandelen met een redactionele zoen zal ik dan naast mijn schoenen lopen of nog gewoon normaal doen? ik kan het nog niet weten immers men wil mijn werk in de verste verte niet kopen ik ga door, fier en onverdroten |
ik schenk je gladiolenmocht je denken mijn gedachten zijn slechts gericht de ander te krenken neen, ik getuig; niet elke waarheid hoeft men te gedenken niets van zulk een zwaar gewicht heb ik mijzelf toegedicht gering zijn mijn daden doch ga voor zuivere ideeën op zonneschijn gericht schenk u mijn rode gladiolen, de liefste feeën ja, zomaar mijn idolen zij verzachten de weeën van worstelende criticasters die net als jullie, menselijk, op aarde ronddolen |
reik mij je handeen hand zoals die van jou ja, jij daar je gaat net voorbij die hand hij lijkt gedwee en is nog vrij zou jij die van mij willen raken voelen, pakken naar smachten met liefde vlakken of als gift ontvangen in de jouwe even omsluiten wellicht delen om te helen of gewoon uit vertrouwen mijn vingers zijn zacht omhuld met een gewillige vacht zonder te schromen zullen ze nader tot je komen ik zal niets zeggen slechts de stilte zwijgen laten we ze elkaar schenken wensen dat een tederheid zal mogen zijgen |
wedergeboortede stilte is gestorven aan prille woorden zwijgende strakke lippen ontdooiden aangeraakt door de echo van zachte golven die de duwende lucht ontkooiden een nieuwe schepping werd onstuitbaar verworven bevroren in diepe levensaders verstokt in lijfelijk gelid waar een moedeloos verloren gemoed de keel vernauwde door een hart dat bloedt als dan plots de ogen blinken door een wonder van een vergeten lot juichen oude klanken gaat de wanhoop, lijkt het, ten onder |
doorstartze schuifelt gekromd handen vertekend door tand des tijds langs deuren met verscholen verleden eindeloze linoleum gang startbaan naar de dood |
rozenpadje leeft stil in jouw stilleven meisje met je zwarte haar je bent er toch maar even of droom je al menig jaar om je eigen geluk te weven mijn hand reik ik je aan niet om te bezeren of om jouw bloemen te plukken ik begeleid je naar mijn tuin mijn warmte zal je verrukken het zal je waarachtig heel goed gaan kom mijn lieve zie toch ons rozenpad vol van glimlachende tinten laat ons gaan, zo tegen de avond neem mij aan, laat wat je had ik wil je beminnen tot aan de ochtendstond |
kruit van liefde
zwarte strelende wimpers omringen haar ogen die ontwapenend blikken zij schieten kruit van liefde zoeken mijn lippen te likken al twinkelend worden edele rozenblaadjes naar mij gestrooid en omringen mijn lijf als in zachte streling getooid mijn rimpels verbleken als glinsterend damp in het ochtendgloren zo een minnespel bevangen door vreugde zal niet slechts een enkeling bekoren ![]() |
van harte gefeliciteerd
|
|
pas dan --onbekende psalm--pas dan --onbekende psalm--
pas dan
als Gij mijn verweerde hand;
gerimpeld
met aderen beslagen
ontvangt
in de rust van uw schoot
aanvaardt
Gij mijn zware dagen
Stabat Mater
uit de struik met eeuwige bloemen
vol van kleur en zachte geuren
waar engelen tijdloos aan alle zijden
de onzichtbare bekoren
wordt met liefdevolle zorg
nog zonder een uitgesproken naam
de echte oermoeder geboren
zij is verrijkt met
het oorspronkelijk verbond;
het voortschrijdend leven
aan elkander te smeden
om zo de schepping
van vrouw op vrouw
bezield door te geven
maar als haar kind te vroeg sterft
zal zij zuiver ervaren
dat de toekomst niet wordt geërfd
het diepste lijden kan zij
slechts in haar hart bewaren
met onuitspreekbaar en
uitzichtloos geween
Het Requiem van Julius Dreyfsandt zu SchlammINTROÏTUS
schrijd binnen tot stof vergane mens
leg je neder voor het altaar van het leven
ik zal je begroeten met wierook en licht
je zegenen met water uit de Jordaan
de Geest laat ik voor eeuwig over je zweven
en hier allen zingen over je levensgedicht
zij zijn rondom jou en met je begaan
vier je eeuwig leven
schrijd binnen, jij, tot stof vergane mens
KYRIE
ik hoor jullie roepen naar mijn Naam
voel, ik ben aldoor met jullie begaan
laten we samen de schepping dragen
ik ben met jullie,
totdat we de eeuwigheid verstaan
de Aardse Liefde hoort jullie aan
en deelt Zijn lichtend beeld
laten ons samen het licht ontwaren
Hij is het die de mens
de hoopvolle genade toebedeelt
ik hoor jullie roepen naar mijn Naam
voel, ik ben aldoor met jullie begaan
laten we samen de schepping dragen
ik ben met jullie,
totdat we de eeuwigheid verstaan
GLORIA
als ik juich met verdorde takken
zwaaiend naar mijn Oorsprong
als gedwongen naar nog enig houvast
doch wegdrijvend naar afgestorven wakken
ik kan niet meer zuiver denken
al zegt mijn hart zie op naar de Heer
en over liefde roepen en niet krenken
echter ik ben een dode mens
die het verleden verloor,
ik kan het niet meer
ik zou mijn handen willen reiken
naar hemelse geschenken
en de bevrijding willen bereiken
maar mijn afgestorven lijf
waar ik nu zo in beklijf
vertoeft in machteloos wenken
CREDO
de Heer van leven en sterven
heeft weet als behoeder van
vertrouwen wat de mens in
lijden zal beërven en zal aldoor
om verscheurde harten rouwen
het is de wanhoop in
eindeloze zwarte nachten
die het leven doet verachten
het onvermijdbaar verscheiden
van al wat geschapen is
laat de rots van geloof en hoop
versplinteren en doopvonten
met oeverloze tranen dempen
als verdoofd en verblind
lijkt de Geest onbereikbaar
om wat is, te verstaan
en verwordt tot aardse duivel
die ontvankelijkheid in
schreeuwend hellevuur
zwijgend laat vergaan
machteloos roept de mensenziel;
tot waartoe dient de Liefde
waarom is mijn bloed vergaan
AGNUS DEI
Uw Aardse Liefde, tot sterven toe bereid,
genageld aan het dode hout,
maar ook in nood op verlatenheid vertrouwt
zal zeker bij ons zijn, als het kwetsbare verleidt
Uw Aardse Liefde, tot sterven toe bereid,
genageld aan het dode hout,
maar ook in nood op verlatenheid vertrouwt
zal ons zeker nabij zijn, als de schaduw verleidt
Uw Aardse Liefde, tot sterven toe bereid,
ontvang de mens die is gegaan
geef hem de vrede,
in een hemels bestaan
IN PACEM
vaarwel mijn vrienden allen om mij heen geschaard
ik voel nog steeds jullie warme liefde
en neem het mee, alles wordt in mijn hart bewaard
het zal de tocht naar het onvergankelijke bemoedigen
alwaar de Schepper mij zeker zal verwachten
en engelen vol van Geest en zo fijn besnaard
jullie aardse droefenis
met verlichte vleugels zal verzachten
ik huil nog een keer mee en raak
met mijn ziel nog even aan grootse harten
terwijl de tedere rust mij al over de stilte verhaalt
en helpt bij het afleggen van aardse smarten
zing met mij het lied van de eeuwige vrede
opdat al jullie tranen aan elkander worden geweven
stilaan zal de Goddelijke vreugde opnieuw
in jullie worden geboren en doen herleven
ik mag nu gaan en hoor de cherubijnen roepen
zij willen mij op handen dragen naar de Heer
voor allen toch een troostrijke gedachte
vaarwel en wacht tot ik in jullie wederkeer
Liturgie der Goddelijke Vertwijfeling
1. INTROÏTUS
oh, mens,
mijn beeld
in jou geschapen
ik treed nader tot jou
beziel je met ademende
genade
laat ons samen juichen
ons op gezamenlijk
licht beraden
langs verheffende wegen
omgordend door
voortdurende bloesem
laat ons zoeken
naar een scheppende zegen
2) ORA PRO NOBIS
verscholen in jullie
begrensd door
bescheiden licht
omgeven door
mensenpilaren
zocht ik jullie
Mij te vinden
slechts om jullie
aan mijn ideaal
te verbinden
3) KYRIE
mens,
ik ontferm mij over jou
leg je hand in de mijne
mens,
ik ben in jou
spiegel je ziel aan de mijne
mens,
ik heb je nodig
voel mij in het kleine
4) GLORIA
jij, mens,
het pronkstuk
van onze
scheppende daad
zing het lied
van vreugde over
de beeldende natuur
het ondersteunt
jouw vruchtbaar zaad
over de rijkdom
van menselijk raken
bejubel onze vriendschap,
onzichtbaar intens,
open de handen,
in voortvarendheid
om voor elkander
de liefde te maken
5) EVANGELIUM
morgen wordt het licht
ik weet het zeker
dan vervalt de duisternis
gericht op voelbaar zicht
het dal vult zich weer
met het blije lied
kom en kijk met mij
in het ontluikend verschiet
morgen, ja morgen opent mijn hart
het was voor lange tijd gesloten
verborgen in enge diepte
doordrenkt in troebele smart
ik weet het zeker
in mij wordt de zalige hoop
wederom in goud gegoten
als vandaag is verleden
ontspruiten nieuwe vreugdeloten
6) CREDO
mens,
ik hoor je roepen
zuur en ontevreden
ondankbaarheid
stijgt voortdurend
uit je hart
ja,
het is ook moeilijk
de zin te beleven
bij ongelijke smart
ik zie je geloven
in vertwijfeling
sterft duizend keer
de dood
hoe moet ik jou
beloven
dat er een einde komt
aan de zielennood
mens,
trek op met elkander
ik zie de schepping verdeeld
in zwart en wit
in verderf, in mensen
meer en minder bedeeld
ik bemoedig de heelheid
met mijn oprechte tranen
vaak machteloos
in een verloren uur
toch geloof ik in kracht
verzameld in
goede momenten
mijn goddelijk geduld is
van oneindige duur
7) SANCTUS
jij, mens,
bent verheven,
gevormd uit mijn bloeiende zucht
jij, mens,
verheven overrompeld
met gaven
toch zie ik
een schouwspel
van een eigenzinnige klucht
jij, mens,
verhef de aarde
geef je over,
deel met mij
het menszijn
het komt overeen
met mijn vurige wens
8) PATER NOSTER
ons mensen
verstrikt geraakt
in stoffelijke schijn
tevens tot duivel
vermaakt
ervaar de volheid
van liefde
geniet de eenvoud
in het zijn
zie licht in de ogen
van de ander
pas dan ontvang jij
de verbindende kracht
pas dan zal
de verwarring
door warmte
worden verzacht
9) AGNUS DEI
mensenkind,
je kunt grotendeels
zelf vernieuwend scheppen
mensenkind,
vertaal je eigenliefde
in delend scheppen
mensenkind,
draag je vruchten uit
het zal heelheid scheppen
10) BENEDICTIO
waar licht leunt tegen schaduw
spreekt men van menselijk leven
alleen in de horizon
komen zij tezamen
daar kunnen wij allen
slechts van dromen
nu nog niet beleven
open wijds de ogen
houd het zicht op licht
het donkere zal ons dan
meer van verre omzomen
en zijn we hoopvol
op het goede gericht
(wordt op muziek gezet voor koor, solist en begeleiding)
foto