

Bewondering
zij
die in taal
wordt herboren
kan mijn
bewondering
ervaren
zij baart
zichzelf
door
metaforen
die nog steeds
weeën verklaren
Als de schaduw valt
toen de duisternis
mij overviel
restte mij nog
het tasten en zuchten
alsof ik ook
voor deze dag
moest vluchten
ik stiet
tegen een muur
doch
plots zag ik weer
het licht
een ingebouwde
schakelaar
was voor
mijn wijsvinger
gezwicht
*
Hellevuur
je schouders
dragen
een winterdeken
daaronder
drijft een gekruisigd lijf
onweerstaanbare tranen uit
om pijnen los te weken
mijn handen
schieten te kort
zo ook
zijn mijn ogen
dichtgeslagen
immers,
ik ben het zelf
die het hellevuur
heeft aangedragen
+
soms ben ik
hongerig en blind
als mijn leegte
een reeds gestorven
toekomst vindt
+
Ad Tempus
ik was even in ruste
toen gefluister langs
de oren blies en zeide:
ga je mee
met mij mee
zomaar
vliegend vlieden
*
wonderbaarlijk
dat het mij met
vergankelijkheid
suste
ik wist niet
dat het de geest was
die zichzelve vaarwel
kuste
Mysterie van Kerstmis
ook al zal ik de
schepper toebehoren
aards kort of
wellicht
hemels lang
en wanneer
de geest mij
als het waren
wil bekoren
is leven
niet gelijk
een hymne als
ongeschonden gezang
ik snap niet echt
diep in mijzelf
of kijkend om me heen
dat uit voortdurende
verwachting
toch hoop
wordt geboren
De vrije wil
door de poort
achter in het zwart
verlaat ik het licht
*
lang geleden is
een ziel vermoord
thans wordt mijn mond
met pek gedicht
immers ook mijn handen
hebben een lijf doorboord
de satan heeft mij
in de greep
als handlanger
van de man
die ik ben
en allen zijn in mij
ook van hen
die ik niet ken
gedreven door
de drift van de zweep
openen zich als vanzelve,
tegelijkertijd,
de mij zo toegewenste
helle gewelven
*
door de poort
achter in het zwart
verlaat ik het eeuwig licht
eens op voorspraak
aan mij toegedicht
(fictief)
Van zoon tot broer
moeder,
mijn vader
heette Klaas
welnee,
zijn naam was Jan
maar die is er niet meer,
helaas
hij was een heer
niet de gemakkelijkste,
een echte ouderwetse baas
moeder,
ik ben uw zoon
net als Gijs en Kees
ja, jouw pa
had de hond nog voor de
aardappelenkar
riep zij oprecht
maar o zo in de war
moeder,
mijn vader
heette Klaas
ik blijk opgeschoven
onder haar waas
Jasper
in mijn land
heerst
het grijs
vroeger
winter genaamd
de schepper bedacht
ik stuur de oude dichter
een kleinzoon
Jasper genaamd
het gebeurde gister
Ingebeeld
hoe droog waren mijn lippen
toen ik, ten langen leste, dorstig
van stoffige wijsheid proefde
tandenknarsend viel
mijn wereldbeeld in duigen
toegedekt met droge blaren
zocht wederom,
gelijk de mens is,
een andere schim
die ook in mijn
gespiegelde vitrine
vertoefde
ik was van mijn
schepping getuige
en kon weer de
horizon verklaren
Klanken van de arm
.
ik ontdekte
een stap opzij
aan iets
nieuws gelijk
terwijl het slijk
aan mij zoog
bij vallend tij
.
In het stof zult Gij bijten (2)
O god
wat valt aan de mens te helen
als hij zo is
waar uw schepping
het zicht in dag en nacht deed verdelen
of aan zijn aard, ongevraagd,
mij dus, de zwakte zocht toe te bedelen
ben ik de kroon op uw schepping
als mijn vel verdroogt
onder ooggeklepte mensen
en vrij als ik zie
dat wij door kwetsbaarheid
worden gedoogd
en de levensaderen
ten langen leste
raken uitgedroogd
ik, ontevreden?
met mijn rijkdom
mijn dit en dat,
en grenzeloos aanbeden word
neen, het leven heeft mij
overdadig bezat
groen is de schepping van het licht
zwart van de nacht
ook u leed even aan een depressie
met het rusten heeft u niet tot de zesde
maar tot de zevende dag gewacht
een haast menselijke omissie
In het stof zult gij bijten
wie is niet bevlekt geraakt
tijdens zijn aardse leven
of kent stof alleen van horen zeggen
aan wie onder u dien ik dat uit te leggen
van de kruidenier die nog aan het kooltje
van zijn schrijfpotlood likt
om uw zonden te noteren
van de baas van de frituur
wiens vette vingers
tussen sticks en frikadellen roteren
of de vroedvrouw die juichend
met bebloede handen
tegen de zwetende moeder roept
"het is een meisje"
dat tegelijkertijd het maagdelijk wit
van haar schort bepoept
of de pastoor die met zegenende bewegingen
sigarenlucht de wereld in wuift
neen, geen mens is onbevlekt
onaangeroerd gebleken
in de aarde hebben we toch allen geploegd
onze zandkastelen op het strand weg zien weken
waar me we met een plakkend waterijsje
de hele hete middag op hebben gezwoegd
of het kwijlen van de oudere mens
dat druipt over een ongeschoren gezicht,
man of vrouw maakt niet uit,
bij het nuttigen van het toetje
morsend door trillende gewrichten
en de mond de echo verspreidt van
het klapperend gebit
ja, ik ben bevlekt
Verlichting 2
naarmate
de tijd vervaagt
verdooft
de oorzaak
als ook nog
het denken vertraagt
begint de eenvoud
zijn taak
De wezenlijke schijn
mijn spiegel
is aangetast
door de jaren
waar ik nu in kijk
is verworden tot
doorzichtig glas,
aan een loep gelijk,
doch zonder dat hij
de afstand naar mijzelf
kan verklaren
een schild dat
niet meer weerkaatst
en het innerlijke naar
uiterlijkheden verplaatst
door een filter die steeds
grotere gaten vertoont
opdat de werkelijkheid,
haast ongehinderd,
weg kan spoelen
in een rechtlijnige goot
Welvaart
mijn geleide dag zweeft
door de verstarde geest
en weet dan ook doorgaans niet
waar hij is of is geweest
misloopt tevens het gevoel
van een dragende aarde
doch wees niet bevreesd
sist mijn streber stoer en koel
ik ben als de doorsnee mens:
een alom verspillende beest
met een slijtende waarde
mijn hart en hoofd steunen
immer meer op stijve stelten
en inmiddels tot vurenhout vervaagd
maar door de tijd hebben de longen,
opdat mijn ziel wordt weggejaagd,
steeds vaker zuurstof bedongen
In verwachting
je zit met je hoofd al klem
tussen schaamteloze lippen
maar de tijd is nog niet rijp
om uit het vrouwelijke te wippen
In de rij
drie zwanen
op een rijtje
na een
zwart op wit
vrijpartijtje
Verlichting
als mijn ziel steeds minder zoekt
naar gebaren die woorden uit stof dragen
en licht mijn schaduw niet meer vervloekt
geraakt de geest allengs bevrijd van vragen
Een heremiet
ben ik tot
heremiet verworden
als ik zwijgend spreek
over mijn gedachten
die soms,
zo de mens eigen,
een geheim lijken
te betrachten
het zijn vaak
volkomen woorden
die reeds verdampen
eer ze mijn tong
beroeren
maar binnen
het heelal van stilte
kan ik onbeperkt
de gehele schepping
vervoeren
Hoe ik mijzelf ontnam
hoe ik mijzelf ontnam
daarvan droomde ik vannacht
niet dat bij geopende ogen
het bewustzijn daar aan dacht
het was meer een schok
dat ik de eigen weg afsneed
mijn handen bleken vrij
voor een laatse ademslok
de dwingende slaap
schiep dat beeld in het vizier
en toonde zich genadeloos wreed
het ontbrak mij aan gevoel
waarom de overgave dat deed
(fictief)
In beelden
ervaar de beelden
die ik houw
uit diepe lagen
voel je ook
de zwaarte van
gerimpelde gelaten?
vooral die uit
doodsangst praten
en geen speeksel voor
de tong kunnen vragen
Vaker dan voorheen
zo af en toe
wat vaker dan voorheen
overschrijd ik mijn jaren
welke gedachten
of gevoelens heb ik
nog gemeen
als grijs nijgt naar zwart
en het ademen
mij slechts mee
laat varen
achter een masker,
zo lijkt,
verstilt de geest
van schoonheid en
toekomst het meest
af en toe
nog vaker dan voorheen
verlaat ik mijn jaren
heb ik minder weet
omdat wat komt
mij niet schijnt te raken
alsof het heden al in
vergetelheid verstomt
zonder de zin te verklaren
In lacrimoso
(Proeve van een onverstaanbaar gedicht)
In lacrimoso
de lafenis van een flauwhartige
is veelal in lacrimoso gekleurd
vaak tracht hij het tij toch nog
met spraakwater te keren
terwijl deze mens mijn vertrouwen
onvoorwaardelijk heeft verbeurd
met de modus in rebus
slobbert hij allengs bij leven
immer uitmondend
in een incrusterende roes
opdat de rede maar
buitenzintuiglijk wordt bedreven
zo kan hij in tranen geraken,
wordend tot slippendrager
van zijn smachtende ego :
de slempende slemiel
als geblinddoekte jager
van een vetgemeste vlo
Lekker luchten
speel even mee
langs snaren
van onze blauwe wind
we dansen dan
totdat jij je in het ronde
tollen bevindt en ik
touw laat vieren
of laten wij dollen in
een genoeglijk rijmende
ritmiek die jij
van nature zo bemint
draai, draai toch
terwijl je haar,
in vlechten geknoopt,
zwiert langs de duinen
van mijn verlangen
waar mijn handen
zich strekken tot
regenboogkleurige
vingertoppen
in fluitende gezangen
ik heb geen idee
oh, jij zeker wel dan
wanneer jij of ik,
kan ook beiden,
weer op het koudevoeten
marmer zullen landen
we kunnen er wat van!
toch?
Jij die komt
ik wacht op je
terwijl jij reist
onderweg naar
jouw naam
en een wijle
drijft onder
een bonzend en
veroverd
vrouwenhart
waar je
als vederlicht gewicht,
na erkenning
in een veilige duisternis,
te samen in
enkelvoud start
zo tel ik mijn uren af
terug naar de aarde
en jouw dagen
die spoedig worden
geboren
als je dan de zon
ontmoet
zal je tot een
eeuwige waarde
behoren
Als de dood passeert
waarom is een
doodgeboren woord
geschreven in een zucht
naar onhaalbaar verlangen
indien het bestaan
ongevraagd
mijn hart doorboort
en denken
in dwang lijkt gevangen
oh natuurlijk
zijn er gedachten
welke de rede
van nature achten
en spreekt een woord
over wederopstanding
en verwachten
*
we vullen echter
leegte met
zwijgend turen
Schone schijn
er zijn zo van die mensen
die mij niet mogen
het aantal neemt
door de jaren heen
alleen maar toe
heb ze mogelijk in hun
verwachtingen bedrogen
worden van mijn aanwezigheid
ondraaglijk moe
of zal het zo zijn
dat ik nu pas,
door de jaren gelouterd,
de schone schijn doorbreek
van zelfgenoegzaamheid
waar de ziel
schellen verdrijft
uit het land van blinden
dat ook in mijn handen
zwart wit wordt bereid
uit juichende kleuren
ja, ik lijk toch veel op wat
anderen van mij vinden
De verte nabij
in de tiende maand
schuift mijn bodem
onder de voeten
het kan ook zijn dat
de geest kiest
bij het vallen der bladeren
voor een andere route
het lijkt of hakken
plakken aan de aarde
en schoonheid
het laat afweten in haar
oorspronkelijke waarde
het is een brug overgaan
zo zwaar als het beklimmen
van het rulle duinzand
om aan de blanke top te zien
dat de horizon lijkt verpakt
in een donkere verte.
Voix céleste
het kloppend hart
drijft lucht
door buizen
die wind omzetten
in klinkende lagen
opdat in gewelven
het met wierook
opgestegen lief en leed
aan het hemelse
wordt opgedragen
eikenhouten pilaren
dragen het bejaarde lijf
door eeuwen heen
waar de mens zelve
zomaar even in de tijd
met handen en voeten
zijn toetsen mag raken
en antieke fluiten
in hoofd en hart
verbinding met
het ongekende
kunnen maken
Op het veld van eer
heden,
kortom in de loop van de dag
heb ik mijzelf weer rechtgezet
in het lijstje met mijn zelfportret
mijn gezicht was
ietwat gaan schuiven;
neerwaarts het meest
ik raakte reeds
de onderste richel
en mijn fiere kop
hing achterwaarts
niet meer in de houding
zo ik word gekend
met mijn blik;
ingetogen en bedeesd
borst en buik bleken,
hovaardig,
hemelwaarts gericht
en hoewel in de tijd gezien
zij zeker opgezwollen zijn geraakt
is dit toch een pose
die men niet ter aandenken
in een vierhoek bewaart
en waar ik eerst nog
duidelijk vooraan stond
geraak ik steeds verder
in het bos der vergankelijkheid
het enige wat mij nog
van de overigen onderscheidt
is de vaststelling:
"ik ben er nog"
alhoewel ook mijn lijstje slijt
Ik heb de stilte lief
als ik mijn adem
ingetogen verdeel
heb ik de stilte lief,
zo lief
doch ben aan tijd gebonden
waar voortschrijdende wijzers,
onophoudelijk,
verleden verwachtingen
verwonden
en zie in jonge maagden
dat ik steeds vaker
oudere vruchten teel
in afwachting van de nacht
die onherroepelijk op mij wacht
toch rust ik in mijn avond,
en voel me bemind
door de glimlach
van jouw kind
en als ik mijn adem
ingetogen verdeel
heb ik de stilte lief,
zo lief
Tijdverdrijf
wat ga jij
nog doen,
vraagt vandaag
aan toekomst
voel me oud
ik wacht niet meer
op later
fluistert ze tegen
de ongeboren dag
van morgen
en gisteren
is doodmoe
die wil niet meer
voor mij zorgen
Mens, wie zijt gij eigenlijk
koude kan er zijn
ook al bloeien kleuren
het hele jaar door
liefde sluit geen deuren
overeenkomstig het
ritme der seizoenen
of smelt in hemelsvocht
indien sneeuw of hagelsteen
rechtspreken zonder verhoor
evenmin bevochtigen
tranen een dood tapijt
uitsluitend en alleen
als de herfst daalt
over lanen
kilte kent geen tijd
het overkomt de mens
als het leven
in het innerlijke snijdt
of de ziel het machteloze
wilt verjagen
zodra onze natuurlijke
eenzaamheid in overmaat gedijt
Schaduwgeuren
als de dag allengs
eerder verduistert
lijkt licht in mij
anders te kleuren
en waar zomerpracht
van nature ontluistert
ruik ik ook weer
schaduwgeuren
Nachtroep (duogedicht)
wieg mij
in één zachte adem, verbind
waarheid met wonden
klevend aan het nachtlicht
van stilte
verschuif mijn verlangen naar
het schitterend oog, in pauwenveren
gestileerd
het zal mijn traan dragen, teder
door de wuivende wind
opgerekt
tot een zoet vlies van troost
duogedicht met: kerima ellouise
Vaarwel zomeroogst
als het verkleuren
van de blaren
nog voor de val
een aanvang neemt
en het najaarsgrijs
de rust inluidt
om aan dood
en opstanding
te wennen
geraakt de mens
vaak snel ontheemd
van zomeroogst
en zal wellicht verval
schielijk herkennen
morgen bestaat
alleen nog in hoop,
woord en dromen
wordt hij enkel zo door
de verstilling geloodst?
Ledematen
mijn korte
dikke duimen
en de verder
afgelegen pinken
tikken als toetsen
op een trommel
waar kinderen
op stoeptegels hinken
met maar één been
hoor ik op
de verdieping boven mij
gestommel
daar gaat de buurvrouw
met het andere
langzaam heen
zo bezigt ieder
in eigen ritmiek
de nog actieve ledematen
het bedrijven van de liefde
heb ik,
omwille van de eenvoud,
er maar even
buiten gelaten
Jij, die mij overleeft
het is niet anders
dan het navolgen
van een boom
die het kleuren
van zijn bladeren
zo op eigen wijze beleeft
al even natuurlijk
als mijn dood
die jij in een
lente overleeft
De dood na de mosterd
zal de stramheid
der leden
ook mijn speelse geest
langzaam tot een stugge
boemelaar smeden
opdat ik het heden
steeds meer ga zien
met wezenloze ogen
als de waarheid
van het verleden
slechts goed is
en de jeugd thans
wordt bedrogen
maar ook dat
de sprankelende schoonheid
door mijn aderen
zal worden gemeden
en de opwinding alleen past
bij nog ongerijpte zielen
terwijl nu al de ouderdom,
nog eer men de mosterd
heeft gevonden,
als sleets wordt beleden
neen, alleen de dood
ja, die houdt mij in de gaten,
zit mij op de hielen
tracht mij de hel in te praten
echter tot het einde der tijden
zal ik mij, Deo Volente,
niet als tweedehands gedragen
of alleen maar voor
een muurbloempje knielen
"Gij zijt gewaarschouwd"
Blind verlangen
aldoor
verwachten
is trachten
een onthecht verleden,
al dan niet gewild,
in pijn te hervinden
en verschijnt
verlatenheid opnieuw
als het sterven dan herleeft
en mijn ziel zich spiegelt
aan de blinde linde
zal nimmer
de dolende echo vergaan
die het verlangen
in de toekomst weeft
Abortus provocatus
soms weet ik
niets
te schrijven
dan lijken letters
in oud zeer
te beklijven
of houdt de geest
ze in grijs gevangen
ook kan hij
het ongeborene
naar verten
dromerig doen
afdrijven
als een literaire
abortus provocatus
van een nodeloos
bevrucht verlangen
De kim gepasseerd
loop weer verloren
in eigen land
achterwaarts kijkend
of rotonde lopend
naar voren
of zit ik
achter slot en grendel
waar niemand mij kent
en ook ik
mezelf niet begrijp
raak ik daar ooit aan gewend
het lijkt doelloos vissen
met aas zonder hengel
en een onbekende
mijn gedachten ment
het is dolen in gewelven,
overvol of door
leegte uitgeput
ik word gedwongen
duisternis te delven
*
achter tralies
van overmacht
hoor ik het orakel spreken
"ken je zelve"
och, kon ik maar ademen
onder een loodzware deken
*
Tussen wijde leden
tussen wijde leden
zie ik helder blauw
ze staan wat boller dan normaal
doch zijn gebruikelijk omrand
met een dunne harige heg
nog beschermend, echter vaal
het zegt iets over mijn ogen
en de sprekende klank
waar van ik verhaal
let wel, ze begaan niet zomaar
een willekeurige weg
zonder inspanning wordt u tevens:
gewogen, bewonderd,
dan wel, middelpuntvliedend,
naar mijn verte gezogen
de rimpels breed gevoerd,
zowel bóven als ónder
het zichtbarend vermogen,
zijn hemels wat diep gegroefd
en aards, navenant , maar
met hangzakken bemand
de blikvangers
zetten spiegels in het zand
en nodigen het heden
vooral bij dagend licht
soms, ja nu en dan
geraken ze vertroebeld door
onvermijdbare zielengewicht
De geur van de echo
de lippen
spannen zich
nog een keer samen
trachten achter
mijn gesloten deur
de aftocht te blazen
ik wilde nog
nog een laatste eer
beramen
maar de diepe klank,
tergend langzaam klimmend,
blijkt al zwart van kleur
in de verte hoor ik jou
op zijn echo azen
met amen in zijn geur
Beerput Poezie
rust toch eeuwig
gij zeveraar
uit zuur gesproten
zoek heil in het slijm
van ene zoete kwijl
uit mijn kots
na danige overmaat
gij, met zwerende vingers
trek strepen met
bloed doortrokken pus
in de diepe zware grond
van modder en schimmel
gij baart de stank
uit ongekende hoeken
uwe gore geest
zal doordrenkt geraken
van het zwart dat nog
nagalmt uit stoffig as
van verrotte beesten
ik braak u uit
teen voor teen
het vel nog zuigend tussen
mijn rottende tanden
verzuip ten langen leste
in de dras
gij rovende etterbalk
Tumulus
zoek niet,
mijn tere lief,
naar mogelijke
zielenkwalen
het is vragen
naar de duivel
die dan op
komt dagen
Mijn spiegelbeeld (eenakter voor twee personen)
Mijn spiegelbeeld (eenakter voor twee personen)
Mein Spiegelbild
jouw spiegelbeeld
meine matten Augen
starren durch das Fenster
wo nichts
und alles zu sehen ist
hier schein ich
offensichtlich
im luftleeren Raum
aufgestiegen
je fletse ogen
staren door het raam
waar achter niets
en alles is te zien
hier, lijk je,
ogenschijnlijk,
in het luchtledige
opgegaan
vor mir steht Kaffee,
auf einem Tisch:
eine große braune
quadratische Fläche
in einem verkommenen
Herrenlokal mit
altmodischem Ornament
wo alle Menschen sind
aber einander nicht erkennen
voor je staat koffie,
op een tafel,
een groot bruin
vierkant vlak
in een verlopen
herencafé met
ouderwets ornament
waar iedereen is
maar elkaar niet kent
in diesem Lokal, braungeraucht
sehe ich im Glanz eines Fensters:
ein reflektierendes Selbstbild
es ist das einzige,
das ich, unabsichtlich,
mit dir teil
in dit lokaal, bruin gerookt
kijk jij in de
glans van een ruit:
een weerkaatsend eigenbeeld
het is het enige
dat jij, onbedoeld,
met mij deelt
Een Juliusiaanse verlichtende houding
voorwaar ik zeg u en het is waar
roep ik de sprakeloze menigte toe
terwijl ik gelukkig nog net op tijd
het juichen onderdruk met een zegenend gebaar
terwijl mijn nieuwe inzicht toch zeker niet
voor blindgeletterden onderdoet
maar daar ik wars ben van naijver of nijd
zeg ik, het is waar, en dat in alle bescheidenheid
(immers voor hoogmoed wordt men beboet)
ik zeg dus met een schorheid in de keel
die echter het gevolg is
van een voortslepende periodieke
onthouding ofwel op het afkicken
ene hemelse nicotine is gericht
(maar dat is niet des luisteraars deel)
kleven oren aan mijn lippen
wachtend op de reddende tong
hier komt spoedig de redding
uit grote menselijke ongemakken;
de diepe sociale kloven
mijn woorden zullen de verlichting
opnieuw gaan aanstippen
en het duivelse vuur der mensheid
in de kiem smoren
dan wel halverwege het kwaad doen doven
NEEM ALLE SCHULD OP UW EIGEN SCHOUDER
roep ik met tranen uit
sluit iedere ontkenning daaromtrent
van buiten af
niets geeft zoveel lucht aan uw gemoed
als u niet meer hoeft te strijden
in een eindeloos voortschrijdend
welles nietes gewroet
niet de ander, maar u bent maf
u kan enige machteloosheid vermijden
het doet u goed
(satire!)
Kleven aan de Top
het is me weer gelukt,
daar in ruime mate
de genade opnieuw mij
ten deel is gevallen;
een volle aflaat is mij verleend
zeg maar dat mijn ziel
blij is en opgetogen,
zelfs in hoge mate verrukt
een vermeende afgang mijnerzijds
als dichtend kunstenaar,
alsof ik van enige kundigheid
zou zijn gespeend,
blijkt door moderne technieken
ongewenst voorgelogen
ik voel natuurlijk gehijg in mijn nek
van oprukkende eerbare talenten,
al dan niet zichtbaar in de lijn omhoog
maar toch is nog even de beker
van hel en verdoemenis
aan mij voorbij gegaan
ondanks de fundamenten van
vieren en vijven
teer ik een wijle verder in
op inflatoire rente
het maakt maar eens gewaar
hoe kwetsbaar ik ben in mijn bestaan
of hoe snel men zich kan blindstaren
op de eeuwige roemruchte lente
(satire !)
Uitval
als stilte
is ingenesteld
of ongedwongen blind
blijft ingemetseld
is de voortduwende beweging
op dood spoor gekomen
zijn wissels bevroren
en is stroom alleen nog
gewikkeld in verleden dromen
de stoppen
blijken weer
uit steen gebakken
doch wat mij,
teneinde,
meer zorgen baart
is, dat naar het schijnt
de verbinding
niet meer wordt geaard
Een zottig lot
ach, het was maar voor even
van korte duur zogezegd
dat ik op eenzame hoogte
aan de top mocht zweven
het koningsschild
gesmeed van honing
uit een sterfelijke bron
heb ik afgelegd
op een aards schavot
daar het smolt in de zon
toch was het zoet
een enkele maal te proeven
van een vergankelijk aards lot
Hora est
de tijd staat stil
zo merk ik ter zijde op
doch mijn stemklank
verraadt enige ergernis,
vertaalt derhalve de onrust
van een aanzwellend
innerlijk ongemak
overeenkomstig
het drammerig gedreun
van een horde aanstormende
paarden in galop
mijn eigene ongeduld
staat voor kenners
merkbaar in brand
zeker als wachten
mij tenteert
gelijk de trage gang
van een nog in
leven zijnde slak
Geborgen goud
niet dat ik je misken
of wil ruilen
dat zou zoeken zijn,
geblinddoekt,
tegen beter weten in
of lijken op wisselen
van spiegelende bomen
wederom zoeken naar
broze luchtgevulde zuilen
om ze weer met tranen te vullen
uit opgeblazen dromen
noch is het zo
dat ik mijn hart snijd
uit geborgen goud
dan wel mezelf bevrijd
uit vermeende boeien
neen, enkel afdrijven
naar een leegte
waar spanen ontbreken
is verraad aan het licht
hoe zou ik dan ooit
verder moeten roeien
Oude liefde
vertel niet de woorden verder die ik zwijg
het zijn vermiste gedachten van toen
zij zwerven alsmaar van voelen naar doen
wil ze in gezouten vocht openbaren
waartoe ik zo nu en dan
of eigenlijk
toch wel dikwijls naar neig
om een verlichte schaduw
alsnog met speeksel te verklaren
ik zou van de berk met gewillige ranken
de geaarde wortels teder kussen
alsof hartstocht het smeulend vuur
met droge lippen kan sussen
en de bast niet de partituur zal nerven
van geblakerde holle klanken
luister niet naar de ogenblikken die ik zwijg
ze dragen de flanken die een oude liefde erven
Genadeloos
de mug
zoemt
over
mijn blote
rug
pest
mij
als ik tracht
te slapen
zal ik uit bed
stappen,
op jacht
gaan
om haar bloed
op de witte muur
uiteen te slaan
dan wel
mogelijkerwijs
haar restanten
op te rapen
of trotseer ik
haar macht
en denk
morgen heb ik
wel een zalfje
dat de ergerlijke jeuk
verzacht
verdomme,
daar is zij weer
zij blijft nu nóg
langer zweven
zoeeeeeeeeeeeeeeeem
zingt zij eentonig
"gij zult mij niet krijgen"
pets,
zij sterft
ik heb haar genadeloos
afgeslacht
het duurde maar even
Cecile, Vrouwe van Brugge
ik dans met u,
vrouwe van de avond
zing de melodie
die ons laat bewegen
zomaar op het ritme
van een ontspruitend lied
dat onze beide lijven,
getekend door de tijd,
even
in een blijde
voortgang doet
verweven
De zwangere schaduw
schuil je even mee,
wil je?
hier, onder mijn vlinderstruik
die roze is gesierd
de takken hangen
wat zwaar getopt,
met hemels vocht bedekt
zij schenken ons
de zwangere schaduw
waar een lichte geur
zijn hoogtij viert
en zowaar,
een rijzende passie
wordt verwekt
ik lik de rood
gezoete smaak
van je lippen
als langs je mond
het groen wat druppels
omlaag doet glijden
aan dit sap
willen onze tongen
ritmisch nippen
zal het ons,
naar vluchtige
hoogten leiden?
De zoete wind
de zoete wind strijkt
van genot de wangen
in een tastend verlangen
hij aait de huid met zachte hand
en ik, wuivend naar meeuwen,
word badend gedragen
in het warme zand
boven mij spant zich in azuur
de hemelse weide uit,
weids en sprakeloos puur
in mij drijven,
weliswaar bij vlagen,
nog losse wolken
totdat ook zij vergeten
het aardse denken
te vertolken
Ik teken jouw figuur
ik teken jouw figuur
met een gouden pen
je huid verzorg ik met
een verjongende crème
neen, je hele lijf
boetseer ik zo
dat je volledig aan
mijn mannelijke
verwachtingen voldoet
meer is er toch niet
achter jouw façade
ja, de duivelse macht
die je eeuwig beboet
hij is heerser over
een onveilige haven
hij heeft het vertrouwen,
lang geleden,
besmeurd met onuitwisbare pek
opdat de dorst nimmer is te laven
jouw zoute en zure vocht
zal nooit weg kunnen stromen
omdat het bevroren is geraakt
de liefdevolle groei naar eigenwaarde
is daardoor voortijdig gestaakt;
het daglicht draagt boze dromen
ach, het maakt niet uit wat ik vind
als je, uit onmacht,
jezelf niet bemint
Reflectie
ik heb het wel gezien
mompel ik bij tijd en wijle;
zeker de wereld is groot
en emoties nog
eindeloos te vergaren
maar waarom àlles ervaren
door het afleggen
van zoveel mijlen
of nóg dieper navelstaren
totdat alles zo duidelijk is
als de ongekende dood
FOTO

de Mythe van Fatuma
zij, Fatuma, daagt de goden uit
van achter haar gazen voile
om gelijk een dolende pagode
steunend op haar houten fluit
als bevallige dienende bruid
over haar duistere ultieme
verlangens te verhalen
teneinde de hemelse heerscharen
in een aardse verleiding te noden
zodat zij, Fatuma, hun zaad
in sprekend stof zou baren
waar elke willekeurige macht
kan worden omgezet in haar geboden
en de uitgeblusten haar tot
enige opperwezen zouden verklaren
zo geschiedde...
met vrouwelijk geduld
dat niet alleen de baarden
maar zelfs hen met zalige borsten,
onbelast met bevruchtende sappen,
werden omhuld met eeuwige schuld;
haar superbe grootsheid te aanvaarden
Annabel
het is de nacht
die al voor de avond
het licht heeft besmeurd
en in zwijgen is vermomd
als ik plots,
uit de verte
een stem hoor roepen
"kom op, Julius, geen zelfbeklag,
blijven praten.
ik mis de bevrijdende opening".
de humor, jouw onweerstaanbare lach
dat zijn toch ook vaste gewaden
vandaag, Annabel
is weer zo'n dag
het ene been schuift dan uit bed
terwijl de ander weerstand biedt
en zegt, ik volg later,
het kan nu even niet
al heb ik weet
van mijn edele dagelijkse plicht
blijf ik desondanks dromen
mijn blik blijft als vanzelf
naar binnen gericht
het is deze ochtend,
Annabel,
die de nacht verder draagt
en de scheiding tussen
slapen en ontwaken
haast onweerstaanbaar
langdurig vertraagt
Zwijgen
hoe draai ik,
blind gevlekt,
een zandloper
van steen
als ook jouw handen
niet verder kunnen reiken
door bevroren gedachten
die gevangen lijken
in glimlachend geween
en waar het zwart
over en weer
blijft ingekleurd
het is de nacht
die al voor de avond
het licht heeft besmeurd
en in zwijgen is vermomd
Blind gevlekt
vergeet zo vaak
te vragen
hoe het je vergaat
soms moet het dagen
door de eigen kwetsbare
schaduw heen
waar ook nog
mijn stokkende adem,
onverstoorbaar,
een verlammend zicht
verraadt
hoe draai ik,
blind gevlekt,
een zandloper
van steen
Crème de la crème
ach, was ik maar een poweet
die zich mocht scharen
onder de crème de la crème
zeg maar de haut culture
der edele dichters
begiftigd met elitaire snaren
die het aangezicht van taal
verstillen als het zazen in zen
maar de Schepper heeft
anders besloten:
"Gij, Julius, zijt niet slecht
maar een liefhebber
gelijk een zondagschilder,
wees niet onverdroten"
maar mijn ego
snakt zo naar roem,
laat ik hem weten
"ja", zegt de Meester
"door die menselijke trek
is een ieder bezeten"
foto

ik, als zuigende minnaar
ik zuig immer
zacht en traag
van het zoete bloed
zeg maar gerust,
óók liefdevol
zoals dat slechts
een echte minnaar doet
het is echter zo,
zucht de
stervende vlo
dat mijn tijd van
heengaan
is gekomen
steeds meer
tref ik de verzuurde mens
toen ik aan jou
was begonnen
wist ik het zeker
het chagrijn
is niet meer
in te tomen
spiegelende realiteit
ik zie jou staan
in de piste
van een lingerieboetiek
als kwetsbare figurante
op het wedijverend glas
de verbeelding zoekend
die een weg naar jezelf baant
of iemand die je ooit was
je draait je half om
of kijkt over de schouder
naar elke starende blik
die je ego tracht te vangen
aldoor wisselend van pose
om de bevestiging te vinden
in een onvertaalbaar verlangen
De glazen tijd
alhoewel overkapt en gedragen
door hemel en aarde
en beschut door
vier sierlijke pilaren
is de loper des tijds,
uiterlijk gehuld
in het goud der armen,
op een voor mij ongekende dag
opgehouden
de voortschrijdende minuten
langzaam opbouwend te vergaren
ik zie hem zielloos staan
tussen verleden van allerlei aard
onderwijl denkend
waarom nu afgedankt,
hoe kan zijn aanwezigheid
hier worden verklaard.
zeker, het glazen lichaam
is aan het oog onttrokken,
verbrijzeld op enig moment
maar waar de geijkte
eeuwenlang door bewegende polsen
in de schoonheid lijkt verheven
is hem nu
tussen willekeurige overlevenden
een voorlaatste rustplaats toegekend
Heet de dood God
als ik mijn tred steeds meer
in tijd en ruimte vertraag
en mijn gang langs rododendrons
ten einde beperk tot een van hen
dan denk ik steeds minder meer
is mijn omgeving nog maar
een haast gedachteloze haag
benader ik nu een goddelijke sfeer?
als mijn adem wenst te stoppen
overeenkomstig het aardse lot
word ik dan opgenomen
in zulke fleurige knoppen
ben ik dan in de eindeloze grootsheid
van de dood,
is dat dan de heelheid
gekend onder de naam God
Bescheiden hoogmoed
waarom zou ik bescheiden zijn
als ik op mijn rug de lasten draag
gelijk een elk het donkere moet torsen
en weet dat er een helder
onomkeerbaar punt geschapen wordt,
niet door mij of de mensen aan mijn zijde
nee, het is van een almacht,
in een zekere schijn,
niet komend uit mijn eigen vraag
die aan mij overlaat
dobbelstenen te laten rollen
om wel of niet
met de levensadem te morsen
of dromen aan te snijden
mijn voortgang kent slechts een doel
waarom zou ik dan bescheiden zijn
niet dat ik hoogmoed verkies
als heerser over alle wegen
het is waar, het bewandelen
van het eigen pad is een gegeven
waarop ook ik herhaaldelijk verdwaal
en toch wel vaak de richting verlies
al voelt het even als een zegen
om tegendraads tegen
de eigen natuur te handelen
te genieten van een uitgetreden zegen
en ik mijn hoed hoger zet dan normaal
zou een pauw niet mogen pronken
met de schoonheid hem aangedaan
mag men niet lonken naar de talenten
waarmee ieder zich heeft te verstaan
vertoeven in een huis met ramen
zonder uitgang naar buiten
is nodeloos lijden aan jezelf
het spelen met bescheidenheid
haalt mij uit de kluiten
toont mij de schoonheid van het hemelgewelf
kan mijn bestaan beamen
en geeft de lach gelegenheid
de betrekkelijkheid zich tijdelijk
in de ruimte te ontsluiten
waarom zou ik bescheiden zijn
als ik op mijn rug de lasten moet dragen
niet komend uit mijn eigen vragen
CARPE DIEM
Wachten op een trein
wanneer komt een trein voorbij,
hij mag ook wel even stoppen
als ik spreek over een gedachte
die passeert
en aanzet tot enige beweging
in mijn vingertoppen
of een beeld dat zich
neervlijt bij mij
waaruit ik zicht heb
op voldoende letters
die woorden kunnen bouwen
uit een scheppende brij
en regels trekt
over wit papier
die konddoen
van een rijmend
of prozaïsch gebeuren
waar mogelijk ook
een gevoel wordt ontmoet
met navenante kleuren
in de hoop dat in alles tezamen
ook iets muzikaals wordt opgewekt
niet om een hekwerk te beramen
maar dat de fantasie van menigeen
moeiteloos kan worden opgerekt
Ga maar
ga maar
fluistert
mijn innerlijke
stem
had je niet meer
moeten roepen
je bent door
de verstreken tijd
gekropen
aldoor een mengeling
ademend
van afstoten en hopen
mijn handen raken
nog even aan jouw huid
de ziel ervaart
met tegenzin
een afwezig geluid
ga maar
zwijgen mijn lippen
*
ik heb niet geleerd
een navelstreng
door te knippen
Een blijde boodschap
er ontwikkelt zich weer
een toekomst
zo wordt dat
in de volksmond genoemd
een flierefluiter uit miljoenen
treft onbewust
zo mogen wij gerust stellen
een verleidster
op bevruchting belust;
hij is dan tot een
langer bestaan gedoemd
tijdens rappe scheppende gebaren
of een operette met
een zangerig gezucht
geschiedt het onvoorstelbare
het zijn, naar mijn beste weten
twee mensen die op biologische wijze
van elkaar zijn bezeten
en veelal na de inspannende uitspatting
onwillekeurig zijn opgelucht
en als onzichtbaar wordt besloten
tot een hechting, gericht op meer
is het voor hem voorbij met het boemelen
zo vreten zij zich nu vol
tot één menselijk geheel;
in het vruchtwater valt
niet meer te sjoemelen
het is groeien geblazen
een buik moet immers
worden opgerekt tot bol
die na verloop van tijd
barstensvol is gevuld
met lijf en ledematen
wanneer er dan op de juiste wijze
is geëchood en geteld
geschiedt het grote wonder
als noodgedwongen
de nieuwe aanwinst
het vruchtwater moet verlaten
en worden de kaartjes rondgezonden
die al maanden eerder,
naamloos weliswaar,
bij de dorpsdrukker zijn besteld
toch denken de ouders soms even
in de reeds overwonnen nachten;
tjonge jonge, waar zijn we aan begonnen
Als een mens zich verliest
de lange slanke pij
van boven tot onder
of van aarde tot hemel
draagt in zich
wat nog rest
als stof
maar toch vooral
gevuld met de adem
door de geest gevormd
overwonnen op het
uitzichtloze broze
ik zoek het gelaat
sprakeloos geworden
dat doch als haast zeker
de zuivere zienswijze draagt
van worden naar zijn
waar echter de kap
gelijk een mantel
van het hemelgewelf
mij verblindt
en het hoofd bedekt
als scheiding tussen mijn en dijn
met het gewicht van oneindig licht
zich ongrijpbaar spreidend
over het verstilde aangezicht
en hoe zijn uiterlijk schijn
gevangen in mijn ogen
duidt op het onzichtbare alles
onbeschrijfbaar maar
zo helder naar binnen gericht
*
wat enkel de verschijning siert
is de neergelaten krans
met het gestorven hout
het laat mij
de wens aanschouwen
dat deze gestalte
op weg is,
het loslaten viert,
zonder om verlies te rouwen
ook al voelt de leegte,
menselijkerwijs gesproken,
zo immens koud
Het benevelde doek
Het benevelde doek
het groen kijkt
mij vragend aan
vanaf een palet
met gras, bomen en struiken
of raak ik zo intens begaan
omdat de regen mij van
het levende sap laat ruiken
als het benevelde doek
moeiteloos een compositie schetst
in de stille morgen
en de samenhang van tinten
woorden doet verstommen,
waar alles zichzelf
onvoorwaardelijk bemint
en van nature in geruisloze
groei lijkt geborgen
Interieur
ben even bij de buren
en zie het nu van dichterbij
wil een keer niet naar binnen gluren
wat ik normaliter doe
als ik driemaal daags voorbij schrijd
mijn hond draagt daaraan toe bij
hij heeft zijn geregelde behoefte
eigenlijk op vaste tij
zodat ik noodgedwongen
alle aanliggende huizen passeer
en inhoud van het inpandige,
zover niet achter vitrage verborgen,
op me in laat werken
en al doende veel van de bewoners leer
een buitenkans wordt mij nu zowaar geboden
een interieur van korte afstand te aanschouwen
en met een uitnodigend gebaar
word ik door de buurvrouw ontboden
zonder deze keer mij "mogge" toe te snauwen
ja, zegt zij met de sprits reeds in de mond
en de thee op haar schoot
ik vraag me immer af
die man maakt het toch wel erg bont
hij eet haast de kaas van mijn brood
terwijl zijn hond mijn enige buxus
een repeterende beurt geeft
met zijn opdringerige herenstaf
mevrouw, u hebt weet van mijn interesse
die is geheel van intellectuele aard
ik trek de nodige lessen
uit de opstelling naar uw keuze
die middels het meubilair
aantoonbaar is opgebaard
nu had ik u vanwege uw natuurlijke omvang
wat meer naar het Barokke ingeschat
maar weet u, bij de kapper heb ik gelezen dat Bea
haar optrekje voor de toekomst
omzichtig inricht in The Scandinavian stijl
nu te zien in het volkenkundig museum Ikea
u loopt volledig mee in de moderne pas
ook uw beeldscherm aan de wand
is up to date en in omvang behorend
tot de Super Class
het stemt mij tot een groot genoegen
bij een doorsnee Nederlander
te zijn aangeland
oh, uw hond is al jaren dood
gezien de urn op de vensterbank
heeft hij veel te lijden gehad
of liep hij al jaren mank
ja, zo'n beest zal u best missen
buurvrouw Jansen heeft het met vissen opgelost
toen haar kat koos voor het eeuwige
en manlief het leven liet
zei ze daadkrachtig, hier wordt niet meer
gemauwd of met brokjes gemorst
die vaas met bloemen
is dat niet in Jugendstil
nee zei ze op gedempte toon
dat kunstwerk is van plastic gemaakt
de echte is gesneuveld
toen mijn man zaliger
bij het bestrijden van de spinnenwebben
door de voorruit viel
ja, u zit er netjes bij
anders dan ik van buiten had verwacht
men blijft in het passeren toch echt een outsider
u heeft smaak dat had ik al helemaal niet verwacht
en ook al niet een zenuwlijder
nee, een tweede thee gaat er niet meer in
de viervoeter is aan zijn ronde toe
maar als ik u nu passeer weet ik zeker
ik heb het met u getroffen
mijn vooroordeel over u
is vanaf heden, dat moet ik erkennen,
veel weker
Eens komt de tijd
er komt eens een tijd
soms eerder dan vermoed
dat de grijze haren zijn geteld
of op een glad hellend vlak
de schaduw zich vertoont
als de vragen die het denken stelt
duiden op het ongewisse in mijzelf,
merk ik, dat door woorden van buiten,
en slechts voor korte duur, de zucht
naar schijnbare stilte wordt beloond
er komt eens een tijd
dat wijsheid slechts groeit
als ik de antwoorden op gemis
allengs vanzelf mijd
en ik erken dat in ademen
het leven bloeit
maar ten einde ook,
onvermijdelijk,
het zekere sterven gedijt
als ikzelf mijn leven bespiegel
neemt het echte weten toe
zal ik steeds meer van mijzelf herkennen,
worden de schellen minder snel moe
er komt eens een tijd
dat kennis slechts groeit
als men de antwoorden op onwetendheid
niet met nog meer vragen verknoeit
Foto

Mijn lage land
nog verder dan de dijk
voorbij de lage drassige velden
schuurt de stroom
tegen overvloeiende lijnen
soms op mateloze wijze
maar ook in haast
aaibaar deinen
onderhavig aan
een onduidelijke macht
beheerst door het land
doch vaak evenzeer
wanneer het water
zijn kracht doet gelden
terwijl het weder
soms onberekenbaar
het strijden
duchtig overmant
en als de raakvlakken
eigenlijk in elkander overgaan
is de bodem zacht van aard
ontdaan van vastigheid
uit kwellend slib gebaard
bij voortduring
komend dan wel gaand
stoeien zij om de zwaarste dracht
die de weg
al was het maar even
naar meer bezitten baant
zo is mijn lage land
onvoorspelbaar beweeglijk
aldoor zoekend
naar een veilige overkant
De Stem des Aanrechts
het is een vrouwenkoor,
ons vrouwenkoor
dat onophoudelijk gilt,
schreeuwt en steunt
zoals een gierende boor
al draaiend zijn hoge
eentonigheid kreunt
een toneel vol rode ballonnen
met opgezwollen nekken
het zijn sopranen
met een jankend geluid
die snerpend de lucht
langzaam laten vieren
in een ballade van Karel de Manke
zo staat op het bierviltje aangeduid
ieder familielid is opgetrommeld
zelfs tot in de vierde graad
"zie toch onze moeders daar musiceren"
roept een zonderling vanuit het toilet
"daar kunnen we weer een jaar op teren"
"die Wolfgang Kuch, de dirigent,
houdt met zijn stokje wel de maat
maar ik hoop dat hij vóór de stervensscène
uit de opera Het Genadeschot,
de zaal via de achterdeur verlaat
geruisloos, dat wel
een knipoog
de zon springt
van tak naar tak
als ik
slenterend
op afstand
de bomen zie
op een rij
zij aan zij
en flitst dan
op haar gemak
keer op keer
ik denk dan
heel even
zij knipoogt
naar mij
toch een hele eer
that's life
het blijft alsmaar afwachten
of er na morgen nog een verleden is
kan het onbekende wel verbeelden
het ongekende verzachten met gedachten
aan een almachtige kracht mijzelf overgeven
maar als puntje bij paaltje komt
blijft het hopen en verwachten
het beste dat we dagelijks kunnen beleven
(ik heb de leegte er maar niet bij opgesomd)
alhoewel, het inhoudsloos vegeteren
zoals bij licht de ogen openen
in het donker de leden weer toe
en tegen de nacht
de dag de rug toekeren,
behoort tot het potverteren
drink ik, eet ik en word als vanzelf moe
als ik wat kuier, mijn manier van lopen,
in afwijking van het huidige jachtig gedoe
maar toch is het een eenvoudige wijze
om gisteren aan een komende dag te knopen
het blijft alsmaar afwachten
of er na morgen nog een verleden is
iets dat bijdraagt aan een voldaan gevoel
ik zou niet weten wat ik daarmee bedoel
maar het nu al invullen van een mogelijk gemis
ligt niet voor de hand, ook al is het mogelijk
therapeutisch aantrekkelijk en cool
daarom schrijf ik maar wat dingen bij elkaar
en benoem het als een lichtgewicht
bestaansgedicht
het gaat erom dat ik heden
op een of andere manier
het vreemde lot van het bestaan toelicht
*
ik verhaal van
drie erwtjes op een bord
nuttig ze met mes en vork
een voor een slik ik ze in
en als ze zijn verorberd
heb ik in het kort verteld
hoe ik in de voorgaande coupletten
u allen zo teder bemin
that's life..........
vrijheid
hoe kan ik zeggen
dat vrijheid bestaat
als de nacht nog vaak
mij in zweet doet leggen
en de vroege angst
mij in het donker
geenszins verlaat
ik zie kinderen
spelen op het puin
van mijn jeugd
immers een deel
van de zwarte aarde
vind ik nog steeds in mijn tuin
ook al herhaalt de lente
zich telkenmale
ja,
hoe lang al in jaren geleden,
het lijfelijk slijten
heeft het vergeten amper
doen verminderen
wie gelooft mij nog
als ik jou vertel
dat de verleden gruwelen
mij ook morgen nog
zullen hinderen
ik moet het blijven
verhalen
Mijn schild ende betrouwe
uiterlijk verbeeld
in lijfelijk omsloten
blinkende rituele togen
waar schoonheid haar
stoffelijke genegenheid toont
viert daarenboven
de zachte schittering
in jullie beider ogen
zij weerspiegelt
de onnavolgbare weg
naar woordeloos gevoel
waarin liefdevolle herkenning
het wederzijds bestaan,
een hoopvolle eenheid beloont
schouder aan schouder
met wat reeds uit
liefdevolle verwachting
is geboren
maar ook met de
dragende getuigen
willen jullie elkaar
het jawoord toejuichen
in die eeuwigheid van even
stokte de tijd
doch vroeg jullie hart
om blijvende gelukzaligheid
horen, zien en zwijgen
ik riep ooit de woestijn toe,
het bleek aan
dovemans oren gericht
had toen nog niet het besef
dat de oase al lang geleden
'met zand er over' was gedicht
"wer schweigt, stimmt zu"
zei de oude vrouw
nog voor ze de laatste adem uitblies
och nee, ze kende geen rouw
of was haar blindheid moe
zij had door het leven heen geleerd;
niets zeggen voorkomt vaak gezichtsverlies
want spreken is zilver,
zuchtte ze nog een keer diep,
maar zwijgen goud
men raakt dan allengs vredig
met opgelegde nederigheid vertrouwd
ik trok het witte laken over haar aangezicht
ze had haar verstarde blik voor eeuwig
op de innerlijke schijn gericht
Dichter des Vaderlands
nee, het is niet wat u denkt
dat ik mij die eer nu toedicht
oh zeker, ook ik ben
met wat poëzie aangelengd,
maar lichter van gewicht
het huidig monument
staat niet op zijn sokkel
ik verwacht dan ook
zijn eerherstel
en staak zolang het duurt,
uit respect,
mijn eigen woordengetokkel
epiloog
achter het frêle vlies
herkent een voelend oog
de geladen diepte
in vibrerende stemmen
het is blindelings gewaar
van een gescheiden epiloog
de ijzige nacht
als machteloze gedachten
luider roepen
dan mijn lippen bewegen
en mijn oor even niet
aan het gevoel
van de wind wil raken
is de stilte nog
het meest genegen
mij te doen verwijlen
in de overgave aan
verloren tijd, opzoek
naar onkreukbaar waken
het is dan niet zo
dat ik me verberg
om weerstand te vermijden
soms geraakt de ziel in trance,
wordt zij overvallen door
een overdaad aan klanken;
als het aardse carillon,
onvoorspelbaar,
zijn klokken luidt en mij
naar de doolhof begeleidt
dat is gevuld
met grijze mistbanken
en waaraan verdwazing
wordt toegedicht
dan toch is het enkel
de eenzaamheid,
vaak zo van donkerte beticht,
waarin het pad naar buiten
wordt voorbereid en
meestentijds, een ochtend
de ijzige nacht afsluit
Binnenstebuiten
ik ben meer
dan het gevoel dat jij me geeft
jouw woorden dreigen,
zijn gericht op open wonden
doch met eigen onmachtig
speeksel doorzeefd
avec toi, la basse opinion mourit en même temps
nog steeds
de strenge vroege akkoorden,
aldoor onderweg,
waar op het voortschrijdend pad
het genot zelden bekoorde;
een kinderziel is met verwarring beklad
avec toi, la basse opinion mourit en même temps
door buitenlijfse krachten
lijkt nog steeds het vel gespannen,
een milde glimlach is
naar het verste eiland
binnenin jezelf
verbannen
avec toi, la basse opinion mourit en même temps
wat is nog in staat
aangegroeid eelt te verzachten
opdat het lukt jezelf te achten
en waar stilaan
het krampachtige je verlaat
avec toi, la basse opinion mourit en même temps

