Al in 1905 besloot de RTM over te stappen op een nieuw stoomlocomotieftype, een drie-asser met standplaats voor machinist en stoker achter de ketel. Tot dan stelde de RTM locs in dienst van het Breda-type, een type dat op veel stoomtramlijnen in het land heeft dienstgedaan. Hierbij omsloot het machinistenhuis de gehele locomotief en daardoor kreeg de loc het bekende vierkante (eigenlijk rechthoekig) uiterlijk. Voor diensten op de zijlijnen waren deze locomotieven (serie 16-40) prima, voor de zwaardere dienst schoten zij echter tekort. In 1905 werd de eerste serie drie-assers met machinistenstandplaats achter de ketel afgeleverd (serie 1-6), gevolgd in 1908 door de serie 7-14, evenals de vorige gebouwd door Werkspoor in Amsterdam. Henschel & Sohn te Cassel leverde in 1913 de serie 47-50. Deze serie vertoonde slechts kleine verschillen in gewicht, ketelgrootte en uiterlijk. De locomotieven van de serie 47-50 werden voor de Tweede Wereldoorlog merendeels gebruikt voor het trekken van de zware sneltrams (soms 14 rijtuigen en een paar postbagagewagens) naar Oostvoorne. Ook waren zij een regelmatige verschijning in Zeeland (depot Brouwershaven) tijdens de bietencampagne en in de Hoekse Waard. Na de opheffing van de lijnen in de Hoekse Waard was het met de serie gedaan. Loc 48 was de laatste die buitendienst ging van deze serie (1958), loc 50 (fabrieksno. 11722) mocht in 1957 meehelpen de lijnen in de Hoekse Waard op te breken waarna ook zij buitendienst ging (augustus 1957).
|