|
9/1 Overweging op Marcus 14: De prijs tellen - Janet Klasson
Marcus 14:3-11: Toen hij in Betanië in het huis van Simon – degene die aan huidvraat had geleden – aanwezig was bij een feestmaal, kwam er een vrouw binnen. Ze had een albasten flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak het flesje en goot de olie uit over zijn hoofd. Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor? Die olie had immers voor meer dan driehonderd denarie verkocht kunnen worden, en dat geld hadden we aan de armen kunnen geven.’
Ze voeren tegen haar uit. Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis. Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’
Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren.
Er wordt wel gezegd dat Judas de prijs van alles kende, maar de waarde van niets.
De evangelist geeft ons hier twee contrasterende voorbeelden. Een vrouw, die hij niet bij naam noemt, giet kostbare zalf over het hoofd van Jezus en behandelt haar Heer en Koning met nederige eerbied en diepe liefde. De prijs drong niet tot haar door; haar daad kwam voort uit de diepte van haar hart.
Onze Heer achtte het van oneindige waarde en verklaarde dat haar daad nooit vergeten zou worden.
Anderen klaagden. Zij kenden de prijs maar al te goed, maar erkenden noch de waarde van haar daad, noch de oneindige waarde van het in de aanwezigheid zijn van de Koning der Koningen en de Heer der Heren.
Onze Heer berispte hen, wetende dat een van de aanwezigen Hem zou verraden. Hij wist dat dit bittere verraad deel uitmaakte van het goddelijke plan en dat het een oogst van vreugde zou brengen. Maar de inzet kon niet hoger zijn. Jezus treurt niet om zijn eigen aanstaande lijden, maar om het verlies van deze ziel, ondanks zijn lijden. Hij bidt en huilt onophoudelijk om zijn verrader.
Meditatie
Jezus achtte de prijs van zijn lijden en dood niet te hoog; hij zou die en meer hebben betaald voor zelfs maar één ziel.
En wij? Zijn wij bereid de last te dragen van hen die op het verkeerde pad zijn? Van hen die we zelfs niet mogen? In het woord dat ik een paar dagen geleden deelde, zegt Jezus dat we ons aan hem moeten verbinden en dat de last dan gemakkelijk, licht en vol belofte zal lijken.
Jezus vraagt ons om onze Fiat met grotere intensiteit te geven. Als we de waarde van onze Fiat kenden, zouden we de prijs ervan niet tellen. We zouden hem geven in vreugdevolle verwachting van het nieuwe tijdperk. Fiat!
Troost voor Jezus uit de Uren van het Lijden
Om 11:00 uur 's ochtends wordt Jezus gekruisigd, zonder de prijs te tellen.
[Luisa spreekt:] Mijn geliefde gekruisigde Jezus, het schepsel is nog niet tevreden met U te beledigen. Ze wil tot op de bodem al het vuil van de zonde drinken, en ze rent bijna wild over het pad van het kwaad. Ze valt van zonde tot zonde, gehoorzaamt al uw wetten niet, en verloochent U, komt tegen U in opstand, en bijna uit rancune wil ze naar de hel. O, hoe verontwaardigd wordt de Allerhoogste Majesteit!
En U, o mijn Jezus, die triomfeert over alles, zelfs over de koppigheid van de schepselen, om de Goddelijke Vader te behagen, toon Hem al uw Allerheiligste Mensheid, verscheurd, ontwricht, op een afschuwelijke manier gemarteld. U toont uw Allerheiligste Voeten, doorboord en verdraaid door de gruwel van de spasmen, en ik hoor uw stem, ontroerender dan ooit, alsof zij op sterven ligt, verlangend om het schepsel te overwinnen door de kracht van liefde en pijn, en te triomferen over het Vaderhart:
"Mijn Vader, kijk naar Mij, van hoofd tot voet; er is geen enkel deel van Mij dat heel is gebleven. Ik weet niet waar ik hen nog meer wonden moet laten openrijten en meer lijden moet laten veroorzaken. Als U Zichzelf niet verzoent bij deze aanblik van liefde en lijden, wie zal U dan ooit kunnen behagen?
O schepselen, als jullie je niet overgeven aan zoveel Liefde, welke hoop blijft er dan nog voor jullie om je te bekeren? Deze wonden en Mijn Bloed zullen stemmen zijn die voortdurend vanuit de Hemel naar de aarde roepen, genaden van berouw, vergeving en mededogen voor jullie!" (De Vierentwintig Uren van de Passie, Negentiende Uur)
Luisa's gebed aan het einde van dit Uur:
O Jezus, ik zie dat uw bloed in stromen vloeit uit uw handen en voeten. De engelen, wenend, omringen U als een kroon en bewonderen de tekenen van uw immense liefde.
Ik zie uw lieve Moeder, doorboord door pijn, aan de voet van het kruis; uw geliefde Maria Magdalena, uw geliefde Johannes – allen gegrepen door extase van ontzag, liefde en pijn! O Jezus, ik verenig mij met U en ik klamp mij vast aan uw kruis; ik neem alle druppels van uw bloed en stort ze in mijn hart.
Wanneer ik uw gerechtigheid zie ontstoken tegen zondaars, zal ik U dit bloed tonen om U te verzoenen. Wanneer ik de bekering wil van zielen die hardnekkig in de zonde volharden, zal ik U dit bloed tonen, en daardoor zult U mijn gebed niet afwijzen, omdat ik het onderpand ervan in mijn handen houd. En nu, mijn Gekruisigde Goede, in naam van alle generaties, verleden, heden en toekomst, samen met uw Moeder en met alle Engelen, werp ik mij voor U neer en zeg:
"Wij aanbidden U, o Christus, en wij prijzen U, omdat U door uw Heilig Kruis de wereld hebt verlost."
|