Woensdag 29 augustus 2007


.
Geschreven door j. v.e. dreyfsandt zu schlamm om 08:18



ontmoeting| van mij mag de hemel komen zei hij en ik begon aan mijn derde taartje ik zag hem dromen van een bestaan zonder aardse pijn het huisorgel speelde als automaat klanken van Bach zijn vingers toonden het verraad van vergankelijk bestaan die hij reeds bij aanvang van 't leven zag toch was zijn engel nog volledig aards en gastvrij ik pakte op haar verzoek nog maar eens chocola de zoveelste op een rij haar sprekend hart is voor hem als Veronica's doek tot verzachten toe bereid nee, dit was niet zomaar een koffiebezoek het was ontmoeten door liefde geleid |
goddelijk moeop mijn kamer boven ontsluit ik het raam duw het in de duisternis de wereld ligt open en verkondig mijn lied "ach, mensen hoor mij toch laat u niet van de heerlijkheid beroven" ik zing het lied naar buiten over het schone geluid dat elkeen soms ontmoet tijdens een dans met fluiten betoverd worden door een oogverblindend meisje dat wiegt voor mijn ogen mij zuigend naar haar kwetsbaar getekend lijf en sierlijk diep, doch onaantastbaar, voor mijn mannelijk ego heeft gebogen ik roep de leegte toe, waan me als verlosser, "volg mij, zing dit lied in uw duisternis" dan dicht ik tevreden het venster ja, ik ben terecht goddelijk moe |
om de hoek| even kijk ik om de hoek niet van mijn huis of straat maar van het leven vraag mij af wat ik daar zoek en hoe het mij daar dan vergaat ik zal het nooit weten maar als ik zie in de ogen van een blij kind vergeet ik al snel mijn wens dan maakt het mij weinig uit wat ik daar vind |
dag| een druppel valt het is mijn laatste traan bij het koude witte laken de spitse neus prikt een landschap in het uitgestrekte oog in oog met verleden tijd bevroren in een verloren strijd mijn gevoel lift op; hij was een echt mens mijmer ik dat zeg ik altijd bij het overschrijden van de aardse grens ik draai om verlaat wat eens was richt nog één blik dag... zeg ik niet dat hij het hoort maar toch ik hoop dat hij in zijn droomloze slaap nog eenmaal door mij mag worden gestoord |
ik ga maarin dit licht gedicht hoort men alleen de zwakke echo van gedoofde klokken lopend over grind, dat hoort bij rouwen, graaf ik het graf van vertrouwen ik kwam zag en verloor ik ga maar, stilaan, weer op mijzelf bouwen |
ik nodig joukom kijk toch je bent zo welkom in mijn ogen ervaar de milde blik die jou aanschouwt en kleurt met kristallen bogen kom maar geef even je hand dan zal ik hem vluchtig raken mijn vingers zullen je huid bespelen voel dan het ritme van de melodie die we samen maken luister hoor een stem die het zwijgen bezingt geen klank teveel maar slechts, ons, met adem omringt |
zicht op glas| het is koud om me heen als de dageraad daagt ik draai de lamp boven mij hoger en voel de verlichtende warmte mijn gezicht spiegelt in de ruiten van de tuinkamer als het hoofd zich wendt, naar welke kant ook, is mijn bleke gezicht op het glas geplakt, zie mijzelf zitten ik ben niet alleen |
zwanenzang| mijn pen stokt vandaag als ik een onbeschreven blad tracht te ontmaagden ik worstel met een vervlogen drang ben thans aangeland in het gevreesde bordeel van verlopen dichters allen bloot geëtaleerd op oud roze behang alwaar woorden zijn verworden tot zuchten en inkt is verdroogd tot nutteloos zaad ik hoor, met weerzin, bij mijn binnenkomst een wegvliedend zwanengezang van een laatste mislukte daad |
de vlakte van inzicht| heden, ben ik genood de toren van uitzicht te beklimmen reis met koffers vol vragen en gedachten naar de Vlakte van Inzicht teneinde de wijsheid te zien, te beminnen ik bestijg duizend treden elk bekleed met een zinderende spreuk doch boven, geheel buiten adem aangekomen stel ik de fundamentele vraag is zoeken naar de Heilige Zin niet eindeloos peuren met een verroeste zaag ik zie uit over een weidse vlakte met volledige leegheid gevuld slechts diep in de einder ontwaar ik een verlichte tekst "u doet te veel uw best keer terug naar uw ploeg het leven doet de rest" |
ruggen-tegen-elkaar-liefdeik lijd aan ons leven dag in, nacht uit eenzaamheid groeit als een gezwel ziet hij dat wel? o ja, hij heeft me lief door alles heen maar de wijsheid van een moederhart wordt ontkend voelt hij ook mijn smart? overgave aan wat is, waarbij het verleden en heden niet uitsluitend door het geweten wordt opgegeten maar waar liefde slechts door geven wordt gemeten en rijkdom door loslaten groeit zal hij dat nog beleven? hij raakt mij niet kwijt ik voel zo, dat hij aan zichzelf lijdt maar ziet hij ook mijn duizend tranen, mijn, ons eiland van verdriet waardoor wij een steeds kleinere weg banen |
onder-tussenzij is niet meer maar wel zichtbaar dat doet zeer was hier nog lang niet klaar huil ik keer op keer zij praat niet als ik het uitschreeuw van binnen mijn handen raken zo dichtbij wil haar wekken, met mijn eigen leven toedekken hoe kan dit nu zo roerloos ze is toch mooi nog jong was dit nu haar leven nee, ze is er nog, toch? de tijd staat stil onder een wazige stolp ben er wel maar verdwaal in verwarring als ik de komende dagen tel en ik met mijn tranen de ontkennende waarheid deel en eindeloos vertel |
oud in heden| mijn trillende telelens zoemt jou dichterbij wil wel eens zien hoe vergrijsd jij oogt zag zo al, gaandeweg, de kleur verbleken hoe jouw hoofd het doorleefd vel nog kennelijk gedoogt ik denk zowaar terug aan mijn ouden van dagen waar de zoete babbelaar uit het vierkante blik dat de schoorsteen sierde, mijn kinderhart deed opjagen het was somber in de kamer van het haast uitgezeten levenspaar de eeuwige stilte leek nabij slechts wachten op de dood, onderbroken door de gong, ze waren er voor klaar ik zie ze graag komen, kruipen op mijn knie en omarm hun onbewuste dromen zullen zij later nog mijn schaduw zien verhalen van wat was moet haast wel dacht ik zo het is de overgave die ik in hun ogen las |
kleine marieke| een kleine meis met krullen dacht met woorden over mij heen zij dichtte een lied in grijze haren om weer vorm te geven aan mijn uitgewaaierde eigenwaarde haar vingers schreven letters bouwde lagen met een schaar het teveel werd verdreven het couplet was klaar |
zonnige lindelanen| als je lacht hoor ik de echo van je bestaan ondeugend maar toch een onvoorwaardelijk gaan van blijven als ik zie in je ogen en kruitdamp van pijn langzaam zie wegdrijven droog jij je tranen en zucht je zonnige lindelanen |
als stuifzand| letters tot stuifzand geworden glijden door mijn korte vingers verwaaien zonder ooit een woord te vormen vallen terug op het strand waar de oude zee hen opnieuw overmant onderhevig aan vermaledijde stormen ik houd mijn handen op tot dragen toe bereid maar zie met lede ogen aan dat het machteloosheid is dat door mijn vingers glijdt |
ik zag schimmen| het is nog steeds zo vreemd mijzelf in de spiegel te aanschouwen wil wel kijken maar ook weer niet doet het mij goed of wellicht berouwen je weet wel wat ik bedoel zal ik op die kop lijken die ik ergens zwevend boven mijn schouders voel laatst keken schimmen heimelijk mee wilden mijn ogen sluiten naar believen kom wees toch gedwee wij weten veel beter hoe voor jou te kijken al was het maar ons te gerieven plots drong tot mij door dat mijn bril ontbrak op het reflecterend schilderij ik zag een tevreden mens nadat het uitzicht was hersteld het stelde mij dadelijk op mijn gemak ja, wat was ik blij voor even had ik mijzelf gekweld |
gedachteloos| haar tenen raken amper het water van de kronkelige groenige loop alsof zij de stroom niet wil storen het heden niet wil kwetsen voor later de lange haren vallen over haar blanke schouderlijn in enkele resterende vlechten en waar glooiende heupen verborgen in het jonge gras haar aan de aarde doen hechten zo gaat zij verstild op in de zachte zwoele sfeer van zomers genot ik zou haar willen raken; even meedrijven op haar gedachteloos vlot |
blijvende waarde| in mijn dorp van zure druiven zoekt men de blanke pit onder de zoete blauwen, die doorgaans slechts in een gerimpelde oude zit op de kale bank rond de oude olm sterft hij en valt op moeder aarde, deze gerijpte mens met zijn blijvende waarde |
pion| naarmate mijn jaren zich verkorten begint aan het groeiend inzicht van sturing in mijn leven overduidelijk iets te schorten waar groei nog gepaard gaat met versterking van het ik en keuzes mogelijk lijken blijkt bij vergrijzende haren de ruimte steeds meer in te dijken en het geheel minder te verklaren allengs onbereikbaar voor mij wordt de grote gang van de rede als persoon te plaatsen steeds meer ben ik een pion waarbij ik soms nog alleen even de loper mag kaatsen voor de onzichtbare kracht die dat voor mij verzon |
verscheiden| met leedwezen deel ik u mede ik zeg u gewoon dat vredig van ons is heengegaan dat jij bent overleden met grote dankbaarheid ach, gewoon normaal zullen wij je gedenken je was een kort verhaal je was een liefdevol mens een egotripper voluit altijd stond je klaar het interesseerde je geen fluit een leegte laat je achter nou ja, vooral een duister gat je was een voorbeeld voor ons allen ik was je snel zat met eerbied dragen wij je weg hoe sneller hoe beter droefheid speelt ons parten ik denk slechts aan de jenever |
ik, uw meester| als u dit leest, ik weet het zeker, ontkomt u niet aan uw knellend geweten u hebt uw meester hier gevonden ik hou u voor "zoek niet meer! naar het beter weten u bedrijft slechts zonden" men zoekt het unieke te vinden maar draait eeuwig om een ordinaire arrogante rotonde |
hij is niet meer
het zadel van heden| soms bekruipt mij het gevoel geen woorden meer te vinden en dat ik alles reeds heb verkend ja, dat is wat ik daarmee bedoel het leven heeft mij al zoveel voorgelegd of door sprakeloze momenten gedreven er is zoveel gezegd en mateloos gezwegen ik verlang naar het verleden die stuwende krachten heb ze allen bereden ik rust nu in het zadel van heden met onbepaalde gedachten |
zucht van verlichting| is de reden dat ik schrijf dezelfde waarom ik de liefde bedrijf een dwangmatige verrichting met een zucht van verlichting |
de waarheid| vandaag draai ik er maar eens omheen. de waarheid, zult u vragen dat is gemeen u wilt zich beklagen laten we wel wezen heeft u het altijd bij het rechte eind dat moet ik vrezen of is uw aard zeer verfijnd ook al ga ik recht door zee dan is nog niet gezegd dat dit recht doet aan mijn wel en wee immers in de kennis die ik openbaar waarbij ik mijn uiterste best doe het te verklaren dan zou u nog kunnen zeggen dit is niet waar vandaar heden mijn reserve om u slechts bescheiden in de ogen te staren |
in de bloementuin| het meisje van de bloementuin streelt met haar blote voetjes het zachte dons van elk blad die zij, getooid met een fladderende hoed met voile haast zwevend betrad zij was uit het licht gesneden zo broos en ongerept en danste haar engelendans; al draaiend en huppelend, een mooie bloemenkrans waar vind ik haar nog aanschouwelijk, zuiver en gracieus waar voel ik nog iets van haar pracht ik zoek haar heb geen keus |
zuigende opwinding| in een zachte schaduw is het doek gespreid over jong en donzig mos op een mantel van scharlaken rust zij in een lieflijk lentebos op een door mij geschapen aardse huid en laat mijn blik haar naaktheid raken haar strakke vel omringt de verlegen sierlijke pose terwijl mijn gevoel zingt van verlangen en mijn armen zich naar haar willen strekken; zij, een boeket van ontluikende witte rozen zij schept een ruimte in een maagdelijk beeld waarin verleidelijke vormen groeien en haar gratie stilaan mijn hartstocht steelt allengs gaan haar ogen wijder open zoekend naar een wezenlijke verbinding en rijpt de spanning in haar lijf tot een zichtbare zuigende opwinding |
hoogliedin mijn hooglied over liefde spettert het er vanaf trompetten schallen stemmen brallen de klanken schor gesteund door mijn voce particolare met puilende ogen de een de anderen met staren ondergaan wij de liefde hosanna is ons deel hoe kunnen we dat verklaren de eeuwige zucht, de al durende kramp in de maag het voeden van de onzichtbare vlinders en de voortgaande doorloop is niet alleen vandaag zo juichen we om dat teder gevoel reizen de wereld rond verzetten bergen en woestijnen we laten de boel de boel op de hoek van de straat zie ik haar mijn hooglied, mijn zucht kon ik haar maar bereiken waarom blijf ik voor mijn grote liefde slechts ontsnappende ballonnenlucht |
in de ban van de meestereen vermoeid hoofd rust op mijn handen de armen steunend op een gammele tafel ik zie naar u allen ja, ieder in de virtuele zaal leg ik in mijn blik aan banden u ziet mij vragend aan verwacht iets groots, een meesterdichter dient u voor te gaan in deze schrijversloods mijn mond opent zich langzaam en beheerst, frons de wenkbrauwen, plooi mijn voorhoofd volgens gewenst gebruik echter geen woord passeert mijn lippen ik steek weloverwogen de tong naar u uit |
de filosoof| hij kijkt me wezenloos aan over de rand van zijn afgezakte oude bril met mistige glazen de wijsvinger recht voor de neus alsof hij naar de hemel wees en wilde zeggen, mij nemen ze nog niet te grazen de plek door rook gewolkt omvat zijn denkend bestaan zoveel gezwegen zelfs dichtbij het diepste gestaan ach, zei hij fluisterend luister niet naar mij ik was een denker, maar het geluk, nee dat kwam niet voorbij |
als wegen samenvallen| zij weet niet meer wat gister was nee, niemand kwam hier op bezoek dit is geen leven was hij er nog maar al was het even een mensenkind kwam in de ochtend reisde bij volle maan heeft weet van niets schreeuwde bij aankomst heeft een lange weg te gaan waar is toch mijn beurs oh, in de la of nee daar wie heeft hem meegenomen vertrouw niemand ik mis zoveel de laatste tijd altijd alleen, heb ik daarom zoveel zonen de wieg is verwarmd door een omhulde kruik zij wordt bewonderd omringd door hoopvolle vreugde, verwachtingsvolle liefde lang gekoesterd in een moederbuik wanneer kom je weer eens langs ik ben zo alleen huil dagen en nachten was ik maar dood dit heeft geen zin ik weet steeds minder kom je nog ik wil garen kopen heb een trui met een gat erin |
een schimik bewoog nog eenmaal mijn handwarme glas keek met weemoed door het gebladderd venster het raamwerk begrensde mij met dat wat was achter in mijn diepe tuin bij het bouwvallig prieel zag ik nog haar schim langzaam verscheidend in een duistere kim ik draaide me om, nam een laatste slok onder de dode schemerlamp, begroef daar mijn gelaten gezicht mijn toekomst was weer op het verleden gericht |
zo gewoon| rust heerst in mij de bladeren zijn gevallen net als gedachten een plek vinden en de strijd in mijn gemoed allengs verzachten rust heerst in mij ik kan weer geven de ander zien en horen de eenvoud van intens contact kan mij weer bekoren ja, het lijkt niet groots of van gering gewicht toch raakt het dat wezenlijke wat ik zie in jouw gezicht |
ik, naakt voor u (tweede versie)| ondanks het slijtend beeld weet u geen raad u betrapt uzelf dat mijn blootheid uw belangstelling verraadt ongemakkelijk is uw houding bij het zien van een middelbaar lijf dat wist ik wel het vlees is zwak ik ben nu eenmaal een mannelijk wonder een lijf, behaard van top tot teen maakt u onrustig tracht mij in ogen te zien blozend gaat u ten onder geheel ontdaan ben ik, van uiterlijke schijn ik heb mijn stof afgelegd belijd nu een nakend bestaan |
ik, naakt voor ugeheel ontdaan ben ik, van uiterlijke schijn ik heb mijn stof afgelegd belijd nu een nakend bestaan een lijf, behaard van top tot teen maakt u onrustig tracht mij in ogen te zien blozend gaat u ten onder dat wist ik wel het vlees is zwak ik ben nu eenmaal een mannelijk wonder ongemakkelijk is uw houding bij het zien van een middelbaar lijf ondanks het slijtend beeld weet u geen raad u betrapt uzelf dat mijn blootheid uw belangstelling verraadt |
adem mijn dromen| adem mijn dromen voorzichtig in als ik jou vertel met zachte stem wat je toe mag komen ik waas niet bij daglicht ben noch een schaduw in de nacht voel de bries van tederheid die het versteende verzacht, je naar jezelf geleidt diep in jou aardt de binding, de kern van rust van daaruit wordt vervreemding in slaap gesust en zal je hart met openheid zijn uitgerust word gewaar van de trilling in mijn woorden ze zijn als reikende handen zij baren de vreugde, die ook mijzelf ooit overmande |
zij ging aleen lieve meis heeft haar jeugd verloren zinloos en plots eindigen haar woorden stokt de weg naar voren haar jong verleden een scheppende bloem sterft in het heden bladeren van geluk zuigend naar het licht buigen troosteloos worden machteloos afgesneden de toekomst komt haar niet meer toe ook die liefhebben ervaren met ongeloof de gemiste verwachting schreeuwende pijn bevriest het redelijk denken hoop daalt in de menselijke achting daar gaat zij nu op een onbekende weg heeft ons ongewild verlaten een ding kan ik zeggen niemand, nee niemand zal haar uit ons hart kunnen praten |
vind mij te vinden| het is als of nee, het is ik ben zo en zo vind mij, als ik mij vind, zo veel of geschift ga naar mij staren ontleed mij doorheen mijn vel en huid gaat mij verklaren vind mij te vinden zie mij in de ogen kent mijn bronzen hart splijt mij met mededogen zwart mij niet met koele smart ik ben en meer meer en anders ook vind mij als ik mij vind dat alles wat in mijn lijf en daarbuiten bevindt een rad van beeldend avontuur, een kind van zinnigheid man van buitenspel, vrouwelijk, een zachte structuur vind mij te vinden weet mij en ook jou te binden binnen mijn beperkte duur |
zachte overgaveik, dwalende, met bijna gesloten ogen half ziende over haar kwetsbaar lijf heeft zij, ontegenzeglijk mij opgezogen in haar overgebleven zijn, omkleed met blanke, gelaagde togen sanfte hingabe ich, herumirrend mit beinah geschlossenen augen halb sehend, über ihren verletzbaren leib hat sie unweigerlich mich aufgesogen mit ihrem verbliebenen sein umhüllt von weissen gelegten roben tender devotion wandering about with almost closed eyes half seeing over her vulnerable body she has inevitably sucked me down into her remaining existence wrapped into a white layered gown |
geboorte van een gedicht| ik staar naar dit witte vlak open mij in afwachting van wat komt, dat komt als het komt en of het zich opsomt onder een stramien met een geschreven dak zie een opening, zich schuchter aandienend, nog wel vertragend en vermomd licht en nog weinig verteerd ach, ja het dromt het gorgelt mee langs mijn enige orgelpijp een in opgang komend proces van een startende of wel achterlatende resistente resonantie: de geest vindt zijn weg uit de fles in dit imperfectum van ieder gepasseerde minuut, is mijn ochtend een creatieve crèche, wippend nog naar afgebakende hoogte zie hier mijn dagelijks prille debuut |
verstorven gemis| als het gebroken licht zich plooit naar het romaans venster valt ook de stilte binnen vult de ruimte zich met mijn afwezigheid van aardse zinnen het niet ervaren van mijzelf vertaalt het machtige niets doordrongen in ieder gewelf een glazen pilaar opgericht terzijde van een verholen nis is mijn verloren ik verbeeld als het verstorven gemis |
zes quotes1 naarmate ik afstand neem komt zij steeds dichter bij 2 mijn denken draagt verbeeldende gedachten nimmer sluitende definities 3 in het geweten is vaak alleen het verleden opgegeten 4 ik hou van viaducten ze gaan tenminste ergens over en zijn vaak stevig onderbouwd 5 ik sterf aldoor aan de liefde en kom ter wereld door de dood heen 6 tot het wegen van gevoelens is niemand in staat |
galerij der zelfportretten| 1) ik schets u hier een portret van een kleine man vanonder zijn warrige haardos ziet hij met grote bolle ogen door zijn ronde glazen naar u allen nieuwsgierig en opgetogen niets ontgaat hem aan het zicht geen ziel laat hij onberoerd; innerlijk, in figuurlijke zin en raakt de ander met een aanschouwelijk licht zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een kleine man in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet 2) ik schets u hier een portret van een groot man ofschoon mijn bouw geaard is in gedrongenheid en mijn vingers overeenkomstig klein en dik ontgaat niemand mijn grootsheid in eclectische onzin waarin ik nagenoeg stik mijn liefde, door de maag gestuurd is basaal en primitief u duidt mij dat niet euvel soms wentel ik mij in gelukzalig gerief zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een groot man in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet 3) ik schets u hier een portret van een intelligent man zoekend naar het wezen in alles en ieder aanwezig zoek ik de waarheid: een tocht gedurende mijn hele aardse leven soms overvallen door een trots, worstelend door boek en verstand, het inzicht gevonden te hebben en de mensheid een nieuwe Kant genietend van deze prestatie lees ik de krant van gister en schouw met leedwezen aan dat vele gewone lieden mijn ontdekking al eeuwen terug als onbelangrijk hebben afgedaan zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een intelligent man in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet 4) ik schets u hier een portret van een schaduwrijk man mijn duistere kant kent een blinde vlek slechts doorgewinterde neuroten herkennen die plek immers zij zijn mijn lotgenoten u, die blikt naar mijn gezicht ziet een zelfverzekerd persoon al ware hij van enig elitair gewicht maar, de waarheid stellende vaak door eb en vloed tijdens het leven is ontwricht zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een schaduwrijk man in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet 5) ik schrijf u hier een portret van een poëtisch mens schoonheid en leed zijn mijn pilaren die leiden mij tot een voortdurend wezenloos staren al zie ik een vrouw een boom, of een dode het maakt niet uit waar het gevoel is op gestoeld alles is voor mij als een dichtersbuit zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een poëtisch mens in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet |
verzameldrift| neem mij mee van hier tot ginder neem mij mee naar jouw idee boetseer, kneed mij of beeld mij uit in zwart-wit maak mij de David van je ultieme dromen naakt en honderd op een rij genoeg om dagelijks klaar te komen stapel mij op in glazen urnen versier daarmee het eiken dressoir stof mijn potten dagelijks steevast af met de rafelige rand van je vette peignoir zing dan jouw eigen lied op de versleten plaat en brul mee met luide stem: hoe kan ik hem bezitten, hoe zet ik mijn adonis klem |
L'image de la Croix| mijn lijf, genageld aan de schepping kruist zich naar vieren, verbeeldend de levendige beweging de arm ter rechterzijde draagt de last van sterven in ons aardse niet te vermijden soms gericht om inzicht te verwerven vaak ook het onbegrijpelijk lijden de linker kent de vreugde de zonnestralen in de ogen van een kind de schitterende hoop eeuwig te worden bemind drijvend op een zoete waterloop de lange lengte schuift heen en weer waar de wind van het lot, onweerhoudbaar, mij in een richting wuift keer op keer het valt mij zwaar gelijk elk mens de balans te vinden met overgave als wens zich aan het ongekende te binden |
achtergebleven| door de donkere steeg met grauw gruis ga ik omhuld door een nevel van herinneringen aan mijn vroeger thuis als vanzelf vind ik de weg naar la Place de Liberté toen liep ik hier ook gedwongen mee unter befehlen berooid met z'n twee met nog meer, velen, wij, schaduwen van schrik als opgejaagd onteerd vee ik nader de hel het plein van ontvoering de laatste blikken van herhalende ontroering de kelen die schreeuwen onder drukkende verstikking ingesloten door haast gestorven panden beschijnt een eeuwig licht de betonnen zuil hier liet men, toen, mijn toekomst verzanden het is hier waar ik om het levend verleden huil |
seizoengebondenik voel de aarde aan mij zuigen als mijn armen zich willen verheffen het zou de hoop zijn die wil juichen om niet de stilte van de winter te beseffen maar seizoenen zijn niet te verplaatsen net zo min als ik mijn gemoed kan kleuren mij in een gewenste vrolijkheid te haasten om te reiken naar vergelegen lentedeuren oh, zeker, ik heb weet van de huidige dagen waar innerlijke spiegels zijn aangeslagen en waar zaden ongemerkt groeien ik zou mij er zo graag mee willen bemoeien het daglicht schijnt op de muur van mijn tuin en zet de stenen duif in zijn eigen schaduw zo vergaat het mij nu ook in wezen ik zit met mijn rug tegen het geduld in een gesloten boek te lezen |