

.



de onzichtbare overkant|
toen de zon
zich verschool in
mijn hand
en het gezicht werd
bedekt door bladeren voelde ik mij overmand
door vreugde
die stroomde door
eindeloze aderen het was nabij een veld
dat leunde tegen
de uitgestrekte bosrand
waar de dag, zo scheen,
haast bleek uitgeteld de avond hing
boven volgezaaide
gleuven van
het vlakke land
dat wachtte op
een vochtig donker
ik was daar even
met mijn gedachten
zij veranderden in
dromen van de
onzichtbare overkant
|
zielsgebaar|
het overkwam mij dacht ik zomaar
of was het
dat ik het hoopte:
een wijselijk
zielsgebaar
momenten
je kent ze wel
waarop leven
even voelt
als beleven
waarmee geluk
wordt bedoeld
en grijs denken
in ledigheid
gaat zweven
een helderheid
schiep plots
een zicht
mijn ego verschoof
teneinde was ik
op begrip gericht
|
missen| missen is vorm geven aan verloren kwaliteit in het duister tast men oude beelden af waaraan men lijdt waar het leven vaak eerder het onbewuste stal schep ik nu alsnog, in de groeiende tijd, de echte waarde die immer gedijt |
een dagdroomik loop door mijn park nog zo heiig vroeg droom nog verder van mijn nachtelijke ark met ontluisterende pracht en zachte gitaarmuziek waar ieder mij toelacht rust mijn woord verzacht slenterend hoor ik vogels roepen mij als het ware toe: zie ook hier het voorjaar hoor onze klanken de lotus opent zich voor jou ik voel, het is waar ik ervaar mij als stille rank teder zuigend naar licht schouwend al in de morgen ja zo ben ik: naar binnen en buiten gericht |
een broze brugik bouw een brug over een vluchtig dal ondersteund door broos gesteente een verbinding scheppend tussen deze en gene wal mistig is nog de overzijde schoorvoetend ga ik vooruit niet wetend wat te verwachten: een menselijk beleg, uitstekende handen of donkere krachten aarzelend is mijn tred heeft het zin die weg te gaan twijfel is mijn kompas waar het eerst een uitdaging was |
het schaduwrijk| ik schep deze letters in de schaduw van mijn hand het licht spreidt zich rond schokkende contouren van linker naar rechterkant als vreemde figuren veroveren zij het papier geven dimensie aan mijn woorden of leggen zij de werkelijkheid in de luren die mijn pen behoorde |
hemelse orgelpijpen| achter het klavier zing ik mijn poëzie de vingers schrijven ongerijmde strofen langzaam, vaak kort maar immer om in mijn ritme te blijven ik bespeel mijn ziel laat vibratie komen en zweef ver weg naar hemelse orgelpijpen waar klanken knokken om het hoogste goed terwijl de linker vijf weer naar het aardse wil grijpen het spel van toon met ongeschreven woorden ondersteund door onbestemde keelgeluiden schept al doende een gedicht met harmonieuze akkoorden niets beter dan dit kan mijn stemming duiden |
zachte woordenwindmijn glimlach voedt verdorde wortels welke lang het licht moesten ontberen ik vroeg me af komt er nog zicht op leven uit droge grond als het slechts op tranen kon teren ik koester de nog schuchtere scheuten blaas een zachte woordenwind langs het tere groen ik weet het zeker niets weerhoudt nog de langzame weg naar bloei eens krijgt de zon alsnog de kans zijn werk over te doen |
verlichtingik schenk mezelf iets, door het jou te geven, zachte woorden van satijn als eeuwige momenten van even zij komen uit overdadig niets de eigen pijn verlichten door de ander het goede toe te dichten waar tranen drogen door een milde lach zo groeit een droomwens langs rozenbogen tot een mooi en bloeiend mens en raak ik opgetogen |
tevergeefsmijn ogen sluiten en zien in het donker helder mijn schaduw gekromd passeren achter betraande ruiten mijn stem stokt de keel verengt als ik mijn handen wil strekken naar het verloren verleden tevergeefs de tijd heeft een blind paard bereden |
beminnenik bemin jouw zinnenstrelende flanken zij wiegen als bedeesde golven met ruisende klanken ik blaas mijn streling langs wuivende haren in stotende zuchten speel ik muziek op gewaande snaren |
voorheenik schuur een vinger over de grove steen kan niets zeggen jij bent weer koud als voorheen |
één levenstraanslechts één traan ontsprongen uit een kale rots van dode steen verraadt mijn bestaan gepolijst door scherpe hoeken zoekt hij zijn weg naar buiten waar de zon hem neemt eer ik mezelf kon uiten |
het koningsdramaeen zoon een zoon is mijn zoon hij is in mij nog niet gestorven vecht nog immer laat niet los wat hij heeft verworven krampachtig bewaar ik zijn beeld maar zie niet dat mijn zoon is verworden tot illusie; mijn eigenbeeld in de arena van mijn geest strijd ik nog steeds als heerser terwijl mijn koningschap al lang is verweesd een zoon een zoon is mijn verloren zoon mijn vlees en bloed heerst over nieuw bevochten land hij strijdt alleen ik heb hem verstoten hij doet het, anders dan ik, nooit goed zo heb ik besloten een zoon een zoon is mijn zoon |
als de lans valteen lans doorsteekt mijn hoofd borst buik zo alles, het verwondt het splijt mij, mijn wereld; een vaste aarde het pint mij in de weke grond de storm schudt mij sterk als speelbal naar alle kanten warrig worden mijn gedachten wazig het zicht op gehavende restanten en jij jij stroopte de schellen van mijn ogen |
hijgende vlucht| als stilte overgaat in doelloos zwijgen en dagen zich van licht naar schaduw naar nacht aan elkander rijgen dan sterven bladeren aan de huid bevriest het levenssap rond de ziel stokt de adem in een wezenloos geluid zo beschrijft zich de uitgeholde lach nog slechts verkrampt waar te nemen naast diepe kassen een afdruk van voorbij verleden die vergeefs de vermeden gebeden van uitzichtloze hoop tracht af te tasten maar zwalkend door de ijle lucht gaat het kwetsbare, onweerhoudbaar, op de loop in een hijgende vlucht |
uitzien naar de horizoneen man van een enkel woord staart u aan beschermt zich achter stilte wil niet dat u hem hoort hij wacht geduldig op die ene vraag waarvan het antwoord is vervaagd adieu... |
ik, de manik verhaal u van de man schouw zijn diepste wezen, als dat al kan: naar binnengaan ofwel mijn ziel door eigen ogen lezen in mijn aard ben ik ziende blind niet dat ik dat zo wil of dat intimiteit mij ontgaat nee, het is de waarneming van de immer schone vrouw te paard en het jachtgedrag waarop ik mij verlaat het versmalt het zicht tot oerbeeld van de perfecte moeder en maagd zo zuigend en basaal ik zie daar voortdurend de engel galopperen, de gemalin van oppergod Baäl zo ben ik, is de man als u ons wilt begrijpen zult u uw verbeelding moeten rijpen tot het inzicht van een korrel zand pas dan raakt u de diepte van het mannelijk zielenland |
een woord (1)een woord al vaak een teveel vermoordt kwetsbare momenten het grijpt mij soms naar de keel het gevoel sterft dan al in de lente een woord vleesgeworden letters scheppen dan een nedergang met tranende spetters legt boeien aan waarvan ik mij niet bevrijden kan het woord, een teveel sluit genadeloos mijn keel |
de geboorte van de eenzaamheidgeboren uit het paradijs van warmte en overvloed teloorgang van de wezenlijke verbondenheid ben ik afhankelijk geworden en gebakerd mijn ziel is gescheiden, de Heelheid kwijt hier is mijn eenzaamheid geschapen de mens eigen en zo fundamenteel de onvermijdelijke sterfelijke verlatenheid ik zoek vaak doch ben niet altoos bij machte, verblindend onbewust, de weg te vinden naar de eeuwige liefde en door verleiding van al het aardse soms door dromen in slaap gesust mijn echtheid vertoevend nabij de ziel kan slechts bloeien in de tuin van onvoorwaardelijke genegenheid als ik naar de ander wil groeien, op mijzelf delen voorbereid, pas dan, ja dan word ik naar herstellende zuivere binding geleid |
de doodsteekspaar mij jouw woorden als vlammen slechts leiden tot as en de knoesten spetteren in ogen van steen waarin ik ooit nog zachtheid las uit een teder hart van veen scherpe messen trekken door merg en been en als schilden slechts dienen het onweer te kaatsen dan raakt de pijn gevoelloos en verdampt om zich naar de doodsteek te haasten |
ogen gedichtin de ogen van mijn kleine meis toont liefde haar gezicht zo wordt in stilte een ongeschreven vers gedicht |
een vergulde lansin het geweten is vaak het verleden van ijzige gedachten opgegeten het verschraalt de zachte milde wens maakt de huid tot afschermend schild ziet het verlangen door een ongeslepen lens toch straalt, soms heel even een gloed van zuivere glans door vermeende muren, als een vergulde lans het doet het gevoel een tel bestormend beven om dan als het ware afgericht te sterven als verloren kans |
Yin en Yang (Acrostichon)| juist nu overduidelijk uitersten zich alom gewaarworden langs krimpende ethervelden, zo lijkt, is de aarde een marktplein uit menigeen gevormd sterk met kleur en geur verrijkt dit zo zijnde en waargenomen razen wij naar alle hoeken en gaten Yang, onze Meester willen wij verlaten: fier ten strijde gaan om van Heer Yin te dromen slaafs slurpen wij de culturen aangemoedigd door holle vaten niet achterblijvend bij onze buren denderen wij aan ons zelf voorbij ter ere van de materiële uitbater |
femme fatale
strak strekt de sluier langs haar schrale lijf waar ruimte krimpt tot een smalle engte en bottenbenen een lange weergave zijn van een kwetsbare lengte ene vrouwe met ontspruitende borsten in een sobere gratie op nakende voeten wie wil niet haar uitpuilende pruilende bolle ogen ontmoeten doch, in een voorbijgaand moment zal menig man zichzelf zien krimpen en niet haar maar zichzelf beschimpen |
memento mori| ach, kon ik je maar een keer ontmoeten zonder iets te willen slechts genieten van uw ziele zoete een korte reis door de dromen van je bestaan kon ik je maar een keer raken en dan weer verder gaan |
verwachting
ik verlang zo naar de schuchtere geboorte van een nieuwe lente ja, het is nog vroeg en slechts in mijn gedachten ik weet het maar als het weer zo zal zijn dat mijn neusvleugels weer trillen van zuivere grasgroen aroma waar de sfeer van gouden verwachtingen de huidige grijze dagen grijze mensen mistig voelen mij dit alles doen vergeten ja dan, ja dan, stel ik me voor geopende doeken van puur natuurlijk ballet och, het duurt toch niet zo lang meer ergens hoor ik een merel dat moet een boodschap zijn toch? |
de Slag bij Swammerdam
bij het bloed doorlopen zand, zodanig als bagger geworden, overzie ik, Julius, Ridder van de Vergulde Vingerhoed, het slagveld met lede ogen en ervaar in mijn gemoed zwaar mededogen met de verminkte krijgers, alom zwaar gehavend, door sabels en kogels beboet een geschrei van verre snijdt mij door het hart ik spoed mij naar de plek en tref daar mijn lief al stervende van smart met pijnscheuten in haar lijf zij zakt haast weg in de drek mijn edele kracht zwelt aan niets houdt mij tegen dapper vecht ik, uit alle macht doch door teveel overmoed bemand zakken mijn lief en ik blind beminnend weg in Swammerdams drijfzand |
de hel| droog mijn laatste dauwtranen als de ochtendstond wordt gebaard uit nachtelijke wanen waar dromen hebben gepaard in spelonken zochten zij elkaar om mijn slaap durend te verwarren zij bevruchtten op een dodenbaar stenen eieren zonder erbarmen duivels braken uit de schalen vuurspuwend naar mijn keel ik kon niet anders meer dan in de hel verdwalen ontreddering werd mijn deel |
mijn oude stoel| ik wijs hem met mijn hand in die ontluikende richting een te volgen weg van vertrouwen naar mijn beste weten een verlichting waar stenen weer kunnen bouwen maar nog niet uit het zicht draait hij zich langzaam om met de ogen niet op mij maar op zijn innerlijk gericht twijfel beheerst zijn gevoel en hij vraagt zich bevreesd af is dit wel mijn juiste weg naar de gewenste openbaring of kies ik voor mijn oude stoel |
een verloren hoop|
een geestelijk schild
heeft mijn lijf verkrampt
was ik zo even nog mild
en een vooruitzien waardig
nu is mijn gevoel
over de grens getild
ook al wil ik nog zo
ben even
het ruimtescheppen
niet vaardig
soms draagt men
ongewild een juk
opgezadeld
dan wel gekozen
dan lijk ik wel stuk
en zal vastgezette pijn
ademend moeten lozen
oh, ik weet van wanten
en al dreigt het
van alle kanten
ik ga op zoek
naar een verloren hoop
het is vaak wachten
in een zwalkend verloop |
zittend zinnebeeld| op het balkon van mijn fantasie aanschouw ik heimelijk van achter mijn mannelijk masker het groeiend genot puilend en buigend, zacht rustend op haar dijen scheppen haar borsten een brug met tere pijlers het hoofd met lang getouwd haar neigt voorwaarts de spreidende draden verbergen deels haar aanzuigend roze met zuchtende meewarige ogen ziet zij naar het verre dichtbij alsof de eeuwigheid ongrijpbaar spiegelt langzaam schuiven haar handen dalend met scharende slanke vingers langs gladde wegen en rusten ten einde op kleine vlakke velden de geronde rug blinkend in een enkel schemerlicht telt stippen rimpels in de schaduw gelijnd van boven naar beneden waar twee ronde doch gerijpte vruchten haar universum dragen het spaarzame licht verdwijnt, neemt haar op in mijn afgedwongen vergetelheid als een smeltend beeld zij was even |
groeiend blauwin mijn ochtendrijk ben ik alleen zo mooi alleen donker is nog het gordijn naar het licht maar toch geluiden van mijn kippen of nabije hond kleuren de bevalling van de dag dit is rust na slapen stilte balanceren tussen zwart en wit nog niets moet zo luister ik nog in mijzelve zie langzaam de contouren van de geboorte het beeld van de dagelijkse schepping omrand met groeiend blauw |
luchtenvandaag een dag van rechte lijnen ik zie voorwaarts met oogkleppen die mijn kijkers in een strakke blik laten schijnen mijn gedachten beperken zich tot een en een is drie dat u mij nu zult verachten is iets dat ik thans niet zie mijn beeld van u is ook vrij saai u bent een oen zo duidelijk, kant-en-klaar nee, mijnerzijds, heden, geen enkel gedraai daarbij bent u een van die vrouwen die van de privé of libelle een zondags kleurloos hoedje vouwen of een man van een ding tegelijk slechts oog voor werk of ronde bal dan heb ik het nog niet over seks ik vind u gewoon een zure kwal deze helderheid geeft ruimte aan mijn gemoed ik raad aan dat u bij tijd en wijle het ook eens doet |
verstild grafals het omhullend hout langzaam zakt en de gedachten ver reiken voel ik de onoverbrugbare afstand zo dichtbij ook al raak ik, naast mij, jou en jou het is slechts een zwevend daar zijn een speelfilm zonder titel flitsend zonder beeld als het zand de holle klank bezingt en de echo in de gegraven diepte stervend verzinkt denk ik het was goed na het In Pacem spreekt de zwarte hoed |
een gang naar binnen| schuifelend peins ik door de schier eindeloze gang zie schaarse houten beelden de schepping danken de marmeren plavuis hier dof door schaduw elders nog plooiend naar de dalende zon vormt de hemelse weg naar Latijnse klanken de hoge bogen met eeuwigheid gevuld laten de stilte zingen over alles dat de mens niet weet een gang naar binnen |
het is stil (2)| ik dicht het lied van de stilte met klanken van niet gekende ritmische noten gedragen door weidse nevelbanken en zo hemels onverdroten een zonnestraal doorkruist deze vochtige vlagen als een strijkstok door licht gedragen dan hoor ik slechts in het aanschijn van de dampige kilte dit unieke lied over het wezen van de stilte |
glas in loodzwaar| schaduwrijk is de sobere kapel waar stilte vermenigvuldigt gedachten wachten op klare taal van duidend begrip zwijgzaamheid veredelt daar zonder te verworden tot klinkend goud in die ruimte van ondoordringbare leegte waar volheid alsmaar groeit berust ik in mijn lot mens als mens nietig, vergroot tot denkende zot |
ik laat je gaan
naar gister|
oh, ik ga maar even natuurlijk kan de plek een liefdevolle wens
|
perspectief|
ach, ik laat het gaan als een walm mijn afgehakte handen toch blijkt het na verloop van tijd
|
het schone lothet mooie is slechts gevoel soms vaag en dun omschreven het schone kent slechts één doel het ware na te streven ervaren van zulk een geluk is waarnemen in de mist soms als een plotse ruk in het edele hart geritst alwaar men, zo de mens is het tracht vast te klinken; men zoekt immers niet het gemis doch wil het liefst in het hemelse langzaam dromerig wegzinken de helse nevel, immer aanwezig ligt, geheel aards, op de loer hij kent geen generaal pardon of geeft mij meer eer dan jou nee, het is het onvoorspelbaar lot dat als enige wikt onder de zon vaak zo zot doch menigmaal bot |
de levensboognaarmate mijn tijd verstrijkt en ik lijk te verjaren schijnt mij steeds meer toe dat al wat rondom mij is verzameld stilaan weg wil varen en mij als maar minder toebehoort al ben ik aldoor meer geworden de toekomstwijzer stagneert steeds minder blijkt van mijzelf en dat niet ik maar de schepping gloort waar mijn wortels eerst moesten aarden om te groeien tot wie ik ben dringt nu steeds meer tot mij door dat niet mijn ik, maar het leven mij baarde |
de mensendaadik verhaal vandaag van het immense grote in het schrijven een omvangrijke mensendaad scheppen van de wereld met al zijn loten een wonder laten geschieden zonder enig verraad slechts ik ben daar in bescheidenheid toe in staat het is aan de geringe echt genade gegeven van het alom omvangrijke niets een geheel te vormen waar ook nog de schrale mens mag leven en ruimte is voor kruipende wormen uit mijn door liefde verzadigd hart ontspruit zich een in regenboogkleuren openslaand lelieblad als waterfontein getooid waar druppels zich glinsterend en juichend verspreiden over een dorre aardse mat het is nog alleen aan mij, te zeggen goed, ja goed is deze wonderlijk schone daad onvoorwaardelijk uit mijn zachtheid geboren het is overzichtelijk naar menselijke maat het kostbaar vocht blaast ontelbare toverachtige kristallen bellen verspreidend naar alle hoeken die bij het teder afdalen naar de ontvangende bodem zingend en springend aan u ja, aan u gaan vertellen je mag er zijn hier en nu ga niet meer zoeken aldus geschiedde de schepping van u en anderen maak nu zelf het beeld van zee en lucht en dieren we mogen hier en daar wat zichtbaars veranderen ik zag nog even het was heel goed zo te sieren daarna hebben wij gelijk de mens is de touwtjes laten vieren |
draalster (draaikont)ook al waart gij heden de allergetrouwsten en ditmaal wellicht geen draalster toch zijt gij een heuker die als bij een dompige neveling aalwaardig uw grei vergaart genaak mij niet, gij Brutus gij onthoudt u van gemenstig gedrag ik vertrouw nimmer uw geplogenheid slechts hervallen in uw zwartigheid is uw streven onbekend zijt gij met nederigheid gaat derhalve hene bij de aanbraak van de avondlucht toelichting: draaikont ook al was u nu in hoge mate betrouwbaar en ditmaal wellicht geen draaikont toch bent u een tobber die als bij een dampige nevelachtigheid onbezonnen uw begeerte vergaart kom mij niet nabij, Brutus U onthoudt zich van eerlijk gedrag ik vertrouw nooit uw gewoonten slechts terugvallen in uw schaduw is uw doel u bent onbekend met bescheidenheid gaat daarom weg bij het vallen van de avond |
ongeboren vruchtmorgen is mijn jaar verleden alwaar eerder de zon ongevraagd doch gestaag de stille dood heeft doen intreden de herfst heeft haar mantel laten verkleuren en verteren terwijl ik zwijgend naar binnen kantel om de sluipende donkere dagen te eren het is loven met voortschrijdende weemoed uit dankbaarheid, nog zo vaak gepaard met ampel gedroogde tranen over de aan mij uitgeleende dagen van voor- en tegenspoed morgen schijnt ons toe als nieuw maar is nog slechts een ongeboren vrucht uitzien naar het wederom te baren licht is trachten zwanger te blijven tijdens de winterlucht |
overdonderende stilte| ik aanschouw het zielenwater langszij jouw ogen gaat het over vroeger of later verdriet of mededogen dat jij mij aanblikt in verwachting uitziend naar enig gevoel al was het maar gering we ontmoeten elkaar op een onzichtbaar brandpunt buiten ons gelegen gevangen in een verre staar waar woordeloze stromen worden samengeregen in deze overdonderende stilte weet ik niets te zeggen in deze ontvloden kilte weet mijn hand niet hoe die in de jouwe te leggen |
quatre-mainsbespeel met mij de solo, een gewichtig zielenpartij in een menselijk partituur een quatre-mains voor een ongebonden paar die toetsen bespelen naast en met elkaar zich voegend in het andante maar zichzelf weer vinden in een jagend presto, hun vrijheid niet laten bestelen vanwege hun solo constante |
nussun dormaniemand slaapt of sluit bewust de ogen de stilte van deze nacht kan schreeuwen of opnieuw verwonderen het ligt niet in mijn macht de verzuilde gevoelens van dit moment zomaar af te zonderen het zijn verleden gedachten van Latijnse gezangen ook de droom van opnieuw verwachten waar mijn hart onbewust door wordt bevangen maar bovenal het onbestemde uur na twaalven waarin leegte zich telkens openbaart waar niet het kind maar vooral melancholie opnieuw wordt gebaard |
soecke nie so ferre (iegene taole)| me schilt ende betrouw siet ghie mie anne dun enst raoke oew gesichte mere oawer dun least dien skouder gedraeghe un ganse lief is oe an te siene als geliecke verskole piene die werme skout sich slegts in wienig telle as diene oge glaense doch seltsame kere gelieke die klostertuune omrinkt ut oewe siele alwaere ut oe self ut is er so stille ende aldore fechte um de icke te stercke mit fele buutenkaent sieje doch, ut is in dene self die lieve, dieje ol wercke vertaling: gepantserd én met vertrouwen kijk jij me aan het serieuze maakt je gezicht veel ouder de last op je schouder wordt gedragen door je hele lijf en is je aan te zien net als de onzichtbare pijn de warmte laat zich slechts weinig momenten zien net als je heldere ogen, ook weinig keren net als een kloostertuin omringt het je ziel als was je het zelf het is er zo stil en steeds maar vechten om je ik te versterken vooral je buitenkant kijk toch, het is in jezelf de liefde, die aldoor werkt |
eeuwige lenteloop met mij de weg van hier naar daar en daar en naar waar? laten we zoeken en nog meer vinden ontdekken en ervaren wat ons mag binden hardop zwijgen wij horen slechts onszelf wervelend schiet alles door lijf, door merg en been van hoofd tot buik tot teen als binnen een galmend gewelf dat het onzegbare weerkaatst jij door mij, ik door jou door beiden spiegelend heen the spring is alive and passion our drive |
mijzelf ontmoetenhet schemert al als ik slenter door smalle stille straten dat doe ik wel vaker dan hoef ik even niet te praten ben dan in mijzelf ik ben dan genoeg vertoef zo in mijn wereld het is mijn hart dat daar naar vroeg niet dat ik zo diep ga of iets moet beslissen het is gewoon de rust die ik heb moeten missen zomaar alleen zijn opdat het draaiend denken stilaan wordt gesust ik ontmoet mijn schaduw in een winkelraam zie aan mijn houding dat de jaren niet aan mij voorbij zijn gegaan dat is wat ik bedoel mijzelf weer even herkennen luisteren naar wat ik voel zonder weer door te rennen |
dicht bij de roos
vraag mij, jou te behoedenneem mijn hand, wees niet bevreesd als ik trek door levende velden met voelende bossen rondom vaak is een mens teveel bedeesd zich als delende, roepend te melden ga mee, ik leid je naar mijn fantasie, over de kwetsbare ziel zoals jij en jij daar, in de diepte van mijn ervaren bloeit de tuin in strelender kleuren, zij aan zij waar je unieke aard sereen mag bedaren ik strek mijn armen met open handen omhoog om de zacht sproeiende regen te ontvangen zie maar, zij glimlachen ons al vragend toe wij mogen de tedere bloemen zelf voeden uit dankbaarheid schenken zij ons bloesem vraag mij maar, hoe jou te behoeden |
crime passionnel