Efeze (Turkije) 1818
Een van de vragen die het christendom bezig houdt is, die over de laatste verblijfplaats van Maria. Aangenomen wordt dat Maria, ten tijde van de Christenvervolging (± 4 jaar na de kruisiging van Jezus) in Jeruzalem, samen met de evangelist Johannes naar Efeze gevlucht is. Zij zou hier samen met Johannes geleefd hebben en hier ook gestorven zijn.
Deze stelling werd reeds in 431 ad door het oecumenische Consilie aangenomen. In 1818 werd door C. Brento de volgende getuigenis van een visioen opgetekend:
Katharina Emmerich, een duitse non, kreeg meerder visioenen waarin de laatste verblijfplaats van Maria aangegeven werd. Zij verklaarde het volgende:
Toen de Christenen steeds erger vervolgd werden, vertrokken Maria en Johannes samen vanuit Jeruzalem naar Efeze. Zij bewoonden een huis op de berg Bulbul die ten zuiden van de stad Efeze ligt.
Pas in 1891 besloot de superieur van de Lazaristen, Eugene Paulin, om de visioenen te onderzoeken. Samen met een priester, Jung genaamd, en een commissie van wetenschappers, begaven zij zich naar Efeze. Na een reeks van onderzoeken werd het huis opgespoord en geïdentificeerd als het huis van Maria.
Nadat de vondst wereldwijd bekend werd, stelde de aardbisschop Timoni het huis open voor herdenkingsfeesten.
Paus Johannes XXIII verklaarde het huis in 1961 tot pelgrimsoord. In 1967 maakte paus Paulus VI en paus Johannes in 1979 een pelgrimstocht naar Efeze.
Jaarlijks wordt het huis door velen (zowel Christenen als Moslims) bezocht. De Moslims vereren Maria als moeder van Isa Peyamber, van de profeet Jezus.
Bij het aanzien van het huis is te zien dat het in de Byzantijnse tijd tot een kruisvormige basiliek is verbouwd. Hiervan zijn slechts nog fundamenten overgebleven.
De bron:
Nabij het huis in de tuin bevinden zich enkele fonteinen waaruit bronwater stroomt. Aan het water wordt een geneeskrachtige en zuiverende werking toegeschre ven.
