Het begin

De kapelaan arriveerde op 1 augustus op de pastorie en werd daar door de pastoor van harte welkom geheten. De pastoor wees de kapelaan zijn kamers, studeerkamer en slaapkamer, en vertelde dat de huishoudster de kamers zou onderhouden.Wat de werkzaamheden betrof, zou de kapelaan de zorg hebben voor de jeugd en de plattelandsvrouwen. Samen met de koster was hij verantwoordelijk voor de aanwas en opleiding van misdienaars.
Door de bisschop was de kapelaan ook benoemd als geestelijk adviseur van de boerenbond in de provincie en tot dekenaal assistent van de deken. De twee laatste benoemingen maakten hem onafhankelijk van de pastoor. Hij diende deze werkzaamheden te combineren met zijn parochiale bezigheden.
De pastoor stond er op zelf de trouw-en rouwdiensten te verzorgen onder het motto: "de pastoor is het hoofd van de parochie". Later zou blijken dat ook de huishoudster aardig baas kon spelen en nog conservatiever was dan de pastoor.
"U doet de rest van de week de vroegmis om zeven uur, zondag het lof van drie uur en U hebt deze week ook de preekbeurt", zei de pastoor.
"Verder eten we tussen de middag en avond samen. De huisdhoudster eet apart in de keuken".
"U wilt natuurlijk nu uw kamer inrichten en uw boeken uitpakken en uw fiets kunt u beneden in de berging plaatsen".
De pastoor wilde de deur uitlopen maar draaide zich nog even om met de mededeling:"ik noem u kapelaan en u noemt mij pastoor".
De kapelaan had zich de kennismaking wel iets anders voorgesteld dan deze formele ontvangst. Maar hij moest vooruit en zijn kamer op orde krijgen, dus aan de slag met uitpakken van dozen en het in elkaar zetten van het bureau.
Na enkele uren stond alles op zijn plaats en vond hij het tijd ook eens kennis te maken met de huishoudster, die Mia heette.
Zij was in de keuken voor de lunch aan het zorgen. Mia was een vrouw van tegen de vijftig en ongeveer even oud als de pastoor. Dus bijna tweemaal de leeftijd van de kapelaan.
Een driftig aandoend vrouwtje met een uitstraling van "maak het mij niet te lastig". Maar op dat moment sprak ze: "fijn met u kennis te maken". En, "de lunch is om half een, dat is over vijf minuten. 's-Avonds eten we om zes uur".
Dat was het en ze ging weer aan het werk.
De kapelaan ging naar de eetkamer waar de pastoor al op zijn stoel bij tafel zat te wachten. "Uw kamer al op orde?"
Onder de lunch vertelde de pastoor wat over het reilen zeilen van de parochie en welke parochianen belangrijk waren voor de inkomsten. Ook deelde hij de kapelaan mede dat zijn salaris 60 gulden per maand bedroeg en dat hij zelf daarvan zijn kachel brandend moest houden. Geen vetpot dus.
Na de lunch ging de kapelaan naar zijn kamer en ging zijn preek
voor de zondag voorbereiden, zijn eerste preek voor eigen parochianen. Het thema zou hij plaatsen onder de kop: "midden onder u staat hij die gij nog niet kent".
Een kennismakingspreek, waarin hij iets over zichzelf zou vertellen en zijn ambities voor deze parochie. Hij had er echt zin in om aan het werk te gaan.



















